Algemene subsidieverordening Midden-Delfland 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Algemene subsidieverordening Midden-Delfland 2026

De raad van de gemeente Midden-Delfland;

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 11 november 2025, zaaknummer 945327;

Gelet op:

  • artikel 149 van de Gemeentewet;

  • artikel 4:23, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb);

Gezien het advies van de raadscommissie d.d. 2 december 2025;

Overwegende dat het noodzakelijk is om regels te stellen omtrent subsidieverlening;

BESLUIT:

Vast te stellen de Algemene subsidieverordening gemeente Midden-Delfland 2026.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: een rechtspersoon of natuurlijke persoon die digitaal via het gemeentelijke subsidieportaal een verzoek indient om subsidie te verkrijgen;

  • b.

    activiteit: het geheel van inspanningen, gericht op een met subsidiëring te bereiken product of prestatie, resultaat of maatschappelijke impact;

  • c.

    Awb: de Algemene wet bestuursrecht;

  • d.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland;

  • e.

    digitale toegankelijkheid: het waarborgen dat digitale informatie en diensten voor iedereen toegankelijk zijn, conform de normen van de Web Content Accessibility Guidelines (WCAG);

  • f.

    digitale veiligheid: het beschermen van digitale diensten en informatie tegen onbevoegde toegang en verstoringen, zoals bedoeld in de Wet digitale overheid;

  • g.

    Europees steunkader: mededelingen, richtsnoeren, kaderregelingen, besluiten of verordeningen op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie heeft vastgesteld;

  • h.

    incidentele subsidie: subsidie voor activiteiten met een eenmalig, incidenteel of experimenteel karakter of die niet behoren tot de reguliere bezigheden van de aanvrager, of een subsidie als blijk van waardering zonder deze naar aard en omvang te willen beïnvloeden;

  • i.

    jaarsubsidie: subsidie voor voortdurende activiteiten die doorlopen in een vergelijkbare vorm en omvang. Deze subsidie wordt verstrekt per kalenderjaar of voor een bepaald aantal kalenderjaren, met een maximum van vier jaar;

  • j.

    openbaarmaking: het actief of op verzoek beschikbaar stellen van informatie door een bestuursorgaan, zoals bedoeld in de Wet open overheid (Woo);

  • k.

    prestatieverantwoording: het proces waarin de subsidieontvanger aantoont dat de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd en de beoogde resultaten zijn behaald, zoals bedoeld in artikel 4:37 van de Awb;

  • l.

    subsidie: subsidie als bedoeld in artikel 4:21 van de Awb, inhoudende de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor de aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten;

  • m.

    social return: door de subsidieontvanger leveren van een bijdrage aan het gemeentelijke beleid ten aanzien van het bevorderen van werkgelegenheid voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt;

  • n.

    subsidieontvanger: een rechtspersoon of natuurlijke persoon waaraan, al dan niet onder voorwaarden en verplichtingen, een subsidie is verleend;

  • o.

    subsidieplafond: het subsidieplafond als bedoeld in artikel 4:22 van de Awb, inhoudende het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift;

  • p.

    subsidieregeling: een door het college vast te stellen nadere regeling (algemeen verbindend voorschrift) waarin is beschreven welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie en waarmee het college rechtstreeks verplichtingen kan opleggen;

  • q.

    subsidievaststelling: het definitief besluiten dat de aanvrager subsidie ontvangt ter hoogte van een bepaald bedrag, waardoor de aanvrager een aanspraak op betaling krijgt;

  • r.

    subsidieverlening: het toekennen van subsidie voor een bepaalde activiteit, waarmee de aanvrager een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen krijgt, mits de aanvrager de activiteit uitvoert en zich houdt aan opgelegde verplichtingen;

  • s.

    persoonsgegevens: alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon, zoals bedoeld in artikel 4, lid 1 van de AVG;

  • t.

    verwerkingsverantwoordelijke: het bestuursorgaan dat het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt, zoals bedoeld in artikel 4, lid 7 van de AVG;

  • u.

    Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47)

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1. Deze verordening is van toepassing op alle subsidies die het college verstrekt, tenzij een hogere wettelijke regeling of andere gemeentelijke verordening daarin voorziet.

  • 2. Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is, kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.

  • 3. Deze verordening voorziet in de verwerking van persoonsgegevens voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van subsidieverlening, en deze verwerking geschiedt conform de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG).

  • 4. Digitale diensten en informatie die op grond van deze verordening worden verstrekt, voldoen aan de eisen van digitale toegankelijkheid en veiligheid, zoals voorgeschreven in de Wet digitale overheid en de WCAG 2.1 AA-richtlijnen.

Artikel 3. Subsidieregeling

  • 1. Het college stelt bij nadere regeling (hierna te noemen: subsidieregeling) vast welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

  • 2. Een subsidieregeling vermeldt in elk geval:

    • a.

      het programma of beleidsveld waar de te subsidiëren activiteiten onder vallen;

    • b.

      de activiteiten en, in voorkomend geval, de doelgroepen, personen of instellingen die voor subsidie in aanmerking kunnen komen;

    • c.

      indien van belang: het subsidieplafond en de wijze van verdeling van de beschikbare gelden.

  • 3. Bij subsidieregeling kan het college categorieën van activiteiten vaststellen waarbij het subsidie verleent op declaratiebasis. De regeling vermeldt de daarbij behorende verplichtingen.

  • 4. Europese regelgeving:

    • a.

      Voor zover dat noodzakelijk is ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader, kan het college bij nadere regels of besluit afwijken van deze verordening en deze aanvullen;

    • b.

      Bij nadere regels waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de nadere regel naar het desbetreffende steunkader;

    • c.

      Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader;

    • d.

      Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in aanmerking die voldoen aan de eisen van het toepasselijk steunkader;

    • e.

      Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het toepasselijk steunkader.

  • 5. De subsidieregeling wordt actief openbaar gemaakt conform artikel 3.3, lid 1, sub c van de Woo, als subsidieregelingen beleidsmatige informatie bevatten die actief openbaar moet worden gemaakt.

Artikel 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud

  • 1. Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In de bijbehorende subsidieregeling wordt de wijze van verdeling van de beschikbare subsidie expliciet vermeld zoals in artikel 4:22 van de Awb. Bij overschrijding van het subsidieplafond wordt het beschikbare bedrag verdeeld volgens de in de subsidieregeling vastgelegde methode, zoals rangschikking op basis van beleidsprioriteiten of volgorde van binnenkomst.

  • 2. Het college kan een subsidieplafond verlagen:

    • a.

      als het subsidieplafond wordt vastgesteld voordat de gemeentebegroting voor het betrokken jaar is goedgekeurd; of

    • b.

      als de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is goedgekeurd.

  • 3. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond wordt expliciet gewezen op:

    • a.

      de mogelijkheid van verlaging van het plafond;

    • b.

      de voorwaarden waaronder verlaging mogelijk is;

    • c.

      de gevolgen van een verlaging voor reeds ingediende aanvragen.

  • 4. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat de gemeenteraad voldoende middelen op de begroting beschikbaar stelt. Bij de verleningsbeschikking wordt expliciet gewezen op dit begrotingsvoorbehoud, zoals voorgeschreven in artikel 4:34 van de Awb. Indien de gemeenteraad onvoldoende middelen beschikbaar stelt, kan de subsidie geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of lager worden vastgesteld, conform artikel 4:46 van de Awb. Het college informeert de subsidieaanvrager tijdig over de status van de begroting en de gevolgen daarvan voor de subsidiebeschikking.

Artikel 5. Aanvraag

  • 1. Subsidieaanvragen worden uitsluitend digitaal ingediend via het gemeentelijke subsidieportaal.

  • 2. Het gemeentelijke subsidieportaal voldoet aan de eisen van digitale toegankelijkheid (WCAG 2.1 AA) en biedt een veilige verwerking van gegevens conform de Wet digitale overheid.

  • 3. Bij de aanvraag legt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens over:

    • a.

      een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd;

    • b.

      de doelstellingen en resultaten die met die activiteiten worden nagestreefd, en hoe de activiteiten daaraan bijdragen;

    • c.

      een begroting inclusief een dekkingsplan van de kosten van de activiteiten waar de subsidie voor wordt aangevraagd. Het dekkingsplan bevat een opgave van alle bij bestuursorganen, private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;

    • d.

      als de aanvrager een onderneming is tevens een verklaring over ontvangen de-minimissteun (de-minimisverklaring); en

    • e.

      het bankrekeningnummer waarnaar de subsidie kan worden overgemaakt.

  • 4. Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede lid genoemde gegevens te verlangen, als die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk of wenselijk respectievelijk voldoende zijn.

  • 5. Bij de aanvraag van subsidie verwerkt het college persoonsgegevens uitsluitend voor het beoordelen en afhandelen van de aanvraag, conform de AVG. De verwerking van persoonsgegevens is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder e AVG (taak van algemeen belang).

Artikel 6. Aanvraagtermijn

  • 1. Een aanvraag om een jaarsubsidie wordt uiterlijk op 1 juli van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft ingediend.

  • 2. Een aanvraag om incidentele subsidie wordt ingediend uiterlijk 12 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.

  • 3. Bij subsidieregeling kan het college andere aanvraagtermijnen vaststellen, mits deze voorafgaand aan de subsidieperiode op een toegankelijke wijze zijn bekendgemaakt. Zoals in artikel 4:13 van de Awb.

  • 4. In bijzondere gevallen kan het college afwijken van de indieningstermijn voor incidentele subsidies, met inachtneming van artikel 4:84 Awb, mits de reden voor het afwijken schriftelijk wordt gemotiveerd en de afwijking geen onevenredige nadelen oplevert voor andere subsidieaanvragers.

Artikel 7. Beslistermijn

  • 1. Het college beslist op een aanvraag om een jaarsubsidie uiterlijk binnen 12 weken na ontvangst van een volledige aanvraag , conform artikel 4:13 van de Awb. Het college geeft een voorlopige beschikking af, onder voorbehoud van definitieve goedkeuring van de gemeentebegroting, conform artikel 4:34 Awb. De definitieve beschikking wordt afgegeven nadat de gemeenteraad de begroting heeft vastgesteld en voldoende middelen beschikbaar heeft gesteld.

  • 2. Het college beslist op een aanvraag om een incidentele subsidie uiterlijk 12 weken na ontvangst van een volledige aanvraag. Het college geeft een voorlopige beschikking af, onder voorbehoud van definitieve goedkeuring van de gemeentebegroting, conform artikel 4:34 Awb. De definitieve beschikking wordt afgegeven nadat de gemeenteraad de begroting heeft vastgesteld en voldoende middelen beschikbaar heeft gesteld.

  • 3. Bij subsidieregeling kan het college andere termijnen vaststellen, mits deze in overeenstemming zijn met artikel 4:13 Awb.

  • 4. Indien het college niet binnen de in het eerste of tweede lid genoemde termijn kan beslissen, wordt de aanvrager hiervan tijdig schriftelijk op de hoogte gesteld, met vermelding van de reden en de nieuwe termijn, conform artikel 4:14 Awb.

  • 5. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag moeten worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie haar onherroepelijke eindbeslissing bekend heeft gemaakt aan het college.

Artikel 8. Weigerings-, intrekkings- en wijzigingsgronden

  • 1. Het college kan, naast de in artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 Awb genoemde weigeringsgronden, de subsidie in ieder geval weigeren:

    • a.

      als de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd niet passen in het beleid van de gemeente;

    • b.

      als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente, het landschap van Midden-Delfland of haar ingezetenen, of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente, het landschap van Midden-Delfland of haar ingezetenen;

    • c.

      als de activiteiten niet algemeen toegankelijk zijn voor de beoogde doelgroep, tenzij de aard van de activiteit dat rechtvaardigt;

    • d.

      als de activiteiten primair gericht zijn op het uitdragen van levensbeschouwelijke of politieke overtuigingen;

    • e.

      als de activiteiten uitsluitend dienen ter viering van een jubileum of lustrum;

    • f.

      voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van winst zonder maatschappelijk doel;

    • g.

      als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het uitvoeren van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd;

    • h.

      als de activiteiten of het beoogde doel reeds op andere wijze wordt gefinancierd;

    • i.

      in het geval en onder de voorwaarden, als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur;

    • j.

      als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;

    • k.

      als de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet, het algemeen belang of de openbare orde;

    • l.

      als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;

    • m.

      in de bij de geldende subsidieregeling bepaalde gevallen;

    • n.

      voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd geen of onvoldoende gelden op de begroting zijn gereserveerd;

    • o.

      gegronde reden bestaat om aan te nemen, dat de aanvrager niet de capaciteiten heeft om de prestatie(s)/activiteit(en) naar behoren uit te voeren of de rechtsvorm van de organisatie niet geschikt is om de activiteiten te verwezenlijken waarvoor subsidie is aangevraagd;

    • p.

      de verlening de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen door begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

    • q.

      als de aanvrager of een persoon wiens gedraging aan hem kan worden toegerekend handelt in strijd met de krachtens wettelijk voorschrift geregelde verplichting om aanwijzingen van een toezichthouder in acht te nemen of in strijd met artikel 5:20, eerste lid, van de Awb.

  • 2. Het college kan, naast de in artikel 4:48-4:50 van de Awb genoemde intrekkings- en wijzigingsgronden, de subsidie intrekken of wijzigen:

    • a.

      indien de ontvanger niet voldoet aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    • b.

      indien onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de subsidie op basis van juiste gegevens niet of anders zou zijn verstrekt;

    • c.

      in het geval en onder de voorwaarden zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob.

  • 3. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb weigert het college de subsidie in ieder geval:

    • a.

      als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt;

    • b.

      als tegen de aanvrager een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard.

  • 4. Besluiten op grond van dit artikel worden genomen met inachtneming van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en andere toepasselijke wet- en regelgeving op het gebied van privacy.

Artikel 9. Verantwoording

  • 1. Bij subsidieregeling kan het college nadere regels stellen over de vorm en inhoud van de verantwoording, mits deze proportioneel zijn in verhouding tot de hoogte van de subsidie en conform artikel 4:37 Awb.

  • 2. Bij de verleningsbeschikking wordt vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

  • 3. Indien in de verleningsbeschikking is bepaald dat een controleverklaring of assurancerapport vereist is, dient dit opgesteld te worden door een onafhankelijk accountant. Het college kan nadere eisen stellen aan de inhoud en frequentie van deze rapportages.

  • 4. Digitale verantwoordingen dienen te voldoen aan de toegankelijkheidsnormen zoals vastgesteld in de WCAG 2.1 AA en de beveiligingseisen van de Wet digitale overheid.

Artikel 10. Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger

  • 1. Als aannemelijk is dat de subsidieontvanger één of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, niet of niet geheel zal verrichten of dat de subsidieontvanger niet of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal voldoen, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan het college.

  • 2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld schriftelijk over:

    • a.

      beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;

    • b.

      relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;

    • c.

      ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet of niet geheel kan nakomen;

    • d.

      wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders en het doel van de rechtspersoon conform artikel 4:71 van de Awb.

  • 3. Wijzigingen zoals bedoeld in lid 2 mogen niet in strijd zijn met de voorwaarden waaronder de subsidie is verleend.

  • 4. Bij niet-naleving van de meldingsplicht zoals omschreven in dit artikel kan het college overgaan tot intrekking of wijziging van de subsidie, conform artikel 4:48 van de Awb.

  • 5. De subsidieontvanger van een subsidie per boekjaar stelt het boekjaar gelijk aan het kalenderjaar, tenzij de subsidieregeling of verleningsbeschikking anders bepaalt.

  • 6. De subsidieontvanger is verplicht om bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten de AVG na te leven indien daarbij persoonsgegevens van derden worden verwerkt. Dit omvat passende beveiliging van gegevens en het naleven van de principes van doelbinding en gegevensminimalisatie.

Artikel 11. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen

  • 1. Het college kan aan een subsidie nadere verplichtingen en voorschriften verbinden, zoals in artikel 4:37 van de Awb, voor zover deze:

    • a.

      verband houden met het doel van de subsidie, conform artikel 4:38 Awb;

    • b.

      niet onevenredig zijn in verhouding tot het beoogde doel van de subsidie, conform artikel 3:4 Awb;

    • c.

      gericht kunnen zijn op het behoud van resultaten van gesubsidieerde activiteiten, ook na afloop van de subsidieperiode, conform artikel 4:39 Awb.

  • 2. Het college kan dit nader uitwerken in een subsidieregeling.

  • 3. Het college kan de subsidieontvanger verplichtingen opleggen ter bevordering van:

    • a.

      social return bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • b.

      duurzaamheid bij de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten;

    • c.

      inclusie;

    • d.

      diversiteit;

    • e.

      de fysieke, sociale en informatie toegankelijkheid van de gesubsidieerde activiteiten voor mensen met een beperking.

  • 4. Bij nadere regels of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger verplichtingen worden opgelegd in het kader van social return. In de nadere regel of verleningsbeschikking licht het college toe dat de verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop de middelen worden ingezet of waarmee de gesubsidieerde activiteiten worden verricht.

Artikel 12. Eindverantwoording subsidies tot en met €10.000,-

  • 1. Het college stelt incidentele subsidies tot en met € 10.000,- direct vast bij verlening, tenzij in bijzondere gevallen anders is bepaald. In dat geval wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

  • 2. Het college kan een jaarsubsidie met een bedrag tot en met € 10.000,- direct bij verlening vaststellen, tenzij in bijzondere gevallen anders is bepaald. In dat geval wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.

  • 3. Onverminderd het vermelde onder lid 1 en 2 kan het college in uitzonderlijke gevallen de subsidieontvanger verplichten om de activiteiten en de daaraan verbonden kosten te verantwoorden. In dat geval vindt de vaststelling plaats binnen 12 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.

  • 4. Het college controleert steekproefsgewijs subsidies die direct bij verlening zijn vastgesteld, om na te gaan of de verstrekte middelen rechtmatig en doelmatig zijn besteed.

  • 5. Persoonsgegevens in verantwoordingsdocumenten worden uitsluitend verwerkt voor het vaststellen van de subsidie. De verwerking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder e AVG (taak van algemeen belang). De gegevens worden beveiligd conform artikel 32 AVG en niet langer bewaard dan noodzakelijk, conform artikel 5, lid 1, sub e AVG (opslagbeperking).

  • 6. Digitale eindverantwoordingen worden ingediend via een toegankelijk platform dat voldoet aan de WCAG 2.1 AA-richtlijnen en de beveiligingseisen van de Wet digitale overheid.

Artikel 13. Eindverantwoording subsidies van meer dan €10.000,- tot en met €50.000,-

  • 1. Bij subsidies van € 10.000,- tot en met € 50.000,- dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een jaarsubsidie vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in geval van een incidentele subsidie uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn afgerond. Het termijn van 12 weken wordt geacht redelijk te zijn conform artikel 4:46 Awb. In bijzondere gevallen kan het college op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger dit termijn verlengen.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waarin wordt aangetoond in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn uitgevoerd, welke resultaten zijn behaald en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    • b.

      een financieel verslag of jaarrekening met een overzicht van de uitgaven en inkomsten die verband houden met de gesubsidieerde activiteiten.

  • 3. Het college kan bij subsidieregeling nadere eisen stellen aan de inhoud en vorm van de eindverantwoording, mits deze eisen proportioneel zijn, zoals in artikel 4:37 van de Awb, in verhouding tot de hoogte van de subsidie en het doel van de gesubsidieerde activiteiten.

  • 4. Persoonsgegevens in verantwoordingsdocumenten worden uitsluitend verwerkt voor het vaststellen van de subsidie. De verwerking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder e AVG (taak van algemeen belang). De gegevens worden beveiligd conform artikel 32 AVG en niet langer bewaard dan noodzakelijk, conform artikel 5, lid 1, sub e AVG (opslagbeperking).

  • 5. Digitale eindverantwoordingen worden ingediend via een toegankelijk platform dat voldoet aan de WCAG 2.1 AA-richtlijnen en de beveiligingseisen van de Wet digitale overheid.

Artikel 14. Eindverantwoording subsidies van meer dan €50.000,-

  • 1. Bij subsidies van meer dan € 50.000,- dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in:

    • a.

      in geval van een jaarsubsidie vóór 1 juli van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;

    • b.

      in geval van een incidentele subsidie uiterlijk 12 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. Het termijn van 12 weken wordt geacht redelijk te zijn conform artikel 4:46 Awb. In bijzondere gevallen kan het college op schriftelijk verzoek van de subsidieontvanger dit termijn verlengen.

  • 2. De aanvraag tot vaststelling bevat:

    • a.

      een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen;

    • b.

      een financieel verslag of jaarrekening met een overzicht van de uitgaven en inkomsten die verband houden met de gesubsidieerde activiteiten;

    • c.

      een controleverklaring of een assurancerapport, opgesteld door een onafhankelijk accountant. Indien het assurance-rapport of de controleverklaring niet goedkeurend is, kan het college aanvullende informatie opvragen bij de subsidieontvanger.

  • 3. Bij subsidies vanaf € 50.000 kan het college de verplichting opleggen tot het aanleveren van een tussentijdse rapportage omtrent de reeds verrichte activiteiten en in het kader daarvan verrichte prestaties of subsidiabele lasten en de eventueel daaraan gerelateerde baten. Een dergelijke tussentijdse rapportage zal niet vaker dan één keer per jaar worden gevraagd. Het college kan bij nadere regels of verleningsbeschikking een andere frequentie en een ander grensbedrag voor tussentijdse rapportage opleggen.

  • 4. Het college kan bij subsidieregeling nadere eisen stellen aan de inhoud en vorm van de eindverantwoording, mits deze eisen proportioneel zijn, zoals in artikel 4:37 van de Awb, in verhouding tot de hoogte van de subsidie en het doel van de gesubsidieerde activiteiten.

  • 5. Persoonsgegevens in verantwoordingsdocumenten worden uitsluitend verwerkt voor het vaststellen van de subsidie. De verwerking is gebaseerd op artikel 6, lid 1, onder e AVG (taak van algemeen belang). De gegevens worden beveiligd conform artikel 32 AVG en niet langer bewaard dan noodzakelijk, conform artikel 5, lid 1, sub e AVG (opslagbeperking).

  • 6. Digitale eindverantwoordingen worden ingediend via een toegankelijk platform dat voldoet aan de WCAG 2.1 AA-richtlijnen en de beveiligingseisen van de Wet digitale overheid.

Artikel 15. Subsidievaststelling

  • 1. Het college stelt de subsidie vast binnen 12 weken na ontvangst van een volledige aanvraag tot vaststelling, tenzij anders is bepaald bij subsidieregeling.

  • 2. Indien de aanvraag onvolledig is, stelt het college de subsidieontvanger in de gelegenheid om de ontbrekende stukken aan te vullen binnen een termijn van maximaal 8 weken, conform artikel 4:5 Awb.

  • 3. Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet tijdig is ingediend, zoals bedoeld in artikel 12, derde lid, artikel 13, eerste lid, en artikel 14, eerste lid, kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Indien de aanvraag niet binnen deze nieuwe termijn wordt ingediend, kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling, conform artikel 4:46, vierde lid Awb. Bij ambtshalve vaststelling baseert het college zich op de beschikbare gegevens en motiveert het zijn besluit schriftelijk.

  • 4. Het college kan, naast de gevallen vermeld in artikel 4:46, tweede en derde lid Awb, de subsidie lager vaststellen indien is gebleken dat:

    • a.

      de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, lager waren dan in de aanvraag waren opgegeven; of

    • b.

      niet is voldaan aan de verplichtingen die aan de subsidie verbonden waren. Het college motiveert in dat geval de lagere vaststelling schriftelijk.

  • 5. Bij de subsidievaststelling worden persoonsgegevens uitsluitend verwerkt voor zover noodzakelijk om de vaststelling te beoordelen, conform artikel 6, lid 1, onder e AVG (taak van algemeen belang). De persoonsgegevens worden beveiligd en bewaard volgens artikel 32 en artikel 5, lid 1, sub e AVG.

  • 6. Subsidievaststellingen die digitaal worden gepubliceerd, voldoen aan de toegankelijkheidseisen van WCAG 2.1 AA.

Artikel 16. Terugvordering

  • 1. Als de subsidie voor een lager bedrag wordt vastgesteld dan het bedrag van de verlening, vordert het college het teveel betaalde bedrag terug. Het college stelt de subsidieontvanger hiervan schriftelijk op de hoogte, zoals in artikel 4:57 van de Awb, met vermelding van:

    • a.

      het terug te vorderen bedrag;

    • b.

      de reden voor de terugvordering; en

    • c.

      de betalingstermijn.

  • 2. Het college ziet af van terugvordering indien het terug te vorderen bedrag lager is dan € 100,-, tenzij er sprake is van opzet of fraude. In geval van opzet of fraude wordt het volledige onverschuldigd betaalde bedrag teruggevorderd, ongeacht de hoogte op grond van artikel 4:49 van de Awb.

  • 3. Bij subsidieregeling kan het college andere gevallen bepalen waarbij het kan afzien van terugvordering.

  • 4. Het college kan subsidies die op grond van deze verordening zijn verstrekt, verrekenen met:

    • a.

      andere op grond van deze verordening aan de subsidieontvanger verleende of vastgestelde subsidies die het college terugvordert; en

    • b.

      overige jegens het college in te lossen bestuursrechtelijke geldschulden van de subsidieontvanger.

  • 5. Persoonsgegevens die worden verwerkt in het kader van terugvordering worden uitsluitend gebruikt voor dit doel en verwerkt conform artikel 6, lid 1, onder e AVG (taak van algemeen belang). De beveiliging van de gegevens wordt gewaarborgd zoals bepaald in artikel 32 AVG.

Artikel 17. Reservevorming

  • 1. Het college kan een subsidieontvanger toestaan of verplichten om reserves te vormen, mits deze reserves bijdragen aan de doelstellingen van de subsidie of de financiële continuïteit van de gesubsidieerde activiteiten.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de reserves op in zowel de begroting als de jaarrekening, met een toelichting op de aard en het doel van de reserves.

  • 3. Het college stelt bij de subsidieverlening grenzen aan:

    • a.

      de maximale hoogte van de reserves; en

    • b.

      de termijn waarbinnen de reserves moeten worden besteed.

  • 4. Bij overschrijding van de in lid 3 genoemde grenzen vordert het college de niet-bestede reserves terug. De terugvordering wordt schriftelijk gemotiveerd en gebaseerd op de relevante bepalingen in de subsidiebeschikking.

  • 5. Reservevorming is alleen toegestaan indien deze expliciet wordt opgenomen in de subsidiebeschikking. De gevormde reserves moeten binnen een door het college vastgestelde termijn worden besteed aan de doelstellingen van de subsidie, conform artikel 4:39 Awb.

Artikel 18. Hardheidsclausule

  • 1. Het college kan één of meer bepalingen uit deze verordening in individuele gevallen buiten toepassing laten of daarvan afwijken, indien toepassing van die bepalingen zou leiden tot gevolgen die onevenredig zijn in verhouding tot de met die bepalingen te dienen doelen.

  • 2. Een besluit om af te wijken van deze verordening wordt schriftelijk vastgelegd en voorzien van een duidelijke motivering. In deze motivering worden de specifieke omstandigheden van het geval en de evenredigheid van het besluit toegelicht.

  • 3. De hardheidsclausule kan alleen worden toegepast indien de afwijking niet in strijd is met hogere wet- en regelgeving.

  • 4. Besluiten waarin de hardheidsclausule wordt toegepast, worden digitaal toegankelijk gemaakt conform de WCAG 2.1 AA-richtlijnen.

Artikel 19. Subsidieregister

Burgemeester en wethouders houden een actueel openbaar subsidieregister bij waarin de verleende en vastgestelde subsidies zijn opgenomen.

Artikel 20. Slotbepalingen

  • 1. Deze verordening treedt in werking op d.d. 1 januari 2026.

  • 2. Gelijktijdig met de inwerkingtreding van deze verordening wordt de “Algemene Subsidieverordening Midden-Delfland 2016” ingetrokken.

  • 3. Aanvragen om incidentele subsidie die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening en specifiek gericht zijn op het jaar 2026 worden afgedaan volgens de bepalingen van de “Algemene Subsidieverordening Midden-Delfland 2016”.

  • 4. Deze verordening wordt aangehaald als: “Algemene Subsidieverordening Midden-Delfland 2026” en treedt in werking op d.d. 1 januari 2026.

  • 5. Deze verordening en bijbehorende documenten worden actief openbaar gemaakt conform artikel 3.3 van de Woo.

  • 6. Deze verordening wordt digitaal gepubliceerd en voldoet aan de WCAG 2.1 AA-richtlijnen. De veiligheid van de digitale publicatie wordt gewaarborgd conform de Wet digitale overheid.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van datum 16 december 2025.

De griffier

Drs. A. de Vos

De voorzitter

Drs. F.I.Noordermeer- van Slageren