Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR753673
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR753673/1
Verordening Bedrijveninvesteringszone Zaltbommel 2026-2030
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening Bedrijveninvesteringszone Zaltbommel 2026-2030De raad van de gemeente Zaltbommel;
gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van dinsdag 4 november 2025
gelet op de Wet op de bedrijveninvesteringszones;
besluit vast te stellen de volgende verordening:
Verordening Bedrijveninvesteringszone Zaltbommel 2026 – 2030
Hoofdstuk I Algemene bepalingen
Artikel 1. Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
Bedrijveninvesteringszone: het op de bij deze verordening behorende kaart aangewezen gebied in de gemeente waarbinnen de BIZ-bijdrage wordt geheven;
- b.
college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente;
- c.
uitvoeringsovereenkomst: tussen de gemeente en Vereniging Vastgoedeigenaren Binnenstad Zaltbommel in het eerste kwartaal 2026 gesloten overeenkomst als bedoeld in artikel 7, derde lid, van de wet;
- d.
wet: Wet op de Bedrijveninvesteringszone.
Hoofdstuk II Belastingbepalingen
Artikel 2. Belastbaar feit en aard van de belasting
-
1. Onder de naam ‘BIZ-bijdrage’ wordt jaarlijks een directe belasting geheven ter zake van binnen de Bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaken die op grond van artikel 220a Gemeentewet niet in hoofdzaak tot woning dienen.
-
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven ter bestrijding van de kosten die zijn verbonden aan activiteiten in de openbare ruimte en op internet, die zijn gericht op het bevorderen van de leefbaarheid of de veiligheid in de Bedrijveninvesteringszone of de ruimtelijke kwaliteit of de economische ontwikkeling van de Bedrijveninvesteringszone.
Artikel 3. Voorwerp van de belasting
-
1. Voorwerp van de belasting is een onroerende zaak.
-
2. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 4. Belastingplicht
-
1. De BIZ-bijdrage wordt geheven van de eigenaar, zijnde degene die bij het begin van het kalenderjaar het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht heeft van een in de Bedrijveninvesteringszone gelegen onroerende zaak.
-
2. Als eigenaar wordt aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genot hebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.
Artikel 5. Maatstaf van heffing
-
1. De BIZ-bijdrage wordt geheven naar de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar 2026.
-
2. De BIZ-bijdrage wordt geheven in het gebied zoals aangegeven op de bij deze verordening behorende en daarvan deel uitmakende kaart.
-
3. Indien met betrekking tot de onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak bepaald met toepassing van artikel 6, alsmede met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 6. Vrijstellingen
-
1. In afwijking in zoverre van artikel 5 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet al is gebeurd bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:
- a.
voor de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem te gebruiken;
- b.
glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;
- c.
onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
- d.
één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op de voet van de Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de voorwaarden genoemd in artikel 8 van het rangschikkingsbesluit Natuurschoonwet 1928, met uitzondering van de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;
- e.
natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;
- f.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
- g.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
- h.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;
- i.
werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;
- j.
onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst van de gemeente;
- k.
straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;
- l.
plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
- m.
begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;
- n.
onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs;
- o.
onroerende zaken die worden beheerd door een vereniging of stichting die geen onderneming drijft, voor zover die objecten bestemd en in gebruik zijn voor het geven van onderwijs, voor club- en buurthuiswerk, voor de beoefening van sport, kunst of cultuur, of voor andere activiteiten van sociale of culturele aard;
- p.
onroerende zaken voor zover die bestemd en in gebruik zijn voor de publieke dienst ter zake van brandweerzorg, rampenbeheersing, crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening in de regio en de handhaving van de openbare orde en veiligheid.
- q.
onroerende zaken die vanuit de WOZ-administratie zijn aangemerkt als opslag of garages.
- r.
onroerende zaken die vanuit de WOZ-administratie zijn aangemerkt als verpleegtehuis, verzorgingstehuis, bejaardentehuis (woon/zorg functies).
- a.
-
Bij artikel 6, punt q en r is een extra ontheffing toegevoegd. De wens is om opslag, garages bejaarden- of verzorgingstehuizen als ontheffing op te nemen in de BIZ-zone. Om te voorkomen dat er onduidelijkheid is over het grensvlak wonen of zorg, of het grensvlak van wel of niet commercieel. De aard van dergelijke onroerende zaak is onderscheidend t.o.v. de onroerende zaken waarvan de BIZ-bijdrage wel wordt geheven. De activiteiten van de BIZ zijn gericht op de versterking van het dorps- en bezoekersklimaat. De uitgesloten categorieën hebben minder profijt van de investeringen.
-
2. Aanvullend op bovenstaande vrijstellingen wordt, bij de heffingsmaatstaf in artikel 5 lid 1 gestelde eisen, de waarde van gedeelten van het belastingobject die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden, uitgesloten bij het bepalen van de BIZ-heffing.
Artikel 7. Tarief BIZ-bijdrage
-
1. De BIZ-bijdrage bedraagt per belastingobject voor het belastingjaar 2026: 0,14% van de heffingsmaatstaf zoals bedoeld in artikel 5, lid 1, met een minimum van € 250,- en een maximum van €2500,-.
-
2. Met ingang van het belastingjaar 2027 wordt de BIZ-bijdrage jaarlijks geïndexeerd met de prijsindex Prijs bruto binnenlands product (pbbp), afkomstig van de Septembercirculaire uit het jaar voorafgaand aan het nieuwe belastingjaar.
-
3. Het college van burgemeester en wethouders kan, in uitzonderlijke gevallen en met een deugdelijke motivering, besluiten af te wijken van de jaarlijkse inflatiecorrectie zoals bedoeld in lid 2, indien toepassing daarvan leidt tot onevenredige gevolgen voor belastingplichtigen of strijd met het algemeen belang.
Artikel 8. Wijze van heffing
De BIZ-bijdrage wordt jaarlijks bij wege van aanslag geheven.
Artikel 9. Termijnen van betaling
-
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag uiterlijk 3 maanden na dagtekening van het aanslagbiljet betaald zijn.
-
2. In afwijking van het eerste lid kan op verzoek bij een aanslagbedrag meer dan € 30 en minder dan € 5.000 betaald worden door middel van een automatische incasso. Het aantal incasso termijnen is dan maximaal 3 termijnen. De eerste termijn vervalt op de 25ste dag van de maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand later.
-
3. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijnen.
Artikel 10. Looptijd belastingheffing
De BIZ-bijdrage wordt ingesteld voor een periode van 5 jaar.
Artikel 11. Kwijtschelding
Bij de invordering van de BIZ-bijdrage wordt geen kwijtschelding verleend.
Hoofdstuk III Subsidiebepalingen
Artikel 12. Buiten toepassing algemene subsidieverordening
Op de subsidie op grond van deze verordening is de Algemene Subsidieverordening van de gemeente Zaltbommel niet van toepassing.
Artikel 13. Aanwijzing [vereniging /stichting]
De BIZ-bijdrage wordt als subsidie verstrekt aan de bij deze verordening aangewezen Stichting. Deze Stichting (BIZBZ)wordt aangewezen als de stichting bedoeld in artikel 7 van de wet, waarmee een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de Algemene wet bestuursrecht is gesloten, waarin is bepaald dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt verplicht moeten worden verricht.
Artikel 14. Subsidieverlening
-
1. De subsidie wordt jaarlijks door het college verleend aan de voor de uitvoering van de activiteiten die zijn opgenomen in de uitvoeringsovereenkomst. De subsidie wordt verleend op een daartoe gedane aanvraag, die vergezeld moet gaan van de in de uitvoeringsovereenkomst genoemde stukken.
-
2. De subsidie wordt bepaald op de jaarlijks ontvangen BIZ-bijdragen verminderd met de perceptiekosten voor de heffing en invordering van de BIZ-bijdragen. De door de gemeente in mindering te brengen perceptiekostenbedragen maximaal € 2.150, - per jaar van de BIZ-subsidie.
Artikel 15. Subsidieverplichtingen
Naast de in artikel 4:37 van de Algemene wet bestuursrecht genoemde verplichtingen kunnen aan de Stichting ook andere doel gebonden verplichtingen worden opgelegd. Deze verplichtingen zijn opgenomen in de met de Stichting gesloten uitvoeringsovereenkomst.
Artikel 16. Subsidievaststelling
-
1. De Stichting is verplicht om binnen 6 maanden na afloop van het subsidiejaar de in de uitvoeringsovereenkomst opgenomen stukken te overleggen.
-
2. De subsidie wordt vastgesteld uiterlijk 8 weken na ontvangst van de in het voorgaande lid genoemde stukken.
Artikel 17. Melding van relevante wijzigingen
De Stichting stelt het college zo spoedig mogelijk schriftelijk op de hoogte van:
- a.
meer dan ondergeschikte veranderingen in haar financiële situatie,
- b.
een wijziging van de statuten,
- c.
verandering of beëindiging van activiteiten.
Hoofdstuk IV Slotbepalingen
Artikel 18. Inwerkingtreding
-
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag nadat het college heeft bekendgemaakt dat van voldoende steun als bedoeld in artikel 4 van de wet is gebleken.
-
2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 19. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Bedrijveninvesteringszone Zaltbommel 2026 – 2030
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11 december 2025,
De voorzitter,
De griffier,
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl