Reglement van Orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Krimpenerwaard 2026

Geldend van 31-12-2025 t/m heden

Intitulé

Reglement van Orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Krimpenerwaard 2026

De raad van de gemeente Krimpenerwaard;

Gezien het voorstel van het presidium d.d. 26-11-2025

Gelet op artikel 16 van de Gemeentewet;

Besluit:

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Besluitvormingsproces

  • a.

    BOB-vergadermodel: wijze van vergaderen waarbij via beeldvorming en oordeelsvorming in de raadscommissies wordt toegewerkt naar besluitvorming door de gemeenteraad

  • b.

    raadscommissie: commissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet met als hoofddoel het voorbereiden van besluitvorming door de gemeenteraad; in dit reglement met name bedoeld de beeldvormende en oordeelsvormende commissievergaderingen waaraan zowel raadsleden als commissieleden, niet-zijnde raadleden, kunnen deelnemen

  • c.

    beeldvormende commissievergadering: bijeenkomst van een raadscommissie hoofdzakelijk gericht op het delen en vergaren van feitelijke informatie

  • d.

    oordeelsvormende commissievergadering: vergadering van een raadscommissie waarin meningsvorming plaatsvindt en advies wordt voorbereid voor besluitvorming door de gemeenteraad

  • e.

    raadsvergadering: besluitvormende vergadering van de gemeenteraad

  • f.

    buiten-BOB-bijeenkomst: bijeenkomst van de gemeenteraad of raadscommissies met een meer informeel karakter en zonder directe relatie met het actuele besluitvormingsproces

Gremia

  • a.

    presidium: commissie, ingesteld op basis van artikel 84 van de Gemeentewet, met als hoofdtaak het regelen van huishoudelijke en procedurele aangelegen van de gemeenteraad

  • b.

    agendacommissie: commissie, ingesteld op basis van artikel 84 van de Gemeentewet, met als hoofdtaak het regelen van agendatechnische aangelegenheden voor de gemeenteraad

  • c.

    geloofsbrievencommissie: commissie, ingesteld op basis van het Reglement van Orde, met als hoofdtaak het onderzoek naar de geloofsbrieven (wettelijke vereisten) van toegelaten raadsleden en voor benoeming voorgedragen wethouders en commissieleden

  • d.

    werkgeverscommissie: bestuurscommissie, ingesteld op basis van artikel 83 van de Gemeentewet, die namens de gemeenteraad het werkgeverschap uitoefent ten aanzien van de griffie (verder uitgewerkt in de Verordening op de werkgeverscommissie Krimpenerwaard)

  • e.

    auditcommissie: bijzondere raadscommissie, ingesteld op basis van artikel 82 van de Gemeentewet, met als hoofdtaak het uitbrengen van technisch advies aan de gemeenteraad over de (financiële) beheersing van de gemeente op het gebied van rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid (verder uitgewerkt in de Verordening op de auditcommissie Krimpenerwaard)

Functionarissen, functies en bestuur

  • a.

    voorzitter van de raad: de burgemeester of diens door de raad vanuit zijn midden gekozen plaatsvervanger

  • b.

    griffier: de griffier als bedoeld in artikel 100 van de Gemeentewet of diens door de raad aangewezen plaatsvervanger

  • c.

    commissievoorzitter: de door de raad vanuit zijn midden benoemde voorzitter van de beeldvormende en oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissies

  • d.

    commissiegriffier: een onder de griffier werkzaam zijnde raadsadviseur die door de griffier is aangesteld als griffier van een raadscommissie

  • e.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Krimpenerwaard

  • f.

    voorzitter: in dit reglement zowel bedoeld de voorzitter van de raad als commissievoorzitters, tenzij anders geduid in een artikel

Partijen en vertegenwoordiging

  • a.

    fractie: elke groepering die bij aanvang van een nieuwe zittingsperiode van de raad is geregistreerd in overeenstemming met artikel G3 van de Kieswet en haar raadsleden en commissieleden

  • b.

    groep: één of meerdere raadsleden die zich gedurende een zittingsperiode afsplitsen van hun fractie en als zelfstandige fractie gaan opereren

  • c.

    fractievoorzitter: raadslid dat tevens voorzitter is van een fractie

  • d.

    commissielid: in dit reglement met name bedoeld de door een fractie aangedragen en door de raad benoemde personen, niet-zijnde raadsleden, die een fractie ondersteunen bij met name beeldvormende en oordeelsvormende commissievergaderingen

Raadsinstrumenten en -bevoegdheden

  • a.

    amendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbesluit

  • b.

    subamendement: voorstel van een raadslid tot wijziging van een amendement

  • c.

    motie: een gemotiveerde verklaring van een raadslid waarmee een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken

  • d.

    initiatiefvoorstel: een voorstel aan de raad opgesteld en ingediend door een raadslid voor een verordening of ander voorstel

  • e.

    interpellatiedebat: het ter vergadering vragen van inlichtingen aan het college en/of elk van zijn leden afzonderlijk, of de burgemeester als zelfstandig bestuursorgaan, over een niet op de agenda geplaatst onderwerp, betreffende het door hen gevoerde bestuur

  • f.

    actualiteitendebat: ingelast debat in een raadsvergadering tussen de fracties over een actueel onderwerp

  • g.

    vragenhalfuur: agendaonderdeel van een oordeelsvormende commissievergadering waarin leden vooraf ingediende vragen kunnen bespreken met het college en elkaar

  • h.

    stemverklaring: een korte persoonlijke motivering door een raadslid van diens stemgedrag

  • i.

    inlichtingen: mondelinge en schriftelijke informatie die het college en elk van zijn leden op verzoek van de raad of raadscommissie en uit eigen beweging (bijvoorbeeld via raadsinformatiebrieven) deelt met de raad (artikel 169 van de Gemeentewet)

  • j.

    technische vragen: vragen van een raads- of commissielid gericht aan (een lid van) het college of de burgemeester zonder politieke lading bedoeld om verduidelijking te krijgen over feiten

  • k.

    bestuurlijke vragen: vragen van een raadslid bedoeld om informatie te krijgen over bevoegdheden, motieven, voornemens en/of uitspraken van (een lid van) het college of de burgemeester

Artikel 2. De voorzitter van de raad

  • 1. De burgemeester is de voorzitter van de raad.

  • 2. De voorzitter van de raad heeft in ieder geval de volgende taken:

    • a.

      het opstellen van de voorlopige agenda van de raadsvergaderingen;

    • b.

      de placering in de raadszaal;

    • c.

      het beleggen van een bijzondere, spoedeisende of extra raadsvergadering, waarbij in overleg met het presidium, kan worden afgeweken van de reguliere vergaderorde;

    • d.

      het leiden van vergaderingen.

  • 3. De raad kiest uit zijn midden een of meerdere plaatsvervangend voorzitters die bij afwezigheid van de burgemeester het voorzitterschap van de raad waarnemen.

Artikel 3. De griffier

  • 1. De raad wordt bijgestaan door een griffier.

  • 2. De griffier is aanwezig bij vergaderingen van de gemeenteraad.

  • 3. De raad stelt een ambtsinstructie voor de griffier vast waarin de taken, rollen en verantwoordelijkheden van de griffier worden vastgelegd.

  • 4. De raad wijst een of meerdere plaatsvervangend griffiers aan die bij verhindering of afwezigheid van de griffier diens taken waarnemen.

Artikel 4. Het presidium

  • 1. Er is een presidium dat bestaat uit de voorzitter van de raad, de griffier en de fractievoorzitters, met uitzondering van de voorzitters van fracties die overeenkomstig artikel 12 van dit reglement als groep worden beschouwd.

  • 2. Een fractievoorzitter kan zich bij verhindering of afwezigheid laten vervangen door een ander raadslid van zijn fractie. De plaatsvervangende leden worden door de raad benoemd.

  • 3. Het presidium kan anderen uitnodigen om deel te nemen aan zijn vergaderingen.

  • 4. Het presidium heeft in ieder geval de volgende taken:

    • a.

      het houden van toezicht op de organisatie en het functioneren van de raad;

    • b.

      het doen van aanbevelingen en verbetervoorstellen aan de raad over de onder a genoemde taak;

    • c.

      het organiseren van buiten-BOB-bijeenkomsten ten behoeve van de onder a genoemde taak;

    • d.

      het doen van voorstellen aan de raad inzake de benoeming van personen;

    • e.

      het bevorderen van de integriteit van het lokale bestuur;

    • f.

      het voorbereiden van het jaarlijkse vergaderschema.

  • 5. De voorzitter van de raad is de voorzitter van het presidium. Het presidium wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

  • 6. Het presidium vergadert eenmaal per raadscyclus of zo vaak een meerderheid van de leden van het presidium dat nodig acht.

  • 7. De voorzitter stelt samen met de griffier de voorlopige agenda op.

  • 8. De vergaderingen van het presidium vinden alleen doorgang als er, naast de voorzitter, van meer dan de helft van het aantal fracties dat zitting heeft in het presidium een vertegenwoordiger aanwezig is.

  • 9. In het presidium wordt gestreefd naar unanieme besluitvorming. In uitzonderingsgevallen worden besluiten genomen bij meerderheid van stemmen. Elke fractievoorzitter of diens plaatsvervanger heeft één stem. De voorzitter en griffier hebben geen stemrecht. Bij het staken van de stemmen beslist de voorzitter.

  • 10. De vergaderingen van het presidium vinden plaats in beslotenheid.

  • 11. De besluitenlijst van het presidium is openbaar, behoudens de onderdelen waarop geheimhouding is gelegd.

Artikel 5. De agendacommissie

  • 1. Er is een agendacommissie die bestaat uit de voorzitter van de raad, de commissievoorzitters, de griffier en de commissiegriffiers.

  • 2. Een fractie is met maximaal één lid vertegenwoordigd tijdens vergaderingen van de agendacommissie.

  • 3. De agendacommissie kan anderen uitnodigen om deel te nemen aan haar vergaderingen.

  • 4. De agendacommissie heeft in ieder geval de volgende taken:

    • a.

      het voorbereiden en vaststellen van de voorlopige agenda’s van de beeldvormende en oordeelsvormende commissievergaderingen;

    • b.

      het beoordelen van aanvragen en het doen van voorstellen voor agendering;

    • c.

      het organiseren van extra commissievergaderingen;

    • d.

      het organiseren van buiten-BOB-bijeenkomsten op verzoek van de raad, het college en de Rekenkamer;

    • e.

      het bewaken en uitvoeren van de langetermijnagenda.

  • 5. De agendacommissie benoemt een voorzitter uit haar midden.

  • 6. De agendacommissie vergadert eenmaal per raadscyclus of zo vaak de agendacommissie het nodig acht.

  • 7. De commissiegriffiers stellen de voorlopige agenda op.

  • 8. De vergaderingen van de agendacommissie vinden alleen doorgang als meer dan de helft van het aantal commissievoorzitters aanwezig is.

  • 9. In de agendacommissie wordt gestreefd naar unanieme besluitvorming. In uitzonderingsgevallen worden besluiten genomen bij meerderheid van stemmen. Elke commissievoorzitter heeft één stem. De voorzitter van de raad, griffier en commissiegriffiers hebben geen stemrecht. Bij het staken van de stemmen beslist de voorzitter.

  • 10. De vergaderingen van de agendacommissie vinden plaats in beslotenheid.

  • 11. De besluitenlijst van de agendacommissie is openbaar.

Artikel 6. De geloofsbrievencommissie

  • 1. Bij aanvang van de bestuursperiode benoemt de raad een geloofsbrievencommissie bestaande uit drie raadsleden, plus één reservelid, van verschillende fracties.

  • 2. De geloofsbrievencommissie heeft de volgende taken:

    • a.

      het onderzoeken van de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken bij de toelating van raadsleden, benoeming van wethouders en benoeming van commissieleden;

    • b.

      het onderzoeken van het proces-verbaal van het centraal stembureau in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de gemeenteraadsverkiezingen.

  • 3. De geloofsbrievencommissie benoemt een voorzitter uit haar midden.

  • 4. De commissie brengt, bij monde van haar voorzitter of schriftelijk, advies uit aan de raad over de onder het tweede lid genoemde taken. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies. De raad neemt vervolgens een besluit.

  • 5. Als een kandidaat-wethouder zelf lid is van de geloofsbrievencommissie, benoemt de raad uit zijn midden een vervanger voor de duur van het proces.

Artikel 7. Toelating raadsleden

  • 1. Raadsleden dienen te voldoen aan de vereisten van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet.

  • 2. Na gemeenteraadsverkiezingen neemt de raad in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling een besluit over het rechtmatige verloop van de verkiezingen, de vaststelling van de uitslag en de toelating van de benoemd verklaarde raadsleden. Dit gebeurt op basis van het advies van de geloofsbrievencommissie zoals bedoeld in artikel 6 van dit reglement onder b van het tweede lid. Vervolgens roept de voorzitter van de raad de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 3. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter van de raad een benoemd verklaard raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om daar de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

Artikel 8. Benoeming wethouders

  • 1. Wethouders dienen te voldoen aan de vereisten van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid, van de Gemeentewet.

  • 2. De burgemeester geeft opdracht om voor de aanvang van iedere ambtstermijn de kandidaat-wethouder aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad, inclusief eventuele beheersmaatregelen en de wijze van monitoring daarvan.

  • 3. Vooraf aan de benoeming van een nieuw te benoemen wethouder vindt een kennismakingsgesprek met de raad plaats.

  • 4. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen leggen kandidaat-wethouders in een raadsvergadering de eed of verklaring en belofte af.

Artikel 9. Benoeming commissieleden (niet-zijnde raadsleden)

  • 1. Fracties mogen zich laten ondersteunen door commissieleden, niet-zijnde raadsleden.

  • 2. De vereisten voor raadsleden, zoals benoemd in artikel 7 van dit reglement onder het eerste lid, zijn overeenkomstig van toepassing op commissieleden.

  • 3. Een fractie heeft maximaal vier commissieleden.

  • 4. Een groep heeft maximaal één commissielid.

  • 5. Commissieleden worden benoemd door de raad op voordracht van een fractie.

  • 6. Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen leggen commissieleden in een raadsvergadering de eed of verklaring en belofte af.

  • 7. Commissieleden kunnen deelnemen aan beeldvormende en oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissies, vergaderingen van de auditcommissie en andere bijeenkomsten waarvoor zij door het presidium of de agendacommissie worden uitgenodigd.

Artikel 10. Zittingsduur commissieleden

  • 1. Het commissielidmaatschap eindigt:

    • a.

      met het einde van de zittingsperiode van de raad;

    • b.

      als niet meer wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in artikel 9 van dit reglement onder het tweede lid;

    • c.

      als de raad een commissielid ontslaat op voordracht van de fractie die het commissielid heeft voorgedragen voor benoeming of, in uitzonderlijke gevallen, op voordracht van het presidium;

    • d.

      als het commissielid niet langer is aangesloten bij de fractie die het commissielid heeft voorgedragen, hetgeen ook van toepassing is bij afsplitsingen;

    • e.

      als de fractie die een commissielid heeft voorgedragen niet langer vertegenwoordigd is in de raad;

  • 2. Een commissielid kan te allen tijde ontslag nemen. Hij doet hiervan – via de griffier – schriftelijk mededeling aan de voorzitter van de raad. Het ontslag gaat per direct in.

Artikel 11. Fracties

  • 1. Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard worden bij de aanvang van de zittingsperiode als één fractie beschouwd.

  • 2. Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad zal voeren.

  • 3. Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.

  • 4. De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter van de raad.

Artikel 12. Wijzigingen in fracties

  • 1. Er wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter van de raad als:

    • a.

      twee of meer fracties als één fractie gaan optreden onder de naam en organisatie van een fractie zoals bedoeld in artikel 11 van dit reglement onder het eerste lid;

    • b.

      één of meer leden van één fractie zich aansluiten bij een andere fractie;

    • c.

      één of meer leden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden.

  • 2. Als één of meer raadsleden zelfstandig gaan optreden wordt deze nieuwe fractie beschouwd als ‘groep’.

  • 3. Bij wijzigingen in fracties zoals bedoeld in het eerste lid wordt de bijdrage fractieondersteuning aangepast aan de nieuwe situatie op basis van de Verordening op de ambtelijke bijstand en fractieondersteuning.

  • 4. Indien niet duidelijk is na een splitsing van een fractie welk deel kan worden beschouwd als voortzetting van een fractie als bedoeld in artikel 11 van dit reglement onder het eerste lid, bepaalt het bestuur van de politieke groepering die de kandidatenlijst bij het centraal stembureau heeft ingeleverd welk deel als voortzetting van een fractie wordt beschouwd.

Artikel 13. Groepen

In dit reglement mag, waar wordt verwezen naar fracties, ook groepen worden gelezen, met dien verstande dat een fractie die overeenkomstig artikel 12 van dit reglement als groep wordt beschouwd:

  • a.

    niet vertegenwoordigd kan zijn binnen het presidium, zoals bepaald in dit reglement in artikel 4 onder het eerste lid;

  • b.

    zich door slechts één commissielid, niet-zijnde raadslid, mag laten ondersteunen, zoals bepaald in dit reglement in artikel 9 onder het vierde lid.

Artikel 14. Instelling en taken raadscommissies

  • 1. De raad stelt raadscommissies in op grond van artikel 82 van de Gemeentewet.

  • 2. De raad organiseert beeldvormende en oordeelsvormende commissievergaderingen.

  • 3. Een raadscommissie heeft de volgende taken:

    • a.

      het voorbereiden van besluitvorming door de gemeenteraad middels beeldvorming en meningsvorming;

    • b.

      het adviseren van de gemeenteraad over de onderwerpen waarop haar werkzaamheden betrekking hebben, onder meer ter voorbereiding op besluitvorming door de gemeenteraad;

    • c.

      het voeren van overleg met het college en de burgemeester over de onder a en b genoemde onderwerpen en door het college en de burgemeester verstrekte inlichtingen;

    • d.

      het formuleren van wensen en bedenkingen voor het college aangaande een voorgenomen collegebesluit.

  • 4. Indien de raadscommissie een advies aan de raad uitbrengt over een voorstel, wordt in het advies opgenomen of het voorstel door kan als hamerstuk of bespreekstuk naar de raad. In het geval van een bespreekstuk wordt aangegeven over welke aspecten van het voorstel nader het woord gevoerd zal worden in de raadsvergadering.

Artikel 15. Deelname raadscommissies

  • 1. Aan beeldvormende en oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissies kunnen zowel raadsleden als commissieleden, niet-zijnde raadsleden, deelnemen.

  • 2. Een fractie mag met maximaal twee leden aan tafel en met maximaal vier personen totaal deelnemen aan vergaderingen van een raadscommissie.

  • 3. De agendacommissie kan besluiten om voor specifieke bijeenkomsten van de raadscommissies de deelname van meer dan twee leden per fractie aan tafel toe te staan.

  • 4. Een fractie kan per agendapunt wisselen van deelnemers aan tafel.

  • 5. Dit artikel is overeenkomstig van toepassing op buiten-BOB-bijeenkomsten.

Artikel 16. De commissievoorzitters

  • 1. De raadscommissies worden voorgezeten door een raadslid. Bij aanvang van de zittingsperiode benoemt de raad:

    • a.

      een vaste voorzitter voor elke raadscommissie die in ieder geval de oordeelsvormende vergaderingen van die raadscommissie voorzit;

    • b.

      een vaste plaatsvervangend voorzitter voor de onder a beschreven functies;

    • c.

      een aanvullende voorzitterspool waarvoor minimaal vier leden worden benoemd.

  • 2. Bij de benoeming van de commissievoorzitters streeft de raad naar een evenwichtige verdeling over de fracties.

  • 3. Wanneer een positie van een vaste (plaatsvervangend) commissievoorzitter tussentijds vacant wordt, benoemt de raad in de eerstvolgende raadsvergadering een nieuwe commissievoorzitter.

  • 4. Commissievoorzitters zijn geen lid van de raadscommissie die zij voorzitten.

  • 5. De raad kan besluiten om de benoeming van een commissievoorzitter in te trekken.

  • 6. De zittingsperiode van een commissievoorzitter eindigt in ieder geval aan het einde van de zittingsperiode van de raad.

Artikel 17. De commissiegriffier

  • 1. Een raadscommissie wordt bijgestaan door een commissiegriffier.

  • 2. Een commissiegriffier is een op de griffie werkzame ambtenaar en wordt door de griffier aangewezen.

  • 3. Bij verhindering of afwezigheid van een commissiegriffier worden diens taken waargenomen door de griffier of een andere commissiegriffier.

Artikel 18. Vergaderschema

  • 1. De reguliere vergaderingen van de raad vinden periodiek plaats volgens een jaarlijks door de raad vast te stellen vergaderschema.

  • 2. De vergaderingen van de raadscommissies worden in beginsel door de agendacommissie ingepland op de data die daarvoor gereserveerd zijn in het vergaderschema.

  • 3. Als de concept-agenda van een raadscommissie naar het oordeel van de agendacommissie of de concept-agenda van de raadsvergadering naar het oordeel van het presidium redelijkerwijs niet kan worden behandeld binnen de in artikel 19 van dit reglement onder het tweede lid genoemde vergadertijd, kan vooraf worden besloten om gebruik te maken van een uitloopavond.

  • 4. De agendacommissie kan besluiten om de oordeelsvormende vergaderingen van de raadscommissies te combineren in één vergadering, met de kenmerken van een reguliere agenda.

Artikel 19. Locatie en tijd vergaderingen

  • 1. De vergaderingen van de raad en raadscommissies vinden in beginsel plaats op het gemeentehuis.

  • 2. De vergaderingen van de raad en raadscommissies vangen in beginsel aan om 20:00 uur en hebben een beoogde eindtijd van 23:00 uur.

  • 3. Op voorstel van de voorzitter kan de raad(scommissie) besluiten om na 23:00 uur door te gaan met de vergadering.

Artikel 20. Bijzondere, spoedeisende en extra raadsvergaderingen

  • 1. De voorzitter van de raad kan besluiten om in bijzondere gevallen af te wijken van het in artikel 18 onder het eerste lid bedoelde vergaderschema en de in artikel 19 onder het eerste en tweede lid bedoelde vergaderlocatie en -tijd. Hij voert daarover overleg met presidium, tenzij er naar het oordeel van de voorzitter sprake is van een spoedeisende situatie.

  • 2. Indien de voorzitter van de raad het nodig acht of tenminste een vijfde van het aantal raadsleden daar schriftelijk een gemotiveerd verzoek voor indient, kan in afstemming met het presidium een extra raadsvergadering worden ingepland.

Artikel 21. Oproep, agenda en stukken

  • 1. De voorzitter publiceert ten minste tien dagen voor een vergadering de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken in het raadsinformatiesysteem.

  • 2. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na publicatie van de voorlopige agenda een aanvullende agenda opstellen. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering, wordt deze met de daarbij behorende stukken in het raadsinformatiesysteem gepubliceerd.

  • 3. Aanvullende informatie vanuit het college is uiterlijk op de vrijdag voor de vergadering digitaal beschikbaar.

  • 4. De definitieve agenda wordt bij aanvang van de vergadering vastgesteld. Op voorstel van de voorzitter of een aan de vergadering deelnemend raadslid of commissielid kunnen bij de vaststelling van de agenda agendapunten aan de agenda worden afgevoerd en van volgorde worden gewijzigd.

  • 5. Dit artikel is niet van toepassing op beeldvormende commissievergaderingen en buiten-BOB-bijeenkomsten.

Artikel 22. Opbouw reguliere agenda oordeelsvormende commissievergaderingen

Reguliere oordeelsvormende commissievergaderingen hebben in beginsel een vaste agendaopbouw:

  • 1.

    Opening

  • 2.

    Vaststellen agenda

  • 3.

    Vaststellen besluiten- en toezeggingenlijst

  • 4.

    Spreekrecht inwoners

  • 5.

    Vragenhalfuur

  • 6.

    Bespreken voorstellen ter voorbereiding op besluitvorming door de gemeenteraad

  • 7.

    Bespreken andere geagendeerde stukken

  • 8.

    Mededelingen

  • 9.

    Sluiting

Artikel 23. Opbouw reguliere agenda raadsvergadering

Reguliere raadsvergaderingen hebben in beginsel een vaste agendaopbouw:

  • 1.

    Opening

  • 2.

    Moment van stilte

  • 3.

    Vaststellen agenda

  • 4.

    Vaststellen besluiten- en toezeggingenlijst

  • 5.

    Benoemingen

  • 6.

    Spreekrecht inwoners

  • 7.

    Actualiteitendebat

  • 8.

    Hamerstukken

  • 9.

    Bespreekstukken

  • 10.

    Moties vreemd aan de orde

  • 11.

    Lijst ingekomen stukken

  • 12.

    Moment van stilte

  • 13.

    Sluiting

Artikel 24. Openbare kennisgeving

  • 1. Openbare raads- en commissievergaderingen worden ter openbare kennis gebracht door aankondiging in het huis-aan-huisblad en/of op de website van de gemeente.

  • 2. In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend op de website van de gemeente plaatsvinden.

Artikel 25. Intrekken en terugzenden voorstellen aan raad

  • 1. Een voorstel dat is aangeboden aan de raad en vermeld staat op de voorlopige agenda van een raadsvergadering of een oordeelsvormende commissievergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 2. Als de raad van oordeel is dat het nodig is een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug te zenden aan het college, bepaalt de raad door tussenkomst van de agendacommissie binnen welke termijn het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 26. Presentielijst

  • 1. Raads- en commissieleden tekenen bij binnenkomst de presentielijst wanneer zij deelnemen aan de vergadering.

  • 2. De presentielijst wordt door de voorzitter en griffier door ondertekening vastgesteld.

Artikel 27. Quorum

  • 1. Een raadsvergadering wordt niet geopend voordat volgens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zittinghebbende raadsleden aanwezig is.

  • 2. Een oordeelsvormende commissievergadering wordt niet geopend voordat volgens de presentielijst meer dan de helft van het aantal fracties die in de raad zitting hebben aanwezig is.

  • 3. Indien een kwartier na de geplande aanvangstijd het vereiste aantal leden of fracties niet aanwezig is, bepaalt de voorzitter de dag en tijd van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.

  • 4. Voor beeldvormende commissievergaderingen en buiten BOB-bijeenkomsten geldt geen quorum.

Artikel 28. Afwezigheid bij raadsvergaderingen

  • 1. Een raadslid dat een raadsvergadering niet kan bijwonen, meldt dit voor aanvang van de vergadering bij de griffier.

  • 2. Indien een wethouder een raadsvergadering niet kan bijwonen, wordt dit voor aanvang van de vergadering bij de griffier gemeld met daarbij de vermelding door welk collegelid diens portefeuille wordt waargenomen.

Artikel 29. Termijnen

Algemeen

  • 1.

    Beraadslaging over onderwerpen of voorstellen geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad of raadscommissie anders beslist.

  • 2.

    In beeldvormende commissievergaderingen wordt niet gewerkt met termijnen.

Eerste termijn: vragenronde

  • 3.

    De eerste termijn is de vragenronde. In deze ronde kunnen fracties politieke vragen stellen aan het college over het onderwerp.

  • 4.

    Interrupties zijn niet toegestaan in de eerste termijn.

  • 5.

    Raads- en commissieleden mogen verduidelijkende vragen stellen gedurende de beantwoording door de portefeuillehouder.

Tweede termijn: debatronde

  • 6.

    De tweede termijn is de debatronde. In deze termijn kunnen fracties met elkaar in debat gaan over het onderwerp of voorstel.

  • 7.

    Het college en de burgemeester nemen niet deel aan de debatronde, tenzij dit naar oordeel van de voorzitter nodig is of de raad(scommissie) gedurende de beraadslagingen anders besluit.

Artikel 30. Spreektijden

  • 1. In de raadsvergaderingen en oordeelsvormende commissievergaderingen wordt gewerkt met spreektijden. Iedere fractie heeft per vergadering in totaal de beschikking over 15 minuten spreektijd. Op voorstel van de voorzitter kan hiervan worden afgeweken.

  • 2. Indien de spreektijd van een fractie, zoals bedoeld onder het eerste lid, op is, kan nog steeds het woord gevoerd worden over:

    • a.

      het doen van een ordevoorstel, zoals bedoeld in artikel 33 van dit reglement;

    • b.

      het aanvragen van een schorsing, zoals bedoeld in artikel 34 van dit reglement;

    • c.

      het maken van een persoonlijk feit, zoals bedoeld in artikel 35 van dit reglement;

    • d.

      het afgeven van een stemverklaring, zoals bedoeld in artikel 42 van dit reglement;

  • 3. De vastgestelde spreektijd per fractie is niet van toepassing wanneer een raadslid het woord voert voor het verdedigen van een eigen initiatiefvoorstel, zoals bedoeld in 54 van dit reglement.

  • 4. De voorzitter van de raad leest het dictum voor van (sub)amendementen en moties ingediend door een fractie die geen spreektijd meer heeft.

  • 5. In het geval dat een vergadering wordt voortgezet op een uitloopavond, wordt standaard 5 minuten extra spreektijd aan fracties toegekend bovenop de overgebleven spreektijd, zoals door de voorzitter vastgesteld aan het einde van de eerste vergaderavond. In uitzonderlijke gevallen kan de raad(scommissie), op voorstel van de voorzitter, beslissen om tot maximaal 15 minuten extra spreektijd toe te kennen.

Artikel 31. Woordvoering en bijdrage

  • 1. Bij raadsvergaderingen en oordeelsvormende commissievergaderingen geldt dat één vertegenwoordiger van elke fractie per agendapunt het woord mag voeren, tenzij anders besloten door de voorzitter.

  • 2. Een raadslid of commissielid dat zich op grond van artikel 28 van de Gemeentewet dient te onthouden van deelname aan de beraadslagingen over een voorstel, laat dit voorafgaand aan de vergadering weten aan de griffier. Hiervan wordt een aantekening gemaakt in de besluitenlijst.

  • 3. Een spreker voert slechts het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben. Een spreker voert het woord vanaf zijn plaats of vanachter de katheder en richt zich tot de voorzitter.

  • 4. Een spreker voert in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel, tenzij anders besloten door de voorzitter.

  • 5. Bij de bepaling hoeveel keer een spreker over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt het plegen van een interruptie of doen van een ordevoorstel of persoonlijk feit niet meegerekend.

  • 6. Een spreker levert een beknopte bijdrage en valt niet in herhaling.

  • 7. Bij beraadslagingen in raadsvergaderingen over voorstellen die, naar aanleiding van de behandeling in een oordeelsvormende commissievergadering, als bespreekstuk door de raad zijn geagendeerd, worden enkel de aspecten behandeld die:

    • a.

      overeenkomstig artikel 14, lid 4, van dit reglement tijdens de commissievergadering zijn genoemd als nadere bespreekpunten;

    • b.

      bij het vaststellen van de agenda in de raadsvergadering aanvullend door de fracties zijn aangedragen;

    • c.

      onderdeel vormen van amendementen en moties die bij het betreffende voorstel zijn ingediend;

    • d.

      naar het goedbevinden van de voorzitter van de raad aanvullend aan de orde worden gesteld tijdens de beraadslagingen.

  • 8. Het is in de regel niet mogelijk om te interrumperen op een interruptie. De voorzitter kan hiervan afwijken.

Artikel 32. Handhaving van orde

  • 1. De voorzitter handhaaft de orde.

  • 2. De voorzitter bepaalt wie op welk moment het woord voert en kan sprekers het woord ontnemen.

  • 3. Indien een spreker zich, ter beoordeling aan de voorzitter, beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de beraadslaging over dat onderwerp het woord ontnemen.

  • 4. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en – indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord – de vergadering sluiten.

  • 5. De voorzitter kan de raad of raadscommissie voorstellen om aan een raadslid of commissielid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming van het voorstel verlaat het raadslid of commissielid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig laat de voorzitter hem verwijderen.

  • 6. Na herhaling van de in het vijfde lid bedoelde gedragingen kan het raadslid of commissielid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. De raad neemt hierover een besluit op voorstel van de voorzitter van de raad en na afstemming in het presidium. In de raadsvergadering wordt niet over het voorstel beraadslaagd.

Artikel 33. Ordevoorstel

  • 1. Raads- en commissieleden die deelnemen aan de vergadering kunnen tijdens de vergadering mondeling een ordevoorstel betreffende de vergadering doen.

  • 2. De raad of raadscommissie beslist terstond over ordevoorstellen. Bij het staken van de stemmen is het ordevoorstel verworpen.

Artikel 34. Schorsingen

Op voorstel van de voorzitter of op verzoek van een lid van de raad of raadscommissie kan worden besloten om een vergadering voor een door de voorzitter vast te stellen tijd te schorsen.

Artikel 35. Persoonlijk feit

  • 1. De voorzitter stelt een lid van de raad, de raadscommissie of het college, dat het woord voor een persoonlijk feit verlangt, in de gelegenheid een beknopte aanduiding van dat feit te geven.

  • 2. Een persoonlijk feit moet betrekking hebben op een bejegening van een lid tijdens de vergadering, die als kwetsend of schadelijk wordt ervaren.

  • 3. De beslissing of iets een persoonlijk feit is, wordt door de voorzitter genomen.

Artikel 36. Besluit

  • 1. De voorzitter sluit de beraadslaging als hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is besproken, tenzij de raad anders beslist.

  • 2. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over het te nemen besluit.

Artikel 37. Stemmingen

  • 1. Stemming vindt plaats via de elektronische weg, en indien dat niet mogelijk is via handopsteken.

  • 2. Een raadslid dat zich op grond van artikel 28 van de Gemeentewet dient te onthouden van deelname aan een stemming, laat dit voorafgaand aan de vergadering weten aan de griffier. Hiervan wordt een aantekening gemaakt in de besluitenlijst.

  • 3. De voorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Is dit niet het geval, dan stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

  • 4. Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in de besluitenlijst vragen dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd.

  • 5. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit.

  • 6. Een raadslid dat zich bij stemmen heeft vergist, kan deze vergissing herstellen tot het moment dat de voorzitter aangeeft dat de stemming gesloten wordt en de uitslag is vastgesteld.

  • 7. Als een raadslid zijn vergissing niet tijdig heeft hersteld, kan hij na afloop van de stemming vragen om aantekening dat hij zich heeft vergist. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.

  • 8. In een oordeelsvormende commissievergadering vinden alleen stemmingen plaats over geheimhouding en ordevoorstellen.

  • 9. In beeldvormende commissievergaderingen en buiten-BOB-bijeenkomsten vinden geen stemmingen plaats.

Artikel 38. Hoofdelijke stemming

  • 1. Stemmingen vinden hoofdelijk plaats indien een raadslid daarom verzoekt. Dit gebeurt digitaal, waarbij de griffier de uitslag per raadslid op het scherm toont. Indien stemming via de elektronische weg niet mogelijk is, is de procedure zoals beschreven in het tweede, derde en vierde lid van toepassing.

  • 2. Bij een niet-elektronische hoofdelijke stemming worden raadsleden door de griffier hoofdelijk opgeroepen te stemmen. Ieder lid brengt hierbij mondeling zijn stem uit met de woorden ‘voor’ of ‘tegen’.

  • 3. Voor de stemming wordt door het lot beslist bij welk lid op de presentielijst de oproeping begint.

  • 4. Een raadslid dat zich tijdens een hoofdelijke stemming heeft vergist, kan deze vergissing slechts herstellen voordat het volgende raadslid heeft gestemd.

Artikel 39. Stemmingen over personen

Stemmingen over personen

  • 1.

    Stemmingen over benoemingen, aanbevelingen en voordrachten van personen vinden schriftelijk plaats.

  • 2.

    Bij stemmingen over personen benoemt de voorzitter drie raadsleden tot stembureau. Personen die onderwerp van stemming zijn kunnen niet lid zijn van het stembureau. Het stembureau benoemt uit zijn midden een voorzitter. Het stembureau wordt bijgestaan door de griffier.

  • 3.

    Bij schriftelijke stemmingen is ieder ter vergadering aanwezig raadslid verplicht zijn stem uit te brengen, behoudens de leden die zich op grond van artikel 28 van de Gemeentewet moeten onthouden van deelname aan de stemming.

  • 4.

    Raadsleden brengen hun stem uit door een stembriefje in te vullen in lijn met de aanwijzingen op het stembriefje.

  • 5.

    Het stembureau controleert of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal raadsleden dat op grond van het derde lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt er een nieuwe stemming gehouden.

  • 6.

    Als het juiste aantal stembriefjes is ingeleverd, opent de voorzitter van het stembureau de briefjes. Stembriefjes moeten overeenkomstig de aanwijzingen zijn ingevuld. Niet, verkeerd of onvoldoende duidelijk ingevulde stembriefjes worden aangemerkt als ongeldige stem.

  • 7.

    Het stembureau stelt de uitslag gezamenlijk vast. De voorzitter van het stembureau doet hiervan mededeling in de vergadering. Na vaststelling van de uitslag worden de stembriefjes onder de zorg van de griffier vernietigd.

  • 8.

    De raad kan tijdens de vergadering beslissen dat zich bij een stemming een onregelmatigheid heeft voorgedaan die van invloed heeft kunnen zijn op de uitslag. In dat geval is de stemming nietig en vindt onmiddellijk een nieuwe stemming plaats.

Herstemming over personen en loting

  • 9.

    Wanneer bij een meervoudige voordracht niemand bij de eerste stemming een volstrekte meerderheid heeft verkregen, vindt direct een tweede stemming plaats.

  • 10.

    Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, vindt een derde stemming plaats over de twee personen die bij de tweede stemming de meeste stemmen hebben verkregen. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt over welke twee personen de derde stemming plaats zal vinden.

  • 11.

    Als bij de tussenstemming of de derde stemming de stemmen staken, vindt een loting plaats.

  • 12.

    Bij de onder het elfde lid bedoelde loting worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben door de voorzitter van het stembureau op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven. Deze briefjes worden, nadat zij door de andere twee leden van het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembus gedeponeerd en omgeschud. Vervolgens neemt de voorzitter één briefje uit de stembus. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt is gekozen.

Artikel 40. Staken van stemmen

  • 1. Wanneer bij stemmingen, niet zijnde stemmingen over personen, de stemmen staken en de raad is voltallig, is het voorstel niet aangenomen.

  • 2. Is de raad niet voltallig, dan wordt de beslissing over het voorstel uitgesteld naar een volgende vergadering, waarin op voorstel van de voorzitter ook de beraadslagingen mogen worden heropend.

  • 3. Staken de stemmen opnieuw, dan is, ongeacht of de raad voltallig is, het voorstel verworpen.

  • 4. Onder een voltallige raad wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit de raad bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

  • 5. Wanneer de stemmen staken in een oordeelsvormende commissievergadering, wordt het voorstel verworpen.

Artikel 41. Volgorde stemming over amendementen en moties

  • 1. Als op een aanhangig voorstel amendementen zijn ingediend, wordt eerst over die amendementen gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.

  • 2. Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.

  • 3. Als meerdere amendementen of subamendementen op eenzelfde gedeelte van een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. Indien het meest verstrekkende amendement wordt aangenomen, wordt er niet meer over de minderverstrekkende amendementen gestemd.

  • 4. Als meerdere moties over hetzelfde onderwerp zijn ingediend, wordt eerst over de meest verstrekkende motie gestemd. Indien de meest verstrekkende motie wordt aangenomen, wordt er niet meer over de minderverstrekkende motie gestemd.

  • 5. Als bij een voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie.

  • 6. De raad kan besluiten van deze volgorde af te wijken.

Artikel 42. Stemverklaring

  • 1. Nadat de raad gestemd heeft, kunnen raadsleden hun stemgedrag kort toelichten.

  • 2. Een stemverklaring dient te zijn beperkt tot een korte uitleg over de stem. Een stemverklaring mag niet het karakter hebben van een termijn.

Artikel 43. Besluitenlijst en toezeggingen

  • 1. De griffier draagt zorg voor een besluiten- en toezeggingenlijst van de vergaderingen van de raad en het presidium.

  • 2. De commissiegriffiers dragen zorg voor besluiten- en toezeggingenlijst van de oordeelsvormende commissievergaderingen, agendacommissie en auditcommissie.

  • 3. De conceptversie van een besluiten- en toezeggingenlijst wordt in de eerstvolgende vergadering van het respectievelijke gremium vastgesteld. Na vaststelling wordt de besluiten- en toezeggingenlijst door de voorzitter en griffier ondertekend.

Artikel 44. Audio-video verslag en beeldregistraties door derden

  • 1. Van openbare raadsvergaderingen, oordeelsvormende commissievergaderingen en in de regel van beeldvormende commissievergaderingen worden geluid- en beeldregistraties gemaakt. Deze vergaderingen worden live uitgezonden en na afloop beschikbaar gesteld via het raadsinformatiesysteem.

  • 2. Anderen die van een openbare vergadering geluid- of beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen.

Artikel 45. Ingekomen stukken

  • 1. Bij de raad ingekomen stukken worden op een lijst voor ingekomen stukken geplaatst voor de eerstvolgende raadsvergadering indien deze:

    • a.

      direct zijn gericht aan de gemeenteraad van Krimpenerwaard;

    • b.

      door een herleidbaar persoon zijn ondertekend of toegezonden (inclusief contactgegevens).

  • 2. De raad stelt op voorstel van de voorzitter de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

  • 3. Over stukken op de lijst van ingekomen stukken vindt in de raadsvergadering geen inhoudelijke bespreking plaats.

  • 4. De griffie ziet toe op de naleving van de vastgestelde afdoening.

  • 5. Indien er vragen zijn of behoefte is aan bespreking van een ingekomen stuk in een raadscommissie dient een fractie hiervoor een verzoek in bij de agendacommissie middels het daarvoor beschikbaar gestelde format.

Artikel 46. Toehoorders en pers

  • 1. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen en commissievergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen.

  • 2. Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers gedragen zich naar de aanwijzingen van de voorzitter, geven geen tekenen van goed- of afkeuring en verstoren ook niet op een andere manier de orde.

  • 3. De voorzitter is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.

  • 4. De voorzitter van de raad is bevoegd om toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

Artikel 47. Spreekrecht inwoners

  • 1. Inwoners kunnen in een raadsvergadering het woord voeren over onderwerpen die geagendeerd zijn.

  • 2. Inwoners kunnen in een oordeelsvormende commissievergadering het woord voeren over zowel geagendeerde als niet-geagendeerde onderwerpen die het beleidsterrein van de raadscommissie betreffen.

  • 3. De voorzitter bepaalt of een inspreker het woord krijgt bij het agendapunt ‘Spreekrecht inwoners’ of dat diens bijdrage wordt behandeld voorafgaand aan de inhoudelijke bespreking van het onderwerp of voorstel waarop diens inspraakreactie betrekking heeft.

  • 4. Het woord kan niet gevoerd worden over:

    • a.

      een besluit van het gemeentebestuur waartegen bezwaar of beroep bij de rechter openstaat of heeft opengestaan;

    • b.

      benoemingen, keuzen, voordrachten, aanbevelingen of ontslag van personen;

    • c.

      een klacht die op grond van het Klachtenprotocol dan wel een melding op grond van de Gedragscode kan of kon worden ingediend;

    • d.

      ingekomen stukken;

    • e.

      moties vreemd vermeld op de agenda van de raadsvergadering;

    • f.

      een onderwerp waarover afgelopen 12 maanden al is ingesproken tijdens een vergadering van een raadscommissie of raad en niet van nieuwe feiten of omstandigheden is gebleken, zulks ter beoordeling door de voorzitter op voorspraak van de griffie of ambtelijke organisatie.

  • 5. Een inwoner die van het spreekrecht gebruik wil maken meldt dit uiterlijk 12:00 uur op de dag van de vergadering aan de griffie. Hij vermeldt daarbij zijn naam, adres, telefoonnummer en het onderwerp waarover hij het woord wil voeren. Indien van toepassing, vermeldt hij namens welke organisatie hij wil komen inspreken.

  • 6. De maximumduur van het spreekrecht bedraagt 30 minuten. Elke inspreker krijgt maximaal 5 minuten het woord. De voorzitter kan in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.

  • 7. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering.

  • 8. Insprekers voeren het woord vanaf een door de voorzitter aangewezen plaats.

  • 9. Het is de inspreker niet toegestaan om namen te noemen tijdens zijn spreektijd of op te nemen in een inspreektekst. De inspreker dient zich te beperken tot de inhoud.

  • 10. Na afloop van diens bijdrage krijgen deelnemers van de vergadering de gelegenheid om korte, verhelderende vragen te stellen aan de inspreker. Er vindt geen discussie plaats.

  • 11. In overleg met de inspreker kan diens inspraakreactie na de vergadering schriftelijk op het raadsinformatiesysteem worden geplaatst.

  • 12. Tegen het afwijzen van het verzoek om in te mogen spreken bestaat geen mogelijkheid van bezwaar.

  • 13. Tijdens het inspreken is het toegestaan om beeld- en/of geluidsmateriaal te gebruiken. Dit materiaal dient direct bij aanmelding te worden aangeleverd bij de griffie. De voorzitter en griffier toetsen het aangeleverde materiaal op goede zeden en respectvol beeld.

Artikel 48. Aanbieden petitie aan gemeenteraad

  • 1. Inwoners kunnen een schriftelijke petitie aanbieden aan de gemeenteraad. Een petitie kan in ontvangst worden genomen voorafgaand aan een oordeelsvormende vergadering van de raadscommissie, die over het betreffende onderwerp gaat, door de commissievoorzitter of op verzoek door de voorzitter van de raad.

  • 2. Een petitie zoals bedoeld in het eerste lid dient te voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de aanbieder van de petitie is een ingezetene van de gemeente van 14 jaar of ouder;

    • b.

      de petitie bevat een omschrijving van het onderwerp dat onder de aandacht wordt gebracht;

    • c.

      de petitie is voorzien van ten minste 30 namen met handtekeningen van ingezetenen die voldoen aan de onder a gestelde voorwaarde;

    • d.

      de petitie is niet eerder aangeboden aan en in ontvangst genomen door de gemeenteraad in de afgelopen 12 maanden.

  • 3. Een inwoner die een petitie wil aanbieden meldt dit uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering aan de griffie. De petitie en handtekeningen dienen digitaal te worden aangeleverd onder vermelding van de naam, geboortedatum, het adres en het telefoonnummer van de aanbieder.

  • 4. De commissiegriffier controleert of de petitie voldoet aan de onder het tweede lid genoemde voorwaarden. Indien dat niet het geval is, kan de petitie niet in ontvangst worden genomen. Tegen het afwijzen van het verzoek om een petitie aan te mogen bieden aan de raad bestaat geen mogelijkheid van bezwaar.

  • 5. De aanbieder van de petitie wordt in de gelegenheid gesteld om deze toe te lichten in de onder het eerste lid bedoelde vergadering. Per petitie kan één inwoner het woord voeren. Daarvoor gelden de bepalingen voor het spreekrecht inwoners, zoals vastgelegd in artikel 47 van dit reglement.

  • 6. De petitie wordt opgenomen op de lijst van ingekomen stukken zoals bedoeld in artikel 45 van dit reglement.

Artikel 49. Deelname vergaderingen door anderen

De raad(scommissie) kan besluiten dat anderen mogen deelnemen aan de beraadslaging.

Artikel 50. Toepassing reglement op besloten vergaderingen

  • 1. De raad en raadscommissies kunnen met gesloten deuren vergaderen wanneer ten minste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

  • 2. Op besloten vergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.

  • 3. Mondelinge informatie die in een besloten vergadering van de raad of een (raads)commissie ter kennis van de aanwezigen komt, is geheim, tenzij de raad of raadscommissie anders beslist.

  • 4. Van een besloten vergadering van de raad of een raadscommissie wordt een afzonderlijk audio-video verslag gemaakt.

Artikel 51. Geheimhouding

Besloten vergaderingen en geheimhouding bij mondelinge informatie

  • 1.

    Mondelinge informatie die in een besloten vergadering van de raad of een raadscommissie ter kennis van de aanwezigen komt, is geheim, tenzij de raad of raadscommissie anders beslist.

  • 2.

    Van een besloten vergadering van de raad en een raadscommissie wordt een afzonderlijk audio-video verslag gemaakt, met uitzondering van vergaderingen van besloten commissies als het presidium, de agendacommissie, vertrouwenscommissie en werkgeverscommissie.

  • 3.

    Van een besloten vergadering wordt een afzonderlijke besluiten- en toezeggingenlijst gemaakt. Deze wordt in een vergadering van het respectievelijke gremium vastgesteld.

  • 4.

    Het audio-video verslag van een besloten vergadering is voor raads- en commissieleden raadpleegbaar via de griffie. De besluiten- en toezeggingenlijst wordt digitaal via een besloten systeem aan raads- en commissieleden ter beschikking gesteld.

  • 5.

    De raad of de raadscommissie, die de besluiten- en toezeggingenlijst van een besloten vergadering heeft vastgesteld, kan besluiten om de geheimhouding hierop op te heffen en deze openbaar te maken.

Geheimhouding bij schriftelijke informatie

  • 6.

    De raad, het college, de burgemeester en een (raads)commissie kunnen op grond van hoofdstuk Va van de Gemeentewet (artikel 87 t/m 89) een verplichting tot geheimhouding opleggen ten aanzien van schriftelijke informatie die bij dat orgaan berust.

  • 7.

    Informatie waar geheimhouding is opgelegd, wordt digitaal via een besloten systeem ter beschikking gesteld.

  • 8.

    Indien het college informatie waarop geheimhouding is opgelegd deelt met individuele raadsleden, dan moet deze informatie beschikbaar komen voor alle raadsleden. Dit geldt niet indien de informatie waarop geheimhouding is gelegd gedeeld wordt in besloten commissies zoals het presidium, de vertrouwenscommissie en de werkgeverscommissie.

  • 9.

    Informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waarop geheimhouding is opgelegd, wordt ook verstrekt aan commissieleden, met uitzondering van informatie die betrekking heeft op individuele personen.

  • 10.

    Informatie waarop geheimhouding is gelegd mag niet worden gedeeld en besproken met steunfractieleden.

  • 11.

    Indien informatie waarop geheimhouding is opgelegd met de raad is gedeeld, is alleen de raad nog bevoegd de kring van geheimhouders uit te breiden. De raad geeft het college echter de mogelijkheid om na het verstrekken van informatie waarop geheimhouding is gelegd aan de raad alsnog zelf de kring van geheimhouders uit te breiden als dit voor het dagelijks bestuur van de gemeente noodzakelijk is. Het college stelt de raad hiervan dan zo spoedig mogelijk via de griffie op de hoogte.

Opheffen geheimhouding bij schriftelijke informatie

  • 12.

    De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt indien de raad de verplichting tot geheimhouding opheft.

  • 13.

    De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan een raadscommissie verstrekte informatie vervalt indien raadscommissie of de raad de verplichting tot geheimhouding opheft.

  • 14.

    Indien de geheimhouding voor een bepaalde periode is opgelegd, vervalt de geheimhouding zonder verder besluit na de op de informatie vermelde einddatum geheimhouding.

  • 15.

    Als de raad of raadscommissie voornemens is de geheimhouding van aan de raad of raadscommissie verstrekte informatie op te heffen, wordt, als het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd daarom verzoekt, daarover in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

  • 16.

    Een verzoek tot openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) moet worden doorgeleid naar de raad als het gaat om aan de raad verstrekte informatie waar geheimhouding op ligt. De raad beslist of de geheimhouding kan worden opgeheven alvorens door het college op het Woo-verzoek wordt beslist.

Artikel 52. Moties

  • 1. Raadsleden dienen moties – via de griffier – in bij de voorzitter. Dit gebeurt digitaal met gebruikmaking van het daarvoor opgestelde format.

  • 2. Raadsleden kunnen een motie indienen bij een onderwerp of voorstel dat op de agenda staat. De behandeling ervan vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het betreffende overwerp of voorstel.

  • 3. Een motie over een op de agenda vermeld onderwerp of voorstel wordt alleen in behandeling genomen als:

    • a.

      deze in principe vóór 16:00 uur op de dag voorafgaand aan de vergadering is ingediend;

    • b.

      er gehoord de beraadslagingen, aanleiding is om een aangepaste of nieuwe motie ter vergadering in te dienen, zulks ter beoordeling van de voorzitter.

  • 4. Raadsleden kunnen een motie indienen over een niet op de agenda opgenomen onderwerp of voorstel. De behandeling van een dergelijke ‘motie vreemd’ vindt in de regel plaats bij het gelijkluidende agendapunt.

  • 5. Een motie vreemd wordt alleen in behandeling genomen als:

    • a.

      deze vóór 16:00 uur op de dag voorafgaand aan de vergadering is ingediend;

    • b.

      de inhoud ervan betrekking heeft op een actueel onderwerp, waarvan de behandeling niet kan worden uitgesteld tot de raadscommissie en/of waarvoor geen ander instrument bestaat om het aan de orde te stellen, zulks ter beoordeling van de voorzitter.

  • 6. In afwijking van het onder a van zowel het derde als vijfde lid bepaalde, kunnen moties van treurnis, afkeuring en wantrouwen ook buiten de genoemde termijn worden ingediend.

  • Moties worden in beginsel direct gepubliceerd op het raadsinformatiesysteem. Dit is niet van toepassing op moties van treurnis, afkeuring en wantrouwen. Deze worden pas gepubliceerd wanneer deze in de vergadering worden behandeld.

  • 7. Er wordt alleen beraadslaagd over moties die (mede-)ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben en aanwezig zijn.

  • 8. Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de beraadslaging daarover door de raad is afgerond.

  • 9. Een motie wordt geacht te zijn vervallen indien deze niet in stemming is gebracht in de eerstvolgende vergadering nadat deze op initiatief van de indiener(s) is aangehouden.

  • 10. Een motie van treurnis, afkeuring of wantrouwen kan niet worden aangehouden.

  • 11. Een motie waar een stemming over heeft plaatsgevonden kan niet opnieuw worden ingediend, tenzij de stemming meer dan 12 maanden geleden heeft plaatsgevonden of er naar het oordeel van de voorzitter ontwikkelingen of omstandigheden zijn die het indienen van dezelfde motie of een motie van gelijkluidende strekking rechtvaardigen.

  • 12. Voordat het college of de burgemeester een bestuurlijke reactie geeft op een motie, vraagt de voorzitter eerst een feitelijke technische reactie op de uitvoerbaarheid van de motie.

Artikel 53. Amendementen en subamendementen

  • 1. Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben – via de griffier – in bij de voorzitter. Dit gebeurt digitaal met gebruikmaking van het daarvoor opgestelde format, tenzij de voorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.

  • 2. Een amendement of subamendement dient naar de vorm geschikt te zijn om direct te worden opgenomen in het conceptbesluit of het amendement, waarop het betrekking heeft.

  • 3. Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die (mede-)ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben en aanwezig zijn.

  • 4. Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de beraadslaging daarover door de raad is afgerond.

  • 5. Voordat het college of de burgemeester een bestuurlijke reactie geeft op een (sub)amendement, vraagt de voorzitter eerst een feitelijke technische reactie op de uitvoerbaarheid van het (sub)amendement.

Artikel 54. Initiatiefvoorstel

  • 1. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel indienen met gebruikmaking van het daarvoor opgestelde format.

  • 2. Een initiatiefvoorstel bevat in ieder geval:

    • a.

      een omschrijving van de aanleiding, het doel en de inhoud van het voorstel;

    • b.

      een of meerdere onderbouwde argumenten en mogelijke kanttekeningen en alternatieven;

    • c.

      een onderbouwde kostenraming of financiële dekking;

    • d.

      indien relevant, een participatieverslag;

    • e.

      een ontwerp-raadsbesluit;

    • f.

      indien relevant, een uitwerking van of richtlijnen voor een vast te stellen verordening, regeling of ander document.

  • 3. Een ontwerp-raadsbesluit van een initiatiefvoorstel bevat:

    • a.

      geen oproep aan het college;

    • b.

      geen waardeoordeel;

    • c.

      geen beslispunt waar de raad de afgelopen 12 maanden al een besluit over heeft genomen.

  • 4. De griffier controleert, voordat een initiatiefvoorstel wordt ingediend, of het voldoet aan de onder het tweede en derde lid genoemde voorwaarden en kan advies uitbrengen over de inhoud.

  • 5. Een initiatiefvoorstel wordt schriftelijk – via de griffier – ingediend bij de voorzitter van de raad. De voorzitter controleert binnen 2 weken na ontvangst van het initiatiefvoorstel of het voldoet aan de in dit artikel opgenomen voorwaarden. De voorzitter brengt de initiatiefnemer hier schriftelijk van op de hoogte.

  • 6. Indien het initiatiefvoorstel naar het oordeel van de voorzitter niet voldoet aan de voorwaarden, kan de initiatiefnemer eenmalig binnen 2 weken een aangepast voorstel indienen. Indien het voorstel vervolgens naar het oordeel van de voorzitter nog steeds niet voldoet aan de voorwaarden, wordt het niet in behandeling genomen. In dat geval kan een initiatiefvoorstel niet opnieuw in behandeling worden genomen in een periode van 12 maanden na ontvangst van de afwijzing. Tegen het afwijzen van het initiatiefvoorstel bestaat geen mogelijkheid van bezwaar.

  • 7. Indien het initiatiefvoorstel naar het oordeel van de voorzitter voldoet aan de voorwaarden, brengt hij de raad en het college zo spoedig mogelijk op de hoogte van het ontvangen initiatiefvoorstel.

  • 8. Het college kan binnen 4 weken na ontvangst van het initiatiefvoorstel een schriftelijk advies hierover uitbrengen aan de raad.

  • 9. Het initiatiefvoorstel wordt in de eerstvolgende vergadering van de agendacommissie geagendeerd voor behandeling in een reguliere BOB-cyclus.

Artikel 55. Technische vragen

  • 1. Raads- en commissieleden kunnen technische vragen stellen aan het college en de burgemeester.

  • 2. Technische vragen worden schriftelijk ingediend bij de griffie via het daarvoor beschikbaar gestelde format. De griffie bepaalt of de vragen naar hun aard en formulering passen bij het instrument.

  • 3. De beantwoording van het college of de burgemeester vindt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen 5 werkdagen, na indiening plaats. De beantwoording wordt schriftelijk aangeleverd.

  • 4. Indien de beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het college of de burgemeester de griffier hiervan gemotiveerd in kennis. Daarbij wordt ook de termijn aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden.

  • 5. De griffie brengt de vragen en beantwoording zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad, het college en de burgemeester.

Artikel 56. Bestuurlijke vragen

  • 1. Raadsleden kunnen bestuurlijke vragen stellen aan het college en de burgemeester.

  • 2. Bestuurlijke vragen worden ingediend bij de griffie via het daarvoor beschikbaar gestelde format. De griffie bepaalt of de vragen naar hun aard en formulering passen bij het instrument.

  • 3. De beantwoording van het college of de burgemeester vindt zo spoedig mogelijk, in ieder geval binnen 30 dagen, na indiening plaats. De beantwoording wordt schriftelijk aangeleverd.

  • 4. Indien de beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het college of de burgemeester de griffier hiervan gemotiveerd in kennis. Daarbij wordt ook de termijn aangegeven waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden.

  • 5. De griffie brengt de vragen en beantwoording zo spoedig mogelijk ter kennis van de raad, het college en de burgemeester.

Artikel 57. Vragenhalfuur (oordeelsvormende commissievergadering)

  • 1. In oordeelsvormende commissievergaderingen is er een vragenhalfuur.

  • 2. Fracties die tijdens het vragenhalfuur vragen willen stellen aan het college of de burgemeester melden dit, onder aanduiding van het onderwerp, uiterlijk 12:00 uur op de dag van de vergadering bij de commissiegriffier en leveren hun vragen daarbij schriftelijk aan.

  • 3. Elke fractie mag maximaal over twee onderwerpen vragen stellen. Per onderwerp mogen er maximaal drie vragen gesteld worden door de indiener. De onderwerpen moeten passen binnen het beleidstermijn van de raadscommissie waarvoor de vragen worden aangemeld. Alleen bij urgente onderwerpen kan hiervan worden afgeweken, zulks ter beoordeling van de voorzitter.

  • 4. In de eerste termijn ligt de indiener de vragen kort toe, waarna direct wordt overgegaan op de beantwoording door het college of de burgemeester.

  • 5. In de tweede termijn krijgt de vragensteller desgewenst als eerste het woord om aanvullende vragen te stellen en aansluitend eventueel de overige fracties.

  • 6. De voorzitter bepaalt:

    • a.

      de volgorde waarop de aangemelde onderwerpen worden behandeld;

    • b.

      het tijdstip waarop het vragenhalfuur eindigt.

  • 7. Tijdens het vragenhalfuur worden geen interrupties toegelaten.

Artikel 58. Actualiteitendebat (raadsvergadering)

  • 1. In raadsvergaderingen is het mogelijk om een actualiteitendebat te houden over een urgent onderwerp van politiek en/of maatschappelijk belang.

  • 2. Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een actualiteitendebat ten minste 12 uur voor aanvang van de vergadering schriftelijk in bij de voorzitter van de raad. Het verzoek bevat in ieder geval het onderwerp en een motivering van de urgentie.

  • 3. Een aanvraag voor een actualiteitendebat moet door minimaal drie fracties worden ingediend. Deze fracties dienen ter vergadering aanwezig te zijn wanneer het debat wordt gevoerd.

  • 4. Elke fractie kan maximaal één actualiteitendebat (mee) aanvragen.

  • 5. Een actualiteitendebat is een debat tussen de fracties. Afhankelijk van het onderwerp kan het nodig zijn om een reactie van het college te horen.

  • 6. In de eerste termijn krijgt de aanvrager van het debat als eerste het woord. Daarna kunnen de overige fracties het woord voeren om eventuele vragen te beantwoorden en/of hun standpunt kenbaar te maken. Indien nodig is er een tweede termijn.

  • 7. De voorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het actualiteitendebat aan de orde worden gesteld.

  • 8. Tijdens het actualiteitendebat kunnen moties worden ingediend en worden interrupties ook, in afwijking van het bepaalde in artikel 29, in de eerste termijn toegelaten.

Artikel 59. Interpellatiedebat (raadsvergadering)

  • 1. In raadsvergaderingen is het mogelijk om een interpellatiedebat te houden om vragen te stellen aan een wethouder of de burgemeester over een belangrijke kwestie.

  • 2. Raadsleden dienen verzoeken tot het houden van een interpellatiedebat ten minste 48 uur voor aanvang van de vergadering schriftelijk in bij de voorzitter van de raad. Het verzoek bevat in ieder geval de te stellen vragen.

  • 3. Een interpellatiedebat wordt door een individueel raadslid aangevraagd. De aanvraag moet door minimaal drie fracties, inclusief de fractie van de aanvrager, worden ondersteund. Deze leden dienen ter vergadering aanwezig te zijn wanneer het debat wordt gevoerd.

  • 4. In de raadsvergadering wordt over de aanvraag van een interpellatiedebat gestemd. De aanvrager krijgt de gelegenheid om zijn verzoek kort toe te lichten. Er wordt niet beraadslaagd over de aanvraag. Een interpellatiedebat kan worden gehouden indien ten minste één derde van de aanwezige raadsleden dit steunt.

  • 5. In de eerste termijn voert enkel de aanvrager van het interpellatiedebat het woord. Daarna antwoordt het college of de burgemeester. In de tweede termijn krijgt de aanvrager als eerste het woord en krijgen andere sprekers uit de raad de gelegenheid om het woord te voeren. Daarop kan het college of de burgemeester reageren.

  • 6. Tijdens het interpellatiedebat kunnen moties worden ingediend.

Artikel 60. Uitleg reglement

In gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad of de raadscommissie op voorstel van de voorzitter.

Artikel 61. Inwerkingtreding reglement

  • 1. Dit reglement treedt in werking op een dag na bekendmaking onder gelijktijdige intrekking van:

    • a.

      het ‘Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Krimpenerwaard 2024’;

    • b.

      de ‘Verordening op de raadscommissie Krimpenerwaard 2024’;

    • c.

      het ‘Reglement van orde voor het Presidium van de gemeente Krimpenerwaard’.

  • 2. Dit reglement wordt aangehaald als: ‘Reglement van Orde gemeenteraad Krimpenerwaard 2026’.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Krimpenerwaard, gehouden op 16 december 2025.

de griffier,

S. van Dijk

de voorzitter,

Ir. J. Beenakker