Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR754902
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR754902/1
Beleidskader zonne- en windenergie 2023 – 2027
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidskader zonne- en windenergie 2023 – 2027Het college besluit:
- •
In te stemmen met het beleidskader zonne- en windenergie 2023 – 2027 en dit ter vaststelling aan te bieden aan de raad.
- •
De oude beleidsnotitie voor zonneparken en kleine windmolens in te trekken.
1. Inleiding
|
Samenvatting Dit beleidskader is een vervolg op het Beleidskader zonneparken en kleine windmolens uit 2019. Bij het maken van dit beleid zijn de uitgangspunten uit de evaluatie, het coalitieakkoord en regionale afspraken meegenomen. Daarnaast is een brede groep belanghebbenden betrokken en is het concept op de website van de gemeente gepubliceerd zodat inwoners konden reageren. In dit beleid is rekening gehouden met contextuele ontwikkelingen zoals netcapaciteit en ander beleid op landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau. Het beleidskader loopt tot en met 2027. In 2026 wordt gestart met de evaluatie zodat tijdig een aangepast beleidskader kan worden vastgesteld. Gedurende de looptijd monitoren we de voortgang en contextuele ontwikkelingen. Daar wordt de gemeenteraad jaarlijks over geïnformeerd. Indien de monitoring daar aanleiding toe geeft, passen we het beleidskader aan. |
1.1. Achtergrond
Het beleidskader zonne- en windenergie Westerwolde 2023 - 2027 is de opvolger van het Beleidskader zonneparken en kleine windmolens van de gemeente Westerwolde uit 2019. In het beleidskader zijn de opgedane ervaringen en lessen uit de beleidsevaluatie van begin 2022 verwerkt. De komende vijf jaar (tot en met 2027) zal dit beleidsstuk de basis vormen om de opgave op het gebied van de opwek van duurzame energie in Westerwolde in te vullen.
Met het opstellen van het oorspronkelijke beleidskader in 2019 was Westerwolde één van de eerste gemeenten in Nederland met beleid voor zonneparken. Sindsdien zijn er onder dit beleidskader verschillende projecten in procedure genomen en gerealiseerd. Eind 2021 is besloten het beleidskader te evalueren en in afwachting van de evaluatie geen nieuwe projecten in behandeling te nemen. Op 18 mei 2022 is de evaluatie in de gemeenteraad besproken en vastgesteld. Daarbij is toegezegd dat mede op basis van de evaluatie een nieuw beleidskader zal worden uitgewerkt. Dit document betreft het nieuwe beleidskader.
Als gemeente Westerwolde zijn we ons bewust van de noodzaak om over te stappen op een duurzame energievoorziening. Hieraan willen we ons steentje bijdragen, door te voorzien in de opwek van duurzame energie. In dit beleidskader werken we uit hoe dit eruitziet.
1.2. Totstandkoming beleidskader
Het aangepaste beleidskader is tot stand gekomen door een zorgvuldig en transparant proces te doorlopen, waarbij met verschillende belanghebbenden is gesproken in verschillende fasen.
In een eerste fase is op basis van bestaande visies en onderzoeken, zoals het coalitieakkoord en de beleidsevaluatie, een uitgangspuntennotitie opgesteld. De uitgangspuntennotitie is begin november 2022 vastgesteld door het college van B&W en ter informatie met de gemeenteraad gedeeld.
In een tweede fase zijn gesprekken gevoerd met betrokkenen waaronder bewonersverenigingen/dorpsraden, fractievertegenwoordigers vanuit de gemeenteraad, wethouders, de ambtelijke organisatie, de provincie, de netbeheerder, het Platform Energietransitie Westerwolde (als vertegenwoordiger van de energiecoöperaties), ondernemers, LTO en natuurorganisaties. In deze fase is ook een werkbezoek georganiseerd. Hierbij is een zonnepark op een zorgboerderij in gemeente Twenterand bezocht. De gemeente gaf toelichting op ontwikkeling van dit zonnepark. Op basis van de gesprekken en de uitgangspuntennotitie is een conceptbeleidskader opgesteld.
In de derde fase is het conceptbeleidskader gepubliceerd voor een openbare consultatie. Inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden konden in deze fase schriftelijk hun mening over het beleidskader inbrengen. In bijlage III is opgenomen hoe met de inbreng uit deze consultatie is omgegaan.
Gedurende het proces is op verschillende momenten een klankbordgroep betrokken. 1 Bijvoorbeeld om de aanpak en concepten van het beleidskader te bespreken.
1.3. Context
In de context van het beleid is het van belang rekenschap te houden met de uitkomsten van de evaluatie, het provinciale beleid op het gebied van zonne- en windenergie, het gemeentelijk beleid op aanpalende beleidsterreinen en de ontwikkelingen op het gebied van het grenstractaat en netcongestie.
1.3.1. Evaluatie
De in 2021 uitgevoerde beleidsevaluatie blikt terug op het effect van het in 2019 vastgestelde beleidskader, en kijkt vooruit naar de toekomst van hernieuwbare energie in Westerwolde.2 Het aangepaste beleidskader bouwt voort op de belangrijkste conclusies uit de evaluatie.
De gemeente Westerwolde was één van de eerste gemeenten in Nederland met een uitgewerkt beleidskader voor zonneparken en kleine windmolens. Daarmee waren we vooruitstrevend. Dit heeft ertoe geleid dat we grote stappen hebben kunnen zetten. We liggen op koers om onze ambitie voor de opwek van duurzame energie in het landschap te bereiken.
Uit de evaluatie kwam naar voren dat deze rol als koploper ook nadelen met zich mee heeft gebracht. Als pionier maak je nou eenmaal ook fouten. Daar is in de beleidsperiode al op ingespeeld door bij te sturen met aanvullend beleid, zoals de landschappelijke verdiepingsslag en het duurzaamheidsfonds. Op sommige punten is nog steeds ruimte voor verbetering, zoals het betrekken van aan- en omwonenden en het stimuleren van ‘zon op dak’ en kleine windmolens. In dit beleidskader is aandacht aan deze aspecten besteed.
1.3.2. Landelijk beleid
Dit beleidskader is te plaatsen in de maatschappelijke context van de energietransitie in Nederland. Nederland heeft, met vele andere landen, het Klimaatakkoord van Parijs ondertekend. In dit akkoord zijn reductiedoelen van broeikasgassen vastgelegd ten opzichte van 1990. Onlangs zijn de doelen van de Europese Unie voor 2030 verder aangescherpt van 40% naar 55% reductie van de uitstoot van broeikasgassen. Nederland ambieert een koploper te zijn en wil tenminste 55% reductie realiseren in 2030, maar richt zich in beleid zelfs op 60% reductie.
Een belangrijk deel van de uitstoot van broeikasgassen is het gevolg van de opwek van energie (denk aan gas- en kolencentrales). Om over te stappen van deze vervuilende vorm voor de opwek van energie naar een duurzame vorm is in het Nederlandse klimaatakkoord van 2019 afgesproken om in Nederland 35 TWh aan duurzame energie op land op te wekken. Hiervoor is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s, die allemaal een Regionale Energie Strategie (RES) hebben opgeleverd. Hierin doen ze een bod op hun aandeel op te wekken duurzame energie van de totale opgave van de 35 TWh. Westerwolde is onderdeel van de RES Groningen.
Naast deze context is er landelijk beleid op het gebied van zonne-energie. Zo is in het klimaatakkoord opgenomen dat er moet worden gestreefd naar 50% lokaal eigendom bij hernieuwbare energieprojecten. Ook heeft minister Jetten in mei 2022 een kamerbrief gestuurd over de rol van zonne-energie in de energietransitie.3 In deze brief worden speerpunten en randvoorwaarden voor aanvullend beleid geformuleerd. De voor dit beleidskader belangrijkste punten hierin zijn:
- •
Het stimuleren van de plaatsing van zonnepanelen op grote daken waarvan de dakconstructie niet geschikt is. Bijvoorbeeld door het (deels) vergoeden van kleine aanpassingen om het dak geschikt maken. Momenteel (begin 2023) is een dergelijke regeling er nog niet, maar deze kan wel verwacht worden.
- •
Het uitgangspunt voor zonneparken in het landschap moet een multifunctioneel ruimtegebruik zijn, zodat zorgvuldig wordt omgegaan met de schaarse ruimte. Er wordt aangegeven dat multifunctioneel ruimtegebruik kan worden gerealiseerd door het kiezen van een slimme locatie (met een bestaande functie, bijvoorbeeld een vuilnisbelt of binnenwater) of door een nieuwe functie toe te voegen (denk aan recreatie of landbouw).
1.3.3. Provinciaal beleid
De provincie Groningen heeft ook beleid voor zonneparken en windmolens. Voor windmolens geldt dat deze niet zijn toegestaan met uitzondering van drie concentratiegebieden.4 Deze gebieden liggen niet binnen de gemeente Westerwolde. Uitzondering vormen kleine windmolens met een ashoogte tot 15 meter. Die zijn toegestaan binnen stedelijk gebied en in het buitengebied binnen bouwpercelen. Daarbij is er een pilotregeling waarbij kleine molens in een zone van 25 meter buiten een agrarisch bouwperceel ook toegestaan zijn. In natuur- en NNN-gebieden is het vanuit provinciaal beleid niet toegestaan dergelijke kleine windmolens te plaatsen.
Het provinciale beleid voor zonneparken maakt onderdeel uit van de omgevingsvisie die de provincie uitwerkt. Deze omgevingsvisie wordt naar verwachting in 2024 vastgesteld maar vooruitlopend daarop wordt waarschijnlijk in de tweede helft van 2023 al aangepast zonnebeleid vastgesteld. Met een provinciale zonne-energievisie is de provincie van plan duidelijker te sturen op waar zonneparken wel en niet mogen komen. Een belangrijk doel van deze visie is om ervoor te zorgen dat zonneparken gerealiseerd worden op plekken waar duidelijke ruimtelijke aanleidingen zijn.5 Kleinschalige, lokale zonneparken, aansluitend aan bebouwd gebied, blijven mogelijk onder het ‘ja, mits’-principe vallen. Voor grootschalige zonneparken zal een ‘nee, tenzij’-principe gaan gelden waarbij de provincie duidelijk locaties aanwijst waar grootschalige zonneparken wel of niet mogelijk zijn. De provincie gaat daarbij sturen op locaties die kansen bieden voor meervoudig ruimtegebruik, waar efficiënt gebruik kan worden gemaakt van de beschikbare netcapaciteit en waar zonneparken goed in het landschap ingepast kunnen worden. Dit is in lijn met de ontwikkelingen die eraan komen in landelijk beleid. Op locaties waar de provincie geen toekomst ziet voor zonne-energie wordt de ontwikkeling van grootschalige zonneparken beperkt. Dit kan bijvoorbeeld gelden voor bepaalde karakteristieke landschappen, natuurgebieden en hoogwaardige voedselproductiegebieden.6
1.3.4. Gemeentelijk beleid
Het beleid voor zonne- en windenergie past binnen verschillende andere beleidsstukken van onze gemeente. Het volgende beleid is relevant voor het zonne- en windbeleid (tevens schematisch weergegeven in figuur 1):
- •
Duurzaamheidsvisie. De duurzaamheidsvisie bevat de ambitie van de gemeente Westerwolde op het gebied van duurzaamheid. Dit betreft onder andere de ambitie om in 2035 energieneutraal te zijn.
- •
De Transitievisie Warmte (TVW). Hierin is uitgewerkt welke maatregelen de gemeente neemt om de transitie naar een duurzame manier van verwarmen te maken. In 2022 is dit beleid vastgesteld. Daarin is vastgelegd dat de gemeente tot 2030 primair inzet op isoleren en het verkennen van mogelijkheden voor duurzaam verwarmen en dat na 2030 daadwerkelijk gebiedsgericht de overstap naar duurzame warmte wordt gemaakt.
- •
Plan van aanpak energiearmoede. Voor 2023 en 2024 is een plan van aanpak energiearmoede opgesteld. Dit plan van aanpak bevat langs vier sporen maatregelen die voornamelijk gericht zijn om de doelgroep die te maken heeft met energiearmoede te helpen met energiebesparende maatregelen.
- •
Strategisch vastgoedplan. Momenteel wordt het strategisch vastgoedplan opgesteld, dat naar verwachting medio dit jaar wordt voorgelegd aan de gemeenteraad. Het strategisch vastgoedplan geeft handvatten voor het maken van strategische keuzes omtrent het gemeentelijk vastgoed, waarbij rekening gehouden wordt met de verduurzamingsopgave.
- •
Omgevingsvisie en omgevingsplan. In de omgevingsvisie worden keuzes ten aanzien van de ruimtelijke inrichting gemaakt. Deze keuzes worden na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (januari 2024) juridisch verankerd in het omgevingsplan. Tot die tijd zijn de ruimtelijke keuzes opgenomen in de bestemmingsplannen. In het zonne- en windbeleid wordt er ten aanzien van de ruimtelijke keuzes over zonneparken en windmolens gedetailleerder uitgewerkt wat wel en niet kan.
- •
Participatiegids omgevingsbeleid. De nieuwe Omgevingswet bevat regels ten aanzien van participatie bij ruimtelijke projecten. Ten behoeve hiervan worden uitgangspunten voor participatie bij ruimtelijke projecten vastgelegd in het participatiebeleid van de gemeente Westerwolde. Naar verwachting zal dit participatiebeleid in de eerste helft van 2023 worden vastgesteld. Het zonne- en windbeleid bevat een gedetailleerdere uitwerking van de uitgangspunten voor participatie bij zonne- en windprojecten.
Figuur 1. Verhouding van beleidskader zonne- en windenergie tot andere beleidsstukken van de gemeente Westerwolde.
1.3.5. Grenstractaat
Volgens artikel 5 uit het grenstractaat mag er niet gebouwd worden binnen 376,7 meter van de grens met Duitsland.7 Dit betekent dat ook windmolens en zonneparken niet mogen worden gebouwd binnen deze zone langs de grens. In overleg met de Duitse Landkreisen kunnen afspraken gemaakt worden over “Common Development Zones”. Dit zijn plekken waar zowel aan de Duitse als aan de Nederlandse grens zonneparken mogen worden ontwikkeld. Voor één van de zonneparken die al vergund is binnen Westerwolde betekent dit dat deze door kan gaan. Voor zonneparken in het algemeen is er geen uitzonderingspositie afgesproken. Zonder toestemming vanuit de Duitse Landkreise over een Common Development Zone is er dus geen ontwikkelingen mogelijk binnen deze zone. De afspraken over de Common Development Zones dienen nog wel op bestuurlijk niveau te worden vastgesteld.
1.3.6. Beschikbaarheid netcapaciteit
In de energietransitie is het realiseren van zonnepanelen en windmolens om duurzame energie op te wekken niet de enige uitdaging. Ook dient het elektriciteitsnet geschikt te worden gemaakt om de opgewekte energie te transporteren. In Westerwolde zijn regionale netbeheerder Enexis en landelijke netbeheerder TenneT hiervoor verantwoordelijk.
Vanuit de netbeheerders is aangegeven dat de grens voor de realisatie van nieuwe grootverbruikaansluitingen momenteel bereikt is (zie figuur 2). Het is wel nog mogelijk om opwekcapaciteit te realiseren die binnen een kleinverbruikaansluiting past (maximaal 3 x 80 ampère). Dit leidt ertoe dat er geen nieuwe offertes voor teruglevering worden afgegeven, tenzij er door het wegvallen van al geplande projecten of door maatregelen rond congestiemanagement alsnog ruimte ontstaat. Deze situatie zal naar verwachting blijven bestaan totdat TenneT een nieuw onderstation bij Musselkanaal heeft gerealiseerd. In het investeringsplan van TenneT staat de ingebruikname van dit onderstation in 2027 gepland.8
Figuur 2. Capaciteitskaart van netbeheerder voor teruglevering van opgewekte energie. Oranje wil zeggen dat sprake is van structurele congestie die is gemeld bij de ACM waardoor het in behandeling nemen van nieuwe aanvragen niet mogelijk is. 9
De belemmering in de realisatie van grootverbruikaansluitingen is een groot knelpunt voor de realisatie van meer zonne- en windenergie. Dit lijkt tijdig te worden opgelost om de doelstellingen voor Westerwolde in het kader van de RES niet in gevaar te laten komen (vanaf 2027 is het realiseren van nieuwe aansluitingen weer mogelijk) maar levert in de tussentijd wel een grote uitdaging op. We willen als gemeente verschillende maatregelen nemen om hierop in te spelen:
- •
Het actief benaderen van ondernemers om mee te denken of (een groot deel van) het dak wel benut kan worden binnen kleinverbruikaansluiting, eventueel na uitbreiding van die kleinverbruikaansluiting tot 3 x 80 ampère.
Met een aansluiting van 3 x 80 ampère, waar een deel van de bedrijven naar verwachting over beschikt, is het namelijk nog steeds mogelijk om ongeveer 120 zonnepanelen aan te sluiten. Voor een deel van de daken zal dit voldoende zijn om (een groot deel van) het dakoppervlak te benutten.
- •
Coördineren van realisatie van zonnedaken waarvoor grootverbruikaansluiting nodig is. Door gebiedsgericht te inventariseren welke daken geschikt zijn om zonnepanelen op te plaatsen, kan worden geborgd dat een zo groot mogelijk deel van deze daken ook spoedig na het beschikbaar komen van aanvullende netcapaciteit kan worden aangesloten (zie paragraaf 3.4 voor meer details).
- •
Rond bedrijventerreinen (met name het bedrijventerrein Zuid-Groningen gezien activiteittype) de uitwisseling van data over verbruik en opwek van elektriciteit faciliteren zodat, in overleg met de netbeheerder, kan worden gekeken of aanvullende capaciteit mogelijk is. Eventueel in combinatie met een virtueel lokaal energiesysteem (VLES).
- •
In het kader van nieuwe projecten in een vroegtijdig stadium de afstemming met de netbeheerder zoeken om te kijken wat wel mogelijk is.
1.4. Monitoring en evaluatie
De ontwikkelingen op het gebied van de opwek van duurzame energie staan niet stil en gaan ook de komende jaren door. Dat geldt voor de technologie maar ook voor het provinciale en landelijke beleid en de markt. Het is daarom niet ondenkbaar dat zich gedurende de looptijd ontwikkelingen voordoen die een dusdanig effect hebben dat bijsturing in het beleidskader wenselijk is. Daarom monitoren we op twee niveaus:
- •
Monitoring resultaten: bijhouden van de resultaten op het gebied van aantal grote daken en aantal en omvang van gerealiseerde zonneparken. Daarbij kijken we ook naar de daadwerkelijke naleving van de voorwaarden die we hebben gesteld zoals lokaal eigendom, meervoudig ruimtegebruik en ecologische waarden.
- •
Monitoring context: bijhouden van de ontwikkelingen in landelijk en provinciaal beleid, de markt en de technologie.
Jaarlijks zal over de monitoring worden gerapporteerd aan de gemeenteraad. Indien de monitoring daar aanleiding toe geeft, zal hierbij tevens een voorstel voor bijsturing van het beleidskader worden gedaan.
Het beleidskader loopt tot 2027. We gaan daarom in 2026 starten met de evaluatie van het beleidskader.
1.5. Leeswijzer
In het beleidskader wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de opgave van onze gemeente op het gebied van de opwek van duurzame energie. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 en 4 ingegaan op de mogelijkheden die we zien om deze opgave in te vullen met respectievelijk zonnepanelen op daken en zonnepanelen in het landschap. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op mogelijkheden voor kleine windmolens. Tot slot bevat hoofdstuk 6 het beleid met betrekking tot andere technieken op het gebied van duurzame energie en het creëren van bewustwording van de energietransitie.
In de tekst worden termen gebruikt als MegaWattpiek (MWp) en Terajoule (Tj). MegaWattpiek staat voor het geraamd vermogen van een zonnepark. Terajoule staat voor de verwachte opwek van energie. De opgave van Westerwolde tot 2030 bedraagt de duurzame opwek van 1.620 Terajoule. Omgerekend naar MegaWattpiek gaat het om ca. 550 MegaWattpiek.
Bijlage I bevat een overzicht van de al gerealiseerde projecten. Bijlage II bevat een uitwerking van het stappenplan voor het proces om tot een zonnepark te komen. In bijlage III is de inbreng van de consultatie verwerkt.
2. Opgave
|
Samenvatting Om te bepalen welke maatregelen we nemen is het van belang te weten wat de opgave is. Deze volgt uit de afspraken die Westerwolde heeft gemaakt in de Regionale Energie Strategie Groningen (RES). Een deel van de opgave is al ingevuld door de zonnepanelen op daken en zonneparken in het landschap. Als alle geplande projecten doorgaan is er geen opgave meer in te vullen. Voor twee projecten is echter onzeker of ze doorgaan. We moeten er daarom rekening mee houden dat er nog een opgave van maximaal 420 TJ overblijft. Voor de invulling van die opgave gebruiken we de zonneladder. Dat betekent dat we de voorkeur hebben om een zo groot mogelijk deel van de opgave in te vullen met zonnepanelen op daken. We nemen daarom maatregelen om zonnepanelen op daken te stimuleren (zie hoofdstuk 3). In potentie kan hiermee 120 TJ worden opgewerkt. Dit is niet genoeg om de volledige opgave van 420 TJ te halen. We kijken daarom ook naar zonnepanelen in het landschap. Daarbij hebben kleine dorpszonneparken tot maximaal 10 hectare bruto oppervlakte de voorkeur. Dit zijn zonneparken die bedoeld zijn om de energie die verbruikt wordt in een dorpskern op te wekken. Daarvoor hanteren we een principe van schaal bij schaal: hoe groter het dorp, hoe groter het zonnepark kan zijn. Richtlijn is dat per 1.000 inwoners 2 hectare aan zonnepark mogelijk is. We verwachten hiermee maximaal 100 TJ aan duurzame energie op te wekken. Alleen als de doelstelling met projecten die in procedure zijn nog niet in zicht is, staan we kleine zonneparken tot maximaal 10 hectare bruto oppervlakte in het buitengebied toe. Op dit moment moeten er dus eerst trajecten worden stopgezet voordat er ruimte is voor dit soort zonneparken. In paragraaf 4.2 is beschreven in welke gebieden dit kan. Voor zowel dorpszonneparken als kleine zonneparken in het buitengebied gelden de voorwaarden die in paragraaf 4.3 tot en met 4.7 zijn beschreven. |
2.1. Doelstelling gemeente
Het is eerst van belang te weten wat de opgave is voor de opwek van duurzame energie in Westerwolde. Op basis daarvan kan worden bepaald hoeveel zonnepanelen en/of windmolens nodig zijn.
Qua doelstelling sluiten we aan bij de doelstelling die is opgenomen in Regionale Energie Strategie (RES) van de provincie Groningen. De gemeente Westerwolde heeft in de RES aangegeven in 2030 een bijdrage te leveren van 1.620 TJ (0,45 TWh) aan duurzame energie.10 In het RES-bod telt opwek bij kleinverbruikaansluitingen niet mee. Het gaat alleen om zonnedaken en zonneparken (groter dan 15kWp), en grote windmolens (groter dan 15 meter) die gebruik maken van een grootverbruikaansluiting.
De doelstelling uit de RES is ons uitgangspunt in dit beleidskader omdat die als eerst in de tijd behaald dient te worden (2030). Het is echter niet zo dat er dan verder geen duurzame energie meer hoeft te worden opgewekt. In het visiedocument ‘Westerwolde Samen Verduurzamen’ is de ambitie opgenomen om in 2035 energieneutraal te zijn.11 Om tot die energieneutraliteit te komen is ervan uitgegaan dat er tot 2035 19% energie wordt bespaard, grote bedrijven zelf hun energie opwekken of duurzaam laten opwekken op zee en 10% van de energie wordt opgewekt met zonnepanelen op daken en met kleine windmolens. Er blijft dan een doelstelling van 1845 TJ over voor 2035. Het is aannemelijk dat er tussen 2030 en 2035 een resterende opgave van 225 TJ aan opwekcapaciteit moet worden gerealiseerd, wanneer het doel voor 2030 behaald is. In een volgend beleidskader zullen we beschrijven hoe we deze eventuele aanvullende doelstelling invullen.
2.2. Reeds gerealiseerd
Onder het huidige beleidskader is een aantal zon-op-land-projecten in procedure genomen (zie bijlage I voor een overzicht).
Een deel van deze projecten is op dit moment reeds gerealiseerd. Dit gaat in totaal om de opwek van 506 TJ per jaar. Ook is er voor omgerekend 36,5 TJ per jaar gerealiseerd aan zon op grootschalige daken (opgesteld vermogen omgerekend naar verwachte hoeveelheid opgewekte energie per jaar).12 Verder is er een aantal projecten vergund die binnenkort gerealiseerd zullen worden (553 TJ). Tot slot is een aantal projecten in procedure, maar van deze projecten is van een deel onzeker of ze daadwerkelijk worden gerealiseerd (zie figuur 3).
Als alle in procedure zijnde projecten door gaan zal de doelstelling van 1.620 TJ worden behaald. Het is echter aannemelijk dat niet alle projecten worden gerealiseerd. In dat geval zal er nog een restopgave van ongeveer 420 TJ zijn.
Figuur 3. Overzicht van opwek van projecten die reeds in procedure zijn.
2.3. Invulling resterende opgave en zonneladder voor Westerwolde
Het provinciaal beleid biedt op dit moment geen ruimte voor grote windmolens (ashoogte hoger dan 15 meter). Kleine windmolens zijn wel toegestaan, onder voorwaarden. In de RES is echter apart een inschatting gemaakt van de opbrengst van kleine windmolens voor de gehele provincie. De energie die kleine windmolens opwekken telt daarom niet mee voor de invulling van het RES-bod van Westerwolde.
De eventueel resterende opgave zal moeten worden ingevuld met zonne-energie. Om aan te geven op welke manier we de plaatsing van zonnepanelen het liefst vormgeven gebruiken we de zonneladder. De zonneladder is opgesteld naar voorbeeld van de zonneladder van NMF.13 Waar we het hebben over zon op land kan ook zon op oppervlaktewater worden gelezen. We hanteren vier treden. Die staan hierna beschreven.
2.3.1. Trede 1: zon op dak (stimuleren)
Zonnepanelen op daken hebben prioriteit. Het heeft de voorkeur om een zo groot mogelijk deel van de resterende opgave in te vullen met zonnepanelen op daken. Daarbij tellen daken van woningen (vermogen van minder dan 15 kWp ofwel ongeveer 40 zonnepanelen) niet mee voor het bereiken van de doelstelling van de RES. Dat wil niet zeggen dat we zon op kleine daken niet stimuleren. In paragraaf 3.3 hebben we hiervoor maatregelen uitgewerkt.
Voor de invulling van de opgave kijken we dus uitsluitend naar installaties op daken groter dan 15kWp. In het kader van de RES is onderzocht wat het maximale vermogen is dat met zonnepanelen op grote daken zou kunnen worden ingevuld.14 Dit betreft 78,5 mWp. Omgerekend in verwachte opwek aan duurzame energie per jaar is dat ongeveer 240 TJ. Hier is niet aannemelijk dat het zal lukken alle grote daken daadwerkelijk te benutten voor 2030. Bijvoorbeeld omdat niet alle daken technisch geschikt zijn voor zonnepanelen, niet alle eigenaren interesse hebben om zonnepanelen te plaatsen, en mogelijk niet het volledige dakoppervlak wordt benut. We nemen aan dat dit voor 50% van het dakoppervlak zou lukken mits dit actief wordt gestimuleerd. Daarmee zou dus 120 TJ aan opgewekte hernieuwbare energie kunnen worden gerealiseerd. Indien de projecten die op dit moment onzeker zijn niet doorgaan, is er nog een restopgave van 300 TJ.
In paragraaf 3.4 is beschreven welke maatregelen we nemen om zonnepanelen op dit type daken te stimuleren. Deze inzet is onafhankelijk van de realisatie van de projecten die nu in procedure zijn.
2.3.2. Trede 2: kleine zonneparken bij dorpskernen (kaders stellen)
Kleinschalige zonneparken die direct grenzen aan dorpskernen vormen de tweede trede. We willen de realisatie van dit soort zonneparken met het beleidskader faciliteren. Dit betekent dat we kaders uitwerken waarbinnen de realisatie van dit soort zonneparken mogelijk is. Dit betreffen de voorwaarden in paragraaf 4.3, 4.4, 4.5, 4.6 en 4.7.
Als uitgangspunt voor deze kleinschalige zonneparken hanteren we het principe van schaal bij schaal. Dat betekent dat de omvang van het zonnepark afhangt van de omvang van een dorpskern. Als richtlijn geldt dat de omvang daarom proportioneel is aan het aantal inwoners van de betreffende kern en de opgewekte energie bedoeld is voor het verbruik van de betreffende dorpskern. Als vuistregel hanteren we dat per 1.000 inwoners 2 hectare aan oppervlakte voor zonnepanelen proportioneel is met een maximumomvang van 10 hectare bruto oppervlakte. Bruto betekent inclusief de benodigde ruimte voor landschappelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik.15 De plaatsing van kleinschalige zonneparken grenzend aan dorpskernen is niet toegestaan voor zover de betreffende locatie zich in NNN-gebied bevindt of de direct hieraan grenzende gebieden (zie figuur 6 in paragraaf 4.2).
We gaan ervan uit dat tot 2030 aan ongeveer 20 hectare van dit soort kleinschalige dorpszonneparken worden gerealiseerd. We verwachten daarmee tussen de 75 en 100 TJ aan duurzame energie op te wekken. Het faciliteren van dit soort kleinschalige zonneparken is onafhankelijk van de realisatie van projecten die nu in procedure zijn. Wel zal het ook voor deze projecten een uitdaging zijn om een netaansluiting te realiseren voordat er meer capaciteit is gerealiseerd met een extra onderstation (zie paragraaf 1.3.6).
Figuur 4. Visualisatie van een zonnepark van respectievelijk 1, 10 en 100 hectare.
2.3.3. Trede 3: kleine zonneparken in buitengebied (kaders stellen)
Alleen als de doelstelling met projecten die in procedure zijn nog niet in zicht is, dan bieden we de mogelijkheid om kleine zonneparken in het buitengebied te realiseren. Momenteel (begin 2023) zijn er voldoende projecten in procedure en worden er dus geen nieuwe projecten in procedure genomen.
Indien de eerder genoemde onzekere projecten niet doorgaan is er maximaal nog een opgave van 200 TJ die met kleine zonneparken in trede 3 dient te worden ingevuld. Het oppervlakte aan zonnepanelen in deze zonneparken mag maximaal 10 hectare bruto oppervlakte zijn, dus inclusief de ruimte voor landschappelijke inpassing en meervoudig ruimtegebruik. Zie figuur 4 voor een visualisatie van zonneparken van verschillende omvang.16
Indien de zonneparken die momenteel in procedure zijn maar waarvan realisatie nog onzeker is niet door gaan dan is er nog ruimte voor 5 tot 8 zonneparken van 10 hectare. Ook hiervoor geldt dat dit wel afhankelijk is van het beschikbaar komen van extra capaciteit op het elektriciteitsnet (zie paragraaf 1.3.6).
Dit soort kleine zonneparken staan we uitsluitend toe in grootschalig open landschap en op kwalitatief minder hoogwaardige landbouwgronden. In paragraaf 4.2 is uitgewerkt welke locaties dit zijn.
Voor de plaatsing van deze zonneparken gelden eveneens de voorwaarden die in paragraaf 4.3 tot en met 4.7 zijn uitgewerkt.
2.3.4. Trede 4: in de rest van Westerwolde verbod op zonneparken
Voor grotere zonneparken groter dan 10 hectare bruto en voor alle andere gebieden geldt dat zonneparken in het landschap niet zijn toegestaan.
We verwachten op deze wijze voldoende mogelijkheden te bieden om de RES-opgave in te vullen. Zoals eerder beschreven starten we in 2026 met de evaluatie van het beleid. Mocht de doelstelling dan nog niet in zicht zijn kunnen er op dat moment nog aanpassingen worden doorgevoerd om de opgave voor 2030 alsnog te behalen.
3. Zon op dak
|
Samenvatting Ons doel is om in 2030 120 TJ duurzame energie met zonnepanelen op grote daken (> 15 kWp) op te wekken. Hiervoor zou ongeveer 50% van de potentiële dakoppervlakte van grote daken benut moeten worden. Daarnaast vinden we het belangrijk dat zoveel mogelijk kleine daken ook over zonnepanelen beschikken. Om zonnepanelen op kleine en grote daken te stimuleren nemen we de volgende maatregelen: Voor daken van woningen (kleine daken):
Voor daken van bedrijven en schuren (grote daken):
Voor gemeentelijk vastgoed nemen we in het Strategisch Vastgoedplan uitgangspunten op over de verduurzaming. Dit plan wordt naar verwachting medio 2023 voorgelegd aan de raad. |
Het heeft onze voorkeur om zonnepanelen op zoveel mogelijk daken te realiseren. In de evaluatie van het huidige beleidskader is naar voren gekomen dat de ontwikkeling van zon op dak niet uitsluitend als een autonome ontwikkeling kan worden gezien. De hoeveelheid opgewekte energie via zon op dak blijft achter ten opzichte van de doelstelling.17 Daarom gaan we als gemeente een actievere rol hierin nemen.
In dit hoofdstuk beschrijven we eerst wat de rol van de gemeente is op het gebied van zon op dak. Vervolgens beschrijven we welke locaties uitgesloten zijn voor zonnepanelen op daken. Daarna gaan we achtereenvolgens in op de wijze waarop we zonnepanelen op kleine en grote daken en maatschappelijk vastgoed gaan stimuleren. Tot slot beschrijven we de mogelijkheden voor zonnepanelen op infrastructuur.
3.1. Rol gemeente
We hebben de ambitie om een zo groot mogelijk deel van de opgave voor de opwek van duurzame energie te realiseren met zonnepanelen op daken. Om dit te bewerkstelligen nemen we we een meer proactieve rol ten aanzien van zon op dak aan. Tegelijk zijn we voor de realisatie van de ambitie voor zon op dak afhankelijk van vele actoren. Om toch zoveel mogelijk zon op dak te realiseren kiezen we een stimulerende rol en zetten we in op:
- •
Het verzorgen van eenduidige informatievoorziening aan inwoners en bedrijven over mogelijkheden om zonnepanelen op daken te plaatsen en de mogelijkheden om dit te financieren. Deze informatievoorziening zal parallel lopen met informatievoorziening over energiebesparing.
- •
Het coördineren van de realisatie van zonnepanelen op grote daken zodat een zo groot mogelijk deel daadwerkelijk een aansluiting kan krijgen op het elektriciteitsnet.
- •
Zelf het goede voorbeeld geven door vastgoed dat in eigendom is van de gemeente waar mogelijk van energieopwekkende maatregelen te voorzien en te onderzoeken of het mogelijk is om als gemeente de realisatie van zonnepanelen op het deel van een groot dak dat niet door de eigenaar van zonnepanelen wordt voorzien over te nemen.
- •
Te lobbyen en actief mee te denken over effectieve regelgeving en maatregelen van de provincie en het Rijk.
3.2. Waar wel en waar niet
Uitgangspunt is om zoveel mogelijk van het beschikbare dakoppervlak in de gemeente vol te leggen met zonnepanelen. Het is daarom, op enkele uitzondering na, in de hele gemeente mogelijk om zonnepanelen op daken te realiseren. We vinden het van belang dat er aandacht is voor behoud van ruimtelijke kwaliteit. Uitzondering vormen daarom de panden die vallen binnen het beschermd dorpsgezicht van Bellingwolde, Bourtange en Oudeschans en de rijksmonumenten. Voor de plaatsing van zonnepanelen op daken in beschermde dorpsgezichten en/of op monumenten is altijd een omgevingsvergunning nodig. Bij de toetsing van een aanvraag zijn de welstandscriteria leidend.18 Dit betekent niet dat de plaatsing van zonnepanelen in beschermde dorpsgezichten of op monumenten helemaal niet mogelijk is, maar wel dat hier aan strikte voorwaarde op het gebied van inpassing moet worden voldaan. Zie hiervoor ook de Groene gids van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.19 Voorbeelden waarin dit is gedaan zijn te zien in figuur 5.
Figuur 5. Voorbeelden van zonnepanelen op monumenten uit Groene Gids van Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.
Naast het plaatsen van zonnepanelen op daken ontstaan landelijk ook steeds meer initiatieven om zonnepanelen in de tuin te plaatsen. Dit is niet direct een ontwikkeling die we willen stimuleren omdat het snel kan leiden tot verrommeling van het landschap tenzij het kan worden gecombineerd met reeds bestaande bouwwerken, denk aan een schuur of fietsoverkapping. Het plaatsen van een constructie met zonnepanelen in de tuin betreft het plaatsen van een bouwwerk, niet zijnde een gebouw. Daar zijn conform de bestemmingsplannen regels aan gebonden en het is omgevingsvergunningsplichtig. Aanvragen voor een dergelijke omgevingsvergunning worden conform de geldende bestemmingsplannen getoetst.
3.3. Woningen (kleine daken)
In deze paragraaf hebben we het over kleine daken waarvoor de aansluiting van zonnepanelen binnen de bestaande kleinverbruikaansluiting kan worden gerealiseerd. We zijn hiervoor afhankelijk van de eigenaren van woningen. Een belangrijke stimulans hierin vormt het Europese en landelijke beleid om de plaatsing van zonnepanelen financieel aantrekkelijk te maken. Omdat de we als gemeente een grote ambitie hebben op het gebied van zonnepanelen op daken, spannen we ons extra in om zon op dak te realiseren. De wijze waarop we dat doen verschilt per woningtype.
3.3.1. Nieuwbouw
Momenteel moeten alle nieuwe vergunningsaanvragen voor woning- en utiliteitsbouw en voor alle renovaties voldoen aan de BENG-normering (Bijna EnergieNeutrale Gebouwen). Naar verwachting leidt dit ertoe dat veel nieuwbouw over zonnepanelen zal beschikken. De Omgevingswet biedt de mogelijkheid om dit via maatwerkregels ook als aanvullende eis voor de omgevingsvergunning op te nemen. Indien dit nodig blijkt, en de Omgevingswet in werking is getreden, maken we van deze mogelijkheid gebruik om te borgen dat alle nieuwbouw over zonnepanelen beschikken.
3.3.2. Particuliere woning (koop en huur)
Particuliere woningeigenaren (al dan niet in een VvE verenigd) beschikken over een belangrijk deel van het dakoppervlak in Westerwolde. Zij zijn dus een belangrijke doelgroep om te bereiken dat een zo groot mogelijk deel van het dakoppervlak benut wordt voor zonnepanelen. Belangrijke belemmeringen die worden genoemd in het kader van zonnepanelen op eigen dak realiseren zijn 1) dat het proces om een leverancier te zoeken, belastingvoordelen te realiseren, et cetera complex is en veel tijd kost; en 2) dat de investering in zonnepanelen niet gedragen kan worden.20
Om dit te doorbreken nemen we de volgende maatregelen:
- •
We gaan de informatie met betrekking tot verduurzaming centraal ontsluiten (online en offline) en inwoners actief informeren over de mogelijkheden (bijvoorbeeld via post). Vanuit dit punt worden verschillende acties, zoals stimuleren zonnepanelen, energiebesparing en duurzaamheidsfonds gecoördineerd.
- •
We gaan actiever inzetten op onafhankelijke energiecoaches die persoonlijk advies kunnen geven en kunnen helpen met het daadwerkelijk realiseren van oplossingen. Deze energiecoaches zetten we niet alleen in voor zonnepanelen maar spelen ook een rol in het stimuleren van energiebesparende maatregelen middels bijvoorbeeld isolatie. De energiecoaches zijn verbonden zijn aan het lokale energieloket. Hierbij wordt ook actief doorverwezen naar landelijke maatregelen zoals de mogelijkheid om tegen gunstige voorwaarden een lening aan te gaan voor de plaatsing van zonnepanelen bij het nationaal warmtefonds.
- •
We laten een scan uitvoeren naar schaduwwerking van openbaar groen op daken. Afhankelijk van de uitkomsten van deze scan bepalen we of vervolgactie wordt ondernomen om schaduwwerking van openbaar groen op daken te voorkomen.
Voor woningen die door particulieren verhuurd worden zetten we de voorgaande instrumenten eveneens in. Complexiteit daarbij is dat het belang om daadwerkelijk maatregelen te nemen vaak versnipperd is. De huurder heeft belang bij het plaatsen van zonnepanelen voor de energierekening op de korte termijn maar profiteert niet van de waardestijging door geplaatste zonnepanelen op de lange termijn. Landelijk wordt onderzocht hoe hier een oplossing voor kan worden gerealiseerd.21 Dit volgen we en hier sluiten we bij aan zodra een oplossing beschikbaar is.
3.3.3. Huur (woningbouwcorporaties)
In Westerwolde zijn woningbouwcorporaties Acantus en Woonzorg Nederland actief. Jaarlijks worden prestatieafspraken gemaakt met Acantus en Bewoners Organisatie Westerwolde (BOW). In de prestatieafspraken voor 2023 zijn onder meer afspraken gemaakt over het verduurzamen van sociale huurwoningen met energielabels E, F en G. Er zijn nog geen expliciete afspraken over zonnepanelen gemaakt. Met Woonzorg Nederland lopen nog meerjarige prestatieafspraken. Ook daarin komt de verduurzaming van de woningvoorraad in algemene zin terug maar wordt niet expliciet gesproken over zonnepanelen.
Omdat we als gemeente ook het dakoppervlak van sociale huurwoningen graag benutten voor de opwek van duurzame energie kijken we of dit een plek kan krijgen in de jaarlijkse en meerjarige prestatieafspraken van 2024 en verder.
3.4. Bedrijven en schuren (grote daken)
Uit de evaluatie van het beleidskader blijkt dat er voor de realisatie van zonnepanelen op grote daken drie belemmeringen zijn:
- •
Voor grote daken waar zoveel zonnepanelen op kunnen dat een grootverbruikaansluiting nodig is, is het momenteel niet mogelijk om een aansluiting op het net te krijgen vanwege netcongestie (zie paragraaf 1.3.6). Het is afhankelijk van het vermogen van de zonnepanelen wanneer dit het geval is maar grofweg kan worden gezegd dat dit is bij meer dan 120 zonnepanelen.
- •
Grote daken zijn niet in alle gevallen technisch geschikt en het kost eerst geld om dit uit te laten zoeken.
- •
Voor veel eigenaren van grote daken is het voldoende om slechts een gedeelte van het dak te bedekken met zonnepanelen om het eigen verbruik te compenseren. Daardoor blijft een deel van het dakoppervlak onbenut. Door afspraken met omwonenden en/of energiecoöperaties zou dit wel rendabel kunnen worden gemaakt. Het kost alleen veel tijd om dergelijke afspraken te maken.
We nemen verschillende maatregelen om toch te zorgen dat zoveel mogelijk grote daken toch van zonnepanelen kunnen worden voorzien.
3.4.1. Actief meedenken wat wel mogelijk is
Zoals in paragraaf 1.3.6. aangegeven is het momenteel niet mogelijk om nieuwe grootverbruikaansluitingen te realiseren voor de netbeheerder. Het aansluiten van zonnepanelen binnen een kleinverbruikaansluiting is wel mogelijk. Deze kleinverbruikaansluiting kan maximaal 3 x 80 ampère zijn. Daarmee is het nog steeds mogelijk om ongeveer 120 zonnepanelen aan te sluiten. Voor een deel van de grote daken zal dat voldoende zijn. Een deel van de eigenaren van deze daken beschikt mogelijk al over een aansluiting van 3 x 80 ampère en een deel van de aansluitingen kan door de netbeheerder worden uitgebreid tot 3 x 80 ampère. Als gemeente gaan we dakeigenaren actief benaderen en ondersteunen om te onderzoeken wat mogelijk is binnen een, eventueel uitgebreide, kleinverbruikaansluiting.
3.4.2. Coördinatie ten behoeve van efficiënte aansluiting
Om te borgen dat een zo groot mogelijk deel van de grote daken ook daadwerkelijk aangesloten kan worden is het belangrijk om in een vroegtijdig stadium te inventariseren welke daken daadwerkelijk geschikt zijn en welke eigenaren daadwerkelijk zonnepanelen op hun dak willen realiseren. We gaan daarom een actieve rol spelen in de coördinatie van zonnepanelen op grote daken. Dit doen we in twee fasen:
- •
2023 – 2024: inventariseren welke daken geschikt zijn en welke dakeigenaren zonnepanelen willen plaatsen. Dit doen we door een subsidie te verstrekken voor het uitvoeren van onderzoek naar de technische geschiktheid van daken.
- •
2026 en verder: gebiedsgericht stimuleren van aanvragen van een (grotere) aansluiting bij netbeheerder zodat deze beter per gebied kan inschatten welke capaciteit benodigd is. Dit doen we door deze aanvragen per gebied te coördineren. Bijvoorbeeld door in de eerste helft van 2026 te focussen op alle grote daken rond Wedde, de tweede helft van 2026 op alle grote daken rond Ter Apel, enzovoort. In het kader van Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat (PMIEK) is de provincie verantwoordelijk om regionale middellange termijn visie op te stellen voor het regionale energienet.22 Daarom zoeken we de samenwerking met de netbeheerder en de provincie om tot een voor Westerwolde gebiedsgerichte aanpak te kunnen komen.
3.4.3. Stimuleren om zo groot mogelijk oppervlakte te benutten
Het is voor eigenaren van grote daken momenteel veelal niet aantrekkelijk om meer zonnepanelen te realiseren dan voor het eigen verbruik noodzakelijk is. Veelal wordt een deel van grote daken daardoor niet benut. Om dit in de toekomst te voorkomen doen we het volgende:
- •
Eigenaren van grote daken die geïnteresseerd zijn om zonnepanelen te plaatsen in contact brengen met inwoners, energiecoöperaties of andere bedrijven die op zoek zijn naar een beschikbaar dak voor zonnepanelen, omdat het eigen dak niet geschikt is voor zonnepanelen. Vervolgens faciliteren we als gemeente in de totstandkoming van afspraken tussen dakeigenaar en inwoner/energiecoöperatie.
- •
Onderzoeken of we als gemeente kunnen investeren in zonnepanelen op het onbenutte dakoppervlak van niet-gemeentelijke eigendommen. Dit onderzoek maakt onderdeel uit van de verkenning naar de mogelijkheid om een gemeentelijk energiebedrijf voor de opwek van duurzame energie op te richten (zie paragraaf 4.1).
3.4.4. Informatievoorziening via centraal punt
Om eigenaren van bedrijfsgebouwen en/of (agrarische) schuren bewust te maken van de mogelijkheden om zonnepanelen op het dak te plaatsen gaan we hen actief informeren. Hiervoor wordt een centraal punt (online en offline) gebruikt. We zullen dakeigenaren op deze manier in ieder geval informeren over de hiervoor genoemde mogelijkheden, maar ook wijze op landelijke en provinciale regelingen om de realisatie van zonnepanelen te stimuleren. Denk bijvoorbeeld aan het Fonds Nieuwe Doen23 en de pilot SamenZONderAsbest24 van de provincie Groningen.
3.4.5. Nieuwbouw bedrijfsruimte
We willen voorkomen dat nieuwe bedrijfshallen ongeschikt zijn om zonnepanelen op te plaatsen. We onderzoeken daarom de mogelijkheid om in de vergunningsvoorschriften op te nemen dat dakconstructie geschikt dient te zijn om zonnepanelen op het dak te realiseren.
3.5. Gemeentelijk vastgoed
We vinden het belangrijk om zelf het goede voorbeeld te geven. Daarom is het uitgangspunt dat het gemeentelijk vastgoed wordt voorzien van zonnepanelen voor zover het dak daarvoor geschikt is. Momenteel wordt het strategisch vastgoedplan (SVP) opgesteld. Naar verwachting wordt dit plan medio 2023 voorgelegd aan de gemeenteraad. Het SVP geeft handvatten voor het maken van strategische keuzes omtrent het gemeentelijk vastgoed, waarbij ook rekening gehouden wordt met de verduurzamingsopgave. Bij de verduurzaming van gemeentelijk vastgoed heeft het de voorkeur om gebruik te maken van landelijke en/of provinciale subsidies, zoals de regeling Duurzaam Maatschappelijk Vastgoed (DUMAVA). Bij het realiseren van zonnepanelen op gemeentelijk vastgoed bekijken we in hoeverre het mogelijk is om samen te werken met lokale energiecoöperaties, zodat omwonenden mede-eigenaar kunnen worden van dergelijke zonnedaken.
3.6. Infrastructuur
Infrastructuur is vaak een logische plek voor de realisatie van zonnepanelen en past bij de doelstelling van het kabinet voor meervoudig ruimtegebruik. Bijvoorbeeld door parkeerterreinen of geluidsschermen te benutten. Gezien de landschappelijke ligging beschikt Westerwolde beperkt over dit soort infrastructuur. Om toch de kansen op dit vlak in beeld te brengen gaan we er bij de provincie Groningen op aandringen de tool Park the Sun voor de volledige provincie beschikbaar te stellen om geschikte parkeerterreinen in beeld te brengen.25
Op diverse plekken in Nederland worden proeven gedaan met zonnepanelen in het wegdek. De opbrengst hiervan is echter nog laag en de kosten zijn ongeveer tien keer zo hoog als wanneer zonnepanelen worden geplaatst. Het is daarom momenteel nog niet rendabel om hierop in te zetten. Wel volgen we de ontwikkelingen.
4. Zon op land
|
Samenvatting We verwachten nog een restopgave te hebben voor de opwek van duurzame energie, ook als we onze ambitie voor zonnepanelen op daken behalen. Hoe groot die restopgave is hangt af van het wel of niet doorgaan van projecten die momenteel in procedure zitten. Om in de restopgave te voorzien maken we de plaatsing van zonneparken in het landschap mogelijk op de volgende wijze:
Voor de plaatsing van kleine zonneparken gelden voorwaarden op het gebied van:
We controleren als gemeente vooraf aan en gedurende de looptijd van de vergunning op deze voorwaarden. Om in de toekomst meer controle te hebben op de ontwikkeling van zonneparken en te borgen dat de inkomsten aan de lokale gemeenschap ten goede komen verkennen we de mogelijkheid een gemeentelijk energiebedrijf voor de opwek van duurzame energie op te richten. |
Zoals eerder benoemd heeft het voorgaande beleidskader geleid tot de ontwikkeling van grote zonneparken in Westerwolde, waardoor we als gemeente op koers liggen om onze doelen te behalen voor de opwek van duurzame energie. Zo werd in 2020 bijvoorbeeld het zonnepark Vlagtwedde opgeleverd, wat zich destijds met een oppervlak van 120 hectare het grootste zonnepark van Nederland mocht noemen.
Naast de energie die grote zonneparken op leveren hebben ze ook een grote impact op de omgeving. In de evaluatie is dan ook de voorkeur naar voren gekomen om de ontwikkeling van dergelijk zonneparken te beperken en hier als gemeente meer regie over te nemen. Dit hoofdstuk gaat in op hoe we de resterende opgave wél willen realiseren met zon op land, met de geleerde lessen in het achterhoofd. Daarbij verstaan we onder zonnepanelen op land ook zonnepanelen op water en gelden hiervoor in beginsel dezelfde voorwaarden.
4.1. Rol gemeente
Ten aanzien van de realisatie van zonneparken in het landschap kunnen we onze rol op verschillende manieren invullen:
- •
Kader stellend: in deze vorm stelt een gemeente kaders in het beleid waarbinnen de ontwikkeling van zonneparken mogelijk is. Initiatiefnemers, bijvoorbeeld marktpartijen, kunnen vervolgens binnen deze kaders zonneparken ontwikkelen. Het beleidskader uit 2019 heeft deze vorm.
- •
Regisserend: in deze vorm voert een gemeente meer regie door periodiek plannen voor zonneparken te beoordelen en de best scorende plannen door te laten gaan voor daadwerkelijke ontwikkeling. Hierdoor ontstaat een maatschappelijke tender waarbij de gemeente de plannen beoordeelt op basis van vooraf gedefinieerde, objectieve criteria.
- •
Uitvoerend: in deze vorm ontwikkelt een gemeente de zonneparken zelf. Bijvoorbeeld door een gemeentelijk energiebedrijf op te richten voor de opwek van energie. Een voorwaarde voor het zelf ontwikkelen is dat de gemeente over grondposities moet beschikken om op deze gronden zelf zonneparken te ontwikkelen. De gemeente Westerwolde beschikt op dit moment echter niet over grondposities. Hiervoor zal dus eerst grond moeten worden aangekocht of afspraken moeten worden gemaakt over de pacht van grond.
Een belangrijk uitgangspunt vinden we dat een zo groot mogelijk deel van de winsten van zonneparken ten goede komt aan de lokale gemeenschap. Lokaal eigenaarschap is een methode om dit te bewerkstelligen. Dit kan bereikt worden door vanuit een kader stellende of regisserende rol te sturen op lokaal eigendom of door als gemeente zelf zonneparken te ontwikkelen. In dat laatste geval hebben we als gemeente de grootste invloed op het daadwerkelijk terugvloeien van winsten in de lokale gemeenschap. We kiezen er daarom voor te verkennen in hoeverre het mogelijk is om een gemeentelijk energiebedrijf op te richten voor de realisatie van zonneparken. In deze verkenning zal ook worden gekeken naar de mogelijkheid om een dergelijk energiebedrijf een rol te laten spelen bij het volledig vullen van grote daken met zonnepanelen en in de warmtetransitie (bijvoorbeeld als eigenaar warmtenet).
Totdat de verkenning naar een gemeentelijk energiebedrijf is afgerond zal het uitsluitend mogelijk zijn om kleine zonneparken te realiseren (tot 10 hectare). We kiezen als gemeente een kader stellende rol ten aanzien van deze kleine projecten. Dat betekent dat we voorwaarden stellen waaraan voldaan dient te worden voordat een omgevingsvergunning voor een zonnepark zal worden verstrekt. Daarbij sturen we onder meer op minimaal 50% lokaal eigendom. In het vervolg van dit hoofdstuk worden deze voorwaarden beschreven.
Voorlopig is het dus alleen mogelijke om kleine zonneparken te realiseren. Dit is ook mogelijk omdat het behalen van de doelstelling met de huidige in procedure zijnde projecten binnen bereik is en omdat het vanwege netcongestie voorlopig niet tot nauwelijks mogelijk is om nieuwe zonneparken aan te sluiten (zie paragraaf 1.3.6). Indien bij de evaluatie in 2026 blijkt dat toch meer inzet nodig is om de doelstelling te behalen zal er op dat moment meer ruimte worden geboden.
4.2. Waar wel en waar niet
Zoals in paragraaf 2.3 aangegeven hanteren we de zonneladder om aan te geven op welke locaties wat voor zonneparken zijn toegestaan. De eerste trede gaat over zonnepanelen op daken. De tweede trede heeft betrekking op zonneparken bij dorpskernen. De derde trede heeft betrekking over kleine zonneparken in het landschap. De vierde trede betreffen locaties waar zonnepanelen niet zijn toegestaan. Hier beschrijven we nader welke gebieden in trede 3 en welke gebieden in trede 4 zitten.
Om te bepalen waar kleine zonneparken wel en waar kleine zonneparken niet zijn toegestaan, baseren we ons op een aantal factoren waaronder de openheid van het landschap, de kwaliteit van de landbouwgrond, de natuurwaarde van een locatie, de cultuurhistorische waarde van een locatie en de mate waarop een locatie aansluit bij bestaande landschapselementen. In figuur 6 hebben we verschillende landschapstypen onderscheiden op basis van het landschapsontwikkelingsplan veenkoloniën, de Kwaliteitsgids Groningen en de Provinciale Omgevingsverordening. Op basis van die analyse is er een aantal gebieden die in aanmerking zouden kunnen komen, namelijk de Open Dollardpolders, de Oude Groningse Veenkoloniën, de industriële Veenkoloniën, het grootschalige zandlandschap, de randveenontginningen en de Drentse Monden. De open beekdalen, kleinschalige zandlandschappen en het NNN-gebied (donkergroen) zijn dus geen open landschappen en hier zijn kleine zonneparken niet toegestaan.
Figuur 6. Overzicht van de verschillende landschapstypen in Westerwolde.
Figuur 7. Overzicht van kwaliteit van landbouwgebieden in Westerwolde.
Voor de kwaliteit van de landbouwgrond baseren we ons op de landbouwopbrengstenkaart van natuurlijk kapitaal (zie figuur 7).26 Het donkergroene gebied op deze kaart betreft landbouwgrond van hoge kwaliteit en het lichtgroene gebied betreft minder vruchtbare landbouwgrond. Hieruit blijkt dat het gebied van de Open Dollardpolders en gebied is met kwalitatief hoogwaardige landbouwgrond. Dat betekent dat ook in dat gebied geen zonneparken zijn toegestaan.
Op basis daarvan blijven er twee gebieden over waar kleine zonneparken tot 10 hectare bruto worden toegestaan. Dit betreffen: de industriële veenkoloniën en de Westelijke zandgebied (grootschalig zandlandschap, randveenontginningen en Drentse Monden). Dit betreft niet dat binnen deze gebieden elke locatie geschikt is. Er dient bijvoorbeeld locatie specifiek te worden afgewogen of een zonnepark voldoende aansluit bij bestaande landschapselementen (zie paragraaf 4.3).
4.2.1. Industriële veenkoloniën
Aan de grens met Duitsland liggen de industriële Veengebieden, een heideontginningslandschap met jonge ontginningsdorpen. In het gebied ligt het vestingdorp Bourtange. Voor de Industriële veenkoloniën geldt dat in een straal rond Bourtange zonneparken niet toegestaan zijn. Dit heeft te maken met cultuurhistorische waarden en behoud van open landschap rond de vesting. Daarbuiten zijn kleine zonneparken toegestaan tot 10 hectare bruto (zie figuur 8). Aandachtspunt hierbij is wel dat bouwwerken, waaronder zonneparken, niet zijn toegestaan in een strook van 376,7 meter van de grens met Duitsland (zie paragraaf 1.3.5).
4.2.2. Westelijke zandgebied
In het westen van Westerwolde is een grootschalig jong gebied met zandgronden te vinden. Verder naar het zuiden toe gaat dit gebied over in de randveenontginningen en de Drentse monden (Veenkoloniën). In het westelijke zandgebied zijn zonneparken niet toegestaan in de lintbebouwing. Daarbuiten geldt dat kleine zonneparken tot 10 hectare zijn toegestaan (zie figuur 9).
Figuur 8. Mogelijkheden voor kleine zonneparken in industriële veenkoloniën.
Figuur 9. Mogelijkheden voor kleine zonneparken in westelijke zandgronden.
Momenteel wordt ook gewerkt aan een aanscherping van de omgevingsvisie van Westerwolde en nader onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van het landschap. Dit zou effect kunnen hebben op de gebieden waar zonneparken wel en niet gewenst zijn. Indien in het kader van de omgevingsvisie andere keuzes worden gemaakt over de inpassing van zonneparken in het landschap zal de omgevingsvisie leidend zijn.
4.3. Landschappelijke inpassing en ecologische waarde
Wanneer een initiatiefnemer tot een geschikte locatie is gekomen is het belangrijk dat het zonnepark zorgvuldig wordt ingepast waarbij de ecologische waarde wordt behouden en waar mogelijk versterkt. Omdat precieze keuzes voor landschappelijke inpassing verschillen per specifieke locatie, is het van belang dat de aanwonenden en omwonenden worden betrokken bij keuzes met betrekking tot landschappelijke inpassing (zie paragraaf 4.5.).
4.3.1. Landschappelijke inpassing: verdiepingsslag
In 2020 is in samenwerking met de provincie Groningen de landschappelijke verdiepingsslag opgesteld als aanvulling op het voorgaande beleidskader. Uit de beleidsevaluatie is gebleken dat de uitgangspunten uit deze landschappelijke verdiepingsslag nog steeds actueel zijn en voldoen. Daarom nemen we deze, voor zover qua gebieden nog van toepassing, over in dit beleidskader. Over het algemeen gelden de volgende basiscriteria bij het inpassen van een zonnepark:
- •
Passend in de schaal van het landschap en aansluitend op landschappelijke kenmerken van het gebied. Op landschapsniveau wordt gestreefd een zonnepark zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de ruimtelijke hoofdstructuur. Daarnaast moet er per locatie gekeken worden welke maat en schaal past bij de omgeving. Bij een klein dorp bijvoorbeeld past geen heel groot zonnepark terwijl dit bij een industrieterrein beter passend is.
- •
Passende afstand tot woningen en linten. Een zonnepark dient op een passende afstand te liggen van woningen en linten. Maar wat is precies een passende afstand? De meest geschikte locaties voor zonneparken in landelijk gebied worden gezien als locaties met kenmerken van verstedelijking, en plekken waar vraag en aanbod in balans zijn. Bijvoorbeeld aan de rand van een kern. Echter is het ook belangrijk dat bewoners geen hinder ondervinden aan een zonnepark nabij hun woningen. Daarom hanteren we een richtlijn van 50 meter afstand tot bebouwing en linten. Daarmee ontstaat ruimte om maatregelen te treffen om zichtlijnen op het zonnepark te beperken en een groene rand te creeren.
- •
Afstand tot andere zonneparken. Ongewenste clustering van zonneparken willen we voorkomen. We nemen hiervoor als stelregel een minimale afstand van 500 meter tussen zonneparken. Per project wordt gekeken of deze afstand passend is in de situatie. In sommige gevallen kan clustering wenselijk zijn. Hierbij is clustering mogelijk tot de maximale omvang van 10 hectare bruto van één park (zie paragraaf 4.2).
Zoals in paragraaf 4.2. beschreven, onderscheiden we twee gebieden waar kleine zonneparken tot 10 hectare in het buitengebied mogelijk zijn. Voor deze landschappen zijn aanvullende criteria voor inpassing opgesteld, op basis van de kernkwaliteiten. Een overzicht is te vinden in de onderstaande tabel 1.
Tabel 1. Overzicht van de twee grootschalige landschapstypen en de bijbehorende aanvullende landschappelijke criteria.
|
Industriële veengronden |
Westelijke zandgronden |
|
|
Meer specifiek dienen op objectniveau een aantal uitgangspunten met betrekking tot de inpassing te worden gehanteerd:
- •
Zorgen voor een eenduidige kleurstelling met in ieder geval donkere kleuren.
- •
Zorgen voor een passende ordening van zonnepanelen en trafohuisjes. In elk geval door verspringing in het landschap te voorkomen en restruimtes binnen het zonnepark te laten vallen (zie figuur 10).
Figuur 10. Een zuid-opstelling is niet altijd passend bij de kavelstructuur van een zonnepark. Een passende ligging van de zonnepanelen kan inefficiënte restruimte voorkomen en zorgen voor een ruimtelijk logische buitengrens. Wanneer er toch wordt gekozen voor een opstelling die niet optimaal past binnen de kavelstructuur kunnen restruimtes het beste aan de binnenkant van het park worden opgelost zodat er geen gerafelde buitengrens ontstaat.27
4.3.2. Ecologische waarde
Zonneparken kunnen ook een kans bieden om de ecologische waarde van het landschap te versterken. Gezien de uitdagingen op het gebied van biodiversiteit willen we stimuleren dat deze kans zoveel mogelijk wordt benut. Op initiatief van de branchevereniging Holland Solar is de ‘Gedragscode Zon op Land’ opgesteld.28 Deze gedragscode is ondertekend door negen partijen, waaronder verschillende natuurorganisaties en de vereniging van omwonenden van energieprojecten. De gedragscode gaat uit van drie centrale principes, waaronder het ontwikkelen van zonneparken met oog voor de natuur en meerwaarde voor de omgeving.
We sluiten zoveel mogelijk aan bij de uitgangspunten die in de gedragscode zijn opgenomen. Op enkele punten scherpen we deze aan. Op het gebied van ecologische waarde gelden daarmee minimaal de volgende uitgangspunten:
- •
In de gedragscode van Holland Solar is een ondergrens van 25% onbedekt oppervlak van het gebied opgenomen. Wij volgen dit maar expliciteren hierbij dat we hiermee bedoelen dat de ruimte tussen rijen zonnepanelen een onbedekte ruimte moet hebben van 25% van de lengte van een paneel (zie figuur 11). Het is dus niet de bedoeling dat het onbedekte oppervlak alleen aan de rand van het zonnepark gelegen is terwijl de panelen zelf dicht op elkaar staan. Onbedekt oppervlak met een andere functie voor het zonnepark, zoals voetpaden, tellen eveneens niet mee in het percentage. Ook bij een oost-westopstelling dient tussen elke rij minimaal 25% ruimte te worden behouden zodat wordt voorkomen dat ‘dakjes’ ontstaan. Deze maatregel heeft tot doel om de kwaliteit van de bodem zoveel mogelijk te behouden, door voldoende zonlicht en water toe te laten. Wanneer landschappelijke inpassing het toelaat is een verticale opstelling ook mogelijk gezien de beoogde voordelen voor de biodiversiteit en bodemkwaliteit.
Figuur 11. Minimale afstand 25% van grootte zonnepaneel tussen rijen panelen.
- •
Naast de voorgenoemde maatregel geldt dat de locaties waar kleine zonneparken tot 10 hectare mogelijk zijn (zie paragraaf 4.2) tevens belangrijke gebieden zijn voor akkervogels. We hanteren daarom als aanvullende eis dat minimaal 10% van het planoppervlakte optimaal wordt ingericht en beheert voor akkervogels. Indien mogelijk kan dit worden gecombineerd met de 25% ruimte tussen rijen panelen.
- •
Bij voorkeur kiezen voor een natuurlijke afscheiding, zoals een sloot, haag, of houtwal van inheemse soorten. Zorg in het geval van een hekwerk voor een verbinding met het achterland. Bijvoorbeeld door openingen aan te brengen die de migratie van dieren mogelijk maakt in de vorm van dassentunnels en kleinwildtunnels. Dit is met name relevant wanneer een zonnepark wordt geplaatst in een gebied met hoge natuurwaarden of een corridorfunctie.
- •
Standaard dienen er specifieke natuurelementen aan het gebied toe te worden gevoegd (bijvoorbeeld poelen, bijenhotel, nestplaatsen).
- •
Om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming dient te worden onderzocht of een zonnepark effect heeft op bijzondere dier- en plantensoorten. In hoeverre dit het geval is, zal per specifieke locatie verschillen.
- •
In het vegetatiebeheer wordt gestuurd op inheemse, kruidenrijke vegetaties. In de gedragscode van Hollands Solar is opgenomen dat er zo weinig frequent als mogelijk moet worden gemaaid. Weinig maaien kan voordelen hebben voor biodiversiteit, maar niet op alle soorten grond. Uit onderzoek is gebleken dat op voormalige landbouwgrond de bemeste bodem een grote belemmering is voor een hoge biodiversiteit van planten.29 Slechts enkele planten zijn in staat om in zulke condities te groeien. Voor voormalige landbouwgrond is het juist van belang dat de voedselrijkdom afneemt. Dit kan door in de eerste jaren minimaal twee keer per jaar te maaien en af te voeren.
- •
Om een zonnepark goed te kunnen beheren is monitoring van de natuurwaarden van het gebied voorafgaand, tijdens de exploitatie, en na de opruiming wenslijk. Voor zonneparken van meer dan 5 hectaren stellen we monitoring daarom verplicht. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het organiseren van de uitvoering van een nulmeting en opvolgende metingen voor monitoring, met een kennisinstelling of ecologisch bureau (bij voorkeur aangesloten bij Netwerk Groene Bureaus). Voor het monitoren van natuurwaarden in zonneparken dient het Meetprotocol biodiversiteit zonneparken te worden gevolgd.30
De initiatiefnemer stelt een aanleg- en beheerplan op waarin wordt beschreven hoe voorgaande punten worden geborgd. Het beheerplan dient te zien op de volledige looptijd van de vergunning van 30 jaar. In het proces van vergunningsverlening wordt dit plan beoordeeld door de gemeente (zie het stappenplan in bijlage II). Voor de beoordeling maken we gebruik van ecologische expertise, of door deze zelf in de organisatie te betrekken of door bijvoorbeeld advies te vragen aan natuurorganisaties als NMF Groningen of IVN.
Het huidige beleid sluit aan wat er tot dusver bekend is op het gebied van biodiversiteit bij zonneparken.31 Er wordt echter nog volop onderzoek gedaan naar biodiversiteit in zonneparken. Op dit moment wordt er door verscheidene partijen gewerkt aan de ontwikkeling van het EcoCertified Solar Label.32 Een eerste versie zal waarschijnlijk worden gepresenteerd in 2023. Indien een dergelijk label beschikbaar komt wordt de eis opgenomen dat de plannen voor een zonnepark voldoen aan de eisen voor het verkrijgen van het EcoCertified Solar Label.
4.4. Meervoudig ruimtegebruik en koppelkansen
De ruimte die we hebben in Nederland is schaars. Daarom is het van belang zorgvuldig om te gaan met de ruimte die we hebben en voor alle opgaven die we hebben zoveel mogelijk in te zetten op meervoudig ruimtegebruik. Uitgangspunt daarbij is dan ook dat een zonnepark altijd een dubbelfunctie heeft. Meervoudig ruimtegebruik kan worden gerealiseerd door bij een bestaande functie aan te sluiten, maar ook door een nieuwe functie toe te voegen aan het te ontwikkelen stuk grond. Denk bij bestaande functies bijvoorbeeld aan zonneparken in bermen van infrastructuur, in combinatie met parkeergelegenheid (zie paragraaf 3.6) of op binnenwateren. Denk bij nieuwe functies bijvoorbeeld aan zonneparken in combinatie met landbouw33 , natuurherstel34 , klimaatadaptatie, recreatie, of opslag.
De initiatiefnemer dient bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een zonnepark een plan in te dienen waarin is beschreven hoe meervoudig ruimtegebruik wordt toegepast en aan welke andere gebiedsopgaven het park een bijdrage levert. Alleen als uit het plan blijkt dat er sprake is van meervoudig ruimtegebruik zal de aanvraag verder in procedure worden genomen (zie ook het stappenplan in bijlage II).
4.5. Betrokkenheid aan- en omwonenden
De realisatie van hernieuwbare energieprojecten heeft impact op de directe omgeving. Daarom vinden we het belangrijk dat inwoners betrokken worden in het proces, invloed hebben op keuzes over landschappelijke inpassing en de kans krijgen om mee te delen in de opbrengsten. Dit leidt er niet per definitie toe dat iedereen in de omgeving tevreden is met de komst van een project, maar moet er wel toe leiden dat iedereen in de omgeving de mogelijkheid heeft inbreng te leveren en dat er serieus met de inbreng is omgegaan door initiatiefnemers. We maken onderscheid tussen procesparticipatie (hoe betrekken we om- en aanwonenden) en financiële participatie (via lokaal eigendom). In deze paragraaf gaat het over procesparticipatie.
4.5.1. Onderscheid tussen aan- en omwonenden
In navolging van de aanbevelingen uit de evaluatie maken we onderscheid tussen aan- en omwonenden, omdat we vinden dat iemand die direct vanuit de woning de gevolgen van een project ervaart op een andere manier betrokken dient te worden dan een bredere groep betrokkenen.
Figuur 12. Schematische weergave aan- en omwonenden zonnepark
Met aanwonenden bedoelen we mensen die direct zicht op en/of overlast hebben van het zonnepark. De precieze afstand is afhankelijk van de omvang van een zonnepark. Voor zonneparken tot 5 hectare geldt de grens van 500 meter en voor grotere zonneparken de grens van 1.000 meter. Aanwonenden kunnen ook inwoner zijn van een andere gemeente wanneer een project dicht bij de gemeentegrens ligt. Afhankelijk van de uitkomst van de discussie over het grenstractaat zou het kunnen dat ook inwoners uit Duitsland dienen te worden betrokken.
Met omwonenden bedoelen we mensen die buiten deze zone wonen in een zone van 3 tot 5 kilometer van het zonnepark. Ook deze afstand wordt vastgesteld vanaf de rand van het zonnepark en is afhankelijk van de omvang van een project en de situatie op een specifieke locatie. Voor zonneparken tot 5 hectare geldt de grens van 3 kilometer en voor grotere zonneparken de grens van 5 kilometer. Mensen binnen deze zone wonen nabij het project, maar ervaren minder hinder dan aanwonenden.
4.5.2. Betrokkenheid aan- en omwonenden
In de beleidsevaluatie is één van de bevindingen dat de gemeente duidelijker moet voorschrijven hoe het betrekken van aan- en omwonenden eruit zou moeten zien en dat zij in een vroeg stadium betrokken moeten worden. Direct nadat we verkennend gesprek met de initiatiefnemer hebben gevoerd over de kans rijkheid van een locatie vragen we de initiatiefnemer daarom in gesprek te gaan met om- en aanwonenden. We vragen de initiatiefnemer op basis van die gesprekken een omgevingsovereenkomst met in elk geval de aanwonenden te sluiten. Als dit niet lukt dient de initiatiefnemer te beargumenteren waarom dit niet is gelukt en dient een participatieplan in te worden gediend. In de omgevingsovereenkomst of het participatieplan wordt minimaal ingegaan op de wijze waarop de omgeving in het vervolg van het project wordt betrokken, welke nadeelcompensatiemogelijkheden er zijn en hoe lokaal eigendom zal worden ingericht (zie paragraaf 4.6).
Als gemeente vinden we het belangrijk dat om- en aanwonenden zich gehoord voelen. Niet iedereen hoeft het eens te zijn maar een omgevingsovereenkomst of participatieplan dient wel een goed beeld van de meningen te geven. We passen daarom de methode van wederhoor toe waarbij we als gemeente beoordelen of ingediende documentatie overeenkomt met beeld uit de bijeenkomsten. We zijn daarom als toehoorder aanwezig en nemen indien nodig contact op met aan- en omwonenden.
Nadat omgevingsovereenkomst of participatieverslag zijn geaccordeerd kan gestart worden met de planuitwerking zelf. In die fase worden keuzes gemaakt over landschappelijke inpassing en ecologische waarde. Daar dient de omgeving opnieuw bij betrokken te worden. Bij de uiteindelijke vergunningsaanvraag dient een participatieverslag te worden gevoegd waarin wordt beschreven op welke wijze is omgegaan met de inbreng vanuit de verschillende bijeenkomsten. Ook in deze fase passen we wederhoor toe voordat daadwerkelijk tot vergunningverlening wordt overgegaan.
In bijlage II zijn de stappen in het proces in detail beschreven.
4.6. Lokaal eigendom
We vinden het belangrijk dat een zo groot mogelijk deel van de winsten uit zonneparken ten goede komt aan de lokale gemeenschap. Om dit te bewerkstelligen is de eis dat minimaal 50% van de zonneparken lokaal eigendom is (zie paragraaf 4.6.1.). Omdat er situaties denkbaar zijn waarin lokaal eigendom niet tot stand komt en niet iedereen de mogelijkheid heeft om financieel te participeren, zetten we de bijdrage aan gebiedsfondsen en het duurzaamheidsfonds door (zie paragraaf 4.6.2.).
4.6.1. Uitgangspunt: minimaal 50% lokaal eigendom eis
Lokaal eigendom is een begrip dat ruimte laat voor interpretatie. Daarom is het belangrijk om duidelijk te maken hoe wij hier als gemeente invulling aan willen geven. Als startpunt gebruiken we de definitie uit de RES: “Lokaal eigendom bij duurzame energieprojecten is het risicodragend (mede-) ontwikkelen en - exploiteren van die energieprojecten door lokale partijen, met het oogmerk de opbrengsten ervan ook weer lokaal in te zetten voor CO2-reductie, lastenverlichting en leefbaarheid”.
Deze definitie vullen we verder aan door vast te stellen wie wij als lokale partijen beschouwen. Met lokale partijen bedoelen we:
- •
Ten eerste inwoners van de gemeente, bij voorkeur verenigd in een energiecoöperatie waar lidmaatschap in ieder geval open staat voor alle aan- en omwonenden.
- •
Ten tweede behoren bedrijven, stichtingen en verenigingen in de omgeving tot lokale partijen die mogen participeren maar enkel door lidmaatschap van een lokale energiecoöperatie.
- •
Ten derde wordt de mogelijkheid onderzocht om als gemeente eigenaar te zijn wanneer het niet lukt om aan 50% lokaal eigendom de komen met de hiervoor genoemde lokale partijen (zie paragraaf 4.1.).
We achten het van belang dat de initiatiefnemer in een vroegtijdig stadium al het gesprek aan gaat met de lokale energiecoöperatie(s) en de omgeving over de mogelijkheid om mede-eigenaar te worden.
Daarom dient de initiatiefnemer direct na een eerste verkennend gesprek in overleg te treden met lokale energiecoöperaties en de omgeving over de mogelijkheden van lokaal eigendom. De afspraken over lokaal eigendom dienen te zijn vastgelegd voordat de daadwerkelijk inpassing van het zonnepark vorm krijgt. In bijlage II is in detail uitgewerkt hoe het gesprek over lokaal eigendom in de totale procedure past.
Om te borgen dat het lokaal eigendom ook over een redelijk deel van de gemeenschap wordt gedeeld hanteren we een eis over het minimaal aantal deelnemers. Hiervoor hanteren we de volgende regel: van lokaal eigendom is sprake wanneer 10% van de adressen binnen een straal van 5 kilometer van een project deelneemt, met een maximaal geëiste deelnemers van 100 adressen. Dit laatste voorkomt dat een onredelijk hoog aantal adressen wordt geëist indien een dorpskern binnen de straal van 5 kilometer valt. Deze voorwaarden aan de vorm van lokaal eigendom leggen we vast in de anterieure overeenkomst die we als gemeente sluiten met de initiatiefnemer.
Om te borgen dat energiecoöperaties volgens het coöperatieve gedachtegoed opereren dienen energiecoöperaties aan een aantal minimale voorwaarden te voldoen om lokaal eigendom in te kunnen vullen. Deze voorwaarden betreffen:
- •
Er dient vrije toe- en uittreding mogelijk te zijn;
- •
De winsten komen ten goede aan de lokale gemeenschap;
- •
Er is een democratisch besluitvormingsproces voor leden ingericht;
- •
Er wordt rekening mee gehouden dat ook inwoners met beperkte middelen lid kunnen worden.
We gaan als gemeente met het samenwerkingsverband ‘Platform Energietransitie Westerwolde’ (PEW) in gesprek over de mogelijkheid om deze voorwaarden te borgen door het samenwerkingsverband te formaliseren. Bijvoorbeeld door van PEW een overkoepelende coöperatie te maken met een gedragscode voor deelnemende energiecoöperaties. Zolang dit nog niet via PEW kan worden geregeld worden deze voorwaarden op een alternatieve wijze vastleggen. Bijvoorbeeld door de voorwaarden op te nemen in de anterieure overeenkomst die we als gemeente sluiten met de initiatiefnemer.
4.6.2. Duurzaamheids- en gebiedsfondsen
Er is reeds een aantal zonneparken gerealiseerd waarvoor lokaal eigendom middels een energiecoöperatie niet tot stand is gekomen. Om als lokale gemeenschap van de winsten van deze projecten te kunnen profiteren zijn duurzaamheids- en gebiedsfondsen ingericht. Uit de evaluatie van het oude beleidskader blijkt dat men er voorstander van is deze fondsen voort te zetten.35
De bestaande structuur van deze fondsen willen we doorzetten om ook in de toekomst te borgen dat de gemeenschap profiteert van de winsten van zonneparken. Dit doen we op de volgende wijze:
- •
Indien lokaal eigendom tot stand is gekomen hoeft een zonnepark uitsluitend een jaarlijkse afdracht aan het duurzaamheidsfonds te doen. Het duurzaamheidsfonds komt ten goede aan bredere projecten op het gebied van duurzaamheid in de gemeente. Het is in dit geval niet nodig om een afdracht aan het gebiedsfonds te doen omdat via het lokaal eigendom een deel van de winst al direct terugvloeit naar de directe omgeving. De bijdrage wordt betaald vanuit de rechtsvorm van het zonnepark en wordt dus naar verhouding van eigendom gedragen door de eigenaren van het zonnepark.
- •
Indien de energiecoöperatie(s) een verklaring hebben afgegeven dat het niet mogelijk is om lokaal eigendom te realiseren dan dient het zonnepark zowel een bijdrage te doen aan het duurzaamheidsfonds als aan een gebiedsfonds voor dat park.
In de praktijk betekent dit dat de bijdragen aan de duurzaamheids- en gebiedsfondsen twee keer zo hoog is als lokaal eigendom niet tot stand is gekomen.
In de leidraad maatschappelijk rendement van eind 2019, opgesteld als uitwerking van het voorgaande beleidskader, is vastgesteld hoeveel er moet worden afgedragen en hoe de inkomsten uit de fondsen worden besteed. De bedragen in deze leidraad herijken we op basis van de meest recente inzichten in de businesscase van zonneparken.
4.7. Opruiming
Zonneparken worden vergund met een tijdelijke vergunning en wijziging van het bestemmingsplan. Na verloop van tijd neemt de opbrengst van panelen af en moet het zonnepark worden opgeruimd. Wij hanteren hiervoor een periode van 30 jaar.
We sluiten wederom aan bij de gedragscode van Holland Solar: “De parken zijn zo ingericht dat er geen onomkeerbare ontwikkeling plaatsvindt. Het oorspronkelijke of een ander grondgebruik moet, indien gewenst door grondeigenaar én bevoegd gezag, na het zonneveld weer mogelijk zijn; zowel beleidsmatig als fysiek. Daarbij hoort ook dat de sector zorgt dat er geen vervuiling optreedt of dat er spullen achterblijven”. 36
Op enkele punten maken we deze opruimplicht meer specifiek:
- •
Het park dient binnen drie jaar na verloop van de periode van dertig jaar opgeruimd en in oorspronkelijke staat te worden opgeleverd aan de grondeigenaar, indien gewenst door de grondeigenaar. Dit betekent onder andere geen verslechterde bodemkwaliteit, verontreiniging of bodemverdichting. In overleg met de grondeigenaar, de omgeving en de gemeente is het ook mogelijk om het park op te ruimen en geschikt op te leveren voor een ander grondgebruik (denk aan voormalige landbouwgrond die na exploitatie van een zonnepark een natuur/recreatie functie krijgt). Zo kan ook het gesprek worden gevoerd over het behoud van toegevoegde landschapselementen.
- •
Om te verzekeren dat een park altijd kan worden opgeruimd – ook bijvoorbeeld in het geval van faillissement van de initiatiefnemer – moet worden gegarandeerd dat de financiële middelen beschikbaar zijn. Afspraken hierover leggen we privaatrechtelijk vast in de anterieure overeenkomst. Uitgangspunt daarbij is dat geld wordt gereserveerd middels een derdenrekening. Dit geldt alleen voor zonneparken groter dan 10 hectare omdat bij kleinere zonneparken deze maatregel niet proportioneel wordt geacht.
- •
Bij de opruiming dient, net als bij de plaatsing, rekening te worden gehouden met het archeologische bodemarchief. Effecten van maatregelen dienen in beeld te zijn en indien mogelijk dient te worden voorkomen dat werkzaamheden een negatieve impact op archeologische bodemarchief hebben.
We achten het als gemeente tevens van belang dat gebruikte materialen recyclebaar zijn zodat afval wordt voorkomen. We wijzen initiatiefnemers daarom minimaal op de verplichtingen die voortvloeien uit de regeling Afgedankte Elektronische en Elektrische Apparatuur (AEEA-regeling).37 Deze regeling verplicht de partij die zonnepanelen op de Nederlandse markt brengt om deze ook gescheiden in te zamelen. Daarbij stimuleren we de initiatiefnemer om te kiezen voor een volledig circulair product.
5. Wind
|
Samenvatting We hebben geen specifieke doelstelling op het gebied van de opwek van duurzame energie met windmolens. We staan de plaatsing van grote windmolens (ashoogte van meer dan 15 meter) niet toe. Dit is vanuit de provincie niet toegestaan in de gemeente Westerwolde. We willen wel mogelijkheden bieden om kleine windmolens (ashoogte tot en met 15 meter) te plaatsen. Dit mag op bouwvlakken en binnen 25 meter van een agrarisch bouwperceel. Uitzondering vormen woongebieden en NNN-gebieden. De plaatsing van een kleine windmolen is mogelijk als de windmolen achter de hoofdbebouwing wordt geplaatst, passend is bij de erfstructuur en een onopvallende kleurstelling heeft. Innovaties zoals windsokkels vallen hier ook onder. Om de plaatsing van kleine windmolens te vereenvoudigen zoeken we uit of het mogelijk is de vergunningsprocedure te verkorten door het plaatsen van kleine windmolens op te nemen in een facetbestemmingsplan (regels die specifiek voor kleine windmolens gelden). |
Zoals benoemd geeft provinciaal beleid op dit moment geen ruimte voor de ontwikkeling van grote windmolens in Westerwolde (zie paragraaf 1.3.1). Voor kleine windmolens met een ashoogte tot 15 meter geldt een uitzondering. Dit betreft zowel horizontale as turbines (HAT) of verticale as turbines (VAT) betreffen (zie figuur 13).
Figuur 13. Ashoogte van horizontale en verticale windmolens.
De energie die kleine windmolens opleveren telt niet mee voor de opgave voor de opwek van duurzame energie van 1.620 TJ (zie paragraaf 2.2). De molens kunnen natuurlijk inwoners en bedrijven wel helpen met het opwekken van hun eigen energie en hebben een constantere opbrengst dan zonnepanelen. Tot nog toe is de ontwikkeling van kleine windmolens in Westerwolde achtergebleven in vergelijking tot buurgemeenten.
Daarom willen we als gemeente de procedure makkelijker maken en zo kleine windmolens onder voorwaarden blijven faciliteren.
5.1. Voorwaarden
5.1.1. Voorwaarden provincie Groningen
De provincie Groningen staat kleine windmolens met een ashoogte tot 15 meter toe binnen agrarische en niet-agrarische bouwpercelen met uitzondering van NNN-gebied en overige natuurgebieden. Daarnaast is er een pilotregeling vanuit de provincie om windmolens toe te staan binnen een zone van 25 meter rond een agrarisch bouwperceel of in een park- of lijnopstelling t.b.v. een lokaal initiatief. De pilotregeling is gemaximeerd tot drie pilotprojecten per landschapstype: dijkenlandschap, wierdenlandschap, esdorpenlandschap, parkachtig esdorpenlandschap, veenkoloniaal landschap, heide-ontginningslandschap en wegdorpenlandschap. Het maximumaantal pilotprojecten in de landschapstypen dijkenlandschap en wegdorpenlandschap (dat ook in de gemeente Westerwolde voorkomt) is reeds bereikt. Deze pilotregeling wordt in 2024 mogelijk verbreed.
Als gemeenten voegen we hier enkele voorwaarden aan toe op het gebied van locatie en inpassing.
5.1.2. Waar wel en waar niet
De plaatsing van kleine windmolens is toegestaan in het buitengebied en aan de randen van woongebieden/ dorpskernen. In NNN-gebied en in woongebieden zelf is de plaatsing van kleine windmolens uitgesloten.
5.1.3. Inpassing
Qua inpassing gelden een aantal voorwaarden:
- •
Achter de hoofdbebouwing. Dit omdat het bouwwerk anders op een dominante wijze het beeld gaat bepalen. Voorkeur verdient plaatsing achter op het erf of op ruime afstand van de achtergevelrooilijn van de hoofdbebouwing. Een afstand tot woningen van ten minste vier keer de ashoogte is een verplichte afstand uit de Wet milieubeheer.
- •
Passend bij de erfstructuur. De geplaatste windmolen dient de bestaande bebouwing- en erfstructuur te ondersteunen. Te denken valt hierbij aan plaatsing in de lijn met de bestaande bebouwing, in het hart van bestaande bebouwing of op hoekpunten van kavels.
- •
Onopvallende kleurstelling. Geadviseerd wordt zoveel mogelijk gebruik te maken van natuureigen en donkere kleurtonen. Felle kleurstelling dienen te worden voorkomen.
5.1.4. Ecologische impact
De provincie Groningen heeft een pilot onderzoek laten uitvoeren naar de impact van kleine windmolens op vleermuizen en vogels.38 Het verkennende onderzoek is uitgevoerd naar windmolens nabij boeren erven. Uit het onderzoek komt naar voren dat er enkele vogelsoorten zijn die verhoogd risico lopen om aanvaringsslachtoffer te worden. Of dit ook daadwerkelijk effect heeft op de populatie grootte hangt af van de soort. Ook vleermuizen kunnen binnen de risicozone van kleine windmolens komen en daarmee mogelijk aanvaringsslachtoffer worden. Wanneer er in de hele provincie op grote schaal kleine windmolens worden geplaatst zullen deze effecten groter zijn. Door het verkennende karakter van het onderzoek kan er echter niet te veel gewicht worden toegekend aan de conclusies.
Gezien de geringe aantallen kleine windmolens in Westerwolde zien we de ontwikkeling van kleine molens voorlopig niet als zorgelijk. Wel is het van belang dat de ecologische impact van kleine windmolens wordt gemonitord. Hiervoor sluiten we aan bij breder onderzoek dat de provincie Groningen in dit kader zal uitvoeren.
5.1.5. Geluid
Als een windmolen draait produceert hij zowel energie als geluid. Er zijn afspraken gemaakt over hoeveel geluid van een windmolen hoorbaar mag zijn op geluidsgevoelige objecten, zoals woningen.
In de praktijk bepalen deze geluidsnormen vooral op welke afstand een windmolen tot woningen moeten staan. Het is afhankelijk van het type molen hoeveel geluid deze produceert, en dus wat de afstand moet zijn. Het uitvoeren van geluidsonderzoek is wettelijk verplicht voor de plaatsing van molens met een rotor diameter groter of gelijk aan 2 meter.39 Kleine windmolens dienen aan deze normen te voldoen.
5.2. Vereenvoudiging vergunningsprocedure
Op dit moment worden er maar weinig kleine windmolens gerealiseerd in Westerwolde terwijl deze molens steeds meer opduiken in het landschap in aangrenzende gemeenten.40 Uit de eerder uitgevoerde beleidsevaluatie is als reden hiervoor naar voren gekomen dat op dit moment de kosten en doorlooptijd van de procedure niet opwegen tegen de opbrengsten. Het verschil met sommige omliggende gemeenten is dat daar kleine windmolens met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid vergund kunnen worden. Deze afwijkingsmogelijkheid is dan in een facetbestemmingsplan opgenomen. Hierdoor is de procedure slechts 8 weken in plaats van 26 weken en zijn de kosten van de procedure aanzienlijk lager. Als gemeente willen we het voorbeeld van deze andere gemeenten volgen en de procedure voor de plaatsing van kleine windmolens vereenvoudigen. Dit valt echter samen met de geplande inwerkingtreding van de Omgevingswet en de overgang van bestemmingsplannen naar het omgevingsplan. Er dient daarom uitgezocht te worden op welke manier en op welke termijn deze vereenvoudiging kan worden gerealiseerd.
6. Overige maatregelen en andere technieken
|
Samenvatting We hebben in het beleidskader ook oog voor andere technologieën en innovatie. Daarbij bieden we ruimte voor innovatie, houden we rekening met technieken voor opslag en transport (batterijen en waterstof) en technieken voor opwek van duurzame warmte (denk aan geothermie, aquathermie en groen gas). Daarnaast vinden we het van belang dat inwoners en bedrijven goed worden geïnformeerd. Het eerder genoemde energieloket zetten we daarom ook in om de communicatie te verzorgen. |
Ontwikkelingen op het gebied van duurzame energie staan niet stil. Bestaande technieken worden verbeterd of nieuwe technieken worden bedacht. Toch zijn tot op heden zonne- en windenergie de verst ontwikkelde en meest rendabele technieken voor de opwek van duurzame energie (met name elektriciteit). Dit beleidskader richt zich daarom voornamelijk op deze technieken.
Toch achten we het ook van belang aandacht te besteden aan andere technieken en ontwikkelingen. Daarbij maken we onderscheid tussen technieken die voornamelijk een oplossing kunnen bieden voor opslag en transport van duurzame elektriciteit en andere technieken voor de opwek van duurzame energie (voornamelijk ten behoeve van de warmtevraag).
Tot slot achten we het van belang de gemeenschap mee te nemen in de noodzaak van de opwek van duurzame energie. Daarom zetten we ook in op maatregelen om het bewustzijn te vergroten.
6.1. Innovatie zonne- en windenergie
Ontwikkelingen op het gebied van zonne- en windenergie staan niet stil. Hier zijn we ons van bewust en we willen ruimte bieden voor innovatie omdat dit kan bijdragen aan een meer efficiënte inrichting van het energiesysteem van de toekomst. Zo wordt er bijvoorbeeld geëxperimenteerd met kleine verticale windturbines (windwokkels) die op daken kunnen worden geplaatst. Binnen het in hoofdstuk 5 beschreven beleid bieden we hier ruimte voor. Op het gebied van zonne-energie worden ook technieken ontwikkeld voor opwek van warmte met zonne-energie. Denk bijvoorbeeld aan zonnecollectoren. Ook voor dit soort oplossingen bieden we binnen bestaande kader ruimte. Dat betekent bijvoorbeeld dat plaatsing van zonnecollectoren op daken op vergelijkbare wijze wordt gestimuleerd als plaatsing van zonnepanelen op daken.
6.2. Opslag en transport
6.2.1. Batterijen
Batterijen vormen potentieel een oplossing in gebieden waar transportschaarste dreigt en kunnen helpen om vraag en aanbod in balans te brengen. Met een batterij kan opgewekte energie worden opgeslagen om op een later moment beschikbaar te stellen wanneer er meer vraag en/of minder aanbod van duurzame energie is. Zo vindt er een gelijkmatigere levering plaats en is er minder sprake van piekbelasting. Het gebruik van batterijen voor opslag van duurzaam opgewekte energie wordt steeds realistischer omdat de prijzen van batterijen dalen en de energieprijzen stijgen. Toch worden batterijen bij zonneparken niet rendabel voor 2030 zonder aanvullend (landelijk)beleid.41
Ondanks dat aanvullend beleid nodig is, moedigen we het aan dat initiatiefnemers gebruik maken van batterijen om vraag en aanbod beter in balans te brengen. We staan daarom welwillend tegenover initiatieven die gebruik wensen te maken van batterijen. We volgen voor de plaatsing van batterijcapaciteit de voorwaarden voor de plaatsing van bouwwerken conform het bestemmingsplan. Er is enkel een tijdelijke uitzondering mogelijk voor de duur van de tijdelijke omgevingsvergunning van het zonnepark.
We willen hiermee voorkomen dat er in het zicht zeecontainers met batterijen worden geplaatst, maar zorgen dat er wordt gezocht naar oplossingen die uit het zicht onttrokken zijn. Denk bijvoorbeeld aan batterijcapaciteit onder de zonnepanelen of onder het maaiveld. Daarnaast moet een initiatiefnemer de veiligheidsrichtlijn voor energieopslag systemen in acht nemen (momenteel nog een concept). 42 Deze richtlijn zal eisen bevatten met betrekking tot constructie, plaatsing en onderhoud.
6.2.2. Waterstof
Naast batterijen is waterstof een techniek die sterk in de belangstelling staat. Noord-Nederland is door de Europese Unie als eerste erkende Hydrogen Valley van Europa aangewezen.43 Dit betekent dat de regio subsidie ontvangt voor de ontwikkeling van een volledig functionerende groene waterstofketen.
Waterstof is geen bron van energie maar kan worden ingezet als middel om energie op te slaan en te transporten. We maken onderscheid in grijze, blauwe en groene waterstof. Grijze waterstof wordt gemaakt met fossiele brandstoffen en is niet duurzaam door de CO2 die vrijkomt bij productie. Bij blauwe waterstof wordt deze uitstoot afgevangen en in de grond gestopt. Groene waterstof wordt met behulp van bijvoorbeeld wind- of zonne-energie gemaakt. De opgewekte elektriciteit wordt door elektrolyse omgezet in waterstof. Bij dit proces gaat energie verloren maar er komt geen CO2 vrij.
Waterstof wordt momenteel voornamelijk gebruikt in industrie. In potentie kan het in de toekomst worden gebruikt voor transportmiddelen (denk aan vliegtuigen, zeeschepen, binnenvaart) en het verwarmen van gebouwen. Maar op dit moment is de productie van waterstof veelal nog te duur om dit op grote schaal mogelijk te maken. Waterstof is geschikter voor sommige toepassingen dan voor andere. Om dit te prioriteren is de waterstofladder opgesteld.44
Als gemeente staan we welwillend tegenover initiatieven die gebruik willen maken van waterstof. Dit heeft als bijkomend voordeel dat het elektriciteitsnet hiermee kan worden ontlast en het een bijdrage kan leveren om de problemen op het gebied van netcongestie op te lossen. De beoordeling van dit soort initiatieven vindt plaats met bestaande beleidsregels aangaande bouwwerken in het landschap. Dit betekent ook voor waterstof zoeken naar oplossingen waarbij de omzetting veelal onder of op kleine schaal naast zonnepanelen zelf plaatsvindt en niet in grote industriële installaties naast een zonnepark.
6.3. Overige vormen van duurzame energie
Naast zonne- en wind energie zijn er nog andere technieken om duurzame energie op te wekken. Dit zijn veelal technieken die voorzien in vraag op het gebied van warmte. Denk bijvoorbeeld aan groengas, verschillende vormen van geothermie, verschillende vormen van aquathermie en zonnecollectoren/boilers. Op het gebied van het duurzaam invullen van de warmtevraag heeft Westerwolde een transitievisie warmte opgesteld. Zoals in de transitievisie warmte beschreven gaan we vanaf 2030 en waar mogelijk eerder actief op zoek naar een duurzame invulling van de warmtevraag. Hierin wordt in RES-verband nauw samengewerkt met de andere Groninger gemeenten, waterschappen en de provincie Groningen. In de tussentijd voeren we een aantal verkennende onderzoeken uit om de potentie en mogelijke oplossingsrichtingen in beeld te brengen.45 Indien initiatiefnemers zich dus melden voor projecten op het gebied van duurzame warmte zal hier in dit kader bij worden meegedacht.
6.4. Communicatie
De transitie van fossiele energie naar hernieuwbare energie kan niet zonder steun vanuit de inwoners en bedrijven worden gerealiseerd.
Naast het inzetten op de ontwikkeling van duurzame energie vinden we het dan ook essentieel dat inwoners en bedrijven worden meegenomen in het belang en de noodzaak van de energietransitie.
Er komt een centraal punt (online en offline) waar inwoners kunnen aankloppen voor informatie en dienstverlening over energiebesparing. Dit centrale punt kan zelf diensten verlenen of bewoners doorverwijzen naar andere diensteverleners, zoals een energiecoöperatie, het regionale energieloket of een energiecoach of adviseur.
We zijn aangesloten bij het Regionaal Energieloket. In de toekomst willen we dit graag uitbreiden met een eigen lokaal energieloket zodat we actiever en gerichter kunnen communiceren over de energietransitie, energiebesparing en de opwek van duurzame energie. Omdat deze aanpak de specifieke behoefte voor de opwek van duurzame energie overstijgt wordt hiervoor een integrale communicatieaanpak opgesteld.
Ondertekening
Bijlage I. Overzicht lopende projecten
In onderstaand overzicht staan termen als MegaWattpiek (MWp) en Terajoule (Tj). MWp staat voor het geraamd vermogen van een zonnepark. Tj staat voor de verwachte opwek van energie. De opgave van Westerwolde tot 2030 bedraagt de duurzame opwek van 1.620 Terajoule. Omgerekend naar MegaWattpiek gaat het om ca. 550 MegaWattpiek.
|
Naam park |
Status |
mWp (geraamd vermogen) |
TJ (verwachte opwek) |
Plangebied in ha |
Raming gebiedsfonds |
Opmerking |
|
Vloeiveldweg Harpel 1 (Powerfield) |
Vergund Gereed |
109 |
334 |
120 |
1.120.000 |
Contract vastgesteld vóór totstandkoming leidraad. 20 ha van het plangebied wordt gebruikt voor teelt blauwe bessen. |
|
Zuidplas Sellingerbeetse |
Vergund Gereed |
41,1 |
126 |
25 |
3.000.000 |
- |
|
Ter Apelkanaal (AVEBE) |
Vergund in aanleg |
15 |
46 |
10 |
0 |
Geen bijdrage, zonnepark is voor eigen gebruik AVEBE |
|
Veenweg 23 Ter Apel (Haarhuis en LCE) |
Vergund, ingebruikname in 2022 |
20 |
61 |
32 |
1.200.000 |
Er loopt een vergunningstraject om een aanpassing te maken, Zie het pijplijnproject Veenweg 23. |
|
Tweekarspelenweg Blijham (Tomorrow Energy) |
Vergund, ingebruikname in 2023 |
18,5 |
57 |
30 |
1.080.000 |
- |
|
Vloeiveldweg Harpel 2 (Powerfield) |
Vergund, ingebruikname in 2026 |
76 |
233 |
76 |
7.200.000 |
- |
|
Veendijk -Bellingwolde (Werkman en Solarfields) |
Vergund, ingebruikname onbekend |
66 |
202 |
57 |
5.580.000 |
Grenstractaat |
|
Veenweg 23 Ter Apel toevoeging Noordzijde (Haarhuis/LCE) |
Pijplijnproject ingebruikname in 2023 |
30 |
92 |
28 |
- |
Dit is een aanpassing aan het vergunde project Veenweg 23. |
|
AG Wildervanckweg Ter Apel (Rientjes en Ekwadraat) |
Pijplijnproject, ligt stil |
45 |
138 |
50 |
- |
Project ligt stil vanwege ontwikkeling visie N366 en bedrijventerrein Zuid-Groningen |
|
Hamsterweg Bellingwolde, Hamster Zunne |
Pijplijnproject, ligt stil |
110 |
337 |
64 |
- |
Proces ligt voorlopig stil. |
|
Schaalbergerweg Ter Apelkanaal tussen Schaalbergerweg en Avebe (Solarfields) |
Beëindigd |
Beëindigd vanwege een tekort aan draagvlak in de omgeving. Tevens zou dit zonnepark toekomstige uitbreiding van het bedrijventerrein in de weg kunnen zitten. |
||||
|
A.G. Wildervanckweg tussen A.G. Wildervanckweg en 2e Valthermond (Solarfields) |
Beëindigd |
De locatie van dit zonnepark lag op het beoogde tracé voor de Nedersaksenlijn. |
Bijlage II: Stappenplan participatieproces
Het participatieproces kent een aantal stappen die verdeeld zijn over drie verschillende fasen van het project:
- –
Verkenningsfase, waarin wordt verkend of een idee überhaupt haalbaar is binnen beleidsuitgangspunten en aansluitmogelijkheden.
- –
Voorbereidingsfase, waarin voorbereidingen voor te volgen proces en afbakening worden getroffen.
- –
Planvormingsfase, waarin de uitwerking van het project zelf vorm krijgt en keuzes worden gemaakt over bijvoorbeeld landschappelijke inpassing.
- –
Ontwikkelfase, de fase voorafgaand aan de realisatie, waar de laatste knopen worden doorgehakt en het definitieve ontwerp wordt gepresenteerd aan betrokkenen
De stappen in het proces zijn gebaseerd op de maatwerkmethode en aangevuld met de inzichten uit de evaluatie van de maatwerkmethode en de beleidsevaluatie. In de tabel hierna zijn de stappen beschreven.
Tabel 2. Stappenplan initiatiefnemer participatieproces
|
Verkenningsfase |
Stap 0 |
Verkennend gesprek projectidee met gemeente en netbeheerder. Helemaal aan de start van project zal een verkennend gesprek met gemeente worden gevoerd waarin onder meer wordt gekeken of het idee kansrijk is op betreffende locatie. Ook worden de voorwaarden gedeeld en wordt de netbeheerder betrokken om heldere verwachtingen te scheppen over aansluitbaarheid van een eventueel project. Uitkomst: Uitsluitsel of projectidee wel of niet kansrijk is en binnen beleidskader past. |
|
Voorbereidingsfase |
Stap 1a |
Betrekken lokale energiecoöperatie. In een zo vroeg mogelijk stadium gaat de initiatiefnemer het gesprek aan met de lokale energiecoöperatie(s). Doel van het gesprek met de energiecoöperatie is om afspraken te maken over lokaal eigendom. Uitkomst: verslag van gesprek met lokale energiecoöperatie(s) en door energiecoöperatie ondertekende afspraken over lokaal eigendom. Indien energiecoöperatie(s) niet wenst/wensen deel te nemen geeft/geven zij een verklaring af. Deze afspraken en/of verklaring worden meegenomen in stap 2. |
|
Stap 1b |
Betrekken aanwonenden. Aanwonenden van het project worden persoonlijk aangeschreven en uitgenodigd voor een aanwonendenbijeenkomst. Doel van de bijeenkomst is om te bespreken op welke manier aanwonende wil worden betrokken en op welke manier lokaal eigendom en eventuele compensatie zal worden vormgegeven. De gemeente is als toehoorder aanwezig op deze bijeenkomst. Indien gewenst kunnen aanwonenden vragen om een persoonlijk gesprek (keukentafelgesprek) met de initiatiefnemer. Uitkomst: contactmomentverslag van de aanwonendenbijeenkomst met overzicht van benaderde en aanwezige aanwonenden. De uitkomsten worden meegenomen in stap 2. |
|
|
Stap 1c |
Omwonenden worden uitgenodigd middels digitale en niet-digitale media voor een eerste van drie bijeenkomsten waarin toelichting wordt gegeven op het zonnepark het te volgen proces en de mogelijkheden voor lokaal eigendom. Uitkomst: contactmomentverslag van de omwonendenbijeenkomst met overzicht van aanwezige omwonenden en wijze van verspreiding uitnodiging. De uitkomsten worden meegenomen in stap 2. |
|
|
Stap 2 |
Opstellen participatieplan en/of omgevingsovereenkomst. Met de aanwonenden en de lokale energiecoöperatie wordt gestreefd naar een omgevingsovereenkomst waarin afspraken worden vastgelegd over het te volgen proces, de mogelijkheden voor lokaal eigendom en eventuele compensatie. Indien het niet lukt om tot een overeenkomst te komen wordt minimaal een participatieplan gemaakt waarin standpunten uiteen zijn gezet en initiatiefnemer aangeeft hoe proces, lokaal eigendom en eventuele compensatie vorm zullen krijgen. Uitkomst: participatieplan en/of omgevingsovereenkomst waarin is aangegeven hoe verschillende partijen tegen ontwikkeling aankijken en hoe proces, lokaal eigendom en eventuele compensatie worden vormgegeven. Deze documenten zijn voor betrokkenen openbaar raadpleegbaar. |
|
|
Stap 3 |
De gemeente voert wederhoor bij energiecoöperatie(s) uit en controleert of participatieplan en/of omgevingsovereenkomst in lijn zijn met beeld uit bijeenkomsten en het wederhoor. Indien dit het geval is mag de initiatiefnemer door naar de planvormingsfase. Uitkomst: wel of niet akkoord opstarten planvormingsfase gemeente |
|
|
Planvormingsfase |
Stap 4 |
Oprichting rechtsvorm zonnepark waarin lokaal eigendom formeel wordt vastgelegd Uitkomst: opgerichte rechtsvorm voor het zonnepark waarin lokaal eigendom is geregeld. |
|
Stap 5 |
Sluiten anterieure overeenkomst tussen gemeente en rechtsvorm zonnepark. Afspraken over voorwaarden aan lokaal eigendom, afdracht aan duurzaamheidsfonds en eventueel gebiedsfonds en dergelijke liggen hierin vast. Uitkomst: anterieure overeenkomst tussen gemeente en initiatiefnemer. |
|
|
Stap 6a |
Aanwonenden worden wederom persoonlijk uitgenodigd voor een aanwonendenbijeenkomst waarin inbreng kan worden gegeven over te maken keuzes m.b.t. precieze locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik, en lokaal eigendom. Daarnaast krijgen aanwonenden de mogelijkheid om schriftelijk of separaat in een persoonlijk gesprek (keukentafelgesprek) inbreng kenbaar te maken. Uitkomst: contactmomenten verslag met overzicht van inbreng vanuit aanwonenden en wijze waarop de initiatiefnemer deze inbreng heeft verwerkt in definitieve keuzes met betrekking tot locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik, en lokaal eigendom |
|
|
Stap 6b |
Omwonenden worden wederom via digitale en niet-digitale media uitgenodigd voor een tweede bijeenkomst waar het mogelijk is om inbreng te geven over precieze locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik en lokaal eigendom. Dit valt samen met de huidige provinciale maatwerkmethode. Uitkomst: contactmomenten verslag met overzicht van inbreng vanuit omwonenden en wijze waarop de initiatiefnemer deze inbreng heeft verwerkt in definitieve keuzes met betrekking tot locatie, landschappelijke inpassing, meervoudig ruimtegebruik, en lokaal eigendom |
|
|
Stap 7 |
Indienen participatieverslag, ecologisch aanleg- en beheerplan, landschappelijke onderbouwing en plan meervoudig ruimtegebruik door initiatiefnemer ten behoeve van beoordeling van de concepten door de gemeente. |
|
|
Stap 8 |
Beoordeling door gemeente inclusief wederhoor met betrekking tot participatieverslag, ecologische beoordeling ecologisch aanleg- en beheerplan, beoordeling landschappelijke onderbouwing door landschapsarchitect en beoordeling plan meervoudig ruimtegebruik. In de wederhoor gaat de gemeente na of de beelden uit het participatieverslag overeenkomen met de beelden van aanwonenden. Uitkomst: Beoordeling van verschillende onderdelen aanvraag. |
|
|
Stap 9 |
Start aanvraag omgevingsvergunning op basis van voorafgaande stappen. Er wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen en voor het afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd. Uitkomst: Aanvraag omgevingsvergunning tijdelijke afwijking bestemmingsplan (30 jaar) Ruimtelijke onderbouwing met o.a.:
Aanvraag omgevingsvergunning bouwen: Inrichtingsplan o.a. bestaande uit:
Uitkomst: aanvragen omgevingsvergunning |
|
|
Stap 10a |
Besluit tot verklaring van geen bedenking voorleggen aan gemeenteraad. Op basis van de documentatie uit de vergunningsaanvraag en de beoordeling wordt de gemeenteraad gevraagd om een verklaring van geen bedenking. Uitkomst: verklaring van geen bedenking. |
|
|
Stap 10b |
Verstrekken vergunning door gemeente. Uitkomst: verstrekte omgevingsvergunning. |
|
|
Ontwikkelfase |
Stap 11 |
Actief informeren van aanwonenden over definitieve inrichtingskeuzes (terugkoppeling keuzes naar aanleiding inbreng uit stap 6a) en planning van de uitvoering van werkzaamheden. Informeren via bijeenkomst en digitale en fysieke brieven/nieuwsbrieven. Uitkomst: bijeenkomst en brieven/nieuwsbrieven |
|
Stap 12 |
Omwonenden worden uitgenodigd voor een derde bijeenkomst waarin het definitief ontwerp wordt gepresenteerd met een toelichting op wat is gedaan met de inbreng (stap 6b). Ook wordt toegelicht hoe de realisatiefase eruit zal zien. Uitkomst: contactmomentverslag |
In de toekomstige Participatiegids staat meer uitleg over hoe gespreks- en contactmomenten eruit moeten zien.46 Wanneer de gemeente van mening is dat de initiatiefnemer zich onvoldoende heeft ingespannen in dit proces (voorgeschreven stappen niet of niet naar tevredenheid doorlopen) wordt de vergunningsaanvraag afgewezen.
Bijlage III: Verwerking opbrengst openbare consultatie
Tussen 17 februari en 17 maart is het conceptbeleidskader verspreid via verschillende kanalen zodat inwoners, bedrijven en andere betrokkenen konden reageren. In de tabel hierna zijn de binnengekomen opmerkingen opgenomen en is aangegeven op welke wijze hiermee is omgegaan.
|
Afzender |
Opmerking |
Wijze van verwerking |
|
|
Inwoner Vriescheloo |
Als uitzonderingen van dit beleid worden specifiek de monumentale en de onder het beschermd dorpsgezicht vallende panden genoemd (3.2). Echter, de woningen die in de schaduw van het "openbare groen" staan zijn door het gemeentelijk "groen beleid" evenmin te verduurzamen. Hier in Vriescheloo gaat het om een relatief groot aantal woningen. Is het mogelijk om het gemeentelijk standpunt "bomen versus zonnepanelen" inclusief argumentatie en gevolgen alsnog in de notitie op te nemen? |
Dit is een begrijpelijke zorg. Woningen waarvan de daken in de schaduw van openbaar groen liggen ondervinden hier immers een nadeel. Om in beeld te brengen hoe groot dit probleem is zal de gemeente een scan laten uitvoeren van deze schaduwwerking (zie pagina 18). Op basis van de uitkomsten zal worden bezien of en welke vervolgmaatregelen kunnen worden genomen. |
|
|
Pure Energie |
Bij de gemeente Westerwolde zijn diverse planontwikkelaars bekend die een plan in de gemeente willen ontwikkelen. Planontwikkelaars hebben inzicht in de technische en financiële mogelijkheden voor zonneparken en kunnen hierbij goed aangeven wat wel en niet uitvoerbaar is. Waarom is er geen input van planontwikkelaars meegenomen in het beleidskader? |
Planontwikkelaars zijn op twee momenten betrokken in het proces om tot een nieuw beleidskader te komen:
|
|
|
Pure Energie |
Is er genoeg geschikte oppervlakte aanwezig/beschikbaar in aangewezen grootschalig open landschap en op kwalitatief minder hoogwaardige landbouwgronden om deze opgave in te vullen? |
Het gebied dat in aanmerking komt voor de plaatsing van kleine zonneparken tot 10 hectare indien de doelstelling nog niet behaald is beslaat een aanzienlijk oppervlakte dat aan de voorwaarden voldoet. Er is dus voldoende grond aanwezig. |
|
|
Pure Energie |
Het gebied Oude Groningse Veenkoloniën wordt niet expliciet benoemd als gebied met kwalitatief hoogwaardige landbouwgrond maar is wel donkergroen ingekleurd. Zijn de kleuren in figuur 7 wel goed ingetekend? |
Het gebied Oude Groningse Veenkoloniën is niet expliciet benoemd maar wel bedoeld als gebied met hoogwaardige landbouwgrond en vanuit die reden uitgesloten. Dit blijkt ook uit de kaarten waar kleine zonneparken wel mogelijk zijn in figuur 8 en 9. |
|
|
Pure Energie |
Pure Energie is lid van Holland Solar en intensief betrokken geweest bij het opstellen van de gedragscode Zon op land. De in het beleidskader opgenomen uitleg van de gedragscode is onjuist. In de gedragscode wordt met 25 % onbedekt oppervlak niet bedoeld dat er tussen rijen zonnepanelen een onbedekte ruimte zit van 25% van de lengte van een paneel. In de gedragscode, https://hollandsolar.nl/u/files/gedragscode-zonne-op-land.pdf, staat op blz. 7: “De partijen van deze gedragscode hanteren een ondergrens van 25% onbedekt oppervlak van het gebied van het project (van boven af gezien)”. Hiermee wordt niet bedoelt dat er tussen rijen zonnepanelen een onbedekte ruimte zit van 25 % van de lengte van een paneel. Het gaat om 25 % onbedekt oppervlakte van het gehele gebied (van boven af gezien) van het zonnepark. Het lijkt erop dat de gemeente in het beleidskader een eigen invulling geeft aan de gedragscode Zon op land. Wij verzoeken om de gedragscode Zon op land van Holland Solar op een juiste wijze toe te passen in het beleidskader. |
In de gedragscode wordt dit inderdaad niet geëxpliciteerd. Vanwege het behoud van de kwaliteit van de bodem vinden we het echter wel van belang dat er 25% ruimte tussen de panelen wordt aangehouden. We hebben in het beleidskader daarom opgenomen dat we deze eis als aanscherping van de gedragscode hanteren. |
|
|
Inwoner Ter Apel |
Ik lees dat het de ambitie van Westerwolde is om energieneutraal te zijn in 2035. Energieneutraal zijn betekent de eigen energiebehoefte geheel of meer dan volledig zelf opwekken. Dat klinkt mooi, maar ook die ambitie schiet ernstig te kort en de behoefte is zwaar onderschat. 15 jaar eerder dan Groningen wil zeggen 15 jaar eerder dan in lijn is met het Parijsakkoord. Maar het Parijsakkoord ging dan ook uit van een kans van slechts 60% om de wereldwijde opwarming te beperken tot 1,5 graad en dat blijkt volgens de laatste IPCC rapporten en uit de metingen inmiddels volledig achterhaald. Bovendien is energieneutraal nog (lang) niet CO2 neutraal. De Carbonclock https://www.mcc-berlin.net/en/research/co2-budget.html toont dat we met de huidige doelstellingen nog slechts 6 jaar en een paar maanden hebben voor het bereiken van het 1,5 graden scenario. Dus in 2029, 6 jaar eerder dan 2035. Waarschijnlijker is echter dat de 1.5 graad opwarming al in 2025 wordt gehaald. 10 jaar eerder dan de tekortschietende ambitie van Westerwolde. |
De ambitie van energieneutraliteit wordt in de beleidskader uitsluitend opgenomen om het contextuele visiedocument samen verduurzamen te benoemen. In het beleidskader zelf volgt Westerwolde qua ambitie de afspraken die in de regio Groningen zijn gemaakt als uitwerking van het nationale klimaatakkoord om aan de doelstellingen van het Parijsakkoord te voldoen. |
|
|
Inwoner Ter Apel |
"Zon en wind zijn de komende tijd nog de belangrijkste hernieuwbare energiebronnen" lees ik. Maar er wordt, zoals later uit de visie blijkt, ook ingezet op waterstof. Dat is echter geen energiebron, maar een energiedrager en wel eentje met een enorm energie / conversie verlies, waar dan ook voorlopig verre van voldoende zonne- en windenergie voor beschikbaar is. |
Waterstof is niet aangehaald als bron van duurzame energie. Waterstof is een technologie voor opslag en transport. Daarom is het ook onder dat kopje in hoofdstuk 6 opgenomen. Er wordt ruimte aan waterstof geboden om een alternatief te hebben voor netcongestie. |
|
|
Inwoner Ter Apel |
"De doelstelling duurzame energie gaat uit van huidig verbruik" De energievraag in Westerwolde á 4200 terajoule betreft de HUIDIGE vraag naar warmte en elektriciteit, maar de visie gaat toch over onze toekomst? De elektriciteitsvraag zal door grootschalige elektificatie eerder exponentieel toenemen dan gelijkblijven. Denk aan meer en meer elektrisch verwarmen, elektrisch rijden, elektrisch produceren plus het (inefficiënt) omzetten van elektriciteit naar o.a. waterstof. Zoals gezegd is energieneutraal nog niet CO2 neutraal, maar andersom brengt CO2 besparing door onder meer hergebruik en vooral mínder produceren ook energieneutraliteit dichterbij. Als het doel is om de opwarming te beperken door de CO2 uitstoot te beperken, waar is dan de visie op het BEPERKEN van de energievraag? |
Het beperken van energieverbruik is inderdaad ook een belangrijk onderdeel van de opgave. Dit beleidskader beperkt zich echter tot de opwek van duurzame energie. Er is een apart beleid dat is opgesteld in het kader van de Transitievisie Warmte (TVW). In dat beleid speelt energiebesparing een belangrijke rol. |
|
|
Inwoner Ter Apel |
Zonnepanelen op daken zouden slechts in 10% van de totale opgave kunnen voorzien vanwege kleinschaligheid. Dus men kiest voor zonneparken in het landschap... Ik denk ook dat we daar niet aan ontkomen, maar waarom alleen daar en niet (eerst) waar dat minder storend en zelfs multi-functioneel kan zijn, bijvoorbeeld, waar dat mogelijk is en past, als (gedeeltelijke) overkapping van bijvoorbeeld parkeerplaatsen, winkelcentra, wegen, fietspaden etc.? Bovendien is de opwek dan in veel gevallen dichter bij de gebruikers, waarmee het net weer ontlast kan worden. |
Het klopt dat er onvoldoende dakoppervlakte is om de volledige opgave met zonnepanelen op daken in te vullen. In het beleidskader is tevens aangegeven positief tegenover zonnepanelen bij infrastructuur te staan (zie paragraaf 3.6). Ook moedigen we zonnepanelen boven parkeerplekken aan en willen we bij de provincie Groningen aandringen hier regionaal Park-the-Sun voor beschikbaar te maken. |
|
|
Inwoner Ter Apel |
Waarom blijft zonneWARMTE hier geheel buiten beschouwing? Zonnepanelen zetten maximaal 20% van het opgevangen LICHT om in elektriciteit, waar nog eens een groot deel van de opgewekte energie weer verloren gaat bij omzetting naar warmte. Terwijl zonneCOLLECTOREN wel 98% van de ingestraalde zonneWARMTE direct kunnen afstaan. Mijn ervaring is bijvoorbeeld dat slechts 2 vlakkeplaatcollectoren al in 1/3 van de totale energiebehoefte voor het verwarmen van mijn (veel te grote) huis en tapwater kunnen voorzien... Vanwege transportverlies in een warmtenet acht ik zonnecollectorparken weliswaar minder efficiënt dan zonnecollectoren op daken. Bovendien kan overtollige warmte redelijk eenvoudig worden opgeslagen en benut met BUURTbuffers. |
De invulling van de warmtevraag is onderdeel van de eerder genoemde Transitievisie Warmte. |
|
|
Inwoner Ter Apel |
"De omgevingsvergunning wordt verleend voor een periode van 30 jaar. Na deze periode moet het zonnepark worden opgeruimd en het land in huidige toestand worden teruggebracht" Maar waarom eigenlijk, als de behoefte aan opwek van elektriciteit gelijk blijft of zelfs zal toenemen en de panelen dan nog prima functioneren, dan wel ter plekke kunnen worden vervangen door efficiëntere, mits de omwonenden geen bezwaar hebben? Kan dan niet juist beter een verlenging van de vergunning worden overwogen? |
Na 30 jaar dient opnieuw te worden bekeken wat wenselijk is. Uitgangspunt is opruiming omdat we het van belang vinden dat landschap en bodem zoveel mogelijk oorspronkelijke kwaliteit behouden. Daarnaast maken zonneparken gebruik van een tijdelijke omgevingsvergunning. Dit betekent dat de grond na aflopen van de tijdelijke vergunning weer in overeenstemming met de oorspronkelijke bestemming moet worden gebracht. |
|
|
Inwoner Ter Apel |
Het is allom bekend en eenvoudig te berekenen: Kleine windmolens zijn niet efficiënt, de opbrengst neemt exponentieel toe met de hoogte en de grootte van de rotorbladen. M.a.w. er zijn héél veel kleine windmolens nodig om net zoveel op te wekken als met één grote. Net over de grens van Westerwolde, in Duitsland staan er al heel veel grote windmolens. Die staan (vanuit een deel van Westerwolde) toch al in het zicht. Waarom dan daar, aan de Nederlandse kant, niet enkele grote windmolens neerzetten, i.p.v heel veel kleinere op veel meer plekken met een lagere opbrengst en veel meer windmolens in het zicht als resultaat? Met een overwegend westelijke windrichting en bos rondom is het grensgebied toch juist een prima plek voor hoge windmolens? |
Het beleid om geen grote windmolens te plaatsen is een politieke keus in het collegeakkoord. Ook is vanuit de provincie Groningen aangegeven dat grote windmolens in Westerwolde niet wenselijk zijn. |
|
Noot
1De klankbordgroep bestond uit vertegenwoordigers vanuit de ambtelijke organisatie, netbeheerder, de provincie Groningen, LTO, natuurorganisaties, het Platform Energietransitie Westerwolde, ondernemersverenigingen en dorpsraden.
Noot
4Zie provinciale verordening artikel 2.41.1 en 2.41.2: Geconsolideerde Omgevingsverordening, november 2022
Noot
6Zoals aangegeven wordt het nieuwe zonbeleid van de provincie pas in de tweede helft van 2023 verwacht. De hier genoemde richtingen lopen hierop vooruit en zijn nog onder voorbehoud van vaststelling. Tot het nieuwe beleid is vastgesteld geldt het huidige zonbeleid van de provincie.
Noot
9Zie Beperkte capaciteit op het elektriciteitsnet voor terugleveren | Enexis Netbeheer voor actuele capaciteitskaart.
Noot
12Zie StatLine - Zonnestroom; vermogen en vermogensklasse, bedrijven en woningen, regio met referentiejaar 2021 voor opgesteld vermogen aan grote daken (>15 kWh) in Westerwolde van 11.879 KWp.
Noot
25Zie Over - Wat is Park the Sun?. We kiezen ervoor dit provinciaal te doen omdat dit goedkoper en efficiënter is dan dit als gemeenten afzonderlijk op te pakken.
Noot
29Zie het onderzoek Verkenning van bodem en vegetatie in 25 zonneparken in Nederland: Eerste overzicht van de ligging van zonneparken in Nederland en stand van de kennis over het effect van zonneparken op de bodemkwaliteit van Wageningen University & Research.
Noot
31Zie bijvoorbeeld Literatuurstudie naar mogelijkheden voor een ecologische inrichting van zonneparken.
Noot
34Denk aan het herstellen van de houtwallenstructuur, het aanplanten van bos en het versterken van ecologische verbindingen.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl