Protocol huisbezoeken Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz Maashorst 2025

Geldend van 08-01-2026 t/m heden

Intitulé

Protocol huisbezoeken Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz Maashorst 2025

Het College van burgemeester en wethouders;

overwegende dat een protocol huisbezoeken voor de Participatiewet (Pw), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) wenselijk is, om de rechten van onze inwoners te borgen, en om ervoor te zorgen dat medewerkers weten hoe te handelen wanneer zij een huisbezoek afleggen;

gelet op artikel 17 en artikel 53a van de Participatiewet, artikel 14 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 14

14 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze zelfstandigen en atikel 78f van de Participatiewet voor toepassing van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

b e s l u i t

vast te stellen het

Protocol huisbezoeken Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz Maashorst 2025

Inleiding

Het huisbezoek is een goede manier om duidelijkheid te krijgen over de woon- en leefsituatie van de inwoner. We kunnen het huisbezoek gebruiken om te onderzoeken of iemand recht heeft op algemene of bijzondere bijstand. Degene die bijstand aanvraagt noemen we verder de belanghebbende. De inwoner of belanghebbende kan een huisbezoek ook ervaren als negatief en in strijd met zijn of haar persoonlijke leven en privacy. De gemeente gaat daarom op een zorgvuldige en heldere en open manier om met het huisbezoek.

De bedoeling van dit protocol is medewerkers van de gemeente een actuele aanwijzing te geven over de rechten en plichten van medewerkers en de inwoners. Dit protocol geldt voor huisbezoeken die worden uitgevoerd bij de toepassing van de Participatiewet en de regelingen van de gemeente Maashorst hierover. Bovendien geldt dit protocol voor de toepassing van de IOAW, IOAZ en Bbz.

Het protocol bestaat uit drie delen. Het eerste deel geeft de basis van het handelen vóór en tijdens het huisbezoek weer. Het tweede gedeelte legt het vervolg uit ná het huisbezoek en het derde gedeelte geeft de juridische basis weer.

Deel 1: Vóór en tijdens het huisbezoek

In welke situatie?

Je kunt een huisbezoek uitvoeren in de volgende situaties:

  • 1.

    Als de belanghebbende door medische beperkingen zelf niet naar de gemeente kan komen. De belanghebbende kan hier zelf om vragen of de gemeente kan het aanbieden. Ook kun je een huisbezoek gebruiken om de hele situatie van de belanghebbende te overzien en dan beter passende re-integratie te kunnen bieden.

  • 2.

    Om te onderzoeken of de woonsituatie (nog) is zoals de belanghebbende heeft aangegeven.

  • 3.

    Om te onderzoeken of de belanghebbende recht heeft op algemene of bijzondere bijstand, re-integratie of een andere vorm van hulp.

De Centrale Raad van Beroep heeft in meerdere uitspraken (zie onder Deel 3 bij Uitspraken over huisbezoeken *) aangegeven, dat het huisbezoek een middel is dat mag worden gebruikt en dat niet te zwaar is (we noemen dit proportioneel). Zij geeft dan wel de voorwaarde dat de belanghebbende toestemming moet hebben gegeven voor het huisbezoek nadat je hem of haar duidelijk en volledig de volgende dingen hebt verteld:

  • de aanleiding van het huisbezoek;

  • het doel van het huisbezoek;

  • de gevolgen voor de belanghebbende als hij of zij het huisbezoek weigert.

Gevolgen voor het recht op uitkering bij het weigeren van een huisbezoek

Het uitvoeren van een huisbezoek is volgens de rechter mogelijk. Als de inwoner weigert mee te werken aan het huisbezoek, kun je daar niet altijd gevolgen aan verbinden.

Wél gevolgen

Een weigering van het huisbezoek heeft wel gevolgen voor de (hoogte van de) uitkering als het gaat om een onderzoek of iemand recht heeft op een uitkering, of hoe hoog die uitkering moet zijn en er een gegronde reden is voor een huisbezoek. Ook als het gaat om een aanvraag voor bijzondere bijstand voor duurzame producten die de inwoner lange tijd gebruikt of voor het inrichten van een woning.

Géén gevolgen

Een weigering van het huisbezoek heeft geen gevolgen, als er geen gegronde reden aanwezig is voor een huisbezoek.

Wanneer iemand een huisbezoek weigert bij re-integratie, dan heeft dit geen rechtstreeks gevolg voor het recht op een uitkering. Maar je mag afhankelijk van de situatie soms wel een maatregel opleggen, zodat de uitkering tijdelijk lager wordt.

Met ingang van 1 januari 2013 geldt de ‘Wet houdende een regeling in de sociale zekerheid van de- rechtsgevolgen van het niet aantonen van de leefsituatie na het aanbod van een huisbezoek’. Deze wet richt zich vooral op het huisbezoek waarbij je controleert of gegevens juist zijn, die de belanghebbende heeft gegeven. Dit voor de situatie, dat je geen vermoeden hebt dat de belanghebbende handelt in strijd met de inlichtingenplicht.

Artikel 53a lid 2 van de Participatiewet geeft de gemeente de bevoegdheid om de belanghebbende te vragen om te laten zien dat:

  • deze alleenstaande (ouder) is;

  • deze feitelijk verblijft op het adres dat hij of zij heeft aangegeven;

  • deze de kosten niet kan delen met een ander, of met meer anderen dan door hem/haar aangegeven.

De gemeente kan daarbij aanbieden dit te doen door een huisbezoek.

Subsidiariteit en proportionaliteit

Wanneer er voldoende aanleiding is om een huisbezoek uit te voeren, kun je niet in het algemeen zeggen. Welke gevolgen een weigering van een huisbezoek moet hebben, verschilt per situatie. Weeg daarom elk individueel onderzoek af op basis van de feiten en omstandigheden die je al kent. Hetzelfde geldt voor de vraag wanneer je een huisbezoek aangekondigd of onaangekondigd uitvoert. Ook hier maak je per onderzoek een zorgvuldige afweging, waarbij je bekijkt of het huisbezoek echt nodig is en of je een ander of minder ingrijpend middel kunt gebruiken (de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit).

Subsidiariteit

Je mag geen huisbezoek uitvoeren als controlemiddel als er een minder ingrijpende maar even goed werkende andere manier is waarmee je iemands recht kunt vaststellen. Dit noemt men het subsidiariteitsbeginsel. Als je bijvoorbeeld alle twijfel kunt wegnemen over het recht op een uitkering door een gesprek met de inwoner, het inzien van de inschrijving in de gemeentelijke basisadministratie, het huurcontract en betaalbewijzen van de huur, dan is het uitvoeren van een huisbezoek niet nodig.

Proportionaliteit

Verder moet het huisbezoek in redelijke verhouding staan tot het doel dat we er mee willen bereiken. Dit noemt men het proportionaliteitsbeginsel. Als bijvoorbeeld het doel van een onderzoek is om inzicht te krijgen in de bankafschriften van een inwoner, is het niet nodig om hiervoor een huisbezoek uit te voeren. De inwoner kan net zo goed op het gemeentehuis zijn of haar bankafschriften aan je laten zien.

Informed consent

Het eerste wat je doet als de deur geopend wordt, is jezelf legitimeren met een door de gemeente verstrekt legitimatiebewijs.

Informed consent wil zeggen dat de belanghebbende pas toestemming geeft dat je binnengaat in zijn of haar woning als je complete en juiste informatie hebt gegeven over de reden en het doel van het huisbezoek. Ook moet je hebben verteld wat de gevolgen er zijn als iemand geen toestemming geeft. Over de vraag of de belanghebbende al dan niet toestemming geeft, mag geen twijfel bestaan. Als inzet van een (telefonische) tolk nodig is om er zeker van te zijn dat belanghebbende de informatie heeft begrepen, dan zet je deze in. De gemeente moet bij rechtszaken bewijzen dat de belanghebbende toestemming heeft gegeven tot het binnengaan van de woning, nadat deze juist en volledig is geïnformeerd. Daarom is het belangrijk dat de belanghebbende een instemmingsverklaring (informed consent) ondertekent. In de gemeente Maashorst noemen we dit een Toestemming Huisbezoek.

Een belanghebbende kan ook toestemming geven voor het huisbezoek, maar de instemmingsverklaring niet ondertekenen. Dan moet je ervoor zorgen dat de toestemming wordt vastgelegd in het verslag van het huisbezoek.

Wanneer het noodzakelijk is om foto’s te maken dan vraag je daarvoor toestemming aan de belanghebbende.

Hersteltermijn

Weigert een belanghebbende zonder een zwaarwegende reden toestemming dat je binnengaat in zijn of haar woning? Dan kun je aangeven dat je over vijf minuten opnieuw aanbelt en kijkt of de belanghebbende alsnog toestemming geeft om de woning binnen te gaan. Dit noemen we een hersteltermijn. Je bent niet verplicht om een hersteltermijn te geven. Want een hersteltermijn kan ten koste gaan van de effectiviteit van het huisbezoek.

De belanghebbende kan op elk moment tijdens het huisbezoek de toestemming alsnog intrekken. Je gaat dan meteen weg uit de woning. Wel kun je de belanghebbende vragen om nog eens na te denken over de weigering en de gevolgen voor zijn of haar uitkering (of aanvraag van een uitkering). Ook hier kun je een hersteltermijn geven, maar het hoeft niet. Als de belanghebbende bij de weigering blijft, stopt het huisbezoek en ga je weg.

Aangekondigde en onaangekondigde huisbezoeken

Huisbezoeken kunnen aangekondigd en onaangekondigd plaatsvinden. Dit wil zeggen mét een melding vooraf of zónder melding vooraf.

Huisbezoeken in het kader van re-integratie meld je altijd van tevoren aan de belanghebbende. Deze heeft bij een aangekondigd huisbezoek het recht om zich te laten helpen door een vertrouwenspersoon. Je informeert de belanghebbende van tevoren hierover.

Huisbezoeken in het kader van controle en vaststelling van het recht op bijstand kunnen onaangekondigd plaatsvinden als dit in het belang van het onderzoek is.

Bij een onaangekondigd huisbezoek is altijd minstens één medewerker handhaving Participatiewet aanwezig. Deze neemt de beslissing om op onaangekondigd huisbezoek te gaan.

De medewerker handhaving legt in zijn/haar rapportage altijd uit waarom hij/zij voor het afleggen van een huisbezoek heeft gekozen.

Tijdens het huisbezoek

Zoals eerder aangegeven, is het huisbezoek bedoeld om duidelijkheid te krijgen hoe de woon- en leefsituatie van de belanghebbende is en of en zo ja wie er nog meer wonen. Ook is het belangrijk om duidelijkheid te krijgen over het recht op een uitkering of de situatie voor re-integratie naar werk. Let er vooral op, dat je je daarop focust tijdens het huisbezoek. Maak een verslag van het huisbezoek. Het verslag moet zo zorgvuldig en betrouwbaar mogelijk zijn. Let op de volgende punten:

  • Huisbezoeken voeren we in ieder geval met 2 medewerkers uit.

  • Je opent zelf geen deuren en/of kasten. Deze worden desgevraagd geopend door de belanghebbende.

  • Schrijf op wat je tegenkomt en let op details.

  • Maak het verslag snel na het huisbezoek af. Het verslag bevat alleen relevante feiten.

  • Maak foto’s als het nodig is om de situatie, waarover het huisbezoek gaat, duidelijker te maken, en leg uit dat dat nodig is voor correcte verslaglegging.

Extra uitleg voor een huisbezoek voor re-integratie

  • Je meldt het huisbezoek van te voren aan de belanghebbende.

Deel 2: Ná het huisbezoek

Zowel bij het huisbezoek voor re-integratie als bij het huisbezoek voor controle of vaststelling van feiten, zijn er verschillende mogelijke vervolgstappen.

Re-integratie

Bij re-integratie besluit je na het huisbezoek of je middelen van re-integratie geeft aan de belanghebbende, bijvoorbeeld het volgen van een cursus of het laten starten bij een vrijwilligersorganisatie.

De eindrapportage

Bij zaken waarbij een handhavingsonderzoek is uitgevoerd, staan in de eindrapportage de resultaten van het volledige onderzoek. Daarin geef je uitleg van de feiten en de gevolgen die je eraan verbindt voor de uitkering of re-integratie. Het verslag van het huisbezoek doe je als bijlage bij de eindrapportage.

In interne werkinstructies leggen we de uitwerking van het protocol huisbezoeken Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz Maashorst 2025 vast.

Deel 3: Juridische basis

Een huisbezoek maakt een grote inbreuk op de privacy van de inwoner. Daarom heeft de wetgever in verschillende wetten bepalingen opgenomen om die privacy van de inwoner te beschermen. Het gaat onder andere om het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), de Grondwet, de Algemene wet op het binnentreden (Awbi) en de Algemene verordening gegevensbescherming ((AVG). Ook de rechter geeft uitleg aan huisbezoeken en privacy.

Uitspraken over huisbezoeken (*)

Uitspraken van de rechter kun je vinden via de website https://www.rechtspraak.nl. Je kunt daar het zoekveld ‘uitspraken zoeken op (onder andere) ECLI’ invullen met de volgende gegevens:

  • ECLI:NL:RBZWB:2024:6982 – huisbezoek toegestaan voor vaststelling uitkering.

  • ECLI:NL:RBGRO:2010:BN2881 – informed consent (toestemming huisbezoek).

  • ECLI:NL:CRVB:2017:4473 – medewerker mag niet zelf kasten openen, mag wel foto’s maken.

Wetgeving over huisbezoeken

De artikelen 17 en 53a van de Participatiewet vormen de wettelijke basis voor de huisbezoeken.

Hieronder vind je de belangrijkste letterlijke stukken uit de wetgeving:

Artikel 8 EVRM - Recht op eerbiediging van privé, familie- en gezinsleven:

  • 1.

    Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

  • 2.

    Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 10 Grondwet - Eerbiediging en bescherming persoonlijke levenssfeer:

  • 1.

    Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.

  • 2.

    De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.

  • 3.

    De wet stelt regels inzake de aanspraken van personen op kennisneming van over hen vastgelegde gegevens en van het gebruik dat daarvan wordt gemaakt, alsmede op verbetering van zodanige gegevens.

Artikel 370 Wetboek van Strafrecht - Onrechtmatige binnentreding:

  • 1.

    De ambtenaar die, met overschrijding van zijn bevoegdheid of zonder inachtneming van de bij de wet bepaalde vormen, in de woning of het besloten lokaal of erf, bij een ander in gebruik, diens ondanks binnentreedt of, wederrechtelijk aldaar vertoevende, zich niet op de vordering van of vanwege de rechthebbende aanstonds verwijdert, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie (dit is in 2025 €10.300,00. Het bedrag wordt periodiek bijgesteld).

Artikel 17 Participatiewet – Inlichtingenplicht:

  • 1.

    De belanghebbende doet aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. Deze verplichting geldt niet indien die feiten en omstandigheden door het college kunnen worden vastgesteld op grond van bij wettelijk voorschrift als authentiek aangemerkte gegevens of kunnen worden verkregen uit bij ministeriële regeling aan te wijzen administraties. Bij ministeriële regeling wordt bepaald voor welke gegevens de tweede zin van toepassing is.

  • 2.

    De belanghebbende verleent het college desgevraagd de medewerking die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet, waaronder in ieder geval wordt verstaan het verlenen van medewerking aan een oproep om op een bepaalde plaats en tijd te verschijnen in verband met zijn arbeidsinschakeling.

  • 3.

    Het college stelt bij de uitvoering van deze wet de identiteit van de belanghebbende vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1° tot en met 3°, van de Wet op de identificatieplicht.

  • 4.

    Eenieder is verplicht aan het college desgevraagd een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht terstond ter inzage te verstrekken, voor zover dit redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

Artikel 53a Participatiewet – Verstrekking en onderzoek gegevens :

  • 1.

    Onverminderd [red: artikel] 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van bijstand dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:

    • a.

      hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 21, aanhef en onderdeel a of b, of artikel 22, aanhef en onderdeel a of b;

    • b.

      de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind;

    • c.

      hij de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet geheel of gedeeltelijk kan delen met een ander. Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan het college bij die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden.

  • 3.

    Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een belanghebbende is als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 20, tweede lid, aanhef en onderdeel a, of artikel 21, aanhef en onderdeel a of b, of artikel 22, aanhef en onderdeel a of b:

    • a.

      kent het college, onverminderd de toepassing van artikel 27, de uitkering toe respectievelijk herziet het de uitkering naar de helft van de norm, bedoeld in artikel 20, eerste lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 20, tweede lid, onderdeel b, onderscheidenlijk artikel 21, onderdeel

    • b.

      onderscheidenlijk artikel 22, onderdeel c;

    • c.

      wordt de belanghebbende voor de toepassing van de artikelen 9, vierde lid, en 9a niet als alleenstaande ouder aangemerkt;

    • d.

      zijn de artikelen 25 en 30, tweede lid, in die gevallen niet van toepassing.

  • 4.

    Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de bijstand op, niet dan nadat het college aan belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien daartoe niet eerder aan belanghebbende gelegenheid is geboden.

  • 5.

    Het college doet schriftelijke mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid om aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenstemt met het verstrekte adres. Artikel 40, vierde lid, aanhef en onderdeel c, en zesde lid, tweede zin, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    Indien de belanghebbende niet desgevraagd zijn situatie als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, aantoont, zijn de artikelen artikel 25 en 30, tweede lid, niet van toepassing en wordt de norm overeenkomstig artikel 26 verlaagd.

  • 7.

    Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zo nodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de verlening dan wel de voortzetting van bijstand. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening of intrekking van de bijstand.

  • 8.

    De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 14 IOAW – verstrekking en onderzoek gegevens :

  • 1.

    Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover ze zijn verkregen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen dan wel voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:

    • a.

      hij een werkloze werknemer is als bedoeld in artikel 5, vierde lid;

    • b.

      de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind.

  • Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan het college bij die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden.

  • 3.

    Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een werkloze werknemer is als bedoeld in artikel 5, vierde lid:

  • 4.

    Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de uitkering op, niet dan nadat het college aan belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien daartoe niet eerder aan belanghebbende gelegenheid is geboden.

  • 5.

    Het college doet schriftelijke mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid om aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenstemt met het verstrekte adres. Artikel 17a, vierde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de uitkering.

  • 7.

    De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 14 IOAZ – verstrekking en onderzoek gegevens :

  • 1.

    Onverminderd artikel 30c, tweede, vierde en vijfde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, bepaalt het college welke gegevens ten behoeve van de verlening van de uitkering dan wel de voortzetting daarvan door de belanghebbende in ieder geval worden verstrekt en welke bewijsstukken worden overgelegd, alsmede de wijze en het tijdstip waarop de verstrekking van gegevens plaatsvindt. De gegevens en bewijsstukken worden door het college niet verkregen van de belanghebbende voor zover zij verkregen kunnen worden uit de polisadministratie, bedoeld in artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, de verzekerdenadministratie, bedoeld in artikel 35 van die wet, alsmede uit de basisregistratie personen, tenzij hierdoor een goede vervulling van de taak van het college op grond van dit artikel wordt belet of bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen andere administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin van toepassing is, worden regels gesteld over de gegevens die het betreft en kunnen administraties worden aangewezen waarvoor de tweede zin tijdelijk niet van toepassing is. Indien het authentieke gegevens uit andere basisregistraties betreft, is dit lid van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid kan het college de belanghebbende verzoeken aan te tonen dat:

    • a.

      hij een gewezen zelfstandige is als bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel b;

    • b.

      de feitelijke woonsituatie van hemzelf, van zijn echtgenoot of van een kind in overeenstemming is met het door hem verstrekte adres van hemzelf, zijn echtgenoot of van een kind.

  • Teneinde hem daartoe in de gelegenheid te stellen kan het college bij die verzoeken de belanghebbende aanbieden met diens toestemming zijn woning binnen te treden.

  • 3.

    Indien de belanghebbende niet desgevraagd aantoont dat hij een gewezen zelfstandige is als bedoeld in artikel 5, vierde lid, onderdeel b:

  • 4.

    Indien de belanghebbende niet desgevraagd de woonsituatie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b, aantoont op de wijze bedoeld in de laatste zin van dat lid, schort het college de betaling van de uitkering op, niet dan nadat het college aan belanghebbende gelegenheid heeft gegeven op andere wijze aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenkomt met het verstrekte adres, indien daartoe niet eerder aan belanghebbende gelegenheid is geboden.

  • 5.

    Het college doet schriftelijke mededeling van de opschorting aan de belanghebbende en stelt hem daarbij in de gelegenheid om aan te tonen dat het feitelijke woonadres overeenstemt met het verstrekte adres. Artikel 17a, vierde lid, tweede zin, is van overeenkomstige toepassing.

  • 6.

    Het college is bevoegd onderzoek in te stellen naar de juistheid en volledigheid van de verstrekte gegevens en zonodig naar andere gegevens die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van het recht op uitkering. Indien het onderzoek daartoe aanleiding geeft kan het college besluiten tot herziening van de uitkering.

  • 7.

    De voordracht voor een krachtens het eerste lid, derde zin, vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan twee weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.

Artikel 78f Participatiewet – grondslag Bbz 2004

Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de verlening van bijstand en bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal op grond van deze wet aan zelfstandigen en aan personen die algemene bijstand ontvangen en voornemens zijn een bedrijf of zelfstandig beroep te beginnen en zich in verband hiermee niet beschikbaar stellen voor arbeid in dienstbetrekking gedurende de voorbereidingsperiode van ten hoogste twaalf maanden, waarbij kan worden afgeweken van de artikelen 9, 10, 11, 32, 34, 40, 41, 45, 58, 69, 77 en de paragrafen 4.2, 6.1 en 7.1. (van art. 53a Pw mag bij de toepassing van de Bbz 2004 dus niet worden afgeweken).

Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG)

Artikel 5 AVG - Beginselen inzake verwerking van persoonsgegevens

  • 1.

    Persoonsgegevens moeten:

    • a)

      worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie”);

    • b)

      voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding”);

    • c)

      toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking”);

    • d)

      juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid”);

    • e)

      worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking”);

    • f)

      door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwelijkheid”).

  • 2.

    De verwerkingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen („verantwoordingsplicht”).

Artikel 6 - Rechtmatigheid van de verwerking

  • 1.

    De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

    • a)

      de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden;

    • b)

      de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen;

    • c)

      de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust;

    • d)

      de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen;

    • e)

      de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen;

    • f)

      de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is.

  • De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken.

  • 2.

    De lidstaten kunnen specifiekere bepalingen handhaven of invoeren ter aanpassing van de manier waarop de regels van deze verordening met betrekking tot de verwerking met het oog op de naleving van lid 1, punten c) en e), worden toegepast; hiertoe kunnen zij een nadere omschrijving geven van specifieke voorschriften voor de verwerking en andere maatregelen om een rechtmatige en behoorlijke verwerking te waarborgen, ook voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX.

  • 3.

    De rechtsgrond voor de in lid 1, punten c) en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:

    • a)

      Unierecht; of

    • b)

      lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is.

      Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel.

  • 4.

    Wanneer de verwerking voor een ander doel dan dat waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld niet berust op toestemming van de betrokkene of op een Unierechtelijke bepaling of een lidstaatrechtelijke bepaling die in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel vormt ter waarborging van de in artikel 23, lid 1, bedoelde doelstellingen houdt de verwerkingsverantwoordelijke bij de beoordeling van de vraag of de verwerking voor een ander doel verenigbaar is met het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld onder meer rekening met:

    • a)

      ieder verband tussen de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn verzameld, en de doeleinden van de voorgenomen verdere verwerking;

    • b)

      het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameld, met name wat de verhouding tussen de betrokkenen en de verwerkingsverantwoordelijke betreft;

    • c)

      de aard van de persoonsgegevens, met name of bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt, overeenkomstig artikel 9, en of persoonsgegevens over strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten worden verwerkt, overeenkomstig artikel 10;

    • d)

      de mogelijke gevolgen van de voorgenomen verdere verwerking voor de betrokkenen;

    • e)

      het bestaan van passende waarborgen, waaronder eventueel versleuteling of pseudonimisering.

Artikel 9 - Verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens

  • 1.

    Verwerking van persoonsgegevens waaruit ras of etnische afkomst, politieke opvattingen, religieuze of levensbeschouwelijke overtuigingen, of het lidmaatschap van een vakbond blijken, en verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens met het oog op de unieke identificatie van een persoon, of gegevens over gezondheid, of gegevens met betrekking tot iemands seksueel gedrag of seksuele gerichtheid zijn verboden.

  • 2.

    Lid 1 is niet van toepassing wanneer aan een van de onderstaande voorwaarden is voldaan:

    • a)

      de betrokkene heeft uitdrukkelijke toestemming gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde doeleinden, behalve indien in Unierecht of lidstatelijk recht is bepaald dat het in lid 1 genoemde verbod niet door de betrokkene kan worden opgeheven;

    • b)

      de verwerking is noodzakelijk met het oog op de uitvoering van verplichtingen en de uitoefening van specifieke rechten van de verwerkingsverantwoordelijke of de betrokkene op het gebied van het arbeidsrecht en het socialezekerheids- en socialebeschermingsrecht, voor zover zulks is toegestaan bij Unierecht of lidstatelijk recht of bij een collectieve overeenkomst op grond van lidstatelijk recht die passende waarborgen voor de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene biedt;

    • c)

      de verwerking is noodzakelijk ter bescherming van de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon indien de betrokkene fysiek of juridisch niet in staat is zijn toestemming te geven;

    • d)

      de verwerking wordt verricht door een stichting, een vereniging of een andere instantie zonder winstoogmerk die op politiek, levensbeschouwelijk, godsdienstig of vakbondsgebied werkzaam is, in het kader van haar gerechtvaardigde activiteiten en met passende waarborgen, mits de verwerking uitsluitend betrekking heeft op de leden of de voormalige leden van de instantie of op personen die in verband met haar doeleinden regelmatig contact met haar onderhouden, en de persoonsgegevens niet zonder de toestemming van de betrokkenen buiten die instantie worden verstrekt;

    • e)

      de verwerking heeft betrekking op persoonsgegevens die kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;

    • f)

      de verwerking is noodzakelijk voor de instelling, uitoefening of verdediging van een rechtsvordering of wanneer gerechten handelen in het kader van hun rechtsprekende taken;

    • g)

      de verwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene;

    • h)

      de verwerking is noodzakelijk voor doeleinden van preventieve of arbeidsgeneeskunde, voor de beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van de werknemer, medische diagnosen, het verstrekken van gezondheidszorg of sociale diensten of behandelingen dan wel het beheren van gezondheidszorgstelsels en -diensten of sociale stelsels en diensten, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, of uit hoofde van een overeenkomst met een gezondheidswerker en behoudens de in lid 3 genoemde voorwaarden en waarborgen;

    • i)

      de verwerking is noodzakelijk om redenen van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid, zoals bescherming tegen ernstige grensoverschrijdende gevaren voor de gezondheid of het waarborgen van hoge normen inzake kwaliteit en veiligheid van de gezondheidszorg en van geneesmiddelen of medische hulpmiddelen, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht waarin passende en specifieke maatregelen zijn opgenomen ter bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene, met name van het beroepsgeheim;

    • j)

      de verwerking is noodzakelijk met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten en de belangen van de betrokkene.

  • 3.

    De in lid 1 bedoelde persoonsgegevens mogen worden verwerkt voor de in lid 2, punt h), genoemde doeleinden wanneer die gegevens worden verwerkt door of onder de verantwoordelijkheid van een beroepsbeoefenaar die krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels aan het beroepsgeheim is gebonden, of door een andere persoon die eveneens krachtens Unierecht of lidstatelijk recht of krachtens door nationale bevoegde instanties vastgestelde regels tot geheimhouding is gehouden.

  • 4.

    De lidstaten kunnen bijkomende voorwaarden, waaronder beperkingen, met betrekking tot de verwerking van genetische gegevens, biometrische gegevens of gegevens over gezondheid handhaven of invoeren.

Deel 4: Inwerkingtreding en citeertitel

Dit protocol treedt in werking op de dag na bekendmaking.

Dit protocol wordt aangehaald als “Protocol huisbezoeken Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz Maashorst 2025”.

Ondertekening

Maashorst, 2 december 2025

Burgemeester en wethouders van gemeente Maashorst,

de secretaris,

J.A.G.M. van Aaken

de burgemeester,

J.A. van der Pas