Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026

Dit is een toekomstige tekst! Geldend vanaf 22-01-2026

Intitulé

Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nunspeet;

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, artikel 31, artikel 35, lid 1 en 3, artikel 41, artikel 43a, artikel 44 van de Participatiewet en artikel 15a en 16a van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

gelet op artikel 5 van de Verordening inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026;

overwegende dat het college nadere regels wil vaststellen voor de uitvoering van inkomensondersteunende regelingen;

Besluit: de Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026 vast te stellen.

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a. alle begrippen: alle begrippen die in deze nader regels worden gebruikt en niet nader omschreven staan, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht en de Gemeentewet;

  • b. belanghebbende: de rechtmatig in Nederland verblijvende alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwden van 18 jaar of ouder die op het moment van aanvraag woonplaats heeft in de gemeente Nunspeet en als zodanig ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie en die voor zichzelf een aanvraag heeft ingediend op grond van deze nadere regels;

  • c. college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Nunspeet;

  • d. eigen risico: het verplicht eigen risico zoals genoemd in de Zorgverzekeringswet;

  • e. erfgenaam: de partner of een familielid in eerste of tweede graad van de overledene of in een testament aangewezen erfgenaam;

  • f. inkomensondersteunende regelingen: lokale inkomensregelingen voor inwoners van de gemeente Nunspeet met een laag inkomen, namelijk: de activiteitenbijdrage, de fietsbijdrage, de laptopbijdrage, de bijdrage gemeentelijke belastingen, de bijdrage collectieve zorgverzekering en de bijdrage eigen risico;

  • g. Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • h. jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41 lid 4 van de Participatiewet;

  • i. inkomstenvrijlating: het niet in aanmerking nemen van inkomsten zoals genoemd in artikel 31 van de Participatiewet;

  • j. Msnp: Minnelijke schuldsanering natuurlijke personen;

  • k. sociaal-culturele activiteiten: activiteiten die uit oogpunt van ontspanning of ontwikkeling al dan niet in groepsverband worden ondernomen en bijdragen aan maatschappelijke participatie;

  • l. Verordening; de Verordening inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026;

  • m. VTLB: Vrij te laten bedrag zoals van toepassing binnen de schuldhulpverlening;

  • n. Wht; Wet op de huurtoeslag;

  • o. Wmo: Wet maatschappelijke opvang 2015;

  • p. Woonkostentoeslag: bijzondere bijstand voor woonkosten;

  • q. WSF 2000: Wet studiefinanciering 2000;

  • r. Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • s. Wtos: Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;

  • t. zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41 lid 4 van de Participatiewet.

Artikel 2. Doelgroep

  • 1. De doelgroep voor inkomensondersteunende regelingen bestaat uit belanghebbenden die op het moment van aanvraag:

    • a.

      woonachtig zijn in de gemeente Nunspeet, en;

    • b.

      minimaal 18 jaar oud zijn.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid bestaat de doelgroep voor inkomensondersteunende regelingen uit belanghebbenden die op het moment van aanvraag en de drie maanden daar voorafgaand:

    • a.

      een netto-inkomen hebben van maximaal 120% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm, en;

    • b.

      een vermogen hebben van maximaal de vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 lid 3 van de Participatiewet.

  • 3. Belanghebbenden die via het college een lopend saneringskrediet hebben of een Msnp- of Wsnp-traject volgen, worden geacht onderdeel te zijn van de doelgroep genoemd in het eerste lid.

  • 4. Niet tot de doelgroep behoren personen van 18 jaar of ouder die onderwijs volgen waarvan aanspraak bestaat op:

    • a.

      WSF 2000, of;

    • b.

      Wtos.

Artikel 3. Bewijsstukken bij herhaalde of aanpalende aanvraag

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Participatiewet, te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen twaalf maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

      • i.

        werkaanvaarding;

      • ii.

        een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Participatiewet, of;

      • iii.

        een verblijf buiten de gemeente.

  • 2. Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3. Als de individuele situatie van belanghebbende ertoe leidt dat het college aanvullende vragen heeft om het recht op bijstand te kunnen vaststellen, vraagt het college alsnog aanvullende verklaringen en bewijsstukken op.

  • 4. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.

  • 5. Als belanghebbende een aanvraag indient voor bijzondere bijstand, individuele inkomenstoeslag of één van de inkomensondersteunende regelingen en één van deze regelingen binnen drie maanden voorafgaand aan deze aanvraag of voor onbepaalde tijd is toegekend, dan hoeft belanghebbende niet opnieuw de bewijsstukken van het inkomen en vermogen opnieuw aan te leveren. Het college gebruikt in dat geval de gegevens van de eerder ingediende aanvraag. Het kan wel mogelijk zijn dat het college per aanvraag aanvullende gegevens nodig heeft om het recht op specifieke regelingen te kunnen beoordelen.

Artikel 3a. Terugwerkende kracht en zoektermijn

  • 1. Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om bijstand met maximaal drie maanden vóór de dag van melding met terugwerkende kracht toe te kennen als:

    • a.

      de belanghebbende zich niet eerder voor bijstand heeft kunnen melden;

    • b.

      het aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

    • c.

      een eerdere bijstandsaanvraag buiten behandeling is gesteld of afgewezen, omdat aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

    • d.

      de belanghebbende met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen;

    • e.

      hierdoor problematische schulden worden voorkomen;

    • f.

      het om andere reden naar oordeel van het college vanwege individuele omstandigheden om noodzakelijk is;

    • g.

      het niet toekennen van bijstand met terugwerkende kracht leidt tot ernstige gevolgen bij belanghebbende, zoals ontruiming van de woning of (dreigende) afsluiting van nutsvoorzieningen.

  • 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

  • 3. Het college past de zoektermijn voor jongeren, zoals bedoeld in artikel 41 lid 11 Participatiewet, niet toe als:

    • a.

      de jongere verblijft in een inrichting of dit in de afgelopen drie maanden gedaan heeft;

    • b.

      de jongere beschermd woont op grond van de Wmo of dit in de afgelopen drie maanden gedaan heeft;

    • c.

      de jongeren een probleemschulden heeft of hier kans op is als de zoektermijn wordt toegepast;

    • d.

      naar oordeel van het college de jongere niet binnen vier weken betaalde arbeid kan verrichten en niet kan starten met uit ’s Rijkskas bekostigd onderwijs.

Artikel 4. Ambtshalve toekenning

Aan belanghebbenden aan wie algemene bijstand voor levensonderhoud op grond van de Participatiewet wordt toegekend, wordt ambtshalve de activiteitenbijdrage en de bijdrage gemeentelijke belastingen toegekend vanaf het kalenderjaar waarin de algemene bijstand wordt toegekend. In dit geval wordt afgeweken van de eis dat de belanghebbende minimaal drie maanden een laag inkomen moet hebben gehad.

Artikel 5. In aanmerking te nemen inkomsten

  • 1. Het college past het recht op inkomstenvrijlating toe wanneer belanghebbende inkomsten uit arbeid heeft, tenzij dit nadelig is voor de belanghebbende.

  • 2. Indien belanghebbende stopt met het verwerven van inkomen uit arbeid en nog niet de volledige periode van inkomstenvrijlating heeft benut, kan de inkomstenvrijlating op een later moment worden hervat wanneer belanghebbende opnieuw inkomsten uit arbeid heeft. De totale inkomstenvrijlating tijdens kan niet langer zijn dan de genoemde termijnen in artikel 31 van de Participatiewet.

  • 3. Als de uitkeringsperiode ten minste zes maanden wordt onderbroken, ontstaat er een nieuw recht op inkomstenvrijlating.

Artikel 6. Vaststelling inkomen

  • 1. Het college kan voor het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand en inkomensondersteunende regelingen in afwijken van artikel 2 lid 2, als:

    • a.

      de belanghebbende wisselende inkomsten heeft en in dat geval het inkomen vaststellen als een gemiddeld inkomen over de twaalf maanden voorafgaand aan de aanvraag.

    • b.

      de belanghebbende inkomen uit een eigen onderneming heeft en in dat geval het inkomen vaststellen aan de hand van de meest recente aangifte inkomstenbelasting, waarbij het maandelijkse inkomen wordt vastgesteld als een gemiddelde van bedrijfsresultaat over de twaalf maanden waarop deze aangifte betrekking heeft. Bij het berekenen van het netto-inkomen wordt de systematiek van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) gehanteerd.

    • c.

      de belanghebbende over onvoldoende gegevens beschikt om het inkomen uit lid 2 te kunnen vaststellen, het gemiddelde inkomen vast stellen aan de hand van tussentijdse cijfers en een door het college vast te stellen periode, waarbij de systematiek van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) wordt gehanteerd.

  • 2. Bij het vaststellen van het recht op bijzondere bijstand en de inkomensondersteunende regelingen wordt het inkomen uit particuliere oudedagvoorzieningen bij belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, vrij gelaten overeenkomstig de genoemde bedragen in artikel 33 lid 5 van de Participatiewet. Indien het genoemde inkomen lager is dan het bedrag genoemd in artikel 33 lid 5 van de Participatiewet, worden maximaal de daadwerkelijke netto-inkomsten uit dit inkomen vrijgelaten.

  • 3. De CAK-bijdrage voor personen wonend in een inrichting wordt in mindering gebracht op het inkomen van de belanghebbende.

Artikel 7. Toepasselijke bijstandsnormen

  • 1. Voor de vaststelling van doelgroep, zoals genoemd in artikel 2 lid 2 sub a, zet het college het inkomen af tegen 120% van de toepasselijke bijstandsnormen zoals genoemd in artikel 20 tot en met 22 van de Participatiewet, als:

    • a.

      voor belanghebbende de kostendelersnorm, zoals genoemd in artikel 22a van de Participatiewet, van toepassing zou zijn, of;

    • b.

      het personen wonend in een inrichting, zoals bedoeld in artikel 1 sub f van de Participatie-wet betreft.

Artikel 8. Vermogen in eigen woning

  • 1. Het vermogen in de eigen woning, zoals bedoeld in artikel 34 lid 2 sub d van de Participatiewet, wordt niet tot het vermogen gerekend bij:

    • a.

      de bijdrage sport en cultuur;

    • b.

      de bijdrage gemeentelijke belastingen;

    • c.

      de bijdrage collectieve zorgverzekering;

    • d.

      de bijdrage eigen risico; en

    • e.

      de bijdrage ontwikkelkansen.

Artikel 9. Waarde vaststelling van voertuigen

  • 1. De waarde van een vervoermiddel wordt voor het vaststellen van het vermogen bij bijstand en de inkomensondersteunende regelingen als volgt in aanmerking genomen en vastgesteld:

    • a.

      bij een waarde tot of gelijk aan € 5.000,-- wordt een vervoermiddel als algemeen gebruikelijk aangemerkt en wordt deze in zijn geheel niet tot de middelen gerekend;

    • b.

      als de waarde meer bedraagt dan € 5.000,-- dan wordt het meerdere tot de middelen gerekend bij de vermogensvaststelling.

    • c.

      indien belanghebbende meerdere voertuigen in zijn bezit heeft, dan wordt de waarde van de voertuigen gezamenlijk vastgesteld.

    • d.

      het college bepaalt de waarde van voertuigen indien mogelijk aan de hand van de inruilwaarde genoemd op de BOVAG/ANWB-koerslijst of, indien dit niet mogelijk is, aan de hand van een taxatie door een expert.

  • 2. Indien belanghebbende een voertuig in zijn bezit heeft vanwege medisch noodzakelijke redenen, dan wordt het voertuig in zijn geheel niet tot de middelen gerekend.

  • 3. Caravans, campers, vrachtwagens, tractoren, boten, jachten, aanhangers en dergelijke worden niet als algemeen gebruikelijk aangemerkt en worden volledig tot het vermogen van belanghebbende gerekend.

Artikel 10. Giften

  • 1. Giften boven de € 1.200,-- per kalenderjaar worden in aanmerking genomen als middel voor de bijstand of inkomensondersteunende regelingen, tenzij de gift naar oordeel van het college verantwoord is binnen de bijstand.

  • 2. Giften in de vorm van verstrekkingen van erkende charitatieve instellingen, waaronder Stichting Voedselhulp, Stichting Verborgen Armoede Nunspeet, Stichting Babyspullen, het Jeugd- of Volwassenenfonds Sport en Cultuur, diaconie of vergelijkbare instellingen worden niet in aanmerking genomen voor de bijstand of inkomensondersteunende regelingen.

  • 3. Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Participatiewet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord:

    • a.

      giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

    • b.

      giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

    • c.

      giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand.

Artikel 11. Vrijlating vermogen

Middelen gereserveerd voor de kosten van een begrafenis of crematie worden niet in aanmerking genomen als:

  • a. het een uitvaartverzekering betreft die in natura wordt uitgekeerd, of;

  • b. de belanghebbende zelf of via een deposito geld reserveert voor de uitvaart en dit niet eerder opvraagbaar is dan na het overlijden van belanghebbende.

Hoofdstuk 2. Bijzondere bijstand

Paragraaf 1. Algemene bepalingen bijzondere bijstand

Artikel 12. Draagkracht

  • 1. Van het inkomen boven de geldende bijstandsnorm wordt 35% als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 2. Van het vermogen boven het wettelijk vrij te laten vermogen wordt 100% als draagkracht in aanmerking genomen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt 100% van het inkomen boven de toepasselijke bijstandsnorm als draagkracht in aanmerking genomen bij:

    • a.

      bijzondere bijstand voor woonkosten;

    • b.

      bijzondere bijstand voor levensonderhoud bij 18 tot 21-jarigen.

  • 4. De draagkracht wordt vastgesteld op nihil indien belanghebbende via het college een lopend saneringskrediet heeft of een Msnp- of Wsnp-traject volgt.

  • 5. Indien toekenning van bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten zou leiden tot een hogere afloscapaciteit van belanghebbende op basis van het VTLB, wordt de draagkracht in afwijking van lid 4, zodanig vastgesteld dat bijzondere bijstand niet leidt tot een verhoging van de afloscapaciteit.

  • 6. Indien lid 5 van toepassing is, wordt de bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering vastgesteld ter hoogte van het maximale bedrag waarmee de afloscapaciteit niet wordt verhoogd, maar niet hoger dan de daadwerkelijke kosten.

Artikel 13. Draagkrachtperiode

  • 1. De draagkracht wordt vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand van aanvraag waarop de verstrekking van de bijzondere bijstand betrekking heeft.

  • 2. De draagkracht en periodieke bijzondere bijstand wordt vastgesteld voor een periode van één jaar.

  • 3. In afwijking van lid 2 worden draagkracht en periodieke bijzondere bijstand voor:

    • a.

      een periode van maximaal drie jaar vastgesteld, als er sprake is van:

      • i.

        belanghebbenden die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt en een stabiel inkomen hebben;

      • ii.

        bijzondere situaties die een periode van langer dan één jaar rechtvaardigen.

    • b.

      onbepaalde tijd vastgesteld als belanghebbenden op het moment van aanvraag recht hebben op algemene bijstand op grond van de Participatiewet.

  • 4. Als tijdens de draagkrachtperiode wijzigingen voordoen in de vastgestelde financiële, woon- en/of leefsituatie waaraan niet kan worden voorbijgegaan, kan de draagkracht in afwijking van het lid 1, 2 en 3 tussentijds opnieuw worden vastgesteld.

  • 5. Er kan niet voorbij worden gegaan aan een situatie genoemd in het vierde lid bij een stijging of daling van het inkomen van tenminste 20%.

Artikel 14. Moment van aanvraag

  • 1. Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet maximaal drie maanden nadat de kosten zijn gemaakt zijn ingediend.

  • 2. Het college kan afwijken van de termijn in het eerste lid als individuele omstandigheden daartoe noodzaken.

Artikel 15. Vorm bijstandsverlening

Bijzondere bijstand wordt verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening als:

  • a. redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken waarmee over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan worden voorzien;

  • b. de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • c. de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;

  • d. het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft;

  • e. het de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft;

  • f. de bijstand een inrichtingskrediet betreft zoals genoemd in artikel 26 lid 2;

  • g. de bijstand ter overbrugging van een periode waarin men nog niet over voldoende middelen kan beschikken wordt verstrekt zoals genoemd in artikel 26 lid 2;

  • h. het een zelfstandige ondernemer betreft;

  • i. het een woonkostentoeslag betreft zoals genoemd in artikel 27 lid 3 sub a.

Artikel 16. Kwijtschelding geldlening inrichtingskosten

Als een belanghebbende gedurende 36 aaneengesloten maanden volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan wordt het restant van de lening voor inrichtingskosten kwijtgescholden.

Artikel 17. Drempelbedrag

Er wordt geen bijzondere bijstand toegekend als de bijzondere kosten binnen een periode van twaalf maanden minder bedragen dan € 50,--.

Artikel 18. Bepaling hoogte bijstand

  • 1. De hoogte van de bijzondere bijstand bestaat uit de hoogte van de bijzondere noodzakelijke kosten verminderd met de vastgestelde draagkracht.

  • 2. Alleen de goedkoopste noodzakelijke oplossing komt voor vergoeding in aanmerking.

Paragraaf 2. Bijzondere kosten

Artikel 19. Tandartskosten

  • 1. Het college kan bijzondere bijstand voor noodzakelijke tandartskosten verstrekken als:

    • a.

      de inwoner zich heeft verzekerd via de uitgebreidste collectieve zorgverzekering, zoals genoemd in artikel 33 sub c van deze nadere regels, of een vergelijkbare zorgverzekering, en;

    • b.

      de hoogte van de kosten is hoger dan de maximale kosten die vergoed worden vanuit de zorgverzekering, en;

    • c.

      in afwijking van artikel 14 lid 1 moet de aanvraag voor bijzondere bijstand zijn ingediend voordat de kosten zijn gemaakt, en;

    • d.

      belanghebbende bij de aanvraag een gespecificeerde kostenopgave van een tandarts heeft ingediend, en;

    • e.

      de tandarts heeft verklaard dat de behandeling medisch noodzakelijk is.

  • 2. De maximale vergoeding voor de kosten genoemd in het eerste lid bedraagt € 2.000,-- per drie kalenderjaren, gerekend vanaf het eerste kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.

  • 3. Als de belanghebbende vanuit zijn zorgpolis een vergoeding ontvangt die lager is dan de vergoeding uit het uitgebreidste pakket via de gemeentelijke collectieve zorgverzekering, dan wordt het verschil van deze vergoeding in mindering gebracht op de maximale bijzondere bijstand zoals genoemd in het tweede lid.

  • 4. In afwijking van het derde lid, kunnen belanghebbenden die vanwege schuldenproblematiek geen aanvullende zorgverzekering kunnen afsluiten, wel een beroep doen op de maximale vergoeding zoals genoemd in het tweede lid.

Artikel 20. Brilvergoeding

  • 1. Het college verstrekt een maximale vergoeding van € 350,-- voor de kosten van een bril.

  • 2. De vergoeding, genoemd in het eerste lid, kan eens per drie kalenderjaren worden verstrekt, gerekend vanaf het eerste kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.

  • 3. In afwijking van het tweede lid kan de vergoeding vaker worden verstrekt als vanwege verandering in de oogsterkte nieuwe glazen noodzakelijk zijn.

Artikel 21. Uitvaartkosten

  • 1. Het college kan bijzondere bijstand voor uitvaartkosten verstrekken aan belanghebbenden die erfgenaam zijn, en:

    • a.

      er geen uitvaartverzekering, levens- of ongevallenverzekering is; en

    • b.

      de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap kunnen worden voldaan, en;

    • c.

      de erfgenaam niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.

  • 2. De maximale hoogte van de bijzondere bijstand voor uitvaartkosten bedraagt € 5.000,--, naar rato van het aantal erfgenamen. Als de kosten lager zijn dan het maximale bedrag, dan wordt bijzondere bijstand verstrekt op basis van werkelijke kosten.

  • 3. Opbrengsten uit eventuele polissen, nalatenschap en andere middelen bestemd voor de uitvaart worden tot de middelen gerekend en worden van de bijzondere bijstand afgetrokken.

  • 4. In uitzondering op lid 3 worden eenmalige overlijdensuitkeringen van de Sociale Verzekeringsbank, gemeente of het Uitkeringsinstituut Werknemersverzekeringen niet tot de middelen van de belanghebbende gerekend.

Artikel 22. Duurzame gebruiksgoederen

  • 1. Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor duurzame gebruiksgoederen wanneer het gaat om een:

    • a.

      wasmachine;

    • b.

      koelkast;

    • c.

      vriezer;

    • d.

      fornuis;

    • e.

      koel-vriescombinatie.

  • 2. De hoogte van de bijzondere bijstand is net zo hoog als de standaardnormen zoals genoemd in de NIBUD Prijzengids.

Artikel 23. Personenalarmering

Het college kan bijzondere bijstand verstrekken voor de aansluitkosten en de abonnementskosten van personenalarmering, als deze om medische of sociale redenen noodzakelijk is en niet wordt vergoed vanuit een voorliggende voorziening.

Artikel 24. Reiskostenvergoeding

Een reiskostenvergoeding wordt verstrekt ter hoogte van de maximaal onbelaste kilometervergoeding zoals genoemd in artikel 31a lid 2 sub a van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 25. Bankkosten bij beschermingsbewind

  • 1. Het college verstrekt bijzondere bijstand voor de kosten van een beheerrekening en leefgeldrekening bij beschermingsbewind conform de richtlijn van het Landelijk Kwaliteitsbureau CBM.

  • 2. Als er sprake is van bijzondere omstandigheden, kan het college afwijken van het eerste lid.

Paragraaf 3. Woonkosten

Artikel 26. Inrichtings- en overbruggingskrediet

  • 1. Het college kan een inrichtingskrediet en/of overbruggingskrediet verstrekken als:

    • a.

      de verhuizing noodzakelijk is, of;

    • b.

      het een eerste vestiging is van een statushouder na het verlaten van het asielzoekerscentrum.

  • 2. De hoogte van het inrichtingskrediet bedraagt 60% van de toepasselijke norm voor een inboedelpakket conform de Nibud prijzengids.

  • 3. De hoogte van het overbruggingskrediet bedraagt één keer de toepasselijke bijstandsnorm op grond van artikel 20 tot en met 24 van de Participatiewet.

Artikel 27. Voorwaarden woonkostentoeslag

  • 1. Woonkosten horen tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Het uitgangspunt is dat algemene bijstand, in combinatie met huurtoeslag, voorziet in de woonkosten. In situaties waar een persoon een laag inkomen heeft, waarmee hij of zij in een bijzondere situatie niet financieel uitkomt, kan onder omstandigheden een beroep worden gedaan op bijzondere bijstand voor noodzakelijke woonkosten.

  • 2. Woonkostentoeslag kan uitsluitend worden verstrekt:

    • a.

      als er sprake is van een bijzondere situatie, en;

    • b.

      voor de woonkosten van de woning waarin belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.

  • 3. Een belanghebbende kan een beroep doen op woonkostentoeslag als de woonkosten lager zijn dan de toepasselijke grens zoals genoemd in artikel 13 van de Wht, en:

    • a.

      belanghebbende woont in een huurwoning en huurtoeslag heeft aangevraagd bij de Belastingdienst, maar deze nog niet is toegekend, of;

    • b.

      belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft in een eigen woning en de hoogte van de woonkosten, gelet op artikel 13 van de Wht, geen belemmering vormen voor toekenning van de huurtoeslag als sprake zou zijn van een huurwoning.

  • 4. In het geval dat de woonkosten van belanghebbende hoger zijn dan de toepasselijke grens zoals genoemd in artikel 13 van de Wht, wordt de woonkostentoeslag alleen verstrekt met de volgende voorwaarden:

    • a.

      belanghebbende wordt verplicht naar vermogen goedkopere woonruimte te vinden;

    • b.

      belanghebbende dient aangifte inkomstenbelasting in bij de Belastingdienst en went de (voorlopige) belastingteruggave aan ter verrekening met de woonkostentoeslag.

  • 5. Wanneer belanghebbende naar oordeel van het college onvoldoende inspanningen heeft verricht om goedkopere woonruimte te verkrijgen conform het vierde lid, kan de woonkostentoeslag worden beëindigd dan wel voortzetting van de woonkostentoeslag worden geweigerd.

Artikel 28. Periode woonkostentoeslag

  • 1. Woonkostentoeslag wordt maximaal voor twaalf maanden verstrekt. Na twaalf maanden kan belanghebbende een nieuwe aanvraag indienen.

  • 2. Indien artikel 27 lid 3 sub a van toepassing is, wordt de woonkostentoeslag uiterlijk verstrekt tot de maand waarin de Belastingdienst tot uitbetaling over gaat.

  • 3. De als lening verstrekte woonkostentoeslag op grond van artikel 15 sub i dient door belanghebbende geheel en ineens te worden afgelost zodra de huurtoeslag over de periode waarover de woonkostentoeslag is verstrekt tot uitbetaling is gekomen.

Artikel 29. Hoogte woonkostentoeslag

  • 1. Indien artikel 27 lid 3 sub a van toepassing is, dan is de woonkostentoeslag gelijk aan het bedrag dat de belanghebbende aan huurtoeslag op grond van de Wht zou ontvangen.

  • 2. Indien artikel 27 lid 3 sub b van toepassing is, dan is de woonkostentoeslag gelijk aan het bedrag van de huurtoeslag die de belanghebbende, gelet op zijn financiële situatie, op grond van de Wht per maand zou ontvangen als sprake zou zijn geweest van een huurwoning.

  • 3. Indien artikel 27 lid 4 van toepassing is, dan is de woonkostentoeslag gelijk aan 35% van het verschil tussen de werkelijke huur en de rekenhuur zoals genoemd in artikel 13 van de Wht. Het college maximeert de grens voor werkelijke huur waarover woonkostentoeslag kan worden verstrekt op 125% van de rekenhuur.

Hoofdstuk 3. Bijdrage collectieve zorgverzekering

Artikel 30. Bijdrage collectieve zorgverzekering

  • 1. Het college maakt gebruik van zijn bevoegdheid om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken voor de kosten van de premie van een collectieve zorgverzekering. Dit heet de bijdrage collectieve zorgverzekering.

  • 2. Rechthebbenden krijgen korting op de collectieve zorgverzekering, doordat het college een financiële bijdrage levert aan Zilveren Kruis Achmea, waardoor de resterende zorgpremie voor de belanghebbende lager wordt.

  • 3. De bijdrage collectieve zorgverzekering van het college is een vorm van bijzondere bijstand.

  • 4. De bijdrage collectieve zorgverzekering wordt direct uitbetaald aan Zilveren Kruis Achmea.

Artikel 31. Rechthebbenden bijdrage collectieve zorgverzekering

De belanghebbende heeft recht op de bijdrage collectieve zorgverzekering als voldaan wordt aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.

Artikel 32. Periode van toekenning

  • 1. Het college kent de bijdrage collectieve zorgverzekering voor onbepaalde tijd toe.

  • 2. Als de belanghebbende recht heeft op de bijdrage collectieve zorgverzekering, meldt het college de belanghebbende, zo nodig met terugwerkende kracht, aan voor de collectieve zorgverzekering en kent het college de bijstand toe per de eerste dag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 33. Hoogte bijdrage collectieve zorgverzekering

De bijdrage collectieve zorgverzekering is als volgt:

  • a. Belanghebbenden die bij Zilveren Kruis Achmea een optimaal 1 pakket en een tandartsverzekering 1-ster afsluiten ontvangen een korting van € 15,-- per maand;

  • b. Belanghebbenden die bij Zilveren Kruis Achmea een optimaal 2 pakket en een tandartsverzekering 1-ster afsluiten ontvangen een korting van € 25,-- per maand;

  • c. Belanghebbenden die bij Zilveren Kruis Achmea een optimaal 3 pakket en een tandartsverzekering 2-sterren afsluiten ontvangen een korting van € 40,-- per maand.

Artikel 34. Hercontroles bijdrage collectieve zorgverzekering

  • 1. Het college voert ieder kalenderjaar hercontroles uit om het recht op de bijdrage collectieve zorgverzekering te kunnen blijven vaststellen.

  • 2. Om het recht in het volgende kalenderjaar te bepalen, worden de hercontroles in de periode juni tot en met uiterlijk september in het lopende kalenderjaar uitgevoerd.

  • 3. De bijdrage collectieve zorgverzekering wordt ongewijzigd voortgezet als met de hercontrole is vastgesteld dat de belanghebbende nog steeds voldoet aan de gestelde voorwaarden.

  • 4. Het college voert geen hercontroles uit voor de doelgroep die:

    • a.

      de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt; of

    • b.

      algemene bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet; of

    • c.

      een Wajong-uitkering ontvangen.

Artikel 35. Beëindiging collectieve zorgverzekering

Het college meldt de belanghebbende af van de collectieve zorgverzekering en beëindigt de bijdrage collectieve zorgverzekering per 1 januari van het volgende kalenderjaar als de belanghebbende niet meer voldoet aan de voorwaarden uit artikel 2.

Hoofdstuk 4. Bijdrage eigen risico

Artikel 36. Bijdrage eigen risico

Het college ondersteunt belanghebbenden die chronisch ziek zijn en hierdoor jaarlijks het volledig eigen risico verbruiken met de bijdrage eigen risico. Inwoners worden geacht chronisch ziek te zijn wanneer zij drie aaneengesloten jaren het eigen risico volledig hebben verbruikt.

Artikel 37. Rechthebbenden bijdrage eigen risico

De belanghebbende heeft recht op de bijdrage eigen risico als de belanghebbende:

  • a. voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2, en;

  • b. in de drie aaneengesloten kalenderjaren het volledig eigen risico heeft verbruikt.

Artikel 38. Aanvraag bijdrage eigen risico

  • 1. De aanvraag kan maximaal één kalenderjaar na het jaar waarop de bijdrage eigen risico betrekking heeft worden ingediend.

  • 2. Als aan de belanghebbende in het voorgaande kalenderjaar al een bijdrage eigen risico is toegekend en de belanghebbende het daaropvolgende kalenderjaar een nieuwe aanvraag indient voor de bijdrage in dat kalenderjaar, dan hoeft de belanghebbende slechts aan te tonen dat het eigen risico voor dat laatste kalenderjaar volledig is verbruikt.

Artikel 39. Hoogte bijdrage eigen risico

De bijdrage eigen risico bedraagt 100% van het verplichte eigen risico van het jaar waarover de bijdrage eigen risico wordt aangevraagd.

Artikel 40. Periode toekenning en betaling bijdrage eigen risico

  • 1. De bijdrage eigen risico wordt maximaal één keer per kalenderjaar toegekend.

  • 2. De bijdrage eigen risico wordt alleen toegekend over het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend of het daarop voorgaande kalenderjaar.

  • 3. De bijdrage eigen risico wordt alleen verstrekt vanaf het derde kalenderjaar waarin het eigen risico volledig is verbruikt.

  • 4. Het college betaalt de bijdrage eigen risico binnen 8 weken na toekenning in één keer uit.

Hoofdstuk 5. Activiteiten-, fiets- en laptopbijdrage

Artikel 41. Activiteitenbijdrage

Het college ondersteunt belanghebbenden met weinig financiële middelen om mee te kunnen doen met sportieve, culturele en schoolactiviteiten met de activiteitenbijdrage. Rechthebbenden kunnen deze bijdrage onder andere gebruiken voor de kosten van een lidmaatschap bij een sport- of muziekvereniging of bibliotheek, muzieklessen, sportkleding, schoolspullen, schoolreisjes, etc.. Dit heet de activiteitenbijdrage.

Artikel 42. Rechthebbenden activiteitenbijdrage

De belanghebbende heeft recht op de activiteitenbijdrage als de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.

Artikel 43. Periode toekenning en betaling activiteitenbijdrage

  • 1. De activiteitenbijdrage wordt per kalenderjaar op aanvraag, in het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan, toegekend voor niet-bijstandsgerechtigden tot de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 2. Het college kent belanghebbenden die een Participatiewet-uitkering toegekend krijgen ambtshalve ook de activiteitenbijdrage toe.

  • 3. De activiteitenbijdrage wordt voor onbepaalde tijd toegekend aan personen die:

    • a.

      de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt; of

    • b.

      algemene bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet; of

    • c.

      een Wajong-uitkering ontvangen.

  • 4. De activiteitenbijdrage wordt door het college binnen 8 weken na toekenning uitbetaald.

  • 5. Aan belanghebbenden aan wie de activiteitenbijdrage voor onbepaalde periode is toegekend, betaalt het college de bijdrage in het eerste kwartaal van het kalenderjaar.

Artikel 44. Hoogte activiteitenbijdrage

  • 1. De bijdrage is € 200,-- per jaar per volwassen gezinslid.

  • 2. De bijdrage is € 400,-- per jaar per minderjarig gezinslid.

Artikel 45. Beëindiging activiteitenbijdrage

Indien artikel 43 lid 3 sub b van toepassing is, dan wordt bij beëindiging van de algemene bijstand ook het recht op de activiteitenbijdrage beëindigd per het eerstvolgende kalenderjaar.

Artikel 45. Fietsbijdrage

Het college ondersteunt belanghebbenden met weinig financiële middelen bij de aanschaf van een fiets voor kinderen. Dit heet de fietsbijdrage.

Artikel 46. Laptopbijdrage

Het college ondersteunt belanghebbenden met weinig financiële middelen bij de aanschaf van een laptop voor kinderen. Dit heet de laptopbijdrage.

Artikel 47. Rechthebbenden en aanvraag fiets- en laptopbijdrage

  • 1.

    De belanghebbende heeft recht op de fietsbijdrage en/of laptopbijdrage als:

    • a.

      de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2, en:

    • b.

      er sprake is van ten laste komende kinderen of pleegkinderen in het huishouden van belanghebbende.

  • 2.

    Het college kent de fiets- of laptopbijdrage op aanvraag van belanghebbende toe.

  • 3.

    De belanghebbende dient de aanvraag voor de fiets- of laptopbijdrage in via een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Artikel 48. Toekenning fiets- en laptopbijdrage

  • 1. De fietsbijdrage kan per kind één keer per drie kalenderjaren worden toegekend als het kind 4 tot 11 jaar oud is.

  • 2. De fietsbijdrage kan per kind één keer per vijf kalenderjaren worden toegekend als het kind 11 tot 18 jaar oud is.

  • 3. De laptopbijdrage kan uitsluitend worden toegekend als er sprake is van minimaal één ten laste komend kind met een leeftijd van 8 tot 18 jaar in het gezin van aanvrager.

  • 4. De laptopbijdrage wordt maximaal één keer per vijf kalenderjaren per gezin toegekend.

  • 5. In aanvulling op lid 4 wordt de laptopbijdrage uitsluitend toegekend als het gezin in de voorgaande vijf kalenderjaren geen bijzondere bijstand voor de inrichting van een woning, ofwel een inrichtingskrediet zoals genoemd in artikel 26, heeft ontvangen.

Artikel 49. Hoogte fiets- en laptopbijdrage

  • 1.

    De bijdrage voor de aankoop van een fiets is:

    • a.

      als het kind op het moment van aanvraag 4 tot en met 6 jaar oud is: 60% van de Nibud-norm voor een fiets voor een kind vanaf 4 tot en met 6 jaar;

    • b.

      als het kind op het moment van aanvraag 7 tot en met 10 jaar oud is: 60% van de Nibud-norm voor een fiets voor een kind vanaf 7 tot en met 10 jaar;

    • c.

      als het kind op het moment van aanvraag 11 tot 18 jaar oud is : 60% van de Nibud-norm voor een fiets voor volwassene.

  • 2.

    De bijdrage voor een laptop is 100% van de Nibud-norm per kind.

  • 3.

    De bijdragen genoemd in het eerste en tweede lid worden op hele euro’s naar boven afgerond.

Hoofdstuk 6. Bijdrage gemeentelijke belastingen

Artikel 50. Bijdrage gemeentelijke belastingen

Het college helpt belanghebbenden met weinig financiële middelen bij het betalen van de gemeentelijke afvalstoffenheffing met de bijdrage gemeentelijke belastingen.

Artikel 51. Rechthebbenden gemeentelijke belastingen

De belanghebbende heeft recht op de bijdrage gemeentelijke belastingen als de belanghebbende voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikel 2.

Artikel 52. Hoogte bijdrage gemeentelijke belastingen

De hoogte van de bijdrage is gelijk aan de aanslag die in het kalenderjaar van de aanvraag is opgelegd voor de gemeentelijke afvalstoffenheffing.

Artikel 53. Periode toekenning en betaling bijdrage gemeentelijke belastingen

  • 1. De bijdrage wordt per kalenderjaar op aanvraag, in het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan, toegekend voor niet-bijstandsgerechtigden tot de pensioengerechtigde leeftijd.

  • 2. De bijdrage wordt voor onbepaalde tijd toegekend aan personen die:

    • a.

      de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt; of

    • b.

      algemene bijstand ontvangen op grond van de Participatiewet; of

    • c.

      een Wajong-uitkering ontvangen.

  • 3. De bijdrage gemeentelijke belastingen wordt direct verrekend met de verschuldigde aanslag afvalstoffenheffing en wordt zodoende niet uitbetaald aan belanghebbende zelf.

  • 4. De bijdrage gemeentelijke belastingen wordt door het college binnen 8 weken na toekenning uitbetaald.

  • 5. Aan belanghebbenden aan wie de bijdrage gemeentelijke belastingen voor onbepaalde periode is toegekend, betaalt het college de bijdrage in het eerste kwartaal van het kalenderjaar.

Artikel 54. Herzien en intrekken toekenning bijdrage gemeentelijke belastingen

De bijdrage gemeentelijke belastingen wordt herzien en ingetrokken als op verzoek van de belanghebbende op grond van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990 kwijtschelding wordt verleend van de aanslag afvalstoffenheffing.

Hoofdstuk 7. Overige en slotbepalingen

Artikel 55. Terugvordering

Het college kan overgaan tot herziening van het besluit en de ten onrechte verleende bijdragen terugvorderen als ten onrechte of een te hoog bedrag is verleend voor de bijdrage sport en cultuur, de bijdrage gemeentelijke belastingen, de bijdrage eigen risico of de bijdrage ontwikkelkansen.

Artikel 56. Hardheidsclausule

Het college kan afwijken van deze nadere regels, als de nadere regels naar het oordeel van het college tot een niet gerechtvaardigde hardheid leidt.

Artikel 57. Onvoorziene omstandigheden

In gevallen waarin niet is voorzien in de uitvoering van deze nadere regels beslist het college.

Artikel 58. Overgangsrecht

De activiteitenbijdrage vervangt de bijdrage sport en cultuur. Als belanghebbenden de bijdrage sport en cultuur toegekend hebben gekregen op basis van eerdere verordeningen en beleidsregels, loopt dit recht met ingang van 1 januari 2026 over in het recht op de activiteitenbijdrage. Belanghebbenden die de bijdrage sport en cultuur voor onbepaalde tijd toegekend hebben gekregen, kunnen zodoende ook aanspraak maken op de verkorte aanvraag, zoals genoemd in artikel 3, voor andere inkomensondersteunende regelingen.

Artikel 59. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze nadere regels treden in werking per 1 januari 2026.

  • 2. Met ingang van 1 januari 2026 vervallen de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Nunspeet 2020.

  • 3. Met ingang van 1 januari 2026 vervallen de Beleidsregels collectieve zorgverzekering gemeente Nunspeet 2024.

  • 4. Deze nadere regels worden aangehaald als de Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld op 23 december 2025,

Burgemeester en wethouders van Nunspeet,

de secretaris, de voorzitter,

A. Heijkamp C.W.J. Blom

Toelichting op de nadere regels

Algemeen

Het college van B&W van de gemeente Nunspeet heeft besloten om nadere regels vast te stellen. De nadere regels vervangen eerder beleidsregels. In deze nieuwe nadere regels zijn verschillende voorgaande beleidsregels gebundeld in één document: Nadere regels inkomensondersteuning gemeente Nunspeet 2026. Hierbij stapt het college niet alleen over naar een verzameldocument, maar ook van beleidsregels naar nadere regels. Dit is noodzakelijk, omdat het college aan nadere regels verplichtingen voor de inwoner kan verbinden (waar dit niet mogelijk is bij beleidsregels). Met deze nadere regels worden een aantal nieuwe regelingen vormgegeven (conform het Uitvoeringsplan Bestaanszekerheid en Schulden gemeente Nunspeet 2023). Om de regels goed te kunnen uitvoeren zijn nadere regels van meerwaarde ten opzichte van beleidsregels. Dit komt de rechtsgelijkheid voor de inwoner ook ten goede.

Met deze nadere regels wordt invulling gegeven aan de beleidsruimte van het college en wordt tegelijkertijd invulling gegeven aan de opdracht van de gemeenteraad om verschillende inkomensregelingen uit te werken en uit te voeren.

Artikelsgewijze toelichting

Voor artikelen die hier niet nader worden genoemd, geldt dat deze ongewijzigd of vergelijkbaar zijn ten opzichte van eerdere beleidsregels of geen verdere toelichting behoeven.

Hoofdstuk 1 – Algemene bepalingen

Artikel 7

Het college kiest ervoor om het inkomen van kostendelers en personen wonend in een inrichting af te zetten tegen 120% van de normen zoals genoemd in artikel 20 tot en met 22 van de Participatiewet in plaats van de kostendelersnorm (artikel 22a Participatiewet) en de inrichtingsnorm (artikel 23 Participatiewet). De reden hiervoor is dat de kostendelersnorm is bedoeld om algemene kosten van het bestaan te kunnen delen. De kosten voor maatschappelijke deelname zit hier naar oordeel van het college niet in verweven. Daarom zou het niet terecht zijn de kostendelersnorm voor de inkomensondersteunende regelingen en de IIT te hanteren. Ditzelfde geldt voor inwoners in een inrichting.

Artikel 11

Middelen gereserveerd voor een uitvaart worden niet in aanmerking genomen indien de inwoner deze specifiek heeft gereserveerd voor deze bestemming en niet vrijelijk over deze middelen kan beschikken. Denk hierbij aan een uitvaartdeposito of een uitvaartfonds. Deze middelen komen pas vrij na het overlijden. De inwoner kan deze middelen dus niet vooraf aanwenden.

Hoofdstuk 2 – Bijzondere bijstand

Artikel 15

Het uitgangspunt is om bijzondere bijstand ‘om niet’ te verstrekken, behalve in de genoemde situaties in dit artikel.

Artikel 19

De belanghebbende kan een bedrag vergoed krijgen van maximaal € 2.000,-- per drie kalenderjaren. Een voorbeeld: een belanghebbende doet op 10 juli 2026 een beroep op bijzondere bijstand voor tandartskosten. De bijzondere bijstand kan eens per drie kalenderjaren worden toegekend. Dit betekent dat de periode voor deze persoon loopt van 1 januari 2026 (het eerste kalenderjaar waarin de bijzondere bijstand wordt toegekend) tot en met 31 december 2028.

Het artikel biedt ruimte voor een vergoeding van tandartskosten voor belanghebbenden die niet verzekerd zijn via de uitgebreidste collectieve zorgverzekering via de gemeente. Op de maximale vergoeding wordt dan wel een bedrag in mindering gebracht, namelijk het verschil tussen de vergoeding uit de uitgebreidste gemeentelijke collectieve zorgverzekering en de eigen zorgpolis. Voorbeeld: de maximale vergoeding voor een behandeling in de collectieve zorgverzekering is € 1.000,--. De vergoeding uit de eigen zorgverzekering is € 250,--. Het verschil hiertussen is dus € 750,--. Dit wordt in mindering gebracht op de maximale vergoeding. De behandeling kost in totaal € 3.000,--. Maximaal zou er € 2.000,-- kunnen worden vergoed. Op dit bedrag wordt nog € 750,-- in mindering gebracht, dus de vergoeding voor de inwoner is in dit geval maximaal € 1.250,--.

Artikel 20

De maximale bijzondere bijstand voor de kosten van een bril bedraagt maximaal € 350,-- per persoon per drie kalenderjaren. Dit bedrag volgt na een vergoeding vanuit de zorgverzekering. Voorbeeld: een belanghebbende (zonder draagkracht) heeft kosten voor een bril van in totaal € 400,--. Vanuit de zorgverzekering wordt € 100,-- vergoed. De bijzondere bijstand bedraagt dan nog maximaal € 200,--.

De vergoeding wordt eens per drie kalenderjaren verstrekt. Hierbij wordt aangesloten bij de systematiek die ook voor tandartskosten geldt. Zie voor een voorbeeld de toelichting op artikel 19.

Artikel 21

De kosten voor een begrafenis of crematie behoren niet tot de kosten van de overledene, maar komen ten laste van de nalatenschap. Is het erfdeel niet toereikend om de kosten te kunnen voldoen? Dan kunnen erfgenamen individueel bijzondere bijstand aanvragen. Een voorbeeld: er zijn vier erfgenamen. De totale kosten voor de uitvaart bedragen € 5.000,--. Eén van de erfgenamen kan de kosten voor de uitvaart niet voldoen. Zijn deel van de kosten bedraagt € 5.000,-- / 4 =

€ 1.250,--. Voor dit deel kan deze persoon bijzondere bijstand ontvangen.

Artikel 22

De hoogte van een lening voor duurzame gebruiksgoederen bedraagt 100% van de norm zoals genoemd in de NIBUD-prijzengids. Het college kiest voor 100% om te voorkomen dat inwoners een tweedehands witgoedapparaat aanschaffen met een beperkte levensduur (en op korte termijn opnieuw een beroep doen op bijzondere bijstand voor hetzelfde soort apparaat).

De lijst van witgoedapparaten is niet limitatief. Indien noodzakelijk kan het college voor andere apparaten bijstand in de vorm van een lening verstrekken.

Artikel 23

De aanschaf van personenalarmering wordt bijna altijd vanuit de zorgverzekering vergoed. Dit geldt echter niet voor de aansluit- en abonnementskosten. Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt. De bijzondere bijstand wordt in principe per kalenderjaar verstrekt, maar niet eerder dan het moment waarop de personenalarmering is aangesloten.

Artikel 26

Een overbruggings- of inrichtingskrediet wordt alleen verstrekt als de belanghebbende niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten en er geen voorliggende voorziening mogelijk is. Het inrichtingskrediet bedraagt 60% van de norm conform de NIBUD-prijzengids, omdat verwacht mag worden dat een deel van de goederen tweedehands kan worden aangeschaft. Het krediet is bedoelt voor alle kosten m.b.t. de inrichting van de woning (inclusief witgoed en stoffering).

Artikel 27 tot en met 29

Bij de woonkostentoeslag geldt dat de aanwezige draagkracht volledig moet worden meegerekend bij de vaststelling van de bijzondere bijstand. Voor de hoogte van de woonkostentoeslag wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de Wet op de huurtoeslag (Wht). Dit betekent dat:

- de woonkostentoeslag kan worden toegekend vanaf de eerste dag van de eerstvolgende maand volgend op de maand van aanvraag;

- in het geval van huurkosten onder de maximale huurgrens in de Wht, wordt de hoogte van de woonkostentoeslag bepaald aan de hand van het toetsingsinkomen van het huidige jaar, conform werkwijze van de Belastingdienst;

- de woonkostentoeslag wordt éénmaal per jaar vastgesteld;

- in het geval van een eigen woning worden de woonlasten bepaald als de som van de volgende lasten (rekenhuur):

• de hypotheekrente;

• de onroerende zaakbelasting, eigenaarsgedeelte;

• de opstalverzekering;

• de waterschapslasten;

• de kosten van rioolrecht;

• een vast bedrag voor kosten van onderhoud van de woning en de centrale verwarmingsinstallatie (indien aanwezig).

Met de aansluiting van de woonkostentoeslagen bij de huurtoeslag, wordt tot uitdrukking gebracht dat woonlasten die boven de toeslaggrenzen uitgaan, voor bijstandsgerechtigden niet verantwoord worden geacht. Indien de bijstandsverlening een langdurig karakter krijgt, wordt een meer bij het inkomen passende huisvesting aangewezen geacht (verhuisplicht).

Voorwaarden bij woonlasten boven de grenzen zoals benoemd in de Wet op de huurtoeslag:

  • a.

    in het geval van een huurwoning betekent dit dat belanghebbende staat ingeschreven als woningzoekende en regelmatig reageert op het woningaanbod waarbij een verhuizing binnen de in lid 3 genoemde termijn mogelijk is.

  • b.

    in het geval van een koopwoning betekent dit dat belanghebbende in ieder geval een (erkende) woningmakelaar heeft ingeschakeld die daadwerkelijk marktgerichte activiteiten ontplooit, de woning aanbiedt op de gebruikelijke woningwebsites, de woning aanbiedt voor een reële marktprijs waarbij in beginsel de meest recent vastgestelde WOZ-waarde als uitgangspunt dient en actief op zoek is naar goedkopere woonruimte. Belanghebbende schrijft zich ook in als woningzoekende bij de woningcorporatie en reageert regelmatig op het woningaanbod waarbij een verhuizing binnen de in lid 3 genoemde termijn mogelijk is.

Artikel 29 lid 2

Doordat bij de vaststelling van de woonkostentoeslag meer kostencomponenten zijn dan alleen de rente, krijgt iemand met een eigen woning minder voorlopige teruggaaf van de belastingdienst, dan de mensen met een huurtoeslag en dezelfde rekenhuur. Dit verschil kan worden hersteld met woonkostentoeslag. Derhalve wordt aan belanghebbenden de verplichting opgelegd aangifte in te dienen bij de Belastingdienst, zodat de (voorlopige) teruggave kan worden aangewend ter verrekening van de woonkostentoeslag.

Artikel 29 lid 3

Vanaf 1 januari 2026 wijzigt de Wht. Inwoners met een werkelijke huur boven de rekenhuur grens, komen nu ook in aanmerking voor huurtoeslag. De huurtoeslag wordt voor deze groep echter wel gemaximeerd op de grens van de rekenhuur. Voor dit deel is de huurtoeslag een voorliggende voorziening. Het deel van de huur tussen de werkelijke huur en boven de rekenhuur heet het ‘niet subsidiabele huurdeel’. Gemeenten hebben ruimte om voor dit deel beleid te ontwikkelen. Het college kiest er voor om, als de werkelijke huur hoger is dan de rekenhuur (en er sprake is van bijzondere omstandigheden), de woonkostentoeslag vast te stellen op 35% van dit verschil. Dit percentage komt overeen met de gemiddelde verhouding tussen huurtoeslag en huurkosten. Daarnaast kiest het college er voor om de woonkostentoeslag te maximeren aan de hand van een percentage van de rekenhuur.

Voorbeeld 1: Rekenhuur € 900,07, werkelijke huur € 1.100,--. De woonkostentoeslag bedraagt dan (€ 1.100,-- - € 900,07) * 35% = € 69,98 per maand.

Voorbeeld 2: Rekenhuur € 900,07, werkelijke huur € 1.300,--. De werkelijke huur is in dit geval hoger dan 125% van de rekenhuur. De woonkostentoeslag wordt daarom gemaximeerd op basis van de rekenhuur. 125% van de rekenhuur = 125% * € 900,07 = € 1.125,09. De woonkostentoeslag is daarom (€ 1.125,09 - € 900,07) * 35% = € 78,76 per maand.

Hoofdstuk 3 – Bijdrage collectieve zorgverzekering

Artikel 33

De bijdrage wordt direct overgemaakt aan Zilveren Kruis Achmea (de aanbieder van de gemeentelijke collectieve zorgverzekering).

Artikel 34

De hercontroles voor de collectieve zorgverzekering worden in de periode juni – september uitgevoerd. Indien het recht stopt, dan wordt dit per het einde van het kalenderjaar beëindigd. De inwoner heeft hierdoor nog voldoende tijd om een nieuwe zorgverzekering af te sluiten tijdens de overstap-periode vanaf half november tot eind december. Wordt het recht voortgezet? Dan geldt het recht voor het gehele volgende kalenderjaar (omdat tussentijds overstappen naar een andere zorgverzekering niet mogelijk is).

Artikel 35

De bijdrage collectieve zorgverzekering wordt voortgezet tot het einde van het kalenderjaar. Ook wanneer iemand tussentijds naar een andere gemeente verhuisd. De inwoner kan namelijk tussentijds niet wisselen van zorgverzekering en is mogelijk afhankelijk van een bijdrage die hiervoor tot het einde van het jaar doorloopt. Vanaf het volgende kalenderjaar kan een verhuisd persoon een beroep doen op een bijdrage in de verzekering bij de nieuwe woongemeente.

Hoofdstuk 4 – Bijdrage eigen risico

Artikel 37

Belanghebbenden moeten minimaal drie jaar opeenvolgend het totaal wettelijk eigen risico hebben verbruikt. Vanaf het derde jaar komt deze inwoner ieder jaar opnieuw in aanmerking voor de bijdrage. Een voorbeeld: de belanghebbende heeft in 2024 niet het eigen risico verbruikt. Vanaf 2025, 2026 en 2027 heeft hij wel het volledig eigen risico verbruikt. Hij komt dan voor het eerst in aanmerking voor de bijdrage eigen risico in 2027 (het derde jaar waarin het eigen risico volledig is verbruikt). Ook in 2028 heeft hij het volledig eigen risico verbruikt. Hij komt dan opnieuw in aanmerking voor de bijdrage, omdat hij wederom drie opeenvolgende jaren het volledig eigen risico heeft verbruikt.

De aanvraag kan maximaal één kalenderjaar na het kalenderjaar waarin het eigen risico is verbruikt worden ingediend. Een voorbeeld: de belanghebbende heeft in 2026 zijn volledig eigen risico verbruikt. Hij kan dan een aanvraag voor de vergoeding van het jaar 2026 indienen in 2026 of 2027. Hiermee voorkomt het college dat inwoners niet meer in aanmerking komen wanneer de zorgverlener de facturen pas na overgang naar een nieuw kalenderjaar heeft verwerkt. Tegelijkertijd voorkomt het college dat er nog aanvragen worden ontvangen over veel eerdere kalenderjaren (met de financiële risico’s die daarbij horen).

De bijdrage eigen risico is bedoeld om inwoners met een laag inkomen te ondersteunen die chronisch ziek zijn. Het college gaat er hierbij van uit dat iemand die drie jaar op rij het volledig wettelijk eigen risico heeft verbruikt chronisch ziek is. Door deze aanname hoeft de inwoner geen medische documenten of verklaringen te overleggen.

Hoofdstuk 5 – Activiteiten-, fiets- en laptopbijdrage

Artikel 41

Met deze Nadere regels wordt de ‘bijdrage sport en cultuur’ gewijzigd in de ‘Activiteitenbijdrage’. In de activiteitenbijdrage wordt vanaf heden een bedrag opgenomen dat inwoners kunnen besteden voor o.a. schoolspullen en/of schoolreisjes. De titel activiteitenbijdrage dekt de lading daarom beter dan ‘bijdrage sport en cultuur’.

De activiteiten,- fiets- en laptopbijdragen zijn een uitwerking van het Uitvoeringsplan Bestaanszekerheid en Schulden gemeente Nunspeet 2023. Hierin is opgenomen dat er een regeling komt die kinderen ondersteunt bij hun ontwikkeling (via Stichting Leergeld). Het college kon door omstandigheden echter niet aansluiten bij bestaande lokale afdelingen Leergeld, waardoor het een eigen aanpak heeft ontwikkeld voor het ondersteunen van de ontwikkeling van kinderen in de vorm van de activiteiten-, fiets en laptopbijdrage. Deze zijn zodoende ook alleen beschikbaar voor kinderen.

Artikel 44

De bijdrage sport en cultuur bedroeg tot en met 2025 € 350,-- per jaar per kind. Dit bedrag wordt vanaf 2026 met € 50,-- per jaar opgehoogd voor kinderen in de activiteitenbijdrage. Deze ophoging betreft de toevoeging van een component voor schoolspullen en schoolactiviteiten.

Artikel 48

Er wordt onderscheid gemaakt in de fietsbijdragen per leeftijdscategorie. Kinderen in de leeftijd 4 tot 11 jaar groeien sneller dan kinderen van 12 tot 18 jaar. Daarom kunnen kinderen in de jongste leeftijdscategorie vaker een beroep doen op een bijdrage voor een fiets.

Het college kiest ervoor om inwoners die een inrichtingskrediet hebben ontvangen in de eerste vijf jaar ná dit toekenningsbesluit geen laptopbijdrage te verstrekken, omdat een laptop onderdeel is van dit inrichtingskrediet. Hiermee voorkomt het college een dubbele verstrekking.

Artikel 49

De fietsbijdrage is afhankelijk van de leeftijd van het kind, omdat jongere kinderen kleinere en dus goedkopere fietsen, nodig hebben. De bedragen zijn gebaseerd op 60% van de NIBUD-norm (2025), omdat verwacht mag worden dat de ouder ook kijkt of een tweedehandsfiets mogelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat het een fiets- en laptopbijdrage betreft. Als de ouder een duurdere fiets wil kopen, dan staat hem dat vrij. De meerkosten betaalt hij in dat geval zelf. Voor de laptop wordt aangesloten bij 100% van de NIBUD-norm (2025). Het college gaat uit van een afschrijving na vijf jaar. Dit is alleen mogelijk als er sprake is van een nieuw aangeschafte laptop.

Omdat het om een relatief grote aankoop gaat én om mensen die vaak weinig financiële buffer hebben, wordt het bedrag in één keer overgemaakt op de rekening van de inwoner. De inwoner hoeft hiervoor geen aankoopbewijzen te overleggen, omdat voorschieten voor deze groep vaak lastig is. Doordat de inwoner wel altijd zelf een beroep moet doen op de bijdragen en moet aangeven voor welk kind het besteed wordt, zal de kans op oneigenlijk gebruik van de regeling klein zijn.

Hoofdstuk 6 – Bijdrage gemeentelijke belastingen

Artikel 52

Er is overwogen de hoogte van de bijdrage vast te stellen naar rato van het aantal nog resterende kalendermaanden van het jaar. Toch is er gekozen voor een toekenning per kalenderjaar. Dit vanwege uitvoeringstechnische redenen. De regeling moet laagdrempelig beschikbaar zijn. Het is lastig de regeling uit te leggen wanneer de bijdrage naar rato zou worden toegekend. Daarbij zou het college ook het risico lopen dat het college een deel van de belastingaanslag zou betalen en de inwoner nog een (klein) deel zelf zou moeten betalen. Hierop zou de inwoner dan vervolgens weer aanmaningen kunnen krijgen, terwijl hij denkt dat de belastingen reeds zijn voldaan. Dit is een onwenselijk effect. Er is daarom gekozen voor een simpele en duidelijke uitvoering door de hoogte van de bijdrage vast te stellen overeenkomst de hoogte van de opgelegde aanslag voor de afvalstoffenheffing. Ook wanneer de toekenning pas op een later moment in het jaar plaatsvindt.

Hoofdstuk 7 – Overige en slotbepalingen

Artikel 55

De grondslagen voor terugvorderingen voor bijzondere bijstand en de bijdrage collectieve zorgverzekering zijn niet opgenomen in deze nadere regels, omdat de grondslagen hiervoor al zijn opgenomen in de Participatiewet.

Artikel 58

Iedereen die vóór 2026 een doorlopend recht heeft op de bijdrage sport en cultuur, wordt vanaf 2026 geacht een doorlopend recht op de activiteitenbijdrage te hebben. De activiteitenbijdrage vervangt immers de bijdrage sport en cultuur.