Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755445
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755445/1
Geldend van 15-01-2026 t/m heden
Omgevingsvisie gemeente Horst aan de Maas 2040
1 Inleiding
Intro
Voor u ligt de ‘Omgevingsvisie Horst aan de Maas 2040’. Hierin stellen we voor hoe en waar we over 15 jaar wonen, werken, ondernemen, ontmoeten, spelen en recreëren binnen onze gemeentegrenzen. Samen met onze inwoners, ondernemers en maatschappelijke organisaties bouwen we aan de toekomst van onze mooie gemeente. Ook het maken van deze ambitieuze toekomstvisie (de omgevingsvisie) doen we samen.
1.1 Wat is een omgevingsvisie?
Een omgevingsvisie is een integrale strategische langetermijnvisie voor hoe we omgaan met onze leefomgeving. Als gemeente leggen we in deze visie uit wat onze doelen zijn voor de toekomst.
Bijvoorbeeld:
-
Hoe zorgen we voor een gezonde leefomgeving?
-
Waar kunnen we woningen bouwen?
-
Hoe komen we samen tot een toekomstbestendige agrarische sector?
-
Hoe moet onze economie zich ontwikkelen?
-
Hoe willen we dat het landschap er over vijftien jaar uitziet?
Een omgevingsvisie is geen concreet plan. Het gaat vooral over onze doelen en ambities en de keuzes die we daarbij maken uitgaande van de bestaande situatie met waardering voor waar we nu staan.
De omgevingsvisie is een uitvloeisel van de Omgevingswet. We werken de omgevingsvisie uit in omgevingsprogramma’s, zowel op thema als op gebied. In dit programma staat hoe we bepaalde doelen willen bereiken. Zijn er regels nodig? Dan zetten we die in een omgevingsplan. Zo werken we van globaal en strategisch naar concrete beleidsregels of omgevingsplannen.
De omgevingsvisie is bindend voor de gemeente. Als we projecten uitvoeren of een plan van inwoners beoordelen, moeten we rekening houden met de doelen die in de omgevingsvisie staan. Zo zorgen we voor duidelijkheid en richting voor de toekomst. De omgevingsvisie is echter niet in beton gegoten.
De gemeenteraad kan de doelen van de omgevingsvisie aanpassen en beslissen om van de doelen af te wijken. Voor inwoners en ondernemers heeft de omgevingsvisie geen directe invloed. Want bestaande rechten in het omgevingsplan (het vroegere bestemmingsplan) worden door een omgevingsvisie niet gewijzigd.
Op toekomstplannen van inwoners en ondernemers heeft de omgevingsvisie wel invloed. Initiatieven of wijzigingen moeten passen in de doelen van de omgevingsvisie. In de hoofdstukken 2 en 3 gaan we hier dieper op in.
1.2 Het proces
Voordat we aan deze ambitieuze omgevingsvisie begonnen, hebben we eerst gewerkt aan een beleidsneutrale omgevingsvisie. De gemeenteraad van Horst aan de Maas besloot uiteindelijk om deze beleidsneutrale omgevingsvisie niet vast te stellen en gaf het college van burgemeester en wethouders een nieuwe opdracht: ontwikkel een omgevingsvisie met meer ambitie.
Daarbij vraagt de raad het college om:
-
Te werken in lijn met de bedoeling van de Omgevingswet (integraal).
-
Met de raad te overleggen over voortgang, inhoud en uitgangspunten van de visie.
-
Inwoners, ondernemers, maatschappelijke partners en ketenpartners actief te betrekken.
-
De omgevingsvisie uiterlijk op 1 januari 2026 voor vaststelling aan de raad voor te leggen.
In lijn met deze opdracht is in het hoofdlijnenakkoord afgesproken om een ambitieuze en richtinggevende omgevingsvisie te maken. Daarin staat de ambitie om te werken aan een gezonde en duurzame leefomgeving waarin we gezondheid en welzijn van inwoners, milieu, natuur en het landschap beschermen. De omgevingsvisie laat zien welke kant we op willen met de ruimtelijke en economische ontwikkeling. We maken hierbij keuzes die passen bij onze ambitie: de Gezondste Regio van Europa worden. De lat ligt dus hoog. Waar nodig kiezen we voor strengere doelen dan we wettelijk verplicht zijn. Ook gebruiken we onder andere het voorzorgbeginsel. Dat betekent dat we op tijd proportionele maatregelen nemen om risico’s te beperken.
De startnotitie (januari 2023) laat de positie zien van de omgevingsvisie ten opzichte van lopende projecten en actueel beleid. Ook staan alle tussenproducten erin genoemd, net als het plan van aanpak en het proces dat we uitvoeren.
Vervolgens stelde de gemeenteraad in juli 2023 de uitgangspuntennotitie vast. Hierin staan de kwaliteiten van Horst aan de Maas beschreven. Deze kwaliteiten vormen een belangrijke basis voor de identiteit van de gemeente. Ook zijn de opgaven in de notitie vastgelegd.
In september 2023 zijn we gestart met de gesprekken over Horst aan de Maas 2040. We spraken met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties, andere bestuurs-organen, ambtenaren, het college en de raad. Op basis van al deze gesprekken is een koers voorgesteld voor Horst aan de Maas, die de weg naar 2040 uitstippelt en de basis vormt voor verdere uitwerking van de omgevingsvisie. De koers geeft vorm aan het toekomstbeeld voor Horst aan de Maas. In juni 2024 was het concept koersdocument klaar.
De omgevingsvisie die u nu in handen hebt, is gebaseerd op eerdere documenten: de startnotitie, de uitgangspuntennotitie (met kaartenatlas), het concept koersdocument en de reacties op deze documenten.
Met deze concept omgevingsvisie en de reacties van inwoners en andere betrokkenen die we ophalen tijdens de participatieweek, werken we toe naar de definitieve omgevingsvisie.

Bij het maken van deze concept omgevingsvisie hebben we in elke fase samengewerkt met de samenleving. Dit varieert van uitgebreide enquêtes, interviews, groepsgesprekken en werksessies tot bijeenkomsten met inwoners, ondernemers, maatschappelijke organisaties en ketenpartners, maar ook met de raad, het college en de kinderraad. Het schema hierboven laat zien welke participatiestappen we doorlopen hebben in iedere fase. Meer informatie vindt u op de website www.horstaandemaas2040.nl. Hier staan ook de onderzoeksrapporten van de twee enquêtes.
1.3 Leeswijzer
In hoofdstuk 2 staat waar we naar toe willen.
Ons leidende principe is brede welvaart en positieve gezondheid. Het is de basis voor
alle keuzes die we maken. Andere belangrijke uitgangspunten zijn dat de kwaliteit
van het landschap en het bodem- en watersysteem mede sturend zijn voor onze keuzes.
We delen de gemeente Horst aan de Maas op basis van gebiedskenmerken in vijf deelgebieden:
-
Natuurgebied De Peel en De Peelbuffer.
-
Recreatielandschap De Peelbergen.
-
Het veelzijdige zandlandschap.
-
Greenport Venlo.
-
Maasgebied: binnen- en buitendijks.
In hoofdstuk 3 werken we de visie en de keuzes die daarbij horen, uit.
In 4 Visiekaart staat de visiekaart: hierin zijn de belangrijkste keuzes uit hoofdstuk 3 verwerkt.
In 5 Relatie met de OER koppelen we onze visie aan de Omgevingseffectrapportage (OER).
Daarin wordt uitgelegd wat de effecten van onze keuzes op de leefomgeving zijn. Door
deze effecten tijdens het proces al mee te nemen, kunnen we steeds beter onderbouwde
keuzes te maken.
In 6 Uitvoeringsprogramma geven we een eerste uitleg over het uitvoeringsprogramma.
We gaan hier specifiek in op de vraag hoe we de gewenste ruimtelijke koers op de lange
termijn kunnen realiseren. Hiervoor maken we gebruik van een aantal hulpmiddelen:
omgevingsprogramma’s, het omgevingsplan en een kostenverhaal. In deze ontwerp omgevingsvisie
geven we vooral een toelichting op wat we met deze verschillende hulpmiddelen kunnen
regelen en hoe we het willen aanpakken.
Tot slot volgt 7 Definitielijst met een uitleg van moeilijke en/of vakspecifieke woorden.
1.4 Hoofdgebiedsindeling

We differentiëren per gebied en maken daarin keuzes. Per gebied hebben we bepaald wat daar de belangrijkste en gewenste functies zijn:
1.Natuurgebied De Peel en de Peelbuffer:
2. Toeristisch gebied De Peelbergen:
3. Het veelzijdige zandlandschap:
-
Wonen in de dorpen
-
Agrarisch
-
Natuur/groen
-
Cultuurhistorisch landschap
-
Recreatie (kleinschalig)
-
Water (in de beekdalen)
4. Greenport Venlo:
5. Maasgebied:
Binnendijks:
Buitendijks:
Brede welvaart en Positieve gezondheid in de Gezondste regio
Brede welvaart
Brede welvaart is een maatstaf – gemeten door het CBS – voor welvaart. Brede welvaart omvat meer dan alleen economie en inkomen. Het gaat ook over de gezondheid, het onderwijsniveau en het gevoel van veiligheid van mensen. En om zaken als de hechtheid van de samenleving, de toegankelijkheid van voorzieningen, de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving en vele andere aspecten die het leven en welzijn van mensen beïnvloeden. Elk jaar publiceert het CBS de Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals. De Monitor kijkt niet alleen naar het niveau van de Brede welvaart ‘hier en nu’ (en is daarmee voor ons een waardevolle benchmark-tool), maar ook in hoeverre dit welvaartsstreven een druk legt op volgende generaties in Nederland (Brede welvaart ‘later’) en op andere landen (Brede welvaart ‘elders’).
Positieve gezondheid in de Gezondste Regio
Positieve gezondheid is een bredere kijk op gezondheid. Het gaat om meer dan alleen ‘niet ziek’ zijn. Bij Positieve gezondheid ligt het accent op mensen zelf, op hun veerkracht en op wat hun leven betekenisvol maakt. Positieve gezondheid kent zes dimensies:
1. Lichaamsfuncties
2. Zingeving
3. Mentaal welbevinden
4. Kwaliteit van leven
5. Meedoen
6. Dagelijks functioneren
Met die brede kijk dragen we bij aan het vermogen van mensen om met de fysieke, emotionele
en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. Én om zo veel mogelijk eigen regie
te voeren.
2 Hier gaan we voor
Onze Ambitie
In 2040 zijn we een groene, gezonde woongemeente met een duurzame, schone en innovatieve economie en agrarische sector, een herkenbaar en aantrekkelijk landschap en een sterk recreatief profiel. Gezondheid, veiligheid, groen, economie en wonen zijn belangrijk voor de toekomst van onze gemeente. Ze horen bij onze cultuur en identiteit, en dragen bij aan de welvaart en kwaliteit van onze woon- en leefomgeving.
Twee principes helpen ons bij het creëren van een gezonde leefomgeving:
-
Brede welvaart (kwaliteit van leven bevorderen van de inwoners).
-
Positieve gezondheid (zes dimensies gericht op welbevinden van de mens).
In Horst aan de Maas is de brede welvaart relatief hoog. We hebben een goede basiskwaliteit van wonen, leven en werken en veel mensen zijn daar ook tevreden over. Om dit zo te houden in de toekomst moeten we keuzes maken, die we in deze Omgevingsvisie verder uitwerken en toelichten.
2.1 Wonen ondernemen en gezonde leefomgeving zijn in balans
Ons leidende principe is dat wonen, ondernemen en een gezonde leefomgeving in balans zijn. Op gemeentelijk niveau zie je dat terug in de aspecten van brede welvaart. En voor de inwoners voelt het als positieve gezondheid.
Bij het maken van ruimtelijke keuzes denken we vanuit onze inwoners en versterken we de totale kwaliteit van leven. Dit gaat niet alleen over de economie, maar ook de gezondheid, het onderwijsniveau, de hechtheid van de samenleving, de toegankelijkheid van voorzieningen en veel andere aspecten. Als we brede welvaart als uitgangspunt gebruiken, werken we beter samen op al deze punten.
Het gedachtegoed van positieve gezondheid is gebaseerd op hoe iemand hun eigen gezondheid beleeft. Daar past de volgende omschrijving goed bij: ‘Dit is van veel factoren afhankelijk: hoe iemand zich voelt in de buurt, of er regie over het eigen leven is, of een mens zich eenzaam voelt, of iemand lichamelijk actief is of niet, en wat de eet- en drinkgewoontes zijn.’ (Slimme en gezonde stad, Huber et al., 2011). Naast factoren van binnenuit (biologische factoren, gedrag en leefstijl), hebben ook factoren van buitenaf (gezonde leefomgeving) effect op het welbevinden van onze inwoners. We werken aan een gezonde leefomgeving door zowel de fysieke ruimte als de sociaaleconomische situatie goed op elkaar af te stemmen.
Effect op ruimtelijke keuzes
Brede welvaart en positieve gezondheid zijn overkoepelende thema’s die invloed hebben op andere onderwerpen in onze leefomgeving. De Omgevingswet helpt ons om bij elke keuze te denken aan het welzijn van onze inwoners. Zo bepaalt de wet bijvoorbeeld mee waar we gaan wonen en werken. Bij het inrichten van de fysieke leefomgeving letten we op gezond gedrag, ontmoetingen, veiligheid, goede toegankelijkheid en aanpassing aan het klimaat. Ook letten we bijvoorbeeld op betaalbaarheid, energiezekerheid en het slim inrichten van het energiesysteem. Bij (her)ontwikkelingen zoeken we altijd naar manieren om de leefomgeving gezonder te maken. We werken aan een duurzame economie en bouwen op een duurzame manier. Zo kunnen we functies in de toekomst beter combineren. Bij energie zijn betaalbaarheid, energiezekerheid en onafhankelijkheid van fossiele brandstoffen belangrijk. Soms kiezen we ervoor om functies duidelijker van elkaar te scheiden. Dat zorgt voor een gezondere leefomgeving voor onze inwoners.
Een gezonde leefomgeving komt terug in:
-
Kernrandzone (zie 3.1.1).
-
Toekomstige woningbouwlocaties (zie 3.1.2).
-
De inrichting van de openbare ruimte (3.1.3).
-
Het stimuleren van fietsen en wandelen (3.1.4).
-
De kernrandzone rond dorpen (3.1.5).
-
Een gezondere en veiligere leefomgeving (3.1.6).
-
Bereikbaarheid en nabijheid voorzieningen (3.2.6).
-
Duurzame en circulaire bedrijventerreinen (3.3.4).
2.2 Water en bodem worden mede sturend
We houden rekening met het water- en bodemsysteem, nu en in de toekomst. Niet om woningbouw of economie te beperken, maar om de beste locaties te bepalen. Zo kunnen we beter omgaan met extremen in neerslag en droogte. Dit voorkomt schade en zorgt voor een gezondere leefomgeving en met meer biodiversiteit.
In de afgelopen eeuw hebben we de natuurlijke omgeving aangepast aan wat wij nodig hadden. Dat deden we met technische oplossingen, zowel in de stad als in landelijke gebieden. Hierdoor werd de agrarische sector minder afhankelijk van de bodem. In de toekomst willen we de meest vruchtbare grond blijven gebruiken voor grondgebonden landbouw, zodat we deze duurzaam kunnen behouden. Het bodemsysteem speelt hierin een mede sturende rol. Tegelijk weten we dat voor agrariërs ook andere criteria (mede) sturend zijn zoals de beschikbaarheid van water of arbeidskrachten.
Water- en bodemsysteem komt terug in:
2.3 Kwaliteit landschap wordt mede sturend
Ons gevarieerde en waardevolle landschap is belangrijk voor wonen, recreatie, biodiversiteit en het welzijn van onze inwoners. Landschappen, cultuurhistorisch erfgoed en de natuur dragen sterk bij aan brede welvaart in onze gemeente. We willen deze landschappen op de lange termijn sterk en herkenbaar te houden. Daarom houden we hier rekening mee bij nieuwe plannen voor de inrichting.
De kwaliteit van het landschap komt terug in:
-
Toekomstige woningbouwlocaties (zie 3.2.6).
-
De ruimtelijke randvoorwaarden bij groei en doorontwikkeling van de agrarische sector (3.4.3).
-
Wisselwerking recreatie en landschap (3.5).
-
Herkenbare landschappen (3.6).
-
De inrichting van beekdalen, Maasuiterwaarden en natuurbuffers (3.7).
-
Duurzame bedrijventerreinen (zie 3.3.4).
Gebiedsgerichte aanpak
Met een gebiedsgerichte aanpak zoals Gedeelde Peel pakken we meerdere (sectorale) opgaven tegelijk aan. Vaak hangen deze opgaven met elkaar samen en hebben ze invloed buiten het eigen gebied.
De specifieke kernkwaliteiten van een gebied zijn in belangrijke mate sturend en vormen het vertrekpunt voor de keuzes die we maken en uitwerken in omgevingsprogramma’s.
2.4 Samenvatting
In deze omgevingsvisie laten we zien waar we naar toe willen. We vertellen wat we willen bereiken en waarom. Als gemeente kunnen en willen we dat niet alleen doen. Ook bedrijven en inwoners moeten meedoen om deze visie mogelijk te maken. De gemeente helpt mee om deze omgevingsvisie uit te voeren, vanuit verschillende rollen. We stimuleren, regisseren, bieden perspectief, stellen regels, handhaven die regels en volgen ook de initiatieven van anderen. In nog te bepalen en op te stellen omgevingsprogramma’s werken we samen met partijen uit hoe we onze doelen willen bereiken. Daarbij kijken we goed naar wat haalbaar en uitvoerbaar is.
Voorbeelden van gebiedsgerichte programma’s zijn Vitaal platteland of Herstructurering bedrijventerreinen. Voorbeelden van thematisch gerichte programma’s zijn het Volkshuisvestingsprogramma of het Energie en duurzaamheidsprogramma.
De kern van onze keuzes in deze omgevingsvisie:
-
We ontwikkelen en verbeteren een gezonde leefomgeving, met aandacht voor de verschillen per gebied.
-
We concentreren wonen in en rondom de kernen, zodat die vitaal blijven.
-
We stimuleren kwalitatieve economische groei.
-
We bieden een toekomstperspectief voor agrariërs en daaraan gerelateerde bedrijvigheid.
-
We versterken het profiel van onze vrijetijdseconomie (VTE).
-
We versterken groen-blauwstructuren binnen en buiten de kernen, en vooral rond natuur(gebieden).
We ontwikkelen en verbeteren een gezonde leefomgeving, we differentiëren per gebied.
Rondom de dorpskernen stimuleren en versterken we de gezonde leefomgeving. Ontwikkelingen die bijdragen aan een gezondere leefomgeving, benaderen we positief. Een gezonde leefomgeving is groener, biodivers en nodigt uit om te bewegen en te recreëren. Er is ruimte voor ontwikkeling van bedrijven als dit bijdraagt aan de gezonde leefomgeving.
We willen wonen concentreren in en rondom de kernen, die we vitaal willen houden.
Dat doen we door het inbreiden en uitbreiden van de woonkernen met verschillende soorten woningen die passen bij de lokale vraag. We houden met de woningbouwopgave ook rekening met de druk op de lokale woningmarkt die we reeds ervaren van de regio Eindhoven en Nijmegen. We gaan ook gestapeld bouwen, maar wel op een manier die past bij het dorpse karakter. Zo zorgen we voor meer variatie in aanbod, en houden we meer ruimte om in de openbare ruimte te vergroenen en water op te vangen. Een groene openbare ruimte stimuleert ook bewegen en ontmoeten. Zorg en voorzieningen willen we zoveel mogelijk in de dorpskernen houden. Als het nodig is voor de kwaliteit, brengen we voorzieningen samen op één plek.
We stimuleren kwalitatieve economische groei.
We richten ons vooral op lokale bedrijven. Belangrijke pijlers zijn de agribusiness (agrofood en agrotech) en de vrijetijdseconomie (VTE). De zorg is een groeiende sector die we vooral in de dorpskernen ruimte geven. Veel sectoren kunnen niet zonder arbeidsmigranten. Daarom blijft dit een belangrijk aandachtspunt. Als gemeente gaan we deze ambitie verder uitwerken in een omgevingsprogramma waarbij we bedrijven en inwoners zoveel mogelijk betrekken.
De ruimte voor nieuwe bedrijventerreinen is beperkt. Op de Klavers zijn nog mogelijkheden
in de periode dat deze omgevingsvisie loopt. We willen dat bedrijven duurzamer en
meer circulair gaan werken. Energie speelt daarbij een grote rol. Met deze vraagstukken
bij elkaar is het logisch om een integrale aanpak voor bedrijventerreinen op te zetten.
Dit doen we samen met de sector en werken we uit in een omgevingsprogramma.
Het OV-knooppunt rondom station Horst-Sevenum willen we versterken door de leer-werk-leefomgeving
verder te ontwikkelen.
We willen toekomstperspectief voor agrariërs.
De agribusiness is van vroeger uit een belangrijke sector voor de gemeente Horst aan de Maas. We zetten in op een diverse en toekomstbestendige agrarische sector. Waar mogelijk sluiten we kringlopen, werken we aan verduurzaming en zorgen we voor minder uitstoot. We geven ruimte voor intensiveren door op andere plaatsen te extensiveren. Heel veel initiatief ligt ook bij de sector zelf. Als gemeente werken we dit samen uit met de sector in (bouwsteen van) een omgevingsprogramma.
We willen ons profiel van vrijetijdseconomie (VTE) versterken.
Toerisme voor mensen die plezier zoeken richten we vooral op het gebied De Peelbergen. Voor de rustzoekers zetten we in op spreiding van activiteiten en mogelijkheden. Hierbij benutten we een belangrijke kwaliteit van Horst aan de Maas: de veelheid aan (cultuurhistorische) waardevolle landschappen.
We zorgen dat de mooie omgevingen toegankelijk zijn en uitnodigen tot bewegen en beleven.
Groen en duurzaam Horst aan de Maas.
Water- en bodemkwaliteit zijn belangrijk. Zonder schoon water en een gezonde bodem gaat de natuur en de biodiversiteit achteruit, wordt het milieu slechter en landbouw steeds moeilijker. We zorgen ervoor dat de juiste functies op de juiste en meest logische plek komen. In gebieden zoals De Peelen langs de beeklopen willen we de natuur versterken. Bij De Peel ligt een natuurbuffer die helpt om de natuur en de gezonde leefomgeving te verbeteren. Recreatie in natuurgebieden spreiden we zoveel mogelijk. Recreantenstromen sturen we met behulp van de Eikpunten en routestructuren.
In 2050 is Horst aan de Maas klimaatneutraal en klimaatbestendig. We wekken lokaal zonne-energie op en zorgen dat opwek, opslag, omslag en gebruik slim op elkaar zijn afgestemd. Mobiliteit is groener: mensen kiezen vaker voor de fiets, lopen of het openbaar vervoer. Zo groeit de gemeente richting een toekomst waarin leefbaarheid, natuur en duurzaamheid elkaar versterken.
Mobiliteit op orde
In 2040 is Horst aan de Maas een gemeente waar je veilig en prettig van A naar B komt. De wegen zijn overzichtelijk. Mensen voelen zich veiliger in het verkeer, of ze nu lopen, fietsen, met de bus gaan of de auto pakken. Voorzieningen – zoals winkels, scholen en zorg – zijn goed bereikbaar. Daardoor is er in en rondom de dorpen een goede balans tussen bereikbaarheid en leefbaarheid.

3 Toelichting en uitwerking van onze visie
Intro
In dit hoofdstuk leggen we onze visie uit per thema. Hoewel we dit hoofdstuk per thema hebben opgebouwd houden we ook rekening met de integrale aanpak per gebied. In hoofdstuk 2 beschreven we onze ambitie. Daar horen keuzes bij. In dit hoofdstuk laten we zien wat die keuzes zijn en hoe we die willen uitvoeren.
3.1 De leefomgeving is gezond en veilig
Ambitie/doel
In 2040 is Horst aan de Maas een gezonde en veilige gemeente. Iedereen kan er wonen, werken, ondernemen, sporten, bewegen, spelen en recreëren in een prettige en veilige omgeving. We maken de gemeente groener en leggen extra waterbergingen aan. Zo worden we klimaatbestendiger. We bevorderen brede welvaart en positieve gezondheid, en zorgen voor een veilige leefomgeving. Daarbij kijken we naar wat mensen wél kunnen, ook bij een beperking.
We kiezen voor multifunctionele beweegplekken, een groene dooradering van de verschillende kernen en een veelzijdig aanbod van sport en bewegen. In 2040 zijn er zestien vitale kernen met een sterke sociale basis. Dit betekent onder andere dat we een goede samenwerking hebben met zorgverleners en maatschappelijke organisaties en dat er laagdrempelige voorzieningen zijn. Op deze manier zijn hulp en zorg beschikbaar in de hele gemeente. Ook is het belangrijk dat iedereen kan meedoen en dat er in elk dorp ruimte is om elkaar te ontmoeten. We zijn ervan overtuigd dat een veelzijdig aanbod nieuwe sociale verbanden oplevert (die bestaande netwerken aanvullen, verbinden en in stand houden), langer leven van ouderen in een goede gezondheid bevordert, en verveling, eenzaamheid en overlast tegengaat.
Deze voorzieningen zorgen er ook voor dat jongeren in de kernen blijven wonen, wat uiteindelijk de leefbaarheid verder vergroot. Een uitnodigende en toegankelijke openbare ruimte draagt bij aan de sociale veiligheid en daarmee ook aan een veilige leefomgeving.
Wat willen we bereiken?
-
Meer ruimte voor groen, mogelijkheden om te bewegen en ruimte voor ontmoeting in de dorpen.
-
Fietsen en wandelen in de dorpen en tussen de dorpen en natuurgebieden stimuleren.
-
Gezondere en veiligere leefomgeving:
- Schone bedrijfsvoering bij bedrijven.
- Veilige schoolroutes.
- We passen de kernwaarden van veiligheid toe.

3.1.1 Kernrandzones waar de gezonde leefomgeving verbetert
Zoals we in hoofdstuk 2 hebben gezegd, zijn brede welvaart en positieve gezondheid onze leidende principes. Daarom nemen we deze altijd mee bij keuzes over onze fysieke leefomgeving. In een aantal gebieden vinden we een gezonde en groene leefomgeving extra belangrijk. Deze gebieden zijn gemarkeerd op de kaart. Rondom de dorpen komen kernrandzones en rond de kwetsbare natuurgebieden als natuurbuffers (Zie 3.1.5 en 3.7 voor meer uitleg).
We beperken mogelijke negatieve gezondheidseffecten op het gebied van milieu. In de kernrandzones, dus in een straal van 250 meter rond de dorpen, staan we geen nieuwe plannen toe die schadelijk zijn voor de gezondheid. Dit betekent dat we hier geen nieuwe intensieve veehouderijen (zoals varkens-, pluimvee- of rundveebedrijven) toestaan. Inbreiding van intensieve veehouderijen mag binnen bestaande rechten en als de gezonde leefomgeving verbetert. Voor geitenhouderijen houden we 2 kilometer afstand aan, zoals geadviseerd door de GGD in 2021.
We maken de leefomgeving gezonder. In de kernrandzones zorgen we net als in de dorpen
voor meer groen, ruimte om te bewegen en plekken waar mensen elkaar kunnen ontmoeten.
Deze kernrandzones kunnen bijvoorbeeld de volgende functies hebben:
-
Ecologisch: Ze zijn goed voor planten en dieren en verbinden verschillende ecosystemen.
-
Sociaal-economisch: Ze bieden ruimte voor recreatie, landbouw en andere menselijke activiteiten zonder de kerngebieden te overbelasten.
-
Duurzaam: Ze worden zo ingericht dat mens en natuur er ook in de toekomst goed kunnen leven.
3.1.2 Nieuwe woongebieden op gezonde en veilige plekken
Als we nieuwe woongebieden bouwen, doen we dat op plekken die gezond en veilig zijn. Dat betekent weinig of geen milieubelasting in de buurt. We zorgen dat wonen gescheiden blijft van activiteiten die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid. Denk aan grote bedrijven met veel uitstoot, drukke wegen en intensieve veehouderijen. Ook houden we afstand van veiligheidsrisico’s zoals het buisleidingentracé en hoogspanningsleidingen. We bouwen liever niet in waterrijke gebieden. Als dat toch nodig is, dan weren we dat verder uit in de omgevingsprogramma’s.
3.1.3 Meer ruimte voor groen, bewegen en ontmoeten in de dorpen
In onze dorpen maken we ruimte voor gezondheid. Dat doen we door te zorgen voor meer en beter groen, voor plekken om te bewegen en om elkaar te ontmoeten. Het onderdeel ‘ruimte voor ontmoeting’ komt ook terug in hoofdstuk 3.2 ‘Woningen en voorzieningen naar behoefte’ waar we het verder toelichten.
Meer en kwalitatief beter groen
We zorgen voor meer en biodivers groen in onze dorpen. Dat draagt bij aan klimaatadaptatie én aan positieve gezondheid. Dit doen we in de openbare ruimte, maar we moedigen inwoners ook aan om hun eigen tuin te vergroenen. Groen in de bestaande buurten gebruiken we slim. Het is niet alleen mooi, maar ook functioneel: je kunt er spelen, bewegen of mensen ontmoeten. Ook helpt het bij het opvangen van regenwater en het verbeteren van biodiversiteit. Ecologisch maaibeheer (gras en planten anders maaien) draagt daar ook aan bij.
In de grotere dorpen zorgen we voor een groenblauwe dooradering, waarbij we het in de wijken verbinden met het groen in het buitengebied. We maken richtlijnen zodat er in de dorpen voldoende verkoeling en groen is. In de kleinere dorpen is het buitengebied altijd dichtbij. Ook daar zorgen we ervoor dat nieuwe woningbouwprojecten ruimte bieden voor openbaar groen en waterberging. Veel gemeentes gebruiken als regel dat minimaal 10% van het projectgebied groen moet. We onderzoeken welke verschillende landelijke groen-richtlijnen het best aansluiten bij de bestaande en nieuwe gebieden in onze gemeente. Per situatie bekijken we wat minimaal nodig is, maar waar het kan, gaan we altijd voor een maximale groeninvulling. Horst aan de Maas wil hierin vooroplopen. In het omgevingsprogramma groen-blauw-klimaat werken we de ambitie verder uit.
Ruimte om te bewegen
Als we het openbaar groen inrichten, zorgen we dat mensen er makkelijk kunnen bewegen. Want beweging is goed voor de positieve gezondheid. We maken het groen daarom aantrekkelijk voor allerlei vormen van bewegen: spelen, sporten, leren, wandelen en fietsen. Beweging kan sportief zijn, maar ook functioneel. Denk aan lopen of fietsen naar de winkel, school of het werk.
3.1.4 Stimuleren fietsen en wandelen in de dorpen en tussen de dorpen en natuurgebieden
Auto’s blijven welkom in wijken en dorpen, maar we geven meer ruimte aan fietsers en wandelaars. Zo stimuleren we actieve en duurzame mobiliteit. We gebruiken daarbij het STOMP-principe. Dat betekent dat wandelen (stappen) het belangrijkste is, daarna fietsen (trappen), daarna openbaar vervoer, dan deelvervoer, en als laatste de eigen auto. Bij nieuwe ruimtelijke projecten krijgen voetgangers en fietsers de belangrijkste plek. Ook als we wegen in dorpen opnieuw inrichten, doen we dat met het oog op een veilige en fijne omgeving voor fietsers en voetgangers.
3.1.5 Zwaar verkeer uit de dorpen
Zwaar verkeer, zoals vracht- en agrarisch vervoer, leiden we waar dat kan om de kernen heen. Hoe dit gebeurt en welke maatregelen worden toegepast, wordt nader onderzocht.
3.1.6 Kernrandzone rond dorpen
We willen dat onze inwoners gezond kunnen leven. Daarom maken we rond de dorpen meer ruimte voor groen, ontmoeten, sport en bewegen. De gebieden rond de dorpen worden al veel gebruikt voor wandelingen en andere activiteiten. Er waren al verschillende functies aanwezig. En door het afnemen van het aantal bedrijven zijn er in het verleden verschillende nieuwe functies in de dorpsranden bijgekomen. In de toekomst zien we hier nog meer mogelijkheden. Denk aan recreatie, zorg, kleinschalige bedrijven en extra woningen. Deze functies passen goed bij het buitengebied en verhogen de kwaliteit van wonen. In de kernrandzones komen de kernen en het land in de toekomst nog meer bij elkaar.
We willen ook dat in deze zone de luchtkwaliteit beter wordt. Dat betekent niet dat functies zich niet verder kunnen ontwikkelen. Wel vragen we bedrijven die bijvoorbeeld geur of fijnstof uitstoten om deze uitstoot te verlagen als ze willen uitbreiden. Zo zorgen we samen voor een steeds gezondere lucht. De kernrandzones vormen een gebied van ongeveer 250 meter rond de kernen. Het gaat om gebieden waar een mix aan functies bestaat of waar we dat graag zouden willen. Het is daarbij belangrijk dat bestaande functies niet belemmerd worden door nieuwe activiteiten zoals wonen, zorg of recreatie.
3.1.7 Gezondere en veiligere leefomgeving
Bij nieuwe ontwikkelingen en herstructureringen kijken we steeds hoe we de leefomgeving gezonder en veiliger kunnen maken. Hierbij richten we ons op luchtkwaliteit, geluidsoverlast, trillingen, bodem- en waterkwaliteit en op sociale en fysieke veiligheid. In de kernrandzones handhaven we milieucategorie 1 en 2 (zie definitielijst). Daarnaast beoordelen we nieuwe initiatieven van bedrijven individueel.
Schone Lucht Akkoord
We zijn als gemeente aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord. Dit betekent dat we actief werken aan het verbeteren van de luchtkwaliteit en het bereiken van gezondheidswinst. Volgens de GGD zijn de belangrijkste veroorzakers van luchtverontreiniging de agrarische sector, verkeer en houtstook. In het project ‘Grenzeloos meten’ en het vervolg hierop, wordt daar onderzoek naar gedaan.
Om de luchtkwaliteit en de volksgezondheid in Horst aan de Maas te verbeteren, moeten we de uitstoot uit deze bronnen verminderen.
Veilige schoolroutes
Kinderen moeten veilig naar school kunnen fietsen. Daarom zorgen we ervoor dat in 2040 de belangrijke schoolroutes bestaan uit vrij liggende en/of afgeschermde fietspaden en rustige wegen zonder landbouwverkeer en vrachtverkeer naar bedrijven. We hebben deze plannen uitgewerkt in het Uitvoeringsprogramma van het Mobiliteitsprogramma 2025-2035.
Mobiliteit en bereikbaarheid van het gebied de Peelbergen op orde
De Peelbergen is een gebied met grote recreatieve trekkers als Attractiepark Toverland, Grandorse (grote paardenevenementen) en de grote verblijfrecreatieparken van Center Parcs (Meerdal en Limburgse Peel) en Landal (Schatberg). Het gebied is bereikbaar via de Middenpeelweg.
We zetten in op actieve mobiliteit en openbaar vervoer voor de bezoekers. Zo zorgen we ervoor dat het NS-station Horst-Sevenum geschikt is voor openbaar vervoer naar De Peelbergen. We verbeteren en vergroten het aanbod aantrekkelijke fiets- en wandelroutes. En we ondersteunen de bezoekersaanpak van Trendsportal zodat meer van onze bezoekers met de bus of fiets naar De Peelbergen komen. Voor de bereikbaarheid van Toverland en de omgeving zijn waarschijnlijk ook aanpassingen aan de infrastructuur nodig.
Wij zetten als gemeente Horst aan de Maas in op actieve mobiliteit en openbaar vervoer voor de bezoekers.
Wat doen we om dit te bereiken?
-
We leggen extra wandel-, sport- en speelroutes aan in de zones rond de dorpen.
-
Nieuwe bedrijven met een hoge milieubelasting laten we niet toe. Bedrijven die willen groeien, proberen we te laten verhuizen naar een bedrijventerrein.
-
We bieden mogelijkheden voor hergebruik op vrijkomende (agrarische) bedrijfsbebouwing voor nieuwe functies (bijvoorbeeld wonen, werken, zorg en recreatie), en werken dit uit in VAB-beleid.
-
Voor veehouderijen die de gezondheid van omwonenden beïnvloeden, zoeken we naar alternatieven. We stimuleren innovatieve oplossingen die de gezonde leefomgeving verbeteren.
-
We onderzoeken waar belangrijke verbindingen of veilige oversteekplaatsen ontbreken. Die verbeteren we, zodat mensen meer gaan wandelen en fietsen.
-
We verbeteren de luchtkwaliteit door in te zetten op verduurzaming van de agrarische sector (met name de veehouderijen), verkeer en bedrijventerreinen en het verminderen van fijnstofuitstoot door houtstook.
-
Bij nieuwe plannen gebruiken we de ‘Kernwaarden voor veiligheid’. Zo zorgen we dat veiligheid altijd goed wordt meegewogen in de besluitvorming.
Integrale veiligheidsplan
In het integraal veiligheidsplan staat hoe we zorgen voor een veilige een woon- en
leefomgeving in Horst aan de Maas. We werken aan vier pijlers:
1. Algemene veiligheid
2. Ondermijning
3. Kwetsbare groepen
4. Rampenbestrijding en crisisbeheersing
Voor deze pijlers hebben we strategische en operationele doelen opgesteld. Ook hebben
we beschreven welke inspanningen we op hoofdlijnen leveren om (on)veiligheid te analyseren
en te monitoren, risico’s te signaleren en onveiligheid aan te pakken. In deze visie
komt veiligheid op verschillende vlakken terug.
Veiligheid bestaat uit fysieke onveiligheid (bedreigingen door ongevallen) en sociale
onveiligheid (dreiging door criminele handelingen). We meten veiligheid aan de hand
van objectieve veiligheid (frequentie van incidenten) en subjectieve veiligheid (hoe
bedreigd mensen zich voelen).
De Omgevingswet wil een gezonde én veilige fysieke leefomgeving. Daarbij voorkomen
en beperken we risico’s en houden we rekening met de zelf- en samenredzaamheid van
de burgers. Als zich toch een incident voordoet, is het belangrijk dat de hulpdiensten
hun werk kunnen doen en dat de burgers bekend zijn met de risico’s en weten wat ze
moeten doen. Om een veilige leefomgeving te creëren gebruiken we vier kernwaarden
voor veiligheid:
-
a.
Veiligheid is onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving;
-
b.
We werken samen aan een veilige fysieke leefomgeving;
-
c.
We gebruiken de volgende ontwerp-principes voor veiligheid:
-
1.
Voorkomen of beperken van risico’s vergroot de veiligheid;
-
2.
Afstand tot de risico’s vergroot de veiligheid;
-
3.
Bouwwerken en omgeving bieden bescherming;
-
4.
Bouwwerken en gebieden zijn snel en veilig te verlaten;
-
5.
De omgeving maakt snel en effectief ingrijpen van de hulpdiensten mogelijk;
-
6.
Mensen krijgen bij een crisis passende medische zorg.
-
1.
-
d.
Mensen zijn bekend met risico’s en weten wat ze kunnen doen.
Meer informatie over de risico’s in onze regio staat in het risicoprofiel van Veiligheidsregio Limburg-Noord: www.vrln.nl/risicoprofiel
3.2 Woningen en voorzieningen naar behoefte
Intro
We zijn bouwkoploper van de provincie Limburg en we doen ons best doen om die positie vast te houden. Daarvoor moeten we wel keuzes maken. Want het is niet alleen uitdagend om voldoende woningbouwlocaties te vinden, we moeten ook nog de juiste woningen bouwen. Daarbij letten we op sociale cohesie, klimaatadaptatie en de energietransitie, en mensen en gemeenschappen elkaar hierin helpen. Bij alle bouwactiviteiten zijn de woonwensen en behoeften van onze inwoners belangrijk. De grootste uitdaging is betaalbaarheid. Maar we houden ook rekening met ruimtedruk en de ruimtelijke kwaliteit in de keuzes die we maken. Het karakter van ons landschap en onze dorpen verliezen we daarbij niet uit het oog.
Ambitie/doel
In 2040 hebben we voldoende woningen gebouwd en bestaande woningen aangepast. Hierdoor sluit het aanbod aan op de demografische veranderingen, veranderingen in de samenstelling van huishoudens en de woningbehoefte in de dorpen. We zorgen dat inwoners in hun eigen omgeving kunnen blijven wonen in elke fase van hun leven. Zo behouden we de sociale cohesie. Ook huisvesten we nieuwe inwoners die naar onze gemeente komen vanwege werkgelegenheid in de regio en het prettige woonklimaat.
Door extra woningbouw op goed bereikbare plekken hebben we de druk op de woningmarkt én op het wegennet beperkt. Het woningaanbod is duurzaam, van hoge kwaliteit en er is wat te kiezen.
Mede door de groei naar behoefte zijn in 2040 de basisvoorzieningen in de dorpen blijven bestaan.
Maatschappelijke voorzieningen, sport en cultuur zijn belangrijk voor de dorpen en hun identiteit. We zorgen dat deze voorzieningen beschikbaar zijn voor jong en oud, waar nodig worden gebundeld, zodat ze goed bereikbaar blijven, en van hoge kwaliteit zijn. Daarnaast heeft elk dorp minstens één fijne plek om elkaar te ontmoeten, dankzij investeringen in de openbare ruimte. Zo blijven onze dorpen leefbaar, sociaal en aantrekkelijk voor iedereen.
Wat willen we bereiken?
-
We vangen primair de eigen woonbehoefte op en houden rekening met de regionale woningdruk.
-
Evenwichtige verdeling van woningen over de kernen, met een plus in centrumkernen.
-
We bouwen de juiste woning op de juiste plek:
- ruimte voor gestapelde bouw en groene nieuwe woonwijken
- minder fraaie plekken en ongewenste functies transformeren.

3.2.1 We vangen de eigen woonbehoefte en regionale woningdruk op
De druk op de Nederlandse woningmarkt is groot, ook in onze gemeente. In elke dorpskern is er behoefte aan nieuwe woningen. Tegelijkertijd ervaren we dat onze gemeente vanwege de prachtige omgeving en gunstige ligging aantrekkelijk is voor mensen uit de regio. Het aantal inwoners groeit als gevolg van binnenlandse (Woningzoekende uit Venlo, Eindhoven, Arnhem-Nijmegen) en buitenlandse (denk aan arbeidsmigratie) migratie. Bij het bepalen van de woningbouwopgave houden we hier rekening mee, we willen zorgen dat er genoeg woningen gebouwd worden zodat onze eigen inwoners een plek hebben om te wonen.
Stedelijke druk vanuit regio’s Venlo, Eindhoven en Arnhem-Nijmegen
De Metropoolregio Eindhoven (MRE) en Stadsregio Arnhem-Nijmegen groeien snel. Tot
2040 worden naar verwachting zo’n 73.000 nieuwe woningen gebouwd. Ook de gemeente
Venlo wil flink uitbreiden. Deze groei heeft directe gevolgen voor de bevolking en
leefbaarheid in de regio en daarbuiten. Zo ziet de gemeente Deurne de impact nu al
en houdt rekening met extra woningbouw. Als gemeente Horst aan de Maas is het belangrijk
om deze ontwikkelingen goed te volgen en op tijd in actie te komen. Daarbij werken
we samen met andere peelgemeenten. We zetten ons in om plattelandsgemeenten vitaal
en leefbaar te houden, zodat het er goed wonen en verblijven is.
3.2.2 Evenwichtige verdeling van woningen over de kernen, met extra groei in centrumkernen
We willen dat zo veel mogelijk inwoners in hun eigenkern kunnen (blijven) wonen. Daarom spreiden we de woningopgave eerlijk over al onze kernen. Dit zorgt ervoor dat starters in hun eigen dorp een eerste woning kunnen kopen en dat ouderen er kunnen blijven wonen. Met deze verdeling groeien we op een manier die past bij de grootte en het karakter van elk dorp. Zo versterken we ook de sociale cohesie, houden we voorzieningen in stand en ondersteunen we het verenigingsleven. Voor het deel van de woningbouw dat we extra realiseren (om te voldoen aan de regionale vraag), bouwen we vooral in een aantal centrale kernen. Ook kiezen we ervoor om wonen met zorg te combineren in grotere kernen, waar die voorzieningen beter beschikbaar zijn. We zetten vooral in op extra groei in de volgende kernen:
-
Horst en omgeving
Horst is de grootste kern waar we de regionale woningdruk willen opvangen. Dit is onze meest centraal gelegen kern, die goed bereikbaar is via de snelweg en het spoor. Bovendien heeft Horst het meest uitgebreide voorzieningenniveau. Met extra woningbouw kunnen we de centrumfunctie van Horst verder uitbouwen. Uiteindelijk willen betere bereikbaarheid en dat kunnen we het beste doen door de grootste groei te concentreren. Omdat we kiezen voor een gezonde leefomgeving zien we de grootste kansen voor woningbouw rondom Horst, Meterik en Hegelsom. -
Sevenum
Sevenum is eveneens een centrumdorp, maar wordt omringd door waardevolle landschappen en beekdalen. Er zijn hier minder mogelijkheden voor uitbreiding, maar de mogelijkheden die er zijn, willen we benutten.
3.2.3 Een gevarieerd woningaanbod
In de toekomst willen we een gevarieerd aanbod van woningen. Dat betekent woningen voor verschillende financiële mogelijkheden, huishoudengroottes en woonwensen. Zo zorgen we ervoor dat iedereen in Horst aan de Maas een passende woning kan vinden – in elke levensfase.
We bouwen:
-
Voor ouderen die willen doorstromen naar een kleinere of gelijkvloerse woning.
-
Voor jongeren die zelfstandig willen wonen.
-
En voor mensen met een zorgbehoefte.
We willen dat inwoners in hun eigen dorp of buurt kunnen blijven wonen, ook als hun situatie verandert. Zo blijven families en buren in de buurt van elkaar en blijft de sociale cohesie sterk.
We streven naar:
-
30% sociale huurwoningen in nieuwbouw.
-
37% betaalbare koop- of middenhuurwoningen.
-
De rest als vrije sector.
We monitoren actief of het woningaanbod blijft aansluiten bij de behoeften van onze inwoners.
Variatie gaat niet alleen over welke woningen we bouwen, maar ook waar en hoe we ze bouwen. Daarom kiezen we minder vaak voor grondgebonden koopwoningen en juist meer voor nultredenwoningen (levensloopbestendig) en betaalbare, kleinere woningen – bijvoorbeeld appartementen of woningen voor ouderen in een cluster. Dit doen we door in bouwplannen te zorgen dat verschillende doelgroepen door elkaar kunnen wonen: jong en oud, met en zonder zorgvraag. Zo bouwen we aan buurten met veel sociale cohesie, waar mensen samenredzaam zijn. Ook in bestaande buurten liggen er kansen om de bestaande woningvoorraad meer divers te maken. Bijvoorbeeld door woningsplitsing, woningdelen, kangoeroe- en (pre-) mantelzorgwoningen en kavelsplitsing.
Huisvesting arbeidsmigranten
Arbeidsmigranten zijn van belang voor onze lokale economie. Ze vervullen cruciale
rollen in sectoren zoals de agrarische sector, horeca, mkb, recreatie, zorg, de maakindustrie,
in het uitoefenen van ambachten en steeds vaker ook in de zorg. Arbeidsmigranten worden
nu gehuisvest in woningen in de dorpen, bij agrariërs op het erf en in grootschalige
huisvesting bij industrieterreinen.
Ons vastgesteld arbeidsmigrantenbeleid (2019) en de nadere uitwerking daarvan in het Parapluplan internationale medewerkers Horst aan de Maas (2021) vormen hiervoor de basis.
Het beleid wordt momenteel herzien. In de nieuwe beleidslijn maken we duidelijke keuzes. over de verschillende vormen van huisvesting. Door de krapte op de arbeidsmarkt en de demografische ontwikkelingen verwachten we dat de behoefte aan arbeidsmigranten verder zal toenemen. Bij de nieuwvestiging of uitbreiding van bedrijven gaan we met ondernemers in gesprek over hun impact op de arbeidsmarkt en de bijbehorende huisvestingsvraag. We beoordelen zorgvuldig wat de effecten zijn op de omgeving. Arbeidsmigranten die zich duurzaam willen vestigen, beschouwen we als reguliere inwoners. Zij wonen binnen onze dorpen en maken deel uit van onze gemeenschap. Tegelijkertijd erkennen we dat deze groep vaak extra ondersteuning nodig heeft. Integratie, taal, en toegang tot voorzieningen vragen hierbij gerichte aandacht.
3.2.4 Juiste woning op de juiste plek
We willen voor nieuwe woningen de beste plekken vinden. Daarbij geven we de voorkeur aan verdichting binnen de bestaande dorpsstructuren. Zo houden we onze dorpen compact en kunnen we op lange termijn voor alle doelgroepen een passend woningaanbod realiseren. We zijn zuinig op de ruimte voor uitbreiding in het buitengebied, omdat dit een belangrijke rol vervult voor de agrarische sector en als uitloopgebied en voor natuur en landschap. Buiten de kernrandzones staan we geen nieuwe (solitaire) woningen meer toe. Alleen in specifieke gevallen (bij het oplossen van grote ruimtelijke knelpunten) maken we uitzonderingen, zoals:
-
Bestaande woningen splitsen.
-
Tijdelijke (pre-) mantelzorgwoningen/familiewoningen.
-
Wijziging van bedrijfswoningen naar burgerwoningen onder voorwaarden.
Daarnaast wijzen we zoekgebieden voor nieuwe uitbreidingslocaties aan. Voor bepaalde doelgroepen zoeken we nadrukkelijk locaties in de nabijheid van voorzieningen en centra. Doelgroepen zoals ouderen, jongeren en mensen met een zorgbehoefte zijn gebaat bij een woning dicht bij de dagelijkse voorzieningen. Daarom maken we extra ruimte voor gestapelde bouw op geschikte plekken.
Ruimte voor gestapelde bouw
We bouwen in eerste instantie vooral binnen de bestaande kernen, op al bebouwde of verharde locaties. Dit biedt tegelijk kansen om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren door herontwikkeling van verouderde bebouwing. Omdat we willen bijdragen aan een klimaatbestendige leefomgeving, behouden we de open en groene plekken die er nog zijn in de dorpen. Om deze herstructurering mogelijk te maken, is bouwen met een hogere dichtheid vaak noodzakelijk. Gestapelde bouw sluit goed aan op de wensen van diverse doelgroepen. Wel vinden we het belangrijk dat deze bouwvorm past bij het dorpse karakter van onze kernen. In kleinere dorpen bouwen we daarom lager dan in de centrumkernen. We kiezen bewust voor dorpse ‘hoogbouw’, waarbij de hoogte en vormgeving worden afgestemd op de locatie.
Hoe pakken we dit aan?
In deze omgevingsvisie geven we algemene richtlijnen rondom gestapeld bouwen mee.
Zo zorgen we dat nieuwe gebouwen passen in de omgeving en bijdragen aan een leefbare,
toekomstbestendige gemeente.
• We beschermen bestaande hoogteaccenten, zoals kerken of molens.
• We beschermen historische structuren, zoals historische centra met cultuurhistorisch
waardevolle bebouwing, oude pleinen, brinken en dijken, en kernen met een beschermd
dorps- of stadsgezicht.
• We houden de hoofdstructuren van dorpen leefbaar, zoals lintbebouwingen, hoofdontsluitingswegen
en hoofdentrees. Deze structuren begeleiden inwoners de dorpen in en uit, en mogen
versterkt worden met passende accenten.
• Verdichting in en rondom centra kan, maar moet passen bij het historische karakter
van de centra en de kwaliteit van de leefomgeving.
• Bij de herontwikkeling van bedrijfslocaties of bedrijventerreinen tegen een centrum/woonbuurt
zien we mogelijkheden.
• Locaties met veel eigen ruimte, zoals plekken langs ontsluitingswegen of aan dorpsranden,
bieden mogelijkheden voor gestapelde bouw. Met voldoende groen zorgen we voor een
prettige overgang naar de omgeving én benutten we kansen op het gebied van klimaatadaptatie
en gezondheid.
Deze algemene voorwaarden gelden altijd:
• Sluit aan op de omgeving met een logische overgang in bouwhoogte en stedenbouwkundige
opzet.
• Zorg dat gebouwen passen bij de omgeving, bijvoorbeeld door gebruik van passende
vormen en materialen.
• Gebruik groen om gestapelde gebouwen een eigen plek te geven.
Ruimte voor nieuwe groene woongebieden
We kunnen niet alle woningen binnen de bestaande dorpen bouwen. Daarom is het op termijn nodig om ook aan de randen van onze dorpen nieuwe buurten te maken. Deze nieuwe woonwijken moeten bijdragen aan aantrekkelijke, groene en goed toegankelijke dorpsranden. Omdat veel van onze dorpen nu nog vrij stenig zijn, kiezen we bij uitbreiding bewust voor ruimte met veel groen, water en speelplekken. Er spelen veel belangen in ons buitengebied. Aan onze toekomstige woongebieden stellen we hoge eisen.
Hoe pakken we dit aan?
Bij het kiezen van nieuwe zoekgebieden voor woningbouw houden we rekening met het volgende:
-
We kiezen ervoor om gezondheidsrisico’s zo klein mogelijk te maken. We bouwen zo min mogelijk langs drukke wegen. Ook houden we afstand van bedrijven die overlast geven door uitstoot, fijnstof of geluid. Als bouwen in de buurt van zo’n plek toch nodig is, zoeken we naar oplossingen om gezondheidsrisico’s actief te verkleinen.
-
We houden rekening met het water- en bodemsysteem. We bouwen niet op plekken met een lage ligging of waar water nodig is om te bergen of vast te houden.
-
Denk aan beekdalen, uiterwaarden of de Peelbuffer.
-
We houden rekening met cultuurhistorisch waardevolle landschappen. Oude kampen en velden rond onze dorpen zijn vaak van grote waarde. Die laten we zoveel mogelijk intact. Alleen in gebieden waar deze waarden al zijn aangetast, kan woningbouw helpen om de kwaliteit te verbeteren. Bij alle (rode) lijnen op de kaart (niet uitbreiden dorpsranden) geldt een ‘nee, tenzij’-principe, dat we nog verder uitwerken in een programma ruimtelijke kwaliteit of onderdeel daarvan.
-
We houden rekening met gebieden die van oudsher een hoge natuurlijke geschiktheid hebben voor de landbouw. Dit zijn oude bouwlanden, de kampen en de velden rond de dorpen (dit overlapt dus voor een groot deel met de cultuurhistorisch waardevolle gebieden), maar ook grote delen van de akkers op de rivierterrassen. Dit zijn zavelige gronden, die ook bij de topgronden horen voor allerlei vormen van tuinbouw, akkerbouw, boom- en sierteelt die bij onze gemeente horen.
3.2.5 Inzetten op ontmoetingsplekken in de dorpen en wijken
Iedereen doet mee
We willen dat onze woonwijken op de lange termijn geschikt zijn voor iedereen. Ook mensen met een zorgvraag moeten goed kunnen meedoen in hun eigen buurt. Ouderen moeten zo lang mogelijk zelfstandig kunnen blijven wonen. En als het nodig is, moeten zij kunnen terugvallen op mensen om hen heen. Daarom investeren we in sterke gemeenschappen en goede, toegankelijke voorzieningen. Ook zorgen we voor fijne ontmoetingsplekken en goede, inclusieve mobiliteit.
Elk dorp heeft plekken om elkaar te ontmoeten
Veel mensen wonen graag in een dorp. Je kent elkaar en mensen helpen elkaar. Ontmoeting is belangrijk om die verbondenheid te blijven voelen. Dat kan via spontane ontmoetingen of vaste momenten waarop mensen samenkomen. We willen aansluiten bij wat nodig is in een dorp om onder andere de vitaliteit en kwaliteit te behouden. Dat kan per dorp verschillen. Daarnaast gaan we ook gebiedsgericht werken, waarbij we meer gaan kijken naar het gebied en dan inzoomen op wat voor voorzieningen aansluiten en passen in combinatie met onder meer het woningbouwprogramma en de sociale cohesie.
3.2.6 Voorzieningen dichtbij en bereikbaar
Levendige dorpscentra en voorzieningen dragen bij aan ontmoeting en sociale cohesie. Om ook in 2040 nog levendige centra en een goed voorzieningenaanbod te hebben in Horst aan de Maas, maken we de volgende keuzes:
-
Horst en Sevenum zijn onze centrumdorpen. Inwoners kunnen hier terecht voor niet-dagelijkse winkels en voor kunst, cultuur, horeca en andere bezoekfuncties.
-
Grubbenvorst is een (centrum)kern, een plek waar omliggende dorpen naartoe trekken voor voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op peil blijven. Daarom blijven we creatief zoeken naar mogelijkheden voor toevoegen van woningbouw en zijn alert op kansen die ontstaan.
-
We kiezen ervoor om voorzieningen in dorpscentra zoveel mogelijk te clusteren.
-
Onderwijs, sport en cultuur organiseren we in samenwerking tussen dorpen, in zogenaamde dorpsclusters.

Levendige dorpscentra door gebiedsgericht clusteren
Horst en Sevenum liggen centraal in onze gemeente, zijn goed bereikbaar en hebben een sterke winkelstructuur. Door voorzieningen te bundelen in deze dorpen houden we de centra aantrekkelijk en levendig. Hier combineren we winkels met andere functies, zoals horeca of culturele voorzieningen.
Voor behoud clusteren van voorzieningen in dorpscentra
In dorpen houden we voorzieningen zoveel mogelijk bij elkaar. Denk aan winkels, horeca, publieke diensten of een dorpshuis. Als we functies combineren, blijven voorzieningen langer bestaan én ontstaan er meer ontmoetingen tussen inwoners. We zien ook kansen voor centrale plekken waar meerdere diensten samenkomen, zoals pakketpunten, deelvervoer, mantelzorgdiensten, dorpsondersteuner of een boodschappendienst. Belangrijk is dat deze plekken goed fysiek bereikbaar zijn voor iedereen.
Onderwijs, sport en cultuur in dorpsclusters
Sport en maatschappelijke voorzieningen zijn belangrijk voor het dorpsleven. Toch lukt het niet altijd om alle voorzieningen in elk dorp te houden, denk bijvoorbeeld aan een agrarische kinderopvang. samenwerking tussen dorpen kan dan een betere oplossing zijn. Een gezamenlijke school, kinderopvang of sportveld zorgt voor kwaliteit én nabijheid. We zorgen dat dit soort voorzieningen in of dicht bij de kernen komen. Vaak werken dorpen al samen op andere gebieden, dus 44 zo’n clustering is logisch.
3.3 De economie is duurzaam en waardevol voor de samenleving
Ambitie/doel
In 2040 zijn we nog steeds een gemeente waar ondernemers graag werken en groeien. We zijn dan verder gespecialiseerd en hebben samen met ondernemers gewerkt aan bedrijventerreinen die circulair, groen en duurzaam zijn. Op deze terreinen is er voldoende doorstroming. Zo blijft er ruimte voor startende bedrijven en voor ondernemers die willen uitbreiden. Ondernemers kunnen in onze gemeente van goede kwaliteit blijven of zelfs doorgroeien tot belangrijke spelers in de regio, in Nederland of internationaal. We leggen in de toekomst meer focus op onze economie. Door ons te richten op kwaliteit en specialisatie, kunnen we zorgen voor meer innovatieve en waardevolle banen. Dit helpt ook bij het opzetten van circulaire bedrijventerreinen. Onze werkgelegenheid sluit zoveel mogelijk aan bij het lokale arbeidsaanbod en opleidingsniveau en opleidingen sluiten aan op de aanwezige arbeidsvraag.
Wat willen we bereiken?
-
Werkgelegenheid past beter bij het arbeidsaanbod van de gemeente en de regio.
-
Ruimte voor de innovatieve en duurzame ontwikkeling van bedrijven.
-
Ontwikkelen van leer-werk-cluster bij station Horst-Sevenum.
-
Klimaatbestendige, circulaire en veilige bedrijventerreinen.

3.3.1 Meer focus in economische sectoren
Ondernemerschap hoort bij Horst aan de Maas. We blijven dus ruimte bieden aan (lokale) ondernemers. Maar we kunnen niet elk type bedrijf een plek geven. Daarom kiezen we in de toekomst bewuster welke bedrijven we wel en niet willen aantrekken. Ook willen we dat de banen beter aansluiten op de mensen die hier wonen en werken. Zo houden we wonen en werken meer in balans.
Op onze bedrijventerreinen richten we ons vooral op het lokale mkb en op bedrijven in de agrofooden agribusinessketen.
-
Lokale mkb-bedrijven zijn belangrijk, omdat ze vaak inspelen op de behoeften van mensen en andere bedrijven in de buurt. Ze zijn meestal ook sterker betrokken bij het dorp of de gemeenschap.
-
Agrofood- en agribedrijven passen goed bij onze gemeente. Deze bedrijven versterken elkaar en zorgen voor innovatie, duurzaamheid en hoogwaardige banen. We werken samen met deze bedrijven aan een meer circulaire manier van ondernemen en versterken daardoor de keten. De agrarische sector, agrofood en agrotech, vrijetijdseconomie en de zorg blijven belangrijke sectoren voor onze economie. We geven deze sectoren ruimte in de dorpen én in het buitengebied.De agrarische sector, agrofood en agrotech, vrijetijdseconomie en de zorg blijven belangrijke sectoren voor onze economie. We geven deze sectoren ruimte in de dorpen én in het buitengebied.
3.3.2 Werkgelegenheid meer passend bij het arbeidsaanbod van de gemeente en de regio
Als we nadenken over de banen van de toekomst, kijken we ook naar de mensen die hier wonen. Tot nu toe kwamen veel werknemers van buiten de gemeente, waaronder arbeidsmigranten. Zij blijven belangrijk voor onze economie. Tegelijk willen we voorkomen dat dit zorgt voor te veel druk op de woningmarkt en voorzieningen.
Daarom kiezen we ervoor om op onze bedrijventerreinen in de toekomst meer ruimte te geven aan bedrijven die goed passen bij de lokale of regionale arbeidsmarkt. Vooral bedrijven die veel arbeidsmigranten nodig hebben, zoals sommige logistieke dienstverleners, willen we beperken.
We gaan hier actief op sturen. Dat doen we door te kijken naar de sector én de grootte van het bedrijf.
3.3.3 Ruimte voor ontwikkeling van bedrijven
Om onze lokale economie sterk te houden en bedrijventerreinen duurzamer te maken, is groei nodig. Maar we willen wel dat die groei op de juiste plekken gebeurt. Zo zorgen we ervoor dat wonen en werken goed samengaan, dat het veilig en gezond blijft voor iedereen, en dat bedrijven in de toekomst beter kunnen samenwerken in circulaire bedrijventerreinen.
Onze bedrijventerreinen moeten geschikt zijn voor verschillende soorten bedrijven, nu én later. Dus ook voor startende ondernemers en bedrijven die willen doorgroeien. Daarom zorgen we voor bedrijventerreinen die flexibel zijn ingericht, met ook ruimte voor kleine kavels. We onderzoeken bij bedrijventerreinen de mogelijkheden om een ‘straatje erbij’ te kunnen realiseren.
Schuifruimte voor bedrijven
We willen bedrijven de ruimte geven om door te groeien. Daarom hebben we als gemeente
‘schuifruimte’ nodig: plekken waar bedrijven naartoe kunnen verhuizen als ze groeien.
Voor kleinere bedrijven die nu in de dorpen of het buitengebied zitten, willen we
plekken op bedrijventerreinen bieden. Voor grotere en snelgroeiende bedrijven in de
techniek, logistiek, agrofood of agritech, willen we grotere kavels beschikbaar maken.
Op dit moment kunnen veel bedrijven op lokale bedrijventerreinen alleen doorgroeien
als de locatie van het buurbedrijf toevallig vrijkomt. Daardoor ontstaan er juist
hele grote kavels op sommige terreinen, wat het moeilijk maakt voor kleinere bedrijven
om daar nog een plek te vinden. In de toekomst willen we verschillende soorten bedrijventerreinen,
elk met een eigen profiel. Zo maken we ruimte voor zowel kleine, lichte bedrijvigheid
als voor grotere en zwaardere bedrijven.
Tegelijk willen we zuinig omgaan met de ruimte die we hebben. Nieuwe uitbreiding van
bedrijventerreinen is op ons grondgebied straks afgerond, met de ontwikkeling van
Greenport (Klaver 7 en 11).
Na deze uitbreiding willen we nieuwe ruimte voor bedrijven op een andere manier vinden, namelijk door:
-
Bedrijventerreinen op te knappen en beter te benutten (revitalisering).
-
In de regio in te zetten op de strategische inzet van Klaver 7.
-
Een werk-, leer- en leefgebied te ontwikkelen rond het OV-knooppunt Horst-Sevenum.
-
Aanvullend aanbod te realiseren in kernranden en de bebouwde kom.
-
Het vitaal en toekomstbestendig houden van solitaire bedrijfslocaties die op de juiste plek liggen
Blijvende aandacht voor revitalisering van bedrijventerreinen
We blijven als gemeente investeren in het opknappen van onze bedrijventerreinen. Zo blijven deze terreinen aantrekkelijk en klaar voor de toekomst. Als een bedrijf stopt, willen we de vrijgekomen locatie zo indelen dat er ruimte is voor startende en groeiende lokale bedrijven. Op die manier houden we ook op langere termijn voldoende kleinere en middelgrote plekken beschikbaar. Lokale bedrijven die willen doorgroeien, krijgen van ons ruimte — vooral als zij bijdragen aan onze maatschappelijke doelen. Denk hierbij aan bedrijven die minder milieubelasting veroorzaken, bijvoorbeeld op plekken waar wonen en werken dicht bij elkaar liggen. We willen in de toekomst beter sturen op de maatschappelijke waarde van bedrijven. Daarbij kijken we bijvoorbeeld naar:
-
Of bedrijven werk bieden aan mensen uit de regio (lokale binding).
-
Of ze betrokken zijn bij het lokale verenigingsleven of andere maatschappelijke initiatieven.
-
Of ze bijdragen aan een duurzamer bedrijventerrein, bijvoorbeeld door circulair te werken of maatregelen te nemen tegen wateroverlast of hittestress.
We stimuleren ook slim en dubbel ruimtegebruik. Denk aan bedrijven die samen energie opwekken of opslaan, of elkaars restwarmte of afvalstromen gebruiken. Dat verbetert de gezamenlijke energiebalans. Bedrijven gaan in de toekomst steeds vaker samenwerken. Daarom kijken we bij nieuwe vestiging ook naar de mate waarin bedrijven hieraan mee willen doen.
Strategische inzet van Klavers 7 en 11 in de regio
Om bedrijven de kans te geven om door te groeien en bedrijventerreinen te vernieuwen, zijn Klaver 7 en 11 voor ons van groot strategisch belang. Deze gebieden bieden de ruimte die nodig is voor bedrijven die willen verhuizen of uitbreiden. Marktonderzoek laat zien dat, zodra het bestemmingsplan rond is, de kavels in Klavers 7 in een periode van elf tot zestien jaar uitgegeven kunnen worden. Hierbij gaat het om een mix van kleine (0 tot 2 ha) en grote (2 tot 5 ha) kavels. Klaver 11 is specifiek bedoeld voor agribusiness bedrijven. We verwachten dat de kavels binnen vijf tot tien jaar zijn uitgegeven. Het is wel belangrijk dat deze invulling van deze fterreinen mede ten goede komt aan de revitalisering van onze bestaande bedrijventerreinen. Als die koppeling ontbreekt, komt de gewenste doorstroming niet goed op gang. Daarom pleiten wij in de regio voor de volgende keuzes:
-
Zorg dat de grootte van de kavels op Klaver 7 beter past bij bedrijven die belangrijk zijn voor de lokale werkgelegenheid en economie.
-
Stimuleer bedrijven met een hoge impact op hun omgeving — bijvoorbeeld qua verkeer, geluid of milieubelasting — om zich juist in de Klavers te vestigen. Zo komt er op andere terreinen ruimte vrij voor lokale bedrijven.
-
Neem voldoende tijd voor de uitgifte van een deel van het terrein. Veel bedrijven hebben tijd nodig voor zo’n stap. Het proces van plannen maken, investeringen doen en daadwerkelijk verhuizen duurt vaak vijf tot tien jaar. Als kavels te snel uitgegeven worden, missen deze bedrijven de kans om mee te doen.
Vrijkomende (agrarische) bedrijfsbebouwing
Een sterke economische basis op het platteland is noodzakelijk voor de leefbaarheid, werkgelegenheid en het behoud van de kwaliteit van het landelijk gebied. Economische kansen vergroten de financiële draagkracht voor het landschap en helpen verloedering of ongewenst gebruik van leegstaande agrarische bebouwing te voorkomen. Jaarlijks stopt ongeveer 4% van de agrarische bedrijven, wat leidt tot een toenemende hoeveelheid vrijkomende bedrijfsbebouwing.
We willen dat de landbouw een blijvende rol speelt in het beheer van het landschap
en de plattelandseconomie. Daar waar mogelijk bieden we agrarische ondernemers ruimte
om hun bedrijfsvoering te verbreden met andere verdienmodellen, zoals de verwerking
en verkoop van eigen producten, (kleinschalige) recreatie, zorg of kinderopvang. Zo
blijft landbouw economisch en maatschappelijk relevant.
We gaan in het op te stellen VAB beleid uitwerken welke mogelijkheden we bieden bij
vrijkomende agrarische erven of bebouwing. Bij hergebruik sturen we op ruimtelijke
kwaliteit en de effecten van de nieuwe functie op de omgeving. We zijn terughoudend
met het toestaan van nieuwe woningen of andere kwetsbare functies, en geven de voorkeur
aan ontwikkelingen die de agrarische sector op termijn niet belemmeren. In de kernrandzones
rond de kernen zijn de mogelijkheden voor hergebruik van erven ruimer.
Aanvullend aanbod realiseren in de kernrandzones en de bebouwde kom
De kernrandzones krijgen een speciale rol in onze toekomstvisie. We verwachten dat er hier ruimte vrijkomt op erven. Die ruimte kan goed worden benut voor kleinschalige of lichte bedrijvigheid. Het gaat om bedrijven die wel ruimte nodig hebben — bijvoorbeeld voor opslag, verwerking of productie — maar die weinig verkeer aantrekken en weinig milieubelasting veroorzaken in hun omgeving. Dergelijke bedrijven passen goed in deze zones en kunnen het aanbod op onze bedrijventerreinen aanvullen. Wel is het belangrijk dat we de ontwikkelmogelijkheden beperkt houden. Zo voorkomen we dat bedrijven blijven hangen op locaties waar ze eigenlijk niet meer passen, en maken we ruimte voor doorgroei naar bedrijventerreinen. We werken de mogelijkheden voor deze zones verder uit in een omgevingsprogramma of in het omgevingsplan. Daarnaast willen we voorkomen dat bedrijven die niet thuishoren op bedrijventerreinen — zoals winkels, sportscholen, lichte dienstverlening en verzorgende beroepen — zich vestigen op bedrijventerreinen of in gebieden buiten de centra. We zorgen er daarom voor dat er binnen de kernen meer ruimte komt voor dit soort bedrijven, bijvoorbeeld in leegstaande winkelpanden. Zo houden we de bedrijventerreinen beschikbaar voor mkb-, agrofood en agrotechbedrijven.
Het vitaal en toekomstbestendig houden van solitaire bedrijfslocaties die op de juiste plek liggen
In het buitengebied en de kernrandzone liggen op diverse locaties solitaire kleinere bedrijven. Deze bedrijven zijn vaak klein en aan een woonlocatie gekoppeld. Bedrijven zonder veel personeel die een lokale functie hebben door de diensten die ze leveren en de werkgelegenheid die ze geven. Vaak voor mensen in de eigen omgeving. We vinden het belangrijk dat deze bedrijfslocaties kunnen blijven bestaan en zien tegelijkertijd dat door groei van sommige bedrijven de impact groter wordt. Daarom staan we solitaire bedrijfslocaties in de kernrandzone en/of het buitengebied toe mits de impact en omvang binnen bepaalde grenzen blijft. In een omgevingsprogramma ruimtelijke kwaliteit werken we dit de komende tijd verder uit.
3.3.4 Een werk-, leer- en leefgebied ontwikkelen rond het OV-knooppunt Horst-Sevenum
De ligging van station Horst-Sevenum benutten we om hier een goed bereikbaar en duurzaam
knooppunt te maken. Dit knooppunt verbindt het intercitystation met buslijnen in alle
richtingen. Ook willen we dat hier verschillende snelfietsroutes samenkomen. Zo kunnen
mensen makkelijk reizen tussen wonen, werken en leren. Denk aan routes richting De
Peelbergen en de ‘Brainport bikelane’ naar Deurne, Helmond en Eindhoven via Griendtsveen.
De Greenport Bikeway is hiervan al een goed voorbeeld. Daarnaast willen we ook ruimte
geven aan deelvervoer en andere vormen aan mobiliteit, zoals deelauto’s of deelscooters.
Dit knooppunt ligt bovendien midden tussen de grootste woonkernen van Horst en Sevenum.
Het is dus een logische plek om onze economie te versterken. In onze visie richten
we de westkant van het station in als een leer-werkgebied dat kan doorgroeien tot
een samenhangend gebied.
We zien hier kansen voor onderwijs, dienstverlening, onderzoeks- en adviesbureaus,
(lokale) startups en daar waar mogelijk daarbij passende woonconcepten. De nabijheid
van de Brightlands Campus Greenport Venlo biedt kansen voor samenwerking. Er is ook
beperkt ruimte voor kleine bedrijven die gericht zijn op consumenten, als daar behoefte
aan is.
3.3.5 Duurzame en circulaire bedrijventerreinen
Onze bedrijventerreinen zijn in 2050 klimaatbestendig en circulair. We zijn hier nu al mee begonnen, bijvoorbeeld door bedrijventerreinen te vergroenen. Regenwater wordt opgevangen, hergebruikt of op een natuurlijke manier afgevoerd. In de toekomst willen we dat de meeste bedrijfsdaken zijn voorzien van zonnepanelen of een groen dak. Ook de openbare ruimte wordt groener, met minder bestrating.
We willen dat het soort bedrijven dat zich vestigt, past bij dit groene beeld. Als groene gemeente willen we dat onze bedrijventerreinen dit ook uitstralen. Greenport Venlo is daar een goed voorbeeld van.
Energie speelt een grote rol. Bedrijven hebben betrouwbare energie nodig en samenwerking
is belangrijk om dit goed te regelen. Samen met bedrijven werken we aan slimme oplossingen.
Hierover lees je meer in paragraaf 3.7.6.
3.4 Toekomstbestendige agrarische sector
Ambitie/doel
In 2040 hoort Horst aan de Maas tot de meest toekomstgerichte, duurzame en innovatieve landbouwgebieden van Nederland. De landbouw blijft één van de belangrijkste sectoren in onze plattelandsgemeente. Ze is ook een belangrijke aanjager voor het lokale mkb en onze agrofoodbedrijven. Dankzij goede landbouwgrond en vernieuwende ondernemers wordt hier op (inter) nationaal topniveau geboerd. En dat gebeurt zonder dat het landschap zijn unieke karakter is kwijtgeraakt. We hebben als gemeente een koplopersrol weten te pakken in de omslag naar kringlooplandbouw. Dit is gelukt door technische innovaties en nieuwe verdienmodellen voor bijvoorbeeld natuurbeheer of landschapszorg. Zo is er een goede balans ontstaan tussen landbouw, natuur, water, bodem en een gezonde leefomgeving. We willen die sterke positie van onze agrarische sector vasthouden én verder versterken. Daarom blijven we samen met agrariërs en andere partijen zoeken naar slimme oplossingen voor de grote uitdagingen van deze tijd.
We kiezen ook in de toekomst voor een diverse agrarische sector. Verschillende vormen van landbouw maken onze economie sterker en minder kwetsbaar voor schommelingen in de markt. Bovendien kunnen diverse landbouwbedrijven elkaar juist helpen in het duurzamer maken van de sector en het sluiten van kringlopen met kortere ketens en minder impact op het milieu.
Wat willen we bereiken?
-
Kringlopen sluiten en de milieudruk verlagen
-
Ruimte bieden voor verdere ontwikkeling van de landbouw
-
Een gezonde economische sector behouden.

3.4.1 Het sluiten van kringlopen en verlagen van de milieudruk
We willen een toekomstbestendige landbouw-sector. Een sector zonder uitspoeling of schadelijke uitstoot, en die op termijn zijn kringlopen sluit. Dat kan op verschillende manieren.
1. Natuurinclusieve landbouw
Sommige agrariërs kiezen voor een natuurinclusieve vorm van kringlooplandbouw. Deze manier van werken houdt meer rekening met de natuur, maar heeft vaak hogere kosten. Agrariërs hebben dan ook een eerlijke prijs nodig voor hun producten. We willen hen daarbij helpen. Bijvoorbeeld door:
2. Verduurzaming landbouw
Andere agrariërs kiezen juist voor een intensive manier van kringlooplandbouw (met
hoge productie). Denk hierbij aan het sturen op een emissiearme landbouw of de toepassing
van innovaties op het gebied van precisielandbouw.
Ook deze vorm kan bijdragen aan een duurzame voedselproductie. We willen ruimte geven
aan alle vormen van landbouw die bijdragen aan een gezonde toekomst en een beter milieu.
3.4.2 Ontwikkelruimte voor de landbouw
Om als gemeente koploper te blijven in de landbouw, is het belangrijk dat agrariërs zich kunnen blijven ontwikkelen. Tegelijk willen we daarbij rekening houden met andere belangen in het buitengebied, zoals natuur, landschap, woonkwaliteit en andere functies. We gaan zuinig om met landbouwgrond. Als er te veel claims op landbouwgrond komen, wordt het moeilijker voor de landbouw om zich te ontwikkelen. In de omgevingsprogramma’s werken we keuzes verder uit.
Ook binnen de landbouw willen we de ruimte eerlijk verdelen. We kijken daarbij naar:
-
Het bodem- en watersysteem.
-
De kwaliteit van het landschap.
-
En welke landbouwvormen goed passen in een gebied.
Soms betekent dit dat we bepaalde plekken aanwijzen voor niet-grondgebonden teelten, zoals kassen of intensieve veehouderij. Dan zorgen we ervoor dat deze goed worden ingepast in het landschap.
Ruimte voor grondgebonden landbouw
Gronden met een hoge natuurlijke vruchtbaarheid én een hoge landschappelijke of cultuurhistorische waarde, willen we vooral gebruiken voor grondgebonden landbouw. Denk aan akkerbouw, vollegrondstuinbouw, grondgebonden melkveehouderij en boomteelt. Dit geldt vooral voor gebieden zoals de kampen, velden en de kleigronden op de rivierterrassen. We willen voorkomen dat grondgebonden landbouw hier verdwijnt door concurrentie met andere functies. Nietgrondgebonden activiteiten zijn hier alleen toegestaan als ze een klein en ondersteunend deel van het bedrijf zijn. De hoofdactiviteit moet altijd grondgebonden blijven. Deze regels gelden alleen voor nieuwe bedrijven; bestaande rechten blijven gewoon bestaan.
Stimuleren van grasland
In sommige delen van het buitengebied willen we het water langer vasthouden. Dit geldt vooral voor beekdalen en gebieden rondom kwetsbare natuur die afhankelijk is van water. Hier willen we op termijn de waterstand verhogen. In deze gebieden stimuleren we het gebruik van blijvend grasland of gewassen die goed tegen natte omstandigheden kunnen, zoals teelt voor biobased bouwmaterialen. Denk aan lisdoddeen hennepteelt.
Ruimte voor de glastuinbouw
De glastuinbouw is een belangrijke sector in onze gemeente. Glastuinbouwbedrijven produceren gezond voedsel onder gecontroleerde en efficiënte omstandigheden. Daarnaast dragen zij bij aan de energietransitie en kunnen ze helpen om de milieudruk in de landbouw te verlagen. We willen deze gebieden ook in de toekomst blijven gebruiken voor glastuinbouw. Daarom staan we geen nieuwvestiging toe buiten deze gebieden (voortzetten huidig beleid). Zo beschermen we de kwaliteit van het landschap. Wij willen geen nieuw concentratiegebied voor glastuinbouw aanwijzen. We willen kijken of het mogelijk is om ruimte te bieden in de vorm van revitalisering van bestaande glastuinbouwbedrijven en/of -gebieden en/of intensivering binnen de bestaande glastuinbouwbedrijven en/of -concentratiegebieden.
Ruimte voor boomteelt
Boomteelt is een belangrijke sector in onze gemeente en daarom bieden we ruimte aan deze sector. Bomen spelen een rol bij klimaatadaptatie en dragen bij aan de kwaliteit van het landschap. Bovendien zijn onze gronden erg geschikt voor deze teelt. We vinden het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen logisch. Ze zorgen ervoor dat bedrijven beter kunnen concurreren op de wereldmarkt. Een goed voorbeeld daarvan zijn containervelden. Hiermee kunnen ondernemers:
-
Hun assortiment uitbreiden.
-
Het teeltseizoen verlengen.
-
Werken onder betere arbeidsomstandigheden.
-
En de milieubelasting verminderen.
Met druppelirrigatie krijgen planten precies de juiste hoeveelheid meststoffen en
water. Dat vermindert het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
De boomteelt krijgt ruimte om te kunnen ontwikkelen in kwalitatieve, en op plekken
waar dat mogelijk is, in kwantitatieve zin, rekening houdend met zaken zoals het TOVbeleid.
Dit geldt gemeentebreed in gebieden waar de grondgebonden landbouw is toegestaan.
Ruimte voor teeltondersteunende voorzieningen
Het bestaand gemeentelijk beleid rondom het toelaten van teeltondersteunende voorzieningen
wordt in deze Omgevingsvisie gehandhaafd. De kaart behorende bij het beleid is wel
aangepast in deze Omgevingsvisie.
In de kaart is aangegeven waar teeltondersteunende voorzieningen onder voorwaarden
mogelijk zijn. Een van de belangrijke voorwaarden is, zoals ook vastgelegd in het
gemeentelijk beleid, dat Teeltondersteunende voorzieningen niet zijn toegestaan ter
plaatse van belangrijke landschappen waar sprake is van cultuurhistorische of landschappelijke
kenmerken.
Intensieve veehouderij
De veehouderij is een sterke sector in onze gemeente, al zijn er de afgelopen jaren
veel bedrijven gestopt. We willen de sector economisch gezond houden.
Tegelijkertijd willen we veehouderijen op toekomstbestendige locaties hebben, met
een afname van emissies zoals ammoniak, geur en fijnstof. Bedrijven die doorgaan,
willen we ondersteunen — maar alleen als hun ontwikkeling samengaat met een betere
milieukwaliteit en/of beter dierenwelzijn én als ze op een toekomstbestendige locaties
liggen.
Veehouderijen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan het sluiten van kringlopen, zowel binnen onze gemeente als in de regio. In de kernrandzone en in de natuurbuffers zoeken we samen met de sector naar manieren om bedrijfsontwikkeling te koppelen aan het verminderen van emissie of uitstoot. Zo verkleinen we risico’s voor de volksgezondheid. Daarnaast bieden we in deze gebieden ook de mogelijkheid om over te schakelen naar andere functies, als bedrijven dat willen.
We streven naar een nieuwe balans tussen dierlijke en plantaardige productie, waarbij het aandeel plantaardige teelten toeneemt. Nieuwvestiging van intensieve veehouderijen wordt niet toegestaan. Uitzondering daarop geldt voor bedrijven die willen verplaatsen uit de kernrandgebieden of rondom natuurbuffers. Voor hen bieden we ruimte binnen het gebied Witveld.
Gebied Witveld
In het gebied Witveld kunnen bedrijven zich vestigen die willen verplaatsen uit de kernrandzones of natuurbuffers rondom natuur (Natura 2000 en/of Natuur Netwerk Limburg) . In dit gebied komt intensieve veehouderij en de boomteelt voor. Voor de bestaande bedrijven binnen Witveld geldt dat we streven naar een nieuwe balans tussen dierlijke en plantaardige productie, evenals de boomteelt waarbij dus rekening gehouden moet worden met het feit dat dit gebied voor primair voor de intensive veehouderij gereserveerd is. Voor glastuinbouwbedrijven zijn andere gebieden aangewezen en zien we daarom niet als potentiële nieuwe bedrijven in dit gebied.
Paardensector
De paardensector groeit in Horst aan de Maas én in de regio Midden-Limburg. We zien deze sector als belangrijk voor het behouden van hoge economische vitaliteit in de landelijke gebieden. Er zijn verschillende soorten paardenbedrijven, die elk een andere invloed hebben op de omgeving.
We maken daarom onderscheid tussen drie vormen:
• Gebruiksgerichte paardenhouderij
Dit zijn bedrijven waar mensen paardrijden of mennen, zoals maneges, pensionstallen of paardensportbedrijven. Deze zorgen vaak voor extra verkeer. Daarom zien we ze het liefst in de kernrandzones of bij De Peelbergen. Soms is maatwerk mogelijk, bijvoorbeeld als een locatie goed bereikbaar is via de hoofdwegen.
• Productiegerichte paardenhouderij
Deze bedrijven fokken, trainen of verhandelen paarden. Kleine bedrijven passen vaak goed in het buitengebied. Voor grotere bedrijven is De Peelbergen een geschikte plek.
• Agrarische paardenbedrijven
Dit zijn bedrijven die paarden houden als onderdeel van de landbouw, zoals fokkerijen of paardenmelkerijen. Voor deze bedrijven gelden dezelfde regels als voor andere grondgebonden landbouwbedrijven.
Milieu
Gewasbeschermingsmiddelen
We willen onze inwoners op termijn beter beschermen tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de buurt van woningen. Zo willen we mogelijke gezondheidsrisico’s voorkomen. Op dit moment gelden er landelijke regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Een landelijke autoriteit beoordeelt welke middelen zijn toegestaan. Daarnaast werkt de sector zelf aan nieuwe technieken om het wegwaaien (‘drift’) van middelen te voorkomen of om alternatieven te testen. Als gemeente moedigen we ondernemers aan om vaker te kiezen voor natuurlijke of biologische gewasbeschermingsmiddelen, en robot lasertechnieken waar dat mogelijk is. Ook technische ontwikkelingen, denk hierbij aan precisielandbouw, moedigen wij als gemeente aan.
Rond dit thema is veel beweging door nieuwe uitspraken van rechters en onderzoeksresultaten. We volgen deze ontwikkelingen nauw en onderzoeken of de huidige vuistregel van 50 meter aangepast moet worden. Op de lange termijn willen we een betere bescherming van dorpen en andere kwetsbare functies. Samen met de agrarische sector zoeken we naar manieren om dat te realiseren.
Relatie veehouderij en gezondheid
Sinds 2016 wordt in Nederland veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen veehouderijen en de gezondheid van omwonenden. Dit gebeurt binnen het programma Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO). De onderzoeken laten zien dat er verbanden zijn tussen de intensieve veehouderij en gezondheidsrisico’s, vooral door stoffen die in de lucht terechtkomen. Het gaat dan om fijnstof, ammoniak, endotoxinen en micro-organismen.
Fijnstof
Het grootste deel van het fijnstof in de lucht komt door menselijk handelen. Dit noemen we antropogeen fijnstof. Fijnstof bestaat uit hele kleine stofdeeltjes. Deze kunnen direct in de lucht komen (primair fijnstof), bijvoorbeeld door industrie, verkeer, houtstook, landbouw en veehouderij. Stof van veehouderijen bestaat vaak uit mestdeeltjes, voer, huidschilfers, haren en veren die uit de stal waaien. Daarnaast is er ook secundair fijnstof. Dit ontstaat door chemische reacties in de lucht. Ammoniak uit de veehouderij kan bijvoorbeeld omgezet worden in stoffen zoals ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat. Een klein deel van het fijnstof in de lucht heeft een onbekende herkomst. Het primaire fijnstof van veehouderijen bestaat meestal uit organisch materiaal, zoals mest, voer, haren en strooisel. Omdat vooral mest en voer veel bacteriën bevatten, zitten er in de lucht rond veehouderijen vaak ook bacteriën en bacterieresten. Wetenschappelijk onderzoek laat zien dat fijnstof schadelijk is voor de gezondheid. Het kan effect hebben op hart- en bloedvaten en op de longen. Dit geldt zowel voor korte als voor langdurige blootstelling. Er is geen veilige hoeveelheid fijnstof bekend waarbij helemaal geen gezondheidsrisico’s optreden. Volgens de Gezondheidsraad zijn alle soorten fijnstof in zekere mate schadelijk. Wel kunnen de effecten op het platteland anders zijn dan in de stad, doordat rond veehouderijen hogere concentraties bacteriën en andere micro-organismen in de lucht zitten. Intensieve veehouderijen zijn een belangrijke bron van fijnstof. Pluimvee-, varkens- en vleeskalverbedrijven stoten relatief veel fijnstof uit. Andere veehouderijen doen dat ook, maar in mindere mate.
Ammoniak
VGO-onderzoek laat zien dat mensen een minder goede longfunctie kunnen hebben bij hoge concentraties ammoniak in de lucht. Waarschijnlijk komt dat niet direct door ammoniak zelf, maar door de stoffen die ontstaan als ammoniak met andere stoffen in de lucht reageert. Zo ontstaat secundair fijnstof. Ammoniak komt bijvoorbeeld vrij uit mest en stallen en kan zich op grote afstand met de lucht verspreiden – soms wel honderden kilometers. Volgens de Gezondheidsraad is het niet zo dat de concentratie secundair fijnstof direct rond veehouderijen hoger is dan verderop. De effecten van ammoniakuitstoot lijken daarom vergelijkbaar voor mensen dichtbij en verder van de bron. In dit geval zijn vaste afstandsnormen niet zinvol. Wel helpt het verminderen van het aantal dieren – en daarmee de hoeveelheid mest – om de uitstoot van ammoniak terug te dringen.
Endotoxinen
Endotoxinen zijn kleine restdeeltjes van bacteriën. Ze kunnen leiden tot irritatie van de luchtwegen of ontstekingen. Tegelijkertijd kunnen endotoxinen in sommige situaties ook een beschermende werking hebben, bijvoorbeeld tegen allergieën. De belangrijkste bronnen van endotoxinen in de veehouderij zijn pluimvee en varkens. Endotoxinen verspreiden zich via stof uit de stallen of bij het werken met mest. Ze hechten zich vooral aan grotere stofdeeltjes die sneller neerslaan, waardoor ze zich minder ver verspreiden dan fijnstof. Daarom is voldoende afstand houden vaak een passende maatregel. In dit geval kunnen afstandsnormen dus wel effectief zijn.
Maatregelen om fijnstof te beperken, helpen vaak ook om de uitstoot van endotoxinen te verminderen.
Verdeling van de bijdrage aan endotoxinen in de lucht (uit onderzoek in Noord-Brabant en Limburg):
• 54% komt van varkens
• 37% van pluimvee
• 6,3% van runderen
• 2,6% van paarden
• 0,56% van geiten
Micro-organismen
In de omgeving van veehouderijen kunnen ook micro-organismen in de lucht zitten. Dit zijn bijvoorbeeld bacteriën, schimmels en parasieten. Sommige van deze micro-organismen kunnen ziektes overdragen van dier op mens (zoönosen), zoals in het verleden gebeurde met Q-koorts. Ook antibioticaresistente bacteriën kunnen voorkomen. Deze micro-organismen kunnen gezondheidsrisico’s geven voor mensen die op het bedrijf werken, zoals veehouders. Voor omwonenden lijken de risico’s bij normaal gebruik van de stallen beperkt te zijn. Volgens de Gezondheidsraad is er nog weinig bekend over het precieze effect van langdurige blootstelling aan deze micro-organismen voor mensen. Toch kunnen micro-organismen zorgen voor ongerustheid bij omwonenden, mede door eerdere gebeurtenissen zoals de Q-koortsuitbraak.
Besmettelijke dierziekten
De aanpak van besmettelijke dierziekten – zoals Q-koorts – valt onder landelijke regelgeving. De belangrijkste wetten en regels zijn:
• De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren.
• De regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten, zoönosen en TSE’s.
• De regeling tijdelijke maatregelen dierziekten.
Bronnen:
Informatiepunt leefomgeving en Kennisplatform veehouderij
www.kennisplatformveehouderij.nl
3.5 Een sterk toeristisch-recreatief profiel voor rust- en plezierzoekers
Intro en Ambitie/doel
In de toekomst willen we als gemeente goed zijn ingericht voor recreatie en toerisme.
Dat geldt zowel voor bezoekers van buitenaf als voor onze eigen inwoners. We richten
ons vooral op gezinnen en groepen die een dagje uit willen of een paar dagen willen
blijven. In Horst aan de Maas vinden zij een combinatie van rust, natuur én plezier.
We willen dat mensen kunnen genieten van de mooie, rustige omgeving, maar ook dat
er genoeg leuke dingen te doen zijn. Daarom maken we duidelijke keuzes. Zo kunnen
we het toerisme laten groeien, zonder dat het ten koste gaat van de natuur of het
landschap.
Alleen door goed te plannen, houden we de kwaliteit van het landschap hoog én versterken
we onze vrijetijdseconomie. We willen meer bezoekers ontvangen, maar wel op een manier
die onze wegen, natuur en dorpen aankan.
Om ruimte te bieden aan recreatie én tegelijk de natuur te beschermen, kiezen we voor twee sporen:
-
We bundelen intensief toerisme en vermaak rond De Peelbergen.
-
We zorgen voor spreiding van kleinschalige initiatieven van recreatie in de rest van de gemeente.
Daarnaast willen we de wandel-, fiets- en ruiterroutes buiten de natuurgebieden verder verbeteren.
Zo kunnen bezoekers de hele gemeente ontdekken, zonder dat kwetsbare gebieden te veel worden belast. We zetten in op verhalen en thema’s die passen bij de omgeving. Langs deze lijnen kunnen recreatieve parels ontstaan: kleine initiatieven met een bijzondere beleving.
Ambitie/doel
In 2040 is Horst aan de Maas een toeristische topgemeente voor mensen die rust zoeken
én mensen die iets willen beleven. Het plezier en vermaak is gebundeld in het gebied
rond De Peelbergen.
In het buitengebied kunnen mensen kleinschalig genieten van rust, zonder de natuur
te verstoren. Het Maasgebied is een bijzondere trekpleister dankzij een netwerk van
kleine recreatieve plekken.
Wat willen we bereiken?
-
Bundeling: versterking van het toeristisch cluster De Peelbergen.
-
Spreiding: kleinschalige recreatieparels in het buitengebied, verbonden via een sterk routenetwerk.
-
Erfgoed & cultuurhistorie: beter zichtbaar en beleefbaar maken.
-
Ruimte voor recreatie in natuurgebieden: zorgvuldig afgebakend en beschermd.
-
Gezonde en veilige omgeving: voor iedereen die recreëert.

3.5.1 Bundeling: versterken toeristisch cluster De Peelbergen
De belangrijkste toeristische en recreatieve trekpleisters van onze gemeente liggen in en rond De Peelbergen en rond de Middenpeelweg.. Dit is het gebied waar verblijfsrecreatie en dagrecreatie samenkomen. We willen deze plek in de toekomst verder verbeteren. Daarbij kijken we vooral naar kwaliteit, veiligheid en bereikbaarheid. Als het aantal bezoekers toeneemt, moet het gebied goed bereikbaar en veilig blijven. Dat is belangrijk voor bezoekers, maar ook voor hulpdiensten als er iets gebeurt. We gaan samen met de provincie het verkeer monitoren in het gebied en op basis daarvan afspraken maken over de mogelijk te nemen maatregelen. Het is goed mogelijk dat daar ook aanpassingen in de infrastructuur bij horen. Om de verkeersdruk te verlagen, zetten we in op betere bereikbaarheid met het openbaar vervoer en de fiets. Denk bijvoorbeeld aan verbindingen met recreatieparken en omliggende dorpen. Dit sluit aan op het Mobiliteitsprogramma 2025-2035. Bij de verdere ontwikkeling van het recreatiegebied letten we niet alleen op economische kansen. We kijken ook naar de maatschappelijke waarde. We willen dat toeristische bedrijven meer gaan samenwerken met lokale ondernemers en maatschappelijke organisaties. Zo zorgen we voor meer verbinding met de lokale economie, de energietransitie, natuurbeheer en het landschap. Buiten De Peelbergen staan we geen grootschalige ontwikkeling van recreatie of ‘leisure’ toe. Daar kiezen we bewust voor, om de balans tussen rust en recreatie in onze gemeente te behouden.
Welke recreatiefuncties passen verspreid in het buitengebied in Horst aan de Maas?
In het buitengebied zoeken we vooral functies die passen bij de doelgroep ‘harmoniezoekers’; mensen die komen voor de rust, voor (sportief) bewegen en voor genieten van de natuur en het landschap. Denk hierbij bijvoorbeeld aan B&B’s, kleinschalige hotels, een educatie-centrum, kampeerboerderij, theetuin of pluktuin. Ook horeca kan bijdragen aan natuur-gerichte recreatie in het buitengebied.
3.5.2 Spreiding: kleinschalige recreatie in het buitengebied
We willen toerisme en recreatie niet alleen rond De Peelbergen ontwikkelen, maar juist
ook op andere plekken in de gemeente. Zo zorgen we voor spreiding én meer kansen voor
inwoners en ondernemers. Het Is een manier om nieuwe economische kansen te benutten
die ook goed zijn voor onze eigen inwoners. Denk bijvoorbeeld aan meer mogelijkheden
om buiten te sporten, te wandelen of te fietsen in de eigen omgeving.
Daarom verbeteren we de fietsroutes zowel in natuurgebieden als daarbuiten. Langs
die routes willen we plekken ontwikkelen met een bezoekfunctie, zoals rustpunten of
bezienswaardigheden. Om die aantrekkelijk te maken, zijn kleinschalige horecavoorzieningen
belangrijk. Denk aan locaties waar mensen na het wandelen of fietsen iets kunnen eten
of drinken, of waar verschillende activiteiten samenkomen.
Routestructuren zijn ook geschikt voor kleinschalige dag- en verblijfsrecreatie. Denk aan een B&B, theetuin, landwinkel of kleine camping. We zien vooral veel kansen rond de Maasdorpen. Daar kunnen recreatieve plekken samen een soort ‘kralensnoer’ vormen, die het landschap én de dorpen aantrekkelijker maken.
3.5.3 Beleefbaar en toegankelijk maken van erfgoed en cultuurhistorie
Erfgoed heeft een belangrijke rol in de identiteit en beleving van onze gemeente. Dit geldt voor de historische kenmerken van het landschap, voor de gebouwde ensembles in het buitengebied en voor de historische kernen. Het erfgoed biedt kansen voor toeristisch-recreatieve activiteiten en functies. Als we zulke nieuwe functies mogelijk maken, kunnen we tegelijkertijd investeren in het behoud van ons erfgoed.
Daarbij letten we niet alleen op het gebouw zelf, maar ook op de omgeving waarin het staat. Het geheel – het ‘ensemble’ – is minstens zo belangrijk als het monument zelf.
3.5.4 Afgebakende ruimte voor recreatie in natuurgebieden
Natuur is belangrijk voor onze gezondheid en voor de aantrekkingskracht van onze gemeente. We willen dat inwoners en bezoekers de natuur kunnen beleven, maar zonder dat dit ten koste gaat van de kwaliteit ervan. Om dat in balans te houden, delen we natuurgebieden op in verschillende zones. In een gebruikszone komt ruimte voor wandelen, fietsen en andere vormen van recreatie. In een extensieve zone blijft het rustig en komt natuur op de eerste plaats. Zo beschermen we kwetsbare natuur en houden we toch ruimte voor beleving. Ook buiten de natuurgebieden – in de buffer eromheen – willen we rust en beleving centraal stellen. Dat doen we samen met de natuurorganisaties die deze gebieden beheren. In een bredere zone daarbuiten combineren we natuurontwikkeling met betere routestructuren en passende toeristisch-recreatieve functies.
De opkomst van historisch toerisme en cultuurtoerisme
Steeds meer mensen zijn op zoek naar plekken met een verhaal. Ze willen iets leren over de geschiedenis of gebruiken van een gebied. Dit noemen we historisch toerisme of cultuurtoerisme. Zeker als je dat kunt combineren met een mooie wandeling of fietstocht, is het voor veel mensen aantrekkelijk. Horst aan de Maas heeft veel historische en culturele kenmerken die dit soort bezoekers aanspreken. Denk aan sporen uit het verleden, tradities of het landschap dat verhalen vertelt. We willen die verhalen beter zichtbaar en beleefbaar maken. Voorbeelden van zulke verhaallijnen zijn:
• De ontginning van het veen, bijvoorbeeld in de Mariapeel en rond Griendtsveen.
• Leven met de rivier: met watermolens, landhuizen, rivierduinen en oude Maasmeanders.
• De ontwikkeling van de agrarische sector door de jaren heen. We blijven ook meedoen aan het Geopark Peelhorst en Maasvallei. Daarnaast werken we aan het Nationaal Park De Peel. We zoeken daarbij actief naar verbindingen met andere regionale plannen, zoals de Gebiedsgerichte Aanpak Gedeelde Peel.
3.6 Identiteit door herkenbare landschappen en erfgoed
Intro en ambitie/doel
In dit hoofdstuk vertellen we meer over hoe we onze kernkwaliteiten (zie 9 Bijlage: Kernkwaliteiten) beschermen en verbeteren.
Ambitie/doel
In 2040 zijn het landschap en het erfgoed belangrijk voor de kwaliteit van onze leefomgeving en de identiteit van Horst aan de Maas. Archeologie, gebouwen en ons cultuurlandschap zijn goed zichtbaar en beleefbaar. Zo leren inwoners en bezoekers meer over onze geschiedenis en kunnen ze er trots op zijn. Ons erfgoed is dan goed bewaard gebleven. Dat is deels gelukt door bescherming, maar ook doordat we bij nieuwe plannen rekening hielden met erfgoed. We hebben steeds goed gekeken naar de omgeving waarin het erfgoed ligt. Dat deden we op basis van kennis en altijd met maatwerk. Ook werken we als gemeente samen met de samenleving, bijvoorbeeld met agrariërs, om herkenbare en mooie landschappen te behouden. Deze landschappen passen bij onze bodem en het watersysteem.
Deze doelen werken we verder uit in het programma Landschap en Erfgoed. Dat programma begint met een volledig overzicht van het erfgoed in onze gemeente. Op basis daarvan kiezen we maatregelen om goed met dit erfgoed om te gaan.
We leggen ook verbanden met andere thema’s uit de omgevingsvisie, zoals:
Wat willen we bereiken?
3.6.1 Zorgen voor herkenbare, aantrekkelijke landschappen
Horst aan de Maas heeft bijzondere en herkenbare landschappen. Denk aan het Peellandschap, het Maaslandschap en het zandlandschap met de beken. Elk landschap heeft zijn eigen geschiedenis en uitstraling. We zorgen ervoor dat de natuur en het landschap passen bij de bodem en het watersysteem van dat gebied. Zo blijft het landschap niet alleen mooi, maar wordt het ook sterker voor de toekomst, bijvoorbeeld bij droogte of hevige regen. We willen dat onze landschappen herkenbaar en aantrekkelijk blijven. Daarom werken we nauw samen met inwoners, agrariërs en andere partners. We volgen hierbij een aantal belangrijke uitgangspunten:
-
Het bodem- en watersysteem zijn mede sturend (zie 3.7.1).
-
De juiste functie op de juiste plek (zie 3.4.2 en 3.2.4).
-
We kijken steeds naar verschillende lagen in het landschap.
-
We zorgen voor natuur- en landschapselementen die passen bij het gebied.
-
We maken het landschap samen met de mensen die er wonen en werken.
3.6.2 Eigenheid en kwaliteit dorpen en linten
De uitstraling van onze dorpen en linten wordt mede bepaald door historische gebouwen en andere waardevolle elementen. Deze geven de dorpen hun eigen karakter. We willen deze bijzondere plekken behouden en er inspiratie uit halen voor nieuwe ontwikkelingen. Zo zorgen we ervoor dat de dorpen hun eigen identiteit houden én versterken waar dat kan. Voor de lintbebouwing is de relatie met het landschap belangrijk. We zorgen er daarom voor dat er zicht blijft op het omliggende landschap vanaf de wegen en tussen de gebouwen. Deze open plekken (doorzichten) zijn waardevol en blijven we beschermen.
3.6.3 Erfgoed voor iedereen beleefbaar en toegankelijk
We willen dat inwoners, toeristen en recreanten meer waardering krijgen voor het erfgoed van Horst aan de Maas. We hopen dat ze trots worden op de geschiedenis van onze gemeente. Daarom maken we erfgoed toegankelijk en beleefbaar voor iedereen. We doen dat op manieren die passen bij verschillende doelgroepen. Bijvoorbeeld met een leerzaam en leuk schoolpakket voor kinderen, speciale wandel- of fietsroutes met verhalen of een “hap-en-traproute” voor senioren. Zo brengen we onze geschiedenis tot leven. We zien veel kansen om historische verhalen te vertellen. Denk aan verhalen over het turfsteken in de Peel, de ontwikkeling van de landbouw, oude kastelen, streekproducten, de geschiedenis van onze beken, en de vele vertakkingen van de Maas. We steunen ideeën en initiatieven die helpen deze verhalen zichtbaar en beleefbaar te maken.
3.6.4 Cultuurhistorische ensembles en landschappen
We zien erfgoed als een belangrijk onderdeel van een levend en functionerend landschap. Daarom kijken we goed naar de plek waar het erfgoed staat. Bij nieuwe plannen letten we niet alleen op het gebouw of het object zelf, maar ook op de omgeving waarin het staat. We kijken naar de samenhang tussen het gebouw en het landschap eromheen. Een voorbeeld hiervan zijn de Kasteelse Bossen. Daar gaat het niet alleen om de ruïne van het oude kasteel, maar ook om de kasteelboerderij en het bos dat erbij hoort. Alles samen vertelt het verhaal van die plek.
3.6.5 Goed maatwerk op basis van kennis
Erfgoed kun je op verschillende manieren behouden. Soms is het nodig om het te beschermen zoals het is. In andere gevallen is het juist goed om een nieuwe functie toe te staan. Zo blijft het erfgoed behouden door ontwikkeling.
Goede beslissingen kunnen we alleen nemen als we genoeg kennis hebben. Daarom zorgen we voor goede informatie over de bekende en verwachte archeologische waarden, de kwaliteiten van gebouwen of gebieden, en de geschiedenis van de plek. Deze kennis gebruiken we om maatwerk te leveren bij plannen en ontwerpen.
3.7 Horst aan de Maas is natuurlijk, groen en duurzaam
Ambitie/doel
In 2040 heeft Horst aan de Maas mooie, afwisselende natuur. De natuurgebieden zijn met elkaar verbonden en bieden plek aan planten en dieren die van natte of juist droge leefgebieden houden. Kwetsbare natuur is extra goed beschermd door speciale overgangszones, ook wel natuurbuffers genoemd. De natuur is sterker en de biodiversiteit – het aantal verschillende planten en dieren – is toegenomen. Het bodem- en watersysteem werkt goed. Er is een goede balans tussen het beschermen van de natuur, het gebruiken ervan voor recreatie en zorgen voor veiligheid en gezondheid. De gemeente Horst aan de Maas wil in 2040 zoveel als mogelijk klimaatneutraal, klimaatbestendig en natuurinclusief zijn. We wekken dan zelf duurzame energie op en hebben een slim energiesysteem dat opwekking, gebruik, opslag én omslag met elkaar verbindt. Ook het reizen wordt groener, bijvoorbeeld doordat mensen meer gebruikmaken van het openbaar vervoer en de fiets of gaan wandelen.
Wat willen we bereiken?
-
Het bodem- en watersysteem zijn mede sturend.
-
We zorgen dat natuurgebieden beter met elkaar verbonden worden.
-
Rond kwetsbare natuurgebieden leggen we natuurbuffers aan om deze gebieden te beschermen.
-
We willen meer planten en dieren in het landelijk gebied. Dat doen we door de groenblauwe structuren te verbeteren en de landbouw meer natuurinclusief te maken.
-
We zorgen voor een goede balans tussen natuur en recreatie. In sommige gebieden komt meer aandacht voor natuur, in andere gebieden meer voor recreatie. We leiden bezoekers via duidelijke punten in goede banen (deze punten heetten eerder toeristische overstapplaatsen).
-
We bouwen aan een duurzaam energiesysteem. Dat systeem zorgt voor het opwekken, gebruiken, opslaan en uitwisselen van energie op een slimme manier.

3.7.1 Bodem- en watersysteem zijn mede sturend
We kiezen ervoor om bij alle plannen en keuzes in de leefomgeving te kijken naar de
bodem en het water. Dit betekent dat we bijvoorbeeld letten op waar het nat is, waar
het water naartoe stroomt en hoe goed de grond is. Op die manier gebruiken we het
bodemen watersysteem als basis. Niet alles kan overal meer. Eerst kijken we: past
deze ontwikkeling bij de eigenschappen van de bodem en het water? Als het antwoord
ja is, dan kan het plan verder uitgewerkt worden. Deze manier van werken helpt ons
om beter om te gaan met klimaatverandering. Zo kunnen we schade door droogte, hitte
of veel regen voorkomen.
Ook zorgt het voor een gezondere leefomgeving en betere biodiversiteit.
Daarom maken we deze keuzes:
-
De juiste functie op de juiste plek. Voor woningbouw betekent dit bouwen op hogere, droge plekken dicht bij de dorpen. Voor landbouw gebruiken we de vruchtbare gronden voor grondgebonden landbouw (zie 3.4.3). In de lagere gebieden, zoals bij beken en de Maasuiterwaarden en natuurbuffers, is vooral ruimte voor water, natuur en goede bodemkwaliteit. Hier kunnen andere functies (zoals natuurinclusieve landbouw of weilanden voor begrazing) bij komen, als die de natuur of het water niet in de weg zitten.
-
Woonwijken en bedrijventerreinen richten we klimaatbestendig in. Ze moeten goed tegen zware regen en lange periodes van warmte of droogte kunnen. De groene natuurbuffers zijn belangrijke waterbergingsgebieden.
-
We gebruiken zes ontwerpprincipes voor bodem en water (zie kadertekst). Deze helpen om onze omgeving slim en toekomstbestendig in te richten.
Bodem en water mede sturend
‘Bodem en water mede sturend’ betekent dat functie en ruimtegebruik aansluiten bij de natuurlijke kenmerken van het bodem- en watersysteem. Dit vermindert de kwetsbaarheid voor klimaatverandering, beschermt (drink) watervoorraden, zorgt voor goede kwaliteit grond-, oppervlakte- en drinkwater, verbetert biodiversiteit en voorkomt bodemdaling (veengebied). Voor de inrichting van onze leefomgeving passen we de zes ontwerpprincipes bodem en water mede sturend toe:
Ontwerpprincipe 1 ‘Niet afwentelen’
betekent voor de agrarische sector onder andere dat emissies uit de agrarische sector de draagkracht van het bodem- en watersysteem niet mogen overschrijden.
Ontwerpprincipe 2 ‘Sponswerking bodem’
betekent onder andere zo min mogelijk verharding. Open bodems bieden betere omstandigheden voor het bodemleven en daarmee een betere bodemkwaliteit en biodiversiteit. Beekherstel en stuwen in sloten dragen bij aan het vasthouden van water. Hiermee worden benedenstrooms overstromingen voorkomen.
Ontwerpprincipe 3 ‘Houd rekening met extremen’
betekent onder andere dat we bij het klimaatadaptief maken van onze dorpen rekening houden met zeer extreme neerslag, zeer extreme hitte en droogte, een onwaarschijnlijke dijkdoorbraak en het buiten de oevers treden van de beken.
Ontwerpprincipe 4 ‘Aanpasbare inrichting voor de lange termijn’
betekent onder andere voorbij de plangrens en planhorizon denken. We willen tenslotte
goed voorbereid zijn op de effecten van klimaatverandering. Deze effecten spelen vaak
al op systeemniveau en op de veel langere termijn.
Ontwerpprincipe 5 ‘Benut kansen voor systeemherstel’
betekent onder andere dat we het natuurlijke bodem- en watersysteem van De Peel zoveel
mogelijk willen herstellen. Grootschalige herinrichting biedt de mogelijkheid om de
sponswerking en het zelf herstellend vermogen van De Peel te vergroten.
Ontwerpprincipe 6 ‘Bouw en ontwerp natuur inclusief’
Natuur inclusief bouwen betekent dat er bewust ruimte voor biodiversiteit wordt gecreëerd
op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten-
en diersoorten kunnen leven. De waterpartners van Waterpanel Noord hebben ‘Bouwstenen
voor water en klimaat’ opgesteld. Hierin staan vier bouwstenen en bijbehorende doelen
voor de omgevingsvisie.
Deze vier bouwstenen zijn:
1. Natuurlijk water: we realiseren een gezond waterecosysteem.
2. Passende bescherming: we bieden onder andere met klimaat adaptieve inrichting en
beheer passende bescherming tegen overstromingen, wateroverlast en andere gevolgen
van klimaatverandering.
3. Schoon water: we zorgen dat we beschikken over voldoende water van goede kwaliteit
dat bijdraagt aan een aantrekkelijke leefomgeving en maatschappelijke doelen, zoals
schoon drinkwater en zwemwater.
4. Voldoende water: nu en in de toekomst beschikken we over voldoende en kwalitatief
goed oppervlakte- en grondwater
3.7.2 Verbinden van de natuurgebieden
Door op een aantal cruciale locaties natuurverbindingen te realiseren tussen bestaande natuurgebieden, ontwikkelen we een aaneengesloten lokaal natuurnetwerk. Hiervoor leggen we op weg naar 2040 nieuwe natuurverbindingen aan en/of verbeteren we de huidige natuurverbinding tussen de verschillende natuurgebieden. De beken en de Maas zijn belangrijke verbindingen tussen de verschillende natuurgebieden. Door natuurrijke beken en beekdalen te ontwikkelen, is het mogelijk om alle natuurgebieden met elkaar te verbinden in Horst aan de Maas.
We kiezen er dan ook voor om de beken en beekdalen zoveel mogelijk natuurvriendelijk in te richten. De afgelopen jaren heeft Waterschap Limburg samen met andere partijen al diverse beek(herstel) projecten uitgevoerd. Naast de beken zetten we in op nieuwe natuurverbindingen, onder andere tussen de Mariapeel en de Schadijkse Bossen, de Mariapeel en De Kamiël van de Piël en tussen de Mariapeel en de Kronenberger Heide.
Om natuur en landschap te versterken en de toegankelijkheid van het landelijk gebied te vergroten, stimuleren we de ontwikkeling van nieuwe landgoederen. Deze moeten bestaan uit minimaal zo’n 10 hectare nieuw groen en zijn openbaar toegankelijk, herkenbaar en met een samenhangende ruimtelijke uitstraling. Beperkte woningbouw is onder voorwaarden mogelijk en moet altijd ondergeschikt en passend zijn binnen het geheel.
Het hoofddoel is het realiseren van nieuw landschap en natuur. Bebouwing (rood) wordt geclusterd, beperkt gehouden en zorgvuldig ingepast. We hanteren een gebiedsgerichte benadering: in kampen, velden en cultuurhistorisch waardevolle jonge ontginningsgebieden staan we geen nieuwe landgoederen toe vanwege het belang van openheid, landbouw en cultuurhistorie. In overige jonge ontginningsgebieden, in De Peelbuffer en aansluitend op bestaande natuurgebieden is maatwerk mogelijk en worden nieuwe landgoederen actief gestimuleerd.
3.7.3 Natuurbuffers rondom kwetsbare natuurgebieden
We kiezen ervoor om rondom de zeer kwetsbare natuurgebieden een natuurbuffer aan te
houden.
Deze buffers beschermen de natuur tegen negatieve invloeden, zoals uitstoot uit de
landbouw, verkeer of intensieve recreatie. Richting 2040 willen we dat deze natuurbuffers
worden ingericht met natuurinclusieve landbouw. Voor de omvang van deze buffers sluiten
we aan bij de bestaande richtlijnen. Rondom kwetsbare natuurgebieden geldt een buffer
van 250 meter, zoals al vastgelegd als extensiveringsgebied in het Omgevingsplan van
rechtswege. Deze beleidslijn wordt hiermee bestendigd. Extra aandacht voor natuurgebied
De Peel is belangrijk. Daarom hanteren we hier een grotere natuurbuffer dan elders.
We hanteren 500 meter met de kanttekening dat als er landelijke richtlijnen komen,
we deze volgen. Binnen deze zones moeten intensieve veehouderijen uiterlijk in 2040
hun schadelijke uitstoot sterk verminderen of stoppen. Dit kan door over te schakelen
naar andere bedrijfsvoering, te verplaatsen of te stoppen. In Horst aan de Maas liggen
vier zeer kwetsbare natuurgebieden. Deze maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland
(NNN) en zijn soms ook natte natuurparels. De Mariapeel is daarnaast ook een Natura
2000-gebied. Het gaat om de volgende gebieden:
-
Het Schuitwater (inclusief Tienrayse- en Swolgenderheide).
-
Kaldenbroek.
-
Castenrayse Vennen.
-
Mariapeel.
Daarnaast zijn ook de Heesbeemden en het Ham kwetsbare natuurgebieden, daarom zijn deze aangewezen als Natuur Netwerk Limburg. Voor nieuwe bedrijven met hoge ammoniak- of stikstofemissies geldt dat zij zich niet in deze buffers mogen vestigen. Bedrijven die niet passen in de natuurbuffer zijn onder andere intensieve veehouderijen (pluimvee, varkens, runderen, geiten), biogasinstallaties met mestverwerking, en opslag of verwerkingslocaties voor mest niet wenselijk. Bestaande intensieve veehouderijen in de buffers moeten hun schadelijke uitstoot sterk beperken of beëindigen.
De uitvoering van dit beleid gebeurt via het Uitvoeringsprogramma bij de bestaande Visie Veehouderij en het project Toekomstbestendige Locaties.
3.7.4 Meer biodiversiteit in landelijk gebied
We verbeteren de biodiversiteit in het landelijk gebied door een groenblauwe dooradering aan te leggen en door meer natuurinclusieve landbouw te stimuleren.
Groenblauwe dooradering
In een groot deel van het buitengebied combineren we verschillende functies met het versterken van de biodiversiteit. Ook stimuleren we de aanleg van landschapselementen en natuurinclusief ondernemen bij agrarische bedrijven, recreatie-functies en in de bebouwde omgeving.
Meer natuurinclusieve agrarische sector
Een natuurinclusieve agrarische sector is een vorm van landbouw die voedsel en gewassen produceert op een manier die in balans is met de natuur. Hierbij worden natuurlijke hulpbronnen, zoals bodem, water en biodiversiteit, actief gebruikt én beschermd. Ook is er aandacht voor het landschap en de omgeving van het bedrijf. Deze vorm van landbouw moet economisch haalbaar zijn voor de ondernemer. Hoe een ondernemer natuurinclusief werkt, hangt af van het type bedrijf, de omgeving, de productieomstandigheden én de persoonlijke motivatie. Natuurinclusieve landbouw is daarom altijd maatwerk. De agrariër is dan niet alleen producent van voedsel, maar ook beheerder van natuur en landschap. Zo kunnen agrariërs bijdragen aan de doelen van deze omgevingsvisie. In agrarische gebieden ligt nu vooral de nadruk op economie en productie. Richting 2040 verbetert de biodiversiteit doordat steeds meer agrariërs natuurinclusiever gaan werken. Zij combineren landbouw met zorg voor biodiversiteit en profiteren van de voordelen van een gezond ecosysteem, zoals waterberging, schonere lucht en ruimte voor recreatie.
Andere agrariërs richten zich op niet-grondgebonden, hoogproductieve landbouw met moderne technieken en intensivering van teelten. Deze bedrijven krijgen ruimte op aangewezen plekken, zoals delen van Greenport en het gebied Witveld. Door deze vorm van landbouw te concentreren ontstaat ruimte voor andere functies, zoals grondgebonden natuurinclusieve landbouw.
3.7.5 Balans tussen natuur en recreatie
We zorgen voor een goede balans tussen natuur en recreatie. Dit doen we door per gebied te bepalen of de nadruk ligt op natuur of op recreatie. Ook sturen we bezoekersstromen via zogeheten Eikpunten en routestructuren.
Gebiedsgerichte accenten op natuur en/of recreatie
In elk gebied bekijken we wat de juiste verhouding is tussen natuur en recreatie:
-
Toeristisch gebied De Peelbergen: hier ligt de nadruk op toerisme Tegelijk investeren we in natuur en landschap en houden we rekening met de omgeving.
-
Rivierenlandschap: buitendijks is de natuur en veiligheid bij hoogwater het belangrijkst. Dit wordt uitgewerkt in de gebiedsontwikkeling Vierwaarden. Hier is alleen rustige recreatie mogelijk. Binnendijks is er meer ruimte voor recreatie, met kleine initiatieven die goed passen bij het landschap en de natuur.
-
Economisch groeigebied: in dit gebied is natuur en recreatie ondergeschikt aan economische functies. Natuur krijgt een plek in dit gebied in de vorm van een groene buffer Greenport volgens het Landschapsplan zoals vastgelegd in de Intergemeentelijke Structuurvisie Klavertje 4 (zie bijlage Hoofdstuk 9).
-
De Peel en De Peelbuffer: in De Peel staat natuur op de eerste plaats. Rustige recreatie is alleen toegestaan als het geen schade veroorzaakt aan de natuur. In De Peelbuffer ligt de nadruk op natuurherstel, vooral van het bodem- en watersysteem. Hier is ook ruimte voor nieuwevormen van (natte) recreatie, als deze bijdragen aan verdienmodellen.
-
Zandgebied: hier zijn natuur en recreatie even belangrijk
Sturen op recreantenstroom via Eikpunten
De natuur beleven is belangrijk voor de gezondheid van mensen. Tegelijk moeten we
kwetsbare natuur beschermen. Daarom richten we gebieden verschillend in voor recreatie.
In sommige delen van natuurgebieden zorgen we voor goede voorzieningen, zoals duidelijke
routes en Eikpunten. Andere gebieden maken we juist minder toegankelijk om de natuur
te beschermen.
Eikpunten zijn startplaatsen voor wandel-, fiets- of ruiterroutes. Hier kun je vaak
parkeren en is er horeca aanwezig.
Richting 2040 komen er extra Eikpunten bij. Zo zorgen we ervoor dat meer mensen van
de natuur kunnen genieten, op plekken waar de natuur dat aankan.

3.7.6 Duurzaam energiesysteem met opwek, gebruik, opslag en omslag gecombineerd
Het doel is dat Horst aan de Maas in 2040 klimaatneutraal, klimaatbestendig, circulair
en natuurinclusief is. Om dit te bereiken, stellen wij een uitgangspuntennotitie op
om daarmee te komen tot een energieprogramma. Hierin kijken we naar het hele energiesysteem:
van opwek, opslag en omslag tot transport en gebruik. In 2040 willen we 50% minder
energie verbruiken dan in referentiejaar 2017 en we willen 60% van de totale energie
opwekken als duurzame elektriciteit. We onderzoeken hiervoor onder andere de mogelijkheid
voor een groot zonneveld in De Peelbuffer.
Daarnaast kiezen we voor energiesystemen waarbij duurzame opwekking, gebruik, opslag
en omschakeling met elkaar verbonden zijn. Daarbij kijken we onder andere naar uitwisselingsmogelijkheden
voor zowel elektriciteit als warmte. Greenport en omgeving zijn vanwege de sterke
economische activiteit en de nabijheid van energie-infrastructuur een logische plek
om hiermee te starten. Dit betekent dat de energiebehoefte van bedrijven medebepalend
wordt voor de vestiging van nieuwe bedrijven.
We stimuleren innovaties op het gebied van slimme energiecombinaties, nieuwe energievormen en decentrale energiesystemen (kleinere systemen dicht bij gebruikers). Ook willen we dat de glastuinbouwsector in 2040 klimaatneutraal is, op een economisch rendabele manier. Geothermie (aardwarmte) is hierbij een kansrijke bron van duurzame energie. Maar óók andere mogelijkheden zullen worden verkend en/of benut.
De huidige Warmtevisie (Transitievisie Warmte) richt zich op de isolatieopgave binnen de gebouwde omgeving. Daarnaast wordt all-electric verwarmen, op basis van technische haalbaarheid en kosten, gezien als de voorkeursoptie voor aardgasvrij wonen. Tegelijkertijd vindt innovatie in hoog tempo plaats, waardoor collectieve warmteoplossingen zoals warmtenetten – bijvoorbeeld op basis van aquathermie – in toenemende mate worden gezien als een mogelijkheid om aardgasvrij te wonen.
Acties richting een duurzaam energiesysteem:
-
We kiezen voor energiesystemen waarin duurzame opwek, transport, opslag en omslag, en gebruik samenkomen, vooral bij bedrijventerreinen en tuinbouwgebieden.
-
We stimuleren decentrale energiesystemen voor (clusters van) bedrijven
-
We maken ruimte voor uitbreiding van het energienetwerk en voor innovaties, zoals groengas en het gebruik van waterstof als energiedrager.
-
We onderzoeken de mogelijkheden voor aardwarmte (geothermie) voor de glastuinbouw.
-
We zetten in op het gebruik van de Delta Rhine Corridor (DRC) en de nieuwe boven- en ondergrondse kabels en leidingen die TenneT aanlegt. We willen dat deze ook gebruikt kunnen worden voor lokale energieoplossingen.
-
We passen bij alle keuzes de kernwaarden veiligheid toe, vanwege de risico’s die kunnen ontstaan bij de energietransitie.
-
We houden rekening met het feit dat fysieke ruimte nodig is voor meerdere kleinere en grote elektriciteitsstations voor de verdeling van elektriciteit, en voor kabels in de (drukke)ondergrond.
De plaatsing van deze stations is afhankelijk van het aanwezige netwerk en de plaatselijke behoefte. -
We blijven onderzoeken in hoeverre collectieve warmteoplossingen, zoals warmtenetten, aansluiten bij de warmtetransitie binnen onze gemeente.
3.8 Onze mobiliteit is op orde
Ambitie/doel
De gemeente heeft een Mobiliteitsprogramma opgesteld waarin doelen zijn geformuleerd.
Ambitie/doel
In 2040 zijn de belangrijkste economische gebieden goed en veilig bereikbaar. Er zijn minder verkeersslachtoffers, waardoor mensen zich veiliger voelen in het verkeer én het ook daadwerkelijk veiliger is. Iedereen kan voorzieningen zelfstandig of samen met anderen bereiken. Zowel in als buiten de dorpen zoeken we steeds een goede balans tussen bereikbaarheid en leefbaarheid, voor alle vormen van vervoer.
Als gemeente werken we aan een fijnmazig en multimodaal vervoerssysteem. Dat betekent: een netwerk van verschillende vervoermogelijkheden, zoals actieve gezonde mobiliteit (lopen en fietsen), openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer (auto’s, agrarisch verkeer en vrachtverkeer) die goed op elkaar aansluiten. In het mobiliteitsprogramma willen we nog extra aandacht aan het verband tussen het netwerk voor actieve gezonde mobiliteit en het openbaar vervoer. Zo houden we alle dorpen en wijken bereikbaar en zorgen we voor goede verbindingen met voorzieningen en bedrijven in de regio en daarbuiten.
Wat willen we bereiken?
-
Duurzamere mobiliteit: minder autoverkeer en meer gebruik van fiets, openbaar vervoer en lopen, volgens het STOMP-principe. Zo zorgen we dat iedereen op een toegankelijke manier voorzieningen kan bereiken.
-
Sterkere vervoersknoop Horst-Sevenum: we willen dit station verder ontwikkelen en tegelijk de verbindingen met en tussen de dorpen verbeteren en de intercity behouden.
-
Betere bereikbaarheid van bedrijventerreinen en – waar mogelijk – het scheiden van verkeersstromen, zodat de verkeersveiligheid toeneemt.

3.8.1 Verduurzamen van de mobiliteit
We werken aan betere en veiligere fietsverbindingen tussen dorpen en natuurgebieden. Tegelijk verbeteren we de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van het landschap en natuurgebieden. Zo krijgt recreatie en toerisme meer ruimte in onze (cultuur)landschappen en wordt hun kwaliteit beter zichtbaar. Door recreatie en toerisme slim te sturen via routestructuren, beschermen we de kwetsbare natuur. Bewegen in een groene omgeving draagt ook bij aan een betere gezondheid.
Voor veel inwoners is de auto onmisbaar. Maar niet iedereen heeft een auto of wil er een. Hoe ga je dan naar school, je werk, de dokter of vrienden? Het uitgangspunt is dat iedereen mee moet kunnen doen in de samenleving. Daarom is inclusieve mobiliteit belangrijk. Tegelijk weten we dat het financieel niet haalbaar is om in elk dorp vaak een bus te laten rijden. Daarom ondersteunen we lokale en particuliere initiatieven die mensen helpen zich te verplaatsen. Denk aan buurtauto’s, beltaxi’s met vrijwilligers, goede e-bikevoorzieningen en bezorgdiensten.
De fiets is voor veel mensen een aantrekkelijk vervoermiddel: gezond, duurzaam en betaalbaar. Daarom zorgen we voor comfortabele fietsroutes tussen dorpen, bij voorkeur door het mooie landschap en natuurgebieden. Voor populaire routes kijken we of we een fietssnelroute kunnen aanleggen. Kortom, we kiezen voor duurzaam, gezond, betaalbaar en flexibel vervoer tussen de wijken en dorpen. Dit doen we met efficiënte overstappunten en toegankelijke fietsen wandelpaden. Zwaar verkeer, zoals vracht- en agrarisch vervoer, leiden we waar het kan om de kernen heen.
3.8.2 Leer-werk-leef ontwikkeling NS-station Horst-Sevenum
We willen station Horst-Sevenum sterker maken als belangrijk overstappunt door hier een onderwijs- en kenniscampus te ontwikkelen. Het bedrijventerrein dat er al ligt, kan meer bedrijven aantrekken die juist profiteren van de nabijheid van een treinstation. Denk aan startups, kenniswerkers en jonge bedrijven. We zien ook kansen om hier woningen te bouwen voor jongeren, studenten en kenniswerkers van Greenport en Brainport. Dit wordt verder onderzocht in het Volkshuisvestingsprogramma.
3.8.3 Maatregelen
Naast de maatregelen in het mobiliteitsprogramma, kiezen we ook voor de volgende maatregelen:
-
In de dorpen geven we wandelaars en fietsers voorrang bij het inrichten van de openbare ruimte (In het mobiliteitsprogramma passen we de maatregel ‘Fietsers krijgen bij herinrichting prioriteit’ aan naar ’het stimuleren van actieve mobiliteit (wandelen en fietsen) krijgt bij herinrichting prioriteit’).
-
We zetten in op een vlotte en veilige afwikkeling van het landbouwverkeer in het buitengebied waarin huidige knelpunten – zoals raakvlakken met actieve mobiliteit – worden opgelost of geminimaliseerd.
-
We versterken de verbindingen tussen de dorpen en station Horst-Sevenum door:
-
Snelle en goede fietsverbindingen aan te leggen.
-
Greenport beter bereikbaar te maken met het openbaar vervoer.
-
Het fijnmazige, vraaggerichte ov-netwerk uit te breiden, gekoppeld aan station Horst-Sevenum.
Zo wordt het station een belangrijk knooppunt in duurzaam vervoer. -
We koppelen economische groei aan betere bereikbaarheid. Zo geven we prioriteit aan het verbeteren van de Middenpeelweg, zeker in relatie tot de groei van toerisme in De Peelbergen (zoals Toverland, Grandorse en verblijfsrecreatieparken). De capaciteit van de Middenpeelweg zal passend moeten zijn bij de te verwachten groei.
-
We zorgen ook voor een goede bereikbaarheid voor hulpdiensten.
Intermezzo: Cultuurhistorie van 16 kerkdorpen
Inleiding en legenda

De 16 kerkdorpen is een analyse gemaakt. Voor elk dorp is gekeken naar de functies en is de cultuurhistorie en landschappelijke waardering in kaart gebracht.
Kerkdorp America

De dorpsrand van America bestaat vooral uit akkerbouw, maar ook uit glastuinbouw, sierteelt, een paar weilanden, het sportpark en stukjes bos. Twee beekdalen, in het noordoosten en zuiden van het dorp, zijn belangrijk voor het landschap. In het noorden en (zuid)westen zijn de oorspronkelijke landschapsstructuren goed bewaard gebleven. Deze gebieden zijn daarom cultuurhistorisch waardevol. In het oosten en zuiden is veel veranderd en verdicht. Daardoor zijn deze delen minder cultuurhistorisch waardevol.
Kerkdorp Broekhuizen

Aan de oostkant van Broekhuizen liggen de lagergelegen uiterwaarden. Bij de veerboot grenst het dorp direct aan de Maas. De rest van de dorpsrand bestaat vooral uit akkers op waardevolle oude landbouwgronden. Hier staat ook één glastuinbouwbedrijf. Rond de Genenberg en ten westen van de Broekhuizerweg is het landschap veranderd. Deze delen zijn daardoor minder cultuurhistorisch waardevol. De Broekhuizer Molenbeek aan de noordkant is landschappelijk belangrijk.
Kerkdorp Broekhuizenvorst

In het oosten loopt het terrein af naar de Maas en ligt er een oude Maasarm. Aan de zuid- en westkant van het dorp liggen akkers en boom- en sierteelt. Bijna de hele dorpsrand is cultuurhistorisch waardevol. Alleen het bedrijfscomplex, de weides in het noorden en de sportvelden in het westen zijn minder waardevol vanwege veranderingen in het landschap. Het landgoed Huize de Kolck, ten westen van het dorp, is juist van grote cultuurhistorische waarde.
Kerkdorp Evertsoord

Evertsoord kent geen bebouwde kom en dus heeft Evertsoord geen echte dorpskern. We nemen de kruising van de wegen als het middelpunt. Rondom de bebouwing en de penitentiaire inrichting liggen akkers en aan de zuidkant trapveldjes. De hele dorpsrand is cultuurhistorisch waardevol. Het dorp ligt op een bijzondere plek in het landschap. Vooral de waterhuishouding van De Peel heeft invloed op de westelijke dorpsrand.
Kerkdorp Griendtsveen

Griendtsveen ligt in een unieke omgeving. De dorpsrand grenst grotendeels aan natuurgebied de Peel, dat van grote cultuurhistorische waarde is. Ten noorden van het dorp liggen akkers en weilanden in een landschap dat hoort bij de oude veenontginningen. Ook dit gebied wordt cultuurhistorisch hoog gewaardeerd. Het is een beschermd dorpsgezicht.
Kerkdorp Grubbenvorst

Ten oosten van Grubbenvorst ligt het rivierterraslandschap en ten noorden twee oude Maasmeanders. Beide gebieden zijn cultuurhistorisch zeer waardevol. Ook de akkers op de kampen en velden in het noorden en het landschap van bos en akkers in het westen worden hoog gewaardeerd. In het zuiden en westen is de structuur van het landschap veranderd door sportvelden en Greenport. Ten noorden liggen bedrijventerrein Hagelkruis en (landgoed) Huis de Steegh.
Kerkdorp Hegelsom

Hegelsom ligt tussen kleinschalige weilanden, akkers en boomgaarden. Aan de noordkant staat een glastuinbouwcomplex. In het oosten liggen sportvelden en een oud bedrijfscomplex dat wordt omgevormd tot woongebied. Omdat het landschap rond Hegelsom sterk is veranderd, is de dorpsrand cultuurhistorisch minder waardevol. Alleen aan de noordkant ligt nog een klein stukje oude kampontginning dat wel waardevol is.
Kerkdorp Horst

De oostkant van Horst wordt begrensd door de snelweg, die een harde dorpsrand vormt. Aan de andere kant van de snelweg A73 ligt een beekdal van de Grote Molenbeek met weilanden en de Kasteelse Bossen, waar ook de sportvelden liggen. Tussen Horst en Meterik loopt ook het beekdal van de Grote Molenbeek. De westelijke dorpsrand is dichtbebouwd en bevat naast weilanden ook andere functies. Verder liggen hier bedrijventerrein Hoogveld en glastuinbouwgebied Veld-Oostenrijk. In het noordwesten ligt nog een deel van een oud veld dat deels behouden is gebleven.
Kerkdorp Kronenberg

Rond Kronenberg liggen vooral akkers en weilanden. Het open veld aan de zuidkant is cultuurhistorisch zeer waardevol. De andere ontginningsgebieden worden ook hoog gewaardeerd. Ten noordwesten stroomt de Blakterbeek door natuurgebied Heesbeemden, dat deels ook zeer waardevol is. Aan de westkant ligt het beekdal van de Driefkuilenloop en ten zuidwesten de Kronenberger bossen.
Kerkdorp Lottum

Aan de hele oostkant van Lottum loopt het landschap af naar de Maas. Bijzonder zijn de rozentuin en kasteel Borggraaf aan deze kant. Rond het dorp liggen verder akkers, een klein bos en boom-rozenkwekerijen met containervelden. De dorpsrand wordt grotendeels hoog gewaardeerd. Alleen aan de westkant is de bebouwing toegenomen, wat de waarde verlaagt. Kasteel de Borggraaf heeft een zeer hoge cultuurhistorische waarde.
Kerkdorp Meerlo

Rond Meerlo liggen beekdalen met de Grote Molenbeek, Bodderbroekerloop en Rijnbroekerbeek. Aan de noordkant ligt ’t Kasteelke en in het zuidoosten een oude Maasmeander, beide cultuurhistorisch zeer waardevol. De rest van de dorpsrand wordt hoog gewaardeerd, behalve het westen (met glastuinbouw) en het zuiden (met veel bebouwing).
Kerkdorp Melderslo

Aan de noord- en westkant van Melderslo liggen weilanden in het beekdal. In het zuiden ligt een open veld met akkers, deels nog intact en cultuurhistorisch waardevol. Een deel van dit veld is bebouwd en rommelig geworden. Ook in het westen is de dorpsrand verdicht, waardoor deze minder waardevol is. Aan de oostkant ligt museum De Locht, een bijzondere plek.
Kerkdorp Meterik

Aan de noordkant van Meterik ligt een open veld met daarin de molen ‘Eendracht Maakt Macht’. Deze molen werd vroeger gekocht door het dorp om de kerk te onderhouden. In het zuiden liggen weilanden en akkers in het beekdal van de Kabroeksebeek. Hier ligt ook een bedrijfscomplex aan de rand van het dorp.
Kerkdorp Sevenum

Sevenum is grotendeels omringd door oude kampen en velden, en beekdalen met de Blakterbeek en Kattenstaartse Beek en de Grote Molenbeek. Alleen het open veld aan de westkant is zeer waardevol. De meeste dorpsranden worden hoog gewaardeerd. Alleen in het zuidoosten en noorden is de structuur veranderd of is er nieuwe bebouwing.
Kerkdorp Swolgen

Aan de zuidkant van Swolgen ligt natuurgebied Swolgenderheide. Het Schuitwater, dat zeer waardevol is. Alleen een paar bedrijven en een camping verstoren dit beeld. In het noorden liggen percelen met boom- en sierteelt en daarachter een waardevol open veld. In de oost- en westkant van de dorpsrand liggen sportvelden, bedrijven en landbouwgrond.
Kerkdorp Tienray

Aan de zuidoostkant grenst Tienray aan natuurgebied de Tienrayseheide en het Schuitwater, dat zeer waardevol is. In de zuidrand liggen het kerkhof en bedrijventerrein Boerenoven, en in het oosten liggen oude kampen en velden. De rest van de dorpsrand bestaat uit landbouwgrond met weilanden, akkers en een glastuinbouwcomplex. Het open veld in het noorden is waardevol. Ten westen van het dorp stroomt de Grote Molenbeek.
5 Relatie met de OER
Intro
De Omgevingseffectrapportage (OER) laat zien wat de gevolgen zijn van de plannen in
deze omgevingsvisie voor het milieu en de leefomgeving. Ook vergelijkt de OER deze
gevolgen met een referentiesituatie. Dat is de situatie waarin we niets zouden veranderen
aan ons huidige beleid, en de huidige trends zich voortzetten. De OER helpt ons bij
het maken van keuzes: brengen onze doelen ook echt de gewenste effecten?
Architecten- en ingenieursadviesbureau Sweco heeft voor deze OER eerst een soort momentopname
gemaakt van de leefomgeving. Ze bekeken hoe het er nu voorstaat met de kwaliteit van
het milieu en de omgeving, en hoe dit eruitziet als we niks veranderen (de referentiesituatie).
Daarna hebben ze de gevolgen van de plannen in de concept-omgevingsvisie onderzocht.
Ook hierbij is gekeken naar de effecten op de kwaliteit van milieu en leefomgeving.
In dit hoofdstuk zetten we per thema de belangrijkste effecten op een rij, in vergelijking met de referentiesituatie.

5.1 Wonen en werken
Door in elk dorp woningen te bouwen op basis van de lokale behoefte, verbetert het woningaanbod en blijven voorzieningen beter behouden, vooral in de kleinere kernen. De leefbaarheid is in de huidige situatie al goed, maar zal verder verbeteren door meer aandacht voor ontmoeten, spelen en bewegen in en rond de dorpen. Ook veilige fiets- en wandelroutes tussen de dorpen dragen daaraan bij. In de natuurbuffers rond kwetsbare natuurgebieden zijn er bovendien kansen om de sociale samenhang te versterken en het toeristische en recreatieve aanbod uit te breiden, zolang dat de natuur niet schaadt.
In gebieden waar we de nadruk leggen op economische ontwikkeling en productie, krijgen lokale ondernemers meer ruimte. Op het gebied van werken is er veel veranderd ten opzichte van het rapport van de OER, waardoor de effecten hiervan nu lastig te vergelijken zijn.
De gebiedsgerichte aanpak per landschapstype heeft een positief effect op de vitaliteit van de agrarische sector. De druk op deze sector blijft, maar de kwaliteit van de landbouw verbetert. Omdat het landbouwbeleid inmiddels verder is uitgewerkt dan in het eerdere OERrapport, is het goed om dit in een nieuwe versie van het rapport specifieker toe te lichten.
5.2 Bereikbaarheid
Door het inzetten op lokale vervoersalternatieven in plaats van de bus, wordt de bereikbaarheid van kleine kernen iets beter. In de OER is op dit moment nog geen rekening gehouden met mogelijke ontwikkelingen rond het station Horst-Sevenum
5.3 Gezonde en veilige leefomgeving
De aanleg van kernrandzones rond de dorpen zorgt voor een positief effect op het milieu, zoals minder geluid, betere luchtkwaliteit, minder geurhinder en meer veiligheid. Voor veehouderijen geldt een aanbevolen afstand van 250 meter tot woongebieden. Voor geitenhouderijen is dat minimaal 2000 meter vanwege gezondheidsrisico’s. Voor bedrijven op bedrijventerreinen gelden per milieucategorie bepaalde aanbevolen afstanden tot woningen, zoals te zien is in de bijbehorende afbeelding. Door bedrijven met een groot gezondheids- of milieurisico te verplaatsen naar locaties buiten deze zones, wordt de blootstelling van inwoners aan schadelijke effecten kleiner. Ook het vergroten van de leefbaarheid heeft een positief effect op de gezondheid van inwoners. Door de kernwaarden veiligheid toe te passen, maken we bewuste keuzes op het gebied van veiligheid. Verder zorgen veilige fiets- en wandelverbindingen tussen dorpen, naar speelplekken en ontmoetingsplekken, én het toepassen van het STOMP-principe (stappen, trappen, ov, deelvervoer, privéauto), voor positieve effecten op geluid, luchtkwaliteit, bereikbaarheid en veiligheidsgevoel.
5.4 Bescherming ondergrond en bovengrond
Om het natuurlijke bodem- en watersysteem te herstellen, is het belangrijk om meer variatie in de landbouw te stimuleren en minder kunstmest en monoculturen te gebruiken. Technische vernieuwing helpt daarbij, maar is niet de enige oplossing.
Door te kiezen voor de principes ‘de juiste functie op de juiste plek’, ‘bodem en water mede sturend’ en het aanleggen van natuurbuffers rond kwetsbare natuurgebieden, verbetert de kwaliteit van het landschap en van bodem en water. Ook het zorgvuldig kiezen van woningbouwlocaties met oog voor waardevolle natuur en landschap zorgt voor een positief effect. Erfgoed krijgt een belangrijkere plek in de visie. Dat draagt bij aan het behoud van de kwaliteit van het landschap.
5.5 Natuurkwaliteit
Door natuurgebieden beter met elkaar te verbinden en nieuwe verbindingen te maken,
verbetert de natuurkwaliteit. De aanleg van De Peelbuffer en de buffers rond kwetsbare
natuurgebieden helpt daarbij.
Ook het vergroenen van bedrijventerreinen en het aanleggen van kernrandzones dragen
bij aan meer biodiversiteit.
5.6 Energie en circulariteit
Met het huidige beleid lukt het waarschijnlijk niet om in 2050 volledig klimaatneutraal
te zijn, zoals de Europese Unie wil. De gemeente wekt in 2040 voldoende duurzame energie
op om aan de RESdoelstelling van duurzame opwek te voldoen. Op het gebied van circulaire
economie en energiesystemen zijn er nog veel nieuwe ontwikkelingen te verwachten.
Daarom is het moeilijk te zeggen in de OER, boven op de plannen die er al zijn, wat
deze plannen voor effect gaan hebben.
6 Uitvoeringsprogramma
6.1 De uitvoering
In deze omgevingsvisie staat wat de gemeente belangrijk vindt voor de inrichting van onze omgeving, nu én in de toekomst. In de vorige hoofdstukken hebben we verteld welke richting we op willen en wat daarvoor nodig is.
Deze visie heeft een ‘zelfbindend karakter’. Dat betekent: als de gemeenteraad de visie goedkeurt, moet de gemeente zich aan deze afspraken houden. De visie wordt dan een belangrijk uitgangspunt bij besluiten over de ruimte, het afwegen of nieuwe initiatieven passen bij de gewenste ontwikkelrichting en het maken van omgevingsprogramma's en omgevingsplannen..
In dit hoofdstuk leggen we uit hoe we onze plannen echt gaan uitvoeren. Hiervoor gebruiken we verschillende hulpmiddelen (instrumenten):
-
Omgevingsprogramma’s: hierin werken we uit hoe we bepaalde doelen willen bereiken.
-
Omgevingsplan: dit vervangt het oude bestemmingsplan en bepaalt wat er waar mag gebeuren in de gemeente.
-
Kostenverhaal: hiermee zorgen we dat ontwikkelaars meebetalen aan bijvoorbeeld wegen, groen of voorzieningen als zij ergens gaan bouwen.

6.2 Omgevingsprogramma’s
Omgevingsprogramma’s zijn een belangrijk instrument uit de Omgevingswet. Met deze programma’s werken we plannen uit of voeren we ze uit. In elk programma staat hoe we van de huidige situatie naar de gewenste situatie willen komen. Soms moeten we daarvoor eerst de grote keuzes uit deze omgevingsvisie verder uitwerken. Dit kan gaan over een bepaald thema (zoals economie of mobiliteit) of over een gebied (zoals bedrijventerreinen of alle dorpskernen met de kernrandzones). In elk programma beschrijven we maatregelen om het beleid uit te voeren. Die maatregelen kunnen bijvoorbeeld zijn:
-
Nieuwe regels in het omgevingsplan.
-
Beleidsregels: daarin leggen we uit hoe we keuzes maken of hoe we wetten toepassen.
-
Financiële middelen, zoals subsidies, investeringen of leningen.
-
Projecten of andere acties die we echt gaan uitvoeren.
Soms zijn deze programma’s verplicht zoals Wonen, Mobiliteit en Energie.
Voor de niet-verplichte programma’s is de gemeente vrij in de keuze hoe we dit vormgeven. We kiezen ervoor om met grotere algemene thematische programma’s te beginnen.
We maken voor elk programma een opdrachtbeschrijving. Daarin staat wat het doel van het programma is en wat het programma moet bijdragen aan het behalen van de omgevingsvisie.

Hoe en wanneer maken we omgevingsprogramma’s?
De omgevingsprogramma’s gaan we de komende jaren verder uitwerken en opbouwen met
bouwstenen (beleid op deelonderwerpen) en waar nodig werken we zaken gebiedsgericht
uit. Bestaand beleid en visies worden gaandeweg dit traject ingetrokken of herzien.
We nemen dit mee in de begrotingscyclus (het proces waarin we de plannen en het geld
voor het komende jaar vastleggen). Zo zorgen we voor een slimme inzet van geld en
mensen.
Gebiedsgerichte Aanpak
Een Gebiedsgerichte Aanpak is een langjarige, integrale inzet van maatregelen in een bepaald gebied waar sprake is van een opeenstapeling van maatschappelijke opgaven. Hierbij werken verschillende organisaties zoals gemeenten, provincie, waterschap, belangenverenigingen en inwoners samen om de leefbaarheid, veiligheid, economie en duurzaamheid van het gebied te verbeteren. De Gebiedsgerichte Aanpak Gedeelde Peel is een voorbeeld dat op gemeentelijk niveau wordt uitgewerkt op basis van de strategische hoofdlijnen die vastliggen in de Omgevingsvisie.
6.3 Omgevingsplan
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de gemeente een Omgevingsplan van rechtswege. Hiertoe behoren alle bestemmingsplannen, de bruidsschat en de van toepassing zijnde verordeningen op het gebied van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet is bepaald welke verordeningen dan zijn.
De gemeente bouwt gedurende de transitieperiode tot 2032 aan het Omgevingsplan Horst aan de Maas ‘nieuwe stijl’. Dit gebeurt primair gebiedsgericht. Dit heeft als voordeel dat de regels in het omgevingsplan integraal en in afstemming met elkaar voor dat gebied worden opgesteld. We sluiten echter een thematische benadering niet uit, indien blijkt dat die aanpak nodig of noodzakelijk is.
We starten met de kernen, in het bijzonder de kern Meterik. Hier zijn relatief weinig ontwikkelingen in de kern voorzien en er is in 2023 een bestemmingsplan voor Meteriks Veld fase 2 vastgesteld waarin de recente regels met betrekking tot wonen zijn opgenomen.
Later gedurende de transitieperiode werken we ook andere gebieden uit zoals de bedrijventerreinen en het buitengebied. In deze gebieden spelen meer opgaves en ambities die volgen uit de omgevingsvisie die eerst uitwerking behoeven, of uit beleid van hogere overheden, dat doorwerking behoeft.
We volgen bij het opstellen van het Omgevingsplan de beleidscyclus en het beleidshuis zoals volgt uit de Omgevingswet. De ambities worden in de omgevingsvisie bepaald en verder uitgewerkt in omgevingsprogramma’s. Zo wordt duidelijk welk instrumentarium wordt ingezet om de doelstellingen te bereiken. Eén van de mogelijkheden die daarbij toegepast zal worden is de doorvertaling van dit beleid naar regels in het Omgevingsplan Horst aan de Maas.
6.4 Kostenverhaal
Bij het uitvoeren van ons grondbeleid maken we als gemeente gebruik van de wettelijke mogelijkheden voor kostenverhaal en financiële bijdragen. Dit betekent dat we als gemeente kosten kunnen verhalen op initiatiefnemers van wettelijk bepaalde bouwactiviteiten. Het gaat dan om nieuwe functies zoals wonen of bedrijvigheid en gebiedseigen kosten zoals GKM en TOV.
De kosten die we kunnen verhalen, hebben onder andere betrekking op:
-
Gemeentelijke kosten voor ruimtelijke procedures (plankosten).
-
Aanpassingen aan de openbare ruimte.
-
Financiële bijdragen aan andere gemeentelijke investeringen.
-
Bijzondere gebiedseigen kosten zoals GKM en TOV.
Het heeft onze voorkeur om hierover vrijwillige afspraken te maken met grondeigenaren.
We sluiten dan als gemeente een overeenkomst met de eigenaar.
Die afspraken maken we op basis van het privaatrecht. Lukt het niet om vrijwillig
afspraken te maken, dan biedt de Omgevingswet ons de mogelijkheid om bijdragen aan
investeringen af te dwingen.
Voor het kostenverhaal zijn er verschillende instrumenten beschikbaar:
-
Gemeentelijke grondexploitaties.
-
Publiek-private samenwerkingen.
-
Overeenkomsten over kostenverhaal en financiële bijdragen (zowel vooraf als achteraf).
-
Regels over kostenverhaal in het omgevingsplan.
Bij deze omgevingsvisie horen investeringen die nodig zijn om de gemeente leefbaar en bereikbaar te houden. We investeren de komende decennia in onder andere stedelijke herstructurering, landschapsversterking, mobiliteit, maatschappelijke voorzieningen, duurzaamheid en sociale woningbouw.
Deze investeringen lopen als het kan gelijk op met de bouw van woon- en werkgebieden, maar dat is niet altijd mogelijk. Soms moet de gemeente vooraf investeren. In zo’n geval spreken we van een vorm van voorfinanciering.Op basis van de Omgevingswet kunnen we als gemeente bij de indiening van een aanvraag omgevingsvergunning de initiatiefnemers voor een proportioneel deel laten meebetalen aan de genoemde investeringen. Alle bouwprojecten profiteren tenslotte van deze investeringen. Dit is ‘afdwingbaar kostenverhaal’. De Omgevingswet geeft overigens ook een grondslag voor afspraken over een vrijwillige financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied.
Volgens de Omgevingswet kunnen we initiatiefnemers bij het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning verplichten om naar verhouding mee te betalen aan deze investeringen. Alle bouwprojecten profiteren immers van de verbeteringen in de leefomgeving. De wet biedt ook ruimte om vrijwillige afspraken te maken over financiële bijdragen voor gebiedsontwikkelingen. We willen als gemeente gebruik maken van deze wettelijke mogelijkheden. Daarbij geldt dat elk initiatief binnen onze gemeente, in een kern of specifieke wijk, een eerlijke bijdrage moet leveren aan bovenwijkse investeringen en andere financiële bijdragen. In de nota kostenverhaal – die wordt uitgewerkt tot een beleidsdeel en een programma kostenverhaal – leggen we de spelregels hiervoor vast. Daarin beschrijven we ook het compensatiebeginsel. Dit beginsel houdt in dat als een initiatiefnemer niet aan bepaalde voorwaarden kan voldoen, hij in plaats daarvan een bijdrage moet leveren aan een gemeentelijk fonds dat zich richt op hetzelfde onderwerp. Bij voorkeur voldoet de initiatiefnemer aan de voorwaarde op zijn eigen terrein. Als dat nietmogelijk of wenselijk is, en de gemeente ziet kansen om het op een andere plek op te lossen, dan kunnen we alsnog meewerken. De initiatiefnemer moet dan wel zijn deel van de investeringskosten betalen.
Voorbeelden hiervan zijn:
-
Parkeernormen: als de parkeergelegenheid niet op eigen terrein gerealiseerd kan worden, kan een bijdrage gevraagd worden aan een parkeerfonds. Daarmee maken we als gemeente parkeerruimte in de omgeving.
-
Groen- of natuurcompensatie: als er op eigen terrein geen ruimte is, kunnen wij als gemeente zorgen voor compensatie op een andere plek. De initiatiefnemer betaalt dan de kosten daarvan.
In de nota en/of het programma kostenverhaal en financiële bijdragen zal worden aangegeven of Greenport Venlo als afzonderlijk kostenverhaalsgebied moet worden beschouwd. Als daar niet toe besloten wordt, dan dragen initiatieven in het Greenportgebied niet alleen bij aan investeringen in het Greenportgebied, maar ook aan overige investeringen in de gemeente Horst aan de Maas.
7 Definitielijst
Brede welvaart:
de kwaliteit van leven hier en nu en de mate waarin deze ten koste gaat van de brede welvaart van latere generaties of van die van mensen ergens anders in de wereld. Het is een maatstaf voor welvaart, gemeten door het CBS. Brede welvaart omvat meer dan alleen economie en inkomen. Het gaat ook over de gezondheid, het onderwijsniveau, het gevoel van veiligheid van mensen, de hechtheid van de samenleving, de toegankelijkheid van voorzieningen, de kwaliteit van de natuurlijke leefomgeving en vele andere aspecten die het leven en welzijn van mensen beïnvloeden. Het CBS publiceert elk jaar de Monitor Brede Welvaart & Sustainable Development Goals. Hierin staat het huidige niveau, maar ook in hoeverre dit welvaartsstreven een druk legt op de volgende generaties en andere landen. http://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/brede-welvaart
Positieve gezondheid:
omvat een bredere blik op gezondheid. Het gaat om meer dan alleen ‘niet ziek’ zijn. Bij Positieve Gezondheid ligt het accent op de mensen zelf, op hun veerkracht en wat hun leven betekenisvol maakt. Positieve Gezondheid kent zes dimensies:
-
a.
Lichaamsfuncties,
-
b.
Zingeving,
-
c.
Mentaal welbevinden,
-
d.
Kwaliteit van leven,
-
e.
Meedoen,
-
f.
Dagelijks functioneren.
Met die brede kijk dragen we bij aan het vermogen van mensen om met fysieke, emotionele en sociale uitdagingen in het leven om te gaan. En om zoveel mogelijk eigen regie te voeren. https://www.iph.nl/
Gebiedsgerichte aanpak (gga):
een langjarige, integrale inzet van maatregelen in een bepaald gebied waar sprake is van een opeenstapeling van maatschappelijke opgaven. Hierbij werken verschillende organisaties zoals gemeenten, provincie, waterschap, belangenverenigingen en inwoners samen om de leefbaarheid, veiligheid, economie en duurzaamheid van het gebied te verbeteren.
Intensieve veehouderij:
niet-grondgebonden veehouderijsystemen met een hoge mate van specialisatie en schaalvergroting, waarbij dieren voornamelijk binnen worden gehouden en de productie gericht is op maximale efficiëntie en opbrengst.
Natuurinclusieve landbouw:
integreert natuurlijke processen in landbouwsystemen en streeft naar een balans tussen productie, biodiversiteit en ecosysteemdiensten. (Wageningen University & Research). Dit is de meest gebruikte en geaccepteerde definitie.
Glastuinbouwbedrijf:
Glastuinbouwbedrijven zijn niet grondgebonden omdat het land zelf niet de primaire groeiomgeving is maar kassen en efficiënte voorzieningen voor water en voeding het overnemen.
Projectvestigingsgebied glastuinbouw:
In z’n algemeenheid dienen de projectvestigingsgebieden glastuinbouw om meer ruimte te creëren voor glastuinbouwbedrijvenbedrijven die in glastuinbouwconcentratiegebieden en in het overige buitengebied geen uitbreidingsmogelijkheden hebben.
Uitbreiding bedrijventerreinen exploitatiegebieden:
Grondgebonden landbouw:
Betreft agrarische bedrijven waarvan de productie niet (overwegend) baseren op het vermogen van onbebouwde grond in hun directe omgeving. Voorbeelden zijn veel varkenshouderijen, pluimveehouderijen en vleeskalverhouderijen, waarbij het voer extern wordt aangekocht en de mest elders wordt afgevoerd of verwerkt.
Niet grondgebonden landbouw:
Betreft agrarische bedrijven waarvan de productie niet (overwegend) baseren op het vermogen van onbebouwde grond in hun directe omgeving. Voorbeelden zijn veel varkenshouderijen, pluimveehouderijen en vleeskalverhouderijen, waarbij het voer extern wordt aangekocht en de mest elders wordt afgevoerd of verwerkt.
Nieuw landgoed:
Een nieuw landgoed bestaat uit minimaal 10 hectare groen. Binnen deze 10 hectare mogen maximaal 4 wooneenheden gerealiseerd worden. De tegenprestatie wordt in beginsel berekend op basis van de Nota kostenverhaal. Wanneer men meer wooneenheden wil realiseren geldt dat per wooneenheid minimaal 2,5 hectare groen gerealiseerd dient te worden. Voor een nieuw landgoed dient te allen tijde een buitenplanse procedure doorlopen te worden, te beginnen met een vooroverlegverzoek.
Kringlooplandbouw:
een systeem dat draait op het principe dat alle biomassa optimaal wordt gebruikt.
Circulaire grondstofstromen:
Het beheer en gebruik van grondstoffen waarbij de focus ligt op afname van omvang van grondstofstromen in
-
Natuurinclusief bouwen:
Bewust ruimte voor biodiversiteit creëren op, aan of in het gebouw of de (openbare) omgeving, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. -
Biodiversiteit:
De variatie aan planten- en diersoorten en hun leefgebieden, zoals inheemse bomen, struiken en bloemen. Deze definitie benadrukt de rijkdom aan verschillende levensvormen en de diverse omgevingen waarin zij zich bevinden, wat essentieel is voor het behoud van een gezond ecosysteem (Provincie Limburg).
Milieuzonering en milieucategorie:
Om te komen tot een verantwoorde toedeling van functies aan locaties wordt gebruik gemaakt van zogenaamde milieuzonering. Hieronder wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding (door middel van richtafstanden) tussen enerzijds milieubelastende bedrijven of inrichtingen, anderzijds milieugevoelige functies als (bedrijfs) woningen, zorginstellingen, onderwijsinstellingen, kinderopvang. In principe is bedrijvigheid behorende tot milieucategorie 1 goed te mengen met de functie wonen en in gemengd gebied, dit geldt in de meeste gevallen ook voor de categorie 2-bedrijven. Dit wordt gezien als lichte bedrijvigheid met geringe geur- en/ of geluidsemissies. Nieuwe bedrijvigheid vanaf categorie 3 (dus vanaf 3.1 en 3.2) vinden we niet wenselijk in gemengd gebied (nabij woningen). Het heeft de voorkeur om deze bedrijvigheid te clusteren en een zonering in acht te nemen (middelzware bedrijvigheid). Vanaf categorie 4 en hoger is menging met milieugevoelige functies niet mogelijk (zware bedrijvigheid). Dit betekent dat bedrijven met milieucategorie 1 en 2 inpasbaar zijn binnen een woonomgeving. Milieucategorie 3 en hoger niet, deze worden bij voorkeur gevestigd op een bedrijventerrein. Deze dienen gevestigd te worden op een bedrijventerrein. Bij voorkeur komen nieuwe bedrijven vanaf 3.1 op bedrijventerreinen. In de transitieperiode wordt vooralsnog gebruik gemaakt van de milieucategorisering zoals vóór de inwerkingtreding Omgevingswet gehanteerd werd. Fasegewijs wordt in de verdere uitwerking van de ruimtelijke kerninstrumenten zoals bedoeld onder de Omgevingswet vormgegeven.
Kleinschalige toerisme en recreatie:
Kleinschalige toerisme en recreatie zijn activiteiten, die op beperkte schaal worden aangeboden, vaak in een landelijke of natuurlijke omgeving. Het gaat meestal om bedrijven of initiatieven die gericht zijn op rust, natuurbeleving en persoonlijke aandacht, met een beperkte impact op de omgeving. Kenmerkend is een beperkt aantal bezoekers, een lokale inbedding (b.v. gerund door lokale ondernemers) en een lage milieubelasting. Deze activiteiten nemen vaak niet meer ruimte in beslag dan een (deel van een) gebouw of erf.
Grootschalige toerisme en recreatie:
Grootschalige toerisme en recreatie zijn activiteiten die bedoeld zijn voor een groot aantal bezoekers, vaak commercieel van opzet zijn en met een aanzienlijke ruimtelijke, sociale of ecologische impact. Deze vormen van recreatie zijn meestal geconcentreerd op specifieke locaties en trekken vaak bezoekers van buiten de regio aan.
Particuliere woningbouw binnen en buiten bebouwingscontour:
Wanneer sprake is van het oplossen van grote ruimtelijke knelpunten wordt in specifieke gevallen onder voorwaarden particuliere woningbouw voor toevoegen van 1 (maximaal 2) woning(en) overwogen. Of sprake is van grote ruimtelijke knelpunten in specifieke gevallen, evenals de voorwaarden voor de particuliere woningbouw dienen vastgesteld te worden in het vooroverlegtraject. Waarbij rekening gehouden moet worden met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, evenals de geldende wet- en regelgeving. Een verzoek voor meer dan 2 woningen wordt gezien als een buitenplanse projectmatige ontwikkeling en valt dus niet onder deze definitie.
Inhoudsmaat van woningen buiten de bebouwingscontour:
De standaard inhoudsmaat van een woning is 750 m3 buiten de bebouwingscontour en het bouwperceel heeft een minimale oppervlakte van 750 m2. Wanneer een aanvrager de inhoud wil vergroten naar 1.000 m3 gelden hiervoor verzwaarde eisen. Of meegewerkt wordt aan een vergroting van de inhoudsmaat van een woning buiten de bebouwingscontour dient vastgesteld te worden in het vooroverlegtraject. Waarbij rekening gehouden moet worden met de evenwichtige toedeling van functies aan locaties, evenals de geldende wet- en regelgeving.
Kernrandzone:
Een kernrandzone is een overgangsgebied van 250 meter tussen een dorpskern en de omgeving. Deze kernrandzone is een aantrekkelijke zone voor de inwoners van de kernen, waarin we in principe de toekomstige woningbouwlocaties zoeken. Daarnaast is deze kernrandzone voor inwoners extra aantrekkelijk om te kunnen recreëren. Een kernrandzone is een gebied rondom de kernen waarin we een groene leefomgeving extra belangrijk vinden. We zetten daarmee een kernrandzone niet op slot, want bedrijvigheid in milieucategorie 1 en 2 blijft mogelijk (ook nieuwe activiteiten) en bestaande rechten blijven behouden. Ook akkerbouw in de kernrandzones vinden we aantrekkelijk.
Bijlagen
8 Kernkwaliteiten
Intro
Uit onderzoek blijkt dat inwoners het wonen in hun dorp gemiddeld met een 7,6 waarderen. Dat is een mooi resultaat. De aanwezigheid van voorzieningen dichtbij, de rust en het vele groen in de omgeving dragen hieraan bij. Actieve gezondheid is een belangrijke, niet-fysieke kernwaarde van onze leefomgeving. Als het gaat om fysieke kwaliteiten, valt onze omgeving op door:
8.1 Unieke landschappen en rijk erfgoed
Landschappen
De natuur en het gevarieerde landschap in Horst aan de Maas zijn bijzonder. Ze vormen een waardevol bezit voor zowel inwoners als bezoekers. De gemeente kent twee karakteristieke landschappen: het veenlandschap met de Peel en de Maasvallei. Daartussen ligt het zandlandschap, waarin de Grote Molenbeek een centrale rol speelt. Deze afwisseling is ontstaan door verschillen in de bodem en waterhuishouding: van hoogveen in het westen tot zandgronden en rivierdal in het oosten.
Het veenlandschap met De Peel
Het veenlandschap in Horst aan de Maas is nauw verbonden met De Peel, een hoogveenmoeras dat duizenden jaren geleden is ontstaan. Door de groei van veenmossen ontstonden dikke, vochtige lagen turf. De moerassige bodem maakte het gebied moeilijk begaanbaar. Toch werd het vanaf de middeleeuwen gebruikt voor turfwinning. In de 19e eeuw werd deze winning grootschaliger, mede door de aanleg van kanalen zoals de Helenavaart. Turf kon daardoor per schip worden afgevoerd. Het dorp Griendtsveen ontstond rond 1853 dankzij de turfwinning van de gebroeders Van de Griendt. Het dorp ontwikkelde zich op een knooppunt van spoorlijn, weg en kanaal. Hier lag station Helenaveen en stonden meerdere turfstrooiselfabrieken. Ook Evertsoord, dat in de jaren ’50 en ’60 werd gebouwd, laat de sporen zien van de grootschalige ontginningen van die tijd.
Tegenwoordig is het veenlandschap voor een deel hersteld en heeft het de status van beschermd natuurgebied.
Het zandlandschap
Het zandlandschap in Horst aan de Maas ligt op hoger gelegen zandgronden. Deze gronden zijn gevormd door eeuwenlange invloed van wind en water. Dit type landschap komt vooral voor rond dorpen als Sevenum, Horst en America. Een belangrijke waterloop in dit gebied is de Grote Molenbeek, samen met haar kleinere zijbeken. Zij vormen een centrale structuur in het landschap.
De dorpen ontstonden op plekken waar het hoger en droger terrein overging in lagere, nattere gebieden. Langs de beekdalen lagen de weidegronden, terwijl de akkers op de hogere zandgronden lagen.
Het oude bouwland in dit gebied is van cultuurhistorisch belang. Dat geldt ook voor de historische dorpskernen, kerken, boerderijen en kastelen. Op de kaart ‘historische geografie’ is een zone te zien met oud bouwland langs de Grote Molenbeek en de Maas. Voorbeelden van waardevol erfgoed in het zandlandschap zijn het Kasteelpark met de ruïne Huys ter Horst, Kasteel De Borggraaf en Kasteel Kaldenbroek. Ook de beekdalen, oude wegenstructuren en historische akkercomplexen dragen bij aan de rijke cultuurgeschiedenis van dit gebied.
Het Maaslandschap
Het Maaslandschap ligt langs de oevers van de Maas. Door overstromingen heeft de rivier hier vruchtbare kleigronden afgezet. Deze gronden zijn al eeuwenlang belangrijk voor de landbouw. Er liggen uitgestrekte akkers en weilanden waar onder andere graan, maïs en asperges worden geteeld.
Langs de rivier vinden we ook waardevolle landschapselementen, zoals getrapte Maas-terrassen, rivierduinen en oude Maasarmen. De akkergebieden en historische dorpen liggen op de hogere ruggen van het landschap. Daaromheen liggen oude rivierlopen met daartussen ken-merkende boerderijen, buitenplaatsen, kapellen en molens. Maaspark Ooijen-Wanssum en het Schuitwater zijn voorbeelden van voormalige Maasarmen. In Maaspark Noord-Limburg is een oude Maasarm gedeeltelijk hersteld. Bij hoogwater stroomt het water hier weer tien kilometer met de rivier mee. De rivier heeft het landschap niet alleen vruchtbaar gemaakt, maar zorgde ook voor mogelijkheden om goederen te vervoeren en handel te drijven. Zo is het Maaslandschap een gebied waar natuur en cultuurgeschiedenis samenkomen.
Natuurgebieden
De gemeente Horst aan de Maas ligt tussen twee belangrijke Natura 2000-gebieden: De Peel (met de Deurnsche Peel en Mariapeel) aan de westkant, en De Maasduinen aan de oostkant, aan de overzijde van de Maas. In de verschillende landschappen van de gemeente liggen veel waardevolle natuur-gebieden. Veel van deze gebieden maken deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Voorbeelden zijn: De Peel, de Schadijkse Bossen, Steegberg, Heesbeemden, Elsbeemden, Maaspark Ooijen-Wanssum, het Lottumer Schuitwater, Kaldenbroek, Swolgenderheide, ’t Ham en de Reulsberg. Deze natuurgebieden zorgen samen voor een gevarieerd en aantrekkelijk landschap. Hieronder lichten we een aantal van deze gebieden verder toe.
De Peel: De Peel is een voormalig gebied voor turfwinning en nu een beschermd natuurgebied. Het is belangrijk voor het herstel van hoogveen. Je vindt er natte en droge heide, moerassen, bossen, vennen en open water. De Peel is een belangrijk gebied voor trekvogels, zoals de kraanvogel. Door vernatting en herstelmaatregelen komt het natuurlijke ecosysteem langzaam terug.
Schadijkse Bossen: De Schadijkse Bossen bij Meterik zijn aangelegd op vroegere stuifduinen. Het gebied bestaat uit loof- en naaldbossen, heide en open zandvlaktes. De stuifduinen zijn belangrijk voor soorten als de zandhagedis. Het is een populair wandel- en fietsgebied en biedt kansen voor natuurherstel, zoals het terugbrengen van heide.
Maaspark Ooyen Wanssum: Het Maaspark is ontstaan vanuit een project voor waterveiligheid. Je vindt er uiterwaarden, natte graslanden en bloemrijke weides. Planten als kattenstaart en dieren als de ijsvogel en bever profiteren hiervan. Het gebied is goed toegankelijk en biedt ruimte voor recreatie, zoals wandelen. Natuur en beleving gaan hier goed samen.
Het Schuitwater: Het Schuitwater bij Broekhuizen is een oud Maasmeandergebied met vennen, bos en natte graslanden. Het gebied is belangrijk voor soorten zoals de rietorchis, de bever en de boomkikker. Staatsbosbeheer zorgt voor het beheer, met aandacht voor biodiversiteit. Het is een rustige plek om te wandelen en te genieten van natuur.
Kaldenbroek: Kaldenbroek ligt bij Grubbenvorst en is een verlande Maasmeander. Het gebied heeft elzenen populierenbossen, graslanden en de Molenbeek van Lottum. Stichting Het Limburgs Landschap beheert het gebied, inclusief het historische Huize Kaldenbroek. De graslanden zijn van grote waarde en herbergen zeldzame plantensoorten van de rode lijst.
Erfgoed en cultuurhistorie
De cultuurhistorie van Horst aan de Maas is sterk verbonden met de geschiedenis van het landschap en de dorpen. Door de eeuwen heen speelden natuur, landbouw, industrie en religie een belangrijke rol in de ontwikkeling van het gebied. De gemeente heeft een rijke geschiedenis en een divers erfgoed. Door de ligging tussen het Maasland en de hogere zandgronden ontstonden verschillende cultuurlandschappen. Samen met de agrarische, ambachtelijke en industriële activiteiten door de eeuwen heen zorgde dit voor een grote variatie in bouwstijlen. Ook in de dorpen zelf zie je een brede verscheidenheid aan woonvormen. Deze variatie maakt de regio bijzonder. Erfgoed verbindt verleden, heden en toekomst en is een bron van inspiratie. Het landschap wordt gekenmerkt door historische boerderijen op kampen en velden, en door uitgestrekte akkers. De teelt van asperges, rozen, bomen en groenten onder glas heeft meegeholpen aan de culturele identiteit van de streek. Religie heeft een belangrijke invloed gehad die je terugziet in kerken, kapellen en wegkruisen. Bekende voorbeelden zijn de Sint-Lambertuskerk in Horst en de Mariakapel in Grubbenvorst. Ook kastelen, zoals de ruïne van Huys ter Horst, vertellen het verhaal van adellijke families en de regionale geschiedenis.
Daarnaast is er veel immaterieel erfgoed, zoals carnaval en de schutterijen. Deze tradities spelen een belangrijke rol in het sociale leven en versterken het gevoel van verbondenheid in de dorpen.
8.2 Hechte dorpen en een ondernemende samenleving
In de Middeleeuwen bestonden er in de regio al centrale dorpen met een eigen bestuur, zoals Horst, Sevenum, Grubbenvorst, Lottum, Broekhuizenvorst, Meerlo en Swolgen. Deze dorpen hadden een herkenbare opbouw: een centraal plein met vaak een kerk en wegen die vanuit omliggende buurtschappen naar het plein liepen. Deze structuur en de gebouwen daaromheen bepalen tot op de dag van vandaag het karakter van de dorpen.
De buurtschappen ontstonden als kleine concentraties van boerderijen rondom de centrale dorpen. Vanaf 1900 zijn sommige van deze buurtschappen uitgegroeid tot dorpen met een eigen kerk en voorzieningen, zoals Broekhuizen, Melderslo, Meterik, Hegelsom, Meerlo, Tienray en Kronenberg. Deze groei kwam vooral door ontwikkelingen in de landbouw, zoals het gebruik van kunstmest en door betere leefomstandigheden. Tienray ontwikkelde zich daarnaast vanaf 1875 tot een Maria-bedevaartsoord.
Door de ontginning van De Peel zijn er ook nieuwe dorpen ontstaan. Griendtsveen is een bijzonder voorbeeld van een veenkolonie. America ontstond op het kruispunt van een zandpad en de spoorlijn Venlo-Eindhoven. Evertsoord werd gesticht als werkgelegenheidsproject, maar de verwachte groei bleef uit, waardoor gezamenlijke voorzieningen beperkt bleven.
De pioniersmentaliteit van de mensen die De Peel ontgonnen leeft nog altijd voort. Het zijn doeners met een praktische instelling. De agrarische sector in Horst aan de Maas behoort inmiddels tot de wereldtop. Er zijn veel specialisaties ontstaan, zoals Grubbenvorst als aspergedorp. En een groot deel van de Nederlandse rozen en blauwe bessen komt uit deze regio.
Ook in de vrijetijdseconomie laat de gemeente ondernemerschap zien. Horst aan de Maas staat op de tweede plaats in Limburg als het gaat om toeristische overnachtingen. Met attractiepark Toverland heeft de gemeente een sterke regionale trekker, ook voor bezoekers uit Duitsland en België. Daarnaast ontwikkelde Grandorse zich tot een belangrijke locatie in de paardensector.
De gemeenschap in Horst aan de Maas is sterk verbonden. Mensen kennen elkaar en voelen zich betrokken bij hun dorp en omgeving. Dat blijkt uit het grote aantal burgerinitiatieven, een actief verenigingsleven en betrokkenheid bij wereldwijde vraagstukken. Inwoners steken graag de handen uit de mouwen. Dat zie je bijvoorbeeld terug in het initiatief Vervoer in America of het oprichten van een eigen schoolbestuur in Griendtsveen.
9 Landschapsplan Greenport Venlo
Intro
We hebben gezien dat de ruimtelijke structuur van een gebied de beleving ervan beïnvloedt. Een heldere opbouw zorgt voor duidelijkheid, oriëntatiemogelijkheden en draagt bij aan de visuele kwaliteit. Ook is beschreven dat de structuur van een gebied bestaat uit de zogenaamde ‘dragers’ en de tussengelegen gebieden.
Dragers worden gevormd door lijnvormige elementen zoals wegen, grotere groene gebieden en natuurlijke beekdalen. Het is belangrijk dat zowel de dragers als de tussengebieden goed herkenbaar zijn en een bepaalde eenheid en continuïteit bevatten. Om te komen tot een overzicht van de gewenste structuur is een landschapsstructuurkaart vervaardigd. Dit vormt de basis voor de verdere uitwerking tot het landschapsplan. In het maatregelenplan is aangegeven welke maatregelen nodig zijn om aan de gewenste structuur uitvoering te geven.
9.1 Landschapstructuurplan
Voordat het landschapsplan is opgesteld, is eerst een ruimtelijke vertaalslag gemaakt van het “Groenplan en indicatief uitvoeringsprogramma” als onderdeel van het Masterplan Klavertje 4 ineen landschapstructuurplan. Het “Groenplan en indicatief uitvoeringsprogramma” is vooral vanuit een kwantitatieve benadering tot stand gekomen. De landschapsstructuur geeft een eerste ruimtelijk wensbeeld voor het gehele plangebied van Klavertje 4 / Greenport Venlo. Zo wordt duidelijk dat de oostelijke staander vooral wordt vormgegeven door een stevige structuur van bossen met hiertussen open ruimten. In de westelijke staander (Groote Molenbeek en omgeving) wordt vooral ingezet op de herkenbaarheid van deze natuurlijke nattere structuurdrager. Dit wordt getracht te bereiken door de aanleg en stimulering van broekbossen in het bovenstroomse deel, het middendeel staat in het teken van een half-open beekdal dat als buffer tussen het toekomstige werklandschap en de kern Sevenum fungeert. Het landschap en de kern van Sevenum worden door de aanplant van laanstructuren langs oude wegen weer beter met elkaar verbonden. Het noordelijke deel van het dal van de Groote Molenbeek is open van karakter en ligt ingeklemd tussen de Reulsberg en een nieuwe bosstrook aan de oostzijde van de kern Horst en bedrijventerrein Hoogveld. De grootste ecologische barrières worden verholpen door de aanleg van faunapassages.
9.2 Landschapsplan
Het landschapsplan is ontstaan door een inhoudelijke verdiepingsslag van de gewenste landschapsstructuur. Het landschapsplan is een integraal plan waarin naast landschappelijke aspecten ook de volgende aspecten zijn meegenomen en tegen elkaar zijn afgewogen:
-
functionele ecologische eisen,
-
stedenbouwkundige en infrastructurele ruimtelijke ontwikkelingen,
-
agrarische en milieukundige aspecten zoals bijvoorbeeld archeologie en cultuurhistorie,
-
mitigerende en compenserende maatregelen,
-
afstemming met architectonische specificaties voor kunstwerken (bijvoorbeeld ecoducten),
-
realisatie rijksdoelstellingen (ecologische hoofdstructuur).
Door middel van het integrale landschapsplan worden partijen op een beeldende wijze geïnformeerd over het gewenste toekomstige landschap. De planhorizon van het landschapsplan is 2018. Aan de hand van het landschapsplan wordt op nauwkeurige wijze inzicht gegeven in de benodigde ruimteclaim en worden deelgebieden gedefinieerd. De verschillende deelgebieden worden beschreven en er wordt aangegeven welke transformatie hierbinnen wordt voorgesteld.
Het koppelen van kosten en baten aan het beoogde ambitieniveau geeft een beeld van de financiële haalbaarheid. Het aanbrengen van prioriteiten en het beschikbare kasritme zorgen voor een fasering in de uitvoering. Het landschapsplan is praktisch van opzet en vormt de basis voor de verdere doorontwikkeling van deelprojecten tot inrichtingsplan, subsidieaanvraag en besteksuitwerking.
Het landschapsplan maakt integraal deel uit van deze Omgevingsvisie.
10 Bovenlokale beleidsontwikkelingen en thema's vanuit omgevingswet
10.1 Bovenlokale beleidsontwikkelingen
Intro
De gemeente Horst aan de Maas moet zich houden aan de regels van het Rijk en de Provincie. Deze regels zijn vastgelegd in zogeheten instructieregels. Er is meer ruimte om invloed uit te oefenen binnen regionale, provinciale en landelijke programma’s, omdat de gemeente daarbij vaak meedenkt en meepraat. Het meest relevant zijn de Nationale Omgevingsvisie en aantal bijbehorende programma’s: Ruimte voor Landbouw en Natuur, NOVEX De Peel en de Regionale Energiestrategie Noord- en Midden- Limburg (RES NML). Ook de Structuurvisie Klavertje 4 is van belang, vooral voor de ontwikkeling van Greenport en de omgeving daaromheen.
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op dit moment ligt er een ontwerp Nota Ruimte ter inzage. Deze vervangt de bestaande Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De NOVI bindt het rijk en geeft voor de gemeente richting naar de toekomst. De huidige Nationale Omgevingsvisie van het Rijk heeft vier hoofdprioriteiten:
Ruimte voor Landbouw en Natuur
In september 2024 heeft het kabinet besloten om te stoppen met het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG). Als opvolger presenteerde het kabinet in november 2024 de nieuwe aanpak: Ruimte voor Landbouw en Natuur. Deze aanpak wil zorgen voor een betere balans tussen landbouw en natuur.
De strategie bevat algemene maatregelen die in heel Nederland gelden, bijvoorbeeld op het gebied van stikstof en klimaat. Daarnaast zijn er ook maatregelen die per regio verschillen. Een belangrijk onderdeel is het versterken van het Agrarisch Natuurbeheer. Agrariërs krijgen een beloning voor hun inzet op het gebied van natuur, water en klimaat. Zo wordt gewerkt aan natuurherstel én een toekomstbestendige landbouw.
Het kabinet kiest er bovendien voor om goede landbouwgrond te beschermen, ruimte te geven aan nieuwe natuur en verschillende functies in het landschap te combineren (zoals landbouw en natuur samen).
De Provincie Limburg diende in juni 2023 het concept Limburgs Programma Landelijk Gebied (LPLG) in. Hierin stonden onder meer plannen over het toekomstperspectief van sectoren, vergunningen, leefbaarheid en landschappelijke kwaliteit. In vier gebieden, waaronder de Peel, werd gewerkt aan een duurzame toekomst voor het landelijk gebied. Na het beëindigen van het NPLG is de basis voor het LPLG komen te vervallen. De Provincie denkt nu na over hoe zij haar doelen alsnog kan halen, binnen de nieuwe regels van het Rijk.
NOVEX De Peel
NOVEX is ontwikkeld om extra uitvoeringskracht te geven aan de NOVI. Dit gebeurt onder andere in zogeheten NOVEX-gebieden, zoals De Peel. In deze gebieden stapelen de nationale opgaven zich op, waardoor een gebiedsgerichte aanpak nodig is. De uitdagingen in De Peel zijn groot en urgent. Denk aan de landbouwtransitie, leefbaarheid op het platteland, stikstofaanpak, herstel van biodiversiteit, klimaatverandering, en de druk op de ruimte vanuit de regio Eindhoven.
Het doel is een goede balans tussen mens, natuur en milieu. De plannen in NOVEX De Peel sluiten goed aan op de omgevingsvisie van Horst aan de Maas. De focus ligt op thema’s als landschap, natuur, water, bodem, milieu en landbouw.
Regionale Energiestrategie Noord- en Midden-Limburg
Dit is de regionale uitwerking van het Nationaal Programma Regionale Energie Strategieën. De RESregio bestaat uit 15 gemeenten, de Provincie Limburg, Waterschap Limburg en Enexis. Ook inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties denken mee. Samen wordt onder andere onderzocht:
-
Hoe we meer energie kunnen besparen.
-
Waar duurzame energie kan worden opgewekt.
-
Hoe we duurzame energie kunnen opslaan en transporteren.
-
Hoe we stap voor stap van het aardgas af kunnen.
-
Hoe we zorgen voor een betrouwbaar en betaalbaar energiesysteem.
-
Hoe we het energiesysteem duurzaam kunnen maken.
-
Waar ruimte is om het energienetwerk uit te breiden.
Het Regionaal Energiebeeld van de RES wordt straks onderdeel van de Provinciale Energievisie, die op dit moment wordt opgesteld. We wekken dan zelf duurzame energie op en hebben een slim energiesysteem dat opwekking, gebruik, opslag én omslag met elkaar verbindt.
Intergemeentelijke Structuurvisie Klavertje 4 (2012)
De gemeenten Horst aan de Maas, Peel en Maas, Venlo en de Provincie Limburg werken samen aan een duurzaam werklandschap. In dit gebied is ruimte voor economische ontwikkeling én verbetering van het landschap.
Het gebied bestaat uit vier deelgebieden:
-
Trade Port Noord: een bedrijventerrein gericht op logistiek, agri-business en duurzame bedrijven.
-
Greenport Venlo: een agrofood-cluster voor productie, verwerking en distributie.
-
Nieuwe natuur en landschap: ontwikkeling van minstens 400 hectare nieuwe natuur en landschapsstructuur.
-
Mobiliteitsknooppunten: zoals de Greenport Bikeway en slimme combinaties van weg, water en spoor.
Duurzaamheid is de rode draad in de ontwikkeling. Cradle-to-cradle (C2C) is hierbij de inspiratie: een principe waarbij kringlopen worden gesloten en afval weer grondstof wordt.
Op de kaart is het ruimtelijk concept te zien. De werklandschappen worden geconcentreerd rondom bestaande bedrijventerreinen en glastuinbouwgebieden.
Dit zorgt voor kortere reisafstanden, voorkomt versnippering van het landschap en maakt het mogelijk om energie-uitwisseling tussen de deelgebieden (klavers) te organiseren.
Tegelijk wordt een stevige groene structuur ontwikkeld als tegenwicht voor de grootschalige verstedelijking. Deze groene structuur heeft de vorm van een ladder met twee staanders en twee sporten. De westelijke staander volgt het beekdal van de Groote Molenbeek. De oostelijke staander ligt onder andere bij Kraijelheide en Parc Zaarderheiken.
10.2 Thema’s vanuit Omgevingswet
Intro
De Omgevingswet zorgt voor een brede blik op de leefomgeving. De wet vraagt om een integrale benadering: verschillende onderwerpen worden niet los van elkaar bekeken, maar samen. Ook komen er met de wet nieuwe thema’s naar voren, zoals positieve gezondheid, milieu, duurzaamheid en veiligheid.
Positieve gezondheid
Gezondheid betekent niet alleen dat mensen niet ziek zijn. Het gaat ook om hoe mensen zich voelen, lichamelijk, mentaal en sociaal. De omgeving waarin mensen wonen, werken en leven, heeft hier veel invloed op. Denk aan schone lucht, weinig geluid of geur, een veilige buurt en ruimte om te bewegen.
De Omgevingswet geeft gemeenten de mogelijkheid om gezondheid en milieu beter op elkaar af te stemmen. Gemeenten mogen bijvoorbeeld eigen normen stellen voor geluid, geur of luchtkwaliteit. Deze moeten dan wel goed worden vastgelegd in het omgevingsplan.
Duurzaamheid
De Omgevingswet maakt duurzaamheid tot een belangrijk uitgangspunt. Het gaat hierbij
niet alleen over energie (zoals zon en wind), maar ook over natuur, biodiversiteit,
landbouw, bodem en water. Deze thema’s hangen met elkaar samen en maken deel uit van
een duurzame leefomgeving.
De wet helpt om duurzaamheid in samenhang te bekijken en op te nemen in het beleid.
Zo draagt het bij aan een leefbare omgeving voor nu én later.
Veiligheid
De Omgevingswet vraagt gemeenten om veiligheid vanaf het begin mee te nemen in hun plannen. Niet alleen achteraf regels handhaven, maar risico’s vooraf goed inschatten en voorkomen. Het gaat hierbij om onderwerpen als overstromingen, gevaarlijke stoffen en brandveiligheid, maar ook om ondermijning: criminele invloeden die de leefomgeving en samenleving kunnen ondermijnen. De wet helpt om veiligheid een vaste plek te geven in het omgevingsbeleid.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl

