Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755590
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755590/1
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026
Geldend van 21-01-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026Inleiding
Deze beleidsregels geven richting aan de uitvoering van de jeugdhulp in de gemeente Culemborg.
Zij vormen de verbindende schakel tussen de wettelijke kaders van de Jeugdwet, de Verordening Jeugdhulp Culemborg 2026 en de lokale beleidsplannen binnen het sociaal domein.
Centraal staat dat jeugdigen veilig, kansrijk en gezond kunnen opgroeien en dat gezinnen tijdig passende ondersteuning ontvangen — zo licht als kan, zo zwaar als nodig.
De gemeente zet daarbij in op versterking van eigen kracht, normalisering van alledaagse opvoedvragen en het benutten van het sociale netwerk, zodat professionele hulp pas wordt ingezet wanneer dit echt noodzakelijk is.
De Jeugdwet bepaalt het wettelijke kader: de verantwoordelijkheden van gemeenten en de rechten van jeugdigen en ouders.
De verordening legt vast welke voorzieningen de gemeente biedt, op welke manier deze worden toegekend en welke regels daarvoor gelden.
De beleidsregels concretiseren vervolgens hoe het college die verordening toepast, welke afwegingscriteria worden gehanteerd en hoe de uitvoering plaatsvindt binnen de ruimte die de wet biedt.
De uitvoering van de jeugdhulp in Culemborg is gebaseerd op samenwerking, professionaliteit en vertrouwen.
De gemeente werkt vanuit gedeelde verantwoordelijkheid met inwoners, professionals en ketenpartners, gericht op duurzame ondersteuning, eenvoud in toegang en maatwerk dat aansluit bij het gewone leven.
Bij iedere beslissing wordt gekeken naar evenredigheid: de hulp is in verhouding tot de problematiek en gericht op herstel van zelfstandigheid en participatie.
Daarbij sluit Culemborg aan bij de koers en uitgangspunten uit de lokale beleidsplannen sociaal domein, de regionale samenwerking en landelijke ontwikkelingen.
De gemeente evalueert deze beleidsregels periodiek op werking, uitvoerbaarheid en maatschappelijke effecten, en past ze waar nodig aan op basis van praktijkervaring, jurisprudentie en maatschappelijke ontwikkelingen.
Intitulé
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg,
gelet op de artikelen 2.9, 2.10 en 2.12 van de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, en de Verordening Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026;
besluit vast te stellen:
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1.1 – Doel en status van de beleidsregels
-
1. Deze beleidsregels geven uitvoering aan de Verordening Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026 en concretiseren hoe het college zijn bevoegdheden op grond van de Jeugdwet uitoefent.
-
2. Zij dienen als richtlijn voor de besluitvorming over toekenning, uitvoering, herziening en beëindiging van jeugdhulpvoorzieningen, zodat inwoners zorgvuldig, transparant en gelijk worden behandeld.
-
3. Het college past deze beleidsregels toe bij de uitvoering van de Jeugdwet, maar kan daarvan gemotiveerd afwijken als strikte toepassing leidt tot onevenredige gevolgen voor jeugdige of gezin.
Artikel 1.2 – Toepassing en reikwijdte
-
1. De beleidsregels gelden voor alle vormen van jeugdhulp die onder verantwoordelijkheid van het college vallen.
-
2. Het college zorgt bij samenloop met andere wettelijke kaders (Wmo, Zvw, Wlz, onderwijs) voor samenhang en continuïteit van hulp, conform het principe één gezin, één plan.
-
3. Indien strikte toepassing van wettelijke afbakeningen tot een onredelijke of onevenredige uitkomst leidt, kan het college gemotiveerd afwijken.
-
4. De werkwijze bij overgang tussen domeinen (zoals 18-/18+) is vastgelegd in samenwerkingsafspraken en uitvoeringskaders.
Artikel 1.3 – Uitvoeringsprincipes
De uitvoering van de jeugdhulp in Culemborg is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:
- a.
Normaliseren: ondersteuning start vanuit het gewone leven; lichte of preventieve hulp gaat voor zwaardere vormen.
- b.
Eigen kracht en netwerk: wat inwoners en hun omgeving zelf kunnen, wordt benut en versterkt.
- c.
Maatwerk en evenredigheid: iedere situatie vraagt om een individuele afweging; besluiten zijn proportioneel en onderbouwd.
- d.
Samenhang: afstemming tussen domeinen zoals onderwijs, Wmo, Zvw en Wlz is vanzelfsprekend.
- e.
Vertrouwen en samenwerking: het college werkt vanuit partnerschap met jeugdigen, ouders en professionals.
Deze uitgangspunten sluiten aan bij de visie en uitvoeringspraktijk binnen het sociaal domein van Culemborg, waarin gewerkt wordt vanuit systemisch inzicht en aandacht voor cultuur- en stresssensitiviteit.
HOOFDSTUK 2 VORMEN VAN JEUGDHULP
Artikel 2.1 – Algemene voorzieningen
-
1. Jeugdigen en ouders kunnen rechtstreeks gebruikmaken van algemene voorzieningen zonder beschikking van het college.
-
Deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk en gericht op lichte, kortdurende of preventieve ondersteuning.
-
2. De algemene voorzieningen omvatten onder andere:
- a.
informatie, advies en consultatie bij opgroei- en opvoedvragen;
- b.
ondersteuning en lichte hulp voor jeugdigen en/of ouders, gericht op een stabiele opvoed- en opgroeisituatie;
- c.
ondersteuning aansluitend bij onderwijs of kinderopvang, waarbij opvoeders en jeugdigen worden geholpen binnen de dagelijkse leefomgeving;
- d.
kortdurende en laagdrempelige hulp en begeleiding via de jeugdondersteuner bij de huisarts of de praktijkondersteuner jeugd;
- e.
casuscoördinatie van lichte, vrij toegankelijke ondersteuning, dit wordt gedaan door de door de gemeente aangewezen uitvoeringspartner en wanneer nodig wordt verbinding gezocht en afgestemd met het Sociaal Team, zodat één aanspreekpunt en afstemming tussen betrokken professionals is geborgd;
- f.
preventieve en normaliserende activiteiten in wijk- en buurtverband, zoals oudercursussen, jongerenactiviteiten en ontmoetingsinitiatieven.
- a.
-
3. Preventie en vroegsignalering vinden plaats binnen een samenhangend netwerk van basisondersteuning:
- a.
Jeugdgezondheidszorg (JGZ), consultatiebureaus, huisartsen, kinderopvang, scholen en het Sociaal Team werken samen in vroegtijdige signalering en verwijzing.
- b.
Professionals herkennen signalen van opvoed- of ontwikkelproblemen tijdig en schakelen het Sociaal Team in wanneer lichtere ondersteuning ontoereikend blijkt.
- c.
Ondersteuning binnen onderwijs en opvang wordt afgestemd met scholen, samenwerkingsverbanden en kinderopvang, zodat deze voorzieningen elkaar aanvullen en niet overlappen.
- d.
Bij signalen over veiligheid of huiselijk geweld wordt gehandeld volgens de meldcode en zo nodig afgestemd met Veilig Thuis of de JGZ.
- e.
Het Sociaal Team werkt outreachend, sluit aan bij bestaande initiatieven en versterkt de samenwerking tussen onderwijs, zorg en sociale basis.
- f.
Onder deze preventieve keten vallen in elk geval voorlichting, opvoedcursussen, oudergroepen, schoolmaatschappelijk werk en ondersteuning bij lichte gedrags- of ontwikkelingsvragen om zwaardere hulp te voorkomen.
- a.
-
4. Overgang naar individuele voorzieningen:
-
Wanneer een algemene voorziening ontoereikend blijkt, onderzoekt het Sociaal Team of een individuele voorziening noodzakelijk is.
Artikel 2.2 – Individuele voorzieningen
-
1. Een individuele voorziening wordt alleen ingezet wanneer:
- •
de hulpvraag niet kan worden opgelost met algemene voorzieningen of eigen mogelijkheden;
- •
sprake is van opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen die specifieke, intensieve of langdurige professionele hulp vereisen;
- •
de inzet naar verwachting leidt tot een toereikende en doelmatige oplossing.
- •
-
2. Bij de beoordeling of een individuele voorziening noodzakelijk is, weegt het college in elk geval:
- a.
de aard, ernst en duur van de problematiek;
- b.
de leeftijd, ontwikkeling en draagkracht van de jeugdige;
- c.
de mogelijkheden van ouders en netwerk, beoordeeld op basis van een evenwichtige afweging tussen draagkracht en draaglast;
- d.
de aanwezigheid van (dreigende) overbelasting van ouders of verzorgers;
- e.
de inzet en effectiviteit van eerder geboden hulp;
- f.
de doelmatigheid en het evenredige karakter van de voorziening.
- a.
-
3. De beoordeling van noodzaak en passende hulp volgt het principe “zo licht als kan, zo zwaar als nodig”:
- a.
eerst wordt gekeken naar inzet van lichte, ambulante of kortdurende hulp in de thuissituatie;
- b.
hulp is gericht op herstel van eigen kracht en vermindering van afhankelijkheid;
- c.
bij (dreigende) overbelasting is hulp in beginsel tijdelijk en gericht op herstel van balans binnen het gezin;
- d.
wanneer overbelasting mede voortkomt uit factoren buiten de zorg voor het kind (bijv. werkdruk of financiële stress), wordt eerst gekeken naar ondersteuning in andere domeinen.
- a.
-
4. Ouders blijven primair verantwoordelijk voor verzorging en opvoeding en werken actief mee aan het behalen van de doelen uit het gezinsplan of hulpverleningsplan.
-
Zij informeren het Sociaal Team over relevante veranderingen in de gezinssituatie, zodat ondersteuning tijdig kan worden aangepast.
-
5. Eigen kracht en inzet van het netwerk:
- a.
Het college stimuleert dat jeugdigen, ouders en hun netwerk bijdragen aan het oplossen van de hulpvraag, zolang dit redelijk en haalbaar is.
- b.
De inzet van het netwerk wordt beoordeeld op draagkracht, bereidheid, beschikbaarheid en de aanwezigheid van andere zorgtaken.
- c.
Structurele of lichte hulp kan onderdeel zijn van het normale opvoed- en gezinsleven.
- d.
Wanneer de belasting te groot wordt of onveiligheid dreigt, wordt professionele ondersteuning ingezet.
- e.
Bij twijfel over draagkracht of redelijkheid kan een gedragswetenschapper worden geraadpleegd.
- a.
-
6. De afweging en motivatie worden vastgelegd in het onderzoeksverslag en vormen onderdeel van de beschikking.
Artikel 2.3 – Duur, frequentie en evaluatie
-
1. Het college stemt de duur van een individuele voorziening af op de aard en het doel van de hulp.
-
2. Minimaal éénmaal per jaar evalueert het Sociaal Team samen met jeugdige en ouder(s) of de hulp nog passend en effectief is.
-
3. De voorziening wordt aangepast of beëindigd wanneer doelen zijn bereikt of omstandigheden wijzigen.
-
4. Evaluaties worden benut voor verbetering van uitvoering en beleid.
Artikel 2.4 – Samenhang en continuïteit
-
1. Het college zorgt voor samenhang tussen alle ingezette voorzieningen volgens het principe één gezin, één plan, één regisseur.
-
2. Bij samenloop met andere domeinen (onderwijs, Wmo, Zvw, Wlz) worden afspraken over regie en overdracht vastgelegd in het plan en bewaakt door het sociaal team.
-
3. Bij de overgang van jeugd- naar volwassenzorg (18-/18+) start de voorbereiding uiterlijk één jaar voor het bereiken van de achttienjarige leeftijd.
-
4. De overdracht wordt vastgelegd in een overgangsplan en afgestemd met betrokken domeinen om continuïteit van hulp te waarborgen.
-
5. Regionale afspraken over overdracht en samenwerking worden toegepast als uitvoeringskader.
HOOFDSTUK 3 TOEGANG, ONDERZOEK EN BESLUIT
Artikel 3.1 – De hulpvraag en het onderzoek
-
1. Na melding voert het Sociaal Team binnen redelijke termijn (in beginsel binnen zes weken) onderzoek uit volgens het tien-stappenmodel.
-
2. Het onderzoek omvat ten minste de aard van de problematiek, draagkracht en draaglast, het netwerk, eerdere hulp en mogelijke algemene voorzieningen.
-
3. De bevindingen worden vastgelegd in een onderzoeksverslag of gezinsplan, dat dient als basis voor besluitvorming.
-
4. Indien al voldoende informatie beschikbaar is uit eerdere onderzoeken, kan het onderzoek worden beperkt tot actualisatie.
-
5. Waar nodig wint het college met toestemming van jeugdige of ouder informatie in bij andere instanties.
Artikel 3.2 – Toetsingskader: zorgvuldig onderzoek, normaliseren en eigen kracht
-
1. Het college voert het onderzoek uit overeenkomstig met de Verordening Jeugdhulp Culemborg 2026 en hanteert het tien-stappenmodel als nadere concretisering van de zorgvuldigheidseis en de jurisprudentie van de CRvB.
-
2. De tien stappen geven richting aan de beoordeling van de hulpvraag, de vaststelling van eigen kracht en het evenwicht tussen draagkracht en draaglast, het onderzoek naar algemene of voorliggende voorzieningen en de bepaling van de noodzaak van een individuele voorziening. Zie bijlage voor het uitgebreide toetsingskader.
-
3. De beoordeling vindt plaats vanuit de uitgangspunten:
- a.
hulp is zo licht als kan, zo zwaar als nodig;
- b.
de inzet is integraal, tijdig en duurzaam;
- c.
ouders en jeugdigen behouden zoveel mogelijk regie over hun eigen plan;
- d.
professionals handelen vanuit vakmanschap, reflectie en gezond verstand.
- a.
-
4. Waar specifieke deskundigheid vereist is, betrekt het college tijdig een gedragswetenschapper of andere expert bij het onderzoek; de betrokken deskundigheid wordt vermeld in het onderzoeksverslag.
-
5. De uitkomsten van de beoordeling worden gemotiveerd vastgelegd in het onderzoeksverslag en vormen onderdeel van de uiteindelijke beschikking.
Artikel 3.3 – Domeinbepaling en afbakening
-
1. Het college beoordeelt bij iedere hulpvraag of deze valt onder de Jeugdwet of een ander wettelijk kader (Wmo, Zvw, Wlz, onderwijs, Kinderopvang).
-
2. Bij samenloop wordt afgestemd volgens het principe één gezin, één plan, één regisseur.
-
3. De praktische toepassing en voorbeelden zijn uitgewerkt in bijlage 2 – Uitvoeringskader domeinbepaling.
Artikel 3.4 – (Dreigende) overbelasting van ouders of verzorgers
-
1. Het college onderzoekt of overbelasting van ouder(s) of verzorgers samenhangt met de zorg voor de jeugdige.
-
2. Bij dreigende overbelasting wordt eerst gekeken naar herverdeling van zorgtaken, netwerksteun of lichte ondersteuning.
-
3. Indien dit onvoldoende is, kan tijdelijke jeugdhulp, voor maximaal 6 maanden, worden ingezet gericht op herstel van balans en draagkracht.
-
4. De inzet is proportioneel, tijdelijk en gericht op duurzaam herstel.
Artikel 3.5 – Overgang naar volwassenheid (18-/18+)
-
1. Het college zorgt voor een zorgvuldige overgang van jeugdhulp naar volwassenenzorg of andere voorzieningen wanneer de jeugdige de leeftijd van achttien jaar nadert.
-
De voorbereiding start bij voorkeur vanaf 16,5 jaar en uiterlijk twaalf maanden voor de achttiende verjaardag.
-
2. De aanbieder stelt samen met de jeugdige, diens ouders en het Sociaal Team een perspectiefplan op.
-
Dit plan beschrijft de voortzetting, afbouw of overdracht van de ondersteuning en bevat ten minste aandacht voor:
- a.
de noodzakelijke ondersteuning na het achttiende levensjaar;
- b.
de overdracht naar of afstemming met de Wmo 2015, Wlz of Zvw;
- c.
opleiding, werk, dagbesteding en maatschappelijke participatie;
- d.
huisvesting, inkomen en financiële begeleiding;
- e.
wie regie voert tijdens en na de overdracht.
- a.
-
3. De uitvoering van dit artikel sluit aan bij de regionale inkoopafspraken over de 18-/18+ overgang, zoals de verplichting tot het uitwerken van een perspectiefplan ter voorbereiding op de overgang naar volwassenheid.
-
4. Indien jeugdhulp noodzakelijk blijft, kan verlengde jeugdhulp worden toegekend tot maximaal 23 jaar.
-
5. De verlenging wordt gemotiveerd op noodzaak, doelmatigheid en evenredigheid.
Artikel 3.6 – Plan van aanpak en besluitvorming
-
1. De uitkomsten van het onderzoek worden vastgelegd in een plan van aanpak of gezinsplan, hierna in Culemborg aangeduid als het plan. Dit plan vormt de basis voor besluitvorming en samenwerking met betrokken partijen.
-
2. Het plan en de beschikking zijn gebaseerd op de bevindingen van het tien-stappenonderzoek, zie toetsingskader in de bijlage; de conclusies per stap worden vastgelegd in het onderzoeksverslag en vormen gezamenlijk de motivering voor het besluit van het college.
-
Het plan en de beschikking bevatten een inzichtelijke weergave van de overwegingen die tot het besluit hebben geleid, zoals advies, doelen, inzet, verantwoordelijkheden en verwachtte resultaten.
-
3. Het college besluit over de inzet van jeugdhulp op basis van de criteria genoemd in de Verordening. Het besluit wordt begrijpelijk gemotiveerd en verwijst naar de bevindingen van het tien-stappenonderzoek.
-
4. Het college neemt besluiten op basis van het plan en het principe van de goedkoopst adequate voorziening
-
5. Indien gekozen wordt voor een persoonsgebonden budget, moet een pgb-plan voldoen aan de eisen van hoofdstuk 4.
Artikel 3.7 – Woonplaatsbeginsel en verantwoordelijkheid
-
1. Het college handelt hier volgens de Jeugdwet en het meest up to date Informatieprotocol Woonplaatsbeginsel (VNG).
-
2. Waar nodig vindt afstemming plaats met andere gemeenten om continuïteit van hulp te waarborgen.
Artikel 3.8 – De beschikking
-
1. Het college legt het besluit over een individuele voorziening vast in een beschikking.
-
2. De beschikking vermeldt in begrijpelijke taal het resultaat, de aard, duur en vorm van de voorziening en wordt actief besproken met de jeugdige en diens ouder(s).
-
3. De beschikking verwijst naar het Plan, waar motivering en doelen uit het onderzoeksverslag zijn beschreven, inclusief de overwegingen waarom gekozen is voor de toegewezen voorziening en niet voor een lichter of voorliggend alternatief.
-
4. Bij een persoonsgebonden budget (pgb) vermeldt de beschikking tevens de hoogte van het budget, de kwaliteitseisen en de wijze van verantwoording.
-
5. De duur van de beschikking is afgestemd op de hulpdoelen en de verwachte ontwikkeling van de jeugdige; verlenging of wijziging vindt plaats na evaluatie en heroverweging van de noodzaak.
-
6. Het college verstrekt bij het besluit heldere informatie over de rechten en plichten van jeugdige en ouders.
Artikel 3.9 – Ingangsdatum van de voorziening
-
1. Een voorziening gaat in op of na de datum van het besluit tot toekenning.
-
2. De voorziening start of wordt besteed binnen drie maanden na de besluitdatum.
-
3. In uitzonderlijke gevallen kan het college een voorziening met terugwerkende kracht toekennen, wanneer:
- a.
de hulpbehoefte op het moment van besluitvorming nog aanwezig is;
- b.
de noodzaak van de eerder ingezette hulp achteraf zorgvuldig kunnen worden vastgesteld;
- c.
het college redelijkerwijs niet eerder bij de aanvraag betrokken kon zijn.
- a.
-
4. Terugwerkende kracht wordt niet toegepast bij de eerste inzet van nieuwe hulp of bij hulp die niet aantoonbaar onder regie van het college is gestart.
-
5. Bij het aflopen van een eerder toegekende voorziening geldt dat deze einddatum in beginsel niet automatisch de ingangsdatum van een nieuwe voorziening is. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om tijdig opnieuw een hulpvraag te doen bij eventuele extra behoefte aan ondersteuning.
-
6. De motivering voor toepassing van terugwerkende kracht wordt expliciet vastgelegd in het besluit of het Plan.
Artikel 3.10 – Specifieke uitvoeringskaders
3.10.1 Vervoer
- 1.
Vervoer is geen zelfstandige voorziening, maar onderdeel van de jeugdhulp.
-
Het wordt alleen verstrekt wanneer de noodzakelijke hulp anders niet toegankelijk is en eigen of netwerkvervoer redelijkerwijs niet mogelijk is.
- 2.
Bij de beoordeling toetst het college eerst de eigen kracht van jeugdige en ouder(s).
-
Vervoer wordt alleen verstrekt wanneer is vastgesteld dat:
- a.
de jeugdige niet zelfstandig of met openbaar vervoer kan reizen; en
- b.
vervoer door ouder(s), netwerk of vrijwilligers redelijkerwijs niet mogelijk is; en
- c.
de aanbieder de hulp niet op een andere, bereikbare locatie kan bieden.
- a.
- 3.
Het college hanteert bij de beoordeling van vervoersnoodzaak de volgende afwegingsvolgorde:
- 1.
zelfstandig vervoer van de jeugdige (lopen, fietsen, openbaar vervoer);
- 2.
vervoer met ondersteuning van ouders of netwerk;
- 3.
vervoer via de aanbieder (zorg in natura);
- 4.
vergoeding voor eigen vervoer;
- 5.
aangepast vervoer bij medische noodzaak of onmogelijkheid van eigen vervoer.
- 1.
- 4.
De beoordeling en toekenning van vervoer vinden plaats met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en doelmatigheid overeenkomstig met de Algemene wet bestuursrecht.
-
Het college motiveert in het besluit waarom vervoer noodzakelijk is, welke vorm goedkoopst adequaat is, en of afwijking van richtlijnen gerechtvaardigd is vanwege persoonlijke omstandigheden.
- 5.
Bij wachttijden of leveringsproblemen kan het college tijdelijk een andere passende oplossing treffen.
3.10.2 Vaktherapie
-
1. Vaktherapie wordt in beginsel niet als zelfstandige voorziening ingezet, maar als onderdeel van een breder behandel- of gezinsplan.
-
2. Het college kan vaktherapie als afzonderlijke voorziening toekennen wanneer:
- a.
is onderbouwd dat deze therapievorm aantoonbaar de meest passende en doelmatige hulp is voor het bereiken van de hulpdoelen;
- b.
geen andere, lichtere of meer gebruikelijke vorm van hulp toereikend is; en
- c.
de noodzaak is vastgesteld door of in overleg met een deskundige, zoals een gedragswetenschapper of regiebehandelaar.
- a.
-
3. Vaktherapie omvat in ieder geval erkende therapievormen zoals muziek-, beeldende-, drama-, dans- en bewegingstherapie of psychomotorische therapie (PMT).
-
4. De hulpverlener voldoet aan de geldende kwaliteitseisen en is geregistreerd bij een erkend beroepsregister, zoals het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of het Register Vaktherapie van de Federatie Vaktherapeutische Beroepen (FVB).
-
5. Andere ervaringsgerichte of alternatieve methoden vallen in beginsel niet onder de reikwijdte van de Jeugdwet, tenzij de effectiviteit en veiligheid aantoonbaar zijn onderbouwd en het college gemotiveerd besluit tot afwijking.
-
6. De duur, frequentie en evaluatie van vaktherapie worden afgestemd op de aard en ernst van de problematiek en vastgelegd in het plan van aanpak en sluit aan op de regionale inkoopafspraken.
Artikel 3.11 – Herbeoordeling
-
1. Iedere voorziening wordt periodiek herbeoordeeld op noodzaak, effectiviteit en resultaat.
-
Herbeoordeling kan ook tussentijds plaatsvinden bij signalen van gewijzigde omstandigheden.
-
2. De jeugdige en/of ouder informeert het college tijdig over relevante wijzigingen in de situatie die van invloed kunnen zijn op de toegekende voorziening, zoals veranderingen in gezondheid, gezinssamenstelling, mantelzorg of verblijf.
-
3. Indien blijkt dat de voorziening niet langer noodzakelijk of passend is, kan het college deze herzien, beëindigen of aanpassen, overeenkomstig artikel 7.3 van de verordening.
Artikel 3.12 – Spoedhulp
-
1. In spoedeisende situaties waarin de veiligheid, ontwikkeling of stabiliteit van een jeugdige acuut in het geding is, treft het college onverwijld een tijdelijke voorziening.
-
Van een spoedsituatie is sprake wanneer binnen 24 tot 48 uur hulp moet worden ingezet om ernstig nadeel te voorkomen.
-
2. De spoedvoorziening wordt ingezet voor maximaal vier weken. Binnen deze termijn volgt onderzoek en planvorming over vervolgondersteuning.
-
3. Spoedhulp is tijdelijk en gericht op stabilisatie en veiligheid, en wordt uitgevoerd door gekwalificeerde professionals.
-
4. Het college evalueert de spoedplaatsing binnen vier weken en borgt een warme overdracht naar structurele hulp of vervolgondersteuning.
Artikel 3.13 – Monitoring en kwaliteitsborging
-
1. Het college bewaakt de kwaliteit en toegankelijkheid van jeugdhulp door periodieke monitoring van de toegang, doorlooptijden, verhouding lichte/zware hulp, samenwerking en cliënttevredenheid.
-
2. De resultaten van het cliëntervaringsonderzoek en andere kwaliteitsmetingen worden besproken met het Sociaal Team en ketenpartners waar nodig.
-
3. Bevindingen worden benut voor beleidsaanpassing, professionalisering en verbetering van uitvoering.
HOOFDSTUK 4 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)
Artikel 4.1 – Uitgangspunten
-
1. Een pgb is een bijzondere vorm van verstrekking van een individuele voorziening. Het biedt jeugdigen en ouders de mogelijkheid zelf passende hulp in te kopen binnen de kaders van de Jeugdwet en deze beleidsregels.
-
Het college kiest in beginsel voor zorg in natura en kent alleen een pgb toe wanneer dit aantoonbaar passender, doelmatiger en verantwoord is.
-
2. Het college beoordeelt iedere aanvraag zorgvuldig op:
- a.
de geschiktheid en motivatie van de aanvrager;
- b.
de kwaliteit en uitvoerbaarheid van de beoogde hulp;
- c.
de mogelijkheid tot verantwoord beheer;
- d.
de doelmatigheid en evenredigheid van de kosten.
- a.
-
Het college motiveert zijn afweging in het onderzoeksverslag en in de beschikking.
-
3. Een pgb is geen recht op geld, maar een manier om passende hulp te organiseren.
Artikel 4.2 – Het pgb-plan
-
1. Een pgb kan alleen worden toegekend wanneer is vastgesteld dat zorg in natura niet passend en toereikend is en het pgb-plan voldoet aan de eisen van deze beleidsregels en de Verordening Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026.
-
Het pgb-plan wordt ingediend via het door het college vastgestelde format en vormt onderdeel van het onderzoek en het besluit.
-
2. Het pgb-plan bevat ten minste:
- a.
de gemotiveerde onderbouwing waarom de aangeboden zorg in natura niet passend is;
- b.
de gewenste ondersteuning, het beoogde resultaat en de wijze waarop dit wordt bereikt;
- c.
de organisatie van de hulp (wie, waar, wanneer, hoe vaak);
- d.
hoe kwaliteit, veiligheid, effectiviteit en continuïteit van de hulp worden gewaarborgd;
- e.
een gespecificeerde begroting met uren, toepasselijke tarieven en totale kosten;
- f.
de inrichting van administratie, verantwoording en beheer, inclusief de rol van netwerk of gemachtigde.
- a.
-
3. Het college beoordeelt of:
- a.
het plan realistisch, uitvoerbaar en samenhangend is;
- b.
de voorgestelde hulp kwalitatief verantwoord is en voldoet aan de geldende eisen;
- c.
de begroting doelmatig is in verhouding tot het beoogde resultaat;
- d.
de jeugdige of ouder de taken rond het pgb naar vermogen kan uitvoeren of met passende ondersteuning kan uitvoeren.
- a.
-
4. Het college verstrekt vooraf de noodzakelijke informatie over wat een pgb inhoudt, welke verantwoordelijkheden daaraan zijn verbonden en welke eisen gelden voor kwaliteit, administratie en verantwoording.
-
5. Bij twijfel over of de ondersteuning passend is of twijfel over de kwaliteit of doelmatigheid van het pgb-plan kan het college een gedragswetenschapper of andere deskundige betrekken.
-
6. Indien het pgb-plan onvolledig of onvoldoende is onderbouwd, kan het college de aanvrager gelegenheid geven dit binnen een redelijke termijn aan te vullen, voor zover dit noodzakelijk is voor een zorgvuldig besluit. Het college beoordeelt of aanvulling zinvol en proportioneel is.
-
7. Het college kan een pgb afwijzen wanneer uit het onderzoek blijkt dat:
- a.
zorg in natura passend en toereikend is;
- b.
het pgb-plan niet voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, doelmatigheid, kwaliteit of veiligheid;
- c.
de voorgestelde hulp niet noodzakelijk, niet evenredig of niet effectief is;
- d.
de aanvrager niet in staat is het pgb op een verantwoorde wijze te beheren, ook niet met ondersteuning; of
- e.
sprake is van een weigeringsgrond zoals opgenomen in de Verordening Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026.
- a.
-
8. Een pgb wordt uitsluitend verstrekt wanneer is vastgesteld dat:
- a.
zorg in natura niet passend is;
- b.
het pgb-plan, na beoordeling en eventuele aanvulling, voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid, doelmatigheid, kwaliteit en verantwoord beheer.
- a.
-
9. De beoogde hulpverlener verklaart schriftelijk dat hij of zij voldoet aan de toepasselijke kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 4.5.
Artikel 4.3 – Beoordeling en besluitvorming
-
1. Toetsingscriteria:
- a.
Passend: natura is niet passend en pgb biedt een beter alternatief om doelen te bereiken;
- b.
Uitvoerbaarheid: aanvrager kan het pgb beheren, met of zonder ondersteuning;
- c.
Kwaliteit: hulpverlener voldoet aan kwaliteitseisen en borgt continuïteit;
- d.
Doelmatigheid: kosten zijn redelijk en niet hoger dan de goedkoopst adequate natura-voorziening;
- e.
Effectiviteit: De hulpverlening moet effectief bijdragen aan de doelen en het bereiken daarvan.
- f.
Evenredigheid: omvang van hulp is in verhouding tot problematiek, draagkracht en resultaten.
- g.
Veiligheid: De hulpverlening is veilig en verantwoord.
- a.
-
2. Voorafgaand aan besluitvorming bespreekt het college met de jeugdige of ouder:
- a.
of de aanvrager het pgb en de verantwoordelijkheden begrijpt;
- b.
of doelen, kosten en resultaten aansluiten bij het gezins- of hulpverleningsplan.
- a.
-
3. De beschikking vermeldt ten minste: de voorziening waarvoor het pgb wordt verstrekt, hoogte, duur en berekeningswijze van het budget (conform de verordening), kwaliteitseisen, wijze van verantwoording en eventuele voorwaarden.
-
4. Bij afwijzing of wijziging motiveert het college expliciet:
- a.
waarom zorg in natura passend en toereikend is, of
- b.
waarom het pgb niet doelmatig, verantwoord, effectief, veilig of evenredig is.
- a.
-
5. Indien de aanvrager niet in staat blijkt het pgb te beheren, kan het college de voorziening omzetten naar zorg in natura.
-
6. Bij een eerste pgb zal het college een proefperiode tot maximaal zes maanden toepassen. Voor voortzetting vindt herbeoordeling plaats.
-
7. De afweging en motivering worden vastgelegd in het Plan; de evenredigheidstoets wordt benoemd.
-
8. Bij onevenredige gevolgen kan het college gemotiveerd afwijken.
Artikel 4.4 – Pgb-beheer
-
1. Beheer door:
- a.
de jeugdige (≥16 jaar) die bekwaam is tot verantwoord beheer;
- b.
de ouder of wettelijke vertegenwoordiger; of
- c.
een door het college goedgekeurde, onafhankelijke budgetbeheerder.
- a.
-
2. De budgetbeheerder is verantwoordelijk voor:
- a.
het sluiten van zorgovereenkomsten;
- b.
tijdige en juiste declaraties via de SVB;
- c.
het bewaken van de kwaliteit;
- d.
het tijdig melden van wijzigingen;
- e.
het op verzoek binnen redelijke termijn overleggen van de administratie.
- f.
het aanspreken van de hulpverlener op gedrag, naleving van afspraken en het behalen van doelen.
- a.
-
3. Geen beheer door wie tevens uitvoerder is, een direct familie- of zakelijke relatie met de uitvoerder heeft (tenzij gemotiveerd passend), of door persoonlijke omstandigheden geen verantwoord beheer kan voeren.
-
4. Het college toetst feitelijke pgb-vaardigheid (administratie, contracten, communicatie, onafhankelijkheid); bij twijfel kan een aanvullende toets of gesprek of een proeftijd worden gevraagd.
-
5. De budgetbeheerder is aantoonbaar betrokken en beschikbaar voor overleg.
-
6. Bij onzorgvuldig beheer kan het college opschorten, een andere beheerder eisen of omzetten naar natura; bij misbruik kan worden teruggevorderd, met inachtneming van evenredigheid.
Artikel 4.5 – Kwaliteitseisen bij pgb
-
1. De met een pgb ingekochte hulp is veilig, doeltreffend, doelmatig en evenredig en sluit aan bij de feitelijke behoefte van de jeugdige of het gezin.
-
Toetsing vindt plaats aan de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de inkoop- en kwaliteitsvoorwaarden van Regio Rivierenland.
-
2. Formele hulp wordt geleverd door een professional met een passende opleiding of kwalificatie, waar vereist geregistreerd in het BIG- of SKJ-register, ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, in bezit van een geldige Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) bij aanvang, en handelend conform de geldende wettelijke eisen voor kwaliteit en veiligheid, zoals deze ook gelden voor in de regio gecontracteerde aanbieders.
-
Deze criteria zijn richtinggevend en worden toegepast met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.
-
3. Informele hulp wordt geboden door een persoon uit het sociale netwerk of zonder professionele registratie, mits de hulp:
- a.
aantoonbaar bijdraagt aan de gestelde doelen;
- b.
verantwoord en betrouwbaar wordt uitgevoerd;
- c.
niet leidt tot (dreigende) overbelasting van de hulpverlener of het gezin;
- d.
in overleg staat met betrokken professionals en volgens afspraken in het gezins- of ondersteuningsplan.
- a.
-
Bij structurele of intensieve inzet kan het college aanvullende voorwaarden stellen, zoals het overleggen van een VOG, deelname aan instructie of overleg met een gedragswetenschapper.
-
4. Het college ziet toe op naleving van deze kwaliteitseisen en kan bij tekortkomingen voorwaarden stellen, de hulp tijdelijk opschorten of omzetten naar zorg in natura.
-
Bij ernstige tekortkomingen kan (gedeeltelijke) beëindiging of terugvordering volgen.
-
5. Bij de beoordeling en toepassing van maatregelen houdt het college rekening met de aard en intensiteit van de hulp, de draagkracht van het gezin en de mogelijkheden van het netwerk overeenkomstig met de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 4.6 – Controle, herziening en beëindiging
-
1. Het college controleert steekproefsgewijs of de met een pgb ingekochte hulp feitelijk is geleverd, van voldoende kwaliteit is en voldoet aan de voorwaarden van de beschikking.
-
2. De budgethouder werkt mee aan verzoeken om informatie en levert desgevraagd binnen een redelijke termijn de benodigde administratie aan.
-
3. Het college beoordeelt periodiek of de met het pgb ingekochte hulp nog passend, effectief en doelmatig is.
-
4. Indien blijkt dat het pgb onrechtmatig, ondeugdelijk of niet doelmatig wordt besteed, kan het college het besluit geheel of gedeeltelijk herzien, opschorten of beëindigen, met toepassing van het evenredigheidsbeginsel en – waar mogelijk – gelegenheid tot herstel.
-
5. Betalingen kunnen tijdelijk worden opgeschort bij twijfel over rechtmatigheid, kwaliteit of doelmatigheid.
-
6. In bijzondere gevallen kan het college toestaan dat pgb-hulp (deels) buiten Nederland wordt ingezet, mits dit aantoonbaar noodzakelijk, kwalitatief verantwoord en financieel doelmatig is. De inzet wordt vooraf met het college besproken en het besluit tot toestaan wordt zorgvuldig en navolgbaar gemotiveerd.
-
7. Terugvordering en verdere afhandeling vinden plaats overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze beleidsregels.
Artikel 4.7 – Informele hulp
-
1. Onder informele hulp wordt verstaan: jeugdhulp die wordt geboden door personen zonder professionele registratie en/of behorend tot het sociale netwerk van de jeugdige of diens ouders.
-
Hulp door een ouder of familielid in de eerste of tweede graad geldt als informele hulp, ook wanneer deze persoon over zorgdiploma’s beschikt.
-
2. Uitgangspunten:
- a.
Informele hulp kan een waardevolle bijdrage leveren aan de ontwikkeling en stabiliteit van de jeugdige, mits deze van voldoende kwaliteit is en de belasting van het netwerk redelijk blijft.
- b.
Informele hulp is aanvullend op professionele hulp en vervangt deze niet wanneer specialistische kennis of toezicht vereist is.
- c.
Het college beoordeelt bij iedere aanvraag of de inzet van informele hulp verantwoord, passend en evenredig is in verhouding tot de problematiek en de draagkracht van het gezin.
- a.
-
3. De informele hulpverlener biedt veilige, doelgerichte en betrouwbare hulp, respecteert privacy en werkt samen met betrokken professionals.
-
Bij structurele of intensieve inzet kan het college aanvullende voorwaarden stellen, zoals overleg met een gedragswetenschapper of het overleggen van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG).
-
4. Het college weegt de intensiteit en duur van de inzet, de belastbaarheid van de hulpverlener, de aard van de relatie en het risico op overbelasting.
-
Bij (dreigende) overbelasting kan de inzet worden beperkt of onder voorwaarden worden voortgezet.
-
5. Als beleidsmatig richtsnoer geldt dat de belasting van het netwerk in redelijke verhouding moet staan tot de hulpvraag.
-
Inzet die qua omvang vergelijkbaar is met een voltijdse weektaak (36–40 uur per week per huishouden) wordt alleen verantwoord geacht wanneer:
- -
de kwaliteit en veiligheid van de hulp aantoonbaar zijn gewaarborgd;
- -
sprake is van een langdurige mantelzorgsituatie zonder redelijke alternatieven; en
- -
de inzet noodzakelijk is om ernstige schade of uithuisplaatsing te voorkomen.
- -
-
Het college beoordeelt steeds individueel of de inzet proportioneel is en motiveert een eventuele afwijking in het onderzoeksverslag en de beschikking, met toepassing van het evenredigheidsbeginsel overeenkomstig met de Algemene wet bestuursrecht.
-
6. De informele hulpverlener mag geen direct financieel belang hebben bij beslissingen over het pgb of het beheer.
-
Indien de hulpverlener tevens budgetbeheerder is, toetst het college of de scheiding van rollen voldoende is gewaarborgd.
-
7. De inzet van informele hulp wordt ten minste jaarlijks betrokken bij de herbeoordeling op effectiviteit, belasting en samenwerking tussen formele en informele hulp.
-
8. Informele hulp vervangt niet de gebruikelijke hulp die redelijkerwijs van ouders of het netwerk mag worden verwacht, tenzij is vastgesteld dat de draagkracht is overschreden en aanvullende hulp noodzakelijk is.
-
De beoordeling volgt het toetsingskader zorgvuldig onderzoek, normaliseren en eigen kracht (artikel 3.2 en bijlage 1).
HOOFDSTUK 5 HERZIENING, OPSCHORTING, TERUGVORDERING EN INLICHTINGENPLICHT
Artikel 5.1 – Zorgvuldigheid en evenredigheid
-
1. Het college handelt bij herziening, opschorting of terugvordering volgens de beginselen van zorgvuldigheid, evenredigheid en hoor en wederhoor.
-
2. De jeugdige en of ouder krijgt gelegenheid om zijn zienswijze te geven en onduidelijkheden toe te lichten voordat een besluit wordt genomen.
-
3. Herziening of terugvordering dient tot herstel van rechtmatigheid en doelmatigheid.
Artikel 5.2 – Gronden voor herziening of intrekking
-
1. Het college kan een toekenning geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien:
- a.
onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt die tot een ander besluit zouden hebben geleid;
- b.
de voorziening niet of niet langer wordt gebruikt voor het toegekende doel;
- c.
verplichtingen uit beschikking of beleidsregels niet worden nageleefd;
- d.
de hulp niet langer noodzakelijk is of het resultaat is bereikt;
- e.
de kwaliteit of veiligheid onvoldoende is;
- f.
de voorziening niet doelmatig of niet evenredig is.
- a.
-
2. Het college weegt verwijtbaarheid, herstelmogelijkheden en gevolgen voor de jeugdige. Indien herstel op korte termijn mogelijk is, kan eerst tijdelijke opschorting met hersteltermijn worden toegepast.
Artikel 5.3 – Opschorting van betalingen
-
1. Bij twijfel over rechtmatigheid, kwaliteit of uitvoering kan het college betalingen tijdelijk opschorten.
-
2. De budgethouder of aanbieder wordt schriftelijk geïnformeerd over reden, duur en herstelmogelijkheid.
-
3. Betalingen worden hervat zodra rechtmatigheid of herstel is vastgesteld.
Artikel 5.4 – Onderzoek bij misbruik of oneigenlijk gebruik
-
1. Het college onderzoekt signalen van misbruik of oneigenlijk gebruik feitgericht en proportioneel, met inachtneming van de AVG.
-
2. Bij vermoedelijke fraude of structureel misbruik doet het college melding bij de IGJ of de regionale toezichthouder.
-
3. Er is een laagdrempelige meldmogelijkheid. Meldingen worden vertrouwelijk beoordeeld door de toezichthouder.
Artikel 5.5 – Terugvordering
-
1. Indien een voorziening, inclusief pgb, onterecht of onrechtmatig is verstrekt of besteed, kan het college geheel of gedeeltelijk terugvorderen.
-
2. Het college weegt ernst, verwijtbaarheid, gevolgen voor de jeugdige en herstelmogelijkheden.
-
3. Indien terugbetaling onevenredig belastend is, kan een betalingsregeling of gedeeltelijke kwijtschelding worden getroffen.
-
4. Van terugvordering kan worden afgezien als dit onevenredig is in verhouding tot de kosten van invordering of het maatschappelijk belang.
Artikel 5.6 – Preventie en informatie
-
1. Bij toekenning informeert het college over rechten, plichten en gevolgen van misbruik of nalatigheid.
-
2. Het Sociaal Team signaleert onregelmatigheden en meldt deze bij de toezichthouder.
-
3. Uitkomsten van toezicht en signalering worden betrokken bij de jaarlijkse evaluatie van beleid en uitvoering.
Artikel 5.7 – Inlichtingenplicht
-
1. De jeugdige en of ouder informeert het college onverwijld over feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op recht, aard, omvang of voortzetting van de voorziening.
-
2. Niet of niet volledig voldoen aan de inlichtingenplicht kan leiden tot opschorting, herziening of intrekking overeenkomstig deze beleidsregels.
-
3. De plicht omvat in ieder geval:
- a.
wijzigingen in gezondheid of beperkingen die de noodzaak of inzet van hulp raken;
- b.
toe of afname van mantelzorg of andere netwerkondersteuning;
- c.
veranderingen in gezinssamenstelling of woonsituatie;
- d.
tijdelijke opname in ziekenhuis, instelling of revalidatie;
- e.
verhuizing naar een andere gemeente of verblijf elders;
- f.
niet ontvangen of niet naar behoren uitvoeren van toegekende ondersteuning;
- g.
inzet van ondersteuning voor een ander doel;
- h.
onjuiste of onvolledige declaraties of verantwoording bij een pgb;
- i.
wijziging van aanbieder of hulpverlener;
- j.
verbetering van omstandigheden waardoor de voorziening niet langer noodzakelijk is.
- a.
-
4. Op de inlichtingenplicht en de gevolgen van niet naleving wordt gewezen in de beschikking en in het plan.
HOOFDSTUK 6 SLOTBEPALINGEN
Artikel 6.1 – Evaluatie, doelmatigheid en verantwoording
-
1. Het college evalueert jaarlijks de uitvoering en resultaten van deze beleidsregels om doeltreffendheid, kwaliteit en doelmatigheid te verbeteren.
-
2. De evaluatie richt zich onder meer op:
- a.
de verhouding tussen lichte en zwaardere vormen van hulp en de kosteneffectiviteit daarvan;
- b.
de rechtmatigheid en doelmatigheid van ingezette middelen;
- c.
signalen van wachtlijsten, overschrijdingen of ondoelmatige inzet;
- d.
ervaringen van jeugdigen, ouders en professionals.
- a.
-
3. De resultaten worden zo nodig besproken met het Sociaal Team, aanbieders, de regio Rivierenland en benut voor verbetering van beleid, uitvoering, inkoop en financiële sturing.
-
4. Waar nodig stelt het college een verbeterplan vast met concrete acties, termijnen en verantwoordelijken.
-
5. Indien blijkt dat bepaalde beleidsregels structureel tot onevenredige gevolgen leiden, herziet het college deze.
Artikel 6.2 – Communicatie
Het college zorgt voor begrijpelijke en toegankelijke informatie over deze beleidsregels en de uitvoering, onder meer via de gemeentelijke website, scholen, huisartsen en het Sociaal Team.
Artikel 6.3 – Hardheidsclausule
-
1. Indien strikte toepassing van deze beleidsregels leidt tot onevenredige gevolgen in verhouding tot doel en strekking, kan het college gemotiveerd afwijken.
-
2. Afwijking vindt alleen plaats indien dit noodzakelijk is voor een redelijke en evenwichtige uitkomst in het individuele geval.
-
3. De motivering wordt vastgelegd in het besluit of in het onderzoeksverslag.
Artikel 6.4 – Overgangsbepalingen
-
1. Indien de inwerkingtreding gevolgen heeft voor lopende beschikkingen of voorzieningen, past het college een redelijke overgangstermijn toe.
-
2. Rechten en verplichtingen op grond van de Beleidsregels Jeugdhulp Culemborg 2020 blijven van kracht tot het nieuwe besluit op grond van deze beleidsregels is genomen.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de oude beleidsregels en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze beleidsregels, worden afgehandeld krachtens deze beleidsregels.
-
4. Individuele situaties waarin de overgang onevenredig uitwerkt, worden beoordeeld met toepassing van artikel 6.3 (hardheidsclausule).
Artikel 6.5 – Intrekking oude beleidsregels
Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Culemborg 2020 ingetrokken.
Artikel 6.6 – Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.
-
2. Deze beleidsregels worden aangehaald als:
-
Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Culemborg 2026
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg.
Datum: 25 november 2025
Het college van burgemeester en wethouders van Culemborg,
Burgemeester
Secretaris
BIJLAGE 1 – UITWERKING TOETSINGSKADER EIGEN KRACHT
1. Doel van het toetsingskader
Het toetsingskader ondersteunt consulenten bij het zorgvuldig, transparant en consistent uitvoeren van het tien-stappenonderzoek als bedoeld in artikel 3.2.
Het beschrijft hoe het college de afweging maakt tussen eigen kracht, gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp, algemene voorzieningen en noodzakelijke jeugdhulp, met toepassing van actuele wetgeving, jurisprudentie en professionele richtlijnen.
Doel is om te waarborgen dat besluiten goed gemotiveerd, proportioneel en juridisch houdbaar zijn.
2. Afwegingsvolgorde binnen het tien-stappenonderzoek
Het toetsingskader sluit aan bij het beoordelingskader van de Centrale Raad van Beroep en volgt de volgende volgorde:
- 1.
Vaststellen van de hulpvraag.
- 2.
Bepalen of de gemeente Culemborg verantwoordelijk is (woonplaatsbeginsel).
- 3.
Toetsen of de Jeugdwet van toepassing is of een ander wettelijk kader (Wmo, Zvw, Wlz, onderwijs).
- 4.
In kaart brengen van de problematiek en beperkingen.
- 5.
Bepalen van de noodzakelijke hulp (vorm, duur, frequentie).
- 6.
Beoordelen van eigen kracht en netwerk.
- 7.
Onderzoeken van voorliggende voorzieningen.
- 8.
Beoordelen van algemene voorzieningen.
- 9.
Informeren over de mogelijkheid van een persoonsgebonden budget (pgb).
- 10.
Beoordelen van de pgb-voorwaarden indien van toepassing.
De consulent legt per stap vast welke feiten, afwegingen en conclusies zijn getrokken.
3. Beoordeling van eigen kracht, draagkracht en draaglast (gebruikelijke hulp)
Bij het vaststellen in hoeverre ouders of netwerk zelf hulp kunnen bieden, hanteert het college de volgende indicatoren:
|
Aspect |
Vragen die de consulent stelt |
|
Leeftijd/ontwikkeling |
Is de hulp passend bij de ontwikkelingsfase volgens de NJi-richtlijnen? |
|
Intensiteit/frequentie |
Hoeveel uren per week is hulp nodig, en met welke regelmaat? |
|
Planbaarheid |
Is de hulp voorspelbaar en te organiseren, of vereist deze voortdurende paraatheid? |
|
Deskundigheid |
Vereist de hulp specifieke kennis of vaardigheden? |
|
Duur/prognose |
Is de hulp tijdelijk (< 6 maanden) of structureel (> 6 maanden)? |
|
Toezicht |
Is toezicht leeftijdsconform of continu noodzakelijk? |
|
Belastbaarheid ouders |
Zijn ouders door werk, gezondheid of andere zorgtaken reeds zwaar belast? |
|
Netwerksteun |
Zijn er duurzame alternatieven of steunbronnen binnen het netwerk? |
De consulent beschrijft in het onderzoeksverslag hoe de balans tussen draagkracht en draaglast is beoordeeld en motiveert op welke punten deze uit balans is geraakt.
4. Beoordeling van eigen kracht
Bij de beoordeling van eigen kracht worden ten minste de volgende vragen beantwoord:
- a.
Is de ouder feitelijk in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
- b.
Is de ouder beschikbaar om deze hulp te bieden?
- c.
Leidt het bieden van hulp niet tot overbelasting?
- d.
Blijft de ouder de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding leveren en komt hij/zij daardoor niet in de problemen?
Alle feiten en omstandigheden worden meegewogen. De financiële draagkracht van ouders mag niet worden betrokken bij deze beoordeling.
5. Normaliseren en ontwikkelingsopgaven
Jeugdhulp is niet bedoeld voor leeftijdsconforme opvoed- of ontwikkelingsvragen.
Het college gebruikt het Nederlands Jeugdinstituut (NJi) als referentiekader voor normale, verhoogde en afwijkende ontwikkeling.
Onderstaande tabel biedt een globaal overzicht van ontwikkelingstaken en opvoedopgaven per levensfase.
|
Leeftijd |
Belangrijkste omgevingen |
Ontwikkelingstaken jeugdige |
Opvoedopgaven ouders |
Normale uitdagingen (geen indicatie jeugdhulp) |
|
0–2 jaar |
Gezin, opvang |
Hechting, lichaamsbeheersing, eerste autonomie |
Sensitief reageren, structuur bieden, ruimte geven voor ontdekking |
Slaappatroon, huilgedrag, verlatingsangst |
|
2–4 jaar |
Gezin, opvang, buurt |
Taalontwikkeling, zelfsturing, sociale omgang |
Grenzen stellen, nabijheid bieden |
Driftbuien, koppigheid, zindelijkheid, schermtijd |
|
4–6 jaar |
Gezin, school |
Schoolse vaardigheden, gewetensvorming |
Structuur en uitleg van regels |
Ruzies, faalangst, korte concentratie, grenzen leren |
|
6–12 jaar |
Gezin, school, sport |
Zelfstandigheid, samenwerken, zelfbeeld |
Begeleiden bij leren, sociale relaties, media-opvoeding |
Pesten, gamen, huiswerkconflicten |
|
12–16 jaar |
Gezin, school, peers |
Identiteitsvorming, omgaan met druk en verleiding |
Ruimte geven, toezicht houden |
Wisselend humeur, eerste verliefdheid, experimenteren |
|
16–23 jaar |
Opleiding, werk, relaties |
Zelfstandigheid, waarden, relaties |
Vertrouwen geven, begeleiden naar volwassenheid |
Twijfels over toekomst, studiestress, relatieproblemen |
Een hulpvraag die uitsluitend betrekking heeft op deze normale ontwikkelingstaken valt in beginsel niet onder de Jeugdwet, tenzij sprake is van:
- •
een stoornis of ernstige problematiek die het functioneren structureel belemmert, of
- •
een situatie waarin de draagkracht van gezin of netwerk aantoonbaar tekortschiet.
6. Overbelasting van ouders of verzorgers
Wanneer ouders (dreigende) overbelasting melden, beoordeelt het college:
- a.
Is de overbelasting aantoonbaar gekoppeld aan de zorg voor de jeugdige?
- b.
Welke maatregelen zijn al genomen (herverdeling taken, netwerksteun, voorliggende voorzieningen)?
- c.
Kan tijdelijke jeugdhulp bijdragen aan duurzaam herstel van evenwicht?
Hulp bij overbelasting is tijdelijk en herstelgericht (richtsnoer: 3–6 maanden) en wordt afgebouwd zodra het gezin stabiel functioneert.
7. Deskundigheid
Wanneer specifieke deskundigheid nodig is om de problematiek of de draagkracht te beoordelen, betrekt het college een gedragswetenschapper of externe specialist.
De geraadpleegde deskundigheid en bevindingen worden expliciet vermeld in het onderzoeksverslag.
8. Evenredigheid en motivering
Bij iedere afweging wordt het evenredigheidsbeginsel toegepast (artikel 3:4 Awb): de zwaarte van de hulp en de belasting voor het gezin staan in redelijke verhouding tot het beoogde resultaat.
De consulent legt de afwegingen, motivering en geraadpleegde deskundigheid vast in het onderzoeksverslag of gezinsplan, zodat inzichtelijk is hoe het tien-stappenonderzoek is doorlopen.
9. Normaliseren en afbakening van de Jeugdwet
Niet onder de Jeugdwet vallende situaties zijn onder meer:
- •
leeftijdsconforme opvoedvragen (slaap, sociale omgang, huiswerk, schermtijd);
- •
ondersteuning die valt onder onderwijs, kinderopvang of jeugdgezondheidszorg (JGZ);
- •
lichte opvoedondersteuning via algemene voorzieningen.
Deze afbakening voorkomt overprofessionalisering en sluit aan bij het principe één gezin – één plan – één regisseur.
10. Evaluatie en professionalisering
- a.
Elke casus wordt periodiek besproken in de lerende toegang (intervisie, casusreflectie, gedragswetenschapper).
- b.
Het college monitort jaarlijks de consistentie van besluiten, rechtmatigheid en tevredenheid van inwoners.
- c.
Bevindingen uit evaluaties, jurisprudentie en praktijk worden benut om dit toetsingskader te actualiseren.
De geactualiseerde versie wordt jaarlijks vastgesteld door het college en toegevoegd aan de beleidsregels.
BIJLAGE 2 – UITVOERINGSKADER DOMEINBEPALIGEN TOEGANG
(Jeugdwet – Wmo – Onderwijs – Zvw – Wlz)
1. Doel en uitgangspunten
Deze bijlage ondersteunt medewerkers van het Sociaal Team Culemborg bij het zorgvuldig en transparant bepalen van het juiste wettelijke kader bij een hulpvraag.
Het doel is te waarborgen dat jeugdigen en gezinnen tijdig passende ondersteuning ontvangen, binnen de juiste wet en volgens een eenduidige werkwijze.
Het uitvoeringskader:
- •
concretiseert de artikelen 3.3 en 3.4a van de beleidsregels Jeugdhulp Culemborg 2026;
- •
sluit aan bij de Verordening Jeugdhulp Culemborg 2026 en de regionale afspraken;
- •
volgt het tien-stappenmodel van de Centrale Raad van Beroep (CRvB);
- •
biedt praktische handvatten en voorbeelden voor de uitvoering en motivering van besluiten.
De hoofdprincipes zijn:
- •
Zo licht als kan, zo zwaar als nodig
- •
Eén gezin – één plan – één regisseur
- •
Maatwerk, evenredigheid en zorgvuldigheid overeenkomstig met de Algemene wet bestuursrecht
- •
Transparantie en navolgbaarheid: de afweging is zichtbaar in het onderzoeksverslag.
2. Toetsingsvolgorde bij iedere hulpvraag
Elke melding of aanvraag wordt beoordeeld volgens de onderstaande vier stappen.
Deze volgorde waarborgt consistentie, rechtszekerheid en voorkomt doublures met andere domeinen.
Stap 1 – Eigen kracht en netwerk
De consulent onderzoekt wat de jeugdige, ouder(s) en het netwerk zelf kunnen doen, rekening houdend met de leeftijd, draagkracht en omstandigheden.
Te onderzoeken:
- •
Zijn er eigen mogelijkheden of netwerkoplossingen aanwezig?
- •
Is er sprake van gebruikelijke hulp of bovengebruikelijke hulp (zie Bijlage 1 – Toetsingskader)?
- •
Is er (dreigende) overbelasting van ouders of verzorgers, en zo ja, is die aantoonbaar gerelateerd aan de zorg voor het kind?
Indien het gezin voldoende draagkracht en netwerk heeft, is inzet van jeugdhulp niet noodzakelijk.
→ Juridische basis: Jeugdwet.
Stap 2 – Algemene of voorliggende voorzieningen
Consulenten onderzoeken of bestaande voorzieningen of regelingen de hulpvraag kunnen beantwoorden.
Het gaat hierbij om laagdrempelige of voorliggende ondersteuning binnen de sociale basis of andere wetten, zoals:
- •
Jeugdgezondheidszorg (JGZ)
- •
Schoolmaatschappelijk werk, intern begeleider, of ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband passend onderwijs
- •
Oudercursussen, opvoedondersteuning of basisondersteuning via het Sociaal Team
- •
Hulp vanuit de huisarts, POH-GGZ, of aanvullende zorgverzekering (Zvw)
- •
Ondersteuning vanuit kinderopvang of maatschappelijk werk
Wanneer deze voorzieningen voldoende zijn of redelijkerwijs benut kunnen worden, is geen individuele jeugdhulp nodig.
Alleen als de hulpvraag hiermee niet toereikend wordt opgelost, volgt stap 3.
Stap 3 – Noodzaak van een individuele voorziening (Jeugdwet)
Een individuele voorziening wordt pas overwogen wanneer:
- •
eigen kracht en algemene voorzieningen onvoldoende zijn; en
- •
sprake is van problematiek die de normale ontwikkeling, veiligheid of opvoeding structureel belemmert.
De consulent beoordeelt:
- •
Is de gevraagde ondersteuning gericht op het kind of gezinssysteem (Jeugdwet)?
- •
Of betreft het primair ondersteuning van de ouder als individu (Wmo)?
- •
Wat is het te behalen resultaat, en is dat binnen de Jeugdwet haalbaar en proportioneel?
De motivering wordt vastgelegd in het onderzoeksverslag en vormt de basis voor de beschikking.
→ Juridische basis: Jeugdwet.
Stap 4 – Domeinbepaling: welke wet is van toepassing
De consulent bepaalt aan de hand van onderstaande richtlijnen binnen welk domein de hulpvraag valt.
|
Domein |
Kenmerkende doelstelling |
Valt onder |
Actie voor consulent |
|
Onderwijs / Passend onderwijs |
Ondersteuning bij leren, gedrag of functioneren op school binnen de zorgplicht van het samenwerkingsverband. |
Wet op het primair / voortgezet onderwijs, Wet passend onderwijs. |
Eerst afstemmen met school of samenwerkingsverband. Alleen aanvullende jeugdhulp als schoolondersteuning aantoonbaar tekortschiet. |
|
Jeugdwet |
Opgroeien, opvoeding, veiligheid of psychische problematiek van jeugdige. |
Gemeente (Jeugdwet). |
Indiceren via Sociaal Team, beschikking afgeven. Afstemming met andere domeinen vastleggen in plan. |
|
Wmo 2015 |
Ondersteuning gericht op zelfredzaamheid of participatie van ouder of jongvolwassene (18+) en hulpmiddelen. |
Gemeente (Wmo). |
Warme overdracht bij overgang 18-/18+. Samenloop met jeugdige vastleggen in gezinsplan. |
|
Zorgverzekeringswet (Zvw) |
Behandeling van psychische stoornis of somatische aandoening. |
Zorgverzekeraar. |
Verwijs jeugdige of ouder naar huisarts, POH-GGZ, medisch specialist of zorgverzekeraar. |
|
Wet langdurige zorg (Wlz) |
Levenslange, blijvende zorgbehoefte met noodzaak tot 24-uurs toezicht. |
CIZ / Wlz. |
Ondersteun bij aanvraag Wlz en zorg voor overbrugging via tijdelijke jeugdhulp. |
De consulent noteert altijd in het onderzoeksverslag:
- •
welke wetten en voorzieningen zijn afgewogen;
- •
waarom de Jeugdwet wel of niet van toepassing is;
- •
welke andere voorziening voorliggend is;
- •
hoe de afweging met het gezin is besproken.
3. Praktische beslisboom
- 1.
Is de hulpvraag gericht op de jeugdige en diens ontwikkeling?
→ Ja → ga naar stap 2.
→ Nee → verwijs naar Wmo of andere wet.
- 2.
Kan de hulpvraag worden opgelost met eigen kracht, netwerk of algemene voorzieningen (onderwijs, JGZ, huisarts)?
→ Ja → geen Jeugdwet.
→ Nee → ga naar stap 3.
- 3.
Is de hulp primair gericht op opvoeding, veiligheid of psychische stabiliteit?
→ Ja → Jeugdwet (individuele voorziening).
→ Nee → check Zvw of Wlz (behandeling of langdurige zorg).
4. Samenloop van domeinen
Wanneer meerdere domeinen tegelijk betrokken zijn (bijv. onderwijs én jeugdhulp, of ouder én kind), gelden de volgende richtlijnen:
- •
De casus wordt besproken in het multidisciplinair overleg (MDO) van het Sociaal Team.
- •
Eén medewerker wordt aangewezen als regievoerder.
- •
Er wordt gewerkt met één gezinsplan waarin rollen, taken, financiering en doelen per domein zijn vastgelegd.
- •
De betrokken instanties stemmen af over financiering, continuïteit en overdracht.
- •
De regievoerder wordt aangewezen en bewaakt dat er geen overlap of hiaten ontstaan tussen wetten.
→ Principe: één gezin, één plan, één regisseur.
5. Toelichtende voorbeelden
|
Casus |
Toepasselijke wet / motivering |
|
Een 9-jarige leerling heeft concentratieproblemen en moeite met regels volgen. De school vraagt om jeugdhulp. |
Eerst beoordelen of de school via het samenwerkingsverband passend onderwijs kan bieden (WPO/WVO). Alleen als deze ondersteuning tekortschiet en sprake is van bijkomende problematiek (bijv. trauma, LVB of gezinsproblematiek) wordt jeugdhulp ingezet. |
|
Een moeder van 35 jaar is overbelast door de zorg voor haar kind met ADHD. |
Onderzoek of de overbelasting rechtstreeks samenhangt met de zorg voor het kind. Zo ja → tijdelijke jeugdhulp (respijtzorg). Zo nee → Wmo-ondersteuning gericht op eigen herstel. |
|
Een jongere van 18 jaar met LVB heeft begeleiding nodig bij zelfstandig wonen. |
Betrokkene valt onder de Wmo (zelfredzaamheid). Warme overdracht vanuit de Jeugdwet bij 18-/18+ overgang. |
|
Een kind van 14 jaar heeft door een ongeluk verwondingen opgelopen en ontwikkelt daarna psychische klachten zoals angst, herbelevingen en vermijdingsgedrag. |
De medische behandeling van de lichamelijke verwondingen valt onder de Zorgverzekeringswet (Zvw). De psychische behandeling gericht op het trauma valt onder de Jeugdwet, omdat psychische behandeling bij jeugdigen onder het gemeentelijke jeugdhulpdomein valt. |
|
Een jeugdige met ernstige meervoudige beperkingen heeft levenslange zorg en permanent toezicht nodig. |
De zorg valt onder de Wlz. Het college kan tijdelijk jeugdhulp inzetten tot de Wlz-indicatie is toegekend. |
6. Doel en gebruik in de praktijk
Deze bijlage vormt het uniforme afwegingskader voor alle consulenten en beleidsmedewerkers van het Sociaal Team Culemborg.
Het dient als richtlijn bij:
- •
het vastleggen van de motivering in onderzoeksverslagen en beschikkingen;
- •
interne casusbesprekingen en kwaliteitscontroles;
- •
bezwaar- en beroepsprocedures, om de consistentie en transparantie te waarborgen.
De bijlage wordt jaarlijks geëvalueerd en geactualiseerd op basis van:
- •
jurisprudentie,
- •
landelijke en regionale beleidsontwikkelingen en inkoopafspraken,
- •
signalen uit de uitvoering.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl