Subsidieregel peuterplaatsen en voorschoolse educatie gemeente Someren 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Subsidieregel peuterplaatsen en voorschoolse educatie gemeente Someren 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren;

overwegende dat:

  • -

    gemeenten gehouden zijn te waarborgen dat doelgroeppeuters gedurende de laatste anderhalf jaar voorafgaand aan de basisschool ten minste 960 uur voorschoolse educatie kunnen volgen, hetgeen neerkomt op gemiddeld zestien uur per week gedurende zestig weken;

  • -

    het noodzakelijk is duidelijke regels te stellen voor de financiële tegemoetkoming in de kosten van peuteropvang en voorschoolse educatie, ter bevordering van deelname en kwaliteit;

  • -

    de gemeente Someren streeft naar een kwalitatief hoogwaardig, toekomstbestendig en transparant aanbod, met een passend subsidiesysteem dat aansluit bij de lokale situatie en periodiek wordt geëvalueerd;

  • -

    het gewenst is de Subsidieregeling Peuterplaatsen en VVE 2022 te actualiseren.

gelet op:

de Wet kinderopvang, het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie, de Regeling voorschoolse educatie, de artikelen 4:23 en 4:25 van de Algemene wet bestuursrecht, en de Algemene subsidieverordening gemeente Someren 2018;

b e s l u i t :

  • 1.

    De subsidieregeling peuterplaatsen en VVE gemeente Someren 2022 in te trekken met ingang van de datum van inwerkingtreding van de nieuwe regeling.

  • 2.

    De subsidieregel peuterplaatsen en voorschoolse educatie gemeente Someren 2026 vast te stellen;

  • 3.

    Te bepalen dat deze regeling in werking treedt op 1 januari 2026

Hoofdstuk 1 – algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze subsidieregeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Aanbieder: kindercentrum als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, geregistreerd in het LRK en gevestigd in de gemeente Someren;

  • b.

    Algemene subsidieverordening (ASV): de Algemene subsidieverordening Someren 2018;

  • c.

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren;

  • d.

    Fiscaal maximum: het jaarlijks door het Rijk vastgestelde maximale uurtarief voor kinderopvang;

  • e.

    Inkomensafhankelijke ouderbijdrage: bijdrage die ouders voor de peuteropvang betalen op basis van hun inkomen, hetzij volgens de kinderopvangtoeslagregeling van de Belastingdienst (voor ouders met recht op KOT), hetzij conform de door de VNG jaarlijks vast te stellen adviestabel ouderbijdrage peuteropvang (voor ouders zonder recht op KOT). De ouderbijdrage wordt door de kinderopvangorganisatie geïnd; het risico op niet-betaling ligt bij de kinderopvangorganisatie;

  • f.

    Inkomensverklaring: Verklaring Geregistreerd Inkomen (VGI) van de Belastingdienst;

  • g.

    Kinderopvangtoeslag (KOT): tegemoetkoming van de Belastingdienst in de kosten van kinderopvang;

  • h.

    LRK: het Landelijk Register Kinderopvang;

  • i.

    Minimuminkomen: het inkomen in de laagste categorie van de VNG-adviestabel ouderbijdrage;

  • j.

    Ouder: ouder(s) of verzorger(s) van de (VE-)peuter;

  • k.

    Peuter: in de BRP van Someren ingeschreven kind van 2,5 tot 4 jaar.

    In afwijking hiervan kan, uitsluitend in geval van een door de GGD/JGZ vastgestelde zware ontwikkelachterstand, instroom plaatsvinden vanaf 2 jaar, mits dit gemotiveerd is door de GGD/JGZ. De leeftijdsgrens geldt behoudens toepassing van artikel 7;

  • l.

    Subsidiabel uurtarief peuteropvang: het fiscaal maximum genoemd onder onderdeel d;

  • m.

    Subsidiabel uurtarief VE: het door het college jaarlijks vastgestelde maximale uurtarief voor voorschoolse educatie;

  • n.

    VE-peuter: peuter van 2,5 tot 4 jaar met een VVE-indicatie. In afwijking hiervan kan, uitsluitend in geval van een door de GGD/JGZ vastgestelde zware ontwikkelachterstand, instroom plaatsvinden vanaf 2 jaar, mits dit gemotiveerd is door de GGD/JGZ.

    De leeftijdsgrens geldt behoudens toepassing van artikel 7;

  • o.

    Reguliere peuteropvang: opvang gericht op peuters van 2,5 tot 4 jaar zonder dat sprake is van gesubsidieerde voorschoolse educatie, al dan niet in een VE-geregistreerde groep.

  • p.

    Voorschoolse voorziening: in het LRK geregistreerde peuter- of kinderopvanglocatie in de gemeente Someren;

  • q.

    Voorschoolse educatie (VE): educatief aanbod volgens een erkend VVE-programma op een VE-geregistreerde locatie;

  • r.

    VVE-indicatie: indicatie van de GGD/JGZ dat een kind risico loopt op een ontwikkel- of taalachterstand;

  • s.

    VE-registratie: registratie in het LRK waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de wettelijke kwaliteitseisen voor voorschoolse educatie;

  • t.

    Houder: de (rechts)persoon die een kindercentrum exploiteert;

  • u.

    Doelgroepkind: peuter die valt onder de gemeentelijke doelgroepdefinitie voor onderwijsachterstanden;

  • v.

    Beroepskracht: beroepskracht voorschoolse educatie met een VVE-certificaat;

  • w.

    VE-coach: pedagogisch coach of beleidsmedewerker met hbo-niveau die ondersteuning biedt bij de kwaliteit van voorschoolse educatie;

  • x.

    Kennis en vaardigheden: kennis en vaardigheden als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie;

  • y.

    Tariefbesluit: jaarlijks door het college vastgesteld besluit waarin de subsidiabele uurtarieven voor peuteropvang en voorschoolse educatie worden opgenomen;

  • z.

    Doorgaande leerlijn 0–13 jaar: samenhangend traject in opvoeding, ontwikkeling en educatie tussen kinderopvang/VE en primair onderwijs.

Artikel 2. Reikwijdte

  • 1.

    Deze regeling is van toepassing op subsidies die het college verstrekt voor de in artikel 6 beschreven activiteiten binnen de gemeente Someren.

  • 2.

    De regeling is niet van toepassing op peuterplaatsen met een Sociaal Medische Indicatie (SMI).

  • 3.

    De ASV 2018 is van toepassing, voor zover daarvan in deze regeling niet is afgeweken.

Artikel 3. Doel

Deze regeling heeft de volgende doelstellingen:

  • a.

    het stimuleren van deelname aan reguliere peuteropvang door alle peuters in Someren;

  • b.

    het waarborgen van een toereikend en kwalitatief aanbod van voorschoolse educatie (VE);

  • c.

    het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden en laaggeletterdheid;

  • d.

    het bevorderen van integratie en het voorkomen van segregatie;

  • e.

    het bieden van gelijke kansen op een goede start op de basisschool voor alle peuters;

  • f.

    het bevorderen van een evenwichtige spreiding van VE-voorzieningen binnen de gemeente;

  • g.

    het versterken van de doorgaande leerlijn 0–13 jaar richting het primair onderwijs.

  • h.

    het stimuleren van gemengde peutergroepen waarin VE-peuters en overige peuters samen leren en spelen.

Artikel 3a. Grondslag subsidie

Subsidie wordt verleend op grond van artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3 van de Algemene subsidieverordening Someren 2018.

Hoofdstuk 2 - Doelgroepen en subsidieontvangers

Artikel 4. Doelgroepen

Voor deze regeling worden de volgende doelgroepen onderscheiden:

  • a.

    Peuters zonder recht op kinderopvangtoeslag: kinderen van 2,5 tot 4 jaar;

  • b.

    Peuters met recht op kinderopvangtoeslag: kinderen van 2,5 tot 4 jaar;

  • c.

    VE-peuters zonder recht op kinderopvangtoeslag: kinderen van 2,5 tot 4 jaar met een VVE-indicatie;

  • d.

    VE-peuters met recht op kinderopvangtoeslag: kinderen van 2,5 tot 4 jaar met een VVE-indicatie.

Artikel 5. Subsidieontvanger

Subsidie kan uitsluitend worden aangevraagd door een kindercentrum dat:

  • a.

    is gevestigd in de gemeente Someren;

  • b.

    is geregistreerd als kindercentrum in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK);

  • c.

    beschikt over een door de gemeente erkende VE-/VVE-registratie;

  • d.

    voldoet aan de Wet kinderopvang, de bijbehorende uitvoeringsregelingen en de kwaliteitseisen voor VVE;

  • e.

    beschikt over een actueel positief inspectierapport van de GGD;

  • f.

    voldoet aan deze subsidieregeling.

Hoofdstuk 3 - Subsidiabele activiteiten en voorwaarden

Artikel 6. Subsidiabele activiteiten

Voor subsidie komen de volgende activiteiten in aanmerking:

  • 1.

    Het aanbieden van reguliere peuteropvang, zowel aan:

    • a.

      ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (niet-KOT), waarbij de opvang plaatsvindt in een VVE-gecertificeerde groep; en

    • b.

      ouders met recht op kinderopvangtoeslag (KOT), voor zover het gaat om de gemeentelijke kwaliteitsopslag per uur voor opvang in een VVE-gecertificeerde groep, aanvullend op het door de Rijksoverheid vergoede normtarief. Hierbij wordt rekening gehouden met de inkomensafhankelijke ouderbijdrage.

  • 2.

    Het aanbieden van voorschoolse educatie (VE) aan doelgroeppeuters zoals genoemd in artikel 4, onderdelen c en d. Dit betreft zowel KOT- als niet-KOT-peuters.

  • 3.

    De inzet van een hbo-opgeleide pedagogisch coach of beleidsmedewerker VE, voor 10 uur per jaar per VE-peuter, conform de daarvoor geldende vergoeding. Het aantal VE-peuters wordt vastgesteld op basis van de werkelijke bezetting, zoals verantwoord bij de vaststelling van de subsidie, conform de daarvoor geldende vergoeding.

  • 4.

    Flexibele plaatsing van peuters, binnen de maximum urennormen van deze regeling:

    • a.

      Een peuter kan gebruikmaken van gesubsidieerde peuteropvang en/of voorschoolse educatie bij meerdere locaties of aanbieders, in horizontale of verticale groepen binnen de dagopvang of peuteropvang, mits wordt voldaan aan de wettelijke kwaliteitseisen.

    • b.

      Bij flexibele plaatsing bij meerdere aanbieders gelden de volgende voorwaarden:

      • 1.

        er worden schriftelijke afspraken gemaakt tussen de betrokken aanbieders en de ouder(s);

      • 2.

        dubbele subsidiëring wordt voorkomen;

      • 3.

        het college wordt vooraf geïnformeerd over de gemaakte afspraken.

    • c.

      De subsidie wordt in dit geval verstrekt aan één hoofd­aanbieder, die verantwoordelijk is voor de financiële afwikkeling en onderlinge verrekening met andere betrokken aanbieders.

Artikel 7. Subsidie reguliere peuteropvang

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks vóór 1 november het subsidiabel uurtarief voor peuteropvang vast, gelijk aan het fiscaal maximum als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, eventueel vermeerderd met een opslag ter dekking van (boven)wettelijke kwaliteitseisen. Het vastgestelde uurtarief en de eventuele opslag worden gepubliceerd in het jaarlijkse tariefbesluit.

  • 2.

    Subsidie wordt verstrekt voor maximaal 8 uur opvang per week gedurende ten hoogste 40 schoolweken per jaar, met een maximum van 6 uur per dag.

  • 3.

    Verdeling van kosten

    • a.

      Voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag (KOT) geldt dat de ouder de inkomensafhankelijke ouderbijdrage betaalt en kinderopvangtoeslag ontvangt tot het fiscaal maximum. Indien het door het college vastgestelde subsidiabel uurtarief hoger ligt dan dit maximum, vergoedt de gemeente het verschil, tot maximaal 8 uur per week.

    • b.

      Voor ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (KOT) geldt dat de ouder de inkomensafhankelijke bijdrage betaalt, waarna de gemeente aanvult tot het subsidiabel uurtarief, tot maximaal 8 uur per week.

  • 4.

    Ouders kunnen ervoor kiezen hun peuter meer uren per dag of per week naar de opvang te laten gaan. Deze extra uren komen volledig voor rekening van de ouder en/of de kinderopvangorganisatie en kunnen niet bij de gemeente in rekening worden gebracht.

Artikel 8. Subsidie voorschoolse educatie (VE)

  • 1.

    Het college stelt jaarlijks uiterlijk vóór 1 november het subsidiabel uurtarief voor voorschoolse educatie vast, gelijk aan het fiscaal maximum als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, eventueel vermeerderd met een opslag ter dekking van (boven)wettelijke kwaliteitseisen. Het vastgestelde uurtarief en de eventuele opslag worden gepubliceerd in het jaarlijkse tariefbesluit.

  • 2.

    Subsidie wordt verstrekt voor maximaal 960 uur voorschoolse educatie in de periode van 18 maanden voorafgaand aan de start van de basisschool. Dit komt overeen met gemiddeld 16 uur per week gedurende in totaal 60 schoolweken (uitgaande van 40 schoolweken per jaar). Per dag kan maximaal 6 uur aan subsidie worden verstrekt.

  • 3.

    De wijze waarop de kosten van voorschoolse educatie worden verdeeld tussen ouders, de Belastingdienst en de gemeente, verschilt naar gelang ouders wel of geen recht hebben op kinderopvangtoeslag (KOT).

    • a.

      Ouders met recht op kinderopvangtoeslag (KOT) betalen de inkomensafhankelijke ouderbijdrage en ontvangen kinderopvangtoeslag tot het fiscaal maximum. Indien het door het college vastgestelde subsidiabel uurtarief hoger ligt dan dit maximum, vergoedt de gemeente het verschil, tot maximaal 8 uur per week. Voor de aanvullende 8 uur per week (8 tot 16 uur) vergoedt de gemeente de volledige kosten.

    • b.

      Ouders zonder recht op kinderopvangtoeslag (KOT) betalen de inkomensafhankelijke bijdrage, waarna de gemeente aanvult tot het subsidiabel uurtarief, tot maximaal 8 uur per week. Voor de aanvullende 8 uur per week (8 tot 16 uur) vergoedt de gemeente de volledige kosten.

  • 4.

    Ouders die vallen in de laagste inkomenscategorie van de VNG-tabel betalen over de eerste 8 uur per week geen ouderbijdrage.

  • 5.

    Ouders kunnen ervoor kiezen hun peuter meer uren per dag of per week naar de opvang te laten gaan. Deze extra uren komen volledig voor rekening van de ouder en/of de kinderopvangorganisatie en kunnen niet bij de gemeente in rekening worden gebracht.

Artikel 9. Subsidie VE-coach

  • 1.

    Subsidie wordt verstrekt voor de inzet van een pedagogisch coach of beleidsmedewerker op hbo-niveau ten behoeve van de kwaliteit van de voorschoolse educatie, voor 10 uur per jaar per VE-peuter per locatie.

  • 2.

    Het aantal VE-peuters wordt vastgesteld op basis van de werkelijke bezetting, zoals verantwoord bij de vaststelling van de subsidie, conform de daarvoor geldende vergoeding.

  • 3.

    Het uurtarief wordt gebaseerd op de cao Kinderopvang, schaal 9, trede 35 (inclusief werkgeverslasten), en jaarlijks door het college geïndexeerd.

Hoofdstuk 4 - Ouderbijdragen en kwaliteitseisen

Artikel 10. Ouderbijdrage

  • 1.

    Voor reguliere peuteropvang (als bedoeld in artikel 7) betalen ouders zonder recht op KOT een inkomensafhankelijke ouderbijdrage over maximaal 8 uur per week volgens de VNG-tabel.

  • 2.

    Voor voorschoolse educatie (als bedoeld in artikel 8) geldt dat ouders een inkomensafhankelijke ouderbijdrage betalen over de eerste 8 uur per week. De aanvullende 8 uur per week worden volledig door de gemeente vergoed.

  • 3.

    Ouders in de laagste inkomenscategorie betalen geen ouderbijdrage over de eerste 8 uur per week, zowel voor reguliere peuteropvang als voor voorschoolse educatie.

  • 4.

    Ouders overleggen een verklaring geen recht op KOT en een recente inkomensverklaring (VGI).

  • 5.

    Wijzigingen in inkomen of gezinssamenstelling worden direct gemeld bij de aanbieder, die vervolgens het opvangcontract aanpast.

  • 6.

    Bij een aantoonbare forse inkomensdaling kan herziening van de ouderbijdrage worden aangevraagd.

  • 7.

    In onevenredige situaties kan een beroep worden gedaan op artikel 22 (hardheidsclausule).

  • 8.

    Aanbieders innen de ouderbijdragen zelf en dragen het risico van niet-betaling.

Artikel 11. Aanvullende verplichtingen en kwaliteitseisen voor aanbieders

  • 1.

    De aanbieder die subsidie ontvangt op grond van deze regeling, voldoet aan de volgende verplichtingen:

    • a.

      verleent alle medewerking aan onderzoeken door de GGD ter controle op de naleving van de wettelijke kwaliteitseisen;

    • b.

      int de ouderbijdrage zoals bedoeld in artikel 10;

    • c.

      neemt actief deel aan het lokaal overleg voorschool–basisschool (doorgaande leerlijn 0–13 jaar) en draagt bij aan het bereiken van de doelgroep;

    • d.

      levert jaarlijks de door de gemeente gevraagde monitoringsinformatie;

    • e.

      verleent, voor zover mogelijk, voorrang aan doelgroepkinderen bij plaatsing;

    • f.

      biedt VE-peuters minimaal 960 uur voorschoolse educatie in anderhalf jaar, met maximaal 6 aaneengesloten uren per dag.

  • 2.

    De GGD houdt toezicht op de naleving van de wettelijke basisvoorwaarden voor voorschoolse educatie. Zij kan dit toezicht zowel vóór verlening, tijdens de uitvoering als na afloop van de subsidieperiode uitoefenen.

  • 3.

    De Inspectie van het Onderwijs of een door het college aangewezen onderwijsbegeleidingsdienst kan aanvullend onderzoek verrichten naar de uitvoering en borging van de kwaliteitseisen, ter ondersteuning van het gemeentelijk toezicht.

  • 4.

    De houder voldoet aan de volgende kwaliteitseisen:

    • a.

      Aanbod en personeel

      • Op alle groepen waarvoor subsidie wordt ontvangen, wordt voorschoolse educatie aangeboden.

      • Het aanbod voldoet aan het Besluit basisvoorwaarden kwaliteit voorschoolse educatie.

      • Het VVE-werkplan beschrijft een doorgaande en opklimmende leerlijn, met differentiatie naar kindniveau.

      • Pedagogisch medewerkers zijn gecertificeerd in het gebruikte VVE-programma.

      • De kwaliteit van de voorschoolse educatie wordt jaarlijks geëvalueerd; bevindingen en verbeteracties worden vastgelegd.

    • b.

      Kindvolgsysteem en overdracht

      • Voor alle peuters wordt een kindvolgsysteem gebruikt.

      • Het VVE-aanbod voor doelgroeppeuters is doelgericht gepland.

      • De overdracht naar het primair onderwijs vindt plaats volgens een vastgesteld protocol.

      • Voor (doelgroep)peuters is sprake van een warme overdracht.

      • De houder onderhoudt aantoonbare samenwerking met minimaal één basisschool, vastgelegd in een locatieplan.

      • De samenwerking wordt jaarlijks geëvalueerd.

    • c.

      Zorg

      • Bij de intake wordt geregistreerd of een kind externe zorg ontvangt of heeft ontvangen.

      • Aanvullende zorg op de groep wordt in overleg met de ouders afgestemd.

      • De houder beschikt over een interne zorgstructuur voor signalering en follow-up.

      • Er is samenwerking met de GGD en het Gebiedsteam ZO Someren.

    • d.

      Ouderbeleid

      • De houder beschikt over een visie en doelstellingen voor ouderparticipatie in de voorschoolse educatie.

      • Er is een analyse gemaakt van de ouderpopulatie (taal, opleidingsniveau en sociaaleconomische status).

      • Op basis van deze analyse is concreet ouderbeleid opgesteld en aantoonbaar uitgevoerd.

      • Ouders worden geïnformeerd over het pedagogisch beleid, het ouderbeleid en de doelstellingen van VVE.

      • Pedagogisch medewerkers volgen een vastgelegde informatieprocedure richting ouders.

      • Ouders van doelgroeppeuters worden gestimuleerd om thuis VVE-activiteiten te doen.

      • De houder evalueert jaarlijks het ouderbeleid en actualiseert dit indien nodig op basis van ervaringen, ouderfeedback en wijzigingen in de ouderpopulatie.

Hoofdstuk 5 – Subsidieprocedure

Artikel 12. Aanvraag

  • 1.

    De aanvraag voor subsidie wordt jaarlijks ingediend in de periode van 1 november tot en met 1 januari voorafgaand aan het subsidiejaar.

  • 2.

    De aanvraag wordt per e-mail ingediend bij de gemeente, met gebruik van het door het college beschikbaar gestelde aanvraagformulier.

  • 3.

    Bij de aanvraag worden de gegevens verstrekt die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de subsidieaanvraag, waaronder in elk geval:

    • a.

      de gegevens die in het aanvraagformulier worden gevraagd, waaronder de begrotings- en ureninformatie op basis van het door het college vóór 1 november vastgestelde tariefbesluit;

    • b.

      het werkplan voorschoolse educatie (kort en praktisch van opzet);

    • c.

      desgevraagd een overzicht van het in te zetten personeel;

    • d.

      een verklaring van de houder dat wordt voldaan aan de vereisten van deze regeling en de Algemene subsidieverordening Someren 2018.

Artikel 13. Aanvraagtermijn en uitzonderingen

  • 1.

    De in artikel 12 opgenomen periode van 1 november tot en met 1 januari geldt als reguliere aanvraagtermijn.

  • 2.

    Indien een houder in een lopend kalenderjaar voor het eerst subsidie aanvraagt, kan het college besluiten de aanvraag buiten de reguliere termijn in behandeling te nemen. In dat geval wordt de subsidie naar rato vastgesteld.

Artikel 14. Beslistermijn

  • 1.

    Het college beslist op de subsidieaanvraag binnen acht weken na ontvangst van een volledige aanvraag.

  • 2.

    Het college kan deze termijn eenmalig met maximaal zes weken verlengen, mits dit gemotiveerd en tijdig aan de aanvrager wordt meegedeeld.

Artikel 15. Weigeringsgronden

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de weigeringsgronden uit de Algemene subsidieverordening Someren 2018 (ASV), weigert het college de subsidie in ieder geval indien:

    • a.

      niet wordt voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 5 (subsidieontvanger), of

    • b.

      niet wordt voldaan aan de verplichtingen genoemd in artikel 11 (Aanvullende verplichtingen en kwaliteitseisen).

  • 1.

    Het college kan subsidie weigeren indien naar oordeel van het college het bestaande aanbod van peuteropvang of voorschoolse educatie binnen de gemeente toereikend is in aantal, spreiding en capaciteit om te voorzien in de lokale behoefte.

  • 2.

    Het college kan een subsidieplafond vaststellen. Subsidie wordt geweigerd voor zover toekenning zou leiden tot overschrijding van dit plafond.

Artikel 16. Verlening, voorschotten en betaling

  • 1.

    Het college verleent de subsidie voorlopig, op basis van de ingediende urenprognose per doelgroep zoals bedoeld onder artikel 4 a t/m d.

  • 2.

    De subsidie wordt in de vorm van voorschotten per kwartaal uitbetaald, tenzij het college anders bepaalt.

  • 3.

    De hoogte van het voorschot wordt berekend op basis van de urenprognose voor het betreffende tijdvak.

Artikel 17. Tussentijdse verantwoording

  • 1.

    De subsidieontvanger dient éénmaal per jaar, halverwege het subsidiejaar, een beknopte tussentijdse verantwoording in over de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de besteding van de subsidie.

  • 2.

    Het college kan, indien daartoe aanleiding is, verzoeken om een kwartaalrapportage of aanvullende toelichting.

  • 3.

    De verantwoording bevat in ieder geval:

    • a.

      het aantal peuters per doelgroep;

    • b.

      het aantal gerealiseerde uren;

  • 4.

    Het college kan, indien daartoe aanleiding is, een aanvullende tussentijdse rapportage (bijvoorbeeld per kwartaal) of nadere toelichting opvragen.

  • 5.

    Het college kan nadere eisen stellen aan de vorm of inhoud van de verantwoording, mits deze redelijk en uitvoerbaar zijn voor de subsidieontvanger.

Artikel 18. Dossiervorming en controle

  • 1.

    De aanbieder bewaart de administratie, registraties en bescheiden die betrekking hebben op deze regeling minimaal vijf jaar na afloop van het subsidiejaar, zodat controle mogelijk blijft.

  • 2.

    Het college kan, indien nodig, controleonderzoek uitvoeren om te toetsen of de verstrekte gegevens juist en volledig zijn en of de subsidie rechtmatig is besteed.

Deze controle kan aangekondigd of onaangekondigd plaatsvinden.

Artikel 19. Wijziging van de verleningsbeschikking

Het college kan de beschikking tot subsidieverlening wijzigen indien:

  • a.

    de activiteiten geheel of gedeeltelijk niet worden uitgevoerd;

  • b.

    zich omstandigheden voordoen waardoor de subsidieaanvraag of -verlening niet langer aansluit bij de werkelijke situatie;

  • c.

    de subsidieontvanger daarom verzoekt en het verzoek voldoende is gemotiveerd.

Artikel 20. Vaststelling

  • 1.

    De subsidieontvanger dient de eindverantwoording uiterlijk op 15 februari van het jaar volgend op het subsidiejaar in bij het college.

  • 2.

    De aanvraag tot vaststelling bevat in ieder geval:

    • a.

      een kort inhoudelijk verslag van de uitgevoerde activiteiten (maximaal één A4);

    • b.

      een totaaloverzicht van het aantal kinderen, uren en ouderbijdragen per doelgroep;

    • c.

      indien het subsidiebedrag over het betreffende jaar € 100.000 of meer bedraagt, kan het college verlangen dat de aanvraag wordt vergezeld van een accountantsverklaring of een andere, door het college te bepalen vorm van financiële verantwoording.

  • 3.

    Het college stelt de subsidie binnen vier weken na ontvangst van een volledige aanvraag vast. Deze termijn kan eenmalig met maximaal vier weken worden verlengd.

  • 4.

    Indien uit de vaststelling blijkt dat een hoger bedrag is bevoorschot dan gerechtvaardigd was, vordert het college het teveel betaalde bedrag terug.

  • Indien uit de vaststelling blijkt dat het recht op subsidie hoger is dan het reeds uitbetaalde voorschot, betaalt het college het verschil alsnog uit.

Hoofdstuk 6 - Financiële bepalingen

Artikel 21. Subsidieplafond

  • 1.

    De gemeenteraad stelt jaarlijks het budget voor peuteropvang en voorschoolse educatie vast.

  • 2.

    Het college kan, bij afzonderlijk besluit, voor deze regeling een subsidieplafond vaststellen. Daarbij wordt tevens de wijze van verdeling bepaald, bijvoorbeeld op volgorde van binnenkomst of naar rato van de aangevraagde uren.

    Het college kan daarbij bepalen dat aanvragen voor doelgroepkinderen (VE-peuters met een VVE-indicatie) voorrang krijgen boven aanvragen voor reguliere peuteropvang.

  • 3.

    Aanvragen die zouden leiden tot overschrijding van het subsidieplafond worden geheel of gedeeltelijk geweigerd.

  • 4.

    Het college kan het subsidieplafond verhogen indien binnen het lopende begrotingsjaar aanvullende middelen beschikbaar komen.

Hoofdstuk 7 - Slotbepalingen

Artikel 22. Hardheidsclausule

  • 1.

    Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van bepalingen van deze regeling, zowel ten gunste als ten nadele van de subsidieaanvrager of -ontvanger, wanneer strikte toepassing zou leiden tot onevenredige gevolgen voor de betrokken partij of voor de gemeente in verhouding tot de met die bepalingen te dienen doelen.

  • 2.

    Bij toepassing van deze clausule motiveert het college uitdrukkelijk waarom afwijking noodzakelijk is en welke alternatieve bepaling of voorwaarde daarvoor geldt.

Artikel 23. Aanvullende bevoegdheid

In gevallen waarin deze subsidieregeling niet voorziet, beslist het college.

Artikel 24. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Zij wordt aangehaald als: Subsidieregel peuterplaatsen en voorschoolse educatie gemeente Someren 2026

  • 3.

    De Subsidieregel peuterplaatsen en VVE Someren 2022 wordt per dezelfde datum ingetrokken.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Someren,

de secretaris,

J. Weekers

wnd. burgemeester,

P.J.M.G. Blanksma