Financiële verordening gemeente Hardenberg

Geldend van 01-01-2025 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025

Intitulé

Financiële verordening gemeente Hardenberg

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • Accountant: een door de raad aangewezen accountant, die de opdracht heeft de jaarrekening te controleren. (Zie artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet).

  • Administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie. Het gaat informatie die nodig is voor het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • Begrotingsprogramma: een samenhangend geheel van thema's/producten/activiteiten waarbij de doelstellingen, in het bijzonder de beoogde maatschappelijke effecten zijn beschreven;

  • Besluit Begroting Verantwoording: (financiële) wetgeving voor provincies en gemeenten.

  • College: het college van burgemeester en wethouders.

  • Doelmatigheid: het realiseren van een beoogd resultaat met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen, respectievelijk met een gegeven beschikbaarheid van middelen een zo groot mogelijk resultaat bereiken;

  • Doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde resultaten daadwerkelijk worden behaald

  • Investeringskrediet: budget voor het realiseren van een investering

  • Overheadkosten: alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces.

  • Rechtmatigheid: het in overeenstemming zijn met de begroting en de van toepassing zijnde wettelijke regelingen, waaronder gemeentelijke verordeningen;

  • Rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheers handelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

Paragraaf 2. Planning en control cyclus

Artikel 2 Planning -en control kalender

Voor begin van een begrotingsjaar biedt het college aan de raad de planning aan voor de behandeling van de documenten die voortvloeien uit de planning- en control cyclus, te weten de perspectiefnota, de begroting, de meibrief, de novemberbrief en de jaarstukken. In de planning wordt ook de zomermarkt betrokken.

Artikel 3 Perspectiefnota

  • 1) Het college stuurt elk jaar voor 1 juli aan de raad een Perspectiefnota. In deze nota doet het college een voorstel voor het beleid en voor de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad geeft zijn algemene beschouwingen over het voorgestelde beleid en stelt de (financiële) uitgangspunten voor de meerjarenbegroting vast.

  • 2) In de begroting wordt, in lijn met de BBV-artikel 8, een post onvoorzien opgenomen. Deze bedraagt minimaal € 50.000.

Artikel 4 Programmabegroting

  • 1) De programmabegroting (hierna: begroting) bestaat, in lijn met BBV-artikel 7, ten minste uit:

    • a.

      de beleidsbegroting bestaande uit:

      • het programmaplan, en

      • de paragrafen te weten lokale heffingen, weerstandsvermogen en risicobeheersing, onderhoud kapitaalgoederen, financiering, bedrijfsvoering, verbonden partijen, grondbeleid en openbaarheid.

    • b.

      de financiële begroting bestaande uit:

      • het overzicht van baten en lasten en de toelichting,

      • de uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting;

      • de bijlage met het overzicht van de geraamde baten en lasten per taakveld.

  • 2) De raad stelt de programma-indeling van de begroting en de paragrafen vast.

    • a.

      De raad stelt per programma de taakvelden vast, en

    • b.

      De raad stelt per programma de beleidsindicatoren vast. In het voorstel van het college staan in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren zoals opgenomen in de regeling beleidsindicatoren BBV.

  • 3) De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en lasten per programma en ook de investeringskredieten.

  • 4) Het college informeert de raad en doet een voorstel tot wijziging van de begroting als de verwachting is dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, en/of de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden.

Artikel 5. Programmabegroting investeringskredieten

  • 1) De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting ook de nieuwe investeringskredieten en wijzigingen van al eerder geautoriseerde kredieten voor investeringen met een meerjarig karakter. Bij de begrotingsbehandeling kan de raad aangeven van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen.

  • 2) Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

  • 3) Bij investeringen met een meerjarig karakter stelt het college aan de raad voor op welke wijze de jaarschijven binnen het budget worden opgebouwd. Eventuele mutaties worden in de tussentijdse rapportage en/of de jaarrekening toegelicht.

  • 4) Het college informeert de raad en doet een voorstel tot wijziging van de begroting als de verwachting is dat de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden;

  • 5) Investeringskredieten die niet binnen twee jaar na hun vrijgave worden benut, vervallen in principe, waarna de gereserveerde middelen terugvloeien naar de algemene reserve. Als daar gegronde redenen voor zijn, kan het college besluiten van deze werkwijze af te wijken.

Artikel 6. Tussentijdse rapportages

  • 1) Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van het lopende boekjaar. Er zijn twee rapportages:

    • a.

      in mei en november ontvangt de raad een brief met een voorstel voor aanpassing van de baten en lasten per programma in de begroting; in deze brieven worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van programma’s en investeringskredieten in de begroting groter dan € 100.000 toegelicht.

    • b.

      Jaarlijks wordt er een zomermarkt georganiseerd waarin de gelegenheid wordt geboden om met de ambtelijke organisatie en het bestuur in gesprek te treden over de lopende projecten..

Artikel 7. Jaarstukken

  • 1) De jaarstukken bestaan, in lijn met BBV-artikel 24, ten minste uit:

    • a.

      het jaarverslag;

    • b.

      de jaarrekening.

  • 2) Het jaarverslag bestaat ten minste uit:

    • a.

      de programmaverantwoording;

    • b.

      de paragrafen.

  • 3) De jaarrekening bestaat uit:

    • a.

      het overzicht van baten en lasten in de jaarrekening en de toelichting;

    • b.

      de balans en de toelichting;

    • c.

      de rechtmatigheidsverantwoording;

    • d.

      de overige gegevens, waaronder de accountantsverklaring;

    • e.

      de bijlage met de verantwoordingsinformatie over specifieke uitkeringen;

    • f.

      een bijlage met het overzicht van de gerealiseerde baten en lasten per taakveld.

  • 4) Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. Vooruitlopend daarop kan het college de raad al eerder voorstellen om resterende middelen van bepaalde onderdelen door te schuiven naar het volgende begrotingsjaar.

  • 5) De jaarstukken, evenals de vaststelling van het resultaat en de bestemming daarvan, worden door de raad vastgesteld.

Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen

  • 1) In het kader van de actieve informatieplicht beslist het college niet over:

    • a.

      de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 1 miljoen;

    • b.

      het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties zoals beschreven in het treasurystatuut;

    • c.

      het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen

    • d.

      dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college mee te delen.

Artikel 9. EMU-saldo

  • 1) Het Rijk stuurt een bericht als alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort hebben overschreden. Het college informeert de raad en doet een voorstel voor aanpassing van de begroting als dat nodig is.

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording

Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens

  • 1) Bij de jaarrekening moet het college een rechtmatigheidsverantwoording opnemen. In deze verantwoording wordt de toepassing van het voorwaardencriterium (zie artikel 11), het begrotingscriterium (zie artikel 12) en het misbruik en oneigenlijk gebruik criterium (zie artikel 13) nader toegelicht.

  • 2) De goedkeuringstolerantie wordt opgenomen in het controleprotocol van de gemeente Hardenberg en bedraagt 2% van de omvangsbasis. De omvangsbasis is het totaal van alle uitgaven van de gemeente, maar zonder de bedragen die zijn toegevoegd aan de reserves. De goedkeuringstolerantie geeft aan hoeveel fouten of onzekerheden maximaal in de jaarrekening mogen staan. Zolang deze grens niet wordt overschreden, kan de jaarrekening nog steeds als betrouwbaar worden beoordeeld.

  • 3) De verantwoordingsgrens is een grens die afgesproken wordt tussen de gemeenteraad en het college. Specifiek wordt met deze grens vastgesteld boven welk bedrag fouten of onduidelijkheden in de financiën nader moeten worden verklaard. De verantwoordingsgrens wordt vastgelegd in het controleprotocol van de gemeente en bedraagt eveneens 2%..

  • 4) De rapporteringsgrens wordt opgenomen in het controleprotocol van de gemeente. De rapporteringsgrens is, in lijn met de financiële verordening artikel 12 van de gemeente Hardenberg, vastgesteld op € 100.000.

  • 5) In de paragraaf Bedrijfsvoering in het jaarverslag geeft het college een toelichting op de uitkomsten van het rechtmatigheidsonderzoek. Het college geeft een toelichting op geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan de rapportagegrens genoemd in het vastgestelde controleprotocol. En het college noemt welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen.

Artikel 11. Voorwaardencriterium

  • 1) Voor de verantwoording over rechtmatige uitvoering is het belangrijk dat bij financiële (beheers)handelingen aan de eisen en voorwaarden wordt voldaan, die zijn opgenomen in wet- en regelgeving. Die eisen en voorwaarden gaan over de doelgroep, termijn(en), grondslag(en), administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

  • 2) Het normenkader wordt jaarlijks voor het einde van het boekjaar ter vaststelling aan de raad aangeboden. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheers handelingen kunnen voortvloeien. Een nadere toelichting is eveneens opgenomen in het controleprotocol van de gemeente.

Artikel 12. Begrotingsrechtmatigheid

  • 1) De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is vastgesteld.

  • 2) Begrotingsonrechtmatigheden die groter zijn dan de verantwoordingsgrens en die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden enkel opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.

  • 3) Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen zijn niet onrechtmatig in de volgende situaties:

    • a.

      Tegenover de overschrijding van het beschikbare budget staan inkomsten die specifiek bestemd zijn voor de (extra) uitgaven.

    • b.

      Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

    • c.

      De overschrijding is goedgekeurd doordat de raad een tussentijdse rapportage, waarin die overschrijding is opgenomen, heeft vastgesteld (meibrief/novemberbrief).

    • d.

      Afwijkingen geconstateerd na aanbieding van de novemberbrief en die verklaard worden in de jaarstukken.

    • e.

      Begrotingsafwijkingen in de bestemmingsreserve zijn toegestaan, mits deze overeenkomen met de gerealiseerde baten en lasten en bij de jaarrekening expliciet door de raad worden goedgekeurd (de zogenaamde systeemreserve).

    • f.

      Bij (meerjarige) programma’s en projecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal van het door de raad beschikbaar gestelde bedrag voor het programma of project. Een over -en of onderschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het programma of project, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

    • g.

      Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal van het door de raad vastgestelde kredietbedrag. Een over - en of onderschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

  • 1) Voor de verantwoording over rechtmatige uitvoering is het belangrijk dat er geen sprake is van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

  • 2) Het college ziet er op toe dat misbruik en oneigenlijk gebruik wordt voorkomen, opgespoord en gecorrigeerd. Daarvoor stelt het college beleid vast. Daarin staan de algemene uitgangspunten, de risico’s en de maatregelen om misbruik en oneigenlijk gebruik te voorkomen en te ontdekken.

Paragraaf 4. Financieel beleid

Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1) De raad stelt één keer per vier jaar een nota Waardering en afschrijving vaste activa vast. Deze nota beschrijft in ieder geval:

    • a.

      de afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijn per categorie;

    • b.

      het moment van starten met afschrijven;

    • c.

      de gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen (= de afschrijvingstermijn);

    • d.

      De componentenbenadering, en

    • e.

      De uitgangspunten ten aanzien van de restwaarde.

  • 2) Het college biedt de raad jaarlijks een meerjareninvesteringsplan aan als bijlage bij de begroting. Met dat plan wordt inzicht gegeven in de geplande investeringen en de daarbij behorende kapitaallasten.

Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1) Voor openstaande vorderingen worden één of meer voorzieningen voor het risico op oninbaarheid gevormd.

    • a.

      Voor vorderingen op verbonden partijen en iedere andere partij wordt de omvang van die voorziening bepaald op basis van een individuele beoordeling van het risico van de openstaande vorderingen.

    • b.

      Een voorziening wegens oninbaarheid ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid wordt gevormd voor openstaande vorderingen met betrekking tot:

      • Onroerendezaakbelasting;

      • Precariobelasting;

      • Parkeerbelasting;

      • Rioolheffing;

      • Afvalstoffenheffing;

      • Bijstandsverstrekking.

Artikel 16. Reserves en voorzieningen

  • 1) De raad stelt één keer per vier jaar een nota Reserves en Voorzieningen vast. Deze nota beschrijft in ieder geval:

    • a.

      De vorming en besteding van reserves;

    • b.

      De vorming en besteding van voorzieningen, en

    • c.

      Bij welke specifiek benoemde taakvelden het verschil tussen het geraamde saldo van baten en lasten en het gerealiseerde saldo van baten en lasten mogen worden verrekend met een daartoe in het leven geroepen reserve.

  • 2) De gemeenteraad is bevoegd om reserves in te stellen of op te heffen. Reserves zijn eigen, al dan niet voor specifieke doeleinden, gereserveerde middelen op de balans. Ze zijn een onderdeel van het eigen vermogen.

  • 3) De reserves worden jaarlijks bij zowel de begroting als de jaarrekening getoetst en de onderliggende bestedingsplannen wordt hierbij geactualiseerd.

Artikel 17. Kostprijsberekening

  • 1) Voor het in rekening brengen van kosten wordt een kostprijs berekend. In de berekening wordt rekening gehouden met:

    • a.

      De directe kosten,

    • b.

      De overheadkosten en

    • c.

      De rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa.

  • 2) De kostprijs wordt gebruikt voor:

    • a.

      Rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht;

    • b.

      Goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden.

  • 3) In de kostprijs voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, wordt ook rekening gehouden met:

    • a.

      De compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW),

    • b.

      De gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en

    • c.

      De kosten voor straatreiniging.

  • 4) De overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, worden binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de verantwoordingen over de besteding van die uitkering of subsidie toegerekend aan die activiteiten.

  • 5) De overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, worden binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 6) Voor het bepalen van de overhead is de definitie in de Notitie overhead van de commissie BBV van toepassing. Het college neemt in het onderdeel Overhead in de begroting op welke lasten en baten daaronder vallen.

Artikel 18. Prijzen economische activiteiten

  • 1) Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

  • 2) Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

  • 3) Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

  • 4) Bij iedere afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

  • 5) Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in lid 4 zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1) De raad stelt jaarlijks voor 1 januari van het desbetreffende jaar de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor belastingen, rechten en leges vast.

  • 2) De raad stelt jaarlijks de te hanteren uitgangspunten bij de vaststelling en aanpassing van tarieven voor het komende jaar betreffende gemeentelijke diensten en leveringen, voor zover niet vallende onder het eerste lid, vast.

  • 3) Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, brengt de gemeente tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het college het algemeen belang van de activiteit motiveert.

Artikel 20. Financieringsfunctie

  • 1) De raad stelt één keer in de vier jaar een Treasurystatuut vast. Daarin staan de kaders:

    • a.

      Om garanties en leningen te verstrekken,

    • b.

      Voor het aantrekken en uitzetten van financiële middelen en

    • c.

      Voor het gebruik van rente-instrumenten.

Paragraaf 5. Paragrafen bij de begroting en het jaarverslag

Artikel 21. Paragraaf lokale heffingen

  • 1) Het college neemt in de paragraaf lokale heffingen de verplichte onderdelen op grond van BBV-artikel 10. Die onderdelen zijn:

    • a.

      De geraamde inkomsten;

    • b.

      Het beleid ten aanzien van de lokale heffingen;

    • c.

      Een overzicht op hoofdlijnen van de diverse heffingen. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt hoe bij de berekening van tarieven van heffingen, die hoogstens kostendekkend mogen zijn, de geraamde baten de geraamde lasten niet overschrijden, wat de beleidsuitgangspunten zijn die ten grondslag liggen aan deze berekeningen en hoe deze uitgangspunten bij de tariefstelling worden gehanteerd;

    • d.

      Een aanduiding van de lokale lastendruk;

    • e.

      Een beschrijving van het kwijtscheldingsbeleid.

  • 2) In de paragraaf lokale heffingen wordt ook opgenomen:

    • a.

      De kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht;

    • b.

      Een overzicht van de verschillende lokale heffingen, de maatstaf en de doelstelling die wordt beoogd met het opleggen van de heffing.

Artikel 22. Paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing

  • 1) In de verplichte paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing worden de verplichte onderdelen opgenomen, die genoemd zijn in BBV-artikel 11.

  • 2) De gemeenteraad stelt eens per vier jaar een nota Weerstandsvermogen en Risicobeheersing vast. Deze nota bevat, aanvullend op het BBV, nadere uitgangspunten voor de invulling van de betreffende paragraaf.

  • 3) De norm voor het minimaal benodigde weerstandsvermogen is 1,4 maal de omvang van alle risico’s gezamenlijk (exclusief potentiële weerstandsvermogen De basis voor de berekening van deze factor is gelegd in de nota weerstandsvermogen en risicobeheersing gemeente Hardenberg.

Artikel 23. Paragraaf onderhoud kapitaalgoederen

  • 1) Het college neemt in de paragraaf Onderhoud kapitaalgoederen de verplichte onderdelen op, die genoemd zijn in BBV artikel 12. Het college beschrijft voor die onderdelen het beleidskader, de financiële consequenties en de gevolgen daarvan voor de begroting. Die onderdelen zijn:

    • a.

      Wegen

    • b.

      Riolering

    • c.

      Water

    • d.

      Groen

    • e.

      Gebouwen.

  • 2) Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het onderhoudsplan openbare ruimte geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het onderhoudsplan openbare ruimte vast.

  • 3) Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een rioleringsplan aan. Het rioleringsplan geeft het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het rioleringsplan vast.

  • 4) Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het onderhoudsplan gebouwen bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het onderhoudsplan gebouwen vast.

Artikel 24. Paragraaf financiering

  • 1) De paragraaf over de financiering bevat, in lijn met BBV-artikel 13, de beleidsvoornemens ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsportefeuille en geeft inzicht in de rentelasten, het renteresultaat, de wijze waarop rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden wordt toegerekend en de financieringsbehoefte.

Artikel 25. Paragraaf bedrijfsvoering

  • 1) In de paragraaf Bedrijfsvoering worden minimaal de onderdelen opgenomen die in lijn zijn met BBV-artikel 14. Het college neemt in de paragraaf Bedrijfsvoering in ieder geval op:

    • a.

      De omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten;

    • b.

      De kosten van inhuur derden;

    • c.

      De huisvestingskosten;

    • d.

      De automatiseringskosten;

    • e.

      De budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant;

    • f.

      Een toelichting op de uitkomsten van het rechtmatigheidsonderzoek. In de toelichting staan de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan de rapportagegrens genoemd in het voor het boekjaar vastgestelde controleprotocol en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen.

  • 2) Het college neemt in de paragraaf Bedrijfsvoering in het jaarverslag in de volgende informatie op als deze situaties zich voordoen:

    • a.

      Een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen;

    • b.

      Rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan;

    • c.

      Geconstateerde fraude door eigen medewerkers.

Artikel 26. Paragraaf verbonden partijen

  • 1) In de paragraaf verbonden partijen worden de onderdelen opgenomen die in lijn zijn met BBV-artikel 15.

Artikel 27. Paragraaf grondbeleid

  • 1) In de paragraaf Grondbeleid worden de onderdelen opgenomen die in lijn zijn met BBV-artikel 16.

  • 2) Het college biedt de raad elk jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota grondbeleid vast. De nota grondbeleid bevat in ieder geval:

    • a.

      De strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      Te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten;

    • c.

      Het verloop van de grondvoorraad;

    • d.

      De uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden;

    • e.

      De wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan.

  • 3) Het college biedt de raad jaarlijks een grondprijzenbrief aan met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond. De raad stelt de grondprijzenbrief vast.

  • 4) De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen contante waarde.

Artikel 28. Pargraaf wet open overheid (WOO)

  • 1) Het college beschrijft in de paragraaf Wet open overheid in de beleidsvoornemens voor de uitvoering van deze wet. Deze paragraaf wordt opgesteld met inachtneming van de uitgangspunten zoals opgenomen in de Wet Open Overheid.

Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 29. Administratie

  • 1) Het college draagt zorg voor een kwalitatief goede opzet en werking van de administratie. Daarmee zorgt het college voor:

    • a.

      het sturen en het beheersen van activiteiten en processen als geheel en in de afdelingen;

    • b.

      Het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

    • c.

      Het verschaffen van informatie over besteding van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

    • d.

      Het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

    • e.

      Het afleggen van verantwoording aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

    • f.

      De controle van de registratie van gegevens en van de daaraan ontleende informatie, de controle op de rechtmatigheid, de controle op de doelmatigheid en de controle op de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 30. Financiële organisatie

  • 1) Het college draagt zorg voor:

    • a.

      De indeling van de gemeentelijke organisatie;

    • b.

      De scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

    • c.

      De verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      De interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

    • e.

      De te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • f.

      Het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

    • g.

      Het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

    • h.

      Het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan;

    • i.

      Het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

Artikel 31. Interne controle

  • 1) Het college draagt zorg voor de interne toetsing van de getrouwheid van de informatie die wordt gegeven en de rechtmatigheid van de financiële (beheers)handelingen. Daarvoor wordt ieder jaar een intern controleplan vastgesteld.

  • 2) Het college rapporteert over de uitkomsten van de interne toetsing in de rechtmatigheidsverantwoording (zie artikel 10) en in de paragraaf Bedrijfsvoering in het jaarverslag (zie artikel 25, lid 2 onder f). Het college informeert de raad over genomen maatregelen tot herstel van eventuele tekortkomingen.

  • 3) Het college draagt zorg voor:

    • a.

      De systematische controle van de administratie;

    • b.

      De bezittingen en het financieel vermogen.

  • 4) Waardepapieren, voorraden, uitstaande leningen, debiteurenvorderingen, liquiditeiten, opgenomen leningen, kortlopende schulden en vorderingen van crediteuren worden ieder jaar gecontroleerd.

  • 5) Registergoederen en bedrijfsmiddelen worden ten minste eenmaal in de 4 jaar gecontroleerd.

  • 6) Bij afwijkingen in de administratie of in de bezittingen of in het financieel vermogen neemt het college maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Paragraaf 7. Slotbepalingen

Artikel 32. Intrekking oude regeling

  • 1) De huidige Financiële verordening Gemeente Hardenberg wordt ingetrokken.

Artikel 33. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025 en is daarmee van toepassing op de jaarstukken 2025.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Hardenberg.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Hardenberg van 13 januari 2026.

De raad voornoemd,

de griffier, de voorzitter,

F.G.S. Droste M.W. Offinga