Verordening op de heffing en de invordering van reinigingsheffingen 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening op de heffing en de invordering van reinigingsheffingen 2026

Besluit van de raad van de gemeente Assen tot vaststelling van de Verordening op de heffing en de invordering van reinigingsheffingen 2026 (Verordening reinigingsheffingen 2026) 

De raad van de gemeente Assen; 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025

gelet op artikel 15.33 van de Wet milieubeheer en artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b van de Gemeentewet; 

besluit vast te stellen de volgende verordening: 

Verordening op de heffing en de invordering van reinigingsheffingen 2026

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1. Inleidende bepalingen

Krachtens deze verordening worden geheven:

  • a.

    een afvalstoffenheffing;

  • b.

    reinigingsrechten.

Artikel 2. Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • ‘gebruik maken’ in hoofdstuk II Afvalstoffenheffing: gebruik maken in de zin van artikel 15.33 Wet milieubeheer;

  • ‘grof bedrijfsafval’: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen, welke door aard, omvang of hoeveelheid niet periodiek worden ingezameld.

Hoofdstuk II Afvalstoffenheffing

Artikel 3. Aard van de belasting en belastbaar feit

  • 1.

    Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  • 2.

    De afvalstoffenheffing bedoeld in deze verordening wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruik maken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 4. Belastingplicht

De belasting wordt geheven van degene die in de gemeente naar de omstandigheden beoordeeld al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

Artikel 5. Maatstaf van heffing en belastingtarief

1

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en tarieven zoals opgenomen in de onderstaande artikelleden.

2025

2026

2.

Het tarief bedraagt per perceel, per belastingjaar, indien dat perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar bij de aanvang van de belastingplicht wordt gebruikt

door:

a.

een persoon:

€209,17

€213,64

b.

meer dan een persoon:

€282,40

€288,42

3.

Onverminderd het hiervoor gestelde onder lid 2 bedraagt de belasting voor het achterlaten van afval vanaf 300 kilogram per pashouder (Afvalpas) per jaar op een van gemeentewege beschikbare plaats per kilogram:

€ 0,25

€ 0,25

4.

Onverminderd het hiervoor bepaalde, bedraagt de belasting per melding voor het op aanvraag inzamelen van:

 

 

 a.

Grof afval, maximaal 2m3 per keer, per m3:

€ 58,56

€ 59,81

 b.

Snoeiafval, maximaal 2 m3 per keer, per m3:

€ 42,28

€ 43,18

 c.

Elektrische en elektronische apparaten (AEEA), per rit:

€ 15,00

€ 15,32

met dien verstande dat een gedeelte van een volle eenheid als een volle eenheid wordt aangemerkt.

Artikel 6. Belastingjaar

Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven, is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7. Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 5, lid 2, wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    De belasting bedoeld in artikel 5, lid 3 en 4, wordt geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 8. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting bedoeld in artikel 5, lid 2, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting bedoeld in artikel 5, lid 2, verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3.

    Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing van de belasting bedoeld in artikel 5, lid 2, voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven, tenzij het bedrag van de ontheffing minder bedraagt dan € 10,00.

  • 4.

    Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

  • 5.

    De belasting, bedoeld in artikel 5, lid 3 en 4, is verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening.

Artikel 9. Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet de in artikel 8, eerste lid, bedoelde belasting worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 50,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in tien gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen één maand later.

  • 3.

    De belasting moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 7, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 4.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 10. Vrijstelling

Inwoners van de gemeente Assen kunnen huishoudelijk groenafval gratis tijdens de openingstijden op een van gemeentewege beschikbare plaats achterlaten.

Hoofdstuk III Reinigingsrechten

Artikel 11. Belastbaar feit

Onder de naam ‘reinigingsrechten’ worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 12. Belastingplicht

De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

Artikel 13. Maatstaf van heffing en belastingtarief

1.

De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven zoals in onderstaande artikelleden is opgenomen.

2025

2026

2.

Het tarief bedraagt voor het achterlaten van afval door niet Assenaren op een van gemeentewege beschikbare plaats, per kilo:

€ 0,31

€ 0,31

3.

Het tarief bedraagt voor het achterlaten van afval door bedrijven op een van gemeentewege beschikbare plaats, per kilo:

€ 0,25

€ 0,25

 

 

+ 21% BTW

+ 21% BTW

4.

Onverminderd het hiervoor bepaalde, bedraagt het tarief per melding voor het op aanvraag inzamelen van:

 a.

Grof afval, maximaal 2m3 per keer, per m3:

€ 58,56

€ 59,81

 b.

Snoeiafval, maximaal 2 m3 per keer, per m3:

€ 42,28

€ 43,18

 c.

Elektrische en elektronische apparaten (AEEA), per rit:

€ 15,00

€ 15,32

Voor de berekening van de rechten wordt een gedeelte van een volle eenheid als een volle eenheid aangemerkt.

Artikel 14. Wijze van heffing

De rechten bedoeld in artikel 13 worden geheven door middel van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, nota of andere schriftuur.

Artikel 15. Ontstaan van de belastingschuld

De rechten bedoeld in artikel 13 zijn verschuldigd bij de aanvang van de dienstverlening of bij de aanvang van het gebruik van de bezittingen, werken of inrichtingen.

Artikel 16. Termijnen van betaling

  • 1.

    De rechten bedoeld in artikel 13 moeten worden betaald, ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 14:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving, dan wel ingeval van toezending daarvan, binnen 30 dagen na de dagtekening van de kennisgeving.

  • 2.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 17. Kwijtschelding

Bij de invordering van de reinigingsrechten als bedoeld in dit hoofdstuk wordt geen kwijtschelding verleend.

Hoofdstuk IV Aanvullende bepalingen

Artikel 18. Intrekking en overgangsrecht

De "Verordening op de heffing en invordering van reinigingsheffingen 2025", vastgesteld op 19 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 19, tweede lid, genoemde datum, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 19. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 20. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening Reinigingsheffingen 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadvergadering van 18 december 2025.

De raad voornoemd,

M.L.J. Out, voorzitter

J. de Jonge, griffier