Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR753306
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR753306/1
Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet ZoetermeerSamenvatting
Op 6 november 2023 heeft de gemeenteraad de motie 2311-74 – Giften in de bijstand vrij tot 1800 euro aangenomen. Hierin wordt het college verzocht om bijstandsgerechtigden vanaf 1 januari 2024 een vrijstelling te geven van giften tot € 1.800 euro per kalenderjaar.
Met de inwerkingtreding van de Participatiewet in Balans per 1 januari 2026 heeft de wetgever duidelijk vastgelegd welke beleidsruimte gemeenten hebben om giften binnen de Participatiewet vrij te laten. Deze nieuwe beleidsregels sluiten aan op deze landelijke wetgeving.
Met dit besluit stelt het college de “Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer 2026” vast. Hiermee geeft de gemeente uitvoering aan de motie, huidige landelijke wetgeving en leggen we vast hoe Zoetermeer omgaat met het vrijlaten van giften binnen de bijstand.
Besluit
Het college van burgemeester en wethouders van Zoetermeer heeft op 2 december 2025 besloten:
- •
De Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer 2024 in te trekken
- •
De Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer 2026 vast te stellen
Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer
Burgemeester en wethouders van Zoetermeer,
Met dit beleid wordt uitvoering gegeven aan de motie 2311-74, waarbij het eerder vastgestelde bedrag van €1.800 in lijn is gebracht met de nieuwe wetgeving.
Besluiten:
Vast te stellen de Beleidsregels Vrijlating Giften Participatiewet Zoetermeer
Artikel 1 Begrippen
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
- b.
gift: een onverplichte betaling dan wel schenking van geld, goederen of een andere vorm niet zijnde geld, waarvoor niets terug wordt verlangd;
- c.
giften met een specifieke bestemming: giften waarvoor belanghebbende, als deze de gift niet had ontvangen, aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;
- d.
overige giften: alle andere giften dan die bedoeld in c., niet zijnde giften van de Voedselbank.
Artikel 2 Vrijlating van giften met een specifieke bestemming
-
1. Giften met een specifieke bestemming worden volledig vrijgelaten en niet met de bijstandsuitkering verrekend.
-
2. De belanghebbende dient desgevraagd voldoende aannemelijk te maken dat de gift is besteed aan de bestemming waarvoor zij is verstrekt.
Artikel 3 Vrijlating van overige giften
Overige giften worden per kalenderjaar vrijgelaten tot een bedrag als bedoeld in artikel 31 lid 2 onder m Participatiewet.
Artikel 4 Meldingsplicht
Zolang het totaalbedrag aan giften met een specifieke bestemming en overige giften in een kalenderjaar onder het bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels blijft, hoeft de belanghebbende de giften niet bij het college te melden. Zodra het totaalbedrag in een kalenderjaar echter boven het bedrag als in artikel 3 van deze beleidsregels of meer bedraagt, moet de belanghebbende dit aan het college doorgeven.
Artikel 5 Vrijlating van giften van de Voedselbank
-
1. Giften van de Voedselbank worden volledig vrijgelaten en niet met de bijstandsuitkering verrekend. Zij tellen niet mee voor het vrijlatingsbedrag uit artikel 3.
-
2. Giften van de Voedselbank hoeven nimmer aan het college te worden gemeld.
Artikel 6 Inwerkingtreding
De beleidsregels treden in werking per 1 januari 2026.
Ondertekening
Burgemeester en wethouders van Zoetermeer, 2 december 2025
de secretaris,
mr. A.S. Meijer
de burgemeester,
drs. M.J. Bezuijen
Toelichting
Algemeen
Deze beleidsregels zijn in 2025 herzien na bekendmaking van de nieuwe Participatiewet in Balans. De beleidsregels zijn in lijn met de nieuwe wetgeving per 1 januari 2026.
Er wordt beoogd te voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Daarnaast beoogt de beleidsregel om uitkeringsgerechtigden toe te staan om, zonder een onevenredige administratieve last, gebruik te maken van die vrijgevigheid.
In deze beleidsregels:
- •
wordt geen onderscheid gemaakt tussen uitkeringsgerechtigden van 18 tot 21 jaar die in vergelijking met personen van 21 jaar en ouder een lagere bijstandsnorm ontvangen;
- •
wordt geen onderscheid gemaakt in samenstelling van huishoudens;
- •
wordt niet bepaald dat wanneer een huishouden in een jaar uitkeringsgerechtigd wordt, dat het vrijgestelde bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels wordt berekend naar rato van het aantal maanden waarvoor het recht op uitkering bestaat;
- •
Worden geen ‘normbedragen’ gehanteerd voor giften in natura. Dit betekent dat verwacht wordt van de uitkeringsrechtigde dat deze een redelijke inschatting maakt van de waarde van giften in natura.
Uit deze beleidsregels volgt wanneer giften in de bijstand niet tot de middelen moeten worden gerekend en dus vrijgelaten worden. Ook blijkt eruit wanneer er geen melding van giften hoeft te worden gemaakt.
De beleidsregels gaan uit van een verantwoordelijkheid van de bijstandsgerechtigde om zelf bij te houden wat er aan giften binnenkomt, bijvoorbeeld om inzicht te bieden wanneer de gemeente hierom verzoekt, en wanneer melden aan de orde is.
Deze beleidsregels staan het individualiseringsprincipe niet in de weg, om ook in andere gevallen giften niet te rekenen tot middelen die moeten worden verrekend met de uitkering.
Artikel 1
Ten aanzien van het begrip gift wordt benadrukt dat kenmerkend voor giften is, dat er geen wederdienst tegenover staat én dat er geen verplichting aan ten grondslag ligt.
Bijschrijvingen van ex-partners bedoeld voor partner- en/of kinderalimentatie vallen dan ook niet onder giften, maar zijn inkomen en worden dus niet vrijgelaten.
In de definitiebepalingen wordt onderscheid gemaakt tussen ‘giften met een specifieke bestemming’ en ‘overige giften’. Dit wordt gedaan, om in de artikelen van de beleidsregels duidelijk te onderscheiden wanneer welke giften wél gemeld moeten worden en wanneer niet.
Artikel 2
Dit artikel gaat over ‘giften met een specifieke bestemming’, waarmee giften worden bedoeld:
- •
waarvoor belanghebbende, als hij de gift niet had ontvangen, aanspraak zou kunnen maken op bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet of een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning’ (artikel 1, definities).
- •
die bestemd zijn voor medische kosten
- •
die bestemd zijn voor aflossing van probleemschulden
In het artikel wordt bepaald dat dergelijke giften worden vrijgelaten en dus niet met de bijstandsuitkering worden verrekend. Ook wordt bepaald dat de belanghebbende aannemelijk moet kunnen maken dat de gift ook is besteed als ‘gift met een specifieke bestemming’.
Artikel 3
Het artikel heeft betrekking op de ‘overige giften’. Dit zijn andere giften dan waarover het gaat in artikel 2 en ook giften van de Voedselbank vallen hier niet onder (zie de definities in artikel 1).
Voor deze ‘overige giften’ geldt dat zij per kalenderjaar zijn vrijgelaten tot een bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels per kalenderjaar. Het gaat daarbij om het totaal aan giften in natura en giften in geld. Het kan dus gaan om (al dan niet periodieke) geldelijke bedragen, boodschappen, etc.
Artikel 4
Dit artikel bepaalt voor welke giften er een meldingsplicht bestaat. Namelijk als alle giften m.u.v. giften van de voedselbank (namelijk ‘giften met een specifieke bestemming’ en ‘overige giften’; zie de definities in artikel 1) in een kalenderjaar tezamen het bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels of meer bedragen.
De uitkeringsgerechtigde moet dit dan melden bij het college (in de praktijk: de regisseur inkomen) en inzichtelijk kunnen maken welke giften het betreft.
Als de totaalwaarde van alle giften m.u.v. giften van de voedselbank onder het bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels blijft, dan geldt er géén meldingsplicht.
Door de meldingsplicht voor alle giften m.u.v. giften van de voedselbank te stellen op het bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels:
- •
wordt gerealiseerd dat er altijd als het drempelbedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels dat geldt voor vrij te laten ‘overige giften’ - wordt bereikt, er een melding bij het college wordt gedaan. Het overige aan ‘giften’ verrekent het college met de bijstand (want het meerdere dan het bedrag bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels is niet vrijgelaten);
- •
Wordt gerealiseerd dat het college altijd de mogelijkheid krijgt om in gevallen waarin dit nodig is, te beoordelen of er wel of geen sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’. Het doel daarvan is om te voorkomen dat iemand onverwacht achteraf te maken krijgt met een terugvordering / verrekening. Dat zou namelijk kunnen gebeuren wanneer ‘giften met een specifieke bestemming’ niet zoals geregeld in artikel 4 onder de meldingsplicht zouden vallen. Het kan dan immers zo zijn dat een belanghebbende zelf veronderstelt dat er wél sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’ terwijl het college (in de praktijk: de regisseur inkomen) later vaststelt dat er géén sprake is geweest van een ‘gift met een specifieke bestemming’, maar van een ‘overige gift’. Als het bedrag aan ‘overige giften’ dan meer dan het bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels is, dan volgt er een – eerder niet voorziene – verrekening.
- •
Wordt voorkomen dat inwoners te maken krijgen met onnodige administratieve lasten. Zij hoeven niet iedere (kleine) gift te melden bij het college (in de praktijk; de regisseur inkomen).
Door de meldingsplicht te regelen zoals in artikel 4 wordt gedaan, kan de regisseur inkomen tijdig en wanneer dat nodig is onderzoeken of het inderdaad om giften gaat waarvoor recht op bijzondere bijstand bestaat. Het moet daarbij ‘aannemelijk’ zijn dat er bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden. Bijvoorbeeld kan het gaan om een gift voor een ijskast. Wanneer er op de overschrijving staat ‘voor de ijskast’ en er is een factuur van een nieuwe ijskast, dan kan gesteld worden dat er sprake is van ‘aannemelijk’ dat de gift voor de ijskast was. Het is aan de inkomensregisseur om dit in redelijkheid te bepalen.
Als het college oordeelt dat er wél sprake is van een ‘gift met een specifieke bestemming’ dan weet de uitkeringsgerechtigde ook dat de gift niet meetelt in het vrijgestelde bedrag als bedoeld in artikel 5 van deze beleidsregels voor overige giften.
Artikel 5
Giften van de Voedselbank zijn altijd vrijgelaten en tellen niet mee voor het maximale bedrag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels voor ‘overige giften’. Deze giften hoeven nooit gemeld te worden.
Artikel 6
De beleidsregels treden per 1 januari 2026 in werking.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl