Erfgoedverordening Dordrecht

Geldend van 30-12-2010 t/m heden

Intitulé

Erfgoedverordening Dordrecht

De RAAD van de gemeente Dordrecht;

 

gezien het voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders van 23 november 2010, Nr. SO/2010/482366;

 

gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; de artikelen 12, 15 en 38 van de Monumentenwet 1988 en de artikelen 2.1. en 2.2. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

 

b e s l u i t :

  

  • 1.

    de Monumentenverordening van Dordrecht, vastgesteld op 31 januari 1995, gewijzigd op 1 april 2005 en 1 april 2009 in te trekken;

  • 2.

    kennis te nemen van de Beleidsregel inzake de selectiecriteria voor de aanwijzing van gemeentelijke monumenten;

  • 3.

    vast te stellen de navolgende "Erfgoedverordening Dordrecht"

Hoofdstuk 1 Algemeen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    monument:

    1.   zaak, die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;

    2.   terrein of gebied dat van algemeen belang is wegens zijn cultuurhistorische of landschappelijke waarde, dan wel wegens een daar aanwezige zaak of zaken bedoeld onder 1;

  • b.

    gemeentelijk monument: een overeenkomstig deze verordening als beschermd gemeentelijk monument aangewezen zaak of terrein als bedoeld onder a;

  • c.

    gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken of terreinen zijn geregistreerd;

  • d.

    rijksmonument: beschermd monument als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • e.

    welstands- en monumentencommissie: de op basis van artikel 15 Monumentenwet 1988 ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, deze verordening en het erfgoedbeleid;

  • f.

    gemeentelijke archeologische verwachtingskaart: topografische kaart van het gemeentelijke grondgebied, waarop de archeologische verwachtingsgebieden zijn aangegeven;

  • g.

    archeologisch verwachtingsgebied: gebied op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart, waarvan een specifieke verwachting op het aantreffen van sporen en vondsten is aangegeven;

  • h.

    plan van aanpak: een door de archeologisch uitvoerder op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het programma van eisen te voldoen;

  • i.

    programma van eisen: een programma dat door het college wordt opgesteld en/of bekrachtigd en waarmee kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek;

  • j.

    gemeentelijke beleidskaart archeologie: kaart op basis van de archeologische verwachtingskaart en waar aan archeologische verwachtingsgebieden een specifiek beleid is gekoppeld;

  • k.

    zeer hoge archeologische verwachting (historische kern en terreinen op de provinciale  Archeologische Monumentenkaart): zeer grote kans op archeologische vondsten of informatie;

  • l.

    hoge archeologische verwachting: grote kans op archeologische vondsten of informatie;

  • m.

    middelmatige archeologische verwachting: gemiddelde kans op archeologische vondsten of informatie;

  • n.

    lage archeologische verwachting: onbekende, kleine tot geen kans op archeologische vondsten of informatie;

  • o.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • p.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht;

  • q.

    vergunning: een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • r.

    Wabo: Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • s.

    archeologisch uitvoerder: een dienst, bedrijf of instelling, erkend door het Centraal College van Deskundigen en werkend volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

Artikel 2 Het gebruik van het monument

Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument.

Hoofdstuk 2 Aanwijzing gemeentelijke monumenten

Artikel 3 De aanwijzing tot gemeentelijk monument
  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een zaak of terrein als bedoeld in artikel 1, lid a, aanwijzen als gemeentelijk monument.

  • 2. Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt het college advies aan de welstands- en monumentencommissie.

  • 3. Voordat het college een monument met een religieuze bestemming dat uitsluitend of in overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst, als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar.

  • 4. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van de Monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

Artikel 4 Termijnen advies en aanwijzingsbesluit

  • 1.

    Op de voorbereiding van de aanwijzing is de in afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht geregelde procedure van toepassing.

  • 2.

    Het college brengt de ontwerpbeschikking op het verzoek tot aanwijzing dan wel op de ambtshalve te nemen beschikking terstond ter kennis van de welstands- en monumentencommissie.

  • 3.

    De welstands- en monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen twaalf weken na ontvangst van het verzoek van het college.

  • 4.

    Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de welstands- en monumentencommissie, maar in ieder geval binnen zes maanden na het (ambtshalve) verzoek.

  • 5.

    In spoedeisende gevallen kan het college van de in dit artikel opgenomen voorbereidingsprocedure afwijken.

Artikel 5 Mededeling aanwijzingsbesluit

De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan.

Artikel 6 Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst

Het college registreert het gemeentelijk monument op de gemeentelijke monumentenlijst.

Artikel 7 Wijzigen van de aanwijzing

  • 1.

    Het college kan al dan niet op aanvraag van een belanghebbende de aanwijzing wijzigen.

  • 2.

    Artikelen 3, 4 en 5 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit.

  • 3.

    Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing, als bedoeld in lid 2, achterwege.

  • 4.

    De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend.

Artikel 8 Intrekken van de aanwijzing

  • 1.

    Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid, en artikel 4 en 5 van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien aanwijzing plaatsvindt op basis van de Monumentenwet 1988 of de Monumentenverordening van de provincie Zuid-Holland.

  • 3.

    De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst geregistreerd.

Hoofdstuk 3 Instandhouding van gemeentelijke monumenten

Artikel 9 Instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

    a.   een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

    b.   een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3.

    Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, kunnen worden vervangen door het stellen van nadere eisen door het college ten aanzien van de uitvoering van de werkzaamheden.

Artikel 10 De schriftelijke aanvraag

Een aanvraag als bedoeld in artikel 4.2, lid 2 Besluit omgevingsrecht voor een vergunning als bedoeld in artikel 9 en de daarbij te overleggen gegevens en bescheiden worden in drievoud ingediend.

Artikel 11 Termijnen advies

  • 1.

    Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een gemeentelijk monument aan de welstands- en monumentencommissie voor advies.

  • 2.

    Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de welstands- en monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.

Artikel 12 Weigeringsgronden

De vergunning kan slechts worden verleend als de monumentale waarden in voldoende mate in stand blijven en niet onevenredig worden aangetast.

Artikel 13 Intrekken van de vergunning

De vergunning kan door het bevoegd gezag worden ingetrokken indien:

  • a.

    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

  • b.

    de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het gemeentelijk monument zwaarder dient te wegen.

Hoofdstuk 4 Rijksmonumenten

Artikel 14 Vergunning voor rijksmonument

  • 1.

    Het bevoegd gezag zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om vergunning voor een beschermd rijksmonument aan de welstands- en monumentencommissie.

  • 2.

    Binnen vier weken na de datum van verzending van het afschrift brengt de welstands- en monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college.

  • 3.

    Artikel 12 is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 5 Instandhouding van archeologische verwachtingsgebieden

Artikel 15 Instandhoudingbepaling

  • 1.

    Het is verboden om zonder of in afwijking van een vergunning een archeologisch verwachtingsgebied te verstoren, te beschadigen of te vernielen.

  • 2.

    Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien;

  • a.   het een verstoring betreft die plaatsvindt in:

    - een gebied met een lage archeologische verwachting;

    - een gebied met een middelmatige archeologische verwachting én de verstoringsdiepte niet groter is dan 100 cm beneden maaiveld;

    - een gebied met een hoge archeologische verwachting én de verstoringsdiepte niet groter is dan 70 cm beneden maaiveld;

  • - een gebied met een zeer hoge archeologische verwachting én de verstoringsdiepte niet groter is dan 40 cm beneden maaiveld;

  • b.   in het geldend bestemmingsplan bepalingen zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

  • c.   sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg;

  • d.   het college nadere eisen stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een archeologisch verwachtingsgebied als aangegeven op de gemeentelijke archeologische verwachtingskaart;

  • e.   een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat:

  • - het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd, of

  • - de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad, of

  • - in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Artikel 16 Opgraving en begeleiding

  • 1.

    Indien binnen het grondgebied van de gemeente Dordrecht onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van opgravingen in de zin van artikel 1 sub h Monumentenwet 1988, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet:

  • a.   het college een programma van eisen vast te stellen, waarbij nadere eisen worden gesteld ten aanzien van het onderzoek;

  • b.   de archeologisch uitvoerder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen.

  • 2.

    In de nadere eisen neemt het college bepalingen op met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het plan van aanpak. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.

  • 3.

    Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan een deskundige, zoals omschreven in de Wet op de archeologische monumentenzorg.

Artikel 17 Procedure

De bepalingen uit artikel 10, 12 en 13 zijn van overeenkomstige toepassing op artikel 15, tweede lid, onder e, en artikel 16, eerste lid, onder b.

Hoofdstuk 6 Overige bepalingen

Artikel 18 Tegemoetkoming in schade

  • 1.

    Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot:

    a.   de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 9 te verlenen;

    b.   de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 9;

    c.   de door het college nader te stellen eisen als bedoeld in artikel 9, derde lid;

    d.   de door het college nader te stellen eisen als bedoeld in artikel 15, tweede lid, onder d;

    e.   een aanwijzing als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin.

Artikel 19 Strafbepaling

Degene, die handelt in strijd met het eerste en tweede lid van artikel 9 en artikel 15, met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid, onder e, van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden.

Artikel 20 Toezichthouders

  • 1.

    Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    a.   Met betrekking tot zaken, terreinen en gebieden als bedoeld in artikel 1, onder b en c; de toezichthouders van de Milieudienst Zuid-Holland Zuid.

  • 2.

    Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 21 Intrekken oude regeling

De Monumentenverordening van Dordrecht vastgesteld op 31 januari 1995, gewijzigd op 1 april 2005 en 1 april 2009 wordt ingetrokken.

Artikel 22 Overgangsrecht

  • 1.

    De op grond van de onder artikel 21 ingetrokken Monumentenverordening aangewezen en geregistreerde gemeentelijke monumenten, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening.

  • 2.

    Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in artikel 21 ingetrokken verordening.

 

Artikel 23 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 30 december 2010 en werkt terug tot 1 oktober 2010.

Artikel 24 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als "Erfgoedverordening Dordrecht".

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 21 december 2010.
De waarnemend griffier,                                              De voorzitter,
 
 
 
 
M.J.W.T. Hendrickx                                                    A.A.M. Brok