Centrumregeling VVTH RegioVerte

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-02-2026

Intitulé

Centrumregeling VVTH RegioVerte

De colleges van burgemeester en wethouders en de burgemeesters van de gemeentes Heerlen en Voerendaal, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

Overwegende dat

  • De gemeente Voerendaal en de gemeente Heerlen ter stimulering van de kwaliteit en vergroting van de robuustheid de samenwerking wensen op te zoeken bij de uitoefening van de taken op het vlak van Veiligheid, Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving;

  • de gemeente Heerlen in staat en bereid is om daarvoor personele inzet te leveren;

  • dit bijdraagt aan de flexibiliteit, het kennisniveau, de draagkracht voor het in stand houden van functies, het bieden van aantrekkelijke arbeidsomstandigheden in de ambtelijke organisaties en een goede uitvoering van de gemeentelijke taken;

  • bestaande regionale samenwerkingsverbanden niet altijd in deze behoefte voorzien;

  • het oprichten van een aparte rechtspersoon hiervoor niet gewenst is en de sturing doelmatig en doelgericht moet zijn georganiseerd;

  • de samenwerking moet voldoen aan de eisen ingevolge de Mededingingswet, de Aanbestedingswet 2012 en de richtlijn EU 2014/24;

  • op 20 en 27 mei 2025 hebben de colleges, gehoord de wensen en bedenkingen van de gemeenteraden, het principebesluit genomen om hiervoor een centrumregeling te treffen;

  • Heerlen als centrumgemeente de positie krijgt om dit op een kwalitatief hoogwaardige en toekomstbestendige manier te organiseren;

  • Voerendaal als partnergemeente de positie krijgt haar eigen regie te kunnen voeren op de zakelijke keuzes in de dienstverlening;

  • de raden van Heerlen en Voerendaal aan hun colleges van burgemeester en wethouders en burgemeesters voor het treffen van deze centrumregeling op respectievelijk 25 en 26 juni 2025 deze toestemming hebben verleend, overeenkomstig artikel 1, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Gelet op

  • artikel 1, eerste lid jo. artikel 8, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • de Gemeentewet;

  • afdeling 10.1.1 van de Algemene wet bestuursrecht.

Besluiten

te treffen de navolgende Centrumregeling VVTH RegioVerte

Hoofdstuk 1 / Algemene bepalingen

Artikel 1 – Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    centrumgemeente: de gemeente Heerlen;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de centrumgemeente of van een partnergemeente(s);

  • c.

    deelnemers: de colleges en de burgemeesters van de centrumgemeente en de partnerge-meente(s);

  • d.

    partnergemeente(s): de gemeente Voerendaal en de gemeentes die eventueel op een later moment tot de centrumregeling toetreden;

  • e.

    gemeentes: de centrumgemeente en de partnergemeente(s);

  • f.

    ambtenaren: ambtenaren als bedoeld in artikel 1 van de Ambtenarenwet 2017, werkzaam bij de centrumgemeente, alsmede personen werkzaam voor de centrumgemeente waarbij deze de rol van dagelijks leidinggevende vervult;

  • g.

    regeling: de Centrumregeling VVTH RegioVerte.

Hoofdstuk 2 / Centrumconstructie

Artikel 2 – Belang

De gemeente Voerendaal en de gemeente Heerlen ter stimulering van de kwaliteit en vergroting van de robuustheid de samenwerking wensen op te zoeken bij de uitoefening van de taken op het vlak van Veiligheid, Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving.

Artikel 3 – Centrumgemeente

De gemeente Heerlen wordt aangewezen als centrumgemeente, bedoeld in artikel 8, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 4 – Bevoegdheden

  • 1. De centrumgemeente levert personele ondersteuning op de volgende gebieden:

    • a.

      Veiligheid

    • b.

      Vergunningverlening

    • c.

      Toezicht

    • d.

      Handhaving

  • 2. Ter uitvoering van de in het eerste lid opgenomen taken wordt een dienstverleningsovereen-komst afgesloten tussen de centrumgemeente en de partnergemeente, waarin de invulling van de taken nader wordt overeengekomen.

  • 3. De dienstverleningsovereenkomst kan in overleg tussen de centrumgemeente en de partnergemeente worden gewijzigd of beëindigd.

  • 4. De bevoegdheden die nodig zijn voor de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde taken worden bij mandaatbesluit door het college en de burgemeester van de partnergemeente opgedragen aan het college en de burgemeester van de centrumgemeente.

  • 5. Het college van de centrumgemeente aanvaardt het mandaat en de daarbij gegeven aanwijzingen.

  • 6. Het college en de burgemeester van de centrumgemeente verlenen ondermandaat overeenkomstig het algemeen mandaatbesluit van de centrumgemeente.

  • 7. Het vierde, vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op het verlenen van een volmacht tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen of het verlenen van een machtiging voor het verrichten van feitelijke handelingen.

Artikel 5 – Dienstverleningsovereenkomst

  • 1. In de dienstverleningsovereenkomst, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, worden in elk geval geregeld:

    • a.

      de kaders voor de uitvoering van de verschillende diensten;

    • b.

      afspraken over advisering op locatie;

    • c.

      afspraken over dienstverlening op locatie;

    • d.

      afspraken over gebruik van bedrijfsmiddelen;

    • e.

      de kwaliteitseisen waaraan de taakuitoefening door de centrumgemeente moet voldoen;

    • f.

      de vergoeding die de partnergemeente aan de centrumgemeente betaalt voor de uitvoering van de taken die volgen uit deze regeling en de kosten en risico’s die daarmee samen-hangen;

    • g.

      privacy, gegevensuitwisseling en gegevensbewerking;

    • h.

      overleggen op ambtelijk niveau, in aanvulling op het bepaalde in artikel 8;

    • i.

      de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de informatieplichten, bedoeld in de artikelen 9 tot en met 13;

    • j.

      de frequentie van facturering van de onderscheidenlijke diensten.

Artikel 6 – Looptijd dienstverleningsovereenkomst

  • 1. De eerste dienstverleningsovereenkomst heeft een looptijd van twee jaar en is niet opzegbaar.

  • 2. De dienstverleningsovereenkomst wordt daarna steeds stilzwijgend met één jaar verlengd en is opzegbaar met inachtname van een termijn van zes maanden.

  • 3. De colleges van de centrumgemeente en van de partnergemeente kunnen met wederzijds goedvinden afwijken van het bepaalde in de leden 1 en 2.

Artikel 7 – Bestuurlijk overleg

  • 1. De colleges en de burgemeesters van de deelnemers overleggen ten minste eenmaal per jaar met elkaar. De colleges komen voorts bijeen wanneer één van de colleges dit, onder schrifte-lijke opgaaf van redenen, noodzakelijk acht.

  • 2. Het extra bestuurlijk overleg, bedoeld in het eerste lid, wordt uiterlijk binnen vijf werkdagen na het verzoek van één van de colleges belegd, tenzij de colleges onderling een andere termijn afspreken.

  • 3. Het college van de centrumgemeente onderscheidenlijk het college van de partnergemeente kan zich in het overleg, bedoeld in het eerste lid, laten vertegenwoordigen door een of meerdere van zijn leden.

  • 4. De secretarissen van de gemeentes zijn tijdens het bestuurlijk overleg, bedoeld in het eerste lid, aanwezig.

Artikel 8 – Ambtelijk overleg

  • 1. De secretaris van de centrumgemeente overlegt ten minste tweemaal per jaar met de secretaris van de partnergemeente over de uitvoering van de dienstverleningsovereenkomst.

  • 2. De secretarissen kunnen zich laten vervangen in de in dit artikel bedoelde overleggen.

Artikel 9 – Informatievoorziening door college centrumgemeente

Het college of de secretaris van de centrumgemeente geeft het college van een partnergemeen-te alle inlichtingen die het college van die partnergemeente voor de uitoefening van zijn taak nodig heeft.

Artikel 10 – Informatievoorziening door partnergemeente

Het college of de secretaris van de partnergemeente geeft het college van de centrumgemeente alle inlichtingen die het college of een ambtenaar van de centrumgemeente voor de uitoefening van zijn taken, bedoeld in artikel 4, nodig heeft.

Artikel 11 – Ambtelijke informatievoorziening

De ambtenaren van de centrumgemeente geven het college en de ambtenaren van de partnergemeente alle door hen gevraagde inlichtingen omtrent de uitoefening van de hun opgedragen taken en bevoegdheden voor zover deze de partnergemeente betreffen en onverminderd de verantwoordelijkheden van het college van de centrumgemeente krachtens de wet of deze regeling.

Artikel 12 – Rekenkamer

De rekenkamer van een partnergemeente is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumgemeente te onderzoeken voor zover zij dat ter vervulling van haar taak als bedoeld in artikel 182, eerste lid, van de Gemeentewet nodig acht.

Artikel 13 – Accountant

  • 1. De accountant van de partnergemeente, bedoeld in artikel 213, tweede lid van de Gemeente-wet is bevoegd alle documenten die berusten bij het gemeentebestuur van de centrumge-meente te onderzoeken voor zover hij dat ter vervulling van zijn taak nodig acht.

  • 2. Het gemeentebestuur van de centrumgemeente verstrekt desgevraagd alle inlichtingen die de accountant van de partnergemeente ter vervulling van zijn taak als bedoeld in artikel 213 van de Gemeentewet nodig acht.

Hoofdstuk 3 / Geschillen over de toepassing van de centrumregeling

Artikel 14 – Werkwijze

  • 1. De deelnemers proberen geschillen zoveel als mogelijk onderling op te lossen door het voeren van een bestuurlijk overleg.

  • 2. Als dat overleg niet tot een oplossing leidt, kan het college van elk van de deelnemers het geschil, overeenkomstig artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voorleggen aan gedeputeerde staten van de provincie Limburg.

Hoofdstuk 4 / Wijziging, toetreding, uittreding en opheffing

Artikel 15 – Wijziging

Deze regeling kan door de deelnemers bij unaniem gelijkluidend besluit worden gewijzigd.

Artikel 16 – Toetreding

  • 1. Het college van een andere gemeente kan een verzoek tot toetreding richten aan het college van de centrumgemeente.

  • 2. Het college van de centrumgemeente stuurt een afschrift van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk aan het college van de partnergemeente met het verzoek om zijn zienswijze kenbaar te maken.

  • 3. Het college van de centrumgemeente kan voorwaarden verbinden aan de toetreding.

  • 4. Tot toetreding is besloten wanneer de deelnemers en het toetredende college bij unaniem en gelijkluidend besluit met de toetreding hebben ingestemd.

  • 5. De toetreding treedt in werking de eerste dag van de maand na het besluit, bedoeld in het vierde lid, of anders op een moment zoals in het toetredingsbesluit bepaald.

Artikel 17 – Opheffing

  • 1. Deze regeling wordt opgeheven bij unaniem en gelijkluidend besluit van de deelnemers.

  • 2. De colleges stellen de raden in de gelegenheid vooraf hun wensen en bedenkingen kenbaar te maken.

  • 3. Opheffing is behoudens bijzondere omstandigheden niet mogelijk in de twee jaar na de inwerkingtreding van deze regeling. Van bijzondere omstandigheden is slechts sprake als hierover tussen de deelnemers overeenstemming bestaat.

  • 4. Het college van de centrumgemeente stelt een opheffingsplan op, dat door de deelnemers wordt vastgesteld bij eenvoudige meerderheid. Het opheffingsplan voorziet in ieder geval in de verplichtingen van de partnergemeentes tot deelneming in de financiële en in de persone-le gevolgen van de opheffing.

  • 5. Het college van de centrumgemeente is belast met de uitvoering van het opheffingsplan.

Artikel 18 – Uittreding

  • 1. Dit artikel vindt uitsluitend toepassing indien de regeling drie of meer deelnemers kent. In geval van twee deelnemers dient te worden overgegaan tot opheffing.

  • 2. Een college en de burgemeester kunnen besluiten tot uittreding, onverminderd het bepaalde in artikel 1 van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Uittreding is niet mogelijk gedurende de eerste twee jaren na het instellen van deze centrumregeling.

  • 3. Een college en de burgemeester zenden, na toestemming van hun raad, het besluit tot uittreding aan de andere colleges en burgemeesters. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het college van de centrumgemeente het besluit heeft ontvangen.

  • 4. Het college en de burgemeester van de centrumgemeente inventariseren de gevolgen van de uittreding. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.

  • 5. Het college van de centrumgemeente stelt een uittredingsplan op dat door de deelnemers wordt vastgesteld bij eenvoudige meerderheid. In het uittredingsplan worden de kosten bepaald die de uittreder betaald voor frictie- en desintegratiekosten.

  • 6. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van een jaar na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij de deelnemers bij gelijkluidend en unaniem besluit een andere opzegtermijn overeen komen.

  • 7. Indien het college en de burgemeester van de centrumgemeente beslissen tot uittreding, dan nemen alle deelnemers binnen zes maanden een besluit of in plaats van de uittredings-procedure besloten wordt tot opheffing van de regeling.

Hoofdstuk 5 / Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 19 – Duur van de regeling

De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

Artikel 20 – Inzending en bekendmaking regeling

  • 1. Het college van de centrumgemeente is belast met de bekendmaking van deze regeling overeenkomstig artikel 26 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

  • 2. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op wijziging van, toetreding tot, uittreding uit en opheffing van de regeling.

Artikel 21 – Evaluatie

De regeling wordt ten minste eens per vier jaar geëvalueerd in opdracht van de deelnemers, voor het eerst in 2029. De deelnemers bepalen daarbij in onderling overleg de onderwerpen, werkwijze en planning van de evaluatie.

Artikel 22 – Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag van bekendmaking door het college van de centrumgemeente, als bedoeld in artikel 20, eerste lid.

Artikel 23 - Citeerwijze

Deze regeling wordt aangehaald als Centrumregeling VVTH RegioVerte.

Ondertekening

Burgemeester en wethouders van Voerendaal,

de secretaris,

de burgemeester,

de Burgemeester van Voerendaal,

Burgemeester en wethouders van Heerlen,

de burgemeester,

secretaris a.i.,

de Burgemeester van Heerlen,

Algemene toelichting Centrumregeling

Doel

De kern van deze samenwerking is terug te brengen tot één belangrijke doelstelling, namelijk een passende bedrijfsvoering van goede kwaliteit voor alle deelnemende gemeentes, dus zowel de centrumgemeente als de partnergemeente. Omdat de regeling ziet op bevoegdheden van zowel de burgemeester als van het college, wordt zij getroffen door beide bestuursorganen. In de onderstaande toelichting wordt steeds ook de burgemeester bedoeld als van het college gesproken wordt.

Waarom een centrumregeling?

Door middel van een gemeenschappelijke regeling kunnen bestuursorganen met elkaar samenwerken. Om de samenwerking daadwerkelijk de gewenste taken te kunnen laten uitvoeren, moeten er bevoegdheden ‘overgeheveld’ worden van – in dit geval – de partnergemeente naar de centrumgemeente. Anders kan én mag de centrumgemeente geen taken namens de partnergemeente uitoefenen. In tegenstelling tot bij andere vormen van gemeenschappelijke regelingen, is het bij een centrumregeling alleen mogelijk om bevoegdheden over te hevelen door middel van mandaat. Delegatie is niet mogelijk. Dat betekent dus dat, voor zover publiekrechtelijke bevoegdheden worden uitgeoefend door ambtenaren van de centrumgemeen-te, het college van de partnergemeente altijd volledig politiek en juridisch verantwoordelijk blijft voor de uitoefening van de taken. Deze overheveling vindt plaats op “collegeniveau”, waarna de mandaten in de organisatie van de centrumgemeente “landen” overeenkomstig het voor de centrumgemeente geldend Algemeen Mandaatbesluit.

Om die verantwoordelijkheid waar te kunnen maken kan het college van de partnergemeente algemene en concrete instructies geven. Zoals gebruikelijk bij mandaat kan het de bevoegdheid ook altijd nog zelf uitoefenen, door eigen ambtenaren in mandaat laten uitoefenen, of het mandaat intrekken. Daarnaast blijft het college van de partnergemeente de partij bij bezwaar en beroep, bij klachten en bij Woo verzoeken. Omdat de werkzaamheden binnen de structuur van de partnergemeente worden uitgeoefend, daar is althans in deze regeling voor gekozen, ligt de verantwoordelijkheid voor archivering en de AVG eveneens bij de partnergemeente.

De politieke verantwoordelijkheid van het college van een partnergemeente maakt ook dat de gemeenteraad het betreffende college ten volle ter verantwoording kan roepen (art. 169 Gemeentewet). Door de instructiebevoegdheden die het college heeft, functioneren de ambtenaren van de centrumgemeente bij de taakuitoefening feitelijk als ondergeschikten van de partnergemeente.

Aanbestedingsrecht

De partnergemeente is een aanbestedende dienst, als bedoeld in de Europese richtlijn 2014/24 en de Aanbestedingswet 2012. Dat betekent kort gezegd dat overheidsopdrachten voor leveringen en diensten moeten worden aanbesteed wanneer die een bepaald drempelbedrag te boven gaan. Van een overheidsopdracht voor diensten is sprake wanneer er een schriftelijke overeenkomst onder bezwarende titel is gesloten tussen een of meer aanbestedende diensten enerzijds (lees: de Voerendaal) en een of meer dienstverleners anderzijds (lees: Heerlen). Dat de gemeente Heerlen zelf ook een aanbestedende dienst is, doet niets af aan het feit dat zij in deze als opdrachtnemer optreedt. Er geldt dus voor de partnergemeente een aanbestedingsplicht, tenzij een van de uitzonderingen van toepassing is.

De Aanbestedingswet 2012 kent enkele uitzonderingen op de aanbestedingsplicht die specifiek zien op samenwerking tussen overheden. Het gaat dan om:

  • a.

    Alleenrecht (art. 2.24 Aw2012);

  • b.

    Eenzijdige inbesteding (art. 2.24a Aw2012);

  • c.

    Gezamenlijke inbesteding (art. 2.24b Awb2012), en

  • d.

    Horizontale publiek-publieke samenwerking (art. 2.24c Aw2012).

De eerste uitzondering is niet toepasbaar: daarbij verleent de ene aanbestedende dienst (lees: Voerendaal) aan een andere aanbestedende dienst (lees: Heerlen) een uitsluitend recht om in een bepaald gebied een bepaalde dienst te verrichten of een activiteit uit te oefenen. Daarnaast is het maar de vraag of het alleenrecht sowieso verenigbaar is met het Europees recht voor dit soort ondersteunende taken. De tweede en derde uitzondering zien op publiek-publieke samenwerkingen waarbij een nieuwe rechtspersoon wordt opgericht, zoals bijvoorbeeld het geval is bij de Stadsregio Parkstad Limburg. De vierde uitzondering die voor dit soort samenwerkingen tussen aanbestedende diensten bestaat is de zgn. horizontale publiek-publieke samenwerking. Daarvoor gelden echter wel enkele criteria.

Het belangrijkste criterium is dat het om samenwerking moet gaan. Het is daarbij niet voldoende dat bijvoorbeeld één gemeente diensten inkoopt bij een andere gemeente en daarvoor betaalt. Dan is immers sprake van een gewone overeenkomst tot opdracht, die ook aan een andere (private) partij zou kunnen worden uitbesteed. Er moet sprake zijn van echte samenwerking. De samenwerking moet in elk geval gebaseerd zijn op een samenwerkingsmodel. Het louter vergoeden van onkosten is dus niet voldoende om voor deze uitzondering in aanmerking te komen. Er moet sprake zijn van meer verplichtingen. Dat moet onder meer blijken uit de totstandkoming van de samenwerkingsovereenkomst. Een (niet onder de aanbestedingsplicht vallende) samenwerkingsovereenkomst onderscheidt zich dus van een gewone overeenkomst onder bezwarende titel door het feit dat niet alleen sprake is van een bijzonder samenwerkings-model, maar dat de totstandkoming is ingegeven door de intrinsieke behoefte aan samenwer-king. Hierbij stellen de deelnemende partijen gezamenlijk vast wat hun behoeften zijn en hoe aan die behoeften kan worden voldaan. Er moet sprake zijn van een gezamenlijke strategie waarbij de aanbestedende diensten hun inspanningen bundelen.

Bij de onderhavige centrumregeling is sprake van een gezamenlijke strategie doordat er eerst wordt onderhandeld over de precieze vormgeving, doelstellingen en de vraag waaraan alle deelnemende partijen behoefte hebben. Op basis van de uitkomst van deze onderhandelingen wordt de organisatie verder ingericht. Het gaat dus nadrukkelijk om een samenwerking, waarbij een gezamenlijke strategie wordt gekozen, en niet om een eenzijdige inrichting door de gemeente Heerlen. In de regeling komt deze gezamenlijkheid daarom dan ook tot uitdrukking. Dat Voerendaal geen diensten verleent maakt dat niet anders. Wel is het van belang dat niet alleen bij de totstandkoming sprake is van samenwerking, maar ook bij de toekomstige vormgeving en uitvoering. Daarom is het van belang dat de partijen goed blijven afstemmen over het functioneren van de samenwerking, over wat zij van elkaar verwachten en wat zij elkaar kunnen bieden om hun gemeenschappelijke doelstellingen te blijven waarmaken. In de regeling is daarin met verschillende overleggen voorzien.

Met deze randvoorwaarden is voldaan aan de criteria die aan deze uitzondering worden gesteld, naar de huidige stand van de jurisprudentie.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

In dit artikel zijn enkele voor zichzelf sprekende begripsbepalingen opgenomen die doorwerken in de gehele centrumregeling.

Artikel 2

Een gemeenschappelijke regeling, ook een centrumregeling, wordt altijd getroffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen van de deelnemende gemeentes (vgl. art. 1 lid 1 Wgr). Dat gaat dus om belangen van zowel de centrumgemeente als van de partnergemeentes. De belangen waarvoor de gemeenschappelijke regeling getroffen wordt moeten in de gemeen-schappelijke regeling opgenomen worden (art. 10 lid 1 Wgr). Met dit artikel wordt aan die verplichting voldaan.

Met de omschrijving van het belang wordt verduidelijkt dat de samenwerking ziet op de bedrijfsvoeringsprocessen van de betrokken gemeentes en (ondersteuning bij) uitvoeringstaken van de gemeentes.

Artikel 3

Dit artikel benadrukt dat de gemeenschappelijke regeling de vorm heeft van een centrumregeling ex artikel 8 lid 4 van de Wgr.

Artikel 4

In het eerste lid van dit artikel wordt benadrukt op welke taken de samenwerking ziet. In een dienstverleningsovereenkomst wordt vastgelegd welke concrete taken worden uitgevoerd en onder welke voorwaarden dit gebeurt. Mocht tussentijds een taakvermindering (de partnerge-meente gaat minder taken of volume afnemen) of taakverzwaring (de partnergemeente gaat juist meer taken of meer volume op een taak afnemen) plaatsvinden dan kan dit alleen door wijziging van de dienstverleningsovereenkomst of het sluiten van een nieuwe dienstverleningsovereen-komst.

Indien de bestuursorganen of ambtenaren van de centrumgemeente publiekrechtelijke bevoegdheden moeten uitoefenen namens een bestuursorgaan van de partnergemeente, dan verleent dit laatste bestuursorgaan daartoe mandaat ex artikel 10:3 Awb. Voor zover namens de partnergemeente ook privaatrechtelijke rechtshandelingen of feitelijke handelingen moeten worden verricht, betreft het mandaat ook volmacht en machtiging.

Artikel 5

In deze bepaling is opgenomen welke zaken in elk geval in de dienstverleningsovereenkomst geregeld moeten worden. De dienstverleningsovereenkomst wordt altijd door de centrumgemeente en door de partnergemeente ondertekend. Er kan dus nimmer sprake zijn van eenzijdige oplegging van deze voorwaarden.

Artikel 6

Dit artikel regelt dat in de dienstverleningsovereenkomst wordt bepaald wat de looptijd is van die dienstverleningsovereenkomst. Daarbij kan dus in de toekomst maatwerk worden toegepast. Voor de eerste dienstverleningsovereenkomst geldt dat deze 2 jaar loopt. Tenzij iets anders wordt overeengekomen wordt de bestaande dienstverleningsovereenkomst steeds automatisch met een jaar verlengd.

Artikel 7

Dit artikel voorziet in de bestuurlijke afstemming die nodig is voor het goed functioneren van de samenwerking. Het artikel geeft daarbij de minimumeisen. Dat laat onverlet dat ook op andere manieren en vaker overlegd kan worden, of als men elkaar reeds in een ander kader ontmoet.

De secretarissen kunnen bij het overleg aanwezig zijn, maar indien een of meerdere van hen afwezig zijn kan het overleg gewoon doorgang vinden, nu zij geen lid van het overleg zijn.

Artikel 8

Dit artikel voorziet in de ambtelijke afstemming die nodig is voor het goed functioneren van de samenwerking. Het artikel geeft daarbij de minimumeisen. Dat laat onverlet dat ook op andere manieren en vaker overlegd kan worden.

Artikel 9 t/m 13

Deze artikelen zorgen er voor dat de deelnemers hun bestuurlijke verantwoordelijkheid kunnen dragen en verantwoording kunnen afleggen aan de raden. Voor dat doel wordt ook nadrukkelijk het informatierecht van de rekenkamer en de gemeentelijke accountant vastgelegd.

Artikel 14

Bij geschillen omtrent de toepassing van de gemeenschappelijke regeling zijn gedeputeerde staten van Limburg bevoegd deze te beslechten (art. 28 Wgr) als bestuurlijk overleg niet tot een oplossing leidt. Gelet op de beperkte inhoud van deze centrumregeling is geen geschillenproce-dure opgetuigd, wat onverlet laat dat de deelnemers daar altijd nog toe kunnen besluiten alvorens het geschil aan GS voor te leggen.

Artikel 15

Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet onder meer bepalingen bevatten over wijziging van de gemeenschappelijke regeling (art. 9 lid 1 Wgr). Met deze bepaling wordt daarin voorzien.

De bevoegdheid tot wijziging is een bevoegdheid van de deelnemers (art. 1 lid 3 jo. lid 1 Wgr). De bevoegdheid komt zodoende toe aan de colleges van de gemeentes gezamenlijk (lid 1). De colleges hebben wel toestemming van hun gemeenteraden nodig alvorens zij tot wijziging kunnen beslissen (lid 2; zie voorts art. 1 lid 3 jo. lid 2 Wgr). Hebben de colleges na de verkregen toestemming unaniem besloten tot wijziging, dan is de wijziging een feit (lid 3). De inwerkingtre-ding vindt plaats een dag na de bekendmaking van de wijziging door het college van Heerlen (art. 26 lid 4 jo. lid 2 Wgr), tenzij in het wijzigingsbesluit een ander moment is opgenomen.

De inzending van de wijziging en de bekendmaking hiervan geschieden overeenkomstig artikel 20 van deze regeling (zie art. 17 lid 4). Dat betekent dat het college van Heerlen de wijziging bekendmaakt in het Gemeenteblad en verwerkt in het landelijke Wgr-register ex artikel 136 Wgr. De bekendmaking laat onverlet dat de colleges hun besluiten ook bekend moeten maken (art. 6 Bekendmakingswet). Dat geldt niet voor het toestemmingsbesluit van de gemeenteraad, dat is bekendgemaakt door toezending aan het eigen college (art. 10:32 lid 1 jo. art. 10:31 lid 1 Awb).

Artikel 16

Dit artikel regelt de toetreding van het college van een andere gemeente tot deze centrumrege-ling. Dat kan bij besluit van het toetredende college en een unaniem gelijkluidend besluit van de reeds deelnemende colleges. Omdat de gedachte van samenwerking voorop staat, gelden hier geen stemverhoudingen.

Artikel 17

Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet onder meer bepalingen bevatten over opheffing (art. 9 lid 1 Wgr). Met deze bepaling wordt daarin voorzien.

Opheffing van de gemeenschappelijke regeling geschiedt door unaniem gelijkluidend besluit van de deelnemers. Voor het geval één deelnemer het daar niet mee eens is, bestaat de mogelijk-heid dat de overige deelnemers uittreden. Een regeling kan immers niet uit één deelnemer (de achterblijver) bestaan.

Het college van de centrumgemeente regelt de uitvoering en het opheffingsplan voorziet in de verdeling van gerezen kosten. Voor het besluit tot opheffing geldt, anders dan bij besluiten tot treffen, toetreding, uittreding en wijziging, niet de procedure dat de gemeenteraad om toestemming moet worden gevraagd. Opheffing is in elk geval niet mogelijk gedurende de transitiefase, de eerste 2 jaar na de inwerkingtreding van de regeling.

Artikel 18

Dit artikel vindt alleen toepassing als de regeling drie of meer deelnemers kent. Bij twee deelnemers dient te worden overgegaan tot opheffing, aangezien een regeling niet uit één deelnemer kan bestaan. De deelnemers besluiten bovendien binnen zes maanden of tot opheffing wordt overgegaan.

Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet onder meer bepalingen bevatten over de gevolgen van uittreding. Uittreding is in elk geval niet mogelijk gedurende de eerste twee jaar na de inwerkingtreding van de regeling.

Het artikel regelt de procedure voor vaststelling van het uittredingsplan en de toerekening van onvermijdelijke kosten. Tevens bepaalt het artikel de termijn die voor uittreden geldt; voor de centrumgemeente is die een jaar langer.

Artikel 19

Een gemeenschappelijke regeling kan voor bepaalde of voor onbepaalde tijd worden getroffen (vgl. art. 9 lid 1 Wgr). Deze gemeenschappelijke regeling wordt voor onbepaalde tijd getroffen.

Artikel 20

Artikel 26 lid 1 Wgr schrijft voor dat een gemeenschappelijke regeling bekend moet worden gemaakt. Met deze bepaling, in samenhang met de wet, is beschreven hoe dit gebeurt.

Artikel 21

Dit artikel voorziet in de op grond van de Wgr verplichte evaluatie van de regeling. De regeling wordt ten minste eens per vier jaar geëvalueerd in opdracht van de deelnemers.

Artikel 22

Op grond van artikel 26 Wgr treedt een gemeenschappelijke regeling in werking op een in de gemeenschappelijke regeling te bepalen moment, dat in elk geval ná de bekendmaking van de gemeenschappelijke regeling moet liggen.

In dit artikel wordt gekozen om de gemeenschappelijke regeling in werking te laten treden op de eerste dag van de maand, volgend op de dag van bekendmaking door de centrumgemeente.

Artikel 23

Het is voor een gemeenschappelijke regeling handig een citeertitel te hebben zodat er in andere regelingen makkelijk naar verwezen kan worden.