Verordening leerlingenvervoer Zaanstad 2026

Geldend van 14-01-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026

Intitulé

Verordening leerlingenvervoer Zaanstad 2026

De raad van de gemeente Zaanstad;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 november 2025;

gelet op artikel 108 van de Gemeentewet, artikel 4 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 4 van de Wet op de expertisecentra en artikel 8.29 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

overwegende dat:

  • -

    de gemeente verplicht is om een verordening vast te stellen op basis waarvan ouders van leerlingen, onder bepaalde voorwaarden, aanspraak kunnen maken op een vergoeding van de vervoerskosten van en naar school;

  • -

    de gemeente de kansengelijkheid van kinderen wil vergroten;

  • -

    de gemeente de zelfredzaamheid in het reizen van leerlingen wil vergroten en het gebruik van fiets en openbaar vervoer actief wil stimuleren;

  • -

    de gemeente het aangepast vervoer beschikbaar wil houden voor die leerlingen die hiervan afhankelijk zijn;

  • -

    de gemeente daartoe maatwerk wil bieden in het leerlingenvervoer;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Verordening leerlingenvervoer Zaanstad 2026

Hoofdstuk 1 Definities

Artikel 1 Definities

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a)

      aangepast vervoer: door het college georganiseerd vervoer;

    • b)

      afstand: afstand tussen de woning en de school, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare en veilige weg, gemeten volgens een door het college te bepalen routeplanner;

    • c)

      begeleider: ouder of persoon die door de ouder wordt ingezet om de leerling tijdens het vervoer te begeleiden;

    • d)

      deskundige: onafhankelijk medisch, psychiatrisch, psychologisch, pedagogisch of verkeerskundig deskundige;

    • e)

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad;

    • f)

      eigen vervoer: vervoer per eigen motorvoertuig of (elektrische) fiets dat onder eigen verantwoordelijkheid plaatsvindt;

    • g)

      gehandicapte leerling: een leerling, die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;

    • h)

      handicap: een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische aandoening van tenminste zes maanden;

    • i)

      inkomen: inkomensgegeven als bedoeld in artikel 21, aanhef en onder e, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in het peiljaar, bedoeld in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs;

    • j)

      leerling: de leerling van een school zoals bedoeld onder p;

    • k)

      loosmelding: zonder voorafgaande melding aan de vervoerder het niet aanwezig zijn van de leerling op de afgesproken ophaallocatie.

    • l)

      openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en waarvan iedereen al dan niet tegen betaling, gebruik van kan maken;

    • m)

      opstapplaats: de opstapplaats bedoeld in artikel 25, eerste lid, van deze verordening;

    • n)

      ouder: met gezag over de leerling belaste ouder(s), pleegouder(s), voogd(en), verzorger(s) van de leerling, mentor van de meerderjarige leerling of, indien van toepassing de meerderjarige en handelingsbekwame leerling;

    • o)

      samenwerkingsverband:

      • 1°.

        Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs;

      • 2°.

        Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 28a van de Wet op de expertisecentra; of

      • 3°.

        Samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.47 van de Wet voortgezet onderwijs 2020;

    • p)

      school:

      • 1°.

        Basisschool of speciale school voor basisonderwijs als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs;

      • 2°.

        School voor speciaal onderwijs, voor voortgezet speciaal onderwijs of voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra; of

      • 3°.

        School voor voortgezet onderwijs als bedoeld in de Wet voortgezet onderwijs 2020; of

      • 4°.

        Een door het college bepaalde onderwijs-zorg arrangement;

    • q)

      schoolvakantie: vakantie waarvan de datum is opgenomen in de schoolgids;

    • r)

      stage: praktische leertijd voor leerlingen met een uitstroomprofiel gericht op arbeid, zoals vermeld in de Wet op de expertisecentra;

    • s)

      toegankelijke school: toegankelijke school als bedoeld in artikel 4, vijfde lid, onder a, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 8.29, vierde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 en artikel 4, vijfde lid, van de Wet op de expertisecentra, waar plaats is en waarbij de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouder berustende keuze van een school geëerbiedigd wordt;

    • t)

      vervoersvoorziening:

      • 1°.

        Vergoeding van fietsvervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;

      • 2°.

        Vergoeding van openbaar vervoer voor de leerling en zo nodig van diens begeleider;

      • 3°.

        Gehele of gedeeltelijke vergoeding van de vervoerkosten van de leerling en zo nodig van diens begeleider; of

      • 4°.

        Aanbieding van aangepast vervoer voor de leerling en zo nodig voor diens begeleider

    • u)

      woning: woning waar de leerling feitelijk en structureel verblijft.

Artikel 2 Doelstelling

Deze verordening heeft als doel op basis van een beoordeling op grond van in de verordening bepaalde criteria en op basis van een onderzoek naar de individuele situatie van de leerling een gehele of gedeeltelijke vergoeding toe te kennen aan de ouders voor het goedkoopst passend vervoer van de leerling van de woning dan wel de opstapplaats naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de leerling en terug met inachtneming van het bepaalde in deze verordening.

Hoofdstuk 2 Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening

Artikel 3 Aanvraag

  • 1.

    Het college stelt een (digitaal) aanvraagformulier voor een vervoersvoorziening leerlingenvervoer vast.

  • 2.

    Een aanvraag voor een vervoersvoorziening wordt ingediend voor een leerling die zijn woning in de gemeente heeft.

  • 3.

    Een verblijfsvergunning of een BSN van de leerling is niet noodzakelijk voor het doen van een aanvraag.

  • 4.

    Als dit voor een juiste beoordeling van de aanvraag noodzakelijk is, kan het college verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken.

  • 5.

    Een aanvraag voor het volgende schooljaar kan vanaf 15 maart worden ingediend.

Artikel 4 Onderzoek en inzet deskundige

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening voor de leerling en eventueel een begeleider, kan het college onderzoek doen naar de zelfstandigheid en zelfredzaamheid van de leerling en die van het gezin, de afstand en route tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

  • 2.

    Het college kan in een gesprek met de ouder en desgewenst de leerling, de noodzakelijk te achten vervoersvoorziening onderzoeken. Bij dit gesprek kan, als het college dat nodig acht, ook een deskundige aansluiten.

  • 3.

    Bij gewijzigde omstandigheden kan het gesprek, als bedoeld in het tweede lid, opnieuw plaatsvinden.

  • 4.

    Als het college het nodig acht, betrekt het een deskundige bij het onderzoek en verzoekt deze advies uit te brengen, ter beoordeling van de individuele situatie van de leerling.

  • 5.

    De ouder en de leerling verlenen medewerking aan het onderzoek van de deskundige.

Artikel 5 Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag voor een vervoersvoorziening.

  • 2.

    Het college kan de besluitvormingstermijn met ten hoogste zes weken verlengen. Het college stelt de aanvrager hiervan schriftelijk in kennis.

Artikel 6 Ingangsdatum voorziening

Als een vervoersvoorziening wordt toegekend geldt deze:

  • a.

    wanneer het een vergoeding betreft, met ingang van de verzochte datum, waarbij de datum niet ligt vóór de datum van ontvangst van de aanvraag;

  • b.

    wanneer het aanbieding van aangepast vervoer betreft, met ingang van een datum die zo mogelijk aansluit bij de verzochte datum.

Artikel 7 Besluit

  • 1.

    Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking, de uitbetaling en de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening.

  • 2.

    Het college kan aan de toekenning van een vervoersvoorziening nadere voorwaarden verbinden.

Hoofdstuk 3 Beoordelingscriteria

Paragraaf 3.1 Bepalen recht op leerlingenvervoer

Artikel 8 Algemene bepalingen

  • 1.

    De bepalingen in deze verordening veranderen niets aan de verantwoordelijkheid van ouders om ervoor te zorgen dat hun kinderen naar school gaan.

  • 2.

    Een ouder kan leerlingenvervoer aanvragen als een leerling in de gemeente zijn woning heeft. Het college kijkt daarbij naar de regels in deze verordening en volgt de volgorde die staat in lid vijf van dit artikel.

  • 3.

    Ouders zijn verantwoordelijk voor het regelen van begeleiding voor hun kind, als dat nodig is.

  • 4.

    Ouders zijn verantwoordelijk voor het gedrag van hun kind in het aangepast vervoer

  • 5.

    Bij de keuze voor de te verstrekken vervoersvoorziening wordt achtereenvolgens beoordeeld of vervoer, al dan niet met begeleiding, mogelijk is:

    • a.

      per fiets;

    • b.

      per openbaar vervoer;

    • c.

      met eigen vervoer;

    • d.

      met aangepast vervoer.

Artikel 9 Afwijzingsgronden

  • 1.

    Het college kent geen vervoersvoorziening toe als de afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school kleiner is dan 6 kilometer. Deze afstandsgrens geldt niet voor gehandicapte leerlingen.

  • 2.

    Een vervoersvoorziening wordt niet toegekend voor het bezoeken van het voortgezet (speciaal)onderwijs, tenzij de leerling door een handicap niet zelfstandig gebruik kan maken van het openbaar vervoer.

Artikel 10 Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school.

  • 2.

    Er wordt eveneens een vervoersvoorziening toegekend over de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de basisschool waarvan de leerling afkomstig is.

  • 3.

    Als de ouder, vanwege een specifieke onderwijskundige behoefte van de leerling, een vervoersvoorziening aanvraagt naar een school op een grotere afstand dan de dichtstbijzijnde toegankelijke school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen, wordt deze slechts toegekend als is voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      door de ouder is, naar het oordeel van het college, voldoende aangetoond wat de specifieke en noodzakelijke onderwijskundige onderwijsbehoefte is van de leerling; en

    • b.

      door de ouder is, naar het oordeel van het college, voldoende aangetoond dat de dichtstbijzijnde school van de onderwijssoort waarop de leerling is aangewezen niet toegankelijk is vanwege het niet kunnen bieden van het noodzakelijke specifieke onderwijsaanbod.

Artikel 11 Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

Het college kan een tijdelijke vervoersvoorziening toekennen voor maximaal zes maanden aan de ouder van een leerling, als de leerling ten gevolge van een crisissituatie tijdelijk buiten de gemeente verblijft, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a.

    de leerling blijft zijn eigen school bezoeken;

  • b.

    in de periode, voorafgaand aan het tijdelijke verblijf buiten de gemeente, is een vervoersvoorziening toegekend op grond van deze verordening;

  • c.

    de intentie bestaat dat de leerling terugkeert naar de oorspronkelijke gemeente; en

  • d.

    de afstand van de nieuwe woning tot de school minder dan 50 kilometer is.

Artikel 12 Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

  • 1.

    Met inachtneming van de artikelen 8 en 16 kent het college op aanvraag een vervoersvergoeding voor het weekeinde en de schoolvakantie toe aan de in de gemeente wonende ouder van de leerling, als de leerling met het oog op het volgen van voor hem passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijft.

  • 2.

    Het college kent aan de ouder een vervoersvergoeding toe voor het weekendvervoer van de leerling voor de eenmaal per weekeinde gemaakte reis van het internaat of het pleeggezin waar de leerling verblijft, naar de woning van de ouder en terug, voor zover de weekenden niet vallen binnen de in het eerste lid genoemde schoolvakanties.

  • 3.

    Het college kent aan de ouder een vervoersvergoeding toe voor het vervoer van de leerling tijdens de schoolvakanties. De voorziening betreft de reis van het internaat of het adres van het pleeggezin naar de ouder eenmaal aan het begin van de vakantie en eenmaal aan het einde van de vakantie.

  • 4.

    Voor de toekenning is een vergoeding van de kosten van openbaar vervoer het uitgangspunt.

  • Het college vergoedt ook de kosten van het openbaar vervoer voor een begeleider, als de leerling wegens zijn handicap of leeftijd niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken.

  • 5.

    Het college kan toestaan dat de ouder de leerling zelf vervoeren of laten vervoeren. De vergoeding is de afstand woning – school op basis van de maximale onbelaste kilometervergoeding.

  • 6.

    Het college kan uitsluitend aangepast vervoer toekennen voor weekeinde en vakantievervoer wanneer:

    • a.

      openbaar vervoer geheel ontbreekt; of

    • b.

      het gaat om een leerling van het voortgezet speciaal onderwijs die verblijvend in een internaat of pleeggezin, wegens zijn handicap niet zelfstandig, ook niet met een begeleider gebruik kan maken van het openbaar vervoer.

Artikel 13 Vervoersvoorziening naar stageadres

  • 1.

    Als er aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening naar school kan het college op verzoek een vervoersvoorziening toekennen voor het vervoer naar een stageadres. Hiervoor wordt een aanvraag tot wijziging ingediend.

  • 2.

    De vervoersvoorziening naar een stageadres wordt, in aanvulling op de voorwaarden die gelden voor een vervoersvoorziening naar school, slechts door het college toegekend als er wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de stage is onderdeel van het onderwijsprogramma zoals opgenomen in de schoolgids van de school of in het stagecontract;

    • b.

      de stagetijden bij gebruik van aangepast vervoer komen overeen met de vervoerstijden van de vervoerder;

    • c.

      de stage vindt, per periode plaats op één stageadres; en

    • d.

      het stageadres is gelegen binnen de gemeentegrens bij gebruik van aangepast vervoer en binnen 50 kilometer bij gebruik van openbaar of eigen vervoer.

  • 3.

    Het college kan van de maximale afstand naar een stage, zoals genoemd in het voorgaande lid, alleen in een van de navolgende situaties afwijken:

    • a.

      door de school wordt verklaard, onder overlegging van bewijsstukken, dat het niet mogelijk is een dichterbij gelegen stageplek te vinden; of

    • b.

      door de leerling en/of zijn ouders wordt bewezen dat er na de afloop van de stage een grote kans is op een baangarantie bij de stagewerkgever is. Hierbij dient een verklaring van de stagewerkgever te worden overlegd.

Artikel 14 Vervoer van en naar een tweede haal of breng adres

Als er al aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening van de woning naar een school en terug kan het college op verzoek een vervoersvoorziening toekennen voor het vervoer van en naar de school of terug van een tweede adres in Zaanstad. Hierbij gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    er is één ander adres, naast de woning, toegestaan;

  • b.

    het tweede adres ligt binnen de gemeentegrenzen van de gemeente;

  • c.

    er dient sprake te zijn van een vast patroon, dat wil zeggen één vast tweede adres alsook op vaste dagen per week, voor een periode van tenminste zes maanden.

Artikel 15 Onderwijs-zorg arrangement

Vervoer naar een locatie waar een onderwijs-zorgarrangement plaatsvindt, kan onder leerlingenvervoer vallen; een vervoersvoorziening kan worden toegekend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • a.

    de locatie is door het samenwerkingsverband passend onderwijs erkend als een specifieke locatie voor een onderwijs-zorg arrangement;

  • b.

    de locatie is een andere locatie dan de school waar een leerling van afkomstig is; en

  • c.

    de locatie wordt door het college bekostigd als onderwijs-zorg arrangement op basis van de Jeugdwet.

Artikel 16 Andere oplossing

Als de leerling aanspraak kan maken op een gehele of gedeeltelijke vergoeding voor de reiskosten op basis van een andere regeling, betrekt het college deze vergoeding bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding op grond van deze verordening of brengt hij dit bedrag als eigen bijdrage in rekening.

Paragraaf 3.2 Bepalen wijze van leerlingenvervoer

Artikel 17 Vervoersvergoeding voor de leerling

Het college bepaalt de hoogte van de te verstrekken vervoersvoorziening, als de leerling naar het oordeel van het college, al dan niet onder begeleiding, gebruik kan maken van het vervoer per fiets of openbaar vervoer, op basis van de maximale onbelaste kilometervergoeding.

Artikel 18 Vervoersvergoeding voor de begeleider

  • 1.

    Het college verstrekt aan de ouder van de leerling, die een school bezoekt en daarvoor recht heeft op een vervoersvergoeding op grond van deze verordening, een vergoeding voor een begeleider op basis van de maximale onbelaste kilometervergoeding, als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat de leerling niet in staat is zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik te maken.

  • 2.

    Als een begeleider meer dan één leerling vanuit de woning van de leerling tegelijk begeleidt, komen slechts de kosten van het vervoer ten behoeve van één begeleider voor vergoeding in aanmerking.

  • 3.

    Het college is niet verantwoordelijk voor medische begeleiding in het leerlingenvervoer. Wel zal er een zitplaats ter beschikking worden gesteld voor de medische begeleiding.

Artikel 19 Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouder georganiseerd vervoer

  • 1.

    Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouder vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

  • 2.

    De ouder kan op basis van het eerste lid niet verplicht worden om één of meer andere leerlingen zelf te vervoeren.

  • 3.

    De vergoeding voor het door de ouder zelf georganiseerde vervoer bestaat uit een kilometervergoeding voor de eigen auto op basis van het belastingvrije kilometerbedrag woon-werkverkeer per kilometer, gebaseerd op twee retourreizen per dag.

  • 4.

    Als toestemming door het eerste lid aan de ouder is verleend, vergoedt het college aan de ouder die meer dan één leerling uit de woning tegelijk zelf vervoert, dan wel laten vervoeren, een bedrag op basis van een kilometervergoeding voor de auto voor de rit, ter hoogte van de belastingvrije vergoeding woon-werkverkeer, en niet per leerling.

  • 5.

    Als een ouder in samenwerking met andere ouders besluiten zelf een vervoersvoorziening te organiseren, kan het college, in afwijking van het tweede lid, een bijzonder kostendekkend tarief hanteren.

Artikel 20 Aangepast vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als:

    • a.

      aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 17 en de leerling met gebruikmaking van openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de enkele reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan:

      • i.

        anderhalf uur onderweg is in het geval van een school voor basisonderwijs of voortgezet onderwijs;

      • ii.

        één uur onderweg is in het geval van een school voor speciaal basisonderwijs of voortgezet speciaal onderwijs;

      • iii.

        30 minuten onderweg in het geval van een school voor speciaal onderwijs;

      • iv.

        en de reistijd zoals genoemd onder a t/m c met aangepast vervoer tot 50% of minder van de reistijd per openbaar vervoer kan worden teruggebracht;

    • b.

      aanspraak bestaat op een vergoeding zoals bedoeld in artikel 17 en openbaar vervoer ontbreekt;

    • c.

      aanspraak bestaat op een vergoeding op grond van artikel 18 en als naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder of anderen uit het netwerk onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden;

    • d.

      de leerling, naar het oordeel van het college, ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken

Artikel 21 Afstand tot openbaar vervoer-halte

Het college gaat bij de bepaling van het openbaar vervoer zoals genoemd in artikel 20, onder a en b, uit van een maximale afstand tot een opstapplaats voor het openbaar vervoer van 2 kilometer voor basisonderwijs en 500 meter voor speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.

Artikel 22 Vervoerstraining

Het college kan, naast een vervoersvoorziening, ook een vervoerstraining inzetten ter versterking van de zelfredzaamheid van de leerling, met als doel dat de leerling niet langer zal zijn aangewezen op een vervoersvoorziening en gebruik leert te maken van een (elektrische) fiets of openbaar vervoer.

Artikel 23 Vergoeding andere passende vervoersvoorziening

Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college na overleg met de ouder een vergoeding verstrekken voor een andere passende voorziening, die goedkoper is dan of gelijk is aan de kosten van de kilometervergoeding op basis van de maximale onbelaste kilometervergoeding.

Paragraaf 3.3 Bepalingen ten aanzien van aangepast vervoer

Artikel 24 Schooltijden en wachttijden

  • 1.

    Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op de schooldagen en schooltijden, zoals deze zijn opgenomen in de schoolgids van de school die de leerling bezoekt.

  • 2.

    Als er binnen een school voor voortgezet (speciaal) onderwijs sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten een wachttijd van één klokuur in te stellen.

  • 3.

    Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet georganiseerd, tenzij de ouder naar het oordeel van het college toereikend bewijs overlegt waaruit blijkt dat de handicap van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

Artikel 25 Aanwijzingen opstapplaats

  • 1.

    Het college kan, bij het verstrekken van aangepast vervoer, een opstapplaats aanwijzen van waaruit de leerling gebruik maakt van het aangepast vervoer.

  • 2.

    De ouder draagt er zorg voor dat de leerling naar, van en op de opstapplaats wordt begeleid.

  • 3.

    Het college wijst geen opstapplaats aan als, naar het oordeel van het college, voldoende is aangetoond dat begeleiding van de leerling door de ouder of anderen uit hun netwerk onmogelijk is, dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden.

  • 4.

    De maximale afstand tot een opstapplaats voor het aangepaste vervoer is 2 kilometer voor basisonderwijs en 500 meter voor speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs.

  • 5.

    Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouder vragen of op aanvraag toestaan één of meer leerlingen zelf te vervoeren of te laten vervoeren.

Artikel 26 Ophaal- en brengplaats en loosmelding

  • 1.

    Bij aangepast vervoer haalt de vervoerder de leerling bij de woning of opstapplaats op. De ouder begeleidt de leerling naar en van het vervoer en is hiervoor zelf verantwoordelijk.

  • 2.

    De chauffeur draagt de leerling na de terugrit over aan de ouder bij de woning of opstapplaats. De chauffeur mag de leerling nooit zonder toezicht laten.

  • 3.

    De ouder heeft de verantwoordelijkheid ervoor te zorgen dat de ouder bij de woning of opstapplaats aanwezig is of dat namens deze de leerling op de afgesproken plaats wordt opgevangen.

  • 4.

    Er is sprake van een loosmelding als de leerling niet aanwezig is op het ophaaladres of de opstapplaats of als er geen ouder aanwezig is op de plek waar de leerling heen wordt gebracht om de leerling op te vangen of te brengen.

Artikel 27 Gedrag in het aangepast vervoer en maatregel

  • 1.

    Een leerling moet veilig te vervoeren zijn en is daartoe in staat.

  • 2.

    Een leerling of ouder brengt de veiligheid van de medeleerlingen en de chauffeur niet in gevaar

  • 3.

    Bij onaanvaardbaar gedrag kan het college een maatregel opleggen. Het doel van de maatregel is de ouder en leerling te wijzen op hun verantwoordelijkheid om het onaanvaardbare gedrag op te lossen en om de veiligheid van leerlingen en de chauffeur als bedoeld in het tweede lid te borgen.

  • 4.

    Onder onaanvaardbaar gedrag als bedoeld in het derde lid wordt het gedrag van zowel een leerling als het gedrag van een ouder verstaan.

Artikel 28 Overstapplaatsen

Het college kan beslissen dat bij de uitvoering van het aangepast vervoer gebruik gemaakt wordt van overstapplaatsen als de afstand van woning naar school meer dan 50 kilometer bedraagt.

Artikel 29 Overmacht

In het geval van overmacht, zoals weersomstandigheden of stakingen, kan het college besluiten om het aangepast vervoer niet plaats te laten vinden of aan te passen.

Hoofdstuk 4 Bijdrage in de kosten

Artikel 30 Drempelbedrag

  • 1.

    Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betaalt de ouder van een leerling die een school voor basisonderwijs, uitgezonderd de nieuwkomers taalklas, bezoekt en van wie het inkomen samen meer bedraagt dan het in artikel 4, zevende lid, van de Wet op het primair onderwijs genoemde bedrag van € 17.700, -, de op de zone-indeling van het openbaar vervoer gebaseerde kosten over de in artikel 9 bepaalde afstand van 6 kilometer zelf. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de te verstrekken vervoersvergoeding of bij de verstrekking van aangepast vervoer bij de ouder in rekening gebracht.

  • 2.

    Het in het eerste lid genoemde inkomensbedrag wordt met ingang van 1 januari 1999 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van het voorgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 450,-.

  • 3.

    Op verzoek van de ouder kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het eerste lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

  • 4.

    Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen.

Artikel 31 Draagkrachtafhankelijke bijdrage

  • 1.

    Bij de verstrekking van een vervoersvoorziening betaalt de ouder van een leerling die een school voor basisonderwijs bezoekt die als gevolg van een keuze van de ouder verder is gelegen dan 20 kilometer van de woning, overeenkomstig artikel 4, elfde lid, van de Wet op het primair onderwijs, een van de financiële draagkracht afhankelijke jaarlijkse bijdrage tot ten hoogste het bedrag van de kosten van het vervoer.

  • 2.

    De hoogte van het bedrag wordt berekend per gezin en is afhankelijk van de hoogte van het inkomen van de ouder. De bedragen van de eigen bijdrage per gezin per jaar per inkomenscategorie bedragen:

Inkomen vanaf

Tot

Eigen bijdrage

0

€ 42.000

nihil

€ 42.000

€ 50.000

€ 185

€ 50.000

€ 58.000

€ 820

€ 58.000

€ 65.000

€ 1.520

€ 65.000

€ 74.500

€ 2.230

€ 74.500

€ 81.500

€ 2.990

€ 81.500

 Voor elke € 5.000, - erbij

€ 715 erbij

  • 3.

    De inkomensbedragen, genoemd in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari 2026 aangepast aan de wijziging die het indexcijfer van de regelingslonen van volwassen werknemers heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar en rekenkundig afgerond op een veelvoud van € 500,-.

  • 4.

    De bedragen van de eigen bijdrage, bedoeld in het tweede lid, worden jaarlijks met ingang van 1 januari aangepast aan de wijziging die het consumentenprijsindexcijfer van de reeks alle huishoudens op het onderdeel vervoersdiensten heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar, en rekenkundig afgerond op een veelvoud van €5,-.

  • 5.

    Op verzoek van de ouder kan, bij een aantoonbare structurele inkomensdaling, in afwijking van het tweede lid, het actuele inkomen worden gehanteerd.

  • 6.

    Het drempelbedrag genoemd in artikel 30 kan tegelijk met de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage genoemd in het eerste lid worden opgelegd aan de ouder.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op gehandicapte leerlingen, pleegouders en voogdijinstellingen.

Hoofdstuk 5 Rechtmatigheid

Artikel 32 Doorgeven van wijzigingen en tijdig afmelden

  • 1.

    De ouder is verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk mede te delen aan het college.

  • 2.

    De ouder is verplicht om tijdig melding te doen, wanneer de ouder vaststelt dat een leerling als gevolg van ziekte of vanwege andere oorzaken niet vervoerd hoeft te worden.

  • 3.

    Het college kan voor het niet tijdig afmelden van het aangepast vervoer een bedrag van € 10,- opleggen voor iedere niet tijdig gemelde afmelding vanaf de derde maal per maand. Het college stuurt bij de eerste en/of tweede niet tijdig gemelde afmelding een schriftelijke waarschuwing.

Artikel 33 Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening

  • 1.

    Het college kan een besluit tot toekenning van een vervoersvoorziening beëindigen, opschorten, herzien, of intrekken, als het vaststelt dat:

    • a.

      niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden en verplichtingen gesteld bij deze verordening;

    • b.

      beschikt is op grond van gegevens waarvan gebleken is dat die gegevens zodanig onjuist waren dat, als de juiste gegevens bekend waren geweest, een ander besluit zou zijn genomen;

    • c.

      de verstrekte vervoersvoorziening naar het oordeel van het college niet meer de meest passende vervoersvoorziening is;

    • d.

      de ouder weigert het drempelbedrag bedoeld in artikel 24 te betalen of nalatig zijn in het betalen ervan;

    • e.

      de ouder weigert de draagkrachtafhankelijke eigen bijdrage bedoeld in artikel 25 te betalen of nalatig is in het betalen ervan;

    • f.

      sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling gedurende het verblijf in het aangepast vervoer;

    • g.

      sprake is van onaanvaardbaar gedrag door de leerling en/of ouder tijdens het ophaal en/of brengmoment; of

    • h.

      het vervoeren van de leerling leidt tot een onveilige situatie voor de leerling zelf, andere reisgenoten of de chauffeur in het aangepast vervoer.

  • 2.

    De kosten van een ten onrechte genoten vervoersvoorziening kunnen van de ouder worden teruggevorderd of worden verrekend met een verstrekte maar nog niet uitbetaalde vervoersvergoeding.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 34 Beslissingen in gevallen waarin de regeling niet voorziet

In gevallen, de uitvoering van het leerlingenvervoer betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 35 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, het vervoer naar onderwijs aangaande, ten gunste van de ouder gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening, zo nodig na advies te hebben gevraagd aan deskundigen.

Artikel 36 (Intrekking en) inwerkingtreding

  • 1.

    De Verordening leerlingenvervoer Gemeente Zaanstad 2021 wordt ingetrokken, met dien verstande dat deze verordening van toepassing blijft op aanvragen die vóór 1 januari 2026 zijn ingediend en op besluiten vervoersvoorziening leerlingenvervoer die betrekking hebben op een aanvraag die vóór 1 januari 2026 zijn genomen.

  • 2.

    Deze verordening is van toepassing op vervoersaanvragen die zijn ingediend op of na 1 januari 2026.

  • 3.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

Artikel 37 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening leerlingenvervoer Zaanstad 2026.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 18-12-2025.

De griffier,

De voorzitter

Ondertekening

Toelichting Verordening leerlingenvervoer Zaanstad 2026

Algemeen

In deze toelichting wordt verduidelijking gegeven op een aantal bepalingen uit de verordening.

De Verordening leerlingenvervoer is zodanig opgebouwd, dat eerst het recht op een vervoersvoorziening wordt vastgesteld, waarna onderzocht wordt welke voorziening wordt verstrekt.

Vervoersvoorziening

In de verordening wordt het begrip ‘vervoersvoorziening’ gehanteerd. Deze kan verschillende vormen hebben. Het kan gaan om een vergoeding in geld voor de kosten van een fiets, eigen auto of openbaar vervoer. Wanneer de leerling door zijn handicap geen gebruik kan maken van de fiets en het openbaar vervoer, ook niet met begeleiding, kan het college een vorm van aangepast vervoer verzorgen of laten verzorgen.

Zelfstandigheid en zelfredzaamheid

De Verordening leerlingenvervoer gaat uit van een voorziening voor het zo zelfstandig mogelijk reizen door de leerling. Om dit te monitoren en te stimuleren wordt de aanvraag met de ouder besproken.

Artikelsgewijs

Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1. Definities

Aangepast vervoer

Van aangepast vervoer is sprake als het college het vervoer naar en van school zelf verzorgt of laat verzorgen. De meest voorkomende versie is het rijden met taxibusjes, maar ook andere vormen zoals een touringcar kan voorkomen.

Afstand

De afstand dient consequent te worden gemeten. Er wordt voor elke afstand eenzelfde digitale routeplanner gehanteerd. De route hoeft overigens niet in alle gevallen toegankelijk te zijn voor gemotoriseerd verkeer. Ook kan de route – en daarmee de afstand – op de heenweg verschillen van die van de terugweg.

Deskundige

Een deskundige beschikt over specifieke expertise op basis van zijn opleiding of functie. Dit kan een geregistreerde arts, psychiater of psycholoog zijn, die inzicht kan geven in de mate waarin de leerling door een handicap is beperkt in het naar school reizen.

Gehandicapte leerling

Een leerling die door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische handicap niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken, wordt aangemerkt als een gehandicapte leerling in de zin van de Verordening leerlingenvervoer. ‘Centraal staat het feit dat de leerling vanwege een handicap niet in staat is om zelfstandig naar school te reizen, de aard van de handicap is daarbij ondergeschikt’ (Kamerstukken II 2013/14, 34 022, nr. 3, p. 5). Ook de (jonge) leeftijd dient daarbij buiten beschouwing te worden gelaten.

Wanneer een leerling, ondanks zijn handicap wél zelf kan reizen met het openbaar vervoer, is deze in de zin van de Verordening leerlingenvervoer géén gehandicapte leerling. De beperking die de leerling door de handicap ervaart moet structureel van aard zijn, in ieder geval langer dan zes maanden duren.

Inkomen

Als peiljaar voor het inkomen moet op grond van de Wpo (artikel 4, zevende lid) worden aangemerkt twee jaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin het schooljaar waarvoor vergoeding van de vervoerskosten wordt gevraagd, begint.

Leerling

Voor basisscholen en speciale scholen voor basisonderwijs geldt dat kinderen de leeftijd van vier jaar moeten hebben bereikt om als leerling te worden toegelaten (artikel 39, eerste lid, van de Wpo). In het derde lid van artikel 39 van de Wpo is bepaald dat kinderen vanaf drie jaar en tien maanden ten hoogste vijf dagen (schoolgewenningsdagen) de basisschool mogen bezoeken. Deze kinderen zijn echter geen leerlingen in de zin van de wet, en de ouders kunnen dan ook geen aanspraak maken op een vervoersvoorziening.

Voor het (voortgezet) speciaal en voortgezet onderwijs geldt dat ouders van leerlingen die zijn toegelaten tot scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs aanspraak kunnen maken op een vervoersvoorziening indien wordt voldaan aan de voorwaarden van de Verordening leerlingenvervoer. De leeftijd van de leerling is hierbij niet van belang.

Openbaar vervoer

Het openbaar vervoer is ruim gedefinieerd. Het gaat niet alleen om voor eenieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling. Ook een voor eenieder openstaande regiotaxi of belbus, die op afroep rijdt, wordt in het kader van deze verordening als een vorm van openbaar vervoer beschouwd. De definitie in deze verordening is daarmee ruimer dan de definitie van openbaar vervoer in artikel 1, Wet personenvervoer 2000.

Samenwerkingsverband

Een samenwerkingsverband passend onderwijs omvat volgens artikel 18a, van de Wpo alle binnen een bepaald aaneengesloten gebied gelegen vestigingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs, scholen voor speciaal onderwijs en scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, voor zover daaraan speciaal onderwijs wordt verzorgd, behorend tot cluster 3 en cluster 4. Volgens het vijftiende lid van artikel 18a van de Wpo kunnen deze scholen er ook voor kiezen om zich aan te sluiten bij een landelijk samenwerkingsverband.

Scholen voor speciaal onderwijs of scholen voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, behorend tot cluster 3 en cluster 4, die geen vestigingen hebben in het gebied van het samenwerkingsverband, kunnen toch deelnemen aan dit samenwerkingsverband.

Instellingen behorend tot cluster 1 en cluster 2 behoren niet tot het samenwerkingsverband.

School

Onder 1°

In de Wpo gaat het om basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs.

Onder 2°

In de Wec gaat het om onderwijs aan dove kinderen of slechthorende kinderen, kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden, visueel gehandicapte kinderen, lichamelijk gehandicapte kinderen, langdurig zieke kinderen, zeer moeilijk lerende kinderen, zeer moeilijk opvoedbare kinderen, meervoudig gehandicapte kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

De Wec onderscheidt de volgende clusters:

Cluster 1: onderwijs aan visueel gehandicapte kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met deze handicap,

Cluster 2: onderwijs aan dove kinderen, slechthorende kinderen en kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps,

Cluster 3: onderwijs aan langdurig zieke kinderen met een lichamelijke handicap, lichamelijk gehandicapte kinderen en zeer moeilijk lerende kinderen dan wel meervoudig gehandicapte kinderen met een van deze handicaps en

Cluster 4: onderwijs aan langdurig zieke kinderen anders dan met een lichamelijke handicap, zeer moeilijk opvoedbare kinderen en kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten.

Het onderwijs van cluster 1 en cluster 2 wordt gegeven in instellingen. Deze instellingen vallen ook onder het begrip ‘school’.

Onder 3°

In de Wvo 2020 gaat het om scholen voor vwo, havo, mavo, vbo en praktijkonderwijs. Ook de op grond van artikel 2.86, van de Wvo 2020 bij algemene maatregel van bestuur daartoe aangewezen instellingen vallen er onder.

Toegankelijke school

Leerlingen kunnen op grond van hun lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking zijn aangewezen op een bepaalde school. In het tweede lid, van artikel 4, van de Wpo staat dat de gemeente in de verordening geen onderscheid mag maken tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Het derde lid van artikel 4 Wpo bepaalt dat de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van de ouders berustende keuze van een school, moet eerbiedigen.

Vervoersvoorziening

De wet bepaalt dat de gemeente het vervoer zelf kan verzorgen, dan wel doen verzorgen. Ook kan zij een vergoeding verstrekken. In de begripsbepaling ‘vervoersvoorziening’ is dit nader uitgewerkt in verschillende varianten.

Woning

Onder ‘woning’ wordt verstaan: de plaats waar de leerling structureel en feitelijk verblijft. Hierbij is het niet relevant in welke gemeente de ouders en/of het kind staan ingeschreven. Deze plaats kan ook in meer dan één gemeente zijn (ABRvS 24 januari 2018, ECLI:NL: RVS:2018:249).

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang, moet een aanvraag voor een vervoersvoorziening bij die gemeente ingediend te worden. Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders.

Hoofdstuk 2. Aanvraagprocedure van de vervoersvoorziening

Artikel 3. Aanvraag

Als ouders menen voor een vervoersvoorziening voor hun kind in aanmerking te komen, dienen zij een aanvraag in bij het college. De aanvraag wordt gedaan in de gemeente waar de feitelijke en structurele verblijfplaats (woning) van de leerling is. Dit kan ook een vast logeeradres zijn, waar de leerling op vaste dagen verblijft.

Op grond van het internationaal verdrag van het rechten van het kind, heeft ieder kind recht op onderwijs ongeacht de verblijfsstatus, ook het recht op vervoer maakt onderdeel uit van het recht op onderwijs. Het hebben van een verblijfsvergunning of het bezit van een BSN is daardoor niet verplicht voor de aanvraag.

Bij de aanvraag kunnen gegevens worden gevraagd. Onder gegevens wordt ook verstaan eventuele toevoeging van verklaringen (bewijsstukken), bijvoorbeeld een medische verklaring, werkgeversverklaring, of een verklaring van de rijksinspecteur van de belasting. Huisartsen zijn hiervan uitgezonderd, omdat de Landelijke Huisartsen Vereniging in haar richtlijn heeft opgenomen, dat huisartsen deze verklaringen niet mogen verstrekken. Het schaadt mogelijk de relatie met de patiënt en daar werken huisartsen liever niet aan mee. Bij twijfel kan het college zelf een onafhankelijke deskundige inschakelen.

Ouders zijn op grond van artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verplicht deze gegevens te overleggen, als deze van belang zijn voor de beslissing op de aanvraag. De gegevens dienen juist en volledig ingevuld te zijn. Het college bepaalt of dat daadwerkelijk het geval is.

Artikel 4. Onderzoek en inzet deskundige

In de onderzoeksfase wordt onderzocht of men in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening en welke voorziening. Bij dit onderzoek staan de mogelijkheden en behoeften van de leerling en de zelfredzaamheid van het gezin om zo zelfstandig mogelijk te reizen centraal, alsmede de mogelijkheden van de leerling om zich te ontwikkelen naar meer zelfstandigheid in het vervoer. Het onderzoek is bedoeld om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en af te wegen belangen te verzamelen, zoals ook voorschreven in artikel 3:2, van de Awb.

Uiteraard blijft het maatwerk om te beoordelen hoe een kind kan reizen. Daarin speelt niet alleen de beperking een rol, maar ook de leeftijd, de route en de behoeften van de leerling. Om het maatwerk te kunnen bieden is het van belang om kennis te hebben van de situatie van de leerling, de meest geschikte en haalbare vervoerswijze en de zelfredzaamheid van de leerling en het gezin.

Derde lid

Wanneer de omstandigheden van de leerling wijzigen kan dat aanleiding zijn om een nieuw gesprek te voeren. Het spreekt voor zich, dat een schoolwissel en adreswijziging zo’n nieuwe omstandigheid is, maar ook het gegeven dat de leerling ouder wordt en zich ontwikkelt kan gezien worden als een gewijzigde omstandigheid.

Vierde lid: Inzet deskundige

De verordening bevat, conform artikel 4, vierde lid, van de Wpo, artikel 4, vierde lid, van de Wec en 8.29, derde lid, van de Wvo 2020, een regeling voor het inwinnen van advies van een deskundige. Dit is nodig op het moment dat er voor het beoordelen van de aanvraag specifieke deskundigheid noodzakelijk is waar het college zelf intern niet over beschikt.

Artikel 5. Beslistermijn

Eerste lid

Artikel 4:13 van de Awb bepaalt dat de redelijke termijn waarbinnen een beschikking moet worden gegeven in ieder geval is verstreken als het college binnen acht weken geen beschikking heeft gegeven, of aan de aanvrager een bericht van verdaging heeft gezonden. Voor de Verordening leerlingenvervoer is gekozen voor de wettelijk toegestane beslistermijn van acht weken.

Tweede lid

Het kan voorkomen dat de gestelde afwikkelingstermijn niet haalbaar is voor het college. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn wanneer het gevraagde oordeel van deskundigen uitblijft, of als er sprake is van een bijzondere situatie.

Artikel 6. Ingangsdatum voorziening

Een vervoersvoorziening wordt niet met terugwerkende kracht toegekend. De vergoeding is bedoeld om de leerling in staat te stellen (in de toekomst) de school te bezoeken. Het is geen inkomensvoorziening. Dit past ook bij de primaire verantwoordelijkheid van de ouders van de leerling om het schoolbezoek zelf te organiseren en te faciliteren.

Voor het aangepast vervoer geldt dat het college, na toekenning, voor de praktische organisatie van het vervoer enige tijd nodig zal hebben. Hierbij gaat het onder andere om het inroosteren van de leerling en het eventueel aanpassen van de vervoersroute, zodat de leerling mee kan.

Artikel 7. Besluit

Eerste lid

Een besluit moet voldoen aan de eisen die de Awb daaraan stelt. Zo moet er sprake zijn van een deugdelijke motivering (artikel 3:46, van de Awb). In dit artikel is bepaald welke concrete informatie minimaal in het besluit moet worden opgenomen. Het betreft een nadere uitwerking van de wettelijke eisen, die niet afdoet aan de plicht om aan de eisen die rechtstreeks voortvloeien uit de Awb te voldoen.

Besluiten kunnen voor één of meerdere schooljaren worden afgegeven, of indien noodzakelijk voor een kortere periode dan een schooljaar.

Tweede lid

Aan de verstrekking van een vervoersvoorziening kan het college voorwaarden verbinden. Zo kan worden bepaald dat, bijvoorbeeld in het kader van het streven naar zelfredzaamheid, in de winterperiode aangepast vervoer wordt verstrekt, onder de voorwaarde dat in de andere maanden met de fiets of het openbaar vervoer wordt gereisd en dat hiervoor wordt geoefend en/of wordt deelgenomen aan een project met dit doel.

Hoofdstuk 3. Beoordelingscriteria

Artikel 8. Algemene bepalingen

Eerste lid

De verantwoordelijkheid voor het schoolbezoek blijft ingevolge de Leerplichtwet in alle gevallen bij de ouders liggen. In dit lid is deze verantwoordelijkheid nog eens expliciet vastgelegd. Deze verantwoordelijkheid kan door de ouders niet op- of overgedragen worden aan de gemeente. De wettelijke regeling, noch de gemeentelijke verordening beperkt deze verantwoordelijkheid van de ouders. Ouders kunnen er dus niet van uit gaan dat zij altijd een vervoersvoorziening krijgen of dat deze altijd wordt voortgezet. Van ouders wordt ook verwacht dat zij de noodzakelijke keuzes maken om hun verantwoordelijkheid te kunnen nemen. Daarbij kan gedacht worden aan het aanpassen van werktijden en het verkeersveilig maken van de leerling of het inzetten van voor- en naschoolse opvang voor de leerling en/of andere kinderen in het gezin.

Tweede lid

In deze verordening zijn verschillende voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening. Op het moment dat een leerling voldoet aan die voorwaarden en er meerdere vervoersvoorzieningen zijn waarvan de leerling (in redelijkheid) gebruik zou kunnen maken, dan zal de keuze worden gemaakt volgens een vaste volgorde. Ook als dit betekent dat die oplossing meer van ouders (bijvoorbeeld extra begeleiding) of de leerling (meer reistijd) vraagt. Dit past binnen het uitgangspunt dat ouders en de leerling in de basis zelf verantwoordelijk zijn voor het schoolbezoek en is nodig om het vervoersstelsel toegankelijk en betaalbaar te houden.

Derde lid

Wanneer een leerling begeleiding nodig heeft tijdens het vervoer, is dat primair een verantwoordelijkheid van de ouders. Zij zijn en blijven verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Werk van ouders of anderszins ontslaat ouders niet van deze verantwoordelijkheid. Wanneer ouders zelf niet in staat zijn om begeleiding te bieden, is het hun verantwoordelijkheid iemand te zoeken, die deze taak van hen al dan niet tijdelijk, geheel of gedeeltelijk kan overnemen. Het is aan het college om een zorgvuldige afweging te maken en te bepalen wat, gelet op de primaire verantwoordelijkheid van ouders, redelijk is (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 7).

Vierde lid

De verantwoordelijkheid voor het gedrag van de leerling gedurende het verblijf van de leerling in het aangepast vervoer berust bij de ouders. Zij moeten de gelegenheid krijgen hun kind te begeleiden bij het vervoer. Het recht op een vervoersvoorziening is geen absoluut recht. Als de leerling zich onaanvaardbaar gedraagt, kan dit gedrag er uiteindelijk toe leiden dat de vervoersvoorziening beëindigd wordt.

Vijfde lid

Bij het verstrekken van de vervoersvoorziening staat de zelfredzaamheid en de eigen verantwoordelijkheid van de leerling en zijn ouders voorop. Bij de bepaling van de aard van de vervoersvoorziening wordt hier dan ook naar gekeken. Zelf fietsen, reizen met OV of zelf vervoeren met de eigen auto gaat daarbij voor aangepast vervoer.

Artikel 9. Afwijzingsgronden

Eerste lid

Deze bepaling geeft invulling aan de op grond van artikel 4, achtste lid, van de Wpo en artikel 4, zevende lid, van de Wec bestaande mogelijkheid om in de verordening te bepalen dat er geen aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening op grond van de afstand. De afstand is gesteld op 6 kilometer, de wettelijk maximaal toegestane afstand. De afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school moet per route, zowel voor de heen- als voor de terugweg, worden bepaald.

Leerlingen die voortgezet (speciaal) onderwijs volgen en geen handicap hebben, komen al niet in aanmerking voor leerlingenvervoer. Voor hen is deze bepaling dan ook niet van toepassing.

Tweede lid

Voor het bezoeken van een school voor voortgezet (speciaal) onderwijs zijn de ouders of de leerling, ongeacht de afstand, zelf verantwoordelijk. Voor het voortgezet speciaal onderwijs (artikel 4, vierde lid, van de Wec) en het regulier voortgezet onderwijs (artikel 8.28, van de Wvo 2020) geldt, dat gehandicapte leerlingen slechts recht hebben op een vervoersvoorziening als zij door een handicap voor hun schoolbezoek

  • a.

    niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken; of

  • b.

    zijn aangewezen op ander vervoer dan openbaar vervoer.

Leerlingen komen daarmee alleen in aanmerking voor leerlingenvervoer als zij gezien hun handicap niet in staat zijn om zelfstandig naar school te komen (Kamerstukken II 2011/12, 33 106, nr. 3, p.36). Om te kunnen beoordelen of een leerling door zijn handicap beperkt is om zelfstandig te reizen, is in een aantal gevallen onafhankelijk advies van deskundigen ter zake nodig. Het zal dan veelal gaan om de vraag of een leerling door zijn handicap in het geheel niet van openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken, of alleen onder begeleiding daarvan gebruik kan maken.

Artikel 10. Vervoersvoorziening naar de dichtstbijzijnde toegankelijke school

Eerste lid

In de wetgeving is bepaald dat de raad bij het vaststellen van de verordening de op godsdienst of levensbeschouwing van ouders berustende keuze van een school dient te eerbiedigen. Tevens is bepaald dat in de verordening geen onderscheid wordt gemaakt tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Als toegankelijke school is dan aan te merken de school van de verlangde godsdienstige of levensbeschouwelijke richting dan wel de openbare school. Daar komt een tweede criterium bij, namelijk de school van de soort waarop de leerling is aangewezen op grond van zijn lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking.

Als dichtstbijzijnde school wordt aangemerkt de school die naar afstand het dichtstbij gelegen is, gemeten langs de kortste voor de leerling voldoende begaanbare, veilige weg.

Richting

Als erkende richtingen binnen het bijzonder onderwijs gelden het (rooms) katholiek onderwijs, protestants-christelijk onderwijs (gereformeerd, hervormd), onderwijs naar de leer van de Gereformeerde kerk (vrijgemaakt), reformatorisch onderwijs en het evangelisch onderwijs; voorts het joods onderwijs, (orthodox) islamitisch onderwijs en het hindoe onderwijs, en ten slotte het algemeen bijzonder of neutraal bijzonder onderwijs en het onderwijs op antroposofische grondslag (vrijescholen). Sinds 2004 zijn gereformeerd en hervormd opgegaan in de Protestantse Kerk Nederland (PKN). De keuze van de leerling of zijn ouders voor één van de hiervoor genoemde erkende richtingen bepaalt dus (mede) of een school kan worden aangemerkt als dichtstbijzijnde toegankelijke school voor de betreffende leerling.

Een specifieke onderwijskundige methode wordt niet tot het begrip ‘richting’ gerekend. Hiermee worden onder andere bedoeld: Jenaplanscholen, Montessorischolen, Daltonscholen. De voorkeur van de leerling of zijn ouders voor een specifieke onderwijskundige methode is niet van invloed bij het bepalen van de dichtstbijzijnde toegankelijke school.

De school is vol

Het spreekt voor zich dat op een voor de leerling dichtstbijzijnde school wel ruimte voor de leerling moet zijn en dat de leerling moet zijn/worden toegelaten. Een school die vol is heeft geen zorgplicht voor de leerling.

Indien de dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat de school vol is, wordt de eerstvolgende dichtstbijzijnde, toegankelijke school beoordeeld. De aanspraak op vervoer naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school, tot maximaal twee schooljaren. Daarna zal deze school de resterende schoolcarrière als dichtstbijzijnde worden beschouwd.

Als de wachtlijst is opgelost en de leerling kan worden geplaatst op de dichtstbijzijnde school zal de vervoersvoorziening beperkt worden tot aan de dichtstbijzijnde school, aangezien deze weer toegankelijk is geworden. Dit ongeacht het feit of de leerling vanaf dat moment ook daadwerkelijk de dichtstbijzijnde school gaat bezoeken. Ouders zijn vrij om hun kind naar elke school van hun keus te laten gaan, maar in het kader van het leerlingenvervoer hoeft slechts een vervoersvergoeding naar de dichtstbijzijnde, toegankelijke school te worden verstrekt.

Tweede lid

Voor alle onderwijssoorten geldt de hoofdregel: een vervoersvoorziening wordt toegekend naar de dichtstbijzijnde voor de leerling toegankelijke school. Volgens artikel 4, vijfde lid, onder c en d, van de Wpo moet echter, wanneer het gaat om speciale scholen voor basisonderwijs, het vervoer naar de dichtstbijzijnde school in het samenwerkingsverband ook worden bekostigd. Dat hoeft niet persé de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs te zijn. Het is mogelijk dat er een school buiten het samenwerkingsverband, maar dichter bij de woning is gelegen. Volgens de wetgever is dit de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool.

Derde lid

Binnen het leerlingenvervoer wordt een vergoeding verstrekt naar de (qua afstand) dichtstbijzijnde toegankelijke school, rekening houdend met de onderwijsbehoefte en de richting.

Het derde lid beschrijft de voorwaarden waaronder het college tóch kan besluiten om een vergoeding te verstrekken naar de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school.

  • -

    De noodzaak van het bezoeken van de niet dichtstbijzijnde toegankelijke school moet door de ouder overtuigend worden aangetoond aan het college.

  • -

    Wanneer al dan niet door het samenwerkingsverband is vastgesteld, welke onderwijssoort een leerling nodig heeft op grond van de Wpo, de Wec of de Wvo 2020, zal door de ouder aan het college overtuigend moeten worden aangetoond, waarom dat onderwijs niet geboden kan worden op de dichterbij gelegen school. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een leerling, die onder een samenwerkingsverband valt waar arrangementen op reguliere basisscholen worden aangeboden, die het speciaal (basis) onderwijs vervangen. De leerling gaat dan naar een reguliere basisschool verder weg, omdat het arrangement, waarop hij onderwijskundig is aangewezen dichterbij niet aanwezig is.

Artikel 11. Tijdelijk verblijf buiten de gemeente

Wanneer de leerling tijdelijk in een andere gemeente verblijft, bijvoorbeeld in verband met noodzakelijke opvang als gevolg van een crisis, is het niet praktisch dat die andere gemeente de vervoerskosten moet dragen. Immers: bij gemeente A moet de vervoersvoorziening (tijdelijk) worden stopgezet, bij gemeente B moet een vervoersvoorziening worden aangevraagd; en een aantal weken later zou het omgekeerde weer moeten gebeuren. Dat zorgt voor een omslachtige belasting voor de leerling of zijn ouders en de gemeenten.

Als de leerling door een crisissituatie gedurende een korte periode in een andere gemeente verblijft, zijn eigen school blijft bezoeken en van gemeentewege al een vergoeding leerlingenvervoer kreeg naar deze school, dan wordt dit verblijf aangemerkt als verblijf in de gemeente. Het college neemt dan de kosten voor vervoer voor zijn rekening.

Vakantie van de ouders geldt overigens niet als reden voor noodzakelijke opvang van de leerling elders. In dat geval is geen sprake van een crisissituatie, maar van een keuze, waarbij ouders zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer.

Artikel 12. Vervoersvoorziening voor weekeinde en vakantie bij verblijf in pleeggezin of internaat

Artikel 4, zesde lid, van de Wec geeft aan dat in de verordening moet worden opgenomen in welke gevallen en onder welke voorwaarden het college aan in de gemeente wonende ouders van leerlingen die met het oog op het volgen van voor hen passend speciaal onderwijs of voortgezet speciaal onderwijs in een internaat of pleeggezin verblijven, op aanvraag een vergoeding verstrekt voor de kosten verbonden aan het weekeinde- en vakantievervoer.

Artikel 12 bevat twee belangrijke componenten:

1- Een vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie wordt alleen verstrekt als het verblijf van de leerling in een internaat of een pleeggezin noodzakelijk is met het oog op het volgen van passend (voortgezet) speciaal onderwijs. Zo is het bepaald in de Wec.

Doorslaggevend is de directe relatie tussen het verblijf in een internaat of pleeggezin en het volgen van passend onderwijs op een school die ver van de woning is gelegen. Dit betekent dat het college geen vervoersvoorziening voor het weekeinde en de vakantie toekent, als de leerling passend onderwijs kan volgen op een school die redelijkerwijs met dagelijks vervoer vanuit het ouderlijk huis bereikt kan worden. Ook betekent dit dat er geen vervoersvoorziening van en naar de woning van de ouders wordt verstrekt als de leerling om medische of sociale redenen in een internaat of pleeggezin verblijft, en daar in de buurt een school bezoekt. Het college dient na te gaan op welke gronden een leerling op een internaat of bij een pleeggezin is geplaatst.

2- Het college verstrekt de vervoersvoorziening voor het weekeinde- en vakantievervoer, als de ouders in de gemeente wonen en daarvoor in aanmerking komen. Zo is het bepaald in de Wec. Het college van de gemeente waar de leerling in een internaat of een pleeggezin verblijft heeft hierin geen rol.

De overige leden

De eisen die aan dit vervoer worden gesteld zijn voor het overige gelijk aan de eisen die aan leerlingen van scholen worden gesteld die dagelijks naar school gaan met het leerlingenvervoer.

Artikel 13. Vervoersvoorziening naar stageadres

Een stage kan deel uitmaken van het onderwijsprogramma van scholen voor voortgezet speciaal onderwijs. In het arbeidsmarktgerichte uitstroomprofiel van het voortgezet speciaal onderwijs is voor leerlingen vanaf 14 jaar minstens één stage zelfs verplicht (artikel 17, eerste lid, van de Wec).

Wanneer de stage is opgenomen in de schoolgids van de school is het stageadres aan te merken als ‘school’. Komt de leerling in aanmerking voor een vervoersvoorziening naar de school waar hij staat ingeschreven, dan bestaat er in beginsel ook aanspraak op leerlingenvervoer naar het stageadres.

Stage is een opstap naar deelname in het maatschappelijk verkeer. Bij het onderzoek naar wat passend vervoer is voor de leerling kan voor de stage een andere vervoersvoorziening worden verstrekt, dan naar de school van de leerling. Het doel blijft om zo zelfstandig mogelijk te reizen.

Artikel 14. Vervoer van en naar een tweede haal of breng adres

In het (speciaal) basisonderwijs komt het steeds vaker voor dat kinderen voorafgaand of na afloop van de lestijd naar een opvangadres gaan. Voor ouders wordt het makkelijker om de zorg te combineren met werk.

Deze bepaling voorziet in de mogelijkheid dat de leerling, als er recht bestaat op een vervoersvoorziening, in afwijking van de Wpo, de Wec en de Wvo 2020, voorafgaand of na afloop van de schooldag niet bij de woning wordt opgehaald of afgezet, maar bij een ander adres. Ouders zijn vervolgens zelf verantwoordelijk voor het brengen of ophalen van de leerling bij de buitenschoolse opvang.

Artikel 15. Onderwijs-Zorg arrangement

Sommige leerlingen volgen onderwijs op een locatie waar ook jeugdhulp wordt aangeboden, dit artikel geeft de voorwaarden aan wanneer het vervoer naar een dergelijke locatie onder het leerlingenvervoer valt.

Artikel 16. Andere oplossing

De mogelijkheid om in aanmerking te komen voor een vervoersvoorziening in het kader van deze verordening is niet bedoeld voor situaties waarin leerlingen voor dit vervoer al (gedeeltelijk) gebruik kunnen maken van een andere regeling of vergoeding. Dit artikel voorkomt dat er een (deels) dubbele vergoeding kan worden ontvangen.

Het bovenstaande geldt echter niet voor vergoedingen die – op aanvraag – aan ouders van schoolgaande kinderen in het voortgezet onderwijs worden verstrekt op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten. Deze vergoeding is opgebouwd uit verschillende componenten, zoals lesgeld, en is zeker niet uitsluitend bestemd voor reiskosten. Daarom wordt deze vergoeding niet verrekend met de vervoersvoorziening.

Artikel 17. Vervoersvergoeding voor de leerling

De hoogte van de vergoeding per fiets en ander vervoer is gebaseerd op de belastingvrije vergoeding woon-werkverkeer die jaarlijks door de Belastingdienst wordt vastgesteld. Voor het jaar 2025 is deze op € 0,23 per kilometer vastgesteld.

Artikel 18. Vervoersvergoeding voor de begeleider

Eerste lid

In een aantal gevallen zal blijken dat het voor een leerling die in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening niet mogelijk is zelfstandig met het openbaar vervoer of de fiets te reizen. In dat geval kan er een vergoeding worden verstrekt voor de vervoerskosten die de begeleider van de leerling moet maken om hem tijdens het vervoer te begeleiden. Het zorgen voor een begeleider is de verantwoordelijkheid van de ouders zelf (zie artikel 8, derde lid).

Gehandicapte leerling

Ouders van leerlingen die door hun handicap niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen (zie toelichting bij artikel 1), komen in aanmerking voor een vergoeding van de vervoerskosten voor de leerling én een begeleider, ongeacht de afstand van de woning naar de school.

Tweede lid

Wie de leerling ook begeleidt, de vergoeding wordt betaald aan de ouders van de leerling voor het deel van de reis, dat de leerling begeleid wordt.

De hoogte van de vergoeding per fiets, OV en ander vervoer is gebaseerd op de belastingvrije vergoeding woon-werkverkeer die jaarlijks door de Belastingdienst wordt vastgesteld. Voor het jaar 2025 is deze op € 0,23 per kilometer vastgesteld.

Artikel 19. Vervoersvergoeding op basis van de kosten van door de ouders georganiseerd vervoer

Dit artikel geeft nadere regels voor de vergoeding van het eigen vervoer. Hiervan is sprake wanneer ouders de leerling zelf naar school vervoeren of laten vervoeren met een eigen vervoermiddel (auto, bromfiets, etc.).

Eerste en tweede lid

Het college kan ouders ook vragen of zij bereid zijn leerlingen van andere ouders naar school te vervoeren. Verplichten is echter niet toegestaan.

Derde lid

Als ouders in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, wordt een vergoeding per kilometer verstrekt. Ook de retourreis ’s morgens en de heenreis ’s middags van de chauffeur moeten vergoed worden. Geen vergoeding wordt verstrekt wanneer de leerling ook tussen de middag wordt vervoerd.

Vierde lid

Het vierde lid bepaalt dat ouders aanspraak maken op een vergoeding per rit op basis van een kilometervergoeding als zij meer dan één leerling uit het gezin tegelijk vervoeren. De kilometervergoeding geldt voor de auto, en wordt niet per leerling verstrekt.

Vijfde lid

Wanneer ouders toestemming vragen meerdere kinderen met een eigen busje te vervoeren, kan het college, bij wijze van uitzondering, een andere vergoeding vaststellen.

De hoogte van de vergoeding per fiets, OV en ander vervoer is gebaseerd op de belastingvrije vergoeding woon-werkverkeer die jaarlijks door de Belastingdienst wordt vastgesteld. Voor het jaar 2025 is deze op € 0,23 per kilometer vastgesteld.

Artikel 20. Aangepast vervoer

Een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer dient in principe slechts in uitzonderingsgevallen te worden versterkt. Deze uitzonderingen zijn in artikel 20 vastgelegd.

Onderdeel a

De reistijd van anderhalf uur hanteren wij voor regulier basisonderwijs, één uur voor speciaal basisonderwijs en 30 minuten voor speciaal onderwijs, op grond van de overweging dat er voor ouders van S(B)O minder of geen keus is voor een school in de wijk waardoor ouders gedwongen worden een langere reistijd te hebben.

Er kan aangepast vervoer worden aangeboden, wanneer de reistijd door inzet van aangepast vervoer met 50% of meer kan worden teruggebracht ten opzichte van de reistijd met het openbaar vervoer. Van belang is dat via een individuele meting die conclusie kan worden getrokken. Overigens is het niet zo dat de ouders in voorkomend geval van het college kunnen eisen dat de totale reistijd ook daadwerkelijk tot 50% of minder wordt teruggebracht.

Het aangepast vervoer wordt veelal voor meerdere leerlingen tegelijk georganiseerd. De reistijd is dan meestal langer, dan gemeten op individuele basis.

Het kan voorkomen dat voor de heenreis (woning-school) de reistijd van anderhalf uur met het openbaar vervoer overschreden wordt, terwijl dit voor de terugreis niet het geval is (of vice versa). In een dergelijk geval wordt er voor de heenreis aangepast vervoer toegekend, en voor de terugreis een vergoeding op basis van openbaar vervoer.

Onderdeel b

Het kan voorkomen dat het openbaar vervoer geheel ontbreekt of zo weinig frequent rijdt dat leerlingen daar geen gebruik van kunnen maken voor het vervoer van de woning naar de school of terug.

Onderdeel c

De ouders dienen aan te tonen dat het voor hen onmogelijk is hun kind in het openbaar vervoer te begeleiden, of dat deze begeleiding tot ernstige benadeling van het gezin zou leiden. Van ouders wordt ook verwacht dat zij allereerst zelf een oplossing zoeken voor het (laten) begeleiden van hun kinderen, wanneer dit nodig is.

Per ouder(paar) en per aanvraag zal het college moeten beoordelen of de gevraagde inzet redelijk is.

Onderdeel d

Als de leerling door zijn structurele handicap niet in staat is, zelfs niet onder begeleiding, van het openbaar vervoer gebruik te maken, verstrekt het college een voorziening in de vorm van aangepast vervoer.

Artikel 21. Afstand tot OV-halte

Om te kunnen bepalen of er wel of geen sprake is van het ontbreken van OV is in dit artikel per onderwijssoort bepaald welke afstand tot een OV-halte als redelijk wordt geacht.

Artikel 22. Vervoerstraining

Het doel van de vervoerstraining is om de leerling in staat te stellen alsnog zelfstandig te kunnen reizen, waarbij hij niet langer op een vervoersvoorziening is aangewezen. Als dat niet mogelijk is dan wordt de leerling door middel van de vervoerstraining ondersteund in het zo zelfstandig mogelijk reizen, waardoor hij gebruik kan maken van een vervoersvoorziening, waarbij hij bijvoorbeeld niet langer afhankelijk is van een begeleider die met hem meereist.

Artikel 23. Vergoeding andere passende vervoersvoorziening

Het kan voorkomen, dat een leerling of een ouder op een andere manier kan of wenst te reizen, dan de reeds beschreven vervoerswijzen, als hij daarvoor een geschikt vervoermiddel heeft. Artikel 23 maakt het mogelijk dit maatwerk toe te passen en de vergoeding zodoende te laten aansluiten bij de mogelijkheden van de leerling en/of de ouders. Het kan er tevens toe bijdragen, dat het zelfstandig reizen wordt gestimuleerd.

Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan een handbike, elektrische fiets, of bakfiets.

Artikel 24. Schooltijden en wachttijden

Eerste lid

Het aangepast vervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals aangegeven in de schoolgids van de school. In alle andere situaties zijn ouders zelf verantwoordelijk voor de schoolgang van hun kind. Vervoer dat nodig is in verband met een activiteit van de school (sportdag, excursie, sinterklaas- of andersoortige feestdagviering) valt buiten het leerlingenvervoer.

Tweede lid

In het voortgezet speciaal onderwijs en het regulier voortgezet onderwijs kan het voorkomen, dat er binnen de vaste schooltijden gewerkt wordt met lesroosters. Ook in dat geval vindt het aangepast vervoer in principe plaats op het begin en het einde van de schooldag volgens de schoolgids. Het college kan, ingeval van aangepast vervoer, echter overwegen om dan een wachttijd te hanteren, waarbij leerlingen op elkaar wachten, dan wel eerder op school zijn. Hierdoor kan het vervoer toch gecombineerd worden.

Derde lid

Alleen wanneer de leerling door een structurele handicap slechts een deel van het onderwijsprogramma kan volgen, kan er in een voorkomend geval tijdens de schooltijd vervoerd worden. Sociale omstandigheden, lichamelijke problemen van tijdelijke aard of leeftijd zijn geen grond voor het vervoer tijdens schooltijd. De ouders dienen hun verzoek om een vervoersvoorziening op deze afwijkende tijden te onderbouwen door verklaringen.

Het college kan, overeenkomstig artikel 4, een deskundige inschakelen om het geleverde bewijs te beoordelen.

Artikel 25. Aanwijzing opstapplaats

Eerste lid

Deze bepaling voorziet in een bevoegdheid aan het college om opstapplaatsen aan te wijzen, vanwaar leerlingen met de taxi of bus worden vervoerd. Met een dergelijk systeem worden de leerlingen niet thuis voor de deur opgehaald, maar moeten zij naar de door het college aangewezen opstapplaats, vanwaar zij worden opgehaald.

Derde lid

Het uitgangspunt is dat ouders zelf zorgdragen voor de voor de leerling noodzakelijke begeleiding. Wanneer het voor ouders onmogelijk is om de leerling naar de opstapplaats te (laten) begeleiden, dan wijst het college geen opstapplaats aan. Omdat van ouders een redelijke mate van inzet verwacht mag worden zal hier niet snel sprake van zijn. Het is aan het college om te beoordelen of ouders voldoende hebben aangetoond dat het (laten) bieden van begeleiding naar en op de opstapplaats voor hen, door individuele omstandigheden, onmogelijk is.

Artikel 26. Ophaal- en brengplaats

Om het aangepast vervoer veilig te laten verlopen is de verplichting opgenomen dat ouders of een andere volwassene het kind in persoon moet overdragen aan de chauffeur en ook wee moet ophalen. Dit is ook het moment dat kort informatie over het kind kan worden overgedragen waarmee rekening kan worden gehouden in het verover of bij het afronden van de schooldag thuis.

Bij het niet aanwezig zijn van ouders op de haal- en brengplek, die thuis of elders kan zijn, is er sprake van een loosmelding, bij meerdere loosmeldingen kan het college besluiten tot een financiële sanctie.

Artikel 27. Gedrag in het aangepast vervoer

Leerlingen kunnen alleen veilig in het aangepast vervoer worden vervoerd als het gedrag in het vervoer aanvaardbaar is en de veiligheid niet in gevaar wordt gebracht. Ook van ouders wordt verantwoord gedrag gevraagd. In dit artikel is opgenomen dat bij misdragingen er sancties worden opgelegd. De wijze van sanctie opleggen en voor welke categorieën van gedragingen zal worden uitgewerkt in de beleidsregels.

Artikel 28. Overstapplaatsen

Bij scholen die op zeer grote afstand liggen, meer dan 50 km, kan een overstap op een ander auto(busje) worden gebruikt om het vervoer efficiënt in te zetten door leerlingen vanuit verschillende gemeenten te combineren.

Hoofdstuk 4. Bijdrage in de kosten

Van ouders van leerlingen die een school voor basisonderwijs bezoeken kan in bepaalde gevallen, afhankelijk van het inkomen, een bijdrage worden gevraagd. Deze bijdrage kan worden verrekend met de eventuele vergoeding. Een wijziging in het inkomen van deze ouders heeft in principe geen invloed op de vergoeding van de vervoerskosten voor datzelfde jaar (zie inkomen artikel 1). Indien echter sprake is van een structurele daling in het inkomen van de ouders kan het college, vooruitlopend op een komend schooljaar, de vergoeding aanpassen.

Artikel 30. Drempelbedrag

Eerste en tweede lid

Artikel 4, zevende lid, van de Wpo biedt de mogelijkheid een drempelbedrag bij ouders in rekening te brengen. De wetgever heeft bedoeld de ouders verantwoordelijk te laten zijn voor een bepaald deel van de (werkelijk gemaakte) kosten van het vervoer, de zogenaamde drempel.

Het bedrag wordt per leerling in rekening gebracht, tenzij ouders meer dan één eigen kind met het eigen vervoer vervoeren en hiervoor een kilometervergoeding ontvangen. Dan wordt er per auto een drempelbedrag geheven (ABRvS 19 juli 2017, ECLI:NL: RVS:2017:1959). Als een leerling slechts voor een deel van het schooljaar een vervoersvoorziening wordt toegekend, wordt het drempelbedrag naar evenredigheid in rekening gebracht. Dit geldt ook wanneer alleen voor de heen- of terugreis een vervoersvoorziening wordt toegekend, of voor enkele dagen per week.

Indexatie

Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS.

Structurele daling van inkomen

Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer.

Vierde lid

Het drempelbedrag is niet van toepassing op de ouders van gehandicapte leerlingen, die niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen. Ook pleegouders en voogdijinstellingen hebben wij uitgesloten van het betalen van een eigen bijdrage.

Artikel 31. Draagkrachtafhankelijke bijdrage

Artikel 4, elfde lid, van de Wpo biedt de mogelijkheid een bijdrage te vragen in de kosten van het vervoer, wanneer de afstand tot de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer is dan twintig kilometer. Deze bijdrage kan alleen worden gevraagd wanneer het een school voor regulier basisonderwijs betreft. De bijdrage is afhankelijk van de financiële draagkracht van de ouders.

Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd wanneer het gaat om leerlingen die wegens hun structurele handicap op ander vervoer dan openbaar vervoer zijn aangewezen, of vanwege een zodanige handicap niet zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

De draagkrachtafhankelijke bijdrage wordt per gezin geheven, in tegenstelling tot het drempelbedrag dat per leerling in rekening wordt gebracht.

Indexatie

Voor de berekening van het geïndexeerde inkomen waarbij het drempelbedrag van toepassing is, wordt verwezen naar data van het CBS.

Structurele daling van inkomen

Wanneer het inkomen van de betrokken ouders in de periode die ligt tussen het peiljaar en het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend op een structurele wijze is gedaald, is het redelijk om in het voordeel van de ouders een later peiljaar te kiezen door af te wijken van de verordening. Om te bepalen in welk geval het redelijk is van de peildatum af te wijken, dient artikel 6.12 van de Wet studiefinanciering als richtsnoer.

Hoofdstuk 5. Rechtmatigheid

Artikel 32. Doorgeven van wijzigingen

Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen die van directe invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening door te geven aan het college. Zij moeten dit zo snel mogelijk doen.

Van invloed op de vervoersvoorziening zijn onder andere:

  • -

    wijziging in het woonadres van de leerling, bijvoorbeeld door verhuizing;

  • -

    verandering van school (bijvoorbeeld van speciaal onderwijs naar voortgezet speciaal onderwijs);

  • -

    wijziging van het adres van de school;

  • -

    wijziging van de schooltijden;

  • -

    verandering van de reistijd, bijvoorbeeld door een wijziging in het openbaar vervoer;

  • -

    wijziging in de gezinssituatie, in verband met het al dan niet kunnen begeleiden van leerlingen.

Als de wijziging daartoe aanleiding geeft neemt het college een passend besluit tot beëindiging, opschorting, herziening of intrekking van de verstrekte vervoersvoorziening.

Artikel 33. Beëindiging, opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van de vervoersvoorziening

Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht informatie met betrekking tot wijzigingen in hun situatie die van invloed kunnen zijn op het recht op een toegekende vervoersvoorziening direct door te geven aan het college (artikel 26). Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf ook wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op het recht op de vervoersvoorziening. Het college neemt op basis van deze doorgegeven of geconstateerde informatie een passend besluit.

Beëindigen

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (in de nabije toekomst) niet langer recht bestaat op de eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op deze voorziening te beëindigen. Er bestaat dan vanaf het moment van het besluit, of een in het besluit genoemde toekomstige datum, niet langer recht op de vervoersvoorziening.

Opschorten

Als er naar het oordeel van het college gegronde redenen zijn om te twijfelen of er nog wel recht op een toegekende vervoersvoorziening bestaat, kan het college de werking van het toekenningsbesluit door middel van een opschortingsbesluit tijdelijk opschorten. De vervoersvoorziening wordt dan tijdelijk niet verstrekt, in afwachting van verder onderzoek.

Herzien

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) geen recht bestond op de eerder toegekende vervoersvoorziening, maar wel op een andere vervoersvoorziening, dan besluit het college om het recht op de vervoersvoorziening te herzien en alsnog de correcte vervoersvoorziening (voor de correcte periode) toe te kennen.

Intrekken

Als er naar het oordeel van het college uit informatie blijkt dat er (voor een deel van de periode) in het geheel geen recht bestond op een eerder toegekende vervoersvoorziening, dan besluit het college het recht op de toegekende vervoersvoorziening (voor die periode) in te trekken.

Overig

Naast de hiervoor genoemde besluiten op basis van nieuwe informatie kan het college een leerling de toegang tot het aangepast vervoer tijdelijk of voor de rest van het schooljaar ontzeggen, indien bij herhaling is gebleken dat de leerling door onaangepast gedrag of anderszins de orde in het voertuig verstoort of de veiligheid van het voertuig of inzittenden in gevaar brengt. Dit kan ook aan de orde zijn indien de zorgvraag van de leerling dermate hoog is dat die niet van een reguliere chauffeur kan worden gevergd. Ook de weigering om de eigen bijdrage te betalen of nalatig zijn in de betaling kan een reden zijn dat de vervoersvoorziening wordt ingetrokken.

Tweede lid

Het college kan, zonder dat de ouders of de meerderjarige en handelingsbekwame leerling iets hebben doorgegeven, zelf wijzigingen constateren die van invloed kunnen zijn op de vervoersvoorziening. Daarbij kan blijken dat ten onrechte een vergoeding is verstrekt. Het tweede lid biedt in dergelijke situaties een kapstok om de ten onrechte betaalde vergoeding terug te vorderen of in mindering te brengen bij een eventueel nieuw te verstrekken vergoeding (zie ABRvS 25 januari 2017, ECLI:NL: RVS:2017:165).

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 34. Beslissing in gevallen waarin de regeling niet voorziet

In de Verordening leerlingenvervoer zijn de hoofdlijnen voor het verstrekken van een vervoersvoorziening ten behoeve van schoolbezoek vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Te denken valt hierbij aan gemeenschappelijke afspraken met andere gemeenten, combinaties van openbaar vervoer met aangepast vervoer, varianten in het gebruik van eigen vervoer etc. Artikel 34 bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming dient in de geest van de wet en de verordening gehandeld te worden.

Artikel 35. Hardheidsclausule

Artikel 35 stelt dat het college slechts in voor ouders voordelige zin kan afwijken van de verordening. Met deze bepaling wordt aangesloten bij artikel 4, twaalfde lid, van de Wpo, artikel 4, tiende lid, van de Wec en artikel 8.29, vijfde lid, van de Wvo 2020.

Van een afwijking in voor ouders gunstige zin kan bijvoorbeeld sprake zijn bij toekenning van de vergoeding van openbaar vervoer voor een begeleider, toekenning van een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer, vergoeding van groepsvervoer dat is georganiseerd door de ouders, of toekenning van een vervoersvoorziening naar een verder weg gelegen school. De hardheidsclausule maakt het mogelijk om van alle bepalingen in de verordening af te wijken. De ouders dienen aan te tonen dat er sprake is van een bijzondere situatie

Nota bene: Het gaat hierbij uitsluitend om vervoer voor schoolbezoek ten behoeve van onderwijs, niet voor schoolbezoek ten behoeve van een medische behandeling of jeugdhulp.

Precedentwerking

Ter voorkoming van precedentwerking moet de toepassing van de hardheidsclausule worden onderbouwd met argumenten die op de specifieke, concrete situatie van de ouders en/of de leerling betrekking hebben