Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755166
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR755166/1
Beleidsregel aanvraagprocedure Participatiewet in balans Goeree-Overflakkee
Geldend van 14-01-2026 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2026
Intitulé
Beleidsregel aanvraagprocedure Participatiewet in balans Goeree-OverflakkeeBurgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee;
overwegende dat het gewenst is om een beleidsregel vast te stellen voor de wijzigingen en de lokale beleidsvrijheid die voortvloeien uit de eerste fase van de implementatie van de Participatiewet met betrekking tot de aanvraagprocedure en die de volgende onderwerpen betreft:
- –
het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor de afloop van de zoektermijn;
- –
het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure; en
- –
het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht;
zodat op transparante en eenduidige wijze uitvoering wordt gegeven aan de hiervoor genoemde onderwerpen;
gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
besluiten vast te stellen de Beleidsregel aanvraagprocedure Participatiewet in balans Goeree-Overflakkee.
HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- –
Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;
- –
jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de wet;
- –
probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;
- –
schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;
- –
wet: Participatiewet;
- –
Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
- –
zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de wet.
HOOFDSTUK 2 BELEIDSKEUZES
Artikel 2 Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Burgemeester en wethouders maken in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
- a.
de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;
- b.
de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:
- 1°
in een inrichting verbleven;
- 2°
opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of
- 3°
bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet;
- 1°
- c.
voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;
- d.
de jongere een zorgbehoefte heeft;
- e.
de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;
- f.
de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;
- g.
de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;
- h.
de jongere betreft een nieuw te vestigen statushouder.
Artikel 3 Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
- 1.
Burgemeester en wethouders maken gebruik van de bevoegdheid om gegevens die bij hen berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de wet, te gebruiken, wanneer:
- a.
dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;
- b.
de nieuwe aanvraag is ingediend binnen zes maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,
- c.
de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:
- 1°
werkaanvaarding;
- 2°
detentie;
- 3°
aanvang studie;
- 4°
aangaan relatie.
- 1°
- a.
- 2.
Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaan burgemeester en wethouders bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:
- a.
het hoofdverblijf;
- b.
de gezinssituatie; en
- c.
het inkomen en het vermogen.
- a.
- 3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.
Artikel 4 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
- 1.
Burgemeester en wethouders zijn in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de wet als:
- a.
er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
- 1°
de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;
- 2°
de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;
- 3°
een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;
- 4°
een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan burgemeester en wethouders heeft verstrekt;
- 5°
de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;
- 6°
de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen;
- 1°
- b.
er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in een van de volgende situaties het geval kan zijn:
- 1°
de belanghebbende heeft betalingsachterstanden;
- 2°
na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende failliet verklaard;
- 3°
na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.
- 1°
- a.
- 2.
Burgmeester en wethouders kennen de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.
- 3.
Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.
HOOFDSTUK 3 SLOTBEPALINGEN
Artikel 5 Evaluatie
Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel onderzoeken burgemeester en wethouders de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk.
Artikel 6 Inwerkingtreding en overgangsrecht
- 1.
Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.
- 2.
Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.
Artikel 7 Citeertitel
Deze beleidsregel wordt aangehaald als: Beleidsregel aanvraagprocedure Participatiewet in balans Goeree-Overflakkee.
Aldus vastgesteld op 6 januari 2026 door
burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee,
drs. S. van Heeren mr. A. Grootenboer-Dubbelman
secretaris burgemeester
Ondertekening
Toelichting
Algemeen
Op 1 januari 2026 is de Participatiewet gewijzigd door de Participatiewet in balans en door de Verzamelwet SZW 2026. De wijzigingen door de Participatiewet in balans treden gefaseerd in werking. Deze beleidsregel ziet op het invullen van de beleids- en uitvoeringsruimte van burgemeester en wethouders op een drietal bevoegdheden uit de eerste fase. Deze bevoegdheden bieden burgemeester en wethouders onder voorwaarden de mogelijkheid om:
de vier weken zoektermijn voor jongeren achterwege te laten;
bij burgemeester en wethouders berustende gegevens te hergebruiken en daarmee de aanvraag voor belanghebbenden te vereenvoudigen; en,
met terugwerkende kracht bijstand te verlenen tot maximaal drie maanden voor de melding.
Voor de laatste twee bevoegdheden (hergebruik van gegevens en terugwerkende kracht) geldt dat burgemeester en wethouders deze ook kunnen inzetten voor de aanvraag van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Ioaw). Dit komt in de beleidsregel ook tot uiting in de artikelen 4, derde lid, en 5, derde lid.
Artikelsgewijs
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
Artikel 1. Definities
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.
Probleemschulden
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ burgemeester en wethouders iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Schuldregeling
Een schuldregeling is een betaalregeling met schuldeisers voor de aflossing van problematische schulden. De gemeente is verantwoordelijk voor schuldhulpverlening en kan met de schuldeisers en de schuldenaar een schuldregeling treffen, op grond van de Wgs. Daarnaast kan de rechter een wettelijke schuldsanering uitspreken, op grond van de Wsnp. In beide gevallen leidt een schuldregeling ertoe dat na afronding belanghebbende een ‘schone lei’ krijgt.
Zoektermijn
Onder ‘zoektermijn’ wordt verstaan: de termijn van vier weken nadat een jongere (tot 27 jaar) zich heeft gemeld om algemene bijstand aan te vragen. Pas na die termijn kan een aanvraag worden ingediend en door burgemeester en wethouders in behandeling worden genomen (enkele uitzonderingen daargelaten, zie artikel 41, vierde lid, van de Wet).
Artikel 2. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
Aan artikel 41 van de wet, waar de zoektermijn is geregeld, wordt een elfde lid toegevoegd:
‘In afwijking van het vierde lid kan het college de aanvraag voor het verstrijken van de termijn van vier weken in behandeling nemen, indien naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven.’
Het twaalfde lid voegt daaraan toe, dat burgemeester en wethouders de jongere na de melding dan in de gelegenheid stelt om direct zijn aanvraag in te dienen.
Uitgangspunt blijft, dat zelfredzame jongeren werk zoeken of zich voor een opleiding aanmelden. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief. Voor jongeren in kwetsbare omstandigheden wordt met deze wetswijziging de mogelijkheid geboden om de zoektermijn achterwege te laten.
In artikel 2 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Artikel 3. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van het nieuwe artikel 43a:
1. Indien na het eindigen van de algemene bijstand binnen twaalf maanden een nieuwe aanvraag wordt gedaan, kan het college de gegevens die bij hem berusten in verband met de eerdere bijstandsverlening gebruiken, indien dit leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag.
2. Het college verifieert de juistheid en actualiteit van de gegevens, bedoeld in het eerste lid, in de beschikbare bronnen en zo nodig bij de belanghebbende.’
Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen maximaal twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt tot een periode van zes maanden, omdat vanaf zes maanden recht op een werkloosheidsuitkering kan ontstaan. Binnen deze periode van zes maanden benutten burgemeester en wethouders dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Eerste lid
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. In het eerste lid zijn enkele situaties beschreven waarbij dat het geval kan zijn. In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Tweede lid
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Burgemeester en wethouders kunnen bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
Derde lid
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de Wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 4. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de Wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Dat betekent dat het niet mogelijk is om een uitkering met terugwerkende kracht toe te kennen. Volgens vaste rechtspraak kan dit bij uitzondering wél als er sprake is van bijzondere omstandigheden. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen. Omdat deze uitzondering als te beperkt werd ervaren, zijn de mogelijkheden om bijstand met terugwerkende kracht te verstrekken verruimd op grond van artikel 44, vijfde lid:
‘In afwijking van het eerste lid kan het college bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld, indien individuele omstandigheden hiertoe noodzaken.’
Met dit nieuwe lid (kan-bepaling) krijgen burgemeester en wethouders de ruimte om de bijstand in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt.
Eerste lid
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
- 1.
De melding is te laat gedaan als gevolg van de individuele omstandigheden.
- 2.
De gevolgen van de late melding zijn ernstig voor de bijstandsgerechtigde.
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Onderdeel a
Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van burgemeester en wethouders wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Onderdeel b
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Tweede lid
Artikel 44, vijfde lid, van de wet geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bijstand toe te kennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stellen burgemeester en wethouders vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn.
Derde lid
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 5. Evaluatie
Het vaststellen van deze verzamelbeleidsregel, of elementen daarvan, zal er op onderdelen toe leiden, dat het gemeentelijk beleid gewijzigd wordt. Om te beoordelen of dat beleid doel treft, doelmatig kan worden uitgevoerd, en binnen rechtmatigheidsgrenzen blijft, wil het burgmeester en wethouders periodiek onderzoeken en evalueren wat de stand van de uitvoering is. Zowel voor de eigen uitvoering als voor de inwoner is het van belang, dat het beleid regelmatig tegen het licht wordt gehouden, actueel wordt gehouden en op effecten wordt onderzocht. Mogelijk moet na verloop van tijd bijstelling plaats te vinden.
Artikel 6. Inwerkingtreding en overgangsrecht
Tweede lid
Voor besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2026, geldt in ieder geval, dat deze in stand blijven totdat daarover opnieuw is beslist. Dat zal bij de giftenregeling het geval kunnen zijn. Denkbaar is, dat besloten is om in een individueel geval periodieke giften vrij te laten. Die vrijlating blijft doorlopen, totdat daarop met toepassing van de nieuwe regels is beslist.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl