Financiële Verordening Capelle aan den IJssel 2025

Geldend van 21-01-2026 t/m heden

Intitulé

Financiële Verordening Capelle aan den IJssel 2025

De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

gezien het advies van de Commissie Bestuur, Veiligheid en Middelen;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2025

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • 2.

    Afdeling: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college, waarbij de griffie ook wordt aangemerkt als afdeling zonder verantwoordelijkheid aan het college.

  • 3.

    Overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

  • 4.

    Rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2. De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 3. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. In uitzonderlijke situaties kan er tussentijds tot een extra paragraaf worden besloten.

Artikel 3. Inrichting begroting, tussentijds rapporteren en jaarstukken

  • 1. Bij de Begroting en de Jaarstukken worden onder elk van de programma’s, de baten en lasten per programma weergegeven.

  • 2. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de Begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringsbudget weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringsbudget en de raming van de uitputting van het investeringsbudget in het lopende boekjaar (verdicht) weergegeven.

  • 3. In de Jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringsbudgetten en het verschil tussen raming en realisatie weergegeven.

  • 4. Het college informeert de raad door middel van de kadernota en slotwijziging over de realisatie van de begroting.

  • 5. De kadernota en slotwijziging bevatten inhoudelijke en cijfermatige verantwoording voor het monitoren en bijsturen. De kadernota en slotwijziging rapportage bestaat uit:

    • a.

      de baten en de lasten per (deel)programma;

    • b.

      tekstuele toelichting op de voortgang van het gevoerde beleid

    • c.

      tekstuele toelichting op beleidsmatige/financiële afwijkingen

  • 6. De geautoriseerde investeringsbudgetten in de Begroting, de kadernota en slotwijziging geven het college inzicht in de ontwikkeling van de meerjarenraming per programma. De meerjarenbegroting bestaat uit het huidige begrotingsjaar, alsook de drie jaren erna.

Artikel 4. Kaders begroting

  • 1. Het college biedt een kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt uiterlijk in zijn laatste vergadering voor het zomerreces deze kadernota vast.

  • 2. Bijstelling van beleid gedurende het jaar wordt gedaan door middel van aparte raadsvoorstellen. Deze wijzigingen worden direct verwerkt en zichtbaar gemaakt in een eerstvolgend p&c product.

  • 3. Op maximaal twee momenten in het jaar worden bestuursrapportages aangeboden aan het college ter vaststelling. Als een rapportage aanleiding geeft tot wijziging van de programmabaten en – lasten kan een raadsvoorstel worden gemaakt. De rapportage kan als onderbouwing als bijlage aan het raadsvoorstel worden toegevoegd.

  • 4. Het college biedt aan het einde van het jaar een slotwijziging aan met een voorstel voor wijzigingen van het lopende boekjaar. De raad stelt uiterlijk in zijn laatste vergadering van het begrotingsjaar de slotwijziging vast. Alleen wijzigingen die nodig zijn om te voldoen aan de rechtmatigheidseisen van de jaarrekening, mutaties in investeringsbudgetten en mutaties eenmalige reserves krijgen een plaats in de slotwijziging.

  • 5. In de begroting wordt een post onvoorzien van circa € 0,50 per inwoner opgenomen.

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringsbudgetten

  • 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de raad bij de programma-indeling deelprogramma’s vaststellen waarbij de autorisatie van de baten en lasten plaatsvindt op het niveau van het deelprogramma.

  • 3. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringsbudget wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 4. Het college informeert de raad als ze verwacht dat:

    • 1.

      De lasten van een programma of deelprogramma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden met meer € 250.000 van de programmalasten. Daarnaast moet de overschrijding meer dan 2% zijn van de programmalasten of;

    • 2.

      de baten van een programma of deelprogramma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden met meer € 250.000 van de programmabaten. Daarnaast moet de onderschrijding meer dan 2% zijn van de programmabaten of;

    • 3.

      de investeringsuitgaven van een investeringsbudget het geautoriseerde investeringsbudget dreigen te overschrijden met meer dan € 250.000.

    De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of deelprogramma, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringsbudget, of voor het bijstellen van het beleid.

  • 5. De bevoegdheid tot doen van uitgaven ten laste van de post Onvoorzien is aan het college gemandateerd.

  • 6. Bij de behandeling van de kadernota en slotwijziging in de raad, doet het college indien nodig voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringsbudgetten en het bijstellen van het beleid.

  • 7. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doet het college indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringsbudgetten.

  • 8. Via raadsvoorstellen, de kadernota, de slotwijziging en de jaarrekening worden afwijkingen op de actuele ramingen toegelicht als:

    • 1.

      de lasten van een programma of deelprogramma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden met meer € 250.000 van de programmalasten. Daarnaast moet de overschrijding meer dan 2% zijn van de programmalasten;

    • 2.

      de baten van een programma of deelprogramma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden met meer € 250.000 van de programmabaten. Daarnaast moet de onderschrijding meer dan 2% zijn van de programmabaten;

    • 3.

      de lasten van de geautoriseerde lasten van investeringsbudgetten groter dan € 250.000 bedragen;

    • 4.

      In de begroting wordt voor nieuw beleid een grens van € 250.000 gehanteerd.

  • 9. Voor een investering waarvan het investeringsbudget niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringsbudget aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 2.500.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.

  • 10. Bij meerjarige investeringsbudgetten levert overschrijding van een jaarschijf geen onrechtmatigheid op, zolang aannemelijk is dat het totaal van de uitgaven binnen het totaal gevoteerde investeringsbudget blijft.

  • 11. Bij strategische verwerving van grondposities wordt afgeweken van de normale budgetautorisatie als bepaald in het eerste lid. In deze gevallen wordt de Nota Grondbeleid nageleefd.

  • 12. Elk jaar bij de Kadernota wordt er een nieuw jaar toegevoegd aan de meerjarenraming.

Artikel 6. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 7. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

  • 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens, deze grens wordt jaarlijks vastgelegd in het normenkader rechtmatigheid.

  • 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan € 250.000 nader toegelicht.

Artikel 8. Voorwaardencriterium

  • 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks ter vaststelling een normenkader aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

Artikel 9. Begrotingscriterium

  • 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringsbudgetten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

  • 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

  • 3. Bij investeringsbudgetten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde investeringsbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het investeringsbudget, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4. Uitgangspunt hierbij is dat iedere kostenoverschrijding en batenonderschrijding onrechtmatig is, tenzij:

    • a.

      De kostenoverschrijding geheel of grotendeels worden gecompenseerd door direct gerelateerde opbrengsten, bijvoorbeeld via subsidies of kostendekkende omzet;

    • b.

      De kostenoverschrijding een open einde (subsidie)regelingen betreft. Vaak blijkt vanwege dit open karakter in het kader van het opmaken van de jaarrekening een (niet eerder geconstateerde) overschrijding;

    • c.

      De kostenoverschrijding geconstateerd wordt na het verantwoordingsjaar betreffende activiteiten welke achteraf als onrechtmatig moeten worden beschouwd omdat dit bijvoorbeeld bij nader onderzoek van de subsidieverstrekker, belastingdienst of een toezichthouder blijkt (bijvoorbeeld een belastingnaheffing). Het zal hier in de praktijk vaak gaan om interpretatieverschillen bij de uitleg van wet- en regelgeving die na het verantwoordingsjaar aan het licht komen.

    • d.

      De kostenoverschrijding op het (deel)programma kleiner is dan de in artikel 5 lid 4 en 8 opgenomen rapportagegrens;

    • e.

      De kostenoverschrijding past binnen het door de gemeenteraad geaccordeerde beleid. Het gaat dan om:

      • 1.

        Faillissement debiteur/vorderingen die niet meer geïnd kunnen worden;

      • 2.

        Wijzigingen landelijke wet- en regelgeving met financiële consequenties;

      • 3.

        Aanpassingen algemene uitkering gemeentefonds;

      • 4.

        Uitgaven van gemeenschappelijke regelingen/verbonden partijen;

      • 5.

        Renteontwikkelingen;

      • 6.

        Noodzakelijke afwaardering onroerend goed door marktomstandigheden;

      • 7.

        Uitgaven die naar hun aard onvoorzien, onvermijdbaar en onuitstelbaar zijn.

    • f.

      De batenonderschrijding geheel of grotendeels worden gecompenseerd door direct gerelateerde lagere kosten ten laste van bijvoorbeeld subsidie.

    • g.

      De in sub b, c, d en e genoemde voorwaarden voor het niet toelichten van de kostenoverschrijding zijn ook van toepassing wanneer het een batenonderschrijding betreft.

Artikel 10 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

Hoofdstuk 4. Financieel beleid

Artikel 11. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1. Materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening.

  • 2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

Artikel 12. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1. Voor de vorderingen op verbonden partijen, derden en bijstandsverstrekking wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2. Voor openstaande vorderingen betreffende gemeentelijke belastingen en heffingen wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 100.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid.

Artikel 13. Reserves en voorzieningen

  • 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2. Het college biedt de raad een Nota Reserves, Voorzieningen, Risicomanagement en Weerstandsvermogen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen;

    • c.

      de voorwaarden aan risicomanagement en weerstandsvermogen.

  • 3. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve; en

    • d.

      de maximale looptijd.

  • 4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de Algemene reserve toegevoegd.

  • 5. Het college verstrekt jaarlijks gelijktijdig met de in artikel 3 genoemde Kadernota informatie over de stand van zaken met betrekking tot reserves en voorzieningen. De Algemene reserve en de Bestemmingreserve eenmalige uitgaven vormen daarin een standaard onderdeel. Nadere informatie wordt bovendien bekend gemaakt in de Begroting en de Jaarstukken.

  • 6. Voor mutaties in de reserve éénmalig wordt een ondergrens van € 50.000 gehanteerd.

  • 7. Mutaties in reserves die direct in verband staan met hiermee samenhangende lasten en/of baten vinden plaats op basis van de werkelijke lasten en baten in enig jaar.

Artikel 14. Kostprijsberekening

  • 1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten in ieder geval ook betrokken: de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa.

  • 2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting extracomptabel bepaald en vervolgens toegerekend aan de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten.

  • 4. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van de rioolheffing en afvalstoffenheffing is uitgegaan van het aandeel in de totale geraamde overheadkosten ter grootte van de geraamde personeelslasten die aan de rioolheffing en afvalstoffenheffing worden toegerekend, gedeeld door de totale geraamde personeelslasten van de taakvelden.

  • 5. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt berekend door de aan de taakvelden toe te rekenen rente (in euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal is gefinancierd. De regels met betrekking tot rente worden in artikel 18 vastgelegd.

  • 6. In afwijking van het vijfde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van een marktconforme rente. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

  • 7. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de bestaande leningenportefeuille.

Artikel 15. Prijzen economische activiteiten

  • 1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2. Bij het verstrekken van leningen of borgstellingen door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden de bepalingen uit de Verordening Leningverstrekking respectievelijk de Verordening Borgstellingen nageleefd.

  • 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, borgstellingen en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 16. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1. Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, heffingen, rechten en leges.

  • 2. Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten ten opzichte van de kaders vooraf een besluit voor aan de raad.

Artikel 17. Financieringsfunctie

  • 1. Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

Artikel 18. Rentebeleid

  • 1. Het intern aan grondexploitaties toe te rekenen rentepercentage wordt berekend, conform de geldende BBV Notitie Grondbeleid, in de begroting en jaarstukken.

  • 2. Bij een negatief saldo door te rekenen rente blijft het renteresultaat conform de geldende BBV op het taakveld treasury. Er wordt geen negatieve renteomslag (rentebate) toegerekend aan de taakvelden.

  • 3. De kosten die de gemeente realiseert voor de activiteiten van de eventuele vennootschap plichtige onderneming, moeten aan de vennootschap plichtige onderneming worden toegerekend in het kader van de vennootschapsbelasting.

  • 4.

    • a.

      Conform het geldende BBV dient er met een renteomslag gewerkt te worden. Dit in verband met het toerekenen van rente aan de taakvelden. De basis hiervoor is de boekwaarde van de activa die bij de taakvelden hoort (door te berekenen rente gedeeld door totale activa maal 100%).

    • b.

      De omslagrente mag maximaal 0,5% afwijken van het werkelijk rentepercentage wat toegerekend moet worden aan de taakvelden.

    • c.

      De externe rentelasten over de korte en lange financiering worden op het taakveld treasury als last verantwoord. De externe rentebaten worden op het taakveld treasury als baat verantwoord.

    • d.

      In de Kadernota bepalen we het renteomslagpercentage van het begrotingsjaar en de drie daaropvolgende jaren. Indien de afwijking groter is dan 25% herberekenen we het percentage en de toerekening aan de taakvelden.

Hoofdstuk 5. Paragrafen

Artikel 19. Lokale heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht.

Artikel 20. Financiering

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf financiering naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 14, vijfde lid;

Artikel 21. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

  • 1. In de paragraaf Weerstandsvermogen en Risicobeheersing bij de Begroting en de Jaarstukken neemt het college de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op.

  • 2. Voor het in beeld brengen van de weerstandscapaciteit van de gemeente wordt aan de hand van het eigen vermogen (algemene reserves en bestemmingsreserves), de vrij te besteden (budget)ruimte, de ruimte voor onvoorziene uitgaven beoordeeld of deze een omvang heeft die voldoende is om de financiële gevolgen van de risico’s, als die zich voordoen af te kunnen dekken.

  • 3. De raad stelt een Nota Reserves, Voorzieningen, Risicomanagement en Weerstandsvermogen vast.

Artikel 22. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1. Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op.

  • 2. Het college stelt ten minste eenmaal in de vijf jaar een Integraal beheerplan openbare ruimte en een Integraal projectenboek vast. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair en eveneens de normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt middels de Stedelijke Beheervisie de beleidskaders voor deze plannen vast.

  • 3. Het college stelt ten minste eenmaal in de vijf jaar een (bijgesteld) Verbreed Gemeentelijk Rioleringsplan (VGRP) vast. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen, alsmede de kwaliteit van het milieu en eveneens de normkostensystematiek en het meerjarig budgettair beslag. De raad stelt middels de Stedelijke Beheervisie de beleidskaders voor dit plan vast.

  • 4. Het college biedt één keer in de vijf jaar de raad een Onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast.

  • 5. De raad stelt de bijlage afschrijvingsbeleid samen met de verordening vast, met kaders over investeringen, activeren, waarderen en afschrijven.

Artikel 23. Bedrijfsvoering

  • 1. In de paragraaf bedrijfsvoering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a.

      De omvang, van het personeelsbestand en de loonkosten;

  • 2. In de jaarstukken neemt het college naast bovengenoemde onderdelen de rechtmatigheidsverantwoording op met daarin:

    • a.

      het totaal aan afwijkingen met betrekking tot het begrotingscriterium, voorwaardencriterium en misbruik en oneigenlijk gebruik criterium, zoals toegelicht in hoofdstuk 3 rechtmatigheid. voor zover die (samen met eventuele andere financiële onrechtmatigheden) boven de door de raad in het normenkader vastgestelde grens uitkomen;

    • b.

      een toelichting op de geconstateerde fraude van eigen medewerkers;

    • c.

      verbetermaatregelen die zij gaat treffen om rechtmatig handelen in de toekomst te borgen.

    • d.

      Een rapportage indien er niet-financiële onrechtmatigheden zijn in verband met het niet naleven van bepalingen in de wet Fido en bijbehorende regelingen.

Artikel 24. Verbonden partijen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf verbonden partijen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    Bepalingen over de periodieke beoordeling of voortzetting van de deelname aan de verbonden partijen nog wenselijk is;

  • b.

    Informatie over de jaarlijkse ontwikkelingen bij de verbonden partijen;

  • c.

    In de Nota Verbonden Partijen zijn naast bovenstaande bepalingen uit lid a en lid b. ook andere kaders afgesproken zoals een Rapportage gewenste bestuurlijke betrokkenheid.

Artikel 25. Grondbeleid

  • 1. In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

    • a.

      het verloop van de grondvoorraad;

    • b.

      de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten

  • 2. Het college biedt de raad een Nota Grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

    • a.

      de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • c.

      het verloop van de grondvoorraad;

    • d.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

Hoofdstuk 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 26. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten, etc.;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 27. Financiële organisatie

Het college draagt zorg voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringsbudgetten;

  • d.

    Een Financieringsstatuut, in deze nota wordt het beleid van de gemeente Capelle aan den IJssel voorgelegd waarin onder meer de volgende inhoud is opgenomen:

    • 1.

      De opzet en inrichting van de financieringsfunctie;

    • 2.

      Het financieringsbeleid: missie, doelstellingen, taakvelden, richtlijnen en limieten;

    • 3.

      De organisatie rondom de financiering: verantwoordelijkheden, bevoegdheden, administratieve

    • 4.

      organisatie, planning & control en informatievoorziening.

  • e.

    de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

  • i.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 28. Interne controle

  • 1. Het college zorgt ervoor dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft en dat de baten, lasten en balansmutaties rechtmatig tot stand zijn gekomen, in overeenstemming met artikel 213 lid 3a en lid 3b van de Gemeentewet. Hiervoor zorgt het college voor jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2. Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Hoofdstuk 7. Slotbepalingen

Artikel 29. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1. De Financiële verordening gemeente Capelle aan den IJssel 2023 wordt ingetrokken.

  • 2. Onverminderd het gestelde in lid 1 blijft de Financiële verordening gemeente Capelle aan den IJssel 2023 van toepassing op de Jaarrekening en het Jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking;

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening Capelle aan den IJssel 2025.

Ondertekening

Vastgesteld in de openbare vergadering van 17 december 2025 ,

de griffier,

de voorzitter,

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 11

Afschrijving vindt plaats met ingang van het jaar nadat de activa volledig zijn gerealiseerd. De afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar.

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut

Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan € 25.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in:

Categorie

Subcategorie

Afschrijvingstermijn

Inventaris

computer

4 jaar

 

kantoorapparaten

5 jaar

 

server

5 jaar

software

4 jaar

 

meubilair

10 jaar

 

 

 

Materiaal

auto’s

5 jaar

 

klein materiaal

5 jaar

 

materiaal gladheidsbestrijding

8 jaar

 

groot materiaal

10 jaar

 

 

 

Mobiliteitsvoorziening

rolstoelen

7 jaar

 

scootmobielen

7 jaar

 

 

 

Sport

inrichting gymzalen, sporthallen

10 jaar

 

toplaag tennisbanen

10 jaar

 

toplaag sportvelden

10 jaar

 

onderbouw plus sporttechnische laag

30 jaar

 

accommodaties en gebouwen

40 jaar

 

 

 

Gebouwen

inrichting gebouwen

10 jaar

 

noodlokalen

10 jaar

 

semi-permanente gebouwen

25 jaar

 

permanente gebouwen

40 jaar

 

zonnepanelen

20 jaar 

technische installaties

20 jaar

Riool

saneringswerken

30 – 40 jaar

 

gemaal overig

25 jaar

 

vervangen gemaal

50 jaar

 

persleidingen

50 jaar

 

 

 

Afval

bovengrondse container

10 jaar

Minicontainers

12 jaar

Rolcontainers

15 jaar

 

ondergrondse container – binnenbak

15 jaar

 

ondergrondse container – buitenbak

30 jaar

Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut

Vanaf 1 januari 2017 moeten investeringen met maatschappelijk nut verplicht worden geactiveerd en worden afgeschreven naar gelang de gebruiksduur.

De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in:

Categorie

Subcategorie

Afschrijvingstermijn

Toelichting

Verkeersvoorzieningen

Verkeersregelinstallatie

15 jaar

Verhardingen

Verharding

asfalt

15 – 30 jaar

Afhankelijk van zettingsgevoeligheid

Verharding

elementen

15 – 30 jaar

Afhankelijk van zettingsgevoeligheid

Verharding

overige

15 – 30 jaar

Afhankelijk van zettingsgevoeligheid

Civieltechnische werken

Brug

beton

90 jaar

staal

50 jaar

hout

25 – 40 jaar

Afhankelijk van het soort (constructie) materiaal

Visplaats

boven water met dekdelen

25 jaar

aan het water

30 jaar

Afmeervoorziening

boven water met dekdelen

50 jaar

aan het water

50 jaar

Geluidskerende constructies

hout

40 jaar

transparant

90 jaar

staal

50 jaar

granulaat

40 jaar

Keerwand

beton

90 jaar

hout

30 jaar

metselwerk

100 jaar

elementen

90 jaar

Damwand

beton

90 jaar

 

hout

30 jaar

 

staal

40 jaar

(gefundeerde) Trap

met leuning

70 jaar

Tunnel

beton

90 jaar

Viaduct

beton

90 jaar

Overkluizing

beton

90 jaar

Portaal

staal

20 – 25 jaar

Openbare verlichting

Lichtmast

40 jaar

Armaturen

20 jaar

Speeltoestellen

15 jaar

Water

Duikers

40 jaar

Beschoeiingen

30 jaar

Groenvoorzieningen

Groen

bomen

20 – 30 jaar

Afhankelijk van het zettingsgebied

struiken

20 – 30 jaar

Afhankelijk van het zettingsgebied