Beleidsregel horeca

Geldend van 03-01-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregel horeca
  • 1.

    De Beleidsregel horeca met kenmerk D-116296 vast te stellen, welke de dag na die van bekendmaking in werking treedt.

  • 2.

    De Beleidsregel exploitatievergunningen horeca met kenmerk UIT-18-37031 in te trekken op het moment van inwerkingtreding van de beleidsregel horeca D-116296.

  • 3.

    Het Horeca interventiedraaiboek met kenmerk BURG-17-00352 in te trekken op het moment van inwerkingtreding van de beleidsregel horeca D-116296

Hoofdstuk 1 Inleiding

Deze beleidsregel geeft inzicht in het toetsingskader voor aanvragen voor een exploitatievergunning voor een horecabedrijf in de gemeente Beverwijk.

Ook geeft dit beleid inzicht in de toezicht en handhaving met betrekking tot de horeca in het kader van de openbare orde.

1.1 Totstandkoming en reikwijdte

Deze beleidsregel vervangt de beleidsregel exploitatievergunningen horeca (INT-18-43511). Ook vormt deze beleidsregel een uitbreiding van het reeds bestaande horeca interventiedraaiboek.

1.2 Uitgangspunten

De exploitatievergunning heeft als doel aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen en de openbare orde en veiligheid te beschermen. Hiermee krijgt de gemeente Beverwijk handvatten om gericht toezicht en handhaving op de horeca uit te oefenen, ook in het kader van criminaliteitsbestrijding (in combinatie met de Wet Bibob en de vernieuwde beleidslijn Bibob).

Gelet op het feit dat alcoholschenkende horecabedrijven al over een alcoholwetvergunning beschikken, en daarom al zijn getoetst aan Wet Bibob, geldt voor hen een vrijstellingsbesluit. Indien de openbare orde dusdanig is verstoord, zal het vrijstellingsbesluit opnieuw worden beoordeeld en kan het zijn dat bepaalde categorieën of gebieden niet langer zijn vrijgesteld. Indien het vrijstellingsbesluit wordt gewijzigd en bepaalde categorieën daardoor een exploitatievergunning nodig hebben, zullen de betreffende horecabedrijven hiervan tijdig op de hoogte gesteld worden. Uitgangspunt is dat zij in dat geval ambtshalve een exploitatievergunning zullen krijgen. Ook zal dit voor nieuwe horecabedrijven duidelijk moeten zijn. Of een horecabedrijf onder het vrijstellingsbesluit valt, blijkt uit het vrijstellingsbesluit. Het meest actuele vrijstellingsbesluit is te vinden op www.beverwijk.nl.

De Alcoholwet

In artikel 43a van de Alcoholwet is de verplichting tot een handhavingsstrategie voor deze wet. Deze strategie is vastgelegd in het Preventie- en handhavingsplan. In deze beleidsregel zal daarom niet verder ingegaan worden op overtredingen van de Alcoholwet.

1.3 Juridisch kader

Op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening is het verboden om een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

De Dienstenrichtlijn en de daaruit voortvloeiende Dienstenwet zijn in het leven geroepen om belemmeringen voor ondernemers binnen de Europese Unie zoveel mogelijk weg te nemen. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn moet een vergunningstelsel gebaseerd zijn op criteria die beletten dat de bevoegde instantie haar beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefent. Op grond van het tweede lid van dit artikel, onder d, e en f, zijn deze criteria duidelijk en ondubbelzinnig, objectief en vooraf openbaar bekendgemaakt.

Om discussie over mogelijke strijd met de Dienstenrichtlijn te voorkomen, is het noodzakelijk dat de burgemeester bij het toepassen van de weigeringsgrond beleidsregels vaststelt. Beleidsregels bevorderen de rechtszekerheid en de eenduidigheid voor aanvragers. De burgemeester kan ter motivering van zijn afwijzing van een vergunningaanvraag verwijzen naar deze beleidsregels.

In geval van verstoring van de openbare orde kan handhavend opgetreden worden op grond van artikel 172 Gemeentewet.

Hoofdstuk 2 - Exploitatievergunning

2.1 Inleiding

In dit hoofdstuk zal nader ingegaan worden op de indieningsvereisten van de exploitatievergunning, het toetsingskader en de voorschriften die aan een exploitatievergunning verbonden worden.

2.2 Vrijgestelde horecabedrijven ex artikel 2:28, vierde lid, Apv

De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen voor bepaalde horecacategorieën op grond van artikel 2:28 vierde lid Apv. Deze beleidsregel richt zich enkel op vergunningsplichtige horecabedrijven. Het meest actuele vrijstellingsbesluit is te vinden op www.beverwijk.nl.

2.3 Juridisch kader

Artikel 1:8 en artikel 2:28 tweede en derde lid van de Apv vormen samen het toetsingskader dat in dit hoofdstuk verder is uitgewerkt.

Onderdeel van de toetsing van een aanvraag voor een horecaexploitatievergunning, is de zogenaamde Bibob-toets. Verwezen wordt naar de Beleidsregel Wet Bibob gemeente Beverwijk voor het inhoudelijke toetsingskader.

2.4 Het aanvragen van een (nieuwe) exploitatievergunning

Er moet een nieuwe exploitatievergunning worden aangevraagd in geval van:

  • a.

    Overname van een bestaand horecabedrijf (betreft nieuwe exploitatie);

  • b.

    Wijziging in de ondernemingsvorm voor een bestaand horecabedrijf

  • c.

    Vestiging nieuw horecabedrijf;

Geen nieuwe exploitatievergunning hoeft aangevraagd te worden indien het horecabedrijf reeds over een geldige Alcoholwetvergunning beschikt, afgegeven door de burgemeester van Beverwijk. In dat geval ontvangt de exploitant een exploitatievergunning van rechtswege.

Nieuwe horeca gedogen

Bij de overname van een bestaand horecabedrijf door een nieuwe exploitant, of bij wijziging van de ondernemingsvorm kan onder de volgende voorwaarden een gedoogbeschikking worden afgegeven:

  • 1.

    De exploitatie is ongewijzigd (type horeca);

  • 2.

    De exploitatievergunning is tenminste 3 weken voor de beoogde overname aangevraagd en is compleet;

  • 3.

    De exploitant en eventuele leidinggevenden zijn ouder dan 21 jaar;

  • 4.

    De exploitant en eventuele leidinggevenden staan niet onder curatele en;

  • 5.

    De exploitant heeft de verkorte vragenlijst Bibob zoals bedoeld in bijlage 1 volledig ingevuld en naar aanleiding hiervan is geen aanleiding tot nader onderzoek als bedoeld in de Beleidslijn Wet Bibob gemeente Beverwijk.

2.4.1 De aanvraag

Via www.beverwijk.nl kan online een aanvraag worden ingediend. Daarnaast is er een papieren formulier beschikbaar, zodat deze per post kan worden ingediend. Voor het aanvragen van een vergunning is een aanvraagformulier vastgesteld. Naast het aanvraagformulier worden tenminste de volgende stukken overlegd:

  • a.

    Een geldig legitimatiebewijs van de aanvrager en alle leidinggevenden in loondienst;

  • b.

    Een exemplaar van de arbeidsovereenkomst van alle leidinggevenden indien leidinggevende geen ondernemer is.

  • c.

    Een volledig ingevuld Bibob-vragenformulier inclusief bijlagen.

2.4.2 Beslistermijn

  • 1.

    De burgemeester beslist op een aanvraag voor een vergunning binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 2.

    De burgemeester kan de beslistermijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

  • 3.

    De burgemeester kan de beslistermijn met maximaal drie maanden verlengen indien advies wordt gevraagd bij het Landelijk Bureau Bibob.

2.4.3 Geldigheid

  • 1.

    De exploitatievergunning wordt voor onbepaalde tijd verleend;

  • 2.

    De burgemeester kan in bijzondere gevallen een kortere looptijd bepalen;

  • 3.

    De vergunning is exploitant- en inrichtingsgebonden;

  • 4.

    De vergunning vermeldt de inrichting waar de vergunning voor zal gelden;

  • 5.

    De vergunning wordt op naam gesteld van de exploitant en bevat een aanhangsel waarop de leidinggevende(n) vermeld wordt/worden;

  • 6.

    De exploitant meldt aan de burgemeester zijn wens een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven op de exploitatievergunning;

  • 7.

    Op grond van artikel 1:6 Apv kan de vergunning worden ingetrokken of gewijzigd:

2.5 De beoordeling van de aanvraag

De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Aan de exploitatievergunning kunnen voorschriften worden verbonden die de openbare orde beschermen. De burgemeester doet naar aanleiding van een aanvraag om een exploitatievergunning onderzoek naar het horecabedrijf in het kader van het belang de woon- en leefomgeving van de omwonenden te beschermen en belang van de exploitant om het horecabedrijf te exploiteren. Er moet daarbij voldoende blijk van een deugdelijke belangenafweging worden gegeven.

Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende informatie:

  • a.

    het karakter van de straat en de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of in zal komen te liggen;

  • b.

    de aard van het horecabedrijf;

  • c.

    de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door exploitatie van het horecabedrijf;

  • d.

    de wijze van bedrijfsvoering van de leidinggevende(n) van het horecabedrijf in deze of andere inrichtingen;

  • e.

    de wijze van exploitatie van het horecabedrijf in het verleden, voor zover de exploitant en / of leidinggevende onveranderd is gebleven.

2.5.1 Weigeringsgronden

De exploitatievergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

  • a.

    de openbare orde;

  • b.

    de openbare veiligheid;

  • c.

    de volksgezondheid;

  • d.

    de bescherming van het milieu.

De burgemeester kan de vergunning weigeren indien:

  • a.

    de vestiging of exploitatie van het betreffende horecabedrijf in strijd is met het geldende omgevingsplan, tenzij het gaat om een ruimtelijk gewenste ontwikkeling en het college en/of de raad voornemens is/zijn om hieraan binnen afzienbare termijn medewerking te verlenen (bescherming leefomgeving);

De burgemeester weigert de vergunning indien:

  • b.

    indien moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf en/of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het desbetreffende horecabedrijf;

  • c.

    de leidinggevende(n) binnen 5 jaar voor de aanvraag een horecabedrijf heeft geëxploiteerd dat op grond van ernstige vrees voor verstoring van de openbare orde bestuurlijke maatregelen zijn getroffen (openbare orde);

  • d.

    indien ernstig gevaar bestaat dat de beschikking mede zal worden gebruikt om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten of strafbare feiten te plegen (openbare orde);

  • e.

    indien de vermelde exploitant(en) of leidinggevende(n) ten tijde van de aanvraag de leeftijd van 21 jaren niet hebben bereikt (openbare orde);

  • f.

    indien de exploitant(en) of leidinggevende(n) onder curatele of bewindvoering staan, ontzet zijn uit het ouderlijk gezag of de voogdij of in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn (openbare orde).

Toelichting op de weigeringsgronden

Openbare veiligheid en volksgezondheid

Op basis van artikel 1:8, eerste lid, van de Apv wordt in het kader van de volksgezondheid en de veiligheid geëist dat een horecabedrijf waar rookwaren zonder tabak worden voor directe consumptie worden verstrekt, bijvoorbeeld bij de exploitatie van een shishalounge, het horecabedrijf niet is gelegen onder, boven of naast een woning. Deze weigeringsgrond ziet op het daadwerkelijke gebruik van de woonruimte.

De reden hiertoe is dat gezondheidsrisico’s aan het gebruik van waterpijpen kleven. Er zijn negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit van niet alleen de bezoekers van het horecabedrijf, maar ook voor de directe omwonenden. Bij het inhaleren komen schadelijke stoffen vrij, zoals teer en koolmonoxide. Het maakt hierbij weinig verschil in welke vorm de waterpijp wordt gerookt. Deze schadelijke stoffen kunnen negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid op zowel de korte als lange termijn.

Een ander risico is de toepassing van kooldeeltjes en het daarmee samenhangende brandgevaar. De kooltjes waarvan gebruik wordt gemaakt blijven zeer lang branden en kunnen ook na lange tijd nog overgaan tot her-ontbranding. Een waterpijp in zijn algemeenheid vormt een ontstekingsbron van waaruit brand kan ontstaan in het horecabedrijf die kan overslaan op de directe omgeving.

a. Strijd met geldend omgevingsplan

De exploitatievergunning kan worden geweigerd indien sprake is van strijd met het omgevingsplan. In principe zal de burgmeester de exploitatievergunning weigeren, omdat feitelijk geen gebruik kan worden gemaakt van de exploitatievergunning wegens handelen in strijd met het omgevingsplan.

Weigering van de exploitatievergunning blijft achterwege indien een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het horecabedrijf.

b. Woon- en leefsituatie in de omgeving

Meldingen van overlast in of in de directe omgeving van het horecabedrijf worden als volgt beoordeeld. Er dient te worden nagegaan of de gemelde overlast aan de wijze van exploiteren door de exploitant kan worden toegerekend. Hierbij wordt ook het huidige woon- en leefklimaat meegenomen. De spanning waaraan het woonmilieu reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door vestiging van het horecabedrijf. In de belangenafweging moet nader gemotiveerd worden in hoeverre het belang van de exploitant bij vergunningverlening opweegt tegen de ervaren overlast als gevolg van het exploiteren van het horecabedrijf. Er moet daarom inzicht worden gegeven hoe deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen en hoe daarbij de aspecten van geluid, vervuiling, verkeers- en parkeerdruk zijn onderzocht en betrokken. In het document ‘Uitgangspunten onderzoek leefomgeving horecabedrijf’, dat onderdeel uitmaakt van dit beleid, is beschreven hoe een aanvraag zal worden beoordeeld (bijlage I).

Waar nodig worden extra voorschriften aan de vergunning verbonden, zodat bestaande overlast of te verwachten overlast kan worden teruggedrongen, dan wel voorkomen.

Voorbeelden van ontoelaatbare overlast zijn hard dichtslaan portieren, schreeuwen op straat, wegscheurende gemotoriseerde voertuigen, licht handgemeen (duwen, trekken), geruzie, ledigen maag- en/of blaasinhoud in de omgeving van het horecabedrijf, etc. Bij gemelde overlast is het van belang deze een zo goed mogelijk beeld te krijgen. In geval van klachten moet het in ieder geval gaan om:

  • -

    effecten op de woon- en leefomgeving die gezien de lokale situatie als overlast zijn aan te duiden

  • -

    te herleiden zijn tot het horecabedrijf

  • -

    de overlast moet “objectiveerbaar” zijn, in de zin dat ieder weldenkend mens het als overlast zou ervaren.

Overlast moet worden onderscheiden van “normale” redelijkerwijs te verwachten effecten van de bedrijfsvoering, zoals het op een normale manier komen en gaan van bezoekers.

d. Wet Bibob

Op grond van de Beleidslijn Wet Bibob gemeente Beverwijk vindt voor horecaexploitatievergunningen toetsing op grond van de Wet Bibob plaats. De toetsing van de aanvraag op grond van de Wet Bibob is bedoeld als een aanvulling op de bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. De Wet Bibob verruimt de mogelijkheden van gemeenten en andere bestuursorganen om zich te beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd. De beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van de wet. Het instrument Bibob dient dan ook een ultimum remedium te zijn. Het bestuursorgaan onderzoekt eerst zelf of er geen bestaande weigeringsgronden aanwezig zijn. Deze bestaande weigeringsgronden hebben ook betrekking op de integriteit van de aanvrager of vergunninghouder.

f. Slecht levensgedrag

Exploitanten, leidinggevenden en beheerders hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en de openbare orde en veiligheid. Zij dienen verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van het horecabedrijf en voor het signaleren en melden van misstanden, waaronder mensenhandel en uitbuiting.

Daarom geldt dat exploitanten, leidinggevenden en beheerders ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ mogen zijn. Bij de invulling van dit criterium komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Per geval moet hij onderbouwen welke feiten of omstandigheden reden zijn om het levensgedrag tegen te werpen.

Toepassing van de toets op levensgedrag, is een preventieve toets om risico’s voor de openbare orde en veiligheid of het goede woon- en leefklimaat te beperken. Slecht levensgedrag is een (zelfstandige) grond om de vergunning te weigeren of in te trekken, te weigeren om leidinggevenden of beheerders bij te schrijven op de vergunning, om extra voorwaarden aan de vergunning te verbinden of de bestaande exploitatievergunning in te trekken. Deze toets vindt in ieder geval plaats bij de aanvraag of wijziging van een exploitatievergunning. Daarnaast kan de burgemeester dit op ieder moment doen dat hij dit nodig acht.

De burgemeester maakt bij de beoordeling van slecht levensgedrag gebruik van de volgende informatiebronnen:

  • -

    informatie van de politie;

  • -

    het Justitieel Documentatie Systeem;

  • -

    handhavingsgegevens en overige gegevens waarover de gemeente beschikt;

  • -

    informatie uit een Bibob-toets;

  • -

    informatie uit openbare bronnen;

  • -

    indien noodzakelijk kan de burgemeester via het RIEC informatie uitwisselen met de Nederlandse Arbeidsinspectie, belastingdienst, douane en de IND.

De volgende gedragingen kunnen in ieder geval worden betrokken bij de beoordeling van het levensgedrag:

  • -

    gedragingen die zijn verwoord in processen-verbaal of mutaties van de politie;

  • -

    gedragingen die zijn neergelegd in rapportages van toezichthouders;

  • -

    gedragingen die blijken uit strafrechtelijke procedures;

  • -

    strafrechtelijke veroordelingen, transacties en strafbeschikkingen;

  • -

    zaken waarin het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    zaken die zijn geseponeerd;

  • -

    het structureel overtreden van wet- en regelgeving waarvoor bestuursrechtelijke maatregelen, zoals boetes of lasten onder dwangsom, kunnen worden opgelegd.

Beoordelingsperiode

Bij de beoordeling van slecht levensgedrag worden in principe alleen feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Dit geldt niet voor informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten. Daarbij wordt gekeken naar de aard en de omvang van de informatie en of sprake is van een patroon om te beoordelen of dit relevant is op de toets op levensgedrag. Voor de exploitatievergunning van een coffeeshop kan tot 10 jaar worden teruggekeken. Bij de berekening is de pleegdatum leidend. De periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan telt niet mee. De peildatum voor het vaststellen van de periode van vijf jaar betreft de datum van het primaire besluit.

Indien sprake is van een patroon kan de burgemeester bij zijn beoordeling wel feiten en omstandigheden meenemen van een periode langer dan vijf jaar geleden. Deze feiten en omstandigheden zijn echter niet meer voldoende om zelfstandig tot weigering dan wel intrekking te leiden.

Type feiten

Er is sprake van gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de exploitant, leidinggevende of beheerder -als verantwoordelijke voor de exploitatie van het bedrijf of de activiteit- een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid of de kwaliteit van het woon- en leefklimaat in de buurt. Ook kan rekening worden gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig in vorenbedoelde zin worden beschouwd, maar die in samenhang met andere gedragingen een bepaald gedragspatroon opleveren dat voormelde vrees rechtvaardigt.

De omstandigheid of er een sanctie is opgelegd en de zwaarte van deze sanctie. Het is niet vereist dat er een sanctie is opgelegd om een feit mee te kunnen nemen in de beoordeling van het levensgedrag. Bij een sepot kan het feitencomplex informatie bevatten over de houding en het gedrag van de exploitant, de leidinggevende of beheerder die relevant is voor de toets op het levensgedrag. Het delict zelf zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over houding en gedrag wel. Een dergelijk feitencomplex zal op zichzelf staand geen weigeringsgrond opleveren.

Voor horecabedrijven waar alcohol wordt geschonken worden alcoholgerelateerde feiten verzwaard mee.

Hardheidsclausule

Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht beslist de burgemeester over maatwerk in gevallen waarin deze beleidsregels niet of onvoldoende voorzien en waarbij toepassing van het beleid leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.5.2 Inhoud en voorschriften vergunning

  • 1.

    De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden.

  • 2.

    De burgemeester vermeldt in een vergunning:

    • a.

      De vergunninghouder;

    • b.

      Tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;

    • c.

      De plaats waar de inrichting zich bevindt;

    • d.

      De voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden;

    • e.

      De burgemeester vermeldt in een aanhangsel bij de vergunning de leidinggevenden;

    • f.

      Dat de vergunning en het daarvan deel uitmakende aanhangsel, of afschriften daarvan in het horecabedrijf aanwezig zijn;

    • g.

      De horeca-exploitatievergunning is in de inrichting aanwezig en wordt op verzoek van of namens de burgemeester getoond;

    • h.

      De ondernemer en/of de leidinggevende draagt er zorg voor dat de bezoekers in en om het horecabedrijf geen hinder veroorzaken voor omwonenden, de openbare orde niet wordt verstoord, de veiligheid gewaarborgd blijft en het woon- en leefklimaat niet wordt aangetast door de wijze van exploitatie;

    • i.

      Personen die beveiligingswerkzaamheden verrichten (horecaportiers) voldoen aan de eisen gesteld bij of krachtens de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus;

    • j.

      De politie en andere handhavingsdiensten worden door of namens de horecaondernemer zo spoedig mogelijk en pro-actief benaderd ingeval er relevante veiligheidskwesties spelen;

    • k.

      In de inrichting wordt voor voldoende toezicht gezorgd.

Sluitingstijden

De sluitingstijden voor horecabedrijven en terrassen zijn in artikel 2:29 Apv geregeld. De burgemeester kan in de exploitatievergunning afwijken van de reguliere sluitingstijden en nadere regels stellen met betrekking tot de sluitingstijden.

AVV Terrassen

Een eventueel terras mag slechts geplaatst worden in overeenstemming met de AVV terrassen en het omgevingsplan.

Hoofdstuk 3 Toezicht en handhaving exploitatievergunning

3.1 Inleiding

Handhaving dient het algemeen belang. De burgemeester is in beginsel ook verplicht te handhaven indien deze op de hoogte is van een overtreding. Om naleving te stimuleren wordt ook toezicht uitgevoerd op de naleving van de wet- en regelgeving om sanctioneren te voorkomen. In dit hoofdstuk wordt daar verder op ingegaan.

3.2 Strategie

De stappenplannen in dit hoofdstuk pas ik toe per overtreder, en niet per inrichting. Als een overtreder zijn onderneming tussentijds (nadat het stappenplan is toegepast) overdraagt aan een ander, begint de nieuwe exploitant bij stap 1. Dit is anders als de oorspronkelijke overtreder nog steeds feitelijk het beheer uitoefent van de onderneming of hierbij nauw betrokken is (bijvoorbeeld als de ondernemingsvorm overgaat van een eenmanszaak in een BV, waarbij de betreffende overtreder aandeelhouder is).

Op een beschikking van mij is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Voordat ik beschik, zoals het (tijdelijk) intrekken van de vergunning of het opleggen van een dwangsom, maak ik mijn voornemen hiertoe aan de overtreder kenbaar (tenzij vereiste spoed zich daartegen verzet). Ik stel de overtreder in staat een zienswijze naar voren te brengen. Indien van toepassing volg ik deze procedure ook voor de bestuurlijke boete (artikel 5:53 Awb).

Horecaondernemers zijn verantwoordelijk het naleven van de regels ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en van het woon- en leefklimaat in en nabij het horecabedrijf. De gemeente Beverwijk vertrouwt erop dat de horecaondernemers hier hun verantwoordelijkheid in nemen. Hoewel preventieve maatregelen (duidelijke voorschriften opnemen in een vergunning, knelpunten bespreken in horeca-overleg) er juist voor moeten zorgen dat de overlast tot een minimum wordt beperkt, zal toch via toezicht en handhaving moeten worden gezorgd dat deze regelgeving ook daadwerkelijk wordt nageleefd. De toezicht en handhaving op exploitatievergunningen zal zoveel mogelijk integraal en informatiegestuurd plaatsvinden. Hierbij is gekozen voor de volgende integrale aanpak met daarin steeds de drieslag:

  • 1.

    Regelgeving (grenzen stellen)

  • 2.

    Handhaving (grenzen bewaken)

  • 3.

    Publiek draagvlak (grenzen overdragen)

Dit betekent dat capaciteit wordt ingezet op plekken waar de problemen het grootst zijn, op basis van klachten, signalen en andere informatie. De gemeente legt in een handhavingsarrangement vast op welke wijze er op overtredingen wordt gereageerd. Bij overtreding van voorschriften voor horecabedrijven als genoemd in de Algemene plaatselijke verordening worden de instrumenten uit het handhavingsarrangement ingezet.

Het handhavingsarrangement zorgt ervoor dat afspraken rondom handhaving eenduidig en consistent worden uitgevoerd. Overtredingen worden alleen indien sprake is van bijzondere omstandigheden gedoogd. Als de openbare orde, veiligheid of het woon- en leefklimaat wordt aangetast kan de burgemeester een bestuurlijke maatregel treffen. Veelal zal bij een eerste overtreding eerst worden gewaarschuwd, zodat de overtreder de ruimte krijgt om zijn gedrag aan te passen en maatregelen te nemen. Indien dit achterwege blijft en een nieuwe overtreding volgt zal de gemeente ingrijpender optreden. Indien er sprake is van overtredingen met acuut gevaar en/of onomkeerbare en/of veiligheidsgevolgen (ernstige overlastsituaties) die direct handhaven vereisen, wordt er direct opgetreden, veelal door toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In die gevallen kunnen stappen van de onderstaande handhavingsmatrix worden overgeslagen.

Hoofdstuk 4 Handhaving openbare orde

Sanctiestrategie

Hoe zwaarder de overtreding, hoe zwaarder het belang van handhaving weegt. De handhavingsmatrix als bedoeld in bijlage 3 wordt als leidende maatstaf gezien, maar per geval zal worden beoordeeld of de sanctie voldoende is om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Als naar de beoordeling van de burgemeester met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan, zal hij daar gebruik van maken. De burgemeester gaat hier terughoudend mee om, omdat het belang van bescherming van de openbare orde en het voorkomen van (verdere) overlast zeer zwaarwegend is.

Sluiting

Op grond van artikel 2:30 Apv en artikel 172 en 174 van de Gemeentewet kan de burgemeester een horecabedrijf of gebouw voor een bepaalde duur of gedeeltelijk sluiten. Deze tijdelijke sluiting dient om de openbare orde en veiligheid in en om de inrichting te laten herstellen. Bij spoedeisende situaties (zwaar) wordt direct tot sluiting overgegaan. Bij de lichtere categorie overtredingen (licht) is het streven om binnen 2 weken na constatering van de overtreding de sluiting aan te kondigen. De tijdelijke sluiting van een horecabedrijf heeft tot doel het herstellen van de openbare orde en de overtreder ertoe te bewegen de sluitingstijden in het vervolg in acht te nemen. De dag of periode waarin het horecabedrijf wordt gesloten wordt als volgt bepaald:

  • -

    De zwaarte van de dwangmaatregel moet in redelijke proportie tot de aard, gevaarzetting en urgentie van de overtreding staan;

  • -

    De sluiting en de duur van de sluiting dient in een redelijke verhouding tot de zwaarte van de overtreding te staan.

In het algemeen zal voor horecabedrijven gelden dat vrijdag, zaterdag en zondag belangrijke dagen voor een horecabedrijf zijn waarbij de hoogste omzet van de week wordt gedraaid. Deze dagen leveren daarom een belangrijke bijdrage aan het bestaansrecht van een horecaonderneming. De aanvang van de tijdelijke sluiting voor één dag, twee dagen en zeven dagen zal daarom in het weekend zijn. Bij bepaling van het tijdstip waarop sluiting ingaat wordt rekening gehouden met het type horecazaak en de openingstijden. De hierdoor te derven inkomsten staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het sluitingsbevel. De te verwachten gederfde inkomsten als gevolg van tijdelijke sluiting geeft naar verwachting voldoende financiële prikkel om de overtreder te bewegen voortaan de sluitingstijden in acht te nemen, zodat de openbare orde in en voor het horecabedrijf in het vervolg gehandhaafd blijft.

Intrekking

De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd (artikel 1:6 Apv):

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • e.

    indien de houder dit verzoekt.

Het uitgangspunt hierbij is dat een exploitatievergunning wordt doorgaans ingetrokken indien als gevolg aanhoudend ongewenst gedrag van de exploitant van een horecabedrijf of een incident in het horecabedrijf het vertrouwen in de exploitant is weggevallen.

In de handhavingsmatrix is per situatie aangegeven welke stappen worden gevolgd voorafgaand aan intrekking van de exploitatievergunning bij een gewijzigde situatie, overtreding van de Apv of het niet naleven van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Bij (tijdelijke) sluiting van de horecainrichting dient nader gemotiveerd te worden voor welke dag de sluiting geldt.

Ondertekening

Bijlage I Uitgangspunten onderzoek leefomgeving horecabedrijf

Er moet na het onderzoek bij vestiging van een horecabedrijf voldoende blijk gegeven worden van de belangen van omwonenden dat de leefomgeving (woonomgeving en het woongenot) niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Dit belang moet worden afgewogen tegen het belang van de vergunninghouder om het horecabedrijf te exploiteren.

Indien er aanleiding bestaat om te verwachten dat de woon- en leefsituatie in de nabijheid van de horeca-onderneming op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door het exploiteren of de wijze van exploiteren van een horecabedrijf, dan wordt de vergunningaanvraag geweigerd. Het onderzoek naar de te verwachten gevolgen van het exploiteren van een horecabedrijf op de desbetreffende locatie wordt als volgt verricht.

Indicatoren:

De beoogde ligging:

  • -

    Is het horecabedrijf op de desbetreffende locatie passend binnen de bestemming die daaraan in het omgevingsplan is gegeven?

  • -

    Ligt het horecabedrijf in een kwetsbaar gebied? Het horecabedrijf wordt bijvoorbeeld omringd door woningen.

Parkeerdruk:

De parkeerbehoefte mag door vestiging van het horecabedrijf niet zodanig toenemen dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aantast. Ook mag de openbare veiligheid ter plaatse niet in het gedrang komen als gevolg van het parkeergedrag van bezoekers aan het horecabedrijf. Dit geldt voor zowel fiets- als autoverkeer. Hiervoor wordt getoetst aan vigerend beleid.

Eerdere ervaringen:

  • -

    Eerdere ervaringen met de exploitatie van het horecabedrijf op de desbetreffende locatie en met de uitbater van het horecabedrijf, de vergunninghouder, zijn er meldingen die het gevolg zijn van de wijze van exploiteren? En beïnvloeden ze de leefomgeving?

  • -

    De openingstijden van het horecabedrijf: beperktere openingstijden dan die in vergunning van voorgangers zijn opgenomen? Openstelling op zondagen en maandagen? Sluitingsuur?

  • -

    Uitkomsten uit adviezen van ketenpartners

Milieu (geluid en vervuiling)

Geluid:

Eventuele geluidsoverlast vanuit de horeca-inrichting moet worden betrokken bij beoordeling of de woon- en leefsituatie nadelig wordt beïnvloed. Dat de horeca-inrichting aan het Activiteitenbesluit voldoet is onvoldoende om aan te nemen dat de leefomgeving door geluidsproductie van een horeca-inrichting niet nadelig wordt beïnvloed, dit is immers een andere beoordeling dan de beoordeling of aan de geluidsnormen wordt voldaan. Het geluid, ook voor zover dat valt binnen de door de milieuwetgeving gestelde normen, maakt deel uit van de uitstraling in totaliteit van de inrichting op de omgeving en is dus mede bepalend voor het woon- en leefklimaat in de directe omgeving. Bijvoorbeeld: borrelend publiek op het terras, vertrekkende auto’s van publiek.

Voor horecabedrijven in het centrumgebied van Beverwijk geldt over het algemeen het volgende. Als het omgevingsplan horeca op het desbetreffende perceel toestaat, dan is gelet hierop is een zekere mate van overlast ten gevolge van de op het perceel te vestigen bedrijven reeds bij de vaststelling van het omgevingsplan voorzien. Gelet op het karakter van de straat en wijk waarin het perceel ligt, omgeven door gevestigde horecagelegenheden en detailhandel, moet enige overlast moet worden geaccepteerd. Het is over het algemeen niet aannemelijk dat normale overlast de gebruikelijke overlast in een dergelijk centrumgebied overschrijdt of van dien aard is dat de woon- en leefsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

Een horeca-inrichting mag achtergrondmuziek produceren. Bij dit geluidsniveau worden de wettelijke geluidsnormen (meestal) niet overschreden.

Geluid op basis van het Activiteitenbesluit van de Wet milieubeheer

Wanneer een exploitant meer muziek wil produceren is hij of zij verplicht de akoestische situatie van zijn pand, in combinatie met de gewenste bedrijfsvoering, te laten onderzoeken en hiervan melding te doen bij de Omgevingdienst IJmond.

Geuroverlast en afval:

Voor de beoordeling van geuroverlast en het opslaan en aanbieden van bedrijfsafval vragen wij advies aan de Omgevingsdienst IJmond.

Bijlage II Handhavingsmatrix

A. Handhaving exploitatievergunning

  • 1.

    Exploitatie zonder geldige vergunning

    Overtreding artikel 2:28 Apv

    Exploiteren van een horecabedrijf mag alleen met een geldige exploitatievergunning, tenzij sprake is van een vrijstelling van de vergunningsplicht of een gedoogverklaring is afgegeven. Dat geldt bijvoorbeeld ook wanneer de exploitatievergunning is verlopen en nog geen nieuwe vergunning is (aangevraagd en/of) verleend.

    De burgemeester maakt in dergelijke gevallen gebruik van zijn bevoegdheid om de horeca-inrichting te sluiten (in beginsel nadat een waarschuwing is gegeven), tenzij de horecaondernemer zelf de inrichting gesloten houdt.

    Er is in ieder geval sprake van illegale exploitatie als:

    • a.

      wordt geëxploiteerd (bijvoorbeeld bij een overname van de inrichting) terwijl nog geen nieuwe vergunning(en) is (zijn) aangevraagd en verleend;

    • b.

      wordt geëxploiteerd terwijl de vergunning(en) is(zijn) ingetrokken of geweigerd;

    • c.

      wordt geëxploiteerd nadat de exploitatievergunning is vervallen;

    • d.

      vergunningen m.b.t. de inrichting/exploitatie niet op de juiste naam/persoon staan.

  • Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Schriftelijke waarschuwing dat het horecabedrijf dicht moet en dat de exploitant een exploitatievergunning dient aan te vragen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering

    Toepassing bestuursdwang

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 2.

    Wijziging van de inrichting en/of leidinggevenden

    Indien de inrichting van het horecabedrijf wijzigt of nieuwe leidinggevenden werkzaam zijn in het horecabedrijf dient de exploitant dit te melden. De exploitatievergunning en/of het aanhangsel moeten in dat geval gewijzigd worden. Als blijkt dat de inrichting of het aanhangsel niet overeenkomt met de feitelijke situatie, is sprake van een overtreding.

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Schriftelijke waarschuwing en dat de exploitant een exploitatievergunning dient aan te vragen.

    Exploitant heeft hier 1 week de tijd voor.

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering

    Toepassing bestuursdwang met een begunstigingstermijn van 1 week

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 3.

    Het niet naleven van de algemene voorschriften (bijlage II) van de exploitatievergunning

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Schriftelijke waarschuwing

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering binnen één jaar na 1e overtreding

    Last onder dwangsom

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    3e constatering binnen één jaar na 2e overtreding

    Last onder hogere dwangsom

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    4e constatering binnen één jaar na 3e constatering

    Sluiting voor max. 14 dagen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    5e constatering binnen één jaar na de 4e constatering

    Intrekking exploitatievergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 4.

    Overtreden openings- en/of sluitingstijden

    Horecabedrijven zijn gebonden aan de in artikel 2.29 APV opgenomen dan wel op grond van artikel 2.30 APV toegestane openings- en sluitingstijden, de specifiek nader in de exploitatievergunning vermelde openings- en sluitingstijden van de betreffende inrichting.

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Schriftelijke waarschuwing

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering binnen één jaar na 1e overtreding

    Last onder dwangsom

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    3e constatering binnen één jaar na 2e overtreding

    Sluiting voor twee dagen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    4e constatering binnen één jaar na 3e constatering

    Sluiting voor max. 7 dagen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    5e constatering binnen één jaar na de 4e constatering

    Intrekking exploitatievergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 5.

    Schijnbeheer

    Er is sprake van schijnbeheer als blijkt dat niet de vergunninghouder feitelijk zeggenschap heeft over (en leiding geeft aan) het horecabedrijf, maar een persoon die niet als zodanig op de vergunning staat vermeld. Een reden kan bijvoorbeeld zijn dat een persoon vanwege zijn/haar strafrechtelijke verleden geen vergunning kan krijgen en daarom een ander de vergunning laat aanvragen.

    Onder schijnbeheer worden die situaties verstaan waarbij de feitelijke eigenaar bewust op de achtergrond blijft en de feitelijke situatie niet overeen komt met het ‘papier’. Dit kan bijvoorbeeld zijn om een antecedentencheck te ontwijken. Op basis van het dossier zal de burgemeester beoordelen of voldoende aannemelijk is dat een schijnbeheerconstructie wordt gebruikt.

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Intrekking exploitatievergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 6.

    Slecht levensgedrag exploitant

    Van een exploitant mag worden verwacht dat deze niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. In hoofdstuk 2 is uitgelegd wanneer sprake is van slecht levensgedrag.

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Intrekking exploitatievergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 7.

    Slecht levensgedrag leidinggevende

    Van een exploitant mag worden verwacht dat deze niet in enig opzicht van slecht levensgedrag is. In hoofdstuk 2 is uitgelegd wanneer sprake is van slecht levensgedrag.

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Waarschuwing en verzoek wijzigen exploitatievergunning, verwijderen leidinggevende

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering

    Intrekken vergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

B. Handhaving openbare orde

  • 1.

    Ernstige incidenten in, vanuit of in de directe omgeving van het horecabedrijf

    Ernstige incidenten in, vanuit of in de directe omgeving van het horecabedrijf. Als ernstige geweldsincidenten worden in ieder geval beschouwd:

    • -

      (dreigen met) Schietincident;

    • -

      (dreigen met) Steekincident;

    • -

      aanwezigheid wapen;

    • -

      Verwijtbaar handelen exploitant en/of personeel;

    • -

      grootschalige vechtpartij waarbij meerdere bezoekers, personeelsleden van het horecabedrijf betrokken zijn

    • -

      vechtpartij waarbij meer dan één iemand ernstig gewond is geraakt dan wel dat er één of meer slachtoffers zijn gevallen

    • -

      ernstige incidenten waarbij grootschalige politie optreden is ingezet om ernstige openbare ordeverstoring te voorkomen/de-escaleren (zwaar)

  • Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Bevel tot sluiting van het horecabedrijf voor de duur van max. 1 maand

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering binnen twee jaar na 1e constatering

    Bevel tot sluiting van het horecabedrijf

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    3e constatering binnen twee jaar na 2e constatering

    Intrekking vergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 2.

    Geweld in, vanuit of in de directe omgeving van het horecabedrijf, voor zover geen sprake is van ernstige geweldsincidenten

    Als geweldsincidenten worden in ieder geval, maar niet uitsluitend, gezien:

    • -

      Vechtpartijen en openlijke geweldpleging

    • -

      Discriminatie (zwaar)

    • -

      Zedendelicten;

    • -

      Mishandeling (ook bijvoorbeeld drogeren)

  • Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Gesprek met exploitant en schriftelijke waarschuwing en opnieuw beoordelen voorschriften.

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering binnen 1 jaar na 1e constatering

    Sluiting en sluiting horecabedrijf voor max één week

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    3e constatering binnen twee jaar na 2e constatering

    Vooraankondiging sluiting en sluiting horecabedrijf voor max 1 maand

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    4e constatering binnen twee jaar na 3e constatering

    Sluiting horecabedrijf voor twaalf weken

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    5e constatering binnen twee jaar na 4e constatering

    Intrekking vergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 3.

    Strafbare feiten vanuit het horecabedrijf

    Zoals:

    • -

      Heling;

    • -

      Drugs of wapenhandel, aanwezigheid handelshoeveelheid drugs; (Damoclesbeleid is leidend, indien het Damoclesbeleid tekort schiet gelden de sancties uit het horecabeleid. Indien de drugs gelinkt kan worden aan de bezoekers geldt eveneens het horecabeleid. In beide gevallen geldt dat de constatering meetelt in de telling)

    • -

      Mensenhandel dan wel activiteiten die daaraan te linken zijn

    • -

      Prostitutie

  • (zwaar)

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Schriftelijke waarschuwing

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering binnen 1 jaar na 1e constatering

    Vooraankondiging sluiting en sluiting horecabedrijf voor één dag.

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    3e constatering binnen twee jaar na 2e constatering

    Vooraankondiging sluiting en sluiting horecabedrijf voor twee dagen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    4e constatering binnen twee jaar na 3e constatering

    Sluiting horecabedrijf voor zeven dagen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    5e constatering binnen twee jaar na 4e constatering

    Intrekking vergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

  • 4.

    Overlast (met uitzondering van geluidsoverlast), in, vanuit of in de directe omgeving van het horecabedrijf

    Waar in ieder geval sprake is van ‘ objectieveerbare’ overlast en:

    • a.

      Er duidelijke effecten zijn op de woon- en leefomgeving; en

    • b.

      Er sprake is van aanhoudende overlast;

    • c.

      De overlast te herleiden is tot het horecabedrijf waarop de klachten betrekking hebben.

  • (licht)

    Constateringen

    Sanctie

    Toezichthouder(s)

    1e constatering

    Schriftelijke waarschuwing

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    2e constatering binnen 1 jaar na 1e constatering

    Vooraankondiging sluiting en sluiting horecabedrijf voor één dag.

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    3e constatering binnen twee jaar na 2e constatering

    Vooraankondiging sluiting en sluiting horecabedrijf voor twee dagen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    4e constatering binnen twee jaar na 3e constatering

    Sluiting horecabedrijf voor zeven dagen

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    5e constatering binnen twee jaar na 4e constatering

    Intrekking vergunning

    Toezichthouders gemeente

    Politie

    Het aantal overtreding is cumulatief. Indien eerst een strafbaar feit wordt gepleegd in de horeca inrichting en binnen een jaar sprake is van een ernstig incident geldt dat als een tweede constatering.