Integrale Verordening Sociaal Domein gemeente Sluis 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Integrale Verordening Sociaal Domein gemeente Sluis 2026

Hoofdstuk 1 Inleiding

In de gemeente Sluis streven we naar een sterke samenwerking binnen het sociaal domein. Een integrale verordening, waarbij uw hulp- of ondersteuningsvraag centraal staat, maakt dit mogelijk.

In een verordening leest u wat u van de gemeente kunt verwachten, maar ook wat wij van u verwachten. De regels gaan over de volgende onderwerpen:

  • werken en participeren;

  • uitkeringen;

  • inkomen en schulden;

  • gezond en veilig opgroeien;

  • wonen in een veilige en gezonde omgeving.

Het is onze taak om u op al deze levensgebieden te helpen. De wetgever heeft hiervoor wetten gemaakt. Het gaat om:

  • de Participatiewet (PW);

  • de Jeugdwet;

  • de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015);

  • de Wet gemeenschappelijke schuldhulpverlening (Wgs);

  • de Wet inburgering 2021 (Wi);

  • de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW);

  • de Inkomensvoorziening oudere arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

  • het Burgerlijk Wetboek (BW);

  • de Gemeentewet.

Artikel 1.1 Waarom deze regels?

De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het gaat om regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin we bepaalde onderwerpen verder uitwerken. Ook dat regelen we in deze verordening.

Deze verordening is gebaseerd op de wettelijke taken van de gemeente (zie hoofdstuk 1). Bij elk artikel is aangegeven op welke wet(ten) het is gebaseerd. Soms is een hele paragraaf of heel hoofdstuk gebaseerd op één of meerdere specifieke wetten. Dan is dat aangegeven aan het begin van de paragraaf of het hoofdstuk. Als er bij een artikel staat dat de Gemeentewet de grondslag is, baseren we ons op de algemene aanvullingsbevoegdheid van de gemeenteraad (artikel 121, Gemeentewet). Dit maakt het mogelijk dat de gemeente extra regels kan maken.

Bij sommige artikelen wordt de ‘Awb’ genoemd. Dat is de Algemene wet bestuursrecht. In zulke gevallen heeft de Awb extra regels die verder gaan dan de algemene regels die altijd gelden voor besluiten van deze verordening.

Artikel 1.2 Nadere regels en beleidsregels

Deze verordening is een algemeen verbindend voorschrift. Een wet die geldt in de gemeente Sluis. De gemeenteraad stelt deze verordening vast. Het college kan nadere regels stellen. Dat kan alleen als dat in deze verordening is opgenomen. Nadere regels zijn aanvullingen. Vaak zijn het details die worden uitgewerkt. Het college kan ook beleidsregels vaststellen. Een beleidsregel is geen wet maar beschrijft hoe de gemeente haar taken uitvoert. Het kunnen werkinstructies zijn. Een beleidsregel geeft inzicht hoe de gemeente omgaat met hulpvragen of aanvragen. De gemeenteraad geeft het college de bevoegdheid om nadere regels en/of beleidsregels vast te stellen op basis van deze verordening.

Artikel 1.3 Kernwaarden

Als gemeente willen we dat alle inwoners actief kunnen deelnemen aan de samenleving, gezond en zelfredzaam zijn. In het Beleidsplan Sociaal Domein staan de specifieke doelen hiervoor. We streven ernaar dat inwoners in ieder geval:

  • gezond en veilig opgroeien en zich optimaal ontwikkelen;

  • een zinvolle dagbesteding hebben (van betaald werk tot vrijwilligerswerk);

  • een inkomen hebben;

  • hun financiën op orde hebben en houden;

  • een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen;

  • een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij (zo lang mogelijk) zelfstandig en veilig wonen;

  • maatschappelijk participeren.

Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houden we rekening met de doelen van de genoemde wetten. We zorgen ervoor dat het resultaat van een besluit recht doet aan die doelen.

Artikel 1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding leest u eerst in hoofdstuk 2 hoe en waar u hulp kunt vragen. Ook leest u hoe wij met uw hulpvraag aan de slag gaan. Daarna leggen we in de volgende hoofdstukken de belangrijkste regels van de gemeente uit. De regels gaan over:

  • de hulp van de gemeente om een stap naar werk of zinvolle dagbesteding te zetten en minimaregelingen (hoofdstuk 3);

  • ondersteuning voor kinderen en jongeren bij het opgroeien (hoofdstuk 4);

  • ondersteuning bij het wonen in uw eigen leefomgeving (hoofdstuk 5);

  • ondersteuning bij werken, participeren, uitkeringen en inburgering (hoofdstuk 6 en 7).

In deze hoofdstukken leest u wanneer u hulp kunt krijgen, wat die hulp inhoudt en welke rechten en plichten u heeft.

In de volgende hoofdstukken gaan de regels over:

  • de vorm die de hulp heeft (hoofdstuk 8);

  • wat we van elkaar kunnen verwachten (hoofdstuk 9);

  • hoe u invloed kan hebben op het beleid (hoofdstuk 10);

  • hoe u kritiek kunt geven op de uitvoering (hoofdstuk 11);

  • de kwaliteit van diensten en producten (hoofdstuk 12);

  • de intrekking en inwerkingtreding van de verordening (hoofdstuk 13);

  • de uitleg van de belangrijkste begrippen die we in deze verordening gebruiken (hoofdstuk 14).

Elk hoofdstuk begint met een korte uitleg. Daarin staat waar het hoofdstuk over gaat. Daarna volgen de regels. De regels zijn gebaseerd op de wetten in de inleiding van deze verordening. Niet elke wet geldt voor elk artikel. Per artikel staat aangegeven welke wetten van toepassing zijn. De woorden en begrippen die we in deze verordening gebruiken, leggen we uit in hoofdstuk 14.

Hoofdstuk 2 De hulpvraag

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop u aan ons hulp kunt vragen als het gaat over één of meer onderwerpen uit deze verordening. Ook staat in dit hoofdstuk hoe u uw hulpvraag kunt stellen, hoe wij uw hulpvraag behandelen en hoe wij tot een besluit komen.

Het uitgangspunt is dat u alle hulpvragen in één keer kunt stellen. Voor bepaalde hulpvragen geldt een bijzondere route. Dit staat ook vermeld in dit hoofdstuk.

Artikel 2.1 Melding bij de gemeente

2.1.1 Indienen hulpvraag

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

Wanneer u hulp nodig heeft, kunt u uw hulpvraag stellen bij de gemeente. Dit kan schriftelijk, op het gemeentehuis, telefonisch of digitaal. De gemeente zorgt ervoor, dat u goed weet hoe u dit kunt doen. In sommige gevallen is het mogelijk dat iemand anders namens u een hulpvraag stelt. In de betreffende wet leest u wie dit kan doen. Het stellen van een hulpvraag kan ook als melding worden gezien. Als u zich meldt voor een uitkering levensonderhoud moet u zich ook inschrijven op Werk.nl.

2.1.2 Doel en procedure melding

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

  • 1.

    Wanneer u uw hulpvraag heeft ingediend, krijgt u van ons een bevestiging per brief of e-mail binnen maximaal drie werkdagen.

  • 2.

    Indien nodig ontvangt u binnen een redelijke termijn een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker. In de uitnodiging staat:

    • a.

      waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waar het over gaat;

    • b.

      informatie over de mogelijkheid om gratis ondersteuning te krijgen van een (onafhankelijke) cliëntondersteuner/meedenker;

    • c.

      of u de mogelijkheid heeft om zelf een plan te maken.

  • 3.

    Het gesprek vindt eventueel via de telefoon plaats, naar inschatting van de medewerker en met uw instemming. In sommige situaties kunnen we afzien van een gesprek.

  • 4.

    Als u hulp nodig heeft op grond van de Jeugdwet, PW, IOAW of IOAZ, dan kunt u meteen schriftelijk of digitaal een aanvraag indienen (zie artikel 2.3). Een melding is dan niet nodig. Een vraag om algemene informatie over deze wetten zien wij als ‘eerste contact’ en nog niet als aanvraag.

2.1.3 Gegevens

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

Wij verzamelen alle gegevens over uw situatie die nodig zijn voor het behandelen van uw hulpvraag. Soms hebben we gegevens nodig die we niet zelf hebben of kunnen inzien. In dat geval vragen wij u om deze gegevens binnen een redelijke termijn aan ons te geven. Of wij vragen uw toestemming om gegevens op te vragen bij uw sociaal netwerk, betrokken professionals of organisaties. In de uitnodiging voor het gesprek of tijdens het gesprek vertellen wij welke gegevens we nodig hebben en binnen welke termijn u deze moet aanleveren.

Artikel 2.2 Het gesprek

2.2.1 Uitnodiging voor gesprek

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

  • 1.

    Wanneer u zich heeft gemeld, krijgt u van ons een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker. Het gesprek kan telefonisch zijn als we al voldoende gegevens hebben. Of als dat voldoende is om een goed beeld te krijgen van uw situatie en wat u wilt bereiken met uw hulpvraag. In andere gevallen plannen wij een persoonlijk gesprek. Dit gesprek voeren we in uw eigen omgeving of op het gemeentehuis. In het geval van de Jeugdwet vindt dit gesprek plaats na de aanvraag.

  • 2.

    Indien er sprake is van een crisissituatie op basis van Wgs geldt een termijn van maximaal drie werkdagen voor het inplannen van het eerste gesprek.

2.2.2 Doel en procedure gesprek

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

  • 1.

    Het doel van het gesprek is dat wij een goed beeld krijgen van uw hulpvraag, van uw persoonlijke situatie en wat u wilt bereiken.

  • 2.

    Het gesprek vindt binnen een redelijke termijn plaats nadat u zich heeft gemeld.

  • 3.

    Tijdens het gesprek zijn wij verplicht om uw identiteit vast te stellen. Wij vertellen u voor het gesprek welk document u hiervoor dient mee te nemen. Als u al bij de gemeente bekend bent, kunnen wij hier van afwijken.

  • 4.

    Als u zelf een plan heeft gemaakt (zoals bedoeld in artikel 2.1.2, lid 1c), dan kunt u dit tijdens het gesprek met de medewerker bespreken.

  • 5.

    U mag iemand meenemen naar het gesprek. Dit kan iemand uit uw sociale netwerk zijn of een onafhankelijke cliëntondersteuner/meedenker.

2.2.3 Inhoud van het gesprek

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

  • 1.

    In het gesprek bespreekt de medewerker met u welk resultaat u wilt bereiken. We onderzoeken:

    • a.

      uw behoefte: wat is er nodig?

    • b.

      uw persoonlijke situatie: hoe ziet die eruit en wat betekent dat voor uw doel?

    • c.

      uw eigen (on)mogelijkheden: (hoe) kunt u zelf bijdragen aan de oplossing?

    • d.

      uw omgeving: welke hulp kunnen uw sociale netwerk, algemene of voorliggende voorzieningen of andere organisaties bieden?

  • 2.

    Wij vertellen u welke mogelijkheden wij hebben om uw situatie te verbeteren. Als dat van toepassing is, informeren wij u over een eigen bijdrage die u moet betalen. Als u een hulpvraag doet voor de Wmo 2015 of Jeugdwet informeren wij u ook over de mogelijkheden van een persoonsgebonden budget (pgb).

  • 3.

    Als u zich meldt voor een gemeentelijke bijstandsuitkering voor levensonderhoud, dan bespreken we uw arbeidsmogelijkheden en of u mogelijk recht heeft op een uitkering. Wij informeren u over uw rechten en plichten, het vervolg van de aanvraag en de instructie om (digitaal) een vragenlijst in te vullen. In het geval van een uitkering, maken we een afspraak voor een intakegesprek. Paragraaf 2.2.4. en 2.3.1 zijn in dit geval niet van toepassing.

  • 4.

    Wij vertellen u wat het vervolg is.

  • 5.

    Voor uw hulpvraag moet u persoonsgegevens geven. U bent verplicht om deze te geven.

  • 6.

    Als het nodig is, vraagt de medewerker u toestemming om uw persoonsgegevens te verwerken.

2.2.4 Het verslag

Jeugdwet, Wmo 2015, IOAW, IOAZ, Wgs

  • 1.

    Na uw melding (voor de Jeugdwet lees: aanvraag) krijgt u van ons een verslag. In dit verslag staan de uitkomsten van het onderzoek naar uw hulpvraag.

  • 2.

    Soms hebben we meer informatie nodig voor het verslag. Hierdoor kan het verslag niet altijd binnen de wettelijk gestelde onderzoekstermijn klaar zijn. Wij stellen u hiervan op de hoogte met een brief.

  • 3.

    Uit het verslag blijkt welk doel u wilt bereiken en hoe we dit kunnen realiseren.

  • 4.

    U ondertekent het verslag en stuurt dit naar ons terug. Als u het niet eens bent met het verslag, kunt u dat aangeven in het verslag.

  • 5.

    Als u een maatwerkvoorziening (Wmo 2015) van de gemeente wilt ontvangen, kunt u dit aangeven op het ondertekende verslag.

  • 6.

    Voor de Jeugdwet geld dat dit verslag de vorm kan hebben van een ondersteuningsplan.

Artikel 2.3 De aanvraag

2.3.1 Aanvraag

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb

  • 1.

    Na de melding van uw hulpvraag en het gesprek met een medewerker, kunt u een aanvraag doen. Dat gaat volgens de regels die daarvoor gelden. Het verslag van het gesprek en een eventueel plan zijn de basis voor het beoordelen van de aanvraag. U dient de vraag schriftelijk of digitaal in. Met de aanvraag bepalen wij of wij u hulp verlenen en in welke vorm. Voor sommige vormen van hulp kunnen de melding en de aanvraag tegelijk worden gedaan. Ook kunnen wij bepalen dat u de aanvraag doet met een aanvraagformulier. Voor de Wmo en de Jeugdwet kan een ondertekend verslag van het onderzoek ook gelden als aanvraagformulier.

  • 2.

    Voordat wij een besluit nemen op uw aanvraag controleren wij of we voldoende gegevens van u hebben ontvangen om een goed besluit te nemen. Missen we iets? Dan ontvangt u van ons een brief waarin wij u vragen om de gegevens alsnog binnen 4 weken aan ons te geven. Doet u dat niet? Dan kunnen wij besluiten uw aanvraag niet te behandelen.

2.3.2 Aanvragen van een voorziening

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

  • 1.

    Vraagt u om een maatwerkvoorziening (Wmo 2015), een individuele voorziening (Jeugdwet) of een andere voorziening (PW, IOAW, IOAZ of Wgs)? Dan kunnen wij deze hulp toekennen als:

    • a.

      De voorziening is noodzakelijk om (één van) de doelen te bereiken uit de wetten in de inleiding;

    • b.

      U het gewenste effect niet op eigen kracht kan bereiken, ook niet met:

    • c.

      hulp van huisgenoten;

    • d.

      hulp uit uw sociale netwerk;

    • e.

      hulp van andere voorzieningen of organisaties.

    • f.

      De voorziening past bij het gewenste effect en uw persoonlijke situatie.

  • 2.

    Als één van de voorwaarden of weigeringsgronden van deze verordening van toepassing is, dan kunnen wij de voorziening niet toekennen.

  • 3.

    De voorziening moet voldoende zijn in inzet en kwaliteit, zodat u het gewenste effect kunt bereiken. Dit betekent bijvoorbeeld dat de voorziening niet duurder of luxer is dan nodig, en duurt niet langer dan nodig. Wij kiezen daarom de goedkoopst passende voorziening, bij voorkeur met een bewezen effect.

  • 4.

    We kunnen een voorziening weigeren als u iets (niet) gedaan heeft waardoor uw hulpvraag is ontstaan, terwijl u deze had kunnen voorkomen. Dit lid is niet van toepassing voor de Jeugdwet.

2.3.3 Beoordelen van uw aanvraag

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb

  • 1.

    Bij het beoordelen van uw aanvraag kijken wij naar alle gegevens die belangrijk zijn. Het gaat bijvoorbeeld om gegevens over:

    • a.

      Uw behoeften;

    • b.

      Uw (on)mogelijkheden;

    • c.

      Uw persoonlijke situatie;

    • d.

      De mogelijkheden van uw sociale netwerk, andere organisaties en van de gemeente.

  • 2.

    Om te bepalen of wij hulp verlenen, nemen we de volgende stappen:

    • a.

      Stap 1: Wij stellen vast wat uw hulpvraag is.

    • b.

      Stap 2: Wij bepalen voor welke belemmeringen er mogelijk hulp nodig is.

    • c.

      Stap 3: Wij bepalen welke hulp en hoeveel hulp u nodig heeft.

    • d.

      Stap 4: Wij onderzoeken wat u zelf kunt doen om uw probleem op te lossen (eigen kracht), eventueel met gebruikelijke hulp, hulp uit uw sociale netwerk/omgeving en van andere algemene of voorliggende voorzieningen of organisaties.

    • e.

      Stap 5: Wij bepalen of en welke extra hulp u nodig heeft om u in staat te stellen om zelfredzaam te zijn en mee te kunnen doen in de maatschappij.

  • 3.

    We kijken ook naar de manier waarop een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.

  • 4.

    Bij het intakegesprek voor een uitkering voor levensonderhoud kijken wij eerst hoe u zo snel mogelijk betaald werk kunt vinden. Hiervoor wordt een plan van aanpak opgesteld.

  • 5.

    Voor de Jeugdwet kijken wij ook naar het woonplaatsbeginsel.

  • 6.

    Pleegouders kunnen voor ondersteuning bij de pleegzorgorganisatie terecht.

2.3.4 Advies

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb

Bij elke stap, zoals in artikel 2.3.3 wordt genoemd, zorgen wij dat de medewerker die uw melding of aanvraag behandelt de kennis en deskundigheid heeft om een afgewogen besluit te nemen. Als dit niet het geval is, dan kunnen wij een (externe) deskundige inzetten voor advies. Dit advies gebruiken wij bij de beoordeling van uw aanvraag. We laten u weten welke aanvullende kennis en deskundigheid nodig is en wanneer wij die inzetten.

2.3.5 Beslistermijn

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb

  • 1.

    De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen acht weken, nadat wij uw aanvraag hebben ontvangen. Er zijn een aantal bijzonderheden voor sommige wetten:

    • a.

      Gaat het om een aanvraag op grond van de Wmo, dan hebben wij zes weken voor het onderzoek na uw melding. Vervolgens beslissen we binnen twee weken na de aanvraag.

    • b.

      Gaat het om een aanvraag voor schuldhulpverlening, dan is de beslistermijn acht weken gerekend vanaf het eerste gesprek.

    • c.

      Wij hanteren de datum van melding voor een Bbz- of IOAW/IOAZ-uitkering ook als meldingsdatum voor een bijstandsaanvraag als de uitkering wordt afgewezen en de bijstandsaanvraag direct wordt ingediend.

  • 2.

    De beslistermijn kan schriftelijk worden verlengd als u niet voldoende gegevens heeft gegeven of als wij uw aanvraag niet binnen de termijn kunnen behandelen. Als we de beslistermijn verlengen, brengen we u hiervan op de hoogte.

2.3.6 Voorwaarden en weigeringsgronden

Wmo 2015

  • 1.

    Wij geven u de voorziening alleen als deze:

    • a.

      veilig is voor uzelf en uw omgeving;

    • b.

      geen gezondheidsrisico’s geeft;

    • c.

      niet tegenwerkt bij uw herstel (niet anti-revalideren).

  • 2.

    Wij houden hierbij rekening met uw beperkingen.

  • 3.

    Wij verstrekken geen voorziening:

    • a.

      Als u uw probleem kunt oplossen met een andere wet;

    • b.

      Als u de gevraagde voorziening zelf koopt voordat u een melding doet bij de gemeente. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor u niet in staat was om eerst contact te zoeken met ons. Wij beoordelen deze uitzonderingssituaties als maatwerk.

    • c.

      Als u de gevraagde voorziening zelf koopt ná de melding en vóór de datum van ons besluit. Deze regel geldt niet als wij:

    • d.

      daarvoor schriftelijk toestemming hebben gegeven;

    • e.

      of de noodzaak en de passendheid nog kan worden vastgesteld voor de gevraagde voorziening.

    • f.

      Als u de gevraagde voorziening al eerder van ons heeft gekregen en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet voorbij is. Dit geldt niet als de voorziening verloren is gegaan terwijl dit niet uw schuld is. Wij kunnen u ook de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan (gedeeltelijk) vergoeden.

    • g.

      Als de voorziening niet specifiek op u gericht is;

    • h.

      Als de voorziening niet nodig was geweest wanneer u rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;

    • i.

      Als u recht heeft op zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of waarschijnlijk daarvoor in aanmerking komt en niet meewerkt aan het verkrijgen van een besluit daarover. Deze regel geldt niet als artikel 8.6a van de Wmo 2015 van toepassing is.

    • j.

      De voorziening niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding.

  • 4.

    Als we een vervoersvoorziening geven, kijken we alleen naar de verplaatsingen in uw directe woon- en leefomgeving. De vervoersvoorziening voor het collectief vervoer geldt uit maximaal 3.000 kilometer per jaar.

  • 5.

    We geven u geen woonvoorziening als:

    • a.

      uw beperkingen komen:

    • b.

      door de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • c.

      door de slechte staat van onderhoud;

    • d.

      doordat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen.

    • e.

      u uw hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarvoor u de melding doet;

    • f.

      u woont in een vakantiewoning, hotel, pension, klooster, trekkerswoning of een tweede woning. We kunnen dan wel een financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten verstrekken;

    • g.

      het gaat om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten van het gebouw waar u woont;

    • h.

      de noodzaak voor de voorziening komt door een verhuizing

    • i.

      zonder dat er aanleiding was om te verhuizen op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie, en

    • j.

      zonder dat er een belangrijke reden voor de verhuizing was.

    • k.

      u niet verhuist naar de meest geschikte woning die beschikbaar is voor uw beperkingen. Deze regel geldt niet als wij hiervoor vooraf schriftelijk toestemming hebben gegeven;

    • l.

      u een indicatie heeft voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg;

    • m.

      u de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige extra kosten kan meenemen.

2.3.7 Voorwaarden individuele voorzieningen

Jeugdwet

  • 1.

    U kunt alleen een individuele voorziening krijgen als u uw hulpvraag niet zelf kunt oplossen:

    • a.

      binnen uw eigen mogelijkheden. Hieronder valt in ieder geval:

    • b.

      gebruikelijke hulp van ouders en andere personen uit uw sociale netwerk;

    • c.

      een aanvullende verzekering die de gevraagde voorziening dekt.

    • d.

      door gebruik te maken van een algemene voorziening;

    • e.

      door gebruik te maken van een andere voorziening.

  • 2.

    Heeft uw aanvraag te maken met kosten voor jeugdhulp die u al heeft gemaakt vóór de aanvraag? Dan kunnen wij daar alleen een voorziening voor geven als:

    • a.

      er op het moment van de aanvraag nog steeds sprake is van een crisissituatie waarvoor u de hulp heeft ingezet, en;

    • b.

      we achteraf nog kunnen beoordelen of de voorziening noodzakelijk en passend is, en;

    • c.

      we de gemaakte kosten achteraf nog kunnen beoordelen.

  • 3.

    Deze voorziening (zoals genoemd in lid 2) kan alleen gaan over kosten die zijn gemaakt in maximaal drie maanden vóór de aanvraag.

2.3.8Beoordeling aanwezigheid gebruikelijke hulp na melding

Wmo 2015

  • 1.

    Wij geven geen maatwerkvoorziening als u het probleem waarvoor u hulp vraagt zelf kunt verminderen of oplossen:

    • a.

      op uw eigen kracht;

    • b.

      met gebruikelijke hulp van huisgenoten;

    • c.

      met mantelzorg of hulp van uw sociale netwerk;

    • d.

      door gebruik te maken van algemene voorzieningen;

    • e.

      door gebruik te maken van algemeen gebruikelijke zaken of diensten.

  • 2.

    Bij ons onderzoek kijken wij of er gebruikelijke hulp van huisgenoten beschikbaar is.

    • a.

      Wanneer wij uw huisgenoten vragen om mee te werken aan dit onderzoek of heronderzoek, zijn zij verplicht dit te doen.

  • 3.

    Tijdens dit onderzoek houden wij rekening met:

    • a.

      de samenstelling van uw huishouden en wie uw huisgenoot of huisgenoten zijn;

    • b.

      de relatie tussen u en uw huisgenoten;

    • c.

      de inhoud, de omvang en moeilijkheid van uw ondersteuningsbehoefte;

    • d.

      de beschikbaarheid en de praktische, lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van uw huisgenoot of huisgenoten om u te ondersteunen in zelfredzaamheid en participatie en het meedoen in de samenleving;

    • e.

      de manier waarop uw huisgenoot of huisgenoten u voorafgaand aan de melding hielpen bij zelfredzaamheid en participatie en het meedoen in de samenleving;

    • f.

      andere omstandigheden die bepalen of uw huisgenoot of huisgenoten u kunnen helpen bij zelfredzaamheid en participatie en het meedoen in de samenleving.

2.3.9 Eigen kracht en (boven)gebruikelijke hulp

Jeugdwet

  • 1.

    Jeugdigen of ouders krijgen pas een individuele voorziening als zij hun hulpvraag niet zelf kunnen oplossen met hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (problemen herkennen en een plan maken om die op te lossen). Dit noemen we ook wel eigen kracht. Daarmee bedoelen wij in ieder geval:

    • a.

      gebruikelijke hulp van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders;

    • b.

      bovengebruikelijke hulp van ouders, voor zover zij beschikbaar zijn, de noodzakelijke hulp kunnen bieden, niet overbelast raken en er geen financiële problemen in het gezin ontstaan door het bieden van de bovengebruikelijke hulp;

    • c.

      hulp vanuit het sociale netwerk;

    • d.

      een aanvullende zorgverzekering die de gevraagde voorziening (deels) vergoed.

  • 2.

    Gebruikelijke hulp is de hulp die wij normaal mogen verwachten van ouders of andere verzorgers/opvoeders. Ouders zijn verplicht hun kinderen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht te houden. Dat geldt ook als het kind een ziekte, beperking of andere problematiek heeft. Als één van de ouders de gebruikelijke hulp niet kan bieden, neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Ook als ouders gescheiden zijn. Wij houden ook rekening met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.

  • 3.

    Om vast te stellen of er sprake is van gebruikelijke hulp beoordelen wij of de gevraagde hulp verder gaat dan de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek nodig heeft. Wij houden hierbij rekening met:

    • a.

      de leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      hoeveel zorg, begeleiding en toezicht een jeugdige van die leeftijd nodig heeft bij activiteiten en handelingen;

    • c.

      de soort en de duur van de hulp en hoe intensief de ondersteuning van de jeugdige moet zijn;

    • d.

      of de hulp goed te plannen is;

    • e.

      de behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 4.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekken wij geen individuele voorziening. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Er moet dan een duidelijk verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 5.

    Gaat het om hulp die verder gaat dan de gebruikelijke hulp, dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Wij beoordelen dan of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in lid 1 staat geschreven. Wij kijken dan naar kortdurende en langdurende situaties:

    • a.

      Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids-)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar.

    • b.

      Langdurend: het gaat om langdurige situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

  • 6.

    Wij verwachten van ouders dat zij in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gezien de soort hulp niet redelijk is of er (dreigende) overbelasting is. Er moet dan wel een verband zijn tussen de (dreigende) overbelasting en de hulp aan de jeugdige.

  • 7.

    Bij de beoordeling in langdurige situaties houden wij rekening met de volgende onderdelen:

    • a.

      de soort en de duur van de hulp en hoe intensief de ondersteuning van de jeugdige moet zijn;

    • b.

      of de inzet van de hulp goed te plannen is;

    • c.

      het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders;

    • d.

      hoe ouders omgaan met de problemen van de jeugdige;

    • e.

      vaardigheden van de ouders om zelf hulp te bieden (bijvoorbeeld medische kennis);

    • f.

      of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden;

    • g.

      welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen;

    • h.

      het belang van ouders om te kunnen werken en zo geld te verdienen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

    • i.

      de woonsituatie;

    • j.

      de samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijke stiefouder of niet);

    • k.

      is er een sociaal netwerk en zo ja, kan het sociaal netwerk de ouders of de jeugdige helpen;

    • l.

      overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden benoemd.

  • 8.

    Als bovengenoemde onderdelen geen problemen geven voor de beschikbaarheid of draagkracht van ouders, verwachten wij dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Wij verstrekken dan geen individuele voorziening.

  • 9.

    Bij (dreigende) overbelasting geldt nog het volgende:

    • a.

      Er moet een verband zijn tussen de overbelasting en de zorg aan de jeugdige.

    • b.

      Als de overbelasting komt door bijvoorbeeld spanningen door het werk (bijvoorbeeld door te veel uren werken of stress). Of door andere oorzaken die niet ontstaan door de zorg van de jeugdige, moet de ouder eerst een oplossing zoeken in de oorzaak van die spanningen.

    • c.

      Bij een aanvraag voor een individuele voorziening tot jeugdhulp bekijken wij wat wordt gedaan om die spanningen te verminderen.

    • d.

      Als de (dreigende) overbelasting kan worden verminderd door het herinrichten van het werk of andere sociale/maatschappelijke activiteiten wordt dit eerst van de ouder verwacht.

    • e.

      Het verlenen van hulp aan het jeugdige gaat voor op sociale/maatschappelijke activiteiten.

    • f.

      Een pgb voor het verlenen van hulp aan een jeugdige door een ouder wordt gestopt als er sprake is van (dreigende) overbelasting. Een andere zorgverlener moet het verlenen van hulp overnemen om de overbelasting te stoppen.

  • 10.

    Als ouders steun kunnen krijgen van het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige, dan verwachten wij van hen dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Wij verstrekken hiervoor geen individuele voorziening.

  • 11.

    We verwachten van ouder(s) dat zij het belang van hun kind voor het belang van hun (werk)carrière stellen, mits dit geen financiële problemen oplevert.

  • 12.

    Als de jeugdige en/of de ouders een aanvullende zorgverzekering heeft/hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt van ouders verwacht dat zij deze aanspreken. Wij verstrekken dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed.

Artikel 2.4 Het besluit/de beschikking

2.4.1 Inhoud van het besluit

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Awb

  • 1.

    Wij laten u via een brief en/of beschikking weten of u wel of geen hulp krijgt. We noemen dit besluit ook wel een beschikking. Als we besluiten hulp te geven, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven.

  • 2.

    Geven we hulp in natura, dan staat in het besluit in ieder geval:

    • a.

      wat de hulp inhoudt en waarvoor u de hulp krijgt;

    • b.

      wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt;

    • c.

      en waar van toepassing, wie of wie bij voorkeur de hulp geeft en hoe de hulpverlener de hulp geeft;

    • d.

      welke voorwaarden en verplichtingen gelden;

    • e.

      of er mogelijk andere voorzieningen voor u van belang kunnen zijn;

    • f.

      motivatie van het besluit;

    • g.

      hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.

  • 3.

    Geven we hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval:

    • a.

      voor welk doel u een pgb krijgt;

    • b.

      hoe hoog het pgb is;

    • c.

      wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt;

    • d.

      hoe u de besteding van het pgb moet verantwoorden;

    • e.

      welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden;

    • f.

      motivatie van het besluit;

    • g.

      hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.

  • 4.

    Geven we hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval:

    • a.

      voor welk doel we het geld geven;

    • b.

      hoeveel geld u krijgt;

    • c.

      wanneer we het geld betalen;

    • d.

      hoe vaak we het geld betalen;

    • e.

      welke voorwaarden en verplichtingen gelden;

    • f.

      motivatie van het besluit;

    • g.

      hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.

  • 5.

    We informeren u in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.

  • 6.

    Geven we geen hulp, dan staat in het besluit in ieder geval:

    • a.

      motivatie waarom we geen ondersteuning geven;

    • b.

      of er mogelijk andere voorzieningen voor u van belang kunnen zijn;

    • c.

      hoe u bezwaar kunt maken tegen het besluit.

2.4.2 Verval van recht

Jeugdwet

Het recht op ondersteuning vervalt als u niet binnen drie maanden na het besluit begint met het gebruikmaken van de hulp. Dit geldt niet als u kunt aantonen dat u een reden heeft waardoor u niet binnen de termijn van drie maanden gebruik kunt maken van de hulp.

2.4.3 Terugwerkende kracht

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

  • 1.

    Wij kennen een aanvraag niet met terugwerkende kracht toe.

  • 2.

    Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing als de wet of deze verordening het wel mogelijk maakt.

  • 3.

    Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing voor een bijstandsaanvraag. Wij kunnen op basis van specifieke individuele omstandigheden besluiten om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen voor maximaal drie maanden.

Artikel 2.5 Uitzonderingen

2.5.1 Spoedeisende gevallen

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, Wgs

In spoedeisende gevallen zorgen wij ervoor dat u hulp krijgt die nodig is, zonder dat de normale procedure wordt gevolgd. Wij bepalen wanneer een situatie als spoedeisend wordt aangemerkt. Het kan dan gaan om verschillende soorten (tijdelijke) hulp of voorzieningen.

2.5.2 Jeugdhulp via het medisch domein

Jeugdwet, Awb

  • 1.

    Wanneer de huisarts, medisch specialist of jeugdarts een verwijzing afgeeft voor inzet van jeugdhulp, dragen wij hier zorg voor.

  • 2.

    De huisarts, medisch specialist of jeugdarts mogen alleen naar gecontracteerde aanbieders verwijzen.

  • 3.

    De huisarts, medisch specialist of jeugdarts kennen geen persoonsgebonden budget (pgb) toe.

  • 4.

    Wij zijn verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen en leggen de inzet van de jeugdhulp vast in een beschikking.

  • 5.

    Als u of uw kind daarom vraagt, sturen wij u een besluit over de jeugdhulp per brief. Dit besluit voldoet aan dezelfde regels als een besluit na een aanvraag bij ons.

  • 6.

    Als de aanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij met ons heeft gemaakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie.

  • 7.

    Wanneer de huisarts, medisch specialist of jeugdarts geen verwijzing afgeeft op medische gronden, geldt het uitgangspunt dat zij u in contact brengen met ons.

2.5.3 Jeugdhulp via de gecertificeerde instelling, de strafrechter, het Openbaar Ministerie en de justitiële jeugdinrichting in het kader van het jeugdstrafrecht

Jeugdwet, Awb

  • 1.

    Wij zorgen voor de inzet van jeugdhulp die nodig is bij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook zorgen wij voor de jeugdhulp die de strafrechter, het Openbaar Ministerie of de jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.

  • 2.

    Wij zijn verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen. In dit geval hoeven wij geen beschikking af te geven.

2.5.4 Instemming van een jeugdige

Jeugdwet, Awb

Als een aanvraag wordt gedaan voor een jeugdige jonger dan twaalf jaar, of voor een jeugdige ouder dan twaalf jaar die zijn eigen belangen niet goed kan beoordelen of niet zelfstandig beslissingen kan nemen, is er geen instemming van de jeugdige nodig.

Doet een jeugdige van twaalf tot zestien jaar een aanvraag, dan is instemming nodig van zowel de jeugdige als de wettelijke vertegenwoordiger. Als de wettelijke vertegenwoordiger weigert, nemen wij de aanvraag toch in behandeling als de jeugdhulp nodig is om ernstig nadeel voor de jeugdige te voorkomen.

Doet een jeugdige van zestien jaar of ouder een aanvraag, dan is instemming van de wettelijke vertegenwoordiger alleen nodig als het gaat om verblijf.

Hoofdstuk 3 Werk, participatie en inkomen

Dit hoofdstuk gaat over participatie, tegenprestatie en aanvullende inkomensondersteuning. De gemeente vindt het belangrijk om werkloze inwoners te helpen bij het vinden van werk. In dit hoofdstuk leest u voor wie dit geldt, hoe wij u hierbij kunnen helpen en wat wij van u verwachten als u een uitkering ontvangt.

Artikel 3.1 Doelgroep

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    U bent in de eerste plaats zelf, met de hulp van de mensen om u heen of met de hulp van uitzendbureaus en andere organisaties, verantwoordelijk om werk te vinden.

  • 2.

    Als dat niet lukt, kunnen wij u helpen door één van de voorzieningen in te zetten zoals vermeld in artikel 3.3 lid 4, als:

    • a.

      u een uitkering van ons ontvangt;

    • b.

      u geen uitkering van ons ontvangt en geen hulp krijgt van instanties zoals UWV, SVB of werkgevers;

    • c.

      u jonger bent dan 27 jaar.

Artikel 3.2 Werkwijze

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Bij het vinden van werk of een opleiding die bij u past, werken wij samen met UWV, regiogemeenten en organisaties.

  • 2.

    Wij ondersteunen werkgevers die werk hebben voor inwoners die onder de doelgroep van de gemeente vallen.

Artikel 3.3 Voorzieningen

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij onderzoeken en beoordelen welke passende hulp u nodig heeft en voor hoe lang.

  • 2.

    Wij houden rekening met acties gericht op het vergroten van uw zelfstandigheid, uw persoonlijke omstandigheden, mogelijkheden, capaciteiten en uw eventuele functionele beperkingen. Waar mogelijk, houden we ook rekening met uw individuele wensen.

  • 3.

    Voor de persoonlijke omstandigheden, kijken we in ieder geval of:

    • a.

      u verantwoordelijk bent voor de opvang voor ten laste komende kinderen tot 5 jaar; en

    • b.

      u noodzakelijke mantelzorg verricht; en

    • c.

      u behoort tot de doelgroep loonkosten subsidie; en

    • d.

      u gebruik maakt van de voorziening beschut werk.

  • 4.

    Het doel van de voorziening is het vinden of behouden van passend werk.

  • 5.

    Wij kunnen in ieder geval de volgende voorzieningen inzetten:

    • a.

      participatieplaats;

    • b.

      beschut werk;

    • c.

      proefplaatsing;

    • d.

      werkervaringsplaats/stage;

    • e.

      basisbaan;

    • f.

      maatschappelijke participatie;

    • g.

      loonkostensubsidie;

    • h.

      scholing, cursussen, trainingen;

    • i.

      kinderopvang;

    • j.

      maatwerk door middel van andere voorzieningen en vergoedingen.

  • 6.

    In de beschikking en/of, indien van toepassing, in een plan van aanpak leggen wij vast welke hulp u krijgt en welke afspraken wij hierover met u maken en/of welke voorwaarden hieraan verbonden zijn.

3.3.1 Participatieplaats

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen een participatieplaats inzetten als u een uitkering krijgt, ouder bent dan 27 jaar en uw kans op werk klein is.

  • 2.

    Wij kunnen deze voorziening voor een periode van maximaal twee jaar aanbieden.

  • 3.

    Het doel van een participatieplaats is het vergroten van uw kans op betaald werk en om werkervaring op te doen. Het moet gaan om werkzaamheden die bij u passen.

  • 4.

    Een voorwaarde is dat de participatieplaats geen andere werknemers bij dezelfde werkgever verdringt en ook geen oneerlijke concurrentie betekent voor andere organisaties.

  • 5.

    Wij zorgen ervoor dat de uit te voeren werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die door u, de gemeente en de werkgever wordt ondertekend.

  • 6.

    De door u te ontvangen premie, bedoeld in artikel 10a lid 6 PW, bedraagt per zes maanden maximaal 25% van het bedrag zoals opgenomen in artikel 31 lid 2 onderdeel j van de PW op basis van fulltime dienstverband of bij parttime dienstverband naar rato van het aantal gewerkte uren.

  • 7.

    Voor toepassing van lid 5 is de gehuwdennorm van 1 januari van dat kalenderjaar van toepassing.

  • 8.

    De procentuele berekening wordt telkens naar boven afgerond op hele euro’s.

3.3.2 Beschut werk

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen u een beschutte werkplek aanbieden, als u een uitkering ontvangt en het UWV heeft vastgesteld dat u alleen kan werken als het werk en de omgeving zijn aangepast aan uw mogelijkheden.

  • 2.

    U behoort in elk geval tot de doelgroep, indien u een uitkering ontvangt op grond van:

    • a.

      de Werkloosheidswet;

    • b.

      de Wet inkomensvoorziening oudere werklozen;

    • c.

      de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

    • d.

      de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten;

    • e.

      de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • f.

      de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

    • g.

      de Ziektewet

    • h.

      de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen;

    • i.

      of recht heeft op arbeidsondersteuning als bedoeld in artikel 2:15 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.

  • 3.

    Het doel van beschut werk is om u een veilige werkplek te bieden.

  • 4.

    Personen van wie is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben en die nog niet in aanmerking zijn gekomen voor een beschutte werkplek, krijgen voorrang op personen van wie later is vastgesteld dat zij alleen in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben.

  • 5.

    Wij verstrekken de volgende voorzieningen, zodat u beschut kunt werken:

    • a.

      het fysiek aanpassen van uw werkplek of de omgeving waarin u werkt;

    • b.

      uitsplitsing van taken;

    • c.

      het aanpassen van werktempo, het aantal uren dat u werkt en de begeleiding die u krijgt;

    • d.

      jobcoaching.

  • 6.

    Als u in aanmerking komt voor beschut werk, kunnen wij helpen om de stap naar beschut werken makkelijker te maken. Wij kunnen tot het moment van aanvang van de dienstbetreding de volgende voorzieningen aanbieden:

    • a.

      arbeidsmatige dagbesteding;

    • b.

      vrijwilligerswerk;

    • c.

      andere vormen van maatschappelijke participatie of werk;

    • d.

      schuldhulpverlening.

  • 7.

    Wij zetten ons in om een werkplek te realiseren voor iedereen die in aanmerking komt voor beschut werk.

3.3.3 Proefplaatsing

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Indien wij dit noodzakelijk vinden, kunnen wij u, bij wijze van proef, tijdelijk en met behoud van uw uitkering een proefplaatsing aanbieden bij een bedrijf om werkervaring op te doen.

  • 2.

    Voor een proefplaatsing wordt enkel toestemming verleend als:

    • a.

      u, gelet op uw vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat bent;

    • b.

      de gemeente verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling;

    • c.

      het niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het niet leiden tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

    • d.

      u de werkzaamheden niet al eerder onbeloond bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, heeft verricht;

    • e.

      de werkgever bij aanvang van de proefplaatsing schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij u, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend op uw proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst neemt.

  • 3.

    In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval het volgende vastgelegd:

    • a.

      het doel van de proefplaatsing;

    • b.

      de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

  • 4.

    Het doel van een proefplaatsing is onderzoeken of u en de baan bij elkaar passen en of u geschikt bent voor de functie. U doet tegelijkertijd werkervaring op en werkt een periode op proef met behoud van uitkering.

  • 5.

    De plaatsing duurt twee maanden. De plaatsingstopt eerder als het doel bereikt is of als eerder blijkt dat u niet geschikt bent voor de functie.

  • 6.

    De termijn in lid 5 kan verlengd worden met maximaal vier maanden, dus tot maximaal zes maanden.

3.3.4 Werkervaringsplaats/stage

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen u bij wijze van proef tijdelijk en met behoud van uitkering een werkervaringsplaats of stage aanbieden bij een re-integratiebedrijf.

  • 2.

    Het doel van een werkervaringsplaats/stage is het opdoen van werkervaring en/of het leren functioneren in een arbeidsrelatie. Dit vergroot de kans op betaald werk.

  • 3.

    In een schriftelijke overeenkomst wordt in ieder geval het volgende vastgelegd:

    • a.

      het doel van de werkervaringsplaats;

    • b.

      de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt.

  • 4.

    De plaatsing duurt drie maanden. De plaatsing stopt eerder als het doel bereikt is of als eerder blijkt dat u niet geschikt bent voor de functie.

  • 5.

    Wij kunnen de plaatsing na drie maanden verlengen, maar met verlenging duurt de plaatsing maximaal zes maanden.

  • 6.

    Een voorwaarde is dat de plaatsing niet leidt tot verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever. Ook mag het geen oneerlijke concurrentie met andere organisaties veroorzaken.

3.3.5 Basisbaan

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Een basisbaan kunnen wij enkel aanbieden als u:

    • a.

      een bijstandsuitkering ontvangt;

    • b.

      ouder bent dan 27 jaar;

    • c.

      niet in aanmerking komt voor een indicatie banenafspraak en/of niet in aanmerking komt voor het doelgroepenregister;

    • d.

      nog niet in staat bent regulier arbeid te verrichten.

  • 2.

    Wij kunnen u een basisbaan aanbieden als na afloop van een werkervaringsplaats en/of participatieplaats blijkt dat er geen werk voor u is, terwijl u wel uw doelen heeft behaald.

  • 3.

    Bij de invulling van de basisbaan gaan we uit van maatwerk voor uw persoonlijke situatie.

  • 4.

    Voor een basisbaan ontvangt u het wettelijk minimumloon.

3.3.6 Maatschappelijke participatie

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Soms verwijzen we naar zinvolle activiteiten als een eerste stap naar betaald werk. We noemen dit maatschappelijke participatie. We kunnen u dergelijke activiteiten aanbieden als de mogelijkheid bestaat dat u in de toekomst een reguliere werkplek inneemt zonder gebruik te maken van een voorziening.

  • 2.

    Het doel van maatschappelijke participatie is u te helpen met het overwinnen van moeilijkheden op weg naar werk. Met als eventueel tussendoel dat u zelfstandig kan deelnemen aan het maatschappelijk leven.

  • 3.

    U kunt de activiteiten van maatschappelijke participatie, in overleg met ons, zelf vormgeven. We bespreken en beoordelen uw activiteitenplan en leggen dit schriftelijk vast, inclusief de geldende voorwaarden.

  • 4.

    Wij stemmen de duur van de in het eerste lid bepaalde activiteiten af op uw mogelijkheden en capaciteiten.

  • 5.

    Wij bieden de activiteiten uitsluitend aan als het niet leidt tot een verdringing van andere werknemers bij dezelfde werkgever en/of tot oneerlijke concurrentie met andere organisaties.

3.3.7 Loonkostensubsidie buiten de wettelijke doelgroep

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toekennen als u bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijke minimumloon kan verdienen. Wij beoordelen of de loonkostensubsidie noodzakelijk is.

  • 2.

    Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren personen in dienst te nemen en de extra kosten voor begeleiding te vergoeden.

  • 3.

    Wij geven alleen een loonkostensubsidie als de werkgever bij aanvang schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij u, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan de subsidie, bedoeld in lid 1, voor minimaal twaalf maanden, zonder proeftijd in dienst houdt.

  • 4.

    De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De subsidie bedraagt ten hoogste 50 procent van de loonkosten gedurende maximaal twaalf maanden met de mogelijkheid van verlenging tot maximaal 24 maanden. Daar komen de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij.

  • 5.

    Wij geven geen loonkostensubsidie als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met uw indiensttreding of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat u ook zonder loonkostensubsidie kan worden aangenomen voor dat werk.

  • 6.

    Wij geven alleen een loonkostensubsidie als het werk geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringt en/of geen oneerlijke concurrentie veroorzaakt met andere organisaties.

  • 7.

    Indien u niet-uitkeringsgerechtigde bent, heeft u geen recht op de loonkostensubsidie buiten de wettelijke doelgroep.

3.3.8 Scholing, cursussen, trainingen

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen u scholing, een cursus of een training aanbieden.

  • 2.

    De scholing is bedoeld om werk te kunnen vinden of te kunnen behouden.

  • 3.

    Wij bepalen welke scholing u krijgt en hoe lang dit duurt.

  • 4.

    De scholing kan worden aangeboden in de vorm van een subsidie of een verstrekking in natura.

  • 5.

    Een scholingstraject, cursus of training voldoet in ieder geval aan de volgende eisen:

    • a.

      het sluit aan bij uw capaciteiten; en

    • b.

      het vergroot de kansen op de arbeidsmarkt; of

    • c.

      het leidt tot duurzaam werk.

3.3.9 Kinderopvang

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    We kunnen er voor zorgen dat er passende kinderopvang beschikbaar is voor kinderen tot twaalf jaar als dit voor u noodzakelijk is om:

    • a.

      mee te doen aan een activiteit; of

    • b.

      in te burgeren;

    • c.

      aan het werk te gaan; of

    • d.

      om werkervaring op te doen; en

    • e.

      u zelf geen kinderopvang kunt regelen en betalen.

  • 2.

    Wij kunnen de kosten van kinderopvang, die voor uw rekening blijven, vergoeden.

3.3.10 Andere voorzieningen en vergoedingen, maatwerk

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    We kunnen andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om uw kans op werk te vergroten.

  • 2.

    We kunnen kosten vergoeden die u moet maken om mee te kunnen doen aan een voorziening of om te kunnen werken.

  • 3.

    We geven u de mogelijkheid om zelf een plan in te dienen om de kans op werk te vergroten.

  • 4.

    We kunnen nadere regels vaststellen over welke kosten voor vergoeding in aanmerking komen en wat de hoogte van de vergoeding is.

3.3.11 Tegenprestatie

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen u een tegenprestatie opleggen als u een uitkering ontvangt en wij dit een passende manier vinden om iets terug te doen voor de samenleving.

  • 2.

    De tegenprestatie moet nuttig zijn voor de samenleving en is onbetaald.

  • 3.

    Het doel van de tegenprestatie is het vergroten van uw zelfredzaamheid en/of het vergroten van uw kansen op werk.

  • 4.

    Bij het opleggen van een tegenprestatie houden wij rekening met uw persoonlijke omstandigheden, zoals gezinssituatie, duur van de werkloosheid en eventuele beperkingen.

  • 5.

    U hoeft geen tegenprestatie te leveren als dit niet te combineren is met vrijwilligerswerk of mantelzorg.

  • 6.

    De tegenprestatie duurt zolang u nog geen re-integratietraject volgt of betaald werk heeft gevonden.

  • 7.

    De tegenprestatie mag het vinden van werk niet in de weg zitten.

  • 8.

    De tegenprestatie mag niet leiden tot het verdringen van andere werknemers bij hetzelfde bedrijf en/of oneerlijke concurrentie met andere organisaties veroorzaken.

  • 9.

    U mag zelf een voorstel doen hoe u de tegenprestatie wil invullen. Als dit nodig is, kunnen wij meedenken en ondersteuning bieden. Wij beoordelen uw voorstel.

  • 10.

    U kunt de tegenprestatie invullen door:

    • a.

      het doen van vrijwilligerswerk;

    • b.

      het leveren van mantelzorg;

    • c.

      overige maatschappelijke nuttige werkzaamheden;

    • d.

      door te werken aan persoonlijke problemen zodat u (later) in staat bent aan één van de hiervoor genoemde vormen van tegenprestatie te voldoen.

  • 11.

    Het kan zijn dat u al maatschappelijk actief bent. Als u al één of meerdere van de hierboven genoemde activiteiten doet, kunnen we deze activiteiten aanmerken als tegenprestatie.

  • 12.

    Een tegenprestatie duurt maximaal 320 uur per jaar. Hierbij hoeft er niet meer dan twintig uur per week en veertig weken per jaar een tegenprestatie te worden verricht.

Artikel 3.4 Specifieke bepalingen administratief proces loonkostensubsidie

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij geven zoals in artikel 10d PW genoemd, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever. Bij een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing.

  • 2.

    Bij een beschikking op aanvraag sturen wij de beschikking naar de aanvrager (u of uw werkgever) en de medebelanghebbende (uw werkgever of een persoon die niet de aanvraag heeft ingediend).

  • 3.

    Een aanvraag voor loonkostensubsidie, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, zien wij als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c lid 1, onder a PW.

  • 4.

    Wij stellen binnen zes weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d lid 5 PW.

  • 5.

    Wij gebruiken bij het geven van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie.

Artikel 3.5 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

3.5.1 Voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken als u een arbeidsbeperking heeft.

  • 2.

    Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      u behoort tot de doelgroep en u bent minimaal achttien jaar oud. Wanneer u VSO/PRO onderwijs heeft genoten geldt de minimale leeftijd van achttien jaar niet;

    • b.

      u kunt zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen;

    • c.

      de werkgever biedt een dienstbetrekking aan van minimaal zes maanden, met een minimale arbeidsduur van twaalf uur per week;

    • d.

      het is geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is;

    • e.

      het is geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie;

    • f.

      wij vinden dat er geen sprake is van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd;

    • g.

      de kosten van de investering zijn proportioneel, dat wil zeggen dat de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk.

3.5.2 Aanvraagprocedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Een aanvraag om persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen kunt u of uw werkgever bij ons indienen. Wij kunnen hiervoor een aanvraagformulier vaststellen.

  • 2.

    Wij bepalen na overleg met u, en indien van toepassing met uw werkgever, welke ondersteuning of voorziening(en) het beste kunnen bijdragen aan uw arbeidsinschakeling.

  • 3.

    Wij onderzoeken, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de aanvraag uw mogelijkheden en ondersteuningsbehoeften. Wij onderzoeken of integrale samenwerking nodig is. Zo ja, dan werken wij samen met andere partijen, zoals instanties op het gebied van gezondheidszorg, jeugdhulp, maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, schuldhulpverlening, welzijn of wonen. Dit doen we om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde integrale dienstverlening met het oog op de arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel g onder 1, of de wijze van voortgezette persoonlijke ondersteuning, bedoeld in artikel 8a lid 2 onderdeel g onder 2 PW.

  • 4.

    Wij maken na afronding van het onderzoek een schriftelijk verslag op van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 5.

    Op basis van het onderzoeksverslag nemen wij een besluit en sturen dit naar u of een persoon die u gemachtigd heeft en, indien van toepassing, uw werkgever op.

3.5.3 Inhoud beschikking persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Indien wij een persoonlijke ondersteuning of overige voorziening toekennen, sturen wij u een beschikking. In de beschikking staat in ieder geval:

    • a.

      welke persoonlijke ondersteuning of overige voorziening wordt verstrekt;

    • b.

      als subsidie wordt verstrekt, wat de omvang is van het subsidiebedrag;

    • c.

      de duur en intensiteit van de ondersteuning;

    • d.

      de ingangsdatum van de ondersteuning of overige voorziening;

    • e.

      als de verstrekking afwijkt van wat is aangevraagd, wat de reden is van afwijking;

    • f.

      voor zover van toepassing, welke andere ondersteuning of voorziening relevant is, of kan zijn, waaronder de wijze waarop de persoon integraal kan worden ondersteund.

  • 2.

    Als de aanvraag wordt afgewezen moeten we de reden van de afwijzing goed gemotiveerd in de beschikking vermelden.

3.5.4 Specifieke bepalingen persoonlijke ondersteuning bij werk

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura verstrekken door middel van een jobcoach die werkt in opdracht van de gemeente of een derde, waarbij wij de uitvoering van de jobcoaching hebben ingekocht.

  • 2.

    Wij kunnen persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van een subsidie toekennen aan de werkgever voor:

    • a.

      jobcoaching door een interne of externe jobcoach; of

    • b.

      interne werkbegeleiding door een interne werkbegeleider.

  • 3.

    De in lid 1 en 2 genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden met het oog op het verrichten van werkzaamheden, anders dan in dienstverband, zoals bij een proefplaats of een leer-werktraject.

3.5.5Specifieke voorwaarden toekenning persoonlijke ondersteuning bij werk

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Uw aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen acht weken na de ingangsdatum van de dienstbetrekking bij ons zijn ingediend.

  • 2.

    Lid 1 geldt niet als voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn.

  • 3.

    Wij besluiten over uw aanvraag op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen.

3.5.6 Interne werkbegeleiding

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Als u bent aangewezen op begeleiding bij het verrichten van werk die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat, kunnen wij een subsidie verlenen aan de werkgever voor de aangetoonde meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van deze interne werkbegeleiding.

  • 2.

    Wij kunnen aan de werkgever ambtshalve of op aanvraag een training aanbieden voor één of meer medewerkers om hen in staat te stellen aan personen behorend tot de doelgroep interne werkbegeleiding te bieden.

3.5.7Jobcoaching

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet voldoen aan de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      de jobcoach beschikt over minimaal Hbo werk- en denkniveau;

    • b.

      de jobcoach heeft een jobcoach opleiding gevolgd;

    • c.

      de jobcoach heeft een registratie in het Register Loopbaancoach (voormalig Noloc Jobcoach) of het NVS-Beroepenregister voor jobcoaches en/of is werkzaam bij een organisatie die een Blik op werk of Oval Keurmerk heeft of een jobcoach erkenning heeft van het UWV;

    • d.

      de jobcoach heeft ervaring op het gebied van jobcoaching;

    • e.

      de jobcoach heeft kennis van de specifieke doelgroep met een arbeidsbeperking, regionale arbeidsmarkt (ontwikkelingen) en de regionale sociale kaart;

    • f.

      de jobcoach zorgt ervoor dat zijn kennis en vaardigheden actueel blijven en investeert in na- en bijscholing.

  • 2.

    Een uitzondering op de gestelde voorwaarden van lid 1 geldt voor situaties waarin een werknemer met baan en bijbehorende jobcoach bij ons binnenkomt, bijvoorbeeld als gevolg van verhuizing of een stageplek vanuit het VSO/PRO onderwijs. De jobcoach moet binnen één jaar alsnog aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen.

  • 3.

    De in te zetten omvang (duur en tarief) van interne werkbegeleiding en jobcoaching wordt bepaald op basis van een onderzoek door ons. De hoogte van het tarief is vastgelegd in beleidsregels.

  • 4.

    Wij kunnen van de in het lid 3 bedoelde maximale percentages afwijken voor zover toepassing daarvan, leidt tot onredelijkheid en onbillijkheid.

  • 5.

    Als we één of meer jobcoaches zelf in dienst of gecontracteerd hebben, kunnen wij deze bij voorrang aanbieden.

  • 6.

    Voordat wij de jobcoaching beëindigen, verrichten wij onderzoek. Als de beëindiging plaatsvindt met instemming van u en uw werkgever kunnen wij van dit onderzoek afzien.

3.5.8 Jobcoaching in natura

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen ambtshalve, of op aanvraag, jobcoaching in natura aanbieden. Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk.

  • 2.

    Bij aanvragen om jobcoaching in natura en de voorbereiding van een beschikking op de aanvraag is het bepaalde in artikel 3.5.1 tot en met 3.5.5 en artikel 3.5.7 van deze verordening ook van toepassing.

3.5.9 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen op aanvraag subsidie verlenen voor het organiseren van jobcoaching aan een werkgever. Jobcoaching is een vorm van persoonlijke ondersteuning bij werk.

  • 2.

    Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 3.5.1 tot en met 3.5.5 en artikel 3.5.7, worden verleend als:

    • a.

      de jobcoaching bestaande uit een individueel trainings- of inwerkprogramma en een systematische begeleiding van de persoon behorend tot de doelgroep, gericht op het kunnen uitvoeren van de aan hem opgedragen taken, wordt geborgd door middel van een coachingsplan;

    • b.

      de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching passend is;

    • c.

      de continuïteit van de jobcoaching geborgd is;

    • d.

      de persoon voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk instemt met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.

  • 3.

    Wij kunnen voor jobcoaching een maximumtarief per uur hanteren dat toereikend is voor de organisatie van jobcoaching, waarbij wij zorgdragen voor de kenbaarheid van de voor het betreffende jaar van toepassing zijnde tarieven.

  • 4.

    Met instemming van de werkgever en de werknemer voor wie de subsidie wordt verleend, kan de jobcoach mede:

    • a.

      ondersteuning geven gericht op het vinden van werk; of

    • b.

      integrale ondersteuning geven bij de overgang van werk naar werk en van werk naar onderwijs.

3.5.10 Specifieke voorwaarden toekenning vervoersvoorziening

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen een vervoersvoorziening toekennen als u tot de doelgroep behoort. De vervoersvoorziening moet noodzakelijk zijn om naar uw werkplek, proefplaats of opleidingslocatie te reizen. We kunnen de vervoersvoorziening zowel in natura als in de vorm van een vergoeding in geld verstrekken.

  • 2.

    Wij kunnen een vervoersvoorziening aanbieden als u aan de volgende voorwaarden voldoet:

    • a.

      u kan door uw beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer;

    • b.

      het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer.

  • 3.

    De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat u werkt en bedraagt het in de markt reguliere tarief voor een taxi of een andere vorm van vervoer.

  • 4.

    Wij brengen een eventueel bedrag voor een vervoersvoorziening van de werkgever aan de werknemer in mindering op de te verstrekken vervoersvoorziening.

3.5.11 Specifieke voorwaarden noodzakelijke intermediaire activiteit bij visuele of motorische handicap

PW, IOAW, IOAZ

Wij kunnen u een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen die gericht is op de vervanging of ondersteuning van een door ziekte of gebrek geheel of gedeeltelijk ontbrekende visuele of motorische lichaamsfunctie.

3.5.12 Specifieke voorwaarden meeneembare voorzieningen

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen een meeneembare voorziening toekennen, als dit voor u nodig is om te kunnen werken.

  • 2.

    De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen beschikbaar gesteld. In bijzondere gevallen kunnen wij besluiten de voorziening in eigendom te verstrekken.

3.5.13 Specifieke voorwaarden werkplekaanpassingen

PW, IOAW, IOAZ

Wij kunnen een aanpassing van de werkplek toekennen, als dit noodzakelijk is om uw werk uit te voeren.

Artikel 3.6 Beëindiging voorziening

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen uw recht op een voorziening als bedoeld in artikel 3.5.1 tot en met 3.5.13 van deze verordening intrekken als:

    • a.

      de voorziening niet langer passend of nodig is;

    • b.

      u zich niet houdt aan de voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden;

    • c.

      de voorziening is verstrekt op basis van verkeerde of onvolledige gegevens die u heeft verstrekt;

    • d.

      u onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voortzetting voorziening;

    • e.

      de voorziening voor een ander doel gebruikt wordt dan waarvoor hij is verstrekt;

    • f.

      binnen drie maanden geen gebruik maakt van de voorziening, tenzij hiervoor geen verwijt kan worden gemaakt.

  • 2.

    Wij kunnen uw recht op de voorziening met terugwerkende kracht intrekken.

Artikel 3.7 Uitstroompremie

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen eenmalig een uitstroompremie toekennen indien u langdurig werkloos bent en duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid. En u daardoor niet langer recht heeft op een uitkering van de gemeente.

  • 2.

    De uitstroompremie is ter hoogte van 50% van het bedrag zoals genoemd in artikel 31, lid 2 sub j Pw en wordt in twee termijnen uitbetaalt.

  • 3.

    Als aan u in hetzelfde jaar al een participatiepremie is toegekend, zoals bedoeld in artikel 10a lid 6 Pw, wordt deze reeds toegekende participatieplaatspremie in mindering gebracht op uw uitstroompremie.

  • 4.

    Onder langdurige werkloosheid (eerste lid) verstaan we: een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering van de gemeente aangewezen is geweest.

  • 5.

    Onder duurzame uitstroom wordt naar ons oordeel het volgende verstaan: een periode van uitkeringsonafhankelijkheid van tenminste zes maanden.

  • 6.

    De uitstroompremie kan worden aangevraagd vanaf de 7de maand na indiensttreding en moet binnen achttien maanden na de indiensttreding zijn aangevraagd.

  • 7.

    Wij blijven verantwoordelijk voor de betaling van de uitstroompremie als u binnen de termijn van lid 5 verhuist naar een andere gemeente.

Artikel 3.8 Regelingen voor mensen met een beperkt inkomen

3.8.1 Individuele inkomenstoeslag

PW

  • 1.

    Als u 21 jaar of ouder bent, maar jonger bent dan de AOW-leeftijd en langdurig een laag inkomen heeft, kunt u recht hebben op inkomenstoeslag. Dit is een extra bedrag om het inkomen aan te vullen.

  • 2.

    U kunt de individuele inkomenstoeslag één keer per twaalf maanden aanvragen via een door ons vastgesteld aanvraagformulier.

  • 3.

    Er is sprake van een langdurig laag inkomen als:

    • a.

      uw inkomen in de ononderbroken periode van 36 maanden voor de aanvraagdatum niet hoger was dan 120% van de voor u toepasselijke bijstandsnorm;

    • b.

      uw vermogen op de aanvraagdatum niet hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens zoals genoemd in artikel 34 PW.

3.8.2 Hoogte individuele inkomenstoeslag

PW

  • 1.

    Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per jaar:

    • a.

      Voor een alleenstaande: 27% van de gehuwdennorm;

    • b.

      Voor een alleenstaande ouder: 35% van de gehuwdennorm;

    • c.

      Voor gehuwden: 39% van de gehuwdennorm.

  • 2.

    Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag onder de artikelen 11 of 13 lid 1 Pw, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 3.

    Voor toepassing van lid 1 en 2 is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 4.

    De hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt per 1 januari van het desbetreffende kalenderjaar vastgesteld op basis van de dan geldende gehuwdennorm. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

3.8.3 Algemene bevoegdheid minimabeleid

Gemeentewet

  • 1.

    We vinden het belangrijk dat alle inwoners van de gemeente Sluis, dus ook kinderen, zich door maatschappelijke participatie kunnen ontplooien en ontwikkelen en daarin niet worden belemmerd door hun financiële situatie. De gemeenteraad geeft daarom het college de bevoegdheid om beleidsregels vast te stellen over het minimabeleid.

  • 2.

    We stellen in ieder geval een regeling op waarbij u een bijdrage kan ontvangen om mee te doen aan sociale en culturele activiteiten. We noemen dit ook het sociaal-culturele activiteitenbudget (afkorting: SCA-budget).

  • 3.

    Om in aanmerking te komen voor de voorzieningen in het minimabeleid, dient uw inkomen niet hoger te zijn dan 130% van de voor u toepasselijke bijstandsnorm. Er kunnen specifieke inkomensvoorwaarden per minimavoorziening gelden.

  • 4.

    Op alle regelingen zijn de vermogensvrijstellingen op grond van de Pw van toepassing zoals genoemd in artikel 34 Pw.

3.8.4 Kindpakket (educatie, sport en cultuur)

Gemeentewet

Kinderen zijn een belangrijke en kwetsbare groep. In overleg met Stichting Leergeld en SportZeeland stellen we een kindpakket samen aan beleidsregels op het gebied van (maatschappelijke) participatie, educatie sport en cultuur.

3.8.5 Jeugd- en Volwassenenfonds Sport en Cultuur

Gemeentewet

In overleg met SportZeeland/het Jeugd- en Volwassenenfonds stellen we beleidsregels op voor een sport- en cultuurfonds voor kinderen, jongeren en volwassenen.

Hoofdstuk 4 Gezond en veilig opgroeien

Wij willen dat kinderen en jongeren zo gezond en veilig mogelijk opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van kinderen en jongeren zelf, hun ouders en hun (sociale) netwerk. Het kan zijn dat u hierbij ondersteuning nodig heeft. Dan kunt u terecht bij de gemeente.

Met kinderen en jongeren bedoelen wij kinderen en jongeren tot 18 jaar. Maar ook jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar oud waren en die deze hulp vanaf hun 18e nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen, zoals staat beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

In dit hoofdstuk leest u wat uw eigen verantwoordelijkheden zijn en wat de rol van de gemeente is. Ook vindt u hier informatie over voorzieningen.

Artikel 4.1 Vrij toegankelijke hulp

Jeugdwet

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat kinderen en jongeren zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dit te bereiken, helpen we alle kinderen en jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk met:

    • a.

      het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen samenwerken en elkaar aanvullen;

    • b.

      het geven van informatie, advies en trainingen;

    • c.

      het bieden van jeugdgezondheidszorg;

    • d.

      activiteiten voor jongeren die hun talenten ontwikkelen;

    • e.

      het bieden van opvoedondersteuning; en

    • f.

      een vertrouwenspersoon.

  • 2.

    Deze ondersteuning is vrij toegankelijk. U hebt hiervoor geen besluit nodig van de gemeente. En ook geen verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts.

  • 3.

    Wij zorgen ervoor dat we signalen bij opgroei- en opvoedingsproblemen zo vroeg mogelijk opvangen. En dat we daar ook zo vroeg mogelijk ondersteuning bij aanbieden op vrijwillige basis.

Artikel 4.2 Individuele voorziening

Jeugdwet

  • 1.

    Wij kunnen u een individuele voorziening aanbieden waarbij we goed kijken welke ondersteuning op uw vraag aansluit. Wij kunnen de volgende vormen van hulp bieden:

    • a.

      ondersteuning bij het opvoeden en opgroeien in de vorm van advies en cursussen;

    • b.

      een plek in een pleeggezin of verblijf in een instelling. Pleegzorg heeft hierbij de voorkeur;

    • c.

      specialistische jeugdhulp in de vorm van begeleiding, ondersteuning of behandeling;

    • d.

      persoonlijke verzorging;

    • e.

      vervoer naar en van de plaats waar u jeugdhulp krijgt.

  • 2.

    Deze hulp is niet vrij toegankelijk. U hebt hiervoor een besluit nodig van de gemeente. Of u heeft een verwijzing nodig van een huisarts, een medisch specialist of een jeugdarts.

Artikel 4.3 Overgang van 18- naar 18+

Jeugdwet, Wmo 2015

  • 1.

    Wij kunnen u ook ondersteunen als u (jeugd)hulp nodig hebt als u 18 jaar wordt. Wij kunnen samen met u zorgen voor een toekomstplan op alle belangrijke leefgebieden. In uw toekomstplan kunnen we in ieder geval aandacht besteden aan de volgende onderwerpen:

    • a.

      wonen;

    • b.

      inkomen;

    • c.

      zorg en ondersteuning;

    • d.

      scholing, werk of participatie;

    • e.

      vrije tijd;

    • f.

      uw sociale omgeving/sociale netwerk.

  • 2.

    Als het nodig is verlengen we uw ondersteuning. Dit kan maximaal tot de dag dat u 23 jaar wordt. Deze verlenging is onderdeel van uw toekomstplan.

  • 3.

    Pleegzorg kunnen we inzetten tot de dag dat u 21 jaar wordt. Verlengde jeugdhulp in de vorm van pleegzorg blijft mogelijk vanaf 21 jaar totdat u 23 jaar wordt.

  • 4.

    Verblijf in een gezinshuis kunnen we inzetten tot de dag dat u 21 jaar wordt. Dit geldt tenzij:

    • a.

      u dat zelf niet wil;

    • b.

      en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen;

    • c.

      en/of voor alle partijen (inclusief uzelf) duidelijk is dat u andere passende hulp nodig heeft, en die hulp ook beschikbaar is;

    • d.

      en/of u voldoet aan de criteria van de Wet langdurige zorg.

  • 5.

    We streven naar een soepele overgang van Jeugdwet naar ondersteuning vanuit andere wetten. Dit noemen we een warme overdracht. Dit kan bijvoorbeeld de Wmo 2015, Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet zijn.

Artikel 4.4 Afstemming met andere vormen van hulp

Jeugdwet

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat de ondersteuning die u krijgt, aansluit bij andere vormen van ondersteuning die u krijgt. Om dat te bereiken, maken we afspraken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen, hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over:

    • a.

      procedures die gelden bij doorverwijzing naar ondersteuning;

    • b.

      communicatie met andere organisaties en de gemeente;

    • c.

      afbakening van taken en verantwoordelijkheden;

    • d.

      aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en individuele voorzieningen.

  • 2.

    Wij zorgen voor afstemming binnen de verschillende samenwerkingstrajecten. Hierbij houden we rekening met de privacywetgeving. Het gaat dan om afstemming met:

    • a.

      de gezondheidszorg, zoals huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars;

    • b.

      justitie en gecertificeerde instellingen, over kinderbescherming en jeugdreclassering;

    • c.

      Veilig Thuis;

    • d.

      maatschappelijke ondersteuning, over de continuïteit van ondersteuning als u 18 jaar wordt.

  • 3.

    Voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht en werk en inkomen. Wij letten in de afstemming op de volgorde waarop we hulp inzetten, zodat de inzet het meest effect geeft. Soms kan de hulp gelijktijdig worden ingezet. We zetten in op passende ondersteuning die leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

Hoofdstuk 5 Wonen en meedoen in de samenleving

Soms hebt u hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in uw eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. Wij hebben de taak om u te helpen als u niet in staat bent om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten. Bijvoorbeeld in uw woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. Wij moeten ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat u met een beperking zo lang mogelijk voor uzelf kan blijven zorgen (zelfredzaamheid). Wij kijken hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de ontwikkelingen richting de toekomst. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die wij aan u kunnen bieden.

Uitgangspunten

  • 1.

    Wij zetten ons ervoor in, dat als u een beperking en/of langdurige psychosociale problemen hebt u zo lang mogelijk zelfstandig in uw eigen leefomgeving kan wonen, de noodzakelijke dagelijkse activiteiten kan uitvoeren en een eigen huishouding kan voeren. U kan ondersteuning-op-maat krijgen, als u voldoet aan de voorwaarden van artikel 2.3.2. Ook moet de ondersteuning langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren, zodat u zo lang mogelijk in uw eigen leefomgeving kan blijven wonen.

  • 2.

    Wij stellen normen vast voor het beoordelen van aanvragen voor ondersteuning-op-maat in het kader van de Wmo. Deze normen moeten gebaseerd zijn op objectief onderzoek dat door onafhankelijke deskundigen is gedaan. De normen maken duidelijk welke concrete ondersteuning er in uw situatie nodig is. Wij kunnen afwijken van deze normen als dat nodig is voor een passend en aanvaardbaar niveau van leven.

Artikel 5.1 Dagbesteding (groepsbegeleiding)

Wmo 2015

  • 1.

    Dagbesteding in de gemeente Sluis is vormgegeven in de vorm van een algemene voorziening. Voor deelname aan dagbesteding is geen aanvraag en goedkeuring nodig van de gemeente.

  • 2.

    Voor de algemene voorziening dagbesteding hoeft geen eigen bijdrage betaald te worden.

Artikel 5.2 Individuele begeleiding

Wmo 2015

  • 1.

    U kunt in aanmerking komen voor individuele begeleiding bij het zelfstandig wonen, als u vanwege een beperking of een langdurig psychisch of psychosociaal probleem niet volledig op eigen kracht of met gebruikelijke hulp een huishouden kan voeren. De begeleiding is bijvoorbeeld gericht op:

    • a.

      Het in orde brengen van de administratie en/of financiën;

    • b.

      Het vertonen van passend woongedrag/veilig gebruik maken van de woning;

    • c.

      Het hebben van gezonde huiselijke relaties;

    • d.

      Zelfzorg en gezondheid, en/of het opbouwen/behouden van een sociaal netwerk.

  • 2.

    Niet bij iedereen is dezelfde mate van begeleiding nodig. Daarom onderzoeken we bij iedere aanvraag hoe zwaar de ondersteuningsbehoefte is en welke mate van begeleiding passend is. We gebruiken hiervoor het Normenkader begeleiding van Bureau HHM.

Artikel 5.3 Zelfstandig en veilig wonen

Artikel 5.3.1 Geschikte woning

Wmo 2015

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u een maatwerkvoorziening krijgt als het normale gebruik van uw woning door een beperking niet mogelijk is. U moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.4.1.

  • 2.

    De voorziening houdt in dat wij de woning bereikbaar, toegankelijk en bruikbaar laten maken.

  • 3.

    Soms kunnen wij uw woning niet of slechts tegen zeer hoge kosten aan laten passen. Dan verwachten wij van u dat u verhuist naar een geschikte(re) woning, als deze beschikbaar is. Uw huidige woning passen wij dan niet aan.

  • 4.

    Wij zorgen voor een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten als u verhuist naar een geschikte(re) woning. Een financiële tegemoetkoming in de verhuiskosten geven we één keer per tien jaar. De gemiddelde verhuisbeweging in Nederland (2020) op basis van het langjarige gemiddelde is dat iemand één keer per tien jaar verhuist. U moet dan wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.1 van deze verordening.

Artikel 5.3.2 Een schone en leefbare woning

Wmo 2015

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u ondersteuning kunt krijgen als u als gevolg van een beperking uw woning niet schoon en leefbaar kunt houden. U moet daarbij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 1.2.1 Wmo 2015 en artikel 2.4.1 van deze verordening.

  • 2.

    Het doel van hulp in de huishouding is een schoon en leefbaar huis. Een schoon en leefbaar huis houdt in dat de woning opgeruimd en functioneel is. De woning moet schoon zijn volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Hiermee willen we een algemeen aanvaardbaar basisniveau voor een schoon en leefbaar huis bereiken. Zo moet iedereen in de leefeenheid gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapkamer, keuken, douche/toilet en gang.

  • 3.

    De ondersteuning houdt in dat de woonkamer, slaapkamer, keuken, badkamer en de gang(en) tussen die ruimten voor zover nodig regelmatig schoongehouden worden. Daarbij hanteren wij een geobjectiveerd normenkader.

  • 4.

    De ondersteuning kan ook zijn:

    • a.

      het aanbrengen van structuur in de huishouding;

    • b.

      het doen van boodschappen;

    • c.

      het zorgen voor eten en drinken;

    • d.

      het wassen, drogen van kleding, bedden- en linnengoed.

  • 5.

    Als er in uw huishouden minderjarige kinderen zijn, dan kan de ondersteuning ook bestaan uit het overnemen van de gebruikelijke zorg voor deze kinderen. Deze hulp geven wij alleen om de periode tot er andere hulp is te overbruggen.

  • 6.

    Voor de onderbouwing van de ondersteuning maken we gebruik van het Normenkader Huishoudelijke ondersteuning 2019, met aanvullende instructie 2022 van Bureau HHM.

Artikel 5.3.3 Beschermd wonen

Wmo 2015

  • 1.

    Als u door een psychische of psychosociale beperking 24/7 toezicht en ondersteuning nodig hebt om voor uzelf te zorgen, komt u mogelijk in aanmerking voor ondersteuning op maat in de vorm van beschermd wonen. Het gaat hierbij niet om een (acute) crisissituatie.

  • 2.

    Beschermd wonen biedt een beschermde woonomgeving in een woonvorm waar continu begeleiding aanwezig of nabij is. De begeleiding is erop gericht, dat u op termijn weer zelfstandig kunt (gaan) wonen. Onder een beschermde woonomgeving kan ook een woning worden verstaan waarbij begeleiding en toezicht in de directe nabijheid wordt geboden.

  • 3.

    De gemeente Sluis werkt samen met andere gemeenten op het gebied van beschermd wonen. Als u beschermd wonen nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de Integrale verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlissingen 2024.

Artikel 5.3.4. Kortdurend verblijf (respijtzorg)

Wmo 2015

  • 1.

    Als de huisgenoot, partner of ouder die de gebruikelijke zorg van een inwoner op zich neemt overbelast dreigt te raken, dan kan er vanuit de Wmo een voorziening voor kortdurend verblijf worden ingezet.

  • 2.

    De inzet van deze voorziening is erop gericht de huisgenoot, partner of ouder te ontlasten. De gemeente kan hiervoor nadere regels opstellen.

Artikel 5.4 Meedoen aan de samenleving

5.4.1 Verplaatsen in en om de woning

Wmo 2015

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u een maatwerkvoorziening kunt krijgen als u zich vanwege een beperking niet voldoende kunt verplaatsen in en om uw woning. U moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.1 van deze verordening.

  • 2.

    Een maatwerkvoorziening houdt in dat u een hulpmiddel kunt krijgen dat geschikt is voor dagelijks zittend gebruik.

5.4.2 Verplaatsen dichtbij huis

Wmo 2015

  • 1.

    Als u vanwege een beperking in mobiliteit onvoldoende mogelijkheden heeft om in uw omgeving contact met anderen te hebben, kunnen wij een maatwerkvoorziening geven. U moet wel voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 2.4.1 van deze verordening.

  • 2.

    Als het nodig is, helpen wij u bij het vervoer dicht bij de woning. De hulp kan bestaan in het aanbieden van:

    • a.

      de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer indien u geen gebruik kunt maken van het openbaar vervoer.

    • b.

      een scootmobiel, of

    • c.

      het gebruikmaken van een ander vervoermiddel.

  • 3.

    Het moet gaan om:

    • a.

      het verplaatsen rondom de woning;

    • b.

      het verplaatsen over een langere afstand vanaf de woning; of

    • c.

      het vervoer naar de plek waar u deelneemt aan een activiteit van de gemeente om de dag in te vullen.

Artikel 5.5 Mantelzorg

5.5.1Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Wmo 2015

  • 1.

    Wij waarderen de inzet van u als mantelzorger voor inwoners met een beperking. Daarom stellen wij jaarlijks een vorm van mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.

  • 2.

    De mantelzorgwaardering kan verschillen van vorm.

  • 3.

    We kunnen nadere regels vaststellen.

Hoofdstuk 6 Schuldhulp- en dienstverlening

Het is beter om financiële problemen te voorkomen, dan op te lossen. Inwoners kunnen met vragen over geld en met financiële hulpvragen terecht bij onze toegang van het sociaal domein. Wij hebben als taak om u ondersteuning te bieden als u schulden heeft. Wij kunnen u helpen bij het vinden van een oplossing voor uw schulden. Dit kan bijvoorbeeld door advies, schuldbemiddeling, sociale lening (saneringskrediet), schuldregeling en/of budgetbeheer. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten die we toepassen als inwoners om ondersteuning vragen bij schulden.

Artikel 6.1 Samenwerking en toegang

Wgs

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u op een eenvoudige manier om ondersteuning kan vragen bij schulden.

  • 2.

    Wij informeren u over de ondersteuning die we aanbieden en zorgen dat die ondersteuning ook beschikbaar is.

  • 3.

    Wij sluiten bij voorbaat niemand uit van ondersteuning. Een uitzondering op deze regel is als u geen geldige verblijfstitel heeft.

  • 4.

    Wij benaderen u actief, zodra andere organisaties schulden melden bij de gemeente.

  • 5.

    Wij werken samen met andere organisaties om te voorkomen dat u problematische schulden opbouwt.

Artikel 6.2 Schuldhulpverlening

Wgs

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u de ondersteuning voor het oplossen van uw schulden zo snel mogelijk krijgt. Wij verwachten van u dat u meewerkt.

Artikel 6.3 Besluit

Wgs

  • 1.

    Als u ondersteuning kunt krijgen bij het oplossen van uw schulden, informeren wij u over de manier waarop de ondersteuning wordt gegeven.

  • 2.

    Als u geen ondersteuning kan krijgen, sturen wij u een brief. Daarin staat waarom uw ondersteuningsvraag wordt geweigerd.

  • 3.

    We nemen ons besluit binnen een termijn van maximaal acht weken na de dag waarop ons eerste gesprek heeft plaatsgevonden. We streven ernaar om de feitelijke beslistermijn zo kort mogelijk te houden voor u.

Hoofdstuk 7 Inburgering

De gemeente is verantwoordelijk voor begeleiding en ondersteuning van inwoners tijdens hun inburgering. Het doel van inburgering is dat inburgeraars zo snel mogelijk meedoen in de Nederlandse samenleving. Daarvoor gebruiken we inburgeringsvoorzieningen waarin we taal en praktijk zoveel mogelijk combineren.

Artikel 7.1 Inburgeringsvoorzieningen

Wi

Wij verwachten van u dat u meewerkt aan de verschillende onderdelen van het inburgeringstraject en de begeleiding die wij daarin bieden, namelijk:

  • 1.

    De Brede Intake en de leerbaarheidstoets;

  • 2.

    Het opstellen van het Plan inburgering en Participatie (PIP);

  • 3.

    De Module Arbeidsmarkt en Participatie;

  • 4.

    Het Participatieverklaringstraject (PVT);

  • 5.

    Voor inburgeringsplichtige statushouders: het aanbod van één van de drie verplichte leerroutes, namelijk:

    • a.

      de B1-route: gericht op het zo snel mogelijk beheersen van de Nederlandse taal op taalniveau B1 of hoger en het vergroten van het perspectief op de arbeidsmarkt; of

    • b.

      de Onderwijsroute: gericht op het zo snel mogelijk beheersen van de Nederlandse taal op taalniveau B1 of hoger en instroom in het regulier beroepsonderwijs of het wetenschappelijk onderwijs; of

    • c.

      de Zelfredzaamheidsroute: gericht op het beheersen van de Nederlandse taal op een zo hoog mogelijk taalniveau (streefniveau A1), zodat u zelfstandig kan deelnemen aan de samenleving.

  • 6.

    Re-integratievoorzieningen in het kader van een studie, zoals bepaald in deze verordening en de beleidsregels.

Artikel 7.2 Periodieke voortgangsgesprekken

Wi

Wij bieden statushouders ook maatschappelijke begeleiding bij huisvesting en financiële zelfredzaamheid aan. Wij werken samen met professionele partijen voor een goed aanbod. De voorzieningen en voorwaarden staan in de beleidsregels.

Hoofdstuk 8 De vorm van de ondersteuning

Als wij u ondersteunen, kan dat in verschillende vormen. In dit hoofdstuk vindt u de regels daarvoor. Wij kunnen ondersteuning bieden in de vorm van een dienst, zoals hulp in de huishouding of individuele begeleiding. Maar we kunnen u ook ondersteunen met behulp van een hulpmiddel, zoals een rolstoel. Een uitkering of minimaregeling noemen wij ondersteuning in de vorm van geld.

Onder ondersteuning valt ook het persoonsgebonden budget (pgb). Dit is geld waarmee u zelf de ondersteuning inkoopt die u nodig heeft. Ondersteuning in natura is ondersteuning die u van een instelling of professional krijgt die een contract heeft met de gemeente. Je hoeft deze zorg verder niet zelf te regelen. De verstrekker regelt ook de administratie. Wij bieden u de ondersteuning die noodzakelijk is om uw situatie te verbeteren.

Artikel 8.1 Ondersteuning in natura

Jeugdwet, Wmo 2015

  • 1.

    Als u in aanmerking komt voor ondersteuning, krijgt u deze ondersteuning in natura. Wij kunnen de ondersteuning ook op een andere manier geven, als dit in de wet of in deze verordening staat.

  • 2.

    Als u in aanmerking komt voor een hulpmiddel, dan verstrekken we dit in bruikleen of in eigendom.

  • 3.

    Wij zorgen ervoor dat de leverancier van het hulpmiddel u helpt om dit hulpmiddel goed te kunnen gebruiken.

  • 4.

    Wij zorgen ervoor dat de leverancier van het hulpmiddel de wettelijke bepalingen over de garantie nakomt.

  • 5.

    De leverancier vertelt u alles wat belangrijk is om te weten over het hulpmiddel dat u krijgt.

  • 6.

    We kunnen nadere regels vaststellen.

Artikel 8.2 Persoonsgebonden budget (pgb)

8.2.1 Voorwaarden

Jeugdwet, Wmo 2015

  • 1.

    U kunt een persoonsgebonden budget (pgb) krijgen als u kunt motiveren waarom het aanbod van de gemeente niet passend is en/of waarom u een pgb wenst. U moet daarnaast ook voldoen aan de voorwaarden die de Wmo 2015, de Jeugdwet en deze verordening stellen.

  • 2.

    Als u een pgb wilt, kunt u of iemand anders de taken die bij het pgb horen, uitvoeren. Wij kennen een pgb alleen toe als wij vinden dat u of uw budgetbeheerder in staat is uw belangen voldoende te behartigen. De budgetbeheerder moet de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kunnen uitvoeren. De budgetbeheerder is verplicht om mee te werken aan de beoordeling van zijn pgb-vaardigheden als wij daarom vragen.

  • 3.

    Het pgb kan niet worden beheerd door een administratiekantoor.

  • 4.

    Met een pgb kunt u zelf ondersteuning inkopen. Het pgb heeft geen vrij besteedbaar bedrag. U mag het pgb niet gebruiken voor de volgende kosten:

    • a.

      kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • b.

      het voeren van een pgb-administratie;

    • c.

      ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie;

    • d.

      reiskosten van de hulpverlener; en

    • e.

      kosten voor vervoer, als u zelf gebruik kunt maken van de regiotaxi of een andere vervoersregeling;

    • f.

      kosten die worden gemaakt in het buitenland, tenzij wij hier toestemming voor heeft gegeven;

    • g.

      kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

  • 5.

    U maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. In het pgb-plan schrijft u onder andere welke ondersteuning u met het pgb wilt betalen en wie de ondersteuning gaat geven. Wij moeten het plan goedkeuren voordat het pgb wordt toegekend.

  • 6.

    Wij verstrekken geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van degene die de ondersteuning gaat geven. Dit doen wij als deze persoon in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken was bij strafbare feiten of overtredingen beging die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld was tot een gevangenisstraf; of

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.

  • 7.

    Wij stellen een pgb vast waarmee u veilige, doeltreffende en kwalitatief goede ondersteuning kunt inkopen.

  • 8.

    Nadat het pgb is toegekend, moet u of uw beheerder met de hulpverlener een zorgovereenkomst sluiten. Deze zorgovereenkomst moet gebaseerd zijn op ons besluit.

  • 9.

    Wij kunnen, als wij dit nodig vinden, periodiek met u het pgb en het beheer ervan evalueren. Wij kunnen u verzoeken, in de situatie dat u het pgb niet zelf beheert, om de pgb-beheerder niet bij dit gesprek uit te nodigen.

8.2.2 Professionele en niet-professionele hulp

Jeugdwet, Wmo 2015

  • 1.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb maken we onderscheid tussen professionele en niet-professionele hulp.

  • 2.

    We spreken van professionele hulp als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- en aanverwanten in de 1e of 2e graad:

    • a.

      iemand die in dienst is van een instelling of bedrijfsmatig hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister, of

    • b.

      iemand die als zelfstandige beroepsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister.

  • 3.

    U mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:

    • a.

      moet de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven;

    • b.

      heeft een originele verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag;

    • c.

      moet als hij jeugdhulp biedt, aantonen dat hij de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling gebruikt en dat hij SKJ of BIG geregistreerd is;

    • d.

      Een ggz-behandeling kan alleen door een professional worden verleend die niet tot het sociale netwerk behoort.

  • 4.

    Van niet-professionele hulp is sprake als:

    • a.

      de hulp geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria genoemd in lid 2;

    • b.

      de hulp geboden wordt door personen die voldoen aan de criteria genoemd in lid 2, maar bloed- of aanverwanten zijn in de 1e of 2e graad.

  • 5.

    U mag het pgb besteden aan hulp die wordt gegeven door een niet-professionele hulpverlener, als deze persoon voldoet aan de volgende voorwaarden. Deze persoon:

    • a.

      heeft gemotiveerd aangegeven dat de ondersteuning niet tot overbelasting leidt;

    • b.

      is in staat om de ondersteuning te bieden die voldoet aan de kwaliteitseisen die gelden voor die ondersteuning op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet;

    • c.

      heeft een originele verklaring omtrent het gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag.

8.2.3 Hoogte en tarief pgb

Jeugdwet, Wmo 2015

  • 1.

    Het pgb voor een hulpmiddel is niet hoger dan de volledige kostprijs van het hulpmiddel en is niet hoger dan de goedkoopst passende voorziening. Als het bedrag dat u de hulpverlener uit het pgb gaat betalen hoger is dan de goedkoopst passende voorziening, betaalt u de meerkosten zelf.

  • 2.

    Bij het bepalen van de hoogte van het pgb voor het inkopen van ondersteuning hanteren wij de volgende regels:

    • a.

      Als een professionele hulpverlener de hulp gaat bieden is het pgb 75 procent van de kostprijs voor hulp in natura, behalve als passende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht;

    • b.

      Als dit onvoldoende is om passende ondersteuning in te kopen wordt het tarief aangepast, zodat er bij ten minste één zorgaanbieder kan worden ingekocht;

    • c.

      Als een niet-professionele hulpverlener de hulp gaat bieden, is het pgb:

      • i.

        voor huishoudelijke hulp: het wettelijk minimumuurloon;

      • ii.

        voor begeleiding: het wettelijk minimumuurloon.

  • 3.

    Gaat het om een hulpmiddel, dan houden we bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving. Maar we houden ook rekening met de onderhouds- en verzekeringskosten.

  • 4.

    Als u een pgb krijgt voor beschermd wonen, dan gelden de regels die zijn vastgelegd in de ‘Integrale verordening Jeugdhulp en Maatschappelijke ondersteuning gemeente Vlissingen 2024’. De gemeenteraad van Vlissingen heeft deze verordening vastgesteld op 14 december 2023.

  • 5.

    Voor een pgb voor woningaanpassingen stellen wij een document op waarin de eisen staan waaraan een woningaanpassing moet voldoen. Dit heet het programma van eisen. Aan de hand van dit document vraagt u twee offertes op. Wij bepalen aan de hand van deze offertes de hoogte van het pgb.

  • 6.

    Wij stellen het pgb voor hulpmiddelen als volgt vast: de hoogte van het pgb is gelijk aan de huurprijs die wij betalen voor een vergelijkbaar middel bij zorg in natura. De hoogte van het pgb is maximaal de huurprijs van zeven jaar. Tenzij de situatie verandert waardoor het hulpmiddel niet meer passend is. In deze prijs zitten ook de kosten voor onderhoud, verzekering en reparatie van het hulpmiddel.

8.2.4 Verantwoording pgb

Jeugdwet, Wmo 2015

  • 1.

    Wij kunnen u op elk moment vragen om duidelijk te maken hoe u het pgb heeft besteed. Wij kunnen u ook vragen welke resultaten de ondersteuning voor u heeft gehad. De budgetbeheerder zal daarom een duidelijke en volledige administratie moeten bijhouden.

  • 2.

    U mag uit het pgb alleen ondersteuning betalen die de hulpverlener ook daadwerkelijk heeft geleverd.

Artikel 8.3 Ondersteuning in geld

Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    In de wetten en in deze verordening staat wanneer u ondersteuning kunt krijgen in de vorm van geld.

  • 2.

    Ondersteuning in de vorm van geld hoeft u meestal niet terug te betalen. U moet het geld wel terugbetalen:

    • a.

      als dat in de wet staat;

    • b.

      als het in deze verordening staat.

  • 3.

    Nadat wij een besluit hebben genomen over de betaling, ontvangt u het geld zo spoedig mogelijk.

  • 4.

    Wij betalen het geld via uw rekeningnummer. Maar het kan ook op het rekeningnummer van uw gemachtigde, bijvoorbeeld uw bewindvoerder. Als dit niet lukt dan kunnen wij het geld op een andere manier betalen. Voor uitkeringen zijn we verplicht om deze op een bankrekening over te maken, met uitzondering van incidentele betalingen in de vorm van een voorschot per kas.

  • 5.

    Wij kunnen besluiten om het geld niet te betalen, maar te verrekenen met een bedrag dat u nog moet terugbetalen aan de gemeente. Dat is een verrekening van een vordering. Wij kunnen dit alleen doen als dit volgens de wettelijke regels kan. En het moet gaan om een vordering op grond van één van de wetten waarover deze verordening gaat.

Artikel 8.4 Wat is de eigen bijdrage?

Wmo 2015

  • 1.

    U betaalt een eigen bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    We passen daarbij de wettelijke regels van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 toe.

  • 3.

    Een bijdrage in de kosten is nooit hoger dan:

    • a.

      Het bedrag dat betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of

    • b.

      De kostprijs van de voorziening als deze lager is dan het bedrag dat u volgens het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zou moeten betalen.

  • 4.

    De duur van de eigen bijdrage hangt af van de soort voorziening.

    • a.

      Voor hulpverlening vragen wij een eigen bijdrage voor zolang de indicatie duurt.

    • b.

      Voor voorzieningen die in bruikleen worden verstrekt, vragen wij een eigen bijdrage zolang de voorziening aan u is verstrekt.

    • c.

      Voor een drempelhulp vragen wij een eigen bijdrage totdat de kostprijs is voldaan.

    • d.

      Voor een roerende voorziening die wij in eigendom verstrekken, vragen wij een eigen bijdrage totdat de kostprijs is voldaan.

    • e.

      Voor een bouwkundige of woontechnische aanpassing vragen wij een eigen bijdrage totdat u de kostprijs heeft voldaan.

  • 5.

    Er is slechts één eigen bijdrage per huishouden verschuldigd.

  • 6.

    Als u gebruik maakt van intramuraal beschermd wonen (hulp in natura) betaalt u een inkomensafhankelijke bijdrage.

  • 7.

    Er geldt geen eigen bijdrage:

    • a.

      als u of uw partner/echtgenoot al een bijdrage in de kosten van beschermd wonen moet betalen;

    • b.

      voor niet AOW-gerechtigde meerpersoonshuishoudens;

    • c.

      voor een minderjarige, met uitzondering van woningaanpassingen;

    • d.

      voor een rolstoel;

    • e.

      voor een algemene voorziening;

  • 8.

    Voor het collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV) geldt een eigen bijdrage per kilometer en een starttarief.

Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en gemeente

Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop we, de gemeente en u als inwoner, met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als u als inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt u daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.

Artikel 9.1 Hoe gaan we met elkaar om?

9.1.1 De rol van de gemeente

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb

  • 1.

    De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:

    • a.

      Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk.

    • b.

      De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek bij de gemeente of bij de inwoner thuis.

    • c.

      De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie.

    • d.

      De website van de gemeente voldoet aan erkende kwaliteitseisen.

    • e.

      Er zijn eenvoudige aanvraagformulieren beschikbaar voor de inwoner die een uitkering of voorziening nodig heeft en die wil aanvragen. Het is voor de inwoner duidelijk waar die aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn.

    • f.

      De gemeente informeert de inwoner op een passende manier over procedures die worden gevolgd en zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn.

    • g.

      De gemeente respecteert de privacy van de inwoner.

    • h.

      De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn en vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag.

  • 2.

    De gemeente reageert op een professionele manier op het gedrag van de inwoner dat niet door de beugel kan. De gemeente zorgt voor het volgende:

    • a.

      De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:

      • zijn rechten en plichten;

      • wat er van hem wordt verwacht;

      • welk gedrag niet deugt;

      • wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en

      • waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt.

    • b.

      De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren.

    • c.

      De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:

      • de ernst van het gedrag;

      • de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en

      • de persoonlijke situatie van de inwoner.

    • d.

      De gemeente stuurt de inwoner een beschikking met daarin een besluit dat duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).

9.1.2 De rol van de inwoner

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb

  • 1.

    U bent in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van uw probleem. Wij vullen de mogelijkheden van u en uw sociale netwerk aan als dat nodig is. U zorgt voor het volgende:

    • a.

      U zet eerst de eigen mogelijkheden in voordat u hulp vraagt aan de gemeente.

    • b.

      Als wij hulp verlenen, werkt u mee aan de oplossing van uw probleem.

    • c.

      U zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is.

  • 2.

    U werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier we uw probleem zo snel mogelijk kunnen oplossen. Dat betekent het volgende:

    • a.

      U informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk. Het gaat dan over alles wat belangrijk is voor het beoordelen van uw hulpvraag, uw persoonlijke situatie en uw rechten en plichten.

    • b.

      We ontvangen alle documenten en bewijsstukken die we nodig hebben zo snel mogelijk van u.

    • c.

      U brengt ons zo snel mogelijk op de hoogte van uw beperkingen, als die van belang zijn in het contact met ons.

    • d.

      Als u onvoldoende meewerkt, kunnen we niet vaststellen welke ondersteuning nodig is. We kunnen een lagere omvang vaststellen of geen voorziening verstrekken. Een eerder toegekende voorziening kunnen we intrekken.

Artikel 9.2 Afspraken en verplichtingen

9.2.1 Afstemming op houding en gedrag van de inwoner

PW, IOAW, IOAZ, Awb

  • 1.

    Wij kunnen uw uitkering verlagen, als u zich niet aan afspraken en verplichtingen houdt.

  • 2.

    Wij kunnen de bijzondere bijstand verlagen als:

    • a.

      wij u bijzondere bijstand hebben verleend met toepassing van artikel 12 PW; of

    • b.

      u verwijtbare gedragingen vertoont die daartoe aanleiding geven in relatie met uw recht op bijzondere bijstand.

  • 3.

    Als wij uw uitkering verlagen, laten wij u weten:

    • a.

      waarom wij uw uitkering verlagen;

    • b.

      hoe lang wij uw uitkering verlagen;

    • c.

      met hoeveel procent wij uw uitkering verlagen of om welk bedrag het gaat; en

    • d.

      als dat van toepassing is, waarom wij hiervan afwijken.

  • 4.

    Als wij een beslissing nemen om uw uitkering te verlagen, houden wij rekening met:

    • a.

      hoe ernstig uw gedrag is;

    • b.

      of u er iets aan kunt doen (valt u iets te verwijten?);

    • c.

      uw persoonlijke situatie.

  • 5.

    Voordat wij uw uitkering verlagen, geven wij u de mogelijkheid om uw reactie te geven.

  • 6.

    Wij kunnen besluiten om u niet de gelegenheid te geven een reactie te geven zoals bedoeld in lid 5. Dit doen wij als:

    • a.

      er sprake is van spoed en er dus geen tijd voor is;

    • b.

      u al eerder uw reactie heeft kunnen geven en de feiten en omstandigheden sindsdien niet zijn veranderd;

    • c.

      wij uw reactie niet nodig hebben om te oordelen over uw gedrag of dat u iets te verwijten valt; of

    • d.

      u zelf aangeeft dat u geen reactie wilt geven.

9.2.2 Afzien van verlaging: Geen schuld en verjaring

PW, IOAW, IOAZ, Awb

We passen geen verlaging toe als u er niets aan kunt doen, als er sprake is van een dringende reden met onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen, of als uw gedrag meer dan drie jaar geleden heeft plaatsgevonden.

9.2.3 Ingangsdatum en periode van verlaging

PW, IOAW, IOAZ, Awb

  • 1.

    Wij verlagen uw uitkering of bijzondere bijstand over de kalendermaand nadat dit gedrag heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Als verlaging over de maand als bedoeld in lid 1 niet mogelijk is, verlagen wij uw uitkering of bijzondere bijstand over de kalendermaand na de maand waarop het besluit tot oplegging van de verlaging bekend is gemaakt. Wij houden hierbij rekening met de op dat tijdstip geldende uitkeringsnorm.

  • 3.

    Wij kunnen uw uitkering ook met terugwerkende kracht verlagen over de periode waarop uw gedrag betrekking heeft gehad of heeft plaatsgevonden. Dit kan op het moment dat we lid 1 van dit artikel niet kunnen toepassen, omdat we de uitkering hebben beëindigd of ingetrokken en zo lang wij de uitkering nog niet hebben uitbetaald.

  • 4.

    Wij kunnen uw uitkering verlagen met ingang van de ingangsdatum van uw uitkering. Dit kan op het moment dat uw gedrag heeft plaatsgevonden in de periode tussen de uitkeringsaanvraag en het besluit op die aanvraag.

9.2.4 Berekening verlaging

PW, IOAW, IOAZ, Awb

  • 1.

    De verlaging van uw uitkering of bijstand is een percentage van de voor u geldende uitkeringsnorm.

  • 2.

    Als u periodieke bijzondere bijstand ontvangt, kunnen wij deze bijstand met een percentage verlagen.

9.2.5 Niet nakomen arbeidsverplichtingen

PW

  • 1.

    Wij verlagen uw uitkering voor een maand met 10 procent van de bijstandsnorm, als:

    • a.

      U zich niet tijdig laat registreren als werkzoekende bij het UWV; of

    • b.

      U niet tijdig uw registratie heeft verlengd.

  • 2.

    Wij verlagen uw uitkering voor een maand met 20 procent van de bijstandsnorm, als:

    • a.

      U niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak;

    • b.

      U een alleenstaande ouder bent en uit uw houding en gedrag laat blijken dat u geen gebruik wilt maken van een voorziening die de kans op werk vergroot, waardoor uw ontheffing van de arbeidsplicht, artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, is ingetrokken;

    • c.

      U niet voldoende meewerkt aan de opgelegde maatschappelijke participatie;

    • d.

      U niet voldoende meewerkt aan de taaltoets als bedoeld in artikel 18b, tweede lid Participatiewet;

    • e.

      U niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van het persoonlijk Plan Inburgering en Participatie (PIP).

  • 3.

    Wij verlagen uw uitkering voor een maand met 100 procent van de uitkeringsnorm als u zich niet naar vermogen inzet om werk (algemeen geaccepteerde arbeid) te krijgen;

  • 4.

    In geval van bijzondere omstandigheden wordt de verlaging van de PW-uitkering, als bedoeld in lid 2 en 3 gelijk verdeeld over twee maanden. De twee maanden zijn de maanden waarover de verlaging oorspronkelijk is opgelegd.

9.2.6 Niet nakomen arbeidsverplichtingen

IOAW/IOAZ, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij verlagen uw IOAW- of IOAZ-uitkering voor een maand met 20 procent van de uitkeringsnorm, als:

    • 1.

      u niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om aan het werk te komen;

    • 2.

      u niet of niet voldoende gebruik maakt van arbeidsinschakeling (artikel 36 IOAW of IOAZ) en overige verplichtingen (artikel 37 IOAW of IOAZ), voor zover dit niet heeft geleid tot het niet starten of (voortijdig) stoppen van die voorziening;

    • 3.

      u een alleenstaande ouder bent en uit uw houding en gedrag laat blijken dat u geen gebruik wilt maken van een voorziening die de kans op werk vergroot, waardoor uw ontheffing van de arbeidsplicht (artikel 37 IOAW of IOAZ) is ingetrokken;

    • 4.

      u onvoldoende meewerkt aan een opgelegd maatschappelijke participatie.

  • 2.

    Wij verlagen uw IOAW- of IOAZ-uitkering voor een maand met 100 procent van de uitkeringsnorm als:

    • a.

      U zich niet naar vermogen inzet om werk (algemeen geaccepteerde arbeid) te krijgen;

    • b.

      U niet of onvoldoende gebruik maakt van hulp door de gemeente, waardoor u sneller werk vindt (volgens artikel 36 en 37 IOAW/IOAZ). Tenzij dit heeft geleid tot het niet starten of (voortijdig) stoppen van de voorziening.

  • 3.

    Wij verlagen uw IOAW- of IOAZ-uitkering niet, als wij deze uitkering blijvend of tijdelijk kunnen weigeren (zoals bedoeld in artikel 20 IOAW en IOAZ).

9.2.7 Blijvend en tijdelijk weigeren IOAW- of IOAZ-uitkering

IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen uw uitkering:

    • a.

      Tijdelijk gedurende één maand weigeren als aan de beëindiging van uw dienstverband van een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en u ter zake een verwijt kan worden gemaakt; of

    • b.

      Tijdelijk gedurende één maand weigeren als uw dienstbetrekking is beëindigd door of op uw verzoek zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van u zou kunnen worden gevergd; of

    • c.

      Tijdelijk gedurende één maand weigeren als u nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; of

    • d.

      Tijdelijk gedurende één maand weigeren als u door eigen toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid verkrijgt.

  • 2.

    De verlaging is gelijk aan de mate waarin u inkomen als bedoeld in of op grond van artikel 8 IOAW/IOAZ had kunnen verwerven, doch niet hoger dan de verstrekte uitkering per maand.

  • 3.

    Wij kunnen afzien van de tijdelijke of blijvende weigering als we daarvoor dringende redenen aanwezig achten.

9.2.8 Arbeidsverplichtingen die in de wet staan

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Als u een verplichting als bedoeld in artikel 18 lid 4 van de Participatiewet of artikel 37 lid 1 en 2 IOAW of artikel 37 lid 1 en 2 IOAZ niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100 procent van de uitkeringsnorm voor de uur van een maand.

  • 2.

    Als er bijzondere omstandigheden zijn, passen we de verlaging van het eerste lid toe over twee maanden in twee gelijke delen. De twee maanden zijn de maand waarover de verlaging oorspronkelijk is opgelegd en de maand daarna.

9.2.9 Te weinig besef van verantwoordelijkheid

PW

  • 1.

    Wij verlagen uw uitkering op het moment dat u te weinig inzet of verantwoordelijkheid toont voor uw eigen levensonderhoud (artikel 18 lid 2 PW). De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente daardoor onterecht heeft uitbetaald. Dit noemen wij een benadelingsbedrag.

  • 2.

    De verlaging van de uitkering is:

    • a.

      10% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag tot € 1.000;

    • b.

      20% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000,- tot € 2.000,-;

    • c.

      50% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-;

    • d.

      100% van de bijstandsnorm voor de duur van één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000,- tot € 8.000,-;

    • e.

      100% van de bijstandsnorm voor de duur van twee maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 8000,- tot € 12.000,-;

    • f.

      100% van de bijstandsnorm voor de duur van drie maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 12.000,- tot € 16.000,-;

    • g.

      100% van de bijstandsnorm voor de duur van vier maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 16.000,- tot € 20.000,-;

    • h.

      100% van de bijstandsnorm voor de duur van vijf maanden bij een benadelingsbedrag vanaf € 20.000,-. Iedere overschrijding van dit bedrag met € 4.000,- leidt tot een verlenging van de duur met één maand.

  • 3.

    De uitkering wordt verlaagd met 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand als de uitkeringsaanvraag komt door het door eigen toedoen niet behouden van betaalde arbeid.

  • 4.

    Als het exacte benadelingsbedrag niet of niet schattenderwijs kan worden vastgesteld, dan bedraagt de verlaging 20 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

9.2.10 Onacceptabel gedrag

PW, IOAW, IOAZ

De uitkering wordt verlaagd tot 100% van de uitkeringsnorm voor de duur van één maand als een belanghebbende zich op een onacceptabele manier gedraagt tegenover medewerkers van de gemeente en/of instanties die de Pw, IOAW of IOAZ uitvoeren tijdens het verrichten van hun werkzaamheden. Denk aan: fysiek geweld tegen medewerkers of spullen en/of mondelinge of schriftelijke bedreiging.

9.2.11 Niet nakomen van andere verplichtingen

PW, IOAW, IOAZ

Wij verlagen uw uitkering als u andere verplichtingen, bedoeld in artikelen 9, 9a, 17 lid 2, 55 en 56a van de Participatiewet en artikelen 13 en 37 van de IOAW/IOAZ niet of onvoldoende nakomt.

  • 1.

    Voor de Participatiewet

    • a.

      Eerste categorie:

  • i.

    Het niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • ii.

    Het niet nakomen van de in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet neerlegde ontzorgplicht. Dit is de verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door het college in naam van de belanghebbende verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering.

    • a.

      Tweede categorie:

  • i.

    Het niet of onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak, zoals bedoeld in artikel 44a van de Participatiewet;

  • ii.

    Het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid of artikel 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet;

  • iii.

    Het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 17, tweede lid van de Participatiewet;

  • iv.

    Het niet of onvoldoende nakomen van de identificatieplicht als bedoeld in artikel 17, vierde lid van de Participatiewet.

    • a.

      Derde categorie:

  • i.

    Het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen in de gemeente van inwoning voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid van de Participatiewet.

  • 2.

    Wij verlagen uw PW-uitkering voor een maand met:

    • a.

      50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

  • 3.

    Voor de IOAW/IOAZ:

    • a.

      Het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie;

    • b.

      Het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel f van de IOAW/IOAZ;

    • c.

      Het niet of onvoldoende nalaten van dat wat inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de IOAW/IOAZ;

    • d.

      Het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de IOAW/IOAZ;

    • e.

      Het niet of onvoldoende nakomen van de identificatieplicht als bedoeld in artikel 13, vierde lid van de IOAW/IOAZ.

  • 4.

    De verlaging bij de gedragingen als opgesomd bij lid 3, wordt vastgesteld op: 50 procent van de bijstandsnorm gedurende één maand.

9.2.12 Samenloop van gedragingen

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij leggen u één verlaging op, op het moment dat één gedraging schending van meerdere verplichtingen van dit hoofdstuk of artikel 18, vierde lid van de Participatiewet oplevert. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld.

  • 2.

    Wij leggen u meerdere verlagingen op, op het moment dat meerdere gedragingen leiden tot het niet nakomen van één of meerdere verplichtingen. We leggen voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging op. De verlagingen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en uw omstandigheden niet verantwoord is.

  • 3.

    Wij leggen geen verlaging op, als er sprake is van één gedraging waarbij u niet voldoet aan:

    • a.

      de artikelen in dit hoofdstuk;

    • b.

      artikel 18, vierde lid van de Participatiewet in combinatie met artikel 17, lid 1 Participatiewet.

  • 4.

    In de gevallen onder lid a en b leggen we een bestuurlijke boete op.

  • 5.

    Wij leggen u meerdere verlagingen op, als er sprake is van meerdere gedragingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd en waarbij u niet voldoet aan:

    • a.

      de artikelen in dit hoofdstuk;

    • b.

      artikel 18, lid 4 Participatiewet in combinatie met artikel 17, lid 1 Participatiewet.

  • 6.

    Wij doen dit niet als dit niet verantwoord is. Wij houden hierbij rekening met de ernst van uw gedrag, de mate van verwijtbaarheid en uw persoonlijke omstandigheden.

  • 7.

    Als we voor eenzelfde gedraging de bijstand op grond van artikel 18 of 18b PW kunnen verlagen en een boete kunnen opleggen op grond van de Wet inburgering 2021, dan verlagen we de bijstand leggen we geen boete op.

9.2.13 Herhaling (recidive)

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij verdubbelen de hoogte van de verlaging als u zich opnieuw schuldig maakt aan gedrag zoals bedoeld in de artikelen 8.3.5 tot en met 8.2.9 van deze verordening. We doen dit alleen als u dit gedrag vertoont binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee we een verlaging hebben toegepast.

  • 2.

    Wij verdubbelen de duur van de verlaging als u zich binnen twaalf maanden na de datum van het besluit opnieuw schuldig maakt aan hetzelfde gedrag. Het gaat dan om een besluit waarin we een verlaging van 100 procent op de uitkeringsnorm hebben toegepast.

  • 3.

    Wij verlagen uw uitkering twee maanden met 100 procent als u zich opnieuw schuldig maakt aan gedrag zoals bedoeld in artikel 18, lid 4 van de Participatiewet. We doen dit alleen als u dit gedrag vertoont binnen twaalf maanden na de datum van het besluit waarmee we een verlaging hebben toegepast.

  • 4.

    Wij verlagen uw uitkering twee maanden met 100 procent als u binnen twaalf maanden na de datum van het besluit tot verlaging:

    • a.

      Opnieuw schuldig maakt aan een gedraging;

    • b.

      Lid 1, 2 of 3 van dit artikel van toepassing is.

Artikel 9.3 Terugvorderen uitkering en incasso

PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    We vorderen gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven (artikel 58 lid 2 Pw, 59 Pw en artikel 25 lid 2 tot en met 28 IOAW/IOAZ). We doen dat volgens de regels van de wet en de nadere regels en de beleidsregels van het college.

  • 2.

    We vorderen niet terug als:

    • a.

      terugvordering onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen voor u of uw gezin heeft.

    • b.

      er sprake is van artikel 58 lid 2 onderdeel e PW (anderszins onverschuldigd betaald) als de kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar geleden gerekend vanaf de datum dat het besluit tot terugvordering verstuurd zou worden.

  • 3.

    Bij de incasso (invordering) zorgen we ervoor dat u een inkomen blijft houden dat past bij uw persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet.

Artikel 9.4 Herzien, intrekken, beëindigen en wijzigen, terugvorderen van een voorziening

9.4.1 Herzien en intrekken voorziening

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    We kunnen het recht op een voorziening herzien of intrekken als:

    • a.

      de voorziening of het pgb niet langer passend of nodig is;

    • b.

      u zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die we aan de voorziening hebben verbonden;

    • c.

      we de voorziening of het pgb hebben verstrekt op grond van verkeerde of onvolledige gegevens door u;

    • d.

      als u onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening of het pgb. En we hierdoor niet langer kunnen vaststellen of we een voorziening kunnen voortzetten;

    • e.

      u de voorziening voor een ander doel gebruikt dan bedoeld;

    • f.

      u binnen drie maanden geen gebruik maakt van de voorziening of van het pgb, behalve als u daar niets aan kunt doen;

    • g.

      u overlijdt.

  • 2.

    We kunnen de voorziening met terugwerkende kracht herzien of intrekken.

  • 3.

    We kunnen de voorziening of het pgb opschorten als u langer dan acht weken verblijft in een instelling die valt onder de Wet langdurige zorg of Zorgverzekeringswet.

9.4.2 Terugvordering voorziening

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, Burgerlijk Wetboek

Wij kunnen, los van de situaties die in artikel 58 van de Participatiewet staan, een voorziening of de waarde daarvan van u terugvorderen. Dit doen wij als er sprake is van één van de redenen die we in artikel 9.4.1 hebben opgesomd. Wij kunnen voorzieningen alleen bij opzet van u, of van een derde terugvorderen als we die voorzieningen hebben ingetrokken omdat u of die derde opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens aan ons hebben verstrekt.

Artikel 9.5 Verrekening Wet inburgering

PW, IOAW/IOAZ

  • 1.

    Wij kunnen de bestuurlijk boete die op grond van de Wet Inburgering 2021 aan u wordt opgelegd verrekenen met algemene bijstand.

  • 2.

    Onder verrekenen wordt in dit artikel verstaan verrekenen zoals geregeld in artikel 4.93 van de Awb.

Artikel 9.6 Hoe controleert de gemeente?

9.6.1 Controle

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    We controleren regelmatig of u recht heeft op een uitkering of maatwerkvoorziening/individuele voorziening/pgb. En of u de juiste uitkering of maatwerkvoorziening/individuele voorziening/pgb heeft aangevraagd of ontvangt. We controleren dit onder andere door:

    • a.

      huisbezoeken te doen;

    • b.

      aanbieders van hulp te bezoeken;

    • c.

      gegevens te vergelijken met andere instanties; en

    • d.

      signalen en tips uit te zoeken.

  • 2.

    Wij doen de controles ook om de kwaliteit van de voorzieningen te beoordelen en om te kijken of u de voorziening op de juiste manier gebruikt.

  • 3.

    Bij de controle van uitkeringen en voorzieningen zorgen we ervoor dat we de regels die horen bij de opsporing van strafbare feiten naleven.

  • 4.

    Als u de uitkering of voorziening wilt stoppen, onderzoeken wij wat de reden daarvan is. Daarnaast controleren wij of we de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht hebben verstrekt.

9.6.2 Schending inlichtingenplicht

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij voeren een actief preventiebeleid om te voorkomen dat u niet voldoet aan de inlichtingenplicht. Wij informeren u vroegtijdig over rechten en plichten die verbonden zijn aan het krijgen van een uitkering of voorziening. Ook geven wij u informatie over de gevolgen van misbruik en/of oneigenlijk gebruik.

  • 2.

    Als u een melding of aanvraag heeft gedaan, mogen wij gebruik maken van alle benodigde gegevens die wij tot onze beschikking hebben. Hieronder vallen ook bestandsvergelijkingen met actuele gegevens en van de daaruit voorkomende signalen.

  • 3.

    Wij onderzoeken of u recht op een uitkering of voorziening heeft. Hierbij maken wij gebruik van de onderzoeksmethoden zoals genoemd in artikel 7.5.1.

  • 4.

    Als wij vaststellen dat er sprake is van een schending van de inlichtingenplicht en/of misbruik en/of oneigenlijk gebruik, kunnen wij uw uitkering of (de waarde) van de voorziening terugvorderen. Wij kunnen u ook een bestuurlijke boete opleggen. Deze bestuurlijke boete geldt alleen voor de Participatiewet, IOAW en IOAZ.

  • 5.

    Als de ‘Aanwijzing Sociale Zekerheidsfraude’ dit voorschrijft, doen wij aangifte bij het Openbaar Ministerie. Dit is in plaats van de bestuurlijke boete en geldt alleen voor de Participatiewet, IOAW en IOAZ.

9.6.3 Privacy

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ

  • 1.

    Wij verwerken uw gegevens volgens de regels van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

  • 2.

    Bij het uitvoeren van onderzoek zorgen wij ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten niet verder gaan dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is.

9.6.4 Toezichthouders

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Awb

Wij kunnen één of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Wij zorgen voor een meldpunt waar signalen over oneigenlijk gebruik en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de wet.

Artikel 9.7 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Wmo 2015

  • 1.

    We treffen een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder. Ook kunnen we een toezichthoudend ambtenaar aanwijzen.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in hoofdstuk 6 van de Wmo 2015, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten. De toezichthouder adviseert ons ook over het voorkómen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Wij kunnen nadere regels stellen over welke eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 10 Inspraak en cliëntenparticipatie

Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk hebben we vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen.

Artikel 10.1 Hulp van de gemeente bij inspraak

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet

  • 1.

    Het moment waarop u inspraak kunt geven, geeft u de mogelijkheid om invloed te hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of de uitvoering daarvan.

  • 2.

    U krijgt hierbij deskundige hulp, zodat de inspraak volwaardig is.

  • 3.

    U kunt deelnemen aan overleg met de gemeente over de kernwaarden, beleid, regels en de uitvoering daarvan. Hoe het overleg vorm krijgt staat de gemeente vrij.

  • 4.

    U krijgt op tijd en voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven.

  • 5.

    Wij kunnen nadere regels vaststellen.

Artikel 10.2 Adviesraad

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

Wij zorgen ervoor dat er een adviesraad is die betrokken wordt bij de uitvoering van:

  • de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);

  • de Jeugdwet;

  • de Participatiewet;

  • de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IOAW);

  • de Inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

  • de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs).

De adviesraad vertegenwoordigt inwoners die door ons worden ondersteund. Het doel van de adviesraad is om ons te adviseren bij het maken van beleid voor de uitvoering van deze wetten.

Artikel 10.3 Klachtregeling

Awb, Gemeentewet

De door de gemeente gecontracteerde aanbieder moet een regeling hebben voor de afhandeling van klachten van cliënten.

Artikel 10.4 Medezeggenschap

Jeugdwet, Wmo 2015

  • 1.

    De door de gemeente gecontracteerde aanbieder moet een regeling hebben voor de medezeggenschap van cliënten. Deze regeling gaat over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn.

  • 2.

    Wij zien toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieder en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Hoofdstuk 11 Kritiek op de uitvoering

De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken.

Artikel 11.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure

Awb, Gemeentewet

  • 1.

    Wij zien een klacht of bezwaar als:

    • a.

      een kans om de hulpvraag van de inwoner nog eens te onderzoeken;

    • b.

      een manier voor de inwoner om zijn mening te geven;

    • c.

      een mogelijkheid om de dienstverlening te verbeteren;

    • d.

      een manier om een vertrouwen te herstellen; en

    • e.

      een middel om fouten bij de uitvoering van wettelijke taken te herstellen.

  • 2.

    Als u een klacht of bezwaar indient, krijgt u de kans om dit mondeling toe te lichten. Dit gebeurt alleen niet als het duidelijk is dat een mondelinge toelichting geen zin heeft.

  • 3.

    U kunt kritiek op onze uitvoering van wettelijke taken geven via een eenvoudige en effectieve klachten- en bezwaarprocedure. Wij volgen daarbij de wettelijke regels.

  • 4.

    Wij zorgen ervoor dat klachten en bezwaren zo snel mogelijk, en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen, worden afgehandeld.

  • 5.

    Wij vinden het belangrijk dat u zich gehoord voelt als u een klacht of bezwaar indient.

Artikel 11.2 Klachten over de gemeente

Awb, Gemeentewet

  • 1.

    U kunt bij ons een klacht indienen over:

    • a.

      het gedrag van medewerkers en hoe u bent behandeld;

    • b.

      de manier waarop wij meldingen en aanvragen hebben afgehandeld;

    • c.

      de manier waarop wij voorzieningen hebben uitgevoerd.

  • 2.

    U moet een klacht zo snel mogelijk bij ons indienen. Wij bepalen hoe u een klacht kunt indienen en hoe de klachtenprocedure verloopt.

Artikel 11.3 Klachten over andere personen of organisaties

Awb, Gemeentewet

  • 1.

    Heeft u een klacht over het gedrag van een hulpverlener die wij hebben ingehuurd? Dan moet u die klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Zij moeten een klachtenregeling hebben en deze met ons delen.

  • 2.

    Wij controleren of de ingehuurde hulpverleners zich aan hun klachtenregeling houden.

  • 3.

    Bent u niet tevreden over de manier waarop uw klacht door de ingehuurde hulpverlener is afgehandeld? Dan kunt u alsnog een klacht bij ons indienen.

  • 4.

    Bent u slachtoffer van geweld of ander strafbaar gedrag door personen of organisaties die wij hebben ingehuurd? Dan kunt u dit bij ons melden. Wij bepalen hoe wij deze melding behandelen.

Artikel 11.4 Vertrouwenspersoon

Jeugdwet, Gemeentewet

  • 1.

    Wij zorgen ervoor dat u, als u bij ons een hulpvraag heeft gesteld, een onafhankelijke vertrouwenspersoon kunt spreken. Bij deze persoon kunt u terecht met knelpunten die u ervaart in het contact met ons binnen het sociaal domein.

  • 2.

    Voor de Jeugdwet geldt dat de vertrouwenspersoon u (als jeugdige, ouder of pleegouder) op verzoek kan ondersteunen bij problemen, klachten en vragen over de hulpverlening. Dit kan gaan om hulp van ons, van een jeugdhulpaanbieder, van een gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming of jeugdreclassering, of van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis). U kunt hiervoor terecht bij Zorgbelang of Jeugdstem.

Artikel 11.5 Bezwaar

Awb, Gemeentewet

  • 1.

    Als wij een besluit nemen, informeren wij u over de manier waarop u bezwaar kunt maken tegen dat besluit.

  • 2.

    Bent u het niet eens met een besluit dat is genomen op grond van de genoemde wetten of deze verordening? Dan kunt u binnen zes weken bezwaar maken volgens de regels in de Verordening behandeling bezwaarschriften gemeente Sluis.

  • 3.

    Nadat wij uw bezwaarschrift hebben ontvangen, neemt een medewerker contact met u op om het bezwaar te bespreken. De medewerker legt ons besluit uit en vraagt naar uw argumenten, feiten en omstandigheden die belangrijk zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is bedoeld om onze besluitvorming te verbeteren.

Hoofdstuk 12 Kwaliteit

De diensten en producten die wij leveren, moeten van goede kwaliteit zijn. Onze diensten moeten aansluiten bij uw behoefte. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.

Artikel 12.1 Kwaliteit

Jeugdwet, Wmo 2015, Gemeentewet

  • 1.

    Alle diensten en producten die we binnen deze verordening aanbieden moeten van goede kwaliteit zijn.

  • 2.

    Aanbieders zorgen ervoor dat de voorzieningen die zij aanbieden aan de gemeente en aan u van goede kwaliteit zijn. De diensten en producten die zij aanbieden:

    • a.

      passen bij de behoefte van de inwoner;

    • b.

      zijn veilig, geschikt en bruikbaar voor de inwoner;

    • c.

      voldoen aan de normen en eisen die de beroepsgroep of het vakgebied algemeen aanvaart;

    • d.

      respecteren uw rechten;

    • e.

      hebben we afgestemd op andere diensten of producten die we aan u hebben geleverd;

    • f.

      leveren we volgens een bepaalde opzet die we op tijd aan u meedelen.

  • 3.

    De gemeente controleert of deze kwaliteitseisen door aanbieders worden nageleefd.

Artikel 12.2 Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid van maatwerkvoorzieningen en pgb’s

Jeugdwet, Wmo 2015, PW, IOAW, IOAZ, Wgs

Wij onderzoeken regelmatig, soms met een steekproef, hoe maatwerkvoorzieningen en pgb’s worden gebruikt. Dat doen wij om te beoordelen of de hulp van goede kwaliteit is en of deze rechtmatig en doelmatig wordt ingezet.

Artikel 12.3 Prijs en kwaliteit

Jeugdwet, Wmo 2015, Gemeentewet

  • 1.

    We zorgen ervoor dat de kwaliteit van de diensten en producten die we in deze verordening noemen een belangrijke rol spelen bij de inkoop en de aanbesteding. Bij de inkoop en aanbesteding verwachten we van leveranciers dat zij rekening houden met de voorwaarden uit artikel 12.1, het tweede lid.

  • 2.

    Bij inkoop en aanbesteding verwachten we van leveranciers dat zij:

    • a.

      diensten en producten leveren tegen de door hen berekende kostprijs, zonder dat de kwaliteit en de levering in gevaar komen; en

    • b.

      als zij personeel hebben, dat zij zich houden aan de regels van het arbeidsrecht.

  • 3.

    De leverancier moet aantonen dat hij bij de kostprijs rekening heeft gehouden met:

    • a.

      het soort dienst of product;

    • b.

      de omvang van het diensten- of productenpakket dat wordt geleverd;

    • c.

      de arbeidsvoorwaarden van het personeel volgens de cao die van toepassing is;

    • d.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • e.

      personeelskosten die niet direct met de dienstverlening te maken hebben, zoals kosten voor bijscholing, ziekte en verlof van personeel;

    • f.

      kosten als gevolg van verplichtingen voor leveranciers, zoals rapportage- en administratieve verplichtingen;

    • g.

      het jaarlijks aanpassen van de kostprijs in verband met stijging van de kosten.

  • 4.

    Wij zorgen ervoor dat de tarieven hoog genoeg zijn om goede diensten in te kopen die voldoen aan de kwaliteitseisen. Daar horen ook de eisen bij die gelden voor de deskundigheid van hulpverleners. De tarieven mogen niet zo laag zijn dat de continuïteit van de hulpverlening tijdens het contract in gevaar komt.

Hoofdstuk 13 Intrekking en inwerkingtreding verordening

In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening gaat gelden. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat beoordeeld wordt of de verordening nog goed werkt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.

Artikel 13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening

Gemeentewet

  • 1.

    Wij evalueren jaarlijks of deze verordening voldoende bijdraagt aan de doelen die wij willen bereiken. Daarvoor verzamelen wij systematisch informatie die nodig is voor een goede evaluatie. Wij houden ons daarbij aan de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).

  • 2.

    De gemeenteraad bespreekt een verslag van dit onderzoek en past de verordening aan als dat nodig is.

Artikel 13.2 Uitvoeringsregels

Gemeentewet

Wij kunnen uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen bestaan uit beleidsregels of uit een nadere regeling. In beleidsregels leggen wij uit hoe wij met een bepaalde bevoegdheid omgaan. Met een nadere regeling werken wij onderdelen van de verordening verder uit. Wij mogen deze uitvoeringsregels alleen maken als de wet dat toestaat.

Artikel 13.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)

Gemeentewet

  • 1.

    Wij kunnen afwijken van een regel in deze verordening als toepassing daarvan tot een onredelijke uitkomst leidt voor u of iemand anders die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als daardoor de doelen van de in artikel 1.1 genoemde wetten of van deze verordening juist niet worden bereikt.

  • 2.

    Wij beslissen in alle gevallen waarin deze verordening niet voorziet.

Artikel 13.4 Intrekken oude verordeningen

Gemeentewet

Wij trekken de volgende verordening in op de datum dat deze verordening ingaat (inwerkingtreding):

  • Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Sluis 2016;

  • Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Sluis 2018;

  • Verordening jeugdhulp gemeente Sluis 2021;

  • Verordening Participatiewet en minimabeleid 2023;

  • Verordening beslistermijn schuldhulpverlening 2021.

Artikel 13.5 Overgangsrecht

Gemeentewet, Awb

  • 1.

    Een maandelijkse voorziening of uitkering die op grond van een ingetrokken verordening wordt verstrekt, blijft ook na de ingangsdatum van deze verordening doorlopen. Deze voorziening of uitkering loopt door totdat we een nieuw besluit over die voorziening of uitkering hebben genomen waarbij het toekenningsbesluit wordt ingetrokken.

  • 2.

    Als u een aanvraag heeft ingediend vóór de ingangsdatum van deze verordening en waarover we pas later een besluit nemen, handelen we af volgens deze verordening. Voor een aanvraag op grond van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ die is ingediend vóór de ingangsdatum geldt juist dat we deze afhandelen volgens de ingetrokken verordening.

  • 3.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de bij 13.4 genoemde ingetrokken verordeningen, passen we die betreffende ingetrokken verordening toe.

Artikel 13.6 Ingangsdatum en naam

Gemeentewet

  • 1.

    Wij noemen deze verordening: Verordening sociaal domein gemeente Sluis 2026.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

Hoofdstuk 14 Begrippenlijst

In deze verordening gebruiken we allerlei begrippen. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening betrekking heeft.

Begrip

Betekenis

 
 

Aanbieder

Natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren.

Algemeen verbindend voorschrift

Een algemene regel waaraan zowel burgers als de gemeente gebonden zijn en/of waaraan zij rechten/bevoegdheden kunnen ontlenen.

Algemene voorziening

Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers. Het is toegankelijk voor alle inwoners en is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

Andere voorziening

Een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft, anders dan maatwerkvoorziening/individuele voorziening/uitkering of voorziening. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.

Arbeidsinschakeling

Aan het werk (kunnen) gaan.

Arbeidsverplichting

De verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet.

Armoedeval

Achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag.

Basisbaan

Een dienstverband dat het arbeidsintegratiebedrijf in opdracht van de gemeente kan aangaan met een bijstandsgerechtigde.

Belemmeringen

Onder belemmeringen verstaan we onder andere problemen, stoornissen en/of beperkingen van de inwoner.

Begeleiding

Activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.

Benadelingsbedrag

Het bedrag dat de gemeente onterecht heeft uitbetaald.

Beslistermijn

Binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag wordt een beschikking afgegeven. Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, deelt het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien.

Bijstandsnorm

De maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.

Bijstandsuitkering

De algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

Bovengebruikelijke hulp

Calamiteit

Als de zorg die het kind nodig heeft op het gebied van verzorging, verpleging en begeleiding meer vraagt dan de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen nodig heeft.

Onder een calamiteit wordt verstaan: Een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid.

Collectief

Samen of voor een groep. Bij collectieve ondersteuning gaat het niet om hulp aan één persoon, maar om activiteiten of oplossingen waar meerdere mensen tegelijk iets aan hebben.

Detacheringsbaan

Het arbeidsintegratiebedrijf kan in opdracht van de gemeente een detacheringsbaan aangaan met bijstandsgerechtigde. De bijstandsgerechtigde wordt door het arbeidsintegratiebedrijf uitgeleend aan andere werkgevers.

Doel

Het resultaat.

Eigen kracht

Het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen.

Financiële buffer

Vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.

Gebruikelijke hulp

De hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet wordt met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld.

Gemeente

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sluis.

Gesprek

Gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het doel dat hij wil bereiken bespreekt.

Herzien

Het ongedaan maken van een recht op een voorziening over een periode die gelegen is voor het besluit. Er is over die periode wel recht op een voorziening, maar op een andere voorziening dan destijds is toegekend.

Hulp

Ondersteuning bij de arbeidsinschakeling of inkomensondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Hulpvraag

De behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft.

Individuele voorziening

Een op de inwoner afgestemde voorziening als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.

Ingezetene

De inwoner die rechtsgeldig staat ingeschreven in Basisregistratie Personen (BRP).

Inkomen

Het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet.

Intrekken

Het ongedaan maken van een recht op een voorziening over een periode die gelegen is voor het besluit. Het verschil met ‘herzien’ is dat er bij ‘intrekken’ geen recht is op een voorziening, ook niet op een andere voorziening.

Inwoner

De persoon die zijn hoofdverblijf heeft in de gemeente Sluis.

IOAW

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.

IOAZ

Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

Jeugdhulp

Hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Jobcoaching

Door een erkende deskundige geboden methodische ondersteuning aan personen met een arbeidsbeperking en aan werkgevers, gericht op het vinden en behouden van werk.

Jongere

De minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

Jongerenwerk

Basisaanbod van sociaal-culturele voorzieningen voor jongeren, zoals kinderwerk, tiener- en jongerenwerk, sportbuurtwerk en jongereninformatie. Het basisaanbod bevat ook activiteiten die stimulering van de ontwikkeling of het voorkomen van problemen bij jongeren tot doel heeft.

Kernwaarden

Kernwaarden zijn de belangrijkste principes of overtuigingen van een organisatie. Ze geven richting aan hoe medewerkers met elkaar en met inwoners omgaan, en laten zien wat de organisatie belangrijk vindt in haar werk.

Kindpakket

Een pakket van voorzieningen, meestal in natura, dat de gemeente voor gezinnen met een laag inkomen beschikbaar stelt. Het doel van het pakket is te voorkomen dat kinderen die opgroeien in armoede niet mee kunnen doen aan bijvoorbeeld sport, culturele activiteiten of activiteiten van school.

Kostendelersnorm

Norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen.

Kostprijs

De totale kosten van een product of dienst.

Levensonderhoud

De dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.

Leverancier

De natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert tegen betaling.

Loonwaarde

De waarde (uitgedrukt in euro’s) van arbeid die iemand nog kan uitvoeren.

Maatschappelijke ondersteuning

Het bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld, het ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen omgeving. En het bieden van beschermd wonen en opvang.

Maatwerkvoorziening

Een op de inwoner afgestemde voorziening zoals in de Wmo 2015 is omschreven. Hieronder valt ook een financiële tegemoetkoming.

Mantelzorg

Alle hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

Middelen

Alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover een alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken (zie artikel 31 PW).

Minimaregelingen

Regelingen voor mensen met een laag inkomen.

Onafhankelijk Cliëntondersteuner

Een onafhankelijk cliëntondersteuner helpt inwoners bij het vinden van de juiste zorg, hulp of ondersteuning. Deze persoon staat aan de kant van de inwoner en werkt niet voor een zorgaanbieder of gemeente, zodat het advies eerlijk en onbevooroordeeld is.

Ondersteuningsplan

Een plan van aanpak dat de gemeente of aanbieder opstelt, waarin de knelpunten staan die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, waarin de gewenste hulp wordt geïnventariseerd en de gemeente mogelijke oplossingen aandraagt. Er staat ook in hoe de inwoner de maatwerkvoorziening ontvangt van de gemeente of aanbieder.

Ouder

Vader, moeder of verzorger met ouderlijk gezag.

Passend werk

Werk dat past bij uw (lichamelijke) (on)mogelijkheden.

Persoonlijke situatie

Alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging.

Pgb

Persoonsgebonden budget, een geldbedrag waarmee iemand zelf hulp(middelen) in kan kopen.

Pgb-plan

Een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp gewaarborgd worden.

Preferente proces loonkostensubsidie

Vanuit het Breed Offensief hebben gemeenten, de VNG, Divosa, SZW en de Normaalste Zaak gewerkt aan de harmonisatie van het proces rondom de loonkostensubsidie. Als gemeenten hetzelfde proces hanteren, zijn de administratieve lasten voor werkgevers minder ingewikkeld. Zo wordt het eenvoudiger om mensen uit verschillende gemeenten een werkplek te bieden. Bovendien hoeven gemeenten nu niet zelf een proces te ontwikkelen en uit te denken. Gemeenten kunnen gebruik maken van een toolkit, daarin staat onder meer een stappenplan, procesplaten en communicatieset met voorbeeldbrieven, aanvraagformulieren, beschikkingen en andere handige formats. Dat noemen we het preferent proces Loonkostensubsidie. Het beheer preferent proces Loonkostensubsidie bij VNG. Wij gebruiken dat proces ook in Sluis.

Procedure

Een procedure is een vaste manier van werken. Het beschrijft welke stappen er gezet moeten worden, door wie en in welke volgorde, zodat duidelijk is hoe iets geregeld of uitgevoerd wordt.

Professional

Iemand die beroepsmatig hulp verleent.

Regiotaxi

Vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).

Samenwonen

Een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.

Schending inlichtingenplicht

Het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Als gevolg hiervan wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt.

Sociaal netwerk

Huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers).

Sociale omgeving

In de Jeugdwet wordt gesproken over de sociale omgeving van de jeugdige. Dit is buiten het gezin en buiten het school de relaties in die omgeving van de jeugdige zoals vriendenkring, sportverenigingen, clubhuizen, verenigingen waarvan de jeugdige onderdeel van uitmaakt.

Toegang

De mensen en middelen die het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep en de gemeentelijke verordening uitvoeren.

Toegankelijk

Toegankelijk betekent dat iets makkelijk te bereiken of te gebruiken is voor iedereen. Dat kan gaan over informatie, hulp, gebouwen of diensten. Toegankelijkheid zorgt ervoor dat iedereen kan meedoen, ook mensen met een beperking of zonder veel kennis van regels.

Toekenningsbesluit

Beschikking waarin de toekenning van een voorziening wordt toegelicht en welke voorwaarden gelden.

U/uw

Wordt verstaan de rechthebbende als bedoeld in de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet.

Uitkering

De bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering.

Uitkeringsnorm

De voor de inwoner in zijn situatie maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.

Vermogen

Totaal aan bezit in geld en goederen; het vermogen als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet.

Verslag

Een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek uitgevoerd dat is uitgevoerd door de toegang. Een verslag kan per wet van vorm verschillen.

Verordening

In een verordening leest u wat u van de gemeente kunt verwachten, maar ook wat wij van u verwachten. Het zijn regels die de wettelijke regels aanvullen.

Voorliggende voorziening

Een overheidsregeling of uitkering die voorliggend is aan andere voorzieningen vanuit de overheid. De inwoner kan de kosten op een andere manier vergoed krijgen.

Voorziening

Zorg in natura dan wel een persoonsgebonden budget voor een maatwerkvoorziening of een individuele voorziening. Een financiële tegemoetkoming is ook een voorziening.

Voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand

Een op de inwoner afgestemde voorziening als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet.

Vrij toegankelijke hulp

Hulp die beschikbaar is zonder verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts of besluit van de gemeente.

Wet

De Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet.

Wij

Het college van burgemeester en ethouders/ gemeente.

Wmo 2015

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

Werk.nl

De website van UWV waar u zich moet inschrijven als werkzoekende.

Woonplaatsbeginsel

Een hulpmiddel om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor jeugdhulp aan de jeugdige. De verantwoordelijkheid ligt bij de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (BRP) of in geval van zorg met verblijf de gemeente waar de jeugdige direct voorafgaand aan het verblijf stond ingeschreven.

Zelfredzaamheid

Het vermogen om voor uzelf te zorgen.

Inhoudsopgave

Hoofdstuk 1 Inleiding

Artikel 1.1 Waarom deze regels?

Artikel 1.2 Nadere regels en beleidsregels

Artikel 1.3 Kernwaarden

Artikel 1.4 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 De hulpvraag

Artikel 2.1 Melding bij de gemeente

Artikel 2.2 Het gesprek

Artikel 2.3 De aanvraag

Artikel 2.4 Het besluit/de beschikking

Artikel 2.5 Uitzonderingen

Hoofdstuk 3 Werk, participatie en inkomen

Artikel 3.1 Doelgroep

Artikel 3.2 Werkwijze

Artikel 3.3 Voorzieningen

Artikel 3.4 Specifieke bepalingen administratief proces loonkostensubsidie

Artikel 3.5 Procedure persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen

Artikel 3.6 Beëindiging voorziening

Artikel 3.7 Uitstroompremie

Artikel 3.8 Regelingen voor mensen met een beperkt inkomen

Hoofdstuk 4 Gezond en veilig opgroeien

Artikel 4.1 Vrij toegankelijke hulp

Artikel 4.2 Individuele voorziening

Artikel 4.3 Overgang van 18- naar 18+

Artikel 4.4 Afstemming met andere vormen van hulp

Hoofdstuk 5 Wonen en meedoen in de samenleving

Artikel 5.1 Dagbesteding (groepsbegeleiding)

Artikel 5.2 Individuele begeleiding

Artikel 5.3 Zelfstandig en veilig wonen

Artikel 5.4 Meedoen aan de samenleving

Artikel 5.5 Mantelzorg

Hoofdstuk 6 Schuldhulp- en dienstverlening

Artikel 6.1 Samenwerking en toegang

Artikel 6.2 Schuldhulpverlening

Artikel 6.3 Besluit

Hoofdstuk 7 Inburgering

Artikel 7.1 Inburgeringsvoorzieningen

Artikel 7.2 Periodieke voortgangsgesprekken

Hoofdstuk 8 De vorm van de ondersteuning

Artikel 8.1 Ondersteuning in natura

Artikel 8.2 Persoonsgebonden budget (pgb)

Artikel 8.3 Ondersteuning in geld

Artikel 8.4 Wat is de eigen bijdrage?

Hoofdstuk 9 Afspraken tussen inwoner en gemeente

Artikel 9.1 Hoe gaan we met elkaar om?

Artikel 9.2 Afspraken en verplichtingen

Artikel 9.3 Terugvorderen uitkering en incasso

Artikel 9.4 Herzien, intrekken, beëindigen en wijzigen, terugvorderen van voorziening

Artikel 9.5 Verrekening Wet inburgering

Artikel 9.6 Hoe controleert de gemeente?

Artikel 9.7 Meldingsregeling calamiteiten en geweld

Hoofdstuk 10 Inspraak en cliëntenparticipatie

Artikel 10.1 Hulp van de gemeente bij inspraak

Artikel 10.2 Adviesraad

Artikel 10.3 Klachtregeling

Artikel 10.4 Medezeggenschap

Hoofdstuk 11 Kritiek op de uitvoering

Artikel 11.1 Doelen klacht- en bezwaarprocedure

Artikel 11.2 Klachten over de gemeente

Artikel 11.3 Klachten over andere personen of organisaties

Artikel 11.4 Vertrouwenspersoon

Artikel 11.5 Bezwaar

Hoofdstuk 12 Kwaliteit

Artikel 12.1 Kwaliteit

Artikel 12.2 Onderzoek kwaliteit, recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieninge, pgb’s

Artikel 12.3 Prijs en kwaliteit

Hoofdstuk 13 Intrekking en inwerkingtreding verordening

Artikel 13.1 Onderzoek naar de werking van de verordening

Artikel 13.2 Uitvoeringsregels

Artikel 13.3 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)

Artikel 13.4 Intrekken oude verordeningen

Artikel 13.5 Overgangsrecht

Artikel 13.6 Ingangsdatum en naam

Hoofdstuk 14 Begrippenlijst

Ondertekening

Besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Sluis op 18 december 2025.

de griffier,

dhr. mr. P.T.G. (Paul) Claeijs

de voorzitter,

Burgemeester mr. M.M.D. (Marga) Vermue