Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755366
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755366/1
Verordening bedrijveninvesteringszone Centrum Oud-Beijerland 2026-2030
Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 01-02-2026 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Verordening bedrijveninvesteringszone Centrum Oud-Beijerland 2026-2030De raad van de gemeente Hoeksche Waard;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2025;
gelet op de Wet op de Bedrijveninvesteringszones en artikel 149 van de Gemeentewet;
gezien de uitvoeringsovereenkomst van 24 november 2025 gesloten met Stichting BIZ Centrum Oud-Beijerland;
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening bedrijveninvesteringszone Centrum Oud-Beijerland 2026-2030
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- -
bedrijveninvesteringszone: het op de bij deze verordening behorende kaart aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven;
- -
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente;
- -
uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en Stichting BIZ Centrum Oud-Beijerland op 24 november 2025 gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet;
- -
wet: Wet op de Bedrijveninvesteringszones.
Hoofdstuk II Belastingbepalingen
Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de belasting
-
1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.
-
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de bedrijveninvesteringszone.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting
-
1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
-
2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4. Belastingplicht
-
1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van:
- a.
De gebruiker, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar, al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht, een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak gebruikt;
- b.
De eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak.
- a.
-
2. Indien een onroerende zaak bij het begin van het kalenderjaar geen gebruiker kent, wordt de van de gebruiker te heffen BIZ-bijdrage geheven van de eigenaar.
-
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt:
- a.
Gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven, is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;
- b.
Het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft gesteld is bevoegd de BIZ-bijdrage als zodanig te verhalen op degene aan wie de onroerende zaak ter beschikking is gesteld;
- c.
Als eigenaar aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
- a.
Artikel 5. Maatstaf van heffing
-
1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2025.
-
2. Indien met betrekking tot de onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6. Vrijstellingen
-
1. De BIZ-bijdrage wordt niet geheven van:
- a.
onroerende zaken die naast delen die dienen tot woning bestaan uit delen die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard;
- b.
onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
- c.
onroerende zaken die naast delen die dienen tot woning uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
- d.
onroerende zaken die naast delen die dienen tot woning uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
- e.
onroerende zaken die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente;
- f.
onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
- g.
onroerende zaken die uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht;
- h.
onroerende zaken die naast delen die dienen tot woning uitsluitend bestemd zijn voor en in gebruik zijn als begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria;
- i.
onroerende zaken die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs;
- j.
onroerende zaken die uitsluitend bestemd en in gebruik zijn voor club- en buurthuiswerk, de beoefening van sport, kunst of cultuur, en andere activiteiten van sociale of culturele aard en die worden beheerd door een vereniging of stichting die geen onderneming drijft;
- k.
onroerende zaken die uitsluitend bestemd in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid.
- a.
-
2. In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de BIZ-bijdrage van de gebruiker en eigenaar buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Artikel 7. Tarief BIZ-bijdrage
De BIZ-bijdrage wordt geheven van:
- a.
Gebruikers van onroerende zaken binnen het aangewezen BIZ-gebied;
- b.
Eigenaren van onroerende zaken binnen het aangewezen BIZ-gebied.
Voor gebruikers geldt:
- •
Een minimale bijdrage van €350 per object per jaar;
- •
Een maximale bijdrage van €1.400 per object per jaar;
- •
Binnen deze grenzen wordt de bijdrage vastgesteld op 0,20% van de WOZ-waarde van het object.
Voor eigenaren geldt:
- •
Een minimale bijdrage van €250 per object per jaar;
- •
Een maximale bijdrage van €500 per object per jaar;
- •
Binnen deze grenzen wordt de bijdrage vastgesteld op 0,20% van de WOZ-waarde van het object.
Artikel 8. Wijze van heffing
De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Termijnen van betaling
-
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de aanslag worden betaald uiterlijk drie maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet.
-
2. In afwijking van het eerste lid geldt, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
-
3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste en tweede lid gestelde termijnen.
Artikel 10. Looptijd belastingheffing
De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van vijf jaar.
Hoofdstuk III Subsidiebepalingen
Artikel 11. Buiten toepassing algemene subsidieverordening
Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene Subsidieverordening Gemeente Hoeksche Waard 2025 niet van toepassing.
Artikel 12. Aanwijzing Stichting
De stichting wordt aangewezen als de stichting bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.
Artikel 13. Subsidieverlening
-
1. De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de stichting voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.
-
2. De subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen.
Artikel 14. Subsidieverplichtingen
Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de stichting ook andere doel gebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de stichting gesloten uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 15. Subsidievaststelling
-
1. De stichting is verplicht om binnen vijf maanden na afloop van het subsidiejaar de in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken te overleggen.
-
2. De subsidie wordt vastgesteld uiterlijk acht weken na ontvangst van de in het voorgaande lid genoemde stukken.
Artikel 16. Melding van relevante wijzigingen
De stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van:
- -
meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie,
- -
een wijziging van de statuten,
- -
verandering of beëindiging van activiteiten.
Hoofdstuk IV Slotbepalingen
Artikel 17. Inwerkingtreding
-
1. Deze verordening treedt met terugwerkende kracht in werking per 1 januari 2026, uitsluitend indien en zodra uit de formele draagvlakmeting als bedoeld in artikel 4 van de Wet op de Bedrijveninvesteringszones, is gebleken dat voldoende steun aanwezig is. Indien deze draagvlakmeting een negatieve uitkomst heeft, treedt deze verordening niet in werking.
-
2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026
Artikel 18. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening bedrijveninvesteringszone Centrum Oud-Beijerland 2026-2030
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 december 2025.
M.J.E.M.van Dam
Griffier
M. Witte
Voorzitter
Bijlage behorende bij de Verordening bedrijveninvesteringszone Centrum Oud-Beijerland 2026-2030
Als aangewezen gebied, bedoeld in artikel 1 van de Verordening bedrijveninvesteringszone centrum Oud-Beijerland 2026-2030 geldt het op onderstaande kaart begrensde gebied.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl