Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang Twenterand 2026

Geldend van 20-01-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang Twenterand 2026

Burgemeester en wethouders van Twenterand;

Wettelijke basis:

Bepalingen van de Wet kinderopvang (artikelen 1.46 lid 5, 1.61 lid 1, 1.65 leden 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1), de Gemeentewet (artikel 125) en de Algemene wet bestuursrecht (titel 4.3. en artikel 5:32).

Besluiten:

Vast te stellen de Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang Twenterand 2026.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Reikwijdte

  • 1. In deze beleidsregels gaat het over toezicht en handhaving bij:

    • kinderdagverblijven met of zonder voorschoolse educatie;

    • buitenschoolse opvang;

    • gastouderopvang via gastouderbureaus.

  • 2. Deze beleidsregels, inclusief het bijbehorende afwegingsmodel, zijn van toepassing op alle – zoals in dit artikel gedefinieerde – kinderopvang binnen de gemeente Twenterand.

  • 3. In deze beleidsregels is vastgelegd hoe het beleid is dat het college van Twenterand voert met betrekking tot de gemeentelijke taken op het gebied vaan toezicht en handhaving die voortvloeien uit de Wet kinderopvang.

Artikel 1.2 Begripsbepalingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    Afwegingsmodel: in het afwegingsmodel is vastgelegd welke bestuurlijke handhavingsmaatregel(en) het college doorgaans oplegt. Per domein staat de hersteltermijn waarbinnen overtredingen moeten zijn hersteld en de hoogte van financiële sancties;

  • b.

    Bibob-onderzoek: een onderzoek op grond van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob) waarbij een bestuursorgaan de integriteit van een (rechts)persoon beoordeelt om te voorkomen dat vergunningen, subsidies of overheidsopdrachten worden misbruikt voor criminele doeleinden:

  • c.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Twenterand;

  • d.

    GOB: gastouderbureau;

  • e.

    inspectieonderzoek: een onderzoek als bedoeld in artikel 1.62, eerste lid van de Wet kinderopvang;

  • f.

    inspectierapport: in het inspectierapport staan de bevindingen van de toezichthouder tijdens de inspectie en het bevat een advies aan het college om wel of niet te handhaven. De toezichthouder maakt gebruik van een landelijk vastgesteld modelrapport;

  • g.

    kinderopvangvoorziening: een geregistreerde locatie voor dagopvang, buitenschoolse opvang, gastouderopvang of een gastouderbureau, zoals bedoeld in de Wet kinderopvang;

  • h.

    LRK: landelijk register kinderopvang;

  • i.

    PRK: personenregister kinderopvang;

  • j.

    signalen: alle informatie afkomstig uit (externe) bronnen die GGD ‘en of gemeenten ontvangen met betrekking tot mogelijke risico’s bij kinderopvangvoorzieningen en/of de houders. Geen klachten (uiting van ontevredenheid);

  • k.

    toezichthouder: de aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport;

  • l.

    VGO: voorziening voor gastouderopvang;

  • m.

    VOG: verklaring omtrent het gedrag.

Hoofdstuk 2 Voldoen vanaf de start, ook bij wijzigingen

Artikel 2.1 Streng aan de poort

  • 1. Ouders moeten erop kunnen vertrouwen dat kinderen vanaf de eerste dag van een kinderopvangvoorziening in een veilige, gezonde en verantwoorde omgeving worden opgevangen. Kinderen zijn een kwetsbare doelgroep. Het college vindt het daarom van groot belang dat een kinderopvangvoorziening al bij de start voldoet aan de kwaliteitseisen vanuit de Wet kinderopvang en hanteert daarom de werkwijze Streng aan de Poort.

  • 2. Het college kijkt of voor de gewenste locatie voor kinderdagverblijf, buitenschoolse opvang, gastouderopvang of gastouderbureau alle benodigde vergunningen en/of meldingen aanwezig zijn, zoals vergunningen voor bouwen of slopen, melding brandveilig gebruik. Daarnaast onderzoekt het college of de gewenste binnen- en buitenruimte voor kinderopvang ook past binnen het omgevingsplan. Ook een Bibob-onderzoek kan onderdeel zijn van de procedure.

  • 3. Het college laat alle aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de toezichthouder. Daarbij beoordeelt de toezichthouder alle kwaliteitsaspecten vooraf, waaronder de kwaliteit van het beleid, de accommodatie en het personeel van de kinderopvangvoorziening. De toezichthouder betrekt de organisatie-inrichting, het interne kwaliteitsbeleid en de bedrijfsvoering van een houder bij de beoordeling. Het is tenslotte niet alleen van belang dat de houder bij de start aan de kwaliteitseisen voldoet, maar ook dat de houder structureel blijft voldoen aan de kwaliteitseisen en voldoende kwaliteit kan bieden. Tenslotte neemt de toezichthouder ook de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van dezelfde houder mee.

  • 4. Goede kwaliteit bij andere voorzieningen van de houder kan ertoe leiden dat het college sneller een positief besluit neemt. Handhaving bij een andere voorziening van de houder, kan aanleiding zijn om te besluiten dat een houder geen nieuwe opvang mag starten totdat alle overtredingen zijn hersteld.

Artikel 2.2 Wijzigingen registratiegegevens LRK

  • 1. Na het verkrijgen van de toestemming kunnen er wijzigingen in de geregistreerde gegevens plaatsvinden. Het is van belang dat de houder het wijzigingsverzoek minimaal 8 weken voor de gewenste wijzigingsdatum indient bij het college. Voor de houderwijziging en wijziging rechtsvorm geldt een termijn van 10 weken. Wijzigingen worden ingediend met een wijzigingsformulier. Dit formulier is te vinden op www.rijksoverheid.nl via Kinderopvang | Rijksoverheid.nl en/of Hoe kan ik een kinderopvang starten? | Rijksoverheid.nl

  • 2. Het college beoordeelt of er een onderzoek door de toezichthouder moet plaatsvinden. Het college besluit binnen 8 weken of de wijziging kan plaatsvinden en kan worden geregistreerd.

  • 3. Het college bepaalt of er voorafgaand aan het besluit op de gevraagde wijziging een onderzoek plaatsvindt door de toezichthouder. Zo moet bijvoorbeeld duidelijk zijn waar en hoeveel kinderen worden opgevangen, wie verantwoordelijk is voor deze opvang en hoe de opvang bereikbaar is.

  • 4. Het kan bij wijzigingen bijvoorbeeld gaan om:

    • de toekenning van een KvK-vestigingsnummer;

    • het (correspondentie)adres; bezoekadres en telefoonnummer, contactpersoon;

    • de beëindiging van de exploitatie van de kinderopvangvoorziening.

Artikel 2.3 Wijziging kindplaatsen

  • 1. De houder geeft de in het volgende lid genoemde wijziging door aan het college.

  • 2. Wijziging aantal kindplaatsen. Bij de toestemming tot exploitatie is het maximumaantal kindplaatsen aangegeven. Dit maximumaantal kindplaatsen neemt de toezichthouder ook mee in de beoordeling of de houder redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen voldoet, bijvoorbeeld met betrekking tot de eisen in het domein personeel en groepen. Wanneer dit aantal later wijzigt is het van belang dat de houder dit als wijziging doorgeeft. Voor een verhoging van het aantal kindplaatsen is aanvullende toestemming van het college nodig. Om hierover een besluit te kunnen nemen is een advies van de toezichthouder nodig.

Artikel 2.4 Wijziging extra bemiddelingsrelatie en beëindiging bemiddelingsrelatie

Als een gastouder wil aansluiten bij een extra gastouderbureau, dan vraagt dit gastouderbureau deze extra bemiddelingsrelatie aan via een wijzigingsformulier. Ook het beëindigen van een bemiddelingsrelatie wordt tijdig gemeld. Bij het toezicht op een gastouderbureau kijkt het college ook naar de aangesloten gastouders.

Artikel 2.5 Verhuizing

  • 1. Verhuizing van een kinderopvangvoorziening is een nieuwe aanvraag.

  • 2. Bij een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan sprake zijn van een verhuizing zonder dat een nieuwe aanvraag tot exploitatie nodig is. De verhuizing van een gastouderbureau of ouderparticipatiecrèche kan daarom via een wijzigingsformulier worden doorgegeven.

Artikel 2.6 Wijziging houder of rechtsvorm

  • 1. Als een andere houder een kinderopvangvoorziening wil overnemen, vraagt deze nieuwe houder hiervoor vooraf toestemming aan het college. Dit geldt ook als de houder een andere rechtsvorm krijgt, ook dit is een houderwijziging. Daarbij maakt het niet uit dat de bestuurder hetzelfde blijft.

  • 2. Een houderwijziging wordt behandeld als een nieuwe aanvraag. Het college bepaalt de inhoud van een onderzoek in deze gevallen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de toezichthouder.

  • 3. Bij dit onderzoek zijn het college en de toezichthouder ook ‘Streng aan de poort’. Want ook als een andere houder een kinderopvangvoorziening voortzet, is het van belang dat de voorziening aan de kwaliteitseisen blijft voldoen. Dit betekent dat voor deze wijziging een afhandelingstermijn van 10 weken geldt. Het college houdt zo veel mogelijk rekening met het belang van de continuïteit van de kinderopvang. Het is voor de continuïteit van de kinderopvang van groot belang dat de houder de aanvraag tijdig indient en alle benodigde stukken zijn bijgevoegd.

Artikel 2.7 Niet gemelde kinderopvang

Als een kinderopvangvoorziening toch start zonder hiervoor schriftelijke toestemming te hebben gevraagd of verkregen van het college, is sprake van niet gemelde oftewel illegale kinderopvang. Dit is een ernstige overtreding die het college niet wil. Het college treedt hiertegen dan ook streng op. De locatie moet meteen sluiten en de houder zal een bestuurlijke boete krijgen. Daarnaast zal het college aangifte doen bij het Openbaar Ministerie.

Hoofdstuk 3 Toezicht

Artikel 3.1 Dialooggericht werken

  • 1. Toezichthouden is meer dan ‘controleren op basis van wetten, regels en normen’. Het gaat om de naleving van de kwaliteitseisen door de houder en de kwaliteit van opvang die wordt aangeboden. Ook de wijze waarop een organisatie is ingericht, hoe een houder het personeel inzet en aanstuurt en hoe de verantwoordelijkheden binnen de organisatie zijn verdeeld bepalen het kwaliteitsniveau van de geboden kinderopvang. Om een goed beeld te krijgen van de organisatie gaat de toezichthouder in gesprek met de houder. De toezichthouder gaat daarbij in op de wijze waarop een houder zijn organisatie, met alles wat daarbij hoort, heeft ingericht om te kunnen nagaan of de kwaliteit van de geboden kinderopvang daadwerkelijk is gewaarborgd. Daarbij speelt ook het interne kwaliteitsbeleid van de houder een belangrijke rol. In het belang van een goede dialoog zal de toezichthouder:

    • zonder oordeel luisteren en observeren;

    • open vragen stellen en doorvragen en

    • controleren of de toezichthouder zaken goed heeft geïnterpreteerd.

  • 2. De toezichthouder zet kinderopvangorganisaties aan om (samen) te werken aan de kwaliteit en veiligheid van hun opvang en risico’s te verminderen. Daar waar nodig worden verbeterpunten besproken en zet de toezichthouder houders aan om de kwaliteit van hun opvang te verbeteren. Wanneer sprake blijkt van een tekortkoming is van belang om te weten wat de omstandigheden zijn en wat de inbreuk was op de geboden kwaliteit van kinderopvang. Dit weegt de toezichthouder mee in zijn oordeel en advies aan het college.

Artikel 3.2 Risico gestuurd

  • 1. De toezichthouder houdt risico gestuurd toezicht op de geboden kwaliteit van kinderopvang en de naleving van de kwaliteitseisen. Dat betekent dat toezichthouders minder intensief inspecteren bij locaties waar geen zorgen over bestaan en intensiever bij locaties waar wél zorgen over zijn. Kortom: minder waar mogelijk, meer waar nodig. Er is meer en steviger toezicht op de locaties waar de kwaliteit niet vanzelfsprekend hoog is.

  • 2. De toezichthouder heeft vertrouwen in een houder als deze in alle informatie kan voorzien die nodig is om een oordeel te vormen over de kinderopvangvoorziening. Een houder die niet transparant is en onbetrouwbaar blijkt, is reden tot zorg. Ook een reactieve houding, niet open staan voor zelfreflectie of het niet nemen van verbetermaatregelen zijn redenen tot zorg.

  • 3. De toezichthouder stelt na elk jaarlijks onderzoek (en zo nodig vaker) voor kindercentra en gastouderbureaus een risicoprofiel op om de inspectielast te bepalen. Hiervoor gebruikt de toezichthouder een landelijk vastgesteld model, met verschillende indicatoren.

  • 4. Overtredingen bij één of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij gastouders betrekt de toezichthouder het risicoprofiel van het gastouderbureau.

Artikel 3.3 Soorten onderzoeken

  • 1. De toezichthouder voert diverse onderzoeken uit, te weten:

    • onderzoeken voor registratie (OVR);

    • onderzoeken na registratie (ONR);

    • jaarlijkse inspectieonderzoeken (JO);

    • incidentele onderzoeken (IO);

    • nader onderzoek (NO) (na geconstateerde overtreding(en)).

  • 2. Minimaal 1 keer per jaar bezoekt de toezichthouder onaangekondigd ieder gastouderbureau, kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang. Daarnaast bezoekt de toezichthouder ook jaarlijks en onaangekondigd ten minste 50% van de geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, waarbij iedere gastouderlocatie ten minste eens per 3 jaar bezocht wordt.

Artikel 3.4 Flexibele inspectieactiviteit

  • 1. Onder flexibele inspectieactiviteit wordt verstaan: manier van toezicht waarbij de vaste set van minimaal vier verplichte inspectieonderwerpen vervalt. Alleen controle op VOG en inschrijving in het PRK, de pedagogische kwaliteit en de te toetsen items op voorschoolse educatie (indien van toepassing) blijven verplicht. De overige inspectietijd wordt in overleg tussen het college en de toezichthouder ingevuld, op basis van lokale prioriteiten, het risicoprofiel en de inspectiegeschiedenis. Dit biedt ruimte voor maatwerk binnen de beschikbare uren.

  • 2. Het doel van de flexibele inspectieactiviteit is effectiever toezicht, waardoor de kwaliteit van de kinderopvang wordt verbeterd. Door de invoering van de flexibele inspectieactiviteit kunnen inspecties meer op maat worden uitgevoerd.

  • 3. De toezichthouder beoordeelt altijd of de houder voldoet aan de eisen die betrekking hebben op:

    • VOG;

    • registratie in het PRK;

    • pedagogische kwaliteit;

    • voorschoolse educatie (als daar op de locatie sprake van is);

    • beroepskracht-kind-ratio (BKR).

  • 4. Afhankelijk van onder andere het risicoprofiel onderzoekt de toezichthouder de overige eisen. Ook houdt de toezichthouder op locatieniveau rekening met locatiekenmerken, meldingen en signalen.

Artikel 3.5 Herstelaanbod

  • 1. Herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder aan de houder van een kinderopvangvoorziening om een geconstateerde overtreding binnen een bepaalde termijn te herstellen en hersteld te houden, voordat een concept-inspectierapport wordt opgesteld. Deze hersteltermijn is maximaal vier weken.

  • 2. Herstelaanbod wordt aangeboden bij een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Herstelaanbod wordt aangeboden bij kinderdagverblijven, buitenschoolse opvang, gastouderbureaus en gastouders. Herstelaanbod vindt niet plaats bij nadere onderzoeken en onderzoek voor registratie.

  • 3. Het uitgangspunt van de toezichthouder voor het aanbieden van herstelaanbod is dat er altijd sprake is van structureel blijvend herstel. Het herstelaanbod is een mogelijkheid die de toezichthouder inzet voor een snel herstel van een tekortkoming. Het is geen recht van een houder. Een herstelaanbod is een aanbod van de toezichthouder dat de houder kan aanvaarden. Een houder mag een herstelaanbod ook weigeren.

  • 4. Binnen de door de toezichthouder gestelde tijd moeten maatregelen worden genomen om de gewenste kwaliteit te bereiken en een vastgestelde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het concept-inspectierapport is opgesteld.

  • 5. De toezichthouder bepaalt of een houder een herstelaanbod krijgt en binnen welke termijn de overtreding hersteld moet zijn. De toezichthouder bespreekt verbetermaatregelen en legt de nodige afspraken vast met de houder van de kinderopvangvoorziening. Na afloop van de afgesproken periode beoordeelt de toezichthouder of een overtreding structureel is opgeheven.

  • 6. De toezichthouder beschrijft in het inspectierapport de overtreding én of het herstelaanbod op tijd is nagekomen. Daarbij kijkt de toezichthouder vooral of de overtredingen hersteld zijn en of de kwaliteit structureel verbeterd is. Hierover rapporteert de toezichthouder in het inspectierapport voor het college.

  • 7. Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod, tenzij:

    • de aard en de ernst van de overtreding zich niet leent voor herstelaanbod;

    • er teveel overtredingen zijn (naar inschatting van de toezichthouder);

    • de houder in de voorgaande 3 jaar al in de gelegenheid is gesteld om dezelfde of een vergelijkbare overtreding op te heffen (recidive);

    • de toezichthouder direct gemeentelijk ingrijpen noodzakelijk vindt;

    • herstel niet mogelijk is binnen de onderzoeksperiode van maximaal 4 weken;

    • er een bevel wordt afgegeven voor een andere overtreding;

  • 8. Herstelaanbod en handhaving kunnen naast elkaar in een inspectierapport voorkomen.

  • 9. Kinderopvanglocaties waar de kwaliteit structureel tekortschiet, komen niet voor herstelaanbod in aanmerking.

  • 10. Het doel van herstelaanbod is dat het zal leiden tot een sneller herstel van de tekortkoming en er bij de houder meer sprake is van nalevingsbereidheid. Dit komt de kwaliteit van de kinderopvang ten goede.

Artikel 3.6 Schriftelijk bevel

  • 1. Als de kwaliteit van de kinderopvang zo ernstig tekortschiet dat de (emotionele) veiligheid en gezondheid van de kinderen direct in het geding is, grijpt de toezichthouder zelf in. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit doet de toezichthouder in ernstige gevallen, als het nemen van maatregelen geen uitstel kan lijden.

  • 2. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn, welke actie de houder moet nemen en binnen welke termijn de houder dit moet doen.

  • 3. Als de overtreding(en) niet of onvoldoende is/zijn hersteld, verlengt het college het schriftelijk bevel, tenzij het college voor een andere handhavingsmaatregel kiest.

Artikel 3.7 Signalen

  • 1. Het college vindt veilige en verantwoorde kinderopvang van groot belang. Met toezicht hierop door de toezichthouder geeft het college hier invulling aan. Echter, er kunnen ook signalen en situaties zijn die de toezichthouder in het toezicht niet direct constateert, maar ouders, beroepskrachten, omwonenden, andere professionals en andere betrokkenen wel. Daarom stimuleren zowel het college als de toezichthouder iedereen die een zorg, melding of signaal heeft over de kinderopvang om deze met het college en de toezichthouder te delen.

  • 2. Met signaal-gestuurd-toezicht reageren de toezichthouder en het college op signalen uit de samenleving. Meldingen en klachten over incidenten, misstanden en terugkerende tekortkomingen zijn voor het toezicht een belangrijke bron van informatie. Ze kunnen een signaal zijn dat ergens sprake is van onveilige of kwalitatief niet goede kinderopvang.

  • 3. Ook informatie van de politie of Dienst Toeslagen kan voor de toezichthouder en het college belangrijk zijn. Na elk signaal bepalen het college en de toezichthouder samen welke actie nodig is, bijvoorbeeld een extra onderzoek of extra aandacht voor de aard van het signaal tijdens een jaarlijks onderzoek. Het college geeft altijd een opdracht aan de toezichthouder wanneer er een onderzoek nodig is bij de locatie waar het betreffende signaal betrekking op heeft.

  • 4. De toezichthouder deelt ook zelf signalen met andere toezichthouders en het college in de kinderopvang. Dit zijn bijvoorbeeld de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit en gemeentelijk toezicht op het gebied van brandveiligheid. Ook zal de toezichthouder of het college signalen delen met toezichthouders kinderopvang in een andere GGD-regio of andere gemeenten (colleges).

Artikel 3.8 Gastouderopvang

  • 1. Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind, is kleinschalig en persoonlijk. Ook de gastouderopvang is een veilige en gezonde omgeving voor kinderen. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. Dit betreft bijvoorbeeld de kwalificatie-eis. Ook is er geen vierogenprincipe (eis dat de gastouder altijd gezien of gehoord wordt door een andere volwassene) en dus is er minder zicht op de dagelijkse praktijk.

  • 2. Verder zijn de verantwoordelijkheden anders verdeeld: niet alleen de gastouder (de houder van de voorziening) is verantwoordelijk voor de kwaliteit, maar ook het gastouderbureau dat bemiddelt en begeleidt. In de gemeente Twenterand zijn ook gastouders actief die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten de GGD-regio. Hierdoor heeft de toezichthouder minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus.

  • 3. De toezichthouder kan in bepaalde gevallen binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders. Dat kunnen ook gastouders zijn die buiten gemeente Twenterand zijn gevestigd. Zoveel mogelijk van de inspecties zijn onaangekondigd.

  • 4. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau in een andere gemeente en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Signalen die de toezichthouder ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht.

Artikel 3.9 Voorschoolse educatie

  • 1. Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie voor kinderen vanaf 2,5 tot 4 jaar.

  • 2. Diverse kinderdagverblijven in de gemeente Twenterand bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn is vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB).

  • 3. Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke en gemeentelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De gemeentelijke kwaliteitseisen zijn opgenomen in bijlage 1 bij de Subsidieregeling peuter- en dreumesplaatsen Twenterand. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve).

  • 4. De wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid.

Hoofdstuk 4 Handhaving

Artikel 4.1 Verschillende handhavingsinstrumenten

  • 1. Het college gebruikt verschillende handhavingsinstrumenten om, waar nodig, kinderopvangorganisaties tot naleving van de kwaliteitseisen te bewegen. Bij de keuze voor de best passende maatregel sluit het college aan bij de volgende uitgangspunten waarbij de veiligheid, gezondheid, het welbevinden en de ontwikkelingskansen van de kinderen altijd voorop staan:

    • vasthouden van kwalitatief goede kinderopvang;

    • verbeteren van minder goede kinderopvang;

    • snel structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet;

    • sluiting van locaties waar de kwaliteit ernstig en/of structureel tekortschiet.

  • 2. Inspectierapporten zijn in te zien via het LRK en kunnen op verzoek worden toegezonden. Ouders en de oudercommissie kunnen deze informatie gebruiken bij het zoeken naar passende kinderopvang of het werk voor de oudercommissie.

  • 3. Gezien het algemene belang van handhaving ziet het college alleen in uitzonderlijke gevallen af van handhaving. Het college weegt bij elke handhaving die hij inzet af welke maatregel geschikt, passend en noodzakelijk is. Daarmee is handhaving maatwerk. Immers, de omstandigheden bij iedere houder, locatie en overtreding zijn verschillend en daarom zal ook de aanpak bij overtredingen verschillen. Het college streeft ernaar voor iedere situatie passende maatregelen te treffen die leiden tot een spoedig herstel van de overtreding(en).

Artikel 4.2 Preventief handhaven

In het belang van kwalitatief goede kinderopvang, en om het naleven van kwaliteitseisen te stimuleren, onderhoudt het college ook buiten het traject van bestuurlijke handhaving contact met kinderopvanghouders in de gemeente.

Artikel 4.3 Handhavingsafwegingen

  • 1. Vanuit de eigen taak en verantwoordelijkheid besluit het college welke handhavingsmaatregel passend en geboden is. Dit wordt per overtreding, locatie en houder afgewogen en de handhavingsmaatregel is herstellend en/of bestraffend. Het college stelt handhavingsbesluiten zo duidelijk en eenvoudig mogelijk op. Daarbij wordt afgewogen welke handhavingsmaatregel geschikt en noodzakelijk is om het beoogde doel te bereiken: kwalitatief goede kinderopvang. In iedere casus beoordeelt het college of er evenredigheid bestaat tussen de ernst van een vastgestelde overtreding en de op te leggen handhavingsmaatregel en/of hoogte van de bestuurlijke boete.

  • 2. Ook in hoeverre de kwaliteit van opvang is beïnvloed door een tekortkoming wordt meegewogen in de handhavingsafweging. Bij het ontstaan van overtredingen kunnen specifieke (verzwarende of verzachtende) omstandigheden een rol spelen. Bij het opstellen van een besluit houdt het college rekening met deze omstandigheden.

  • 3. Het college hecht daarbij grote waarde aan het oordeel van de toezichthouder en betrekt dit in de besluitvorming. Ook een reactie van de houder (zienswijze) op een inspectierapport betrekt het college bij de beoordeling.

  • 4. In beginsel beoordeelt het college iedere overtreding afzonderlijk en wordt handhaving per overtreding ingezet. Wanneer naar het oordeel van de toezichthouder blijkt dat een houder voldoende maatregelen heeft getroffen om een overtreding structureel te herstellen, besluit het college om af te zien van handhaving gericht op herstel. Maar blijkt uit één inspectieonderzoek dat één voorschrift meerdere keren is overtreden dan weegt dit mee in de ernst van de overtreding. Dit uit zich in een kortere hersteltermijn of een andere handhavingsmaatregel.

  • 5. Bij de besluitvorming over handhaving betrekt het college in ieder geval:

    • het inspectierapport van de toezichthouder, met daarin:

      • o

        de geconstateerde gerapporteerde overtredingen;

      • o

        bevindingen en conclusie van de toezichthouder (helder beschreven, voldoende gemotiveerd en goed onderbouwd) waaronder ook de reactie van de toezichthouder op de zienswijze van de houder;

      • o

        indien van toepassing, beschrijving van de omstandigheden;

      • o

        het advies van de toezichthouder;

      • o

        de zienswijze van de houder;

    • de zienswijze van de houder aan het college;

    • de handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

    • de inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

    • alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van de kinderen en hun ouders.

Artikel 4.4 Herstellend en bestraffend handhaven

  • 1. Het college heeft de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven.

  • 2. Herstellende handhaving is erop gericht dat een begane overtreding hersteld wordt en structureel hersteld blijft. In beginsel handhaaft het college altijd herstellend. Het doel is de kwaliteit van opvang zo snel mogelijk te herstellen zodat de houder kwalitatief goede kinderopvang aanbiedt. Daarnaast is het doel dat kinderen weer in een veilige en gezonde omgeving opgevangen worden en verantwoorde kinderopvang krijgen.

  • 3. Bestraffende handhaving is gericht op het bestraffen van begane overtredingen, ongeacht of deze inmiddels hersteld zijn.

Artikel 4.5 Recidive

  • 1. De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive. Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in.

  • 2. Wanneer een houder een overtreding binnen 3 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op. Als een overtreding wordt herhaald na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of na het opleggen van een bestuurlijke boete, zal het college besluiten een hogere dwangsom en/of een hogere boete op te leggen.

  • 3. Wanneer binnen 3 jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met het exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.

Artikel 4.6 Organisatieniveau en locatieniveau

  • 1. Het college voert handhaving in beginsel op locatieniveau uit, waarbij het college wel rekening houdt met overtredingen bij andere locaties van de houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen.

  • 2. Bij constateringen op één locatie verwacht het college van de houder dat die organisatie-breed verbeteringen doorvoert. Tekortkomingen worden voor de gehele organisatie hersteld en niet slechts op de locatie waar de overtreding vastgesteld is. Dit heeft een positieve weerslag op de kwaliteit en draagt bij aan efficiëntie, omdat dit sneller leidt tot herstel van overtredingen op andere locaties en het college handhaven bij andere vestigingen voorkomt.

  • 3. Ouders en kinderen kunnen er op die manier eerder op vertrouwen dat de houder de vastgestelde overtredingen herstelt, maar ook dat de houder voorkomt op andere locaties dezelfde overtreding te maken.

Artikel 4.7 Handhavingsmiddelen

  • 1. Het college maakt gebruik van verschillende handhavingsmaatregelen. Bij de inzet van handhaving denkt het college in effect, in alle fases van het toezicht en de handhaving. Dat betekent dat het college bij de keuze van handhavingsinstrumenten kiest voor de instrumenten die het snelst en meest effect hebben. Daarbij spreekt het college houders en gastouders aan op hun eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Wet kinderopvang. Bij elk besluit weegt het college af welk handhavingsmiddel geschikt, noodzakelijk en proportioneel is.

  • 2. De handhavingsmaatregelen die het college inzet worden uitgelegd in de volgende leden.

  • 3. Waarschuwing

    Het college geeft een waarschuwing af, als informeel middel en milde maatregel bij overtredingen met een laag risico. Ook wordt de waarschuwing afgegeven wanneer het, om welke reden dan ook, niet mogelijk is om een formele maatregel op te leggen. Het herstel wordt vervolgens in een eerstvolgend regulier onderzoek van de toezichthouder gecontroleerd, of - indien mogelijk - op basis van een eigen onderzoek door het college.

  • 4. De schriftelijke aanwijzing

    Het college geeft de houder een schriftelijke aanwijzing bij het niet of in onvoldoende mate naleven van de wettelijke voorschriften, tenzij het college kiest voor een andere handhavingsmaatregel. Met de schriftelijke aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, neemt om de wettelijke voorschriften na te leven.

    Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie. De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze schriftelijke aanwijzing bij handhavingsbesluiten die in de periode van 3 jaar vanaf de bekendmaking van de schriftelijke aanwijzing worden verzonden.

    De aanwijzing is doorgaans de meest geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik maakt. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die altijd aan het opgenomen voorschrift moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik maakt.

  • 5. De last onder dwangsom

    Als de schriftelijke aanwijzing niet tot structureel herstel van de overtreding heeft geleid, legt het college een last onder dwangsom op. Het college zal soms direct een last onder dwangsom opleggen zonder eerst een schriftelijke aanwijzing te geven bijvoorbeeld als sprake is van recidive. Met een last onder dwangsom legt het college de houder de plicht op om maatregelen uit te voeren binnen een aangegeven termijn. Als een houder binnen de hersteltermijn de overtreding opheft en/of niet herhaalt, hoeft deze de dwangsom niet te betalen.

    Is vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, dan betaalt de houder de dwangsom. Met een last onder dwangsom wordt op meerdere herhalingen gehandhaafd. Een last onder dwangsom kent daarvoor een maximumbedrag.

    Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld legt het college doorgaans een last onder dwangsom op. De last onder dwangsom is de meest geschikte handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken na de schriftelijke aanwijzing, als sluiting van de opvang (nog) niet proportioneel is.

    Wordt de overtreding na het opleggen van een last onder dwangsom toch herhaald, dan heeft dat financiële gevolgen zonder dat de bedrijfsvoering wordt onderbroken. Daarmee is de last onder dwangsom een handhavingsmaatregel met een gedoseerde financiële prikkel om de overtreding structureel op te heffen.

  • 6. Verlengen van een bevel

    Als de toezichthouder een schriftelijk bevel heeft opgelegd en de overtreding(en) zijn naar het oordeel van de toezichthouder niet of onvoldoende hersteld, dan verlengt het college het bevel met minimaal 7 dagen en zolang de houder nodig heeft om de overtreding(en), naar het oordeel van de toezichthouder, structureel te herstellen.

  • 7. De last onder bestuursdwang

    De manier waarop de houder de kinderopvang wil vormgeven is aan de houder. Bij een last onder bestuursdwang neemt het college bepaalde maatregelen om de overtreding van de kwaliteitseis op te heffen. Dat maakt dat de last onder bestuursdwang doorgaans geen geschikt handhavingsmiddel is. Dit handhavingsmiddel is bijvoorbeeld wel geschikt om een kinderopvangvoorziening te sluiten en gesloten te houden bij overtreding van een exploitatieverbod. Alle kosten die gemaakt worden bij de last onder bestuursdwang zijn voor rekening van de houder. Dit wordt in het besluit aangegeven.

  • 8. Intrekken toestemming

    Lukt het de houder na sluiting van een locatie niet om (binnen redelijke termijn) de overtredingen structureel op te heffen dan zal het college de toestemming tot exploitatie intrekken. Ook als een houder de kwaliteitseisen structureel niet naleeft, na verbetering opnieuw overtredingen begaat, veel en/of ernstige overtredingen of overtredingen die redelijkerwijs niet worden hersteld, sluit het college de kinderopvang permanent. Dit doet het college door de toestemming tot exploitatie in te trekken en de voorziening te verwijderen uit het LRK.

    Intrekking van de toestemming is een onvermijdelijke ingreep als de houder voldoende gelegenheid heeft gehad om de kwaliteit van opvang te herstellen en dit, naar het oordeel van de toezichthouder, niet is gelukt.

    Het college zal de toestemming direct intrekken bijvoorbeeld als:

    • niet langer wordt voldaan aan de definitie van kinderopvang, ouderparticipatiecrèche, gastouderopvang, gastouder of gastouderbureau;

    • er sprake is van (een) overtreding(en) die, naar het oordeel van de toezichthouder, niet hersteld kan (kunnen) worden.

  • 9. (Tijdelijke) Sluiting van de kinderopvang: het exploitatieverbod

    Nadat uit een inspectieonderzoek blijkt dat geen sprake (meer) is van verantwoorde kinderopvang sluit het college de kinderopvang tijdelijk. Ook wordt de kinderopvang gesloten zolang de houder een bevel van de toezichthouder of aanwijzing niet opvolgt.

    Daarnaast gaat het college over tot tijdelijke sluiting bij locaties waar de kwaliteit structureel ondermaats is. Eerdere minder zware handhavingsmaatregelen hebben dan niet tot (structureel) herstel geleid. Bij deze tijdelijke sluiting moet de kinderopvang gesloten blijven zolang niet aan de kwaliteitseisen wordt voldaan. Pas als de houder aantoont dat de kwaliteit verbeterd is en blijft, mag de kinderopvang weer open. De toezichthouder beoordeelt dit tijdens een inspectieonderzoek.

    Het sluiten van een locatie voor kinderopvang is een ingrijpende maatregel die niet alleen gevolgen heeft voor de houder maar ook voor diens personeel, ouders en kinderen. In de hiervoor beschreven situaties is sluiting van een locatie doorgaans noodzakelijk. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang weegt altijd zwaarder dan het belang van continuïteit van opvang of een financieel belang. Met een gesloten locatie kan de houder zich samen met het personeel volledig richten op herstel van de kwaliteit van opvang zonder dat (emotionele) veiligheid en/ of gezondheid van de opgevangen kinderen nog langer in het geding is.

    Als het college een kinderopvanglocatie sluit, stelt de houder de ouders zelf op de hoogte van deze sluiting. Als de houder dit niet doet, informeert het college of de toezichthouder ouders hierover. Dit gebeurt schriftelijk of mondeling.

Artikel 4.8 Bestuurlijke boete

  • 1. Naast de handhaving gericht op herstel maakt het college ook gebruik van de mogelijkheid om een bestuurlijke boete op te leggen. Het college zal ook een boete opleggen als de houder geen maatregelen neemt om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Deze boetes staan in het afwegingsmodel boete dat in bijlage 1 bij deze beleidsregels is opgenomen. Van de boete gaat naar verwachting ook een preventieve werking uit.

  • 2. Elke overtreding beoordeelt en bestraft het college afzonderlijk ook als één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden. Daarnaast legt het college een boete op als een houder na het opleggen van een aanwijzing geen maatregelen heeft genomen om herhaling of voortduren van een overtreding te voorkomen. Zodra één kwaliteitseis meerdere keren is overtreden, beoordeelt het college of het totale boetebedrag dat kan worden opgelegd evenredig is met de ernst van de overtredingen en de mate waarin de kwaliteit van opvang negatief werd beïnvloed.

  • 3. Een boete heeft altijd financiële gevolgen voor de overtreder. De draagkracht van een overtreder speelt een rol bij het bepalen van de hoogte van een boete en wordt meegenomen in de belangenafweging.

  • 4. Ook het (vrijwillig) sluiten van een locatie is geen reden om van het opleggen van een boete af te zien. Overtredingen van de in het afwegingsmodel genoemde voorschriften hebben dusdanig ernstige gevolgen dat kinderen deze levenslang met zich mee zullen dragen. Dit zijn dan ook zeer ernstige overtredingen, in beginsel legt het college hiervoor altijd een boete op.

Artikel 4.9 Handhaving en boetes bij gastouderopvang

  • 1. De artikelen 4.1 tot en met 4.8 zijn ook van toepassing op de gastouderopvang. Daarbij houdt het college wel rekening met de aard van de gastouderopvang. Het college vindt het belangrijk dat ook de gastouderopvang een veilige en gezonde omgeving voor kinderen is.

  • 2. Bij de handhaving en boetes op de gastouderopvang, zijn de volgende zaken van belang:

    • lagere boetes en dwangsommen voor de gastouder: door de beperkte omvang heeft een gastouder meestal ook minder financiële draagkracht. Het college houdt hier rekening mee bij de vaststelling van de bedragen voor boetes en dwangsommen;

    • boetes bij niet gemelde wijzigingen: gastouderbureaus zijn medeverantwoordelijk voor het toezicht op de gastouderopvang en de toezichthouder doet alleen steekproefsgewijs onderzoek. Daarom is het van belang dat goed zicht is op de opvang: hoe is het geregeld, waar is wel en geen opvang en wie kan daarvoor worden aangesproken. Het college zal daarom boetes opleggen bij het niet melden van een uitbreiding, het niet melden van de start of beëindiging van bemiddelingsrelaties en het niet melden van de beëindiging van de exploitatie van de voorziening. Boetes worden opgelegd aan het gastouderbureau want het gastouderbureau moet wijzigingen tijdig melden;

    • snellere sluiting: bij een gastouder gaat het college sneller over tot sluiting (exploitatieverbod) van de opvangvoorziening en intrekking van de toestemming. De kwaliteit van de opvang is namelijk onlosmakelijk verbonden aan de gastouder en het college verwacht daarom geen verbetering na herhaling van overtredingen;

    • signaal naar andere gemeenten: het college informeert het college van een andere gemeente;

    • PRK: het gastouderbureau is verantwoordelijk voor registratie en wijzigingen in het PRK. Hiervoor is het gastouderbureau afhankelijk van informatie van de gastouder. Het ligt op de weg van het gastouderbureau om ervoor te zorgen dat het tijdig de juiste informatie van zijn gastouders ontvangt. Het ontbreken van informatie over wijzigingen in het huishouden van gastouders of in de groepssamenstelling bij bemiddeling van een gastouder door meerdere gastouderbureaus ligt in de risicosfeer van het gastouderbureau. Het is aan gastouderbureaus om aan te tonen dat zij er redelijkerwijs alles aan hebben gedaan om overtredingen te voorkomen.

Artikel 4.10 Handhaving bij een gastouderbureau gevestigd buiten de gemeente

  • 1. Blijkt uit een inspectierapport dat bij een overtreding voor een gastouderopvang binnen onze gemeente, deze overtreding is begaan door een gastouderbureau dat buiten de gemeente is gevestigd dan mag het college alleen een waarschuwing of een bestuurlijke boete opleggen aan een gastouderbureau dat in een andere gemeente is gevestigd.

  • 2. Afhankelijk van het risico en de situatie, zal het college ook de gemeente waar het gastouderbureau gevestigd is informeren en verzoeken handhavend op te treden.

Artikel 4.11 Publicatie van handhavingsbesluiten en inspectierapporten

De toezichthouder publiceert de inspectierapporten, nadat deze onherroepelijk zijn, in het LRK. Het college maakt handhavingsbesluiten openbaar in het LRK nadat deze onherroepelijk zijn. Een handhavingsbesluit is onherroepelijk nadat alle bezwaar- en beroepsprocedures tegen het besluit zijn afgerond. In besluiten staat hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden.

Hoofdstuk 5 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 5.1 Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op 15 januari 2026.

  • 2. Op het moment dat deze beleidsregels in werking treden, worden de op 7 juli 2020 vastgestelde Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Twenterand ingetrokken.

Artikel 5.2 Citeertitel

Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregels toezicht en handhaving kinderopvang Twenterand 2026.

Ondertekening

Vriezenveen, 6 januari 2026

Burgemeester en wethouders,

de secretaris,

P.F.G. Rossen

de burgemeester,

G.J. Gorter

Bijlage 1: AFWEGINGSMODEL

Handhaving en boetes in het kort

Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening en dit vastlegt in een inspectierapport. In dit afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen.

De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, zal het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.

Het college zal in gevallen zoals genoemd in artikel 4.7 lid 4 van deze beleidsregels bij herstellende handhaving kiezen voor de schriftelijke aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

Het college zal in gevallen zoals genoemd in artikel 4.7 lid 5 van deze beleidsregels bij herstellende handhaving kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de schriftelijke aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.

Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct.

Blijkt na (tijdelijke) sluiting dat de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel is hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college zal de toestemming voor exploitatie direct intrekken bi ernstige overtredingen. In bepaalde gevallen zal het college een bestuurlijke boete opleggen. Dit gebeurt direct bij ernstige overtredingen, of indirect wanneer een eerder opgelegde aanwijzing niet wordt nageleefd. De boetebedragen gelden per afzonderlijke overtreding van een voorschrift.

Voor de bedragen sluit het college aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht (maximale bedragen). Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen.

In de tabel is het maximum sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen.

Bij recidive verdubbelt het college dit maximum.

Hersteltermijnen

Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang worden in beginsel direct of binnen maximaal 1 maand hersteld.

Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang worden in beginsel binnen maximaal 3 maanden hersteld.

Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang worden in beginsel binnen maximaal 6 maanden hersteld.

Voor elke overtreding beoordeelt het college welke hersteltermijn passend is.

Dwangsommen Kindercentrum

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang

Administratie

de derde categorie

Maatregelen aanpak A-ziekten

de derde categorie

Pedagogisch klimaat

Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Pedagogisch beleid

de derde categorie

Pedagogische praktijk

de derde categorie

Voorschoolse educatie

de derde categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie

de derde categorie

Personeel en groepen

Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de derde categorie

Opleidingseisen

de derde categorie

Aantal beroepskrachten

de derde categorie

Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs

de derde categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de tweede categorie

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

de tweede categorie

Voertaal

de tweede categorie

Veiligheid en gezondheid

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

de tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie

Accommodatie

Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Eisen aan ruimtes

de tweede categorie

Ouderrecht

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Informatie

de tweede categorie

Oudercommissie

de tweede categorie

Klachten en geschillen

de tweede categorie

Dwangsommen Gastouderbureau

Personeel

Overtredingen in het domein Personeel hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

De derde categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling

Personeelsformatie per gastouder

de tweede categorie

Veiligheid en gezondheid

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid

De tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie

Ouderrecht

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

Informatie

de tweede categorie

Oudercommissie

de tweede categorie

Klachten en geschillen

de tweede categorie

Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht

Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

Kwaliteitscriteria

de tweede categorie

Administratie gastouderbureau

de tweede categorie

Dwangsommen Gastouder

Het maximum dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

Dwangsommen Ouderparticipatieopvang

Het maximum dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht en bij recidive het dubbele daarvan.

Bestuurlijke boete

Per overtreding van het voorschrift. Voor enkele overtredingen zal het college, naast een herstelsanctie, in beginsel een boete opleggen. Deze overtredingen staan in de eerste tabel: boete. Voor de overige overtredingen zal naast een herstelsanctie ook een boete worden opgelegd. In de tabel is het maximum boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximum boetebedrag met 50%.

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.

Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.

Directe boete

Algemeen

kindercentrum en GOB

gastouders

Exploitatie zonder toestemming college

de vierde categorie

de derde categorie

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

de derde categorie

Schenden medewerkingsplicht

de derde categorie

de tweede categorie

Niet opvolgen bevel

de vierde categorie

de derde categorie

Overtreden exploitatieverbod

de vierde categorie

de tweede categorie

Niet (tijdig) melden wijzigingen

de tweede categorie

Personeel en groepen

kindercentrum en GOB

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de tweede categorie per ontbrekende VOG

Personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling

Beroepskrachtkind-ratio (BKR)

de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht

Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet.

de helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de tweede categorie per ontbrekende kwalificatie

Gastouders - Personeel en groepen

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de eerste categorie per ontbrekende VOG

Groepsgrote en groepssamenstelling

de eerste categorie per overtreding

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie

Kwaliteit gastouderbureau

Pedagogische praktijk

Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder:

Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang.

de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht:

De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder

de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang:

Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling

Veiligheid en gezondheid:

Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang

de tweede categorie

Hiervoor wordt een boete opgelegd

Overige kwaliteitseisen

Niet opvolgen aanwijzing

de derde categorie, voor gastouder tweede categorie

Eisen ruimtes gastouderopvang:

De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen

de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd.

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de derde categorie