Financiële verordening gemeente Waddinxveen 2025

Geldend van 23-01-2026 t/m heden

Intitulé

Financiële verordening gemeente Waddinxveen 2025

De raad van de gemeente Waddinxveen;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 28 oktober 2025;

gelet op artikel 212 en 213a Gemeentewet;

besluit

vast te stellen

de Financiële verordening gemeente Waddinxveen 2025.

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

Voor een toelichting op de in deze verordening gebruikte begrippen wordt verwezen naar Bijlage 3 - Begrippenlijst bij deze verordening.

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    Nota: (beleids) document dat door de raad is vastgesteld;

  • 2.

    Notitie: (beleids) document dat door het college vastgesteld kan worden;

  • 3.

    Rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheers handelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving

Paragraaf 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Planning & Controlcyclus

  • 1. De planning-en-controlcyclus bestaat in ieder geval uit de wettelijk verplichte begroting en jaarstukken;

  • 2. De planning-en-controlcyclus bestaat daarnaast uit twee of meer voortgangsrapportages en een kaderstellend stuk voor de opstelling van de begroting (kaderbrief). Het college kan hiervan afwijken, bijvoorbeeld in verkiezingsjaren bij de vorming van een nieuw college. In dat geval informeert het college de raad over de afwijkende lijn en de argumenten hiervoor.

Artikel 3. Kaders begroting

  • 1. De kaders voor de begroting worden opgesteld in een Kaderbrief. De Kaderbrief is een richtinggevend document met daarin de financiële kaders en de beleidsvoornemens voor de programmabegroting van het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. Het college biedt jaarlijks aan de raad een kaderbrief aan met daarin voorstellen voor de wijzigingen van het beleid voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming, inclusief de financiële consequenties. De raad stelt deze brief voor 15 juli vast. In een jaar met gemeenteraadsverkiezingen kan hiervan worden afgeweken.

  • 2. In de begroting wordt onder het overzicht algemene dekkingsmiddelen een bedrag van € 1 voor onvoorzien opgenomen.

Artikel 4. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1. In de begroting en de jaarstukken wordt onder elk programma en daarnaast onder het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead een tabel opgenomen waarin de lasten en baten inclusief reservemutaties worden weergegeven.

  • 2. In de begroting en de jaarstukken wordt als bijlage een overzicht opgenomen waarin voor de programma’s, het overzicht algemene dekkingsmiddelen en het overzicht van de overhead de lasten en baten per taakveld worden weergegeven. In de programma’s van de jaarrekening en begroting worden op taakveldniveau de baten en lasten van het betreffende programma afzonderlijk inzichtelijk gemaakt.

  • 3. In de begroting wordt als bijlage een overzicht opgenomen van de investeringen ingedeeld naar programma’s, het zogenaamde meerjareninvesteringsplan. In de uiteenzetting van de financiële positie van de begroting wordt dit samengevat. In deze samenvatting worden meegenomen de verwachte restant kredieten in de begroting van reeds eerder door de raad geautoriseerde investeringskredieten. De (exploitatie en kapitaal) lasten en de dekking van de investeringen maakt onderdeel uit van de ramingen per programma

  • 4. In de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en 21 BBV, inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen, het groot onderhoud en de grondexploitatie. Dit wordt verder toegelicht in de paragraaf financiering in de begroting.

  • 5. In de jaarrekening wordt van de investeringen en het groot onderhoud de uitputting van de geautoriseerde kredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 6. In de begroting en de jaarstukken wordt een overzicht van alle incidentele lasten en baten opgenomen. Bedragen groter dan € 50.000,- worden afzonderlijk gespecificeerd en toegelicht.

  • 7. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

  • 8. Voorafgaand aan de jaarstukken biedt het college de raad jaarlijks het Meerjaren Perspectief Grondexploitaties aan.

Artikel 5. Indeling programma’s en paragrafen

  • 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast. Deze programma-indeling vormt de basis voor de programmabegroting met ingang van het eerstvolgende begrotingsjaar.

  • 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de verdeling van de voorgeschreven taakvelden over de programma’s vast.

  • 3. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode per programma de beoogde maatschappelijke effecten in de vorm van beleidsindicatoren vast. Dit zijn minimaal de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, lid 2, onder a, BBV.

  • 4. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen de raad in extra paragrafen, naast de wettelijk verplichte paragrafen, in de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 6. Autorisatie begroting en kredieten

  • 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en baten per programma, de kredieten, het overzicht algemene dekkingsmiddelen, overhead en vennootschapsbelasting. Dit voor het eerste jaar van de begroting.

  • 2. De ramingen in de begroting zijn ook gebaseerd op de meerjarige beheerplannen (onderhoudsplannen) met bijbehorende kwaliteitsniveaus, zoals die door de raad zijn vastgesteld.

  • 3. Het college informeert de raad als ze verwacht, de geautoriseerde lasten te overschrijden, de geautoriseerde baten te onderschrijden, een investeringskrediet te overschrijden of een groot onderhoudskrediet te overschrijden. De raad geeft aan of zij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of prioriteit, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid.

  • 4. In de tussentijdse rapportages, bedoeld in artikel 7, lid 1, doet het college aan de raad voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten en baten, de investerings- en groot onderhoudskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investerings- en groot onderhoudskredieten met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

  • 5. Voor een bij de begroting nog niet voorziene investering, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 1.000.000 informeert het college de raad in het voorstel ook over het effect van de investering op het weerstandvermogen van de gemeente.

  • 6. In geval van spoed, bijvoorbeeld bij een calamiteit, is het college gemachtigd om voorafgaande aan toestemming van de raad uitgaven te doen. Daarover wordt de raad achteraf zo spoedig mogelijk geïnformeerd, bijvoorbeeld door een mondelinge mededeling of via een raadsinformatiebrief.

Artikel 7. Tussentijdse rapportage (Burap)

  • 1. Het college informeert de raad door middel van minstens 2 tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting over de eerste 4 en de eerste 9 maanden van het lopende boekjaar en de gevolgen van afwijkingen voor het lopende begrotingsjaar en de meerjarenraming.

  • 2. De tussentijdse rapportages bevatten naast een inhoudelijke toelichting op beleidsmatige afwijkingen in ieder geval een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de lasten en baten per programma;

    • b.

      de lasten en baten van de overzichten van de algemene dekkingsmiddelen, overhead, vennootschapsbelasting en onvoorzien;

    • c.

      het totale saldo van lasten en baten volgend uit de onderdelen a en b;

    • d.

      de toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves gesplitst naar de onderdelen a en b;

    • e.

      het verwachte resultaat, volgend uit de onderdelen c en d. en

    • f.

      de investerings- en groot onderhoudskredieten (bijstellingen en nieuwe kredieten).

  • 3. In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de door de raad, met inachtneming van artikel 7, lid 1, geautoriseerde lasten en baten per (beleids)doel, excl. afwijkingen op toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, groter dan € 50.000,- altijd toegelicht.

  • 4. De afwijkingen op de door de raad geautoriseerde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, investeringskredieten en groot onderhoudsprojecten gedekt vanuit voorzieningen worden voor afwijkingen groter dan € 50.000,- of 25% van het begrote bedrag altijd toegelicht.

  • 5. Indien na opstellen van de tweede tussentijdse rapportage alsnog (financiële) afwijkingen van de begroting worden voorzien kan het college een beknopte derde tussentijdse rapportage (de slotwijziging zoals bedoeld in artikel 8.) (met uitsluitend de financiële afwijkingen met toelichting) aan de raad voorleggen ter autorisatie in de vergadering van december .

  • 6. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad kan het college voorstellen doen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten, investeringskredieten en bijstelling van het beleid.

Artikel 8. Slotwijziging

  • 1. Het college kan voor de laatste raadsvergadering van het kalenderjaar de gemeenteraad een begrotingswijziging aanbieden, met het voorstel om;

    • a.

      dan bekende mee- en tegenvallers ten opzichte van de gewijzigde begroting in de lopende begroting te verwerken;

    • b.

      resultaten volgens de geldende kaders van de gemeenteraad te verrekenen met bestemmingsreserves of de Algemene Reserve;

    • c.

      incidentele / tijdelijke budgetten die nodig zijn om afgesproken prestaties af te ronden naar een volgend begrotingsjaar over te hevelen

  • 2. Besluitvorming over de inzet van ontstane financiële ruimte of het oplossen van tekorten vindt plaats bij de eerstvolgende Kaderbrief.

Artikel 9. Criteria voor overheveling incidentele budgetten en kredieten

  • 1. Indien de activiteiten, waarvoor de raad een incidenteel budget beschikbaar heeft gesteld, niet of niet geheel in het boekjaar kunnen worden uitgevoerd, dan is onder voorwaarden, de mogelijkheid van overheveling aanwezig. In de tweede tussentijdse rapportage, de slotwijziging en in de jaarrekening zal hiervoor door het college aan de raad een voorstel worden gedaan als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het gaat om incidenteel toegekend budget wel of niet gedekt door gelden van derden;

    • b.

      de gevraagde ruimte is op het betreffende beschikbaar gestelde budget in het boekjaar nog aanwezig;

    • c.

      aangetoond is dat de afwikkeling door omstandigheden niet heeft kunnen plaatsvinden, maar nog wel moet plaatsvinden en

    • d.

      de uitvoering van de activiteiten kan plaatsvinden binnen de werkplanning van het nieuwe boekjaar.

  • 2. Bij de jaarrekening wordt het restant van de incidentele budgetten in de bestemmingsreserve budgetoverhevelingen gestort.

  • 3. In de tweede tussentijdse rapportage en/of slotwijziging wordt voor een over te hevelen incidenteel budget groter dan € 50.000,- een toelichting op de omvang en de oorzaak van een over te hevelen incidenteel budget opgenomen.

  • 4. Van overheveling zijn uitgesloten budgetten voor de grondexploitatie, omdat deze budgetten jaarlijks naar de stand per begin van het nieuwe boekjaar opnieuw worden bepaald en beschikbaar gesteld.

  • 5. Investerings- en groot onderhoudskredieten die niet in uitvoering zijn genomen of onverdeeld zijn kunnen maximaal twee jaar worden doorgeschoven naar een volgend jaar. Als het college voor een krediet deze termijn wil verlengen dan doet het college hiervoor een gemotiveerd voorstel aan de raad in de tweede tussentijdse rapportage.

  • 6. Het college is bevoegd ná afloop van enig boekjaar door te gaan met de uitvoering van niet afgeronde activiteiten en projecten, ook al leidt dit tot (tijdelijke) begrotingsonrechtmatigheid, mits:

    • a.

      Het een activiteit betreft waarmee de raad op basis van een eerder raadsvoorstel heeft ingestemd, én;

    • b.

      Binnen de daarbij vastgestelde kaders gewerkt wordt, waaronder het restantbudget of restantkrediet, én;

    • c.

      De resterende middelen zijn/worden opgenomen in de Jaarstukken als voorstel om door te schuiven naar het volgend boekjaar hierbij wordt in acht genomen dat:

      • i.

        Jaarlijks terugkerende structurele budgetten in principe niet worden overgeheveld

      • ii.

        Overheveling van incidentele budgetten alleen mogelijk is als sprake is van een specifiek doel waarvoor deze middelen beschikbaar zijn gesteld en deze lasten niet opgevangen kunnen worden in de budgetten van het volgende boekjaar;

      • iii.

        Besluitvorming door de raad over de restant investeringskredieten en – budgetten achteraf plaatsvindt, met het vaststellen van de tussentijdse rapportages of de jaarstukken waarin de actuele stand van de investeringskredieten en – budgetten is opgenomen.

Artikel 10. EMU-saldo

  • 1. Wanneer het Rijk de gemeente meedeelt dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, lid 6, Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig vindt, dan doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting aan de raad.

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 11. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1. De raad stelt vast op welke wijze in onder andere de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en/of de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen in deze paragraaf, de raad wordt geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2. In de rechtmatigheidsverantwoording in de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen (fouten en onduidelijkheden) met een verantwoordingsgrens van 2% van de werkelijke totale lasten van de gemeente, exclusief de toevoegingen aan de reserves.

  • 3. In de paragraaf bedrijfsvoering in de jaarrekening worden door het college alle geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) gelijk of groter dan € 150.000,- nader toegelicht. Dit inclusief, indien van toepassing, door het college genomen of nog te nemen beheersmaatregelen om de afwijkingen te voorkomen.

Artikel 12. Voorwaardencriterium

  • 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2. Het college biedt de raad jaarlijks uiterlijk op 31 januari ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Het college werkt dit normenkader uit in een toetsingskader voor de controle van de interne beheersing.

Artikel 13. Begrotingscriterium

  • 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de grenzen van de lasten en baten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investerings- en groot onderhoudskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten komen.

  • 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op programmaniveau. Dat is het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd.

  • 3. Bij investerings- en groot onderhoudsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het door de raad totaal vastgestelde kredietbedrag. Een overschrijding van een jaarschijf, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4. Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting onrechtmatig is. Afwijkingen worden door de raad als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

    • a.

      Er is sprake van een lastenoverschrijding waarbij direct gerelateerde baten de overschrijding compenseren.

    • b.

      Er is sprake van een lastenoverschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      Er is sprake van een lastenoverschrijding doordat activiteiten na afloop van het boekjaar als onrechtmatig moeten worden beschouwd omdat dit bijvoorbeeld bij nader onderzoek van de subsidieverstrekker, belastingdienst of een toezichthouder blijkt (bijvoorbeeld een belastingnaheffing).

    • d.

      Er is sprake van lastenonderschrijding.

    • e.

      Er is sprake van een storting in de bestemmingsreserve budgetoverhevelingen als gevolg van lastenonderschrijding op incidentele budgetten

    • f.

      Er is sprake van een storting in de Algemene Bedrijfsreserve Grondbedrijfsfunctie als gevolg van winstneming.

    Deze afwijkingen worden verder toegelicht in het overzicht van lasten en baten inclusief toelichting in de jaarrekening, zodat de raad kan vaststellen dat de afwijkingen op basis van dit artikel acceptabel zijn. Daarnaast wordt verwezen naar artikel 11, lid 2, over de verantwoordingsgrens voor de rechtmatigheidsverantwoording en naar artikel 11, lid 3, over de rapportagegrens in de paragraaf bedrijfsvoering in de jaarrekening.

  • 5. Afwijkingen van de begroting die passen binnen het bestaande beleid van de raad worden verder toegelicht in het overzicht van lasten en baten inclusief toelichting in de jaarrekening, zodat de raad kan vaststellen dat het afwijkingen zijn die passen binnen het bestaande beleid van de raad. Daarnaast wordt verwezen naar artikel 11, lid 2, over de verantwoordingsgrens voor de rechtmatigheidsverantwoording en naar artikel 11, lid 3, over de rapportagegrens in de paragraaf bedrijfsvoering in de jaarrekening.

  • 6. Overschrijdingen van baten en/of onderschrijdingen van lasten, investeringsbudgetten en baten zijn op zichzelf niet onrechtmatig en kunnen alleen onrechtmatig zijn als die niet tijdig aan de raad zijn gemeld. Deze zijn tijdig gemeld als deze zijn opgenomen in een tussentijds voorstel of tussentijdse rapportage aan de raad en/of toereikend zijn toegelicht in de jaarrekening over het betreffende boekjaar.

Artikel 14. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, signaleren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2. Het college zorgt voor, legt vast en onderhoud periodiek de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Paragraaf 4. Financieel beleid

Artikel 15. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1. Immateriële en materiële vaste activa worden gewaardeerd en afgeschreven volgens het BBV. De mogelijkheden tot eigen keuzes hierin worden in dit artikel verder uitgewerkt. De methoden van afschrijving en afschrijvingstermijnen bij de diverse soorten van vaste activa zijn verder uitgewerkt in de Bijlage 1-Afschrijvingsbeleid bij deze verordening. De afschrijvingstermijnen bij de diverse soorten vaste activa zijn richtinggevend, maar niet limitatief en niet bindend. Wanneer hiervan wordt afgeweken dan wordt dit door het college in het voorstel voor een investeringskrediet aan de raad toegelicht.

  • 2. Het BBV laat de gemeente vrij in de keuze van afschrijvingsmethodiek. In beginsel wordt lineair afgeschreven. Wanneer er sprake is van gerelateerde inkomsten uit belastingen, heffingen en tarieven of gebouwen waarbij geen sprake is van onderhoudslasten voor rekening van de gemeente wordt er annuïtair afgeschreven.

  • 3. Lasten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 4. Het saldo van (dis)agio wordt direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5. Vaste activa met een activeringswaarde van minder dan € 25.000 worden, uitgezonderd gronden en terreinen, niet geactiveerd maar om praktische redenen direct in het jaar van aanschaf ten laste van de exploitatie gebracht. Het genoemde bedrag is exclusief eventuele verrekenbare of compensabele BTW.

  • 6. De lasten van onderzoek en ontwikkeling die niet leiden tot waardevermeerdering van één bepaald actief komen in één keer ten laste van de exploitatie. Deze incidentele lasten worden gedekt uit een positief saldo van de begroting, uit de reserve maatschappelijke voorzieningen (indien van toepassing) en/of een onttrekking aan de Algemene Bedrijfsreserve Algemene Dienst.

  • 7. Bij bepaling van de afschrijvingslasten van een actief wordt geen rekening gehouden met een eventuele restwaarde.

  • 8. In een investeringskrediet wordt, indien van toepassing, een redelijk deel aan personeels-, huisvestings- en overheadlasten (apparaatslasten) meegenomen. Rentelasten tijdens de realisatie van het krediet worden direct ten laste van de exploitatie gebracht en dus niet bijgeschreven op de investering.

  • 9. Er wordt afgeschreven met ingang van het jaar na de realisatie (oplevering/leverantie) van de investering.

  • 10. De componentenmethode wordt toegepast indien een actief met economisch nut uit componenten met substantiële omvang met verschillende levensduren bestaat. Bij investeringen met een maatschappelijk nut wordt de componentenmethode niet toegepast.

  • 11. Bij vervangingsinvesteringen, verbouwing en/of uitbreiding wordt voor de te hanteren afschrijvingstermijn een aansluiting gezocht bij de resterende levensduur van het totaal van het actief. Dit tenzij de activiteiten een levensduur verlenging van het totaal van het actief tot gevolg hebben of eigenstandig gebruik mogelijk is.

  • 12. Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar ten laste van de exploitatie gebracht in de vorm van extra afschrijving. Bij waardevermindering van vaste activa met economisch nut moet dit worden onderbouwd met een onafhankelijke toets van de directe opbrengstwaarde.

  • 13. Het is niet toegestaan om tussen afzonderlijke investeringskredieten te schuiven. Een uitzondering hierop vormen de budgettaire kaders voor de nog te verdelen investeringen die in het kader van de beheerplannen jaarlijks door de raad voor het eerstvolgende begrotingsjaar worden vastgesteld. Dit gebeurt meestal in het kader van de vaststelling van de begroting.

  • 14. De in lid 13. genoemde budgettaire kaders worden door het college verdeeld naar investeringskredieten voor projecten. Bij de verdeling respecteert het college de budgettaire kaders, beheerdisciplines en afschrijvingsduren die door de raad zijn vastgesteld.

  • 15. Een stelselwijziging (wijziging van de vrij te kiezen waarderings(activerings)grondslag) moet door de raad worden vastgesteld. Bij een stelselwijziging worden bestaande (rest)boekwaarden niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte gebruiksduur afgeschreven.

  • 16. Een schattingswijziging (b.v. wijziging van de verwachte toekomstige gebruiksduur, wijziging van de afschrijvingsmethode of wijziging van de gebruiksintensiteit) moet door de raad worden vastgesteld. De bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte gebruiksduur afgeschreven.

  • 17. Besluiten tot een stelsel- of schattingswijziging met betrekking tot de materiële vaste activa kunnen uiterlijk tot het einde (31 december) van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen door de raad.

Artikel 16. Voorbereidingskosten maatschappelijke voorzieningen

  • 1. Voorbereidingskosten die geactiveerd dienen te worden zijn:

    • a.

      Bouwvergunningen (aanvraag);

    • b.

      Aanbestedingskosten;

    • c.

      Voorlopig en definitief ontwerp (onder andere honoraria architect, constructie- en installatie-advies);

    • d.

      Kosten samenhangend met sloop van een (deel van een) gebouw indien de sloop direct gerelateerd is aan de nieuwbouw (de nieuwbouw vindt plaats op de locatie van het gesloopte (deel van) het gebouw);

    • e.

      Overige voorbereidingskosten die leiden tot realisatie van het actief.

  • 2. Kosten die (via de exploitatie) ten laste van de reserve maatschappelijke voorzieningen worden gebracht:

    • a.

      Bodemonderzoek;

    • b.

      Bodemsanering

    • c.

      Sonderingskosten

    • d.

      Uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek of locatiestudie;

    • e.

      Opstellen van een gebiedsvisie (irt maatschappelijke voorzieningen);

    • f.

      Opstellen programma van eisen;

    • g.

      Juridisch advies;

    • h.

      Kosten opening en communicatie;

    • i.

      Participatiekosten;

    • j.

      Kosten faunabeheer;

    • k.

      Programmamanagement maatschappelijke voorzieningen (uren);

    • l.

      Inhuur externe partij t.b.v. het opstellen van beleid (zoals huurbeleid, horecabeleid, Integraal Huisvestingsplan). Voor zover dit algemeen beleid betreft en niet direct toe te wijzen is aan een actief;

    • m.

      Uren ambtelijke organisatie (als dit niet direct toe te schrijven is aan het vervaardigen van een actief);

    • n.

      Uren externen voor wat betreft projectbegeleiding en – advies;

    • o.

      Kosten samenhangend met de sloop van een (deel van een) gebouw, wanneer sloop niet direct is gerelateerd aan nieuwbouw (de nieuwbouw vindt niet plaats op de specifieke locatie van het gesloopte (deel van) het gebouw);

    • p.

      Lasten van het afwaarderen van de restantboekwaarde van een gebouw (exclusief grond) op het moment van buitengebruikstelling ten behoeve van de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen;

    • q.

      Kosten voor het financieel mogelijk maken van de functie die specifiek hoort bij de betreffende beoogde maatschappelijke voorziening wanneer er sprake is van een onrendabele top binnen een gebiedsontwikkeling.

Artikel 17. Reserves en voorzieningen

  • 1. Het vormen en besteden van reserves en voorzieningen gebeurt conform het BBV. De mogelijkheden tot eigen keuzes worden in dit artikel verder uitgewerkt. De gekozen methodiek en specificaties per type zijn vermeld in de Bijlage 2 - Reserves en voorzieningen bij deze verordening.

  • 2. Aan reserves en voorzieningen, wordt uitgezonderd de Reserve bovenwijkse voorzieningen en de Reserve Verbetering fysieke leefomgeving, geen rente toegevoegd.

  • 3. Bij een voorstel tot aanwending van een algemene reserve of bestemmingsreserve wordt in het voorstel altijd het saldo van de reserve inclusief de voorgestelde onttrekking opgenomen.

  • 4. Bij een voorstel voor de instelling van een (bestemmings)reserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve en

    • c.

      de maximale hoogte (plafond) van de reserve (indien van toepassing).

    De looptijden van de (bestemmings)reserves worden minimaal jaarlijks beoordeeld in het kader van het voorstel van bestemming van het resultaat van de jaarrekening aan de raad.

  • 5. Bij onderhoudsvoorzieningen voor beheerplannen wordt jaarlijks door de raad voor het eerstvolgende begrotingsjaar de nog te verdelen jaarschijf groot onderhoud voor de uitvoering van de beheerplannen beschikbaar gesteld. Dit gebeurt meestal in het kader van de vaststelling van de begroting. Deze budgettaire kaders worden door het college verdeeld naar groot onderhoudskredieten voor projecten.

Artikel 18. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1. Onderhoudskosten worden gemaakt om het object gedurende de levensduur op een bepaald kwaliteitsniveau te houden of weer te krijgen (naar behoren laten functioneren en een bepaalde representativiteit te laten behouden). Onderhoud kan worden onderscheiden in groot onderhoud en klein onderhoud.

  • 2. Bij klein onderhoud gaat het om dagelijkse reparaties die noodzakelijk zijn om het object in goede werkende en veilige staat te houden tegen een van te voren vastgesteld kwaliteitsniveau. Klein onderhoud is het onderhoud dat vanaf het eerste of het lopende planjaar op een klein gedeelte van het object wordt uitgevoerd. De kosten van het klein onderhoud maken onderdeel uit van de jaarlijkse exploitatiebegroting.

  • 3. Lasten van groot onderhoud ontstaan na een langere periode van gebruik van een object als gevolg van slijtage. Groot onderhoud is in de regel gepland onderhoud en maakt onderdeel uit van een (meerjarig) beheerplan. Om de lasten gelijkmatige te verdelen over meerdere jaren vindt jaarlijks een toevoeging aan een bestemmingsreserve/voorziening groot onderhoud plaats op basis van een (meerjarig) beheerplan.

  • 4. Wanneer een aanpassing van een actief (of bij de componentenmethode van een aparte geactiveerde component) leidt tot volledige vervanging, verlenging gebruiksduur of significante kwaliteitsverbetering van het actief of de afzonderlijke component, is er geen sprake van groot onderhoud maar van een investering die geactiveerd moet worden conform artikel 15.

Artikel 19. Kostprijsberekening

  • 1. Voor het bepalen van de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een inzichtelijk stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden de directe kosten, de overheadkosten, de rente vreemd vermogen en mutaties in reserves en voorzieningen betrokken.

  • 2. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht worden ook, indien van toepassing, de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en de kosten voor straatreiniging betrokken.

  • 3. Voor de toerekening van de overheadkosten wordt voor de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met investeringen, groot onderhoud, grondexploitaties, subsidies of specifieke uitkeringen binnen het taakveld overhead een inzichtelijk stelsel van kostentoerekening gehanteerd.

  • 4. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart inzichtelijk gemaakt en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 5. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in lid 3 en 4 van dit artikel betreffen, wordt binnen het taakveld overhead een inzichtelijk stelsel van kostentoerekening gehanteerd.

  • 6. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa aan de taakvelden, bedoeld in lid 1 van dit artikel, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage voor toerekening van rente aan kostprijzen is gelijk aan het percentage omslagrente. Uitgangspunt is integrale financiering.

  • 7. In afwijking van lid 6 van dit artikel wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van integrale financiering of van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente kan worden verhoogd met een opslag voor debiteurenrisico.

Artikel 20. Prijzen economische activiteiten

  • 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt minimaal de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen, garanties of borgstellingen aan overheidsbedrijven en derden worden minimaal de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

  • 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van minimaal de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

  • 4. Bij afwijking van lid 1, 2 of 3 van dit artikel door een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

  • 5. Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in lid 4 van dit artikel zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van één van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h Mededingingswet.

Artikel 21. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen, rioolheffing, afvalstoffenheffing, leges, lijkbezorgingsrechten, marktgelden en (ver)huurtarieven.

  • 2. Het college doet de raad, indien de actualiteit of andere omstandigheden dit vereisen, een voorstel met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de tarieven voor erfpachten.

  • 3. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en tarieven voor erfpachten, die afwijkt van de door de raad vastgestelde kaders in lid 2 van dit artikel, vooraf een voorstel voor aan de raad.

Artikel 22. Financieringsfunctie

  • 1. Het college neemt bij het aantrekken en het uitzetten van geldmiddelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen worden offertes opgevraagd bij minimaal drie financiële instellingen/tussenpersonen alvorens middelen worden aangetrokken. Deze offertes worden schriftelijk vastgelegd en;

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, Wet financiering decentrale overheden;

  • 2. Het college richt haar activiteiten op het gebied van treasury op een transparante en beheersbare wijze in. Het college stelt hiervoor een Treasurystatuut vast.

  • 3. Bij het verstrekken van geldleningen en garanties voor de publieke taak of het algemeen belang neemt het college de volgende kaders in acht:

    • a.

      Geldleningen worden door de gemeente alleen verstrekt als alle andere mogelijkheden zijn onderzocht en geen resultaat hebben opgeleverd;

    • b.

      Garanties waarbij de gemeente direct moet betalen als de geldverstrekker daarom vraagt moeten zoveel mogelijk worden voorkomen. Uitgangspunt is het verstrekken van garanties in de vorm van borgstellingen, waarbij eerst de hoofdschuldenaar door de geldverstrekker wordt aangesproken;

    • c.

      Gebruik wordt gemaakt van waarborgfondsen. Indien hierop geen beroep kan worden gedaan worden door de gemeente zoveel mogelijk zekerheden gevestigd;

    • d.

      Het college besluit niet over het verstrekken van geldleningen en garanties waarbij de gemeente direct moet betalen als de geldverstrekker daarom vraagt, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

  • 4. Het college richt haar activiteiten op het gebied van het uitgeven van geldleningen en garanties op een transparante en beheersbare wijze in. Het college stelt hiervoor een Nota geldleningen u/g en garanties vast.

Artikel 23. Oninbaar verklaren van vorderingen

  • 1. Het college richt haar activiteiten op het gebied van het oninbaar verklaren van vorderingen op een uniforme en transparante wijze in.

  • 2. Het mandaat voor oninbaar verklaren van vorderingen kan worden toegepast indien gebleken is dat:

    • a.

      De (belasting)schuldige onvermogend is, er geen geld of goederen aanwezig zijn waarop de schuld kan worden verhaald, of wanneer voortzetting van de invordering een onverdedigbare hardheid met zich mee zou brengen;

    • b.

      Het adres van de (belasting)schuldige niet meer te achterhalen is;

    • c.

      De (belasting)schuldige is overleden en geen erfgenamen bekend zijn;

    • d.

      De (belasting)schuldige een rechtspersoon betreft en deze is geliquideerd, terwijl geen geld of goederen meer aanwezig zijn waarop beslag zou kunnen worden gelegd en geen aansprakelijkstelling van bestuurders mogelijk is;

    • e.

      De (belasting)schuldige failliet is verklaard, geen uitkering is gedaan of volgens verklaring van de curator geen uitkering te verwachten is en verder geen invorderingsmogelijkheden meer aanwezig zijn;

    • f.

      Op de eigendommen van de (belasting)schuldige door derden beslag is gelegd en/of openbaar geveild en verder geen invorderingsmogelijkheden meer aanwezig zijn;

    • g.

      Voortzetting van de vordering, gezien het bedrag en de te maken kosten, niet meer in verhouding staan met het beoogde doel;

    • h.

      De aanslag- en/of persoonsgegevens door verkeerde administratieve verwerking dusdanig zijn aangetast of verouderd dat de invorderingsbasis verloren is gegaan.

Paragraaf 5. Paragrafen begroting en jaarstukken

Artikel 24. Lokale heffingen

  • 1. De paragraaf bevat minimaal de in artikel 10 van het BBV vastgelegde verplichte informatie.

  • 2. Daarnaast wordt in ieder geval opgenomen:

    • a.

      op basis van artikel 19, lid 1 en 5, de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht;

    • b.

      op basis van artikel 19, lid 6, de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen van de rechten en heffingen;

    • c.

      onder het onderdeel beleid bedoeld in artikel 10, aanhef en onder b, BBV een overzicht van de diverse lokale rechten en heffingen, de maatstaf en de te bereiken doelstelling van het opleggen van het recht of de heffing en

    • d.

      informatie over de kostendekkendheid van de rechten en heffingen.

Artikel 25. Weerstandsvermogen en risicobeheersing

  • 1. De paragraaf bevat minimaal de in artikel 11 van het BBV en de Regeling vaststelling wijze waarop kengetallen worden vastgesteld en opgenomen in begroting en jaarverslag provincies en gemeenten vastgelegde verplichte informatie en financiële kengetallen.

  • 2. Daarnaast wordt in ieder geval opgenomen:

    • a.

      de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner;

    • b.

      het saldo van de baten en lasten voor toevoegingen aan en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten;

    • c.

      de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting als percentage van de inkomsten;

    • d.

      de wijze waarop met conjuncturele risico’s en de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan en

    • e.

      de wijze waarop met project specifieke risico’s wordt omgegaan bij het bepalen van de tussentijdse winstneming bij grondexploitaties en de omvang van het weerstandsvermogen.

  • 3. Het college biedt, indien de actualiteit of andere omstandigheden dit vereisen, een bijgestelde Nota risicomanagement en weerstandsvermogen aan ter behandeling en vaststelling door de raad. In deze nota wordt onder andere ingegaan op het risicomanagement, het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen, weerstandsvermogen of anderszins en het instrumentarium van beheersmaatregelen. In de nota wordt ook de gewenste minimale ratio voor de weerstandscapaciteit bepaald.

  • 4. De risico’s worden minimaal tweemaal per kalenderjaar in de jaarstukken en de begroting geactualiseerd.

Artikel 26. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1. De paragraaf bevat minimaal de in artikel 12 van het BBV vastgelegde verplichte informatie.

  • 2. Daarnaast wordt in ieder geval opgenomen:

    • a.

      de voortgang van de geplande investeringen en groot onderhoud en

    • b.

      de omvang van het achterstallig onderhoud inclusief de maatregelen die getroffen worden om de achterstanden in te halen.

  • 3. Er is sprake van een ondergrens voor wat betreft het vast te stellen onderhoudsniveau van kapitaalgoederen. Dit is het minimale niveau waarop nog geen kapitaalvernietiging plaatsvindt.

  • 4. Het college biedt de raad tenminste eens in de vijf jaar een Integraal beheerplan openbare ruimte aan. Het plan geeft in ieder geval het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor wegen, civieltechnische kunstwerken, openbare verlichting, groen en spelen. De raad stelt het plan vast.

  • 5. Het college biedt de raad tenminste eens in de vijf jaar een Beheerplan begraafplaatsen aan. Het plan geeft in ieder geval het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor de begraafplaatsen. De raad stelt dit plan vast.

  • 6. Het college biedt de raad tenminste eens in de vijf jaar een Gemeentelijk waterplan aan. Het plan geeft in ieder geval het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van onderhoud. De raad stelt dit plan vast.

  • 7. Het college biedt de raad tenminste eens in de vijf jaar een Meerjarenonderhoudsplan gemeentelijk vastgoed, inclusief binnensportaccommodaties, aan. Het plan geeft in ieder geval het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het gemeentelijk vastgoed. De raad stelt het plan vast.

  • 8. Het college biedt de raad tenminste eens in de vijf jaar een Beheerplan buitensport aan. Het plan geeft in ieder geval het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor de buitensportaccommodaties. De raad stelt dit plan vast.

Artikel 27. Financiering

De paragraaf bevat naast de in artikel 13 van het BBV vastgelegde verplichte informatie minimaal de volgende aanvullende financiële informatie die bijdragen aan het beeld over de financiële positie van de gemeente:

  • a.

    een overzicht van de opgenomen geldleningen met een looptijd korter dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage;

  • b.

    een overzicht van de opgenomen geldleningen met een looptijd gelijk of langer dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage;

  • c.

    de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende vier jaar.

Artikel 28. Bedrijfsvoering

  • 1. De paragraaf bevat minimaal de in artikel 14 van het BBV vastgelegde verplichte informatie.

  • 2. Daarnaast wordt in ieder geval opgenomen:

    • a.

      de omvang en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

    • b.

      de kosten van inhuur derden;

    • c.

      de huisvestingskosten;

    • d.

      de automatiseringskosten;

    • e.

      de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant;

    • f.

      in de jaarverantwoording: een toelichting bij de rechtmatigheidsverantwoording op alle afwijkingen boven de in artikel 11, lid 3, opgenomen rapportagegrens, als deze voorkomen, inclusief de genomen beheersmaatregelen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen;

    • g.

      in de jaarverantwoording: een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden door het niet naleven van de Wet fido en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen;

    • h.

      in de jaarverantwoording: een rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen en

    • i.

      in de jaarverantwoording: een overzicht van en toelichting op geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit is voorgekomen.

Artikel 29. Verbonden partijen

  • 1. De paragraaf bevat minimaal de in artikel 15 van het BBV vastgelegde verplichte informatie.

  • 2. Het college biedt, indien de actualiteit of andere omstandigheden dit vereisen, een bijgestelde Nota verbonden partijen aan ter behandeling en vaststelling door de raad.

Artikel 30. Grondbeleid

  • 1. De paragraaf bevat minimaal de in artikel 16 van het BBV vastgelegde verplichte informatie.

  • 2. Het college biedt eens in de 4 jaar, of eerder als daar aanleiding toe is, een bijgestelde Nota grondbeleid aan ter behandeling en vaststelling door de raad.

  • 3. De voorzieningen voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen nominale waarde (eindwaarde).

Artikel 31. Duurzaamheid

  • 1. Naast de in de BBV voorgeschreven paragrafen is er in begroting en jaarstukken een paragraaf duurzaamheid. Er is dus wettelijk geen verplichte informatie vastgelegd.

  • 2. In ieder geval worden in deze paragraaf opgenomen:

    • a.

      de missie;

    • b.

      de beleidsdoelstellingen;

    • c.

      de maatregelen en

    • d.

      de (financiële) verantwoording.

Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 32. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval ondersteunend is aan:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de aandachtsgebieden;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten etc.;

  • c.

    het verschaffen van informatie over de uitputting van de toegekende budgetten en investerings- en groot onderhoudskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie ten behoeve van indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, maar ook voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 33. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de aandachtsgebieden;

  • b.

    een toereikende scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investerings- en groot onderhoudskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de aandachtsgebieden over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, zodat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan en

  • i.

    het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 34. Interne controle

  • 1. Het college zorgt voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2. De door de raad vastgestelde kaders voor de interne toetsing worden jaarlijks door het college uitgewerkt in een toetsingskader in een Intern Beheersplan Verbijzondere Interne Controle (VIC). Dit Intern Beheersplan VIC wordt jaarlijks vastgesteld door het college.

  • 3. In de jaarstukken leggen burgemeester en wethouders aan de raad met de rechtmatigheidsverantwoording verantwoording af over de naleving van de regels die relevant zijn voor het financiële reilen en zeilen van de gemeente. In het controleprotocol zijn hier nadere regels over opgenomen.

  • 4. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) boven het in het controleprotocol vermelde bedrag voortvloeiend uit het artikel 11 lid 3 toegelicht.

  • 5. Het college zorgt voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente waarbij de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de administratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Artikel 35. Doelmatigheidsonderzoeken ex artikel 213a Gemeentewet

  • 1. Het college draagt er zorg voor dat jaarlijks de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door hen gevoerde bestuur periodiek wordt onderzocht.

  • 2. Het college toetst jaarlijks de doeltreffendheid van (onderdelen van) de programma’s en paragrafen. Ieder programma wordt één keer in de acht jaar in zijn geheel aan een dergelijke toets onderworpen.

  • 3. Het college benoemt in de paragraaf Bedrijfsvoering van de programmabegroting het onderwerp van de doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoeken die zij in het komend jaar gaat uitvoeren. Ook wordt toegelicht wat het object van onderzoek, de reikwijdte van het onderzoek, de onderzoeksmethode en de wijze van uitvoering is.

  • 4. De uitkomsten van een onderzoek worden vastgelegd in een rapportage. Op basis van de resultaten van ieder onderzoek stelt het college indien nodig een plan van verbeteringen op. De rapportage en het plan van verbetering worden ter kennisgeving aan de raad aangeboden.

  • 5. Het college geeft in de paragraaf bedrijfsvoering van het Jaarverslag een overzicht van de doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoeken waarvan de resultaten in het voorgaande begrotingsjaar aan de raad zijn aangeboden.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 36. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Financiële verordening gemeente Waddinxveen 2023 wordt ingetrokken.

  • 2. De bepalingen van Financiële verordening gemeente Waddinxveen 2023 blijven van kracht voor de tijdvakken waarvoor zij hebben gegolden.

Artikel 37. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de eerste dag volgend op die van bekendmaking.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Waddinxveen 2025.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 10 december 2025.

De griffier,

De burgemeester,

Bijlage 1 - Afschrijvingsbeleid

Het BBV laat gemeenten vrij in de keuze van afschrijvingsmethodiek, onze gemeente heeft er voor gekozen de volgende methodieken te hanteren:

  • Lineaire afschrijving, dat wil zeggen afschrijving op basis van een vast bedrag per jaar. Bij deze methode blijven de afschrijvingslasten gelijk, terwijl de rentelasten en daardoor ook de totale kapitaallasten tijdens de levensduur geleidelijk afnemen.

  • Annuïtaire afschrijving, dat wil zeggen afschrijving op basis van gelijkblijvende annuïteiten, waarbij de jaarlijkse last van rente en afschrijving gelijk blijft. Daarbij daalt de rentelast van jaar tot jaar sneller in de loop van de gebruiksperiode, terwijl de afschrijving omgekeerd evenredig toeneemt.

Er wordt in beginsel lineair afgeschreven, deze methode houdt het beste rekening met de relatief sterke waardevermindering aan het begin van de afschrijvingsperiode wanneer het gebruiksnut en slijtage het grootst zijn. Hoe dichter het actief zijn levenseinde nadert hoe meer de onderhoudslasten toenemen. Bij lineair afschrijven genereren de afnemende kapitaalslasten de (gedeeltelijke) dekking voor de toenemende onderhoudslasten.

De annuïtaire methode wordt gebruikt wanneer er sprake is van gerelateerde inkomsten uit belastingen, heffingen en tarieven of gebouwen waarbij geen sprake is van onderhoudslasten voor rekening van de gemeente.

Immateriële vaste activa:

Te hanteren Termijnen

Kosten verbonden aan sluiten geldlening

Direct t.l.v. exploitatie

(Dis)agio geldlening

Direct t.l.v. exploitatie

Kosten van onderzoek en ontwikkeling.

Direct t.l.v. exploitatie

Bijdragen aan activa in eigendom van derden

Conform door derden gehanteerde afschrijvingstermijn

Materiële vaste activa

Betreft

Termijnen

Gronden en Terreinen

Op Gronden en Terreinen wordt niet afgeschreven.

Geen

Gebouwen (woonruimten en bedrijfsgebouwen)

Nieuwbouw algemeen

40

Dakbedekking, plafond, kozijn en vloer (volledige vervanging)

15

Club- en kleedgebouw en tribunes (steen)

30

Opslagplaats / loods en fietsenstalling

15

1e Inrichting (leer en hulpmiddelen)/OLP

15

Noodgebouw

10

Schaftketen

5

Restauratie/renovatie (o.a. Monumenten)

25

Verbouwing oorspronkelijk gebouw

(uitbreiding)

Restant

Gebruiksduur

Groen- , weg- en waterbouwkundige werken

Openbare ruimte (economisch nut)

Buitensport

Aanleg en vervanging buitensportveld en terreininrichting

15

Kunstgrasveld – toplaag

12

Kunstgrasveld – fundering etc.

36

Tussentijdse werkzaamheden (onderhoud)

Direct t.l.v. exploitatie

Riolering

Vervangen of renoveren onderheid riool

60

Vervangen hemelwaterriool en klimaatbestendige maatregelen

30

Gemalen en drukrioleringspompen: (civieltechnische) gebouwen

30

Gemalen en drukrioleringspompen (elektrotechnische) installaties

15

Begraafplaatsen

Aanleg en uitbreiding begraafplaatsen

60

Ruimen graven

Direct t.l.v. exploitatie

Vervanging overige voorzieningen

25

Tussentijdse werkzaamheden (onderhoud)

Direct t.l.v. exploitatie

Openbare ruimte (maatschappelijk nut)

Spelen

Aanleg en vervanging speeltoestellen en valondergronden

15

Civieltechnische kunstwerken

Aanleg en vervanging brug – hout

30

Aanleg en vervanging brug – beton/staal

60

Aanleg en vervanging brug – staal/composiet

60

Aanleg en vervanging steiger

30

Aanleg en vervanging keermuur

60

Aanleg en vervanging tunnel

60

Tussentijdse werkzaamheden (onderhoud)

Direct t.l.v. exploitatie

Openbare verlichting

Aanleg en vervanging lichtmast incl. armatuur en bekabeling

30

Verkeersregelinstallaties

Aanleg en vervanging verkeersregelinstallaties

30

Baggeren

Baggerwerkzaamheden (onderhoud)

Direct t.l.v. exploitatie

Verharding (incl. straatmeubilair)

Aanleg en vervanging verharding van een weg, fietspad en voetpad

45

Aanleg en vervanging banken en afvalbakken

15

Tussentijdse werkzaamheden (onderhoud)

Direct t.l.v. exploitatie

Beschoeiingen

Aanleg en vervanging beschoeiing

20

Openbaar groen

Aanleg en vervanging openbaar groen

20

Bomen

Aanplant en vervanging bomen

40

Vervoermiddelen

Vrachtwagen, tractor

10

Kolkenzuiger, rioolreiniger en zoutstrooier

10

Schaftwagens

10

Personenwagen

5

Pick-up truck

7

Overige vervoersmiddelen

7

Machines, apparaten en installaties

Veiligheid en beveiliging

Brandmeldinstallatie

10

Kleinblusapparatuur

20

Val beveiligingsapparatuur

5

Chemische beveiligingsuitrusting

4

Openbare ruimte machines en gereedschap

Gazonmaaier / vingerbalkmaaier

5

Grafdelfmachine

10

Klepelmaaier

10

Veegmachine

7

Houtversnipperaar

15

Gebouwen

Boilers

8

Buiten zonwering

15

Geluidsinstallaties

10

Drankautomaten

7

Keukenvoorzieningen

15

Lichtinstallaties

20

Luchtverversingsinstallaties

15

Meubilair kantoor / scholen / aula’s

15

Overdrukventilator

10

Verdeelkasten

15

Overige inventaris

15

Elektra, hardware en software

Foto / videoapparatuur

5

Hardware:

  • Werkplekken (pc’s)

3 / 5

  • Servers

3 / 5

  • Infrastructuur (netwerk)

5

  • Randapparatuur (printers, scanners)

5

Software

3 / 5

Kassasystemen

5

Lichtdruk / kopieermachines

5

Telefooncentrales

10

Testapparatuur (divers)

10

Overig

Overige mechanische en elektrische installaties

15

Onderhoudsapparatuur

10

Stoomcleaner

7

Financiële activa

Leningen aan woningbouwcorporaties

Geen afschrijving

Overige langlopende leningen

Geen afschrijving

Aandelen in gemeenschappelijke regeling

Alsmede deelnemingen

Geen afschrijving

Effecten

Geen afschrijving

Bijdrage in activa van derden

Economische levensduur

Bijlage 2 - Reserves en voorzieningen

Reserves

Het BBV (artikel 43) onderscheidt twee vormen van reserves:

  • De algemene reserve.

  • De bestemmingsreserve.

De algemene reserve is een reserve zonder bestemming en daardoor in beginsel vrij aanwendbaar door de raad. Het bepalen van de minimale omvang en het minimale weerstandsvermogen is een raadsbevoegdheid. De jaarrekeningresultaten worden in beginsel met deze reserve verrekend.

De bestemmingsreserve is een reserve waaraan door de raad door middel van een specifiek besluit een bepaalde bestemming is gegeven (bijv. specifieke tijdelijke projecten of beleidsintensiveringen). De aanwending van bestemmingsreserves is wel in die zin vrijblijvend, dat de raad een besluit kan nemen over een andere aanwending c.q. bestemming.

Bij een voorstel voor het instellen van een (bestemmings)reserve wordt er minimaal aangegeven: het doel van de reserve, de voeding en de maximale hoogte (plafond) (indien van toepassing). De looptijden van de (bestemmings)reserves worden minimaal jaarlijks beoordeeld in het kader van het voorstel van bestemming van het resultaat van de jaarrekening aan de raad.

In onze gemeente worden er in principe drie typen bestemmingsreserves gehanteerd:

  • Egalisatiereserves, deze dienen om ongewenste schommelingen op te vangen in kosten en/of opbrengsten. Voorbeelden sociaal domein en bouwvergunningen.

  • Afschrijvingsreserves, deze worden aangehouden voor de (gedeeltelijke) dekking van afschrijvingslasten van vaste activa en

  • Overige bestemmingsreserves.

Voorzieningen

Volgens het BBV (artikel 44) worden voorzieningen onderscheiden in en gevormd voor:

  • Verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten;

  • Op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachte verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten;

  • Kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren en

  • De bijdragen aan toekomstige vervangingsinvesteringen, waarvoor een heffing wordt geheven (bijv. investeringen in rioleringen).

Van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden zijn conform het BBV ook een type voorziening. Dit geldt niet voor bijdragen van overige overheden met een specifiek bestedingsdoel, deze worden als vooruitontvangen bedrag opgenomen op de balans.

Het is de raad die een voorziening instelt op verzoek van het college, vanwege het dwingende karakter is er in de regel geen ruimte om af te wijken van hetgeen dat voorgesteld wordt. Het vormen van een voorziening wordt daarom vanuit praktisch oogpunt veelal bij de beoordeling van de Planning & Control documenten aan de raad voorgelegd. Het vormen van een nieuwe voorziening als gevolg van een beleidswijziging vergt een expliciet raadsbesluit.

In onze gemeente worden er 5 typen voorzieningen gehanteerd:

  • Wachtgeld- en pensioenvoorzieningen (voorzieningen voor verplichtingen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten);

  • Onderhoudsvoorzieningen (voorzieningen die strekken tot gelijkmatige verdeling van lasten);

  • Nakomende kostenvoorzieningen (voorzieningen voor verplichtingen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten);

  • Verliesvoorzieningen (voorzieningen voor verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten) en

  • Egalisatievoorzieningen (voorzieningen waarbij de besteding dusdanig is gebonden dat de gereserveerde middelen uit heffingen of rechten teruggegeven moeten worden als ze niet aan het doel waarvoor ze geheven zijn worden besteed). Voorbeelden begraafrechten, afvalstoffen- en rioolheffing.

Bijlage 3 – Begrippenlijst

In de verordening wordt verstaan onder:

  • BBV: Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten;

  • College: burgemeester en wethouders van de gemeente.

  • Programma: volgens artikel 8 lid 2 BBV een samenhangend geheel van activiteiten, inclusief reservemutaties, dat onderdeel is van het programmaplan;

  • Taakveld: eenheden waarin de programma’s in het programmaplan, bedoeld in artikel 8 lid 2 BBV, en de vaste onderdelen in het programmaplan, bedoeld in artikel 8 lid 1 b tot en met e BBV, zijnde algemene dekkingsmiddelen en onvoorzien, overhead, vennootschapsbelasting worden onderverdeeld;

  • Paragraaf: volgens artikel 9 lid 1 BBV worden hierin de beleidslijnen vastgelegd met betrekking tot belangrijke ‘programma overstijgende’ beheersmatige aspecten en de lokale heffingen;

  • Budget: taakstellend bedrag dat is terug te voeren op de lasten en baten in de begroting;

  • Krediet: taakstellend bedrag dat is terug te voeren op het investerings- of groot onderhoudsprogramma zoals opgenomen in de begroting;

  • Incidentele lasten en baten: eenmalige zaken en (meerjarige) projecten of subsidies als deze ook het karakter van tijdelijkheid en/of een eindig doel hebben.

  • EMU-saldo: geraamde of gerealiseerde saldo van de ontvangsten en uitgaven van een gemeente, berekend op transactiebasis en volgens de voorschriften van het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie;

  • Vaste activa: objecten (bijvoorbeeld gebouwen, wegen) die worden geactiveerd als deze een langere tijd (langer dan 1 jaar) mee gaan en een bepaalde waarde hebben;

  • Immateriële vaste activa: zijn vaste activa die niet tastbaar zijn maar wel een objectief bepaalbare waarde hebben;

  • Materiële vaste activa: zijn vaste activa die door investeringen worden verworven en/of voortgebracht;

  • Investeringen met economisch nut: investeringen die verhandelbaar zijn (gebouwen) en/of kunnen bijdragen aan het krijgen van middelen (rioolheffing);

  • Investeringen met maatschappelijk nut: investeringen die geen economisch nut opleveren, bijvoorbeeld wegen.

  • Componentenmethode: methode waarbij een investering wordt opgesplitst in diverse onderdelen met ongeveer een vergelijkbare economische levensduur. Deze onderdelen worden apart geactiveerd en afgeschreven.

  • Lineaire afschrijving: Zie Bijlage 1 – Afschrijvingsbeleid bij deze verordening;

  • Annuïtaire afschrijving: Zie Bijlage 1 – Afschrijvingsbeleid bij deze verordening;

  • Reserves: Zie Bijlage 2 – Reserves & voorzieningen bij deze verordening;

  • Voorzieningen: Zie Bijlage 2 – Reserves & voorzieningen bij deze verordening;

  • Omslagrente: gewogen gemiddelde rentepercentage van de aangetrokken geldleningen exclusief projectfinanciering.

  • Decentrale overheden: provincies, gemeenten, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen.

  • Treasury: het sturen en beheersen van, het verantwoorden over en het toezicht houden op de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s.

  • Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie voor het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • Rechtmatigheidsverantwoording: rapportage van het college waarin wordt aangegeven in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving.

  • Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet samen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

  • Netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren, vorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa.

  • Onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: positieve uitkomst van het verschil tussen de opbrengst onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting.

  • Wet fido: Wet financiering decentrale overheden.

  • Gids proportionaliteit: Bij aanbestedingen moet een aanbestedende partij zich verplicht houden aan deze gids. Het proportionaliteitsbeginsel houdt in dat de eisen en voorwaarden die worden gesteld bij een aanbesteding in redelijke verhouding moeten staan tot de aard en omvang van de aan te besteden opdracht.