Nadere regels jeugdhulp 2025 gemeente Maashorst

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Nadere regels jeugdhulp 2025 gemeente Maashorst

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maashorst, gelet op de Jeugdwet en gelet op de Verordening jeugdhulp gemeente Maashorst 2025;

b e s l u i t

vast te stellen de volgende

Nadere regels jeugdhulp 2025 gemeente Maashorst

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1. In de deze nadere regels wordt verstaan onder:

    • -

      pgb-hulpverlener: personen die formele of informele hulp verlenen zoals toegelicht in artikel 17 Verordening Jeugdhulp gemeente Maashorst 2025.

    • -

      overleg Passende Hulp (OPH): overleg dat ingezet wordt om complexe hulp te regelen voor jeugdigen en ouders die dat het meest nodig hebben en waarvoor geen reguliere oplossing is.

    • -

      verordening: de Verordening jeugdhulp gemeente Maashorst 2025

    • -

      wet: Jeugdwet

  • 2. Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Algemene Verordening Gegevensbescherming of de Verordening jeugdhulp gemeente Maashorst 2025.

Artikel 2: Afwegingskader gebruikelijke hulp

Ouders/verzorgers hebben de verantwoordelijkheid om bij te dragen aan de ontwikkeling van hun kind naar zelfredzaamheid en zelfstandigheid door:

  • 1.

    Een veilige en beschermde woonomgeving: dit omvat zowel fysieke als sociale veiligheid,

  • 2.

    Een passend pedagogisch klimaat: het bieden van een stimulerende omgeving die bijdraagt aan de ontwikkeling van de jeugdige,

  • 3.

    Verzorging, begeleiding en opvoeding: dagelijkse hulp en ondersteuning die aansluit bij de levensfase van het kind.

Het wordt als gebruikelijk beschouwd dat ouders hun kind de dagelijkse zorg en ondersteuning bieden die nodig is, zelfs als dit meer omvat dan wat normaal is voor kinderen van dezelfde leeftijd. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen met een chronische aandoening, ziekte, stoornis of beperking. Aangezien ieder kind zich op een unieke manier ontwikkelt, kan de benodigde begeleiding en hulp variëren. Het uitgangspunt is dat ouders/verzorgers zoveel mogelijk de dagelijkse hulp bieden, ook als dit intensiever is dan bij gezonde kinderen in dezelfde leeftijdscategorie.

Begripsbepaling gebruikelijke hulp

De nadere definitie van gebruikelijke hulp als genoemd in artikel 9 lid 1 sub a van de Verordening is volgens de gemeente Maashorst de zorg die ouders/verzorgers geacht wordt te bieden die volgens algemeen aanvaardbare maatschaven redelijk is. Dit omvat specifiek de verzorging, opvoeding en het toezicht die ouders/verzorgers aan hun minderjarige kind behoren te geven, ongeacht of er sprake is van een ziekte, aandoening of beperking. Deze verwachtingen zijn in redelijkheid gebaseerd op de leeftijd van het kind en een bijpassend ontwikkelingsprofiel.

Begripsbepaling bovengebruikelijke hulp

Er is sprake van bovengebruikelijke hulp wanneer de noodzakelijke verzorging en hulpverlening voor een kind in langdurige situaties meer omvat dan wat een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. Dit betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor de handelingen. Het college kan in beleidsregels niet exact vaststellen hoeveel hulp gebruikelijk is; dit moet beoordeeld worden op basis van de individuele omstandigheden van elk kind.

Artikel 3. Onderzoek en beoordeling gebruikelijke hulp

Bij een hulpvraag van een jeugdige in het kader van bovengebruikelijke hulp wordt eerst een vooronderzoek gedaan en een gesprek gevoerd. Hierbij wordt gekeken naar de achtergrond van de hulpvraag, de eigen mogelijkheden, het sociaal netwerk en algemeen gebruikelijke/voorliggende voorzieningen. Als de hulpvraag hiermee niet opgelost kan worden, wordt het onderzoek naar en de beoordeling van gebruikelijke hulp voortgezet. Of er sprake is van gebruikelijke hulp, wordt bepaald aan de hand van enkele aspecten:

  • 1.

    Richtlijnen en beoordelingsfactoren voor gebruikelijke hulp

  • 2.

    Het vermogen van de ouder/verzorger om de noodzakelijke hulp te bieden

  • 3.

    Samenhangende beoordeling

Artikel 3.1 Beoordelingsfactoren gebruikelijke hulp

Om te bepalen of en in welke mate er sprake is van bovengebruikelijke hulp, moet eerst de gebruikelijke hulp in kaart worden gebracht. In Bijlage 2 is een referentiekader opgenomen voor de gebruikelijke hulp van ouders/verzorgers voor jeugdigen/kinderen zonder beperkingen. Bij het bepalen of er sprake is van gebruikelijke hulp, wordt naast de algemene richtlijnen rekening gehouden met:

  • a.

    Leeftijd van de Jeugdige

    Bij de beoordeling of er sprake is van gebruikelijke hulp, worden verschillen tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie in acht genomen. Gezonde jeugdigen kunnen namelijk ook verschillen in de hulpvraag die zij hebben. In Bijlage 2 is een overzicht te vinden van de gebruikelijke hulp van ouders/verzorgers voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen.

    Voorbeeld gebruikelijke hulp: Een kind van 4 jaar dat overdag niet zindelijk is en ondersteuning nodig heeft. Het is namelijk niet altijd het geval dat een kind van 4 zindelijk is.

    Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: Het verschonen van een 12-jarig kind kan als bovengebruikelijke hulp worden gezien. Het is namelijk niet gebruikelijk dat een kind van 12 nog verschoond moet worden.

  • b.

    Aard van de hulphandelingen

    Als het kind de hulphandelingen zelfstandig kan uitvoeren, vallen deze altijd onder gebruikelijke hulp. Dit geldt ook als daarbij toezicht of aansturing nodig is. Handelingen die niet standaard bij alle kinderen voorkomen, kunnen ook onder gebruikelijke hulp vallen, mits ze een gebruikelijke hulphandeling vervangen.

    Voorbeeld gebruikelijke hulp: Het legen van een katheterzakje in plaats van verschonen.

    Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: Een blijvende noodzaak voor de (volledige) overname van de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) van een kind vanaf ongeveer 5 jaar, gecombineerd met blijvende beperkingen in de sociale redzaamheid en cognitief functioneren.

  • c.

    Frequentie en patroon van hulphandelingen

    Gebruikelijke hulp omvat hulphandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp aan een kind, zoals drie keer per dag eten.

    Voorbeeld gebruikelijke hulp: Het geven van medicatie bij het ontbijt en naar bed gaan.

    Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: Het voeden van een kind via een sonde dat vaker moet gebeuren dan de normale eet- en drinkmomenten.

  • d.

    Tijdsomvang van de hulphandelingen

    De benodigde tijd voor hulphandelingen speelt een rol bij de bepaling of er sprake is van gebruikelijke hulp.

    Voorbeeld gebruikelijke hulp: Het aankleden van een kind met een arm of been in het gips. De extra tijd die hiervoor nodig is, valt onder gebruikelijke hulp.

    Voorbeeld bovengebruikelijke hulp: De extra tijd die nodig is bij het aankleden en wassen van een 3-jarig kind met spasticiteit. De extra tijd bovenop wat als gebruikelijk wordt beschouwd, kan worden aangemerkt als bovengebruikelijke hulp.

Artikel 3.2 Situatie ouder/verzorger

Het uitgangspunt is dat gebruikelijke hulp door ouders/verzorgers kan worden geleverd, tenzij uit onderzoek blijkt dat dit niet het geval is. Ouders/verzorgers kunnen mogelijk geen gebruikelijke hulp leveren onder de volgende omstandigheden:

  • a.

    Geobjectiveerde beperkingen:

    Er zijn beperkingen op het gebied van noodzakelijke ondersteuning. Bijvoorbeeld wanneer een ouder langdurig in een rolstoel zit en daardoor niet in staat is een kind te verplaatsen.

  • b.

    Gebrek aan kennis en/of vaardigheden:

    Ouders/verzorgers missen de noodzakelijke kennis of vaardigheden om ondersteuning te bieden. In dergelijke gevallen kan een tijdelijke individuele voorziening worden ingezet zodat de ouder/verzorger de kans krijgt om de benodigde vaardigheden of kennis aan te leren.

  • c.

    Fysieke afwezigheid:

    De ouder/verzorger is fysiek afwezig vanwege verplichtingen zoals werk in het buitenland. Voorbeelden hiervan zijn internationaal vrachtwagenchauffeurs of mariniers. Bij het beoordelen van de fysieke afwezigheid moet rekening worden gehouden met de aard van de benodigde ondersteuning en de duur van de afwezigheid. Als de afwezigheid langer dan zeven aaneengesloten etmalen duurt en de ondersteuning niet kan worden uitgesteld, is er sprake van bovengebruikelijke hulp.

  • d.

    Aanspraak op gebruikelijke hulp bij eenhoofdig verblijf.

    Indien de jeugdige het hoofdverblijf heeft bij één ouder en deze ouder aangeeft (tijdelijk) niet in staat te zijn om gebruikelijke hulp te bieden, wordt eerst beoordeeld of de andere gezaghebbende ouder in staat is deze gebruikelijke hulp te leveren, voordat wordt overgegaan tot de inzet van jeugdhulp.

Artikel 3.3 Overbelasting

Wanneer de hulp die aan een jeugdige wordt geboden zo zwaar is dat er overbelasting bij de ouder/verzorger ontstaat, moet er onderzoek gedaan worden naar de oorzaak van deze overbelasting. De volgende uitgangspunten worden hierbij in acht genomen:

  • a.

    Verband tussen overbelasting en hulp aan jeugdige:

    Er moet een duidelijk verband zijn tussen de overbelasting en de hulp die de ouder/verzorger biedt. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder/verzorger heeft om de (dreigende) overbelasting op te heffen.

  • b.

    Beperking van maatschappelijke activiteiten:

    Van de ouder/verzorger mag verwacht worden dat hij/zij bereid is om maatschappelijke activiteiten te beperken om de (dreigende) overbelasting op te heffen.

  • c.

    Overbelasting door werk:

    Als de overbelasting wordt veroorzaakt door een dienstverband met te veel werkuren of door spanningen op het werk, moet de oplossing eerst worden gezocht in het verminderen van werkuren of het aanpakken van de werkgerelateerde spanningen. In het besluit zal altijd worden aangegeven dat, wanneer de overbelasting kan worden teruggedrongen door herinrichting van het huiselijk leven en/of werk, dit van de ouder/verzorger wordt verwacht.

  • d.

    Fysieke en psychische capaciteit voor gebruikelijke hulp:

    Onderzocht moet worden in hoeverre de ouder/verzorger naast eventueel werk fysiek en psychisch in staat is om gebruikelijke hulp te verlenen. Als dit niet het geval is, kan een tijdelijke voorziening worden verstrekt om de ouder/verzorger de gelegenheid te geven de taakverdeling aan te passen aan de situatie. Wanneer de geldigheidsduur van het besluit is verstreken en er een nieuwe aanvraag wordt ingediend, zal worden gekeken welke inspanningen zijn gedaan om de overbelasting terug te dringen.

  • e.

    Draagkracht en draaglast:

    Naast de aard en ernst van de overbelasting wordt onderzocht of deze is ontstaan door een vermindering van de draagkracht van de ouder/verzorger of door een verhoging van de draaglast als gevolg van de ernst van de ziekte, beperking of gedrag van het kind.

Artikel 3.4 Samenhangende beoordeling

Bij de beoordeling van de hulpvraag is het van cruciaal belang dat de criteria uit artikel 5.1 tot en met artikel 5.3 in samenhang worden genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met de specifieke omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Een hulphandeling die in omvang en aard voor een kind gebruikelijk lijkt, kan in een individuele situatie veel vaker voorkomen of meer tijd kosten. Hierdoor kan de hulp niet als geheel gebruikelijk worden beschouwd.

Een voorbeeld van het gevolg van een samenhangende beoordeling voor gebruikelijke hulp: het geven van medicatie is gebruikelijke hulp als het in het dagelijkse patroon past, bijvoorbeeld elke dag bij het ontbijt. Als medicatie echter gedurende de gehele dag of meerdere malen 's nachts moet worden toegediend, past dit niet meer in het dagelijkse patroon. In een dergelijke situatie moet worden beoordeeld of ouders/verzorgers zodanig worden belast dat het geen gebruikelijke hulp meer is en is er sprake van bovengebruikelijke hulp.

Het college moet in elke individuele situatie een zorgvuldige afweging maken, waarbij rekening wordt gehouden met de omstandigheden van de jeugdige en/of zijn ouder/verzorger. Er moet duidelijk worden gemotiveerd waarom de hulp onder gebruikelijke hulp valt. Het is onvoldoende om alleen naar beleid of richtlijnen te verwijzen; de specifieke situatie van de jeugdige en het gezin moet altijd in ogenschouw worden genomen.

afbeelding binnen de regeling

Slotbepalingen

Artikel 4 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze nadere regels treden in werking op de dag na die van bekendmaking.

  • 2. De Nadere regels Jeugdhulp gemeente Maashorst 2024 worden ingetrokken.

  • 3. Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels Jeugdhulp gemeente Maashorst 2025.

Ondertekening

Uden, 11 december 2025

Burgemeester en wethouders van gemeente Maashorst,

de secretaris,

J.A.G.M. van Aaken

de burgemeester,

J.A. van der Pas

Bijlage 1: Referentiekader Gebruikelijke Zorg

Kinderen van 0 t/m 2 jaar

  • Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig.

  • Vereisen voortdurend zeer nabij ouderlijk toezicht.

  • Worden steeds zelfstandiger in bewegen en verplaatsen.

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • Vereisen een beschermende woonomgeving waarin fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, evenals een passend pedagogisch klimaat.

Kinderen van 3 t/m 4 jaar

  • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen; dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijvoorbeeld een ouder kan was ophangen in een andere kamer).

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • Kunnen zelf zitten en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen.

  • Hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang.

  • Hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen.

  • Hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding.

  • Zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.

  • Vereisen een beschermende woonomgeving waarin fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, evenals een passend pedagogisch klimaat.

Jeugdigen van 5 t/m 11 jaar

  • Hebben vanaf 5 jaar een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week.

  • Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen; dit toezicht kan op enige afstand (bijvoorbeeld het kind kan buitenspelen in de directe omgeving van de woning als een ouder thuis is).

  • Hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp bij hun persoonlijke verzorging zoals wassen en tandenpoetsen.

  • Hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie.

  • Zijn overdag zindelijk en 's nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers.

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling.

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • Hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan.

  • Vereisen een beschermende woonomgeving waarin fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, evenals een passend pedagogisch klimaat.

Jeugdigen van 12 t/m 17 jaar

  • Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen.

  • Kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden.

  • Kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of nacht alleen gelaten worden.

  • Kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen.

  • Hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig.

  • Hebben tot hun 18de jaar toezicht, stimulans en controle nodig bij gebruik van medicatie.

  • Hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school of andere dagbesteding.

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bijvoorbeeld huiswerk of het zelfstandig gaan wonen).

  • Hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid.

  • Vereisen tot 18 jaar een beschermende woonomgeving waarin fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd, evenals een passend pedagogisch klimaat.