Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR752802
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR752802/1
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026Inleiding
Wat staat er in deze verordening?
Deze verordening bevat de regels van de gemeente voor de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) die de gemeenteraad heeft vastgesteld.
Voor wie is deze verordening?
Deze verordening gaat over de maatschappelijke ondersteuning voor inwoners van de gemeente Assen.
Deze verordening is ook voor inwoners van gemeenten die voor opvang, beschermd wonen en thuiswonen vallen onder de centrumgemeente Assen.
De bedoeling van de wet staat centraal
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de landelijk geldende wetten. De gemeente gaat niet alleen uit van de tekst van de wet, maar juist ook van de bedoeling van de wet. Het beleid wat de gemeente voert, past bij de bedoeling van de wet. We vinden daarbij de volgende overtuigingen van belang:
- 1.
Basisbehoeften: een gezonde en veilige leefsituatie voor elke inwoner.
- 2.
Zelfredzaamheid: de inwoner heeft zelf de regie, de gemeente ondersteunt als dat nodig is.
- 3.
Voorliggend veld: als er passende en/of vrij toegankelijke oplossingen zijn voor de hulpvraag, gaat dit voor op maatwerk via de Wmo.
- 4.
Afstemming: de ondersteuning via de Wmo is zo veel mogelijk samen met de inwoner afgestemd op de persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner.
- 5.
Duurzame oplossing: de ondersteuning is gericht op het zo veel mogelijk zelfredzaam maken en participeren van de inwoner. Wanneer mogelijk met als doel dat de inwoner uiteindelijk geen ondersteuning via de Wmo meer nodig heeft.
Hoofdstuk 1 Begrippen
Artikel 1 Uitleg van begrippen
- 1.
In de verordening wordt gesproken over “de cliënt” en “de inwoner” in de mannelijke vorm. De algemene voornaamwoorden “zijn” en “hem” worden daarom gebruikt. Deze kunnen ook gelezen worden als bijvoorbeeld “haar” of “hen” om alle genderidentiteiten te omvatten.
- 2.
De verordening bevat veel begrippen. Deze worden in dit artikel uitgelegd. De begrippen die al in de Wmo en de Awb uitgelegd worden, worden hier niet herhaald.
- 3.
Soorten voorzieningen:
- a.
algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten
- b.
algemene voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 Wmo 2015 die vrij toegankelijk is zonder voorafgaand diepgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden
- c.
collectieve maatwerkvoorziening: maatwerkvoorziening die in collectieve vorm wordt verstrekt
- d.
maatwerkvoorziening: niet-vrij toegankelijke voorziening, op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd, als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
- a.
- 4.
Overige begrippen:
- a.
ADL: algemene dagelijkse levensverrichtingen, dit zijn de dagelijks terugkerende basisverrichtingen die je moet doen om zelfstandig te kunnen blijven leven op een binnen de maatschappij fatsoenlijk geacht niveau
- b.
bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo
- c.
centrumgemeente Assen: gemeente Assen is centrumgemeente voor beschermd wonen, begeleid kamerwonen, thuiswonen en maatschappelijke opvang voor de regiogemeenten Aa en Hunze, De Wolden, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo en Westerveld
- d.
cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen
- e.
financiële tegemoetkoming: een forfaitair geldbedrag dat de cliënt krijgt om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren
- f.
formele hulp: hulp die geboden wordt door een professional die een erkende kwalificatie heeft en is ingeschreven bij de Kamer van Koophandel
- g.
fout: het onbedoeld onjuist handelen en daarmee oneigenlijk gebruik maken van maatwerkvoorzieningen, individuele voorzieningen of pgb als gevolg van onduidelijkheid, vergissing of onoplettendheid
- h.
fraude: het opzettelijk onjuist handelen, en daarmee handelen in strijd met de regelgeving, met het oogmerk op eigen of andermans (financieel) gewin
- i.
gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten
- j.
gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen. Als het artikel betrekking heeft op beschermd wonen dan wordt met “de gemeente” de regiogemeente bedoeld, tenzij anders is aangegeven
- k.
hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo
- l.
informele hulp: hulp verleend door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden voor formele hulp of een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van cliënt
- m.
ingezetene: cliënt die het hoofdverblijf heeft in de gemeente Assen op basis van feitelijk verblijf of inschrijving in de Basisregistratie persoonsgegevens (BRP). Een cliënt met een postadres in de gemeente Assen die feitelijk in een andere gemeente verblijft, wordt niet gezien als ingezetene van de gemeente Assen
- n.
mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep
- o.
melding: kenbaar maken van de hulpvraag aan de gemeente
- p.
nadere regels: besluit maatschappelijke ondersteuning, als laatstelijk vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Assen
- q.
niet integer handelen: misbruik maken van voorkennis, persoonlijke en medische informatie van cliënten. Zich laten beïnvloeden in zijn oordeel als gevolg van een persoonlijke relatie, sociale status, uiterlijk, sekse en bevolkingsgroep. Iemand te bewegen door bedreiging, het aanbieden van geld of diensten of andere voordelen, door het uitoefenen van lichamelijke of psychische druk, dan wel het hanteren van listige kunstgrepen of door een samenweefsel van verdichtsels, met als doel een maatwerkvoorziening, individuele voorziening of overeenkomst te verkrijgen op grond van de Wmo 2015
- r.
onderhoudsplichtige ouders: daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt
- s.
pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1. Wmo, zijnde een door de gemeente verstrekt budget aan cliënten dat hen in staat stelt een maatwerkvoorziening te betrekken
- t.
pgb-aanbieder: een derde die in opdracht van een pgb-houder, of indien van toepassing de pgb-beheerder, diensten die tot een maatwerkvoorziening behoren uitvoert
- u.
pgb-beheerder: een door cliënt gemachtigd persoon die de aan het pgb verbonden taken uitvoert en toeziet op waarborging van de kwaliteit van de aan de maatwerkvoorziening verbonden taken
- v.
pgb-houder: de cliënt die een pgb ontvangt, dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger
- w.
regiogemeente: gemeente die valt onder de centrumgemeente Assen voor beschermd wonen, begeleid kamerwonen, thuiswonen en maatschappelijke opvang. Dit zijn de gemeenten Aa en Hunze, Assen, De Wolden, Hoogeveen, Meppel, Midden-Drenthe, Noordenveld, Tynaarlo en Westerveld
- x.
resultaat: het doel waartoe een maatwerkvoorziening wordt verstrekt
- y.
resultatenplan: schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek naar noodzakelijke ondersteuning
- z.
sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt
- aa.
toetsingskader Wmo en Jeugdzorg: het meest recente kader om kwaliteit te toetsen zoals gepubliceerd op www.nmdsamenwerking.nl; het Drents kwaliteitskader is hier onderdeel van
- ab.
verhuiskostenvergoeding: financiële tegemoetkoming bedoeld voor de kosten van het verhuizen naar een nieuwe woning. Dit kan ook gebruikt worden voor het inrichten van de nieuwe woning
- ac.
vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake
- ad.
Wlz: Wet langdurige zorg
- ae.
Wlz-instelling: instelling die aan de cliënt met een Wlz-indicatie intramurale zorg inclusief verblijf biedt
- af.
ZIN: zorg in natura
- ag.
ZIN-aanbieder: rechtspersoon die jegens de gemeente, op grond van de met aanbieder gesloten (raam)overeenkomst, gehouden is een algemene voorziening en/of maatwerkvoorziening te leveren.
- a.
Hoofdstuk 2 Toegang maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2 Melding
- 1.
Een inwoner met een hulpvraag kan zelf een melding doen bij de gemeente. Iemand anders kan dit ook namens de inwoner doen. Dit kan vormvrij.
- 2.
De gemeente kijkt of de hulpvraag van de inwoner past binnen de Wmo. Als dat het geval is, dan start de gemeente een onderzoek. Als het niet het geval is, verwijst de gemeente de inwoner door naar de juiste organisatie.
- 3.
Als de melding past binnen de Wmo, bevestigt de gemeente met een brief aan de inwoner dat er een melding is ontvangen. Hierin staat in elk geval dat de inwoner:
- a.
gebruik kan maken van gratis, onafhankelijke cliëntondersteuning
- b.
binnen zeven dagen een persoonlijk plan kan indienen zoals bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo.
- a.
- 4.
In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo treft de gemeente een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
- 5.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 3 Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen
- 1.
De centrumgemeente Assen is door regiogemeenten gemandateerd om ondersteuning op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen (en de bijbehorende begeleiding en eventueel dagbesteding) toe te kennen en draagt zorg voor financiering vanuit de Wmo.
- 2.
De cliënt met een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, woonachtig binnen de regio van de centrumgemeente, meldt zich bij de gemeente waar hij ingeschreven staat. Deze gemeente onderzoekt of, en zo ja welke, ondersteuning via de Wmo nodig is, of er voorliggende oplossingen zijn, en stelt indien van toepassing de indicatie.
- 3.
Bij een melding van een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, van een persoon woonachtig buiten de regio van de centrumgemeente, stelt de gemeente waar de cliënt zich meldt vast waar deze persoon het beste kan wonen. Hierbij handelt de gemeente in de geest van de uitgangspunten en modelregels in het Convenant Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen en de bijbehorende handreiking.
- 4.
Het beleid van de centrumgemeente op het gebied van beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen geldt als uitgangspunt voor de toekenning van een maatwerkvoorziening.
Artikel 4 Cliëntondersteuning
- 1.
De gemeente zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op onafhankelijke, gratis cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
- 2.
De gemeente wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
Artikel 5 Waardering mantelzorgers
- 1.
De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners die extra hulp nodig hebben. Daarom stelt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering vast. Het doel van de mantelzorgwaardering is om het belang van mantelzorgers voor de samenleving te onderstrepen.
- 2.
De gemeente bepaalt bij nadere regels waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente bestaat.
Artikel 6 Maatschappelijke opvang
- 1.
Een cliënt kan in aanmerking komen voor maatschappelijke opvang wanneer hij:
- a.
feitelijk of residentieel dakloos is, en
- b.
niet in staat is zich op eigen kracht in de samenleving te handhaven, en
- c.
niet beschikt over alternatieven die de situatie van feitelijke of residentiële dakloosheid op kunnen heffen.
- a.
- 2.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 7 Onderzoek
- 1.
Voor het onderzoek zoals bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo, maakt de gemeente gebruik van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep:
- a.
eerst wordt vastgesteld wat de hulpvraag is
- b.
dan wordt vastgesteld welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en/of bij het zich handhaven in de samenleving
- c.
vervolgens wordt vastgesteld welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie en/of bij het zich handhaven in de samenleving
- d.
ten slotte wordt onderzocht of en in hoeverre eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere mensen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden
- e.
als de gemeente na het onderzoeken van deze stappen een maatwerkvoorziening moet bieden, kiest de gemeente voor de goedkoopst compenserende maatwerkvoorziening tenzij er wordt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in artikel 10, tweede lid van deze verordening.
- f.
de maatwerkvoorziening die noodzakelijk is, kan in natura of via een persoonsgebonden budget worden gegeven.
- a.
- 2.
De gemeente zorgt ervoor dat de medewerkers die betrokken zijn bij het onderzoek als bedoeld in het eerste lid beschikken over voldoende deskundigheid, ervaring en vaardigheden. Als het noodzakelijk is voor het onderzoek, kan de gemeente daarnaast externe deskundigheid inwinnen.
- 3.
De gemeente maakt, als dat nodig is, een afspraak voor een gesprek. Dit gesprek maakt deel uit van het onderzoek. De inwoner kan zelf iemand vragen om zich bij het onderzoek bij te staan.
- 4.
De gemeente verwacht dat de inwoner meewerkt aan het onderzoek. Dit heet medewerkingsverplichting.
- 5.
De gemeente stuurt aan de inwoner een verslag van het onderzoek. Dit heet resultatenplan.
- 6.
Als het een hulpvraag betreft over het zich handhaven in de samenleving die de cliënt stelt aan een regiogemeente, voert de regiogemeente het onderzoek uit en stelt vast of er een indicatie is voor beschermd wonen, begeleid kamerwonen of thuiswonen.
- 7.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 8 Aanvraag
- 1.
De cliënt kan schriftelijk een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening als het onderzoek is afgerond. Hiervoor gebruikt de inwoner een hiertoe vastgesteld formulier.
- 2.
De cliënt die zich bij een regiogemeente heeft gemeld met een hulpvraag over het zich handhaven in de samenleving, dient de aanvraag voor een voorziening beschermd wonen, begeleid kamerwonen of thuiswonen in bij de gemeente die het onderzoek heeft gedaan.
- 3.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 9 Beschikking
- 1.
Het resultatenplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking.
- 2.
Bij het toekennen van een maatwerkvoorziening vermeldt de beschikking in ieder geval:
- a.
welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is en de specifieke afspraken hierover. Het resultatenplan maakt integraal onderdeel uit van de beschikking
- b.
de ingangsdatum en duur van de verstrekking
- c.
of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door de gemeente gehanteerde uitgangspunten
- d.
of de maatwerkvoorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt
- e.
als een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel, vervoersvoorziening of woonvoorziening in natura wordt verstrekt, staat in de beschikking of de cliënt dit in bruikleen of eigendom krijgt.
- a.
- 3.
Als een pgb verstrekt wordt, vermeldt de beschikking ook:
- a.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb
- b.
wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen
- c.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
- a.
- 4.
De centrumgemeente Assen verzendt namens de regiogemeenten de beschikkingen voor beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen.
- 5.
De beschikking vermeldt altijd hoe de cliënt tegen de beslissing in bezwaar kan gaan.
Hoofdstuk 3 Voorwaarden, weigeringsgronden en gebruikelijke hulp
Artikel 10 Voorwaarden
- 1.
Als er recht op een maatwerkvoorziening bestaat, verstrekt de gemeente de goedkoopst compenserende voorziening.
- 2.
Er zijn uitzonderingen mogelijk op lid 1 van dit artikel als er sprake is van de volgende voorwaarden:
- a.
de hulpvraag kan opgelost worden met zowel een passieve als een actieve voorziening
- b.
de inwoner heeft een voorkeur voor een actieve voorziening maar deze voorziening is duurder dan de passieve voorziening
- c.
de actieve voorziening draagt bij aan een actieve en gezonde leefstijl
- d.
de inwoner neemt ook zelf verantwoordelijkheid voor een gezonde en actieve leefstijl (zoals voeding, bewegen, sociale contacten).
- a.
- 3.
De cliënt is verplicht om zoveel als het kan mee te werken aan wat de gemeente vraagt bij het uitvoeren van de wet, deze verordening en de nadere regels. Hieronder valt in ieder geval het meewerken aan de tussentijdse onderzoeken, zoals bedoeld in artikel 25 van deze verordening. Een onderzoek om de beperkingen van cliënt vast te kunnen stellen kan hier, als dat nodig is, ook onder vallen.
- 4.
De cliënt is verplicht om alle belangrijke feiten en omstandigheden met betrekking tot een maatwerkvoorziening aan de gemeente te laten weten. Hij doet dit op verzoek van de gemeente of direct uit zichzelf. Feiten en omstandigheden zijn belangrijk als de cliënt redelijkerwijs had kunnen bedenken dat deze van invloed kunnen zijn op de beslissing van de gemeente om de cliënt een maatwerkvoorziening te geven, of op het soort, de hoogte van, of de periode van die voorziening.
- 5.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 11 Weigeringsgronden
- 1.
De gemeente weigert een maatwerkvoorziening als:
- a.
de voorziening algemeen gebruikelijk is
- b.
de problemen via een andere wettelijke bepaling of regeling opgelost kunnen worden
- c.
de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere mensen uit het sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen
- d.
indien de aanvraag betrekking heeft op kosten die voorafgaand aan het moment van de melding zijn gemaakt, hieronder verstaat de gemeente ook het aangaan van een betalingsverplichting voor de kosten voorafgaand aan het moment van de melding
- e.
het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij de gemeente daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend
- f.
deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het ondersteuning bij het huishouden betreft
- g.
er opzettelijk onjuiste informatie is verstrekt of opzettelijk informatie is verzwegen
- h.
een eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan of onbruikbaar is geworden als gevolg van omstandigheden die aan de cliënt zijn toe te rekenen
- i.
de cliënt de hulpvraag had kunnen voorzien en voorkomen
- j.
de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Assen, tenzij de aanvraag beschermd wonen of maatschappelijke opvang betreft binnen het gebied van centrumgemeente Assen
- k.
de cliënt deze niet veilig kan gebruiken waardoor het voor zichzelf of anderen onveilig is of risico’s geeft
- l.
de gemeente niet kan vaststellen of een voorziening noodzakelijk is, omdat de cliënt onvoldoende meewerkt aan het onderzoek.
- a.
- 2.
Aanvullend op lid 1 weigert de gemeente woonvoorzieningen:
- a.
als de beperkingen van de cliënt worden veroorzaakt of verergeren door de in de woning gebruikte materialen of achterstallig onderhoud
- b.
in woonruimtes die niet bedoeld of geschikt zijn om het hele jaar te bewonen en te dienen als hoofdverblijf en/of zelfstandige woonruimte. Voorbeelden zijn: een hotel, pension, trekkerswoonwagen, klooster, een tweede woning, vakantie- en recreatiewoning en gehuurde kamer(s)
- c.
in gemeenschappelijke ruimten van woongebouwen, tenzij het elektrische deuropeners, drempelhulpen, hellingen of vlonders betreft
- d.
in de vorm van een verhuiskostenvergoeding aan een Wlz-gerechtigde die gaat verhuizen naar een Wlz-instelling
- e.
als de hulpvraag het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie, en er geen belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. De gemeente beoordeelt of er een belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is. Hierbij wordt een afweging gemaakt van alle feiten en omstandigheden. Belangrijke redenen kunnen bijvoorbeeld zijn:
- i.
het aanvaarden van een nieuwe baan in een andere gemeente
- ii.
een scheiding of huwelijk / samenwonen
- i.
- f.
als de cliënt niet is verhuisd naar de voor diens beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door de gemeente.
- a.
Artikel 12 Gebruikelijke hulp
- 1.
De gemeente beoordeelt tijdens het onderzoek of er sprake is van gebruikelijke hulp. Als hiervan sprake is, wordt er geen maatwerkvoorziening verstrekt.
- 2.
Onder gebruikelijke hulp wordt verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van inwonende partner, inwonende ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.
- 3.
De gemeente beoordeelt in hoeverre de persoon of de personen met wie de cliënt samenleeft, daadwerkelijk in staat is/zijn tot het verlenen van gebruikelijke hulp. Bij deze beoordeling of de maakt de gemeente onderscheid tussen kortdurende en langdurende situaties:
- a.
kortdurende situatie: er is uitzicht op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt. Het gaat hierbij over een periode van maximaal drie maanden in één jaar
- b.
langdurende situatie: het gaat om situaties waarbij naar verwachting de hulp bij de zelfredzaamheid en/of participatie langer dan drie maanden nodig is.
- a.
- 4.
De gemeente verwacht van huisgenoten dat zij in kortdurende situaties alle benodigde hulp bieden. Het gaat hierbij ook om hulp die meer omvat dan alleen de gangbare gebruikelijke hulp.
- 5.
De gemeente verwacht van huisgenoten dat zij in langdurende situaties de gebruikelijke hulp bieden.
- 6.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt de gemeente in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de cliënt:
- a.
aard van de relatie met de huisgenoot
- b.
mate van hulp die cliënt nodig heeft
- c.
aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit
- d.
mate van planbaarheid van de hulp
- e.
behoeften en mogelijkheden van de cliënt.
- a.
- 7.
Bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp in langdurende situaties houdt de gemeente in ieder geval rekening met de volgende factoren betreffende de huisgenoot:
- a.
leeftijd van de huisgenoot
- b.
woonsituatie
- c.
beschikbaarheid om de hulp te bieden
- d.
kennis, kunde en leerbaarheid van de huisgenoot om de noodzakelijke hulp te bieden
- e.
lichamelijke en mentale belastbaarheid van de huisgenoot
- f.
of er sprake is van problematiek bij de huisgenoot
- g.
welke verplichtingen de huisgenoot heeft, bijvoorbeeld voor werk
- h.
het belang van de huisgenoot om een inkomen uit arbeid te krijgen.
- a.
- 8.
Voor zover de cliënt zich in de terminale levensfase bevindt, wordt geen gebruikelijke hulp verwacht van een partner of ouder.
Artikel 13 Gebruikelijke hulp bij het huishouden
- 1.
Inwonende partners, ouder(s), volwassen kinderen en andere huisgenoten, worden geacht naast hun reguliere bezigheden zoals een (fulltime) baan en/of studie gebruikelijke hulp te verlenen.
- 2.
Onder gebruikelijke hulp bij het huishouden verstaat de gemeente in ieder geval regie voeren over het huishouden en het uitvoeren van huishoudelijke (schoonmaak)taken.
- 3.
Wanneer de huisgenoot van wie gebruikelijke hulp verwacht mag worden gedurende enkele dagen en nachten per week aaneengesloten afwezig is, kan de gemeente een voorziening toekennen voor niet uitstelbare taken.
- 4.
Van een 18 tot 23-jarige wordt verondersteld dat hij een éénpersoonshuishouden kan voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn het schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen.
- 5.
Bij hulp door minderjarige huisgenoten onderzoekt de gemeente of het vermogen van deze huisgenoot om huishoudelijk werk te verrichten toereikend is. Meegenomen wordt leeftijd, ontwikkelingsfase en psychosociaal functioneren van de huisgenoot. Hierbij geldt de volgende afbakening:
- a.
kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden
- b.
kinderen tussen 5 en 12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden zoals opruimen, tafeldekken en afruimen, afwassen/afdrogen of de vaatwasser in-/uitruimen, een boodschap doen, kleding in de wasmand doen
- c.
kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken, hun eigen kamer op orde houden, zoals opruimen, stofzuigen, bed verschonen.
- a.
Artikel 14 Gebruikelijke hulp bij begeleiding
- 1.
Onder gebruikelijke hulp bij begeleiding verstaat de gemeente in ieder geval:
- a.
het bieden van begeleiding op het gebied van maatschappelijke participatie
- b.
het begeleiden van de cliënt bij het normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer, zoals het bezoeken van familie en vrienden, de huisarts enzovoort
- c.
het bieden van hulp bij of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen, zoals het doen van de administratie
- d.
het leren omgaan met derden.
- a.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 15 Vormen van ondersteuning en resultaatgebieden
- 1.
De volgende vormen van maatwerkvoorzieningen zijn beschikbaar: ambulante begeleiding, dagbesteding, vervoer naar en van dagbesteding, schoon en leefbaar huis, gezinsondersteuning voor pasgeborenen, logeren en beschermd wonen.
- 2.
De ambulante begeleiding op de niveaus begeleiding Basis, begeleiding Basis Plus en begeleiding Specialistisch met de volgende resultaatgebieden:
- a.
veilige huiselijke relatie
- b.
zelfstandig wonen
- c.
financiën op orde
- d.
omgang met instanties
- e.
ADL op orde
- f.
sociaal netwerk
- g.
maatschappelijke participatie
- h.
gezondheid
- i.
verslaving
- a.
- 3.
Dagbesteding is gericht op:
- a.
ontwikkeling en toeleiding naar (on)betaald werk
- b.
ontwikkeling en toeleiding naar onderwijs
- c.
ontwikkeling en behouden van een zinvolle daginvulling en sociale participatie
- a.
- 4.
Vervoer regulier en rolstoelvervoer naar en van dagbesteding:
- a.
enkele reis tot en met 10 km
- b.
enkele reis vanaf 11 km tot en met 20 km
- c.
enkele reis vanaf 21 km tot en met 30 km
- a.
- 5.
Schoon en leefbaar huis:
- a.
schoon en leefbaar huis
- b.
schoon en leefbaar huis met overname regie
- a.
- 6.
Gezinsondersteuning voor pasgeborenen
- 7.
Logeren
- 8.
Beschermd wonen:
- a.
beschermd wonen met toezicht: 24-uursbegeleiding
- b.
beschermd wonen nabij: 24 uur begeleiding op afroep
- c.
begeleid kamerwonen inclusief wooncomponent
- d.
begeleid kamerwonen exclusief wooncomponent
- e.
thuiswonen licht
- f.
thuiswonen intensief
- a.
- 9.
Aanvullende modules bij beschermd wonen:
- a.
dagbesteding en indien noodzakelijk vervoer naar en van dagbesteding
- b.
begeleiding complex bij bijvoorbeeld dreigende crisis of zorgelijke terugval
- a.
- 10.
Voor het bepalen van de omvang van de huishoudelijke ondersteuning (schoon en leefbaar huis) maakt de gemeente gebruik van de meest recente versie van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van bureau HHM.
- 11.
De afwegingskaders, toetsingscriteria en voorwaarden van de in dit artikel genoemde resultaatgebieden, stelt de gemeente vast in de nadere regels. De nadere invulling van overige vormen van ondersteuning, waaronder ook de inzet van een hulphond, is eveneens bepaald in de nadere regels.
Artikel 16 Hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen
- 1.
De gemeente verstrekt hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen als deze noodzakelijk zijn voor de zelfredzaamheid en/of participatie:
- a.
hulpmiddelen voor het verplaatsen in en om de woning en het maken van transfers
- b.
vervoersvoorziening voor verplaatsingen in de woonomgeving en in de regio
- c.
woonvoorziening voor het wonen in een geschikte woning of voor het normaal kunnen gebruiken van de essentiële woonruimten in de woning.
- a.
- 2.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de verstrekking van hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen.
Artikel 17 Natura
- 1.
De gemeente betaalt ondersteuning in de vorm van diensten (zoals hulp bij het huishouden, begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen) rechtstreeks aan de zorgaanbieder.
- 2.
De gemeente betaalt de kosten voor het gebruik van een Wmo-pas rechtstreeks aan de vervoerder.
- 3.
De gemeente betaalt de kosten van een hulpmiddel of woonvoorziening rechtstreeks aan de leverancier.
- 4.
Als de gemeente een hulpmiddel van de leverancier huurt zijn, indien van toepassing, onderhoud, reparatie, verzekering en service inbegrepen bij de huurprijs.
- 5.
Als de gemeente een hulpmiddel van de leverancier koopt zijn, indien van toepassing, de kosten voor onderhoud, reparatie, verzekering en service voor de gemeente.
- 6.
De gemeente verstrekt een hulpmiddel of woonvoorziening in bruikleen of in eigendom aan de cliënt.
- 7.
De gemeente verstrekt woningaanpassingen in eigendom. De gemeente betaalt de kosten aan de leverancier of de woningcorporatie.
- 8.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 18 Pgb ondersteuning
- 1.
Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor ondersteuning en dit zelf wil inkopen door middel van een pgb, vult hij daarvoor een pgb-plan van de gemeente in. In het pgb-plan is opgenomen:
- a.
welke ondersteuning de cliënt wil inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd
- b.
de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorziening en de wijze waarop de ondersteuning georganiseerd wordt
- c.
op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen ondersteuning is gewaarborgd
- d.
de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief
- e.
indien van toepassing, welke ondersteuning de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.
- a.
- 2.
De gemeente verstrekt een pgb als:
- a.
de cliënt de vaardigheden heeft om een pgb te beheren, zoals beschreven in de nadere regels, of
- b.
de cliënt de vaardigheden niet heeft, maar er een pgb-beheerder is die in staat is om uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt, en
- c.
de in te kopen ondersteuning naar het oordeel van de gemeente van goede kwaliteit, veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. De criteria hiervoor staan beschreven in het Toetsingskader Wmo en Jeugdzorg.
- a.
- 3.
De gemeente verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de ondersteuning. Dit is in ieder geval aan de orde als de voorgenomen uitvoerder in de 4 jaar voorafgaande aan de aanvraag:
- a.
fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd
- b.
betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen
- c.
veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf
- d.
op basis van een Bibob-toets door de gemeente is geweigerd als zorgaanbieder.
- a.
- 4.
De gemeente weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 2.3.6, vijfde lid, van de wet van toepassing is.
- 5.
Bij een pgb voor ondersteuning maakt de gemeente onderscheid tussen
- a.
formele hulp door een instelling
- b.
formele hulp door een zzp’er
- c.
informele hulp.
- a.
- 6.
Van formele hulp instellingstarief, zoals bedoeld in het 5e lid onder a, is sprake als de hulp verleend wordt door personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken. Het instellingstarief is nooit van toepassing bij bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt.
- 7.
Van formele hulp zzp-tarief, zoals bedoeld in het 5e lid onder b, is sprake als de hulp verleend wordt door personen die aangemerkt zijn als zzp’er (zelfstandige zonder personeel). Daarnaast moeten ze voor de uit te voeren taken en/of werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s.
- 8.
Van informeel tarief, zoals bedoeld in het 5e lid onder c, is sprake als de hulp verleend wordt door:
- a.
personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria voor formele hulp
- b.
personen die wel voldoen aan de criteria voor formele hulp, maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt.
- a.
- 9.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de regels voor een pgb.
Artikel 19 Tarieven pgb ondersteuning
- 1.
De tarieven van ondersteuning in natura worden jaarlijks geïndexeerd op basis van Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), die wordt opgesteld door het Centraal Planbureau. De gemeente past de pgb-tarieven hierop aan.
- 2.
Het tarief is lager als op basis van het door cliënt ingediende pgb-plan passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
- 3.
Wanneer de cliënt geen enkele aanbieder kan vinden die de benodigde ondersteuning kan leveren voor het geldende tarief, kan de gemeente maatwerk leveren. De gemeente verhoogt in dat geval het tarief tot en met het laagste bedrag waarvoor de benodigde ondersteuning wel kan worden ingekocht.
- 4.
Bij de tarieven voor pgb’s wordt onderscheid gemaakt tussen:
- a.
formele hulp instellingstarief, dit is 90% van het tarief in natura
- b.
formele hulp zzp-tarief, dit is 75% van het tarief in natura
- c.
het informeel tarief voor begeleiding en schoon en leefbaar huis wordt gebaseerd op het wettelijk minimumloon vermeerderd met vakantietoeslag zoals gepubliceerd op rijksoverheid.nl
- d.
de tarieven die voorvloeien uit a, b en c van dit lid zijn opgenomen in de nadere regels
- e.
het informeel tarief voor de overige producten staat in lid 5 van dit artikel.
- a.
- 5.
De pgb-tarieven exclusief werkgeverslasten voor informele hulp:
- a.
worden voor ambulante begeleiding en schoon en leefbaar huis gebaseerd op het wettelijk minimumloon vermeerderd met vakantietoeslag
- b.
bedragen voor dagbesteding gericht op ontwikkeling en toeleiding naar (on)betaald werk, ontwikkeling en toeleiding naar onderwijs en ontwikkeling en behouden van een zinvolle daginvulling en sociale participatie € 24,69 per dagdeel
- c.
bedragen voor logeren € 177,05 per etmaal
- d.
bedragen voor beschermd wonen met toezicht: 24-uursbegeleiding inclusief wooncomponent € 123,63 per etmaal
- e.
bedragen voor beschermd wonen nabij: 24 uur begeleiding op afroep inclusief wooncomponent € 109,97 per etmaal
- f.
bedragen voor begeleid kamerwonen inclusief wooncomponent € 94,33 per etmaal
- g.
bedragen voor begeleid kamerwonen exclusief wooncomponent € 74,78 per etmaal
- h.
bedragen voor thuiswonen licht € 41,69 per etmaal
- i.
bedragen voor thuiswonen intensief € 64,86 per etmaal.
- a.
Artikel 20 Pgb hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen
- 1.
De tarieven van hulpmiddelen in natura worden jaarlijks geïndexeerd op basis van Consumentenprijsindex (CPI), die wordt opgesteld door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). De gemeente past de pgb-tarieven hierop aan.
- 2.
De hoogte van een pgb voor hulpmiddelen wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura.
- 3.
De hoogte van een pgb voor een niet elektrisch hulpmiddel wordt bepaald op basis van maximaal de huurprijs inclusief reparatie en onderhoud van de goedkoopst compenserende voorziening in natura maal zeven jaar. Indien een voorziening met een lagere prijs aangeschaft wordt, kan 25% van deze aanschafprijs bij het bedrag opgeteld worden tot het maximum van het pgb bereikt is.
- 4.
De hoogte van een pgb voor een elektrisch hulpmiddel wordt bepaald op basis van maximaal de huurprijs inclusief reparatie, verzekering en onderhoud van de goedkoopst compenserende voorziening in natura maal vijf jaar. Als de cliënt een voorziening met een lagere prijs aanschaft, kan 25% van de aanschafprijs bij het bedrag opgeteld worden tot het maximum van het pgb bereikt is.
- 5.
De hoogte van een pgb voor vervoersvoorzieningen wordt bepaald voor:
- a.
een niet elektrisch verplaatsingsmiddel: maximaal de huurprijs van de goedkoopst compenserende voorziening in natura maal zeven jaar. Voor een kostprijs lager dan hiervoor genoemd geldt de kostprijs plus een opslag van 25% voor onderhoud en reparatie begrensd door het pgb
- b.
een elektrisch verplaatsingsmiddel: maximaal de huurprijs van de goedkoopst compenserende voorziening in natura maal vijf jaar. Voor een kostprijs lager dan hiervoor genoemd geldt de kostprijs plus een opslag van 25% voor onderhoud, reparatie en verzekering begrensd door het pgb
- c.
een al dan niet aangepast gesloten gehandicaptenvoertuig: op basis van de goedkoopst compenserende optie van twee offertes
- d.
aanschaf of een aanpassing van een eigen auto: op basis van de goedkoopst compenserende optie van twee offertes
- e.
aanschaf van een reeds aangepaste auto: op basis van de oorspronkelijke offerte van de aanpassing minus de afschrijvingstermijn van deze aanpassing. Of op basis van de kostprijs van de aangepaste auto minus de gemiddelde kostprijs van 2 auto’s zonder aanpassing van hetzelfde merk, type, bouwjaar en met een vergelijkbare kilometerstand.
- a.
- 6.
De hoogte van het pgb voor woonvoorzieningen wordt bepaald voor:
- a.
een bouwkundige of woontechnische voorziening: op basis van de goedkoopst compenserende optie van twee offertes
- b.
een niet-bouwkundige of niet-woontechnische voorziening: maximaal de huur- of kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening in natura
- c.
traplift: maximaal de kostprijs van de goedkoopst compenserende voorziening in natura
- d.
uitraasruimte: op basis van de goedkoopst compenserende optie van twee offertes
- e.
het bezoekbaar maken van woonruimte: op basis van de goedkoopst compenserende optie van twee offertes of op basis van de kostprijs van de voorziening in natura. Het bedrag per woning is maximaal € 2.500 inclusief btw.
- a.
- 7.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 21 Uitgesloten van pgb
- 1.
De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:
- a.
kosten voor bemiddeling
- b.
kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers
- c.
kosten voor het voeren van een pgb-administratie
- d.
kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb
- e.
kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door de gemeente
- f.
vrij besteedbare bedrag eenmalige uitkering
- g.
feestdagenuitkering
- h.
reiskosten van de cliënt en de zorgverlener
- i.
kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)
- j.
kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp).
- a.
Artikel 22 Financiële tegemoetkoming
- 1.
De gemeente verstrekt op aanvraag een forfaitair bedrag ter ondersteuning van zelfredzaamheid en participatie waarmee de cliënt een voorziening zelf aan kan schaffen of de hulp kan organiseren. Dit bedraagt voor:
- a.
gebruik eigen auto: maximaal € 412,- per jaar
- b.
gebruik taxi: maximaal € 4.773,- per jaar
- c.
gebruik rolstoeltaxi: maximaal € 6.190,- per jaar
- d.
verhuiskostenvergoeding of het op verzoek van de gemeente ontruimen van de woonruimte:
- i.
1, 2 of 3 persoonshuishouden: maximaal € 2.362,- inclusief btw
- ii.
4 of meerpersoonshuishouden: maximaal € 2.646,- inclusief btw
- i.
- e.
huurderving en tijdelijke huisvesting: begrensd door de maximale rekenhuur, zoals gesteld onder de voorwaarden voor huurtoeslag
- f.
onderhoud traplift: maximaal € 240,00 inclusief btw per jaar
- g.
woningsanering (vervanging vloerbedekking in noodzakelijke verblijfsruimtes) bedraagt maximaal € 18,- (inclusief btw) per m². Het pgb per m² hangt af van de leeftijd van de huidige vloerbedekking volgens de volgende staffel:
- i.
0-2 jaar oud: 100%
- ii.
3-4 jaar oud: 75%
- iii.
5-6 jaar oud: 50%
- iv.
7-8 jaar oud: 25%.
- i.
- a.
Artikel 23 Bijdrage in de kosten
- 1.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt.
- 2.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
- 3.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming tot de hoogte van de tegemoetkoming.
- 4.
De bijdrage voor maatwerkvoorzieningen is gelijk aan de kostprijs, tot aan het in artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 genoemde bedrag, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd. In geval van samenloop van een dienst en een zaak wordt de bijdrage geïnd op de maatwerkvoorziening die het langst loopt.
- 5.
In afwijking van het eerste, tweede en derde lid is geen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:
- a.
huurderving
- b.
tijdelijke huisvesting
- c.
de maatwerkvoorzieningen opgenomen in artikel 3.8, derde lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
- a.
- 6.
Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik kan maken.
- 7.
Voor de maatwerkvoorziening collectief Wmo-vervoer is een cliënt een reizigersbijdrage verschuldigd. De hoogte is gelijk aan het voltarief voor het reizen met de OV-chipkaart in de bus in Drenthe en Groningen.
- 8.
De kostprijs van een:
- a.
algemene voorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder
- b.
maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel of woningaanpassing wordt tevens bepaald door de wijze van beschikbaarstelling van de voorziening (in eigendom of bruikleen)
- c.
pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.
- a.
- 9.
De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders.
Artikel 24 Tijdelijke vrijstelling bijdrage in de kosten
- 1.
De gemeente kan tijdelijk vrijstelling geven in de bijdrage van de kosten voor een maatwerkvoorziening.
- 2.
De voorwaarden en toetsingscriteria voor deze tijdelijke vrijstelling zijn vastgesteld in nadere regels.
Hoofdstuk 5 Tussentijds onderzoek en gevolgen
Artikel 25 Tussentijds onderzoek
- 1.
De gemeente voert bij indicaties die langer dan één jaar duren, tussentijds onderzoek uit. De regiogemeenten kunnen voor beschermd wonen hiervoor zelf regels opstellen.
- 2.
De cliënt is verplicht om mee te werken aan dit onderzoek.
- 3.
De uitkomsten van tussentijds onderzoek kunnen aanleiding zijn om een indicatie te wijzigen.
- 4.
De gemeente kan nadere regels stellen over het tussentijds onderzoek.
Artikel 26 Verzoek tot opschorting uitbetaling pgb
De gemeente kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) verzoeken om een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste 13 weken van een betaling uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e, van de Wmo.
Artikel 27 Herziening, intrekking en beëindiging
- 1.
De cliënt of vertegenwoordiger meldt aan de gemeente op verzoek of uit eigen beweging onmiddellijk alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015.
- 2.
De gemeente kan een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de Wmo 2015 herzien dan wel intrekken, als vastgesteld wordt dat:
- a.
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid
- b.
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen
- c.
de maatwerkvoorziening niet meer passend en/of toereikend is
- d.
de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening, of
- e.
de cliënt de maatwerkvoorziening voor een ander doel gebruikt
- f.
de cliënt de besteding van (een deel van) het pgb niet kan verantwoorden
- g.
de pgb- en/of ZIN-aanbieder geld heeft ontvangen voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend
- h.
de cliënt wist of had kunnen weten dat het pgb ten onrechte is betaald, dan wel de maatwerkvoorziening ten onrechte is verstrekt
- i.
een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is toegeëigend, vervreemd of verpand
- j.
een maatwerkvoorziening zonder toestemming van de gemeente in het buitenland is ingezet
- k.
er sprake is van herhaling van ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik van de voorziening.
- a.
- 3.
De gemeente trekt een toekenning voor een pgb in als blijkt dat het pgb niet is ingezet voor de bekostiging van de toegekende maatwerkvoorziening.
- 4.
De gemeente kan nadere regels opstellen over de invulling van dit artikel.
Artikel 28 Wangedrag
- 1.
Bij herhaald en/of ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een (in bruikleen verstrekte) voorziening, treft de gemeente – al dan niet tijdelijk – maatregelen jegens de cliënt ter bescherming van de medewerker van een aanbieder of andere cliënten of ter voorkoming van (verdere) schade aan de (in bruikleen) verstrekte voorziening.
- 2.
Bij een herhaling van ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik zal dit leiden tot herziening en/of intrekking en terugvordering van de verstrekte maatwerkvoorziening.
Artikel 29 Terugvordering
- 1.
Als de gemeente een beslissing op grond van artikel 27, tweede lid onder a van deze verordening, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, vordert de gemeente geheel of gedeeltelijk de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening terug van de cliënt en/of diegene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend.
- 2.
Indien de aanbieder van pgb en/of ZIN op grond van de Wmo 2015 aantoonbaar opzettelijk ondoelmatig en/of onrechtmatig ondersteuning heeft verleend, dan kan geheel of gedeeltelijk de geldwaarde gevorderd worden van de ten onrechte genoten voorziening bij de pgb- en/of ZIN- aanbieder.
- 3.
De gemeente kan tot terugvordering overgaan als:
- a.
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen
- b.
de maatwerkvoorziening niet meer passend en/of toereikend is
- c.
de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening, of
- d.
de cliënt de maatwerkvoorziening voor een ander doel gebruikt
- e.
de cliënt de besteding van (een deel van) het pgb niet kan verantwoorden
- f.
de pgb- en/of ZIN-aanbieder geld heeft ontvangen voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend
- g.
de cliënt wist of had kunnen weten dat het pgb ten onrechte is betaald, dan wel de maatwerkvoorziening ten onrechte is verstrekt
- h.
het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is ingetrokken
- i.
een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening is toegeëigend, vervreemd of verpand
- j.
een maatwerkvoorziening zonder toestemming van de gemeente in het buitenland is ingezet
- k.
er sprake is van herhaling van ernstig wangedrag en/of het onzorgvuldig gebruik van de voorziening.
- a.
- 4.
Als door intrekking of herziening van een maatwerkvoorziening ten onrechte ondersteuning is verleend, vordert de gemeente van de cliënt:
- a.
de voorziening terug of
- b.
de geldwaarde van de voorziening in natura terug of
- c.
het ten onrechte ontvangen pgb terug.
- a.
- 5.
De gemeente kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.
Hoofdstuk 6 Kwaliteit
Artikel 30 Kwaliteit
- 1.
Ten aanzien van de kwaliteit van voorzieningen geldt als uitgangspunt dat verantwoorde hulp wordt geboden. Hieruit volgt dat aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:
- a.
de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht te verstrekken
- b.
de voorziening af te stemmen op de reële behoefte van de cliënt
- c.
de voorziening af te stemmen op andere vormen van zorg en ondersteuning die de cliënt ontvangt
- d.
erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard
- e.
de voorziening te verstrekken met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt
- f.
cliënt een passend leefklimaat te bieden en een fysieke leefomgeving die van goede kwaliteit is.
- a.
- 2.
Onder de in het eerste lid onder a genoemde begrippen wordt verstaan:
- a.
veiligheid:
- i.
de cliënt wordt correct en respectvol bejegend
- ii.
de veiligheid van de cliënt en zijn systeem wordt gewaarborgd, zowel fysiek als mentaal
- iii.
de aanbieder beperkt veiligheidsrisico's voor de cliënt
- iv.
de aanbieder houdt toezicht op de veiligheid van de cliënt
- v.
de aanbieder weet hoe op te treden bij acuut onveilige situaties voor een cliënt
- vi.
de privacy van de cliënt is geborgd
- i.
- b.
doeltreffendheid (het op een effectieve wijze leveren van hulp/ondersteuning):
- i.
de aanbieder werkt resultaat gericht
- ii.
de aanbieder heeft aandacht voor veranderingen in de situatie van de cliënt en speelt hier actief op in
- iii.
de aanbieder meet en werkt aan cliënttevredenheid
- iv.
de aanbieder is gericht op continue kwaliteitsverbetering van de ondersteuning/begeleiding/behandeling
- i.
- c.
doelmatigheid (het op een efficiënte wijze leveren van hulp/ondersteuning):
- i.
de aanbieder werkt systematisch aan kwaliteit en voldoet aan de in de branche vigerende certificaten en kwaliteitskeurmerken
- ii.
de aanbieder werkt zoveel mogelijk met bewezen effectieve interventies
- iii.
de aanbieder werkt planmatig aan ondersteunings-/begeleidingsdoelen van cliënten
- iv.
de aanbieder maakt gebruik van vakbekwame en deskundige medewerkers en heeft een verantwoord personeelsbeleid
- v.
de aanbieder stemt af met andere hulpverleners en betrokkenen in alle leefdomeinen
- i.
- d.
cliëntgerichtheid:
- i.
de cliënt beschikt over keuzevrijheid, medezeggenschap en inspraak
- ii.
de cliënt heeft de regie over zijn ondersteuningsbehoefte
- iii.
er is duidelijkheid voor de cliënt over de reikwijdte van de ondersteuning
- iv.
de cliënt heeft, indien aan de orde, duidelijkheid over continuïteit van de ondersteuning
- v.
de aanbieder werkt samen met de cliënt aan (perspectief zoekende en perspectief biedende) doelen
- vi.
de aanbieder geeft cliënten de mogelijkheid om voor hun individuele belangen op te komen
- vii.
de aanbieder draagt zorg voor de behartiging van gemeenschappelijke belangen van cliënten
- viii.
de aanbieder waarborgt de privacy van cliënten
- ix.
de aanbieder beschikt over een klachtenprocedure
- x.
cliënten hebben en kennen de mogelijkheid om klachten te uiten
- i.
- a.
- 3.
De in dit artikel genoemde kwaliteitseisen: veiligheid, doeltreffendheid en cliëntgerichtheid, gelden ook voor ondersteuning die geboden wordt op grond van een pgb. Hierbij geldt dat:
- a.
de kwaliteit van de met het pgb ingekochte formele hulp minimaal aan de kwaliteitseisen voldoet die de gemeente stelt aan aanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren
- b.
er aangepaste kwaliteitseisen gelden voor informele hulp die met het pgb wordt ingekocht. De gemeente stelt deze eisen vast in nadere regels.
- a.
- 4.
Bij de beoordeling of een voorziening in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt, kunnen de doelmatigheidscriteria zoals benoemd in dit artikel, een rol spelen.
- 5.
De gemeente kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
- 6.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een periodiek cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
Artikel 31 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
- 1.
Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de voorziening stelt de gemeente een reële prijs vast voor het leveren van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo. Deze geldt als ondergrens voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en voor het aangaan van een overeenkomst met de derde.
- 2.
De gemeente baseert de reële prijs voor door derden te leveren diensten op de volgende kostprijselementen:
- a.
de kosten van de beroepskracht, waaronder de loonkosten en overige kosten voortvloeiend uit de toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomst, de kosten van wettelijke verplichtingen verbonden aan het leveren van een dienst
- b.
redelijke overheadkosten
- c.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg
- d.
reis- en opleidingskosten
- e.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst
- f.
overige kosten als gevolg van gemeentelijke verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen.
- a.
- 3.
De gemeente houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren hulpmiddelen, in ieder geval rekening met:
- a.
de marktprijs van het hulpmiddel en
- b.
de eventuele extra taken die van de leverancier worden gevraagd zoals:
- i.
aanmeten, leveren en plaatsen van het hulpmiddel
- ii.
onderhoud van het hulpmiddel
- iii.
verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.
- i.
- a.
Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving
Artikel 32 Toezicht en handhaving
- 1.
De gemeente bepaalt bij nadere regels wat wordt verstaan onder de rechtmatigheid en integere uitvoering van maatwerkvoorzieningen.
- 2.
De gemeente bepaalt bij nadere regels wat wordt verstaan onder de kwaliteit en doelmatigheid van maatwerkvoorzieningen.
- 3.
Voor de uitvoering van het toezicht als bedoeld in lid 1 en lid 2 wijst de gemeente toezichthoudende ambtenaren aan.
- 4.
Een toezichthoudend ambtenaar, belast met het toezichthouden op de rechtmatigheid, kan tevens worden aangesteld als buitengewoon opsporingsambtenaar.
- 5.
De gemeente kan bij nadere regels bepalen op welke wijze wordt gehandhaafd als er sprake is van niet voldoen aan de gestelde kwaliteitseisen, onrechtmatigheid, niet integer handelen, fouten of fraude.
- 6.
De gemeente kan bij nadere regels bepalen op welke wijze rapporten van bevindingen over de kwaliteit van maatwerkvoorzieningen, opgesteld door een toezichthoudend ambtenaar, openbaar worden gemaakt.
Artikel 33 Tegengaan oneigenlijk gebruik
- 1.
De gemeente spant zich in om fouten bij het gebruik van een maatwerkvoorzieningen in alle leveringsvormen te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval de volgende activiteiten:
- a.
de gemeente informeert cliënten en/of hun vertegenwoordigers en gecontracteerde aanbieders schriftelijk in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen of uitvoeren van een maatwerkvoorziening in natura of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van een maatwerkvoorziening
- b.
de gemeente zoekt waar mogelijk samenwerking met andere gemeenten, organisaties die zich ook bezighouden met de kwaliteit, het tegengaan van niet integer handelen, fouten en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen
- c.
de gemeente verricht zo nodig onderzoek bij zorgverleners van algemene of maatwerkvoorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente Assen hebben of die ondersteuning verlenen op grond van een pgb aan cliënten. Deze partijen zijn verplicht om (kosteloos) hun medewerking te verlenen
- d.
de gemeente maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, (accountants)controles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties
- e.
de gemeente controleert, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in artikel 32 worden nagekomen.
- a.
Artikel 34 Meldpunt kwaliteit en rechtmatigheid
De gemeente draagt zorg voor een meldpunt waar signalen over onvoldoende kwaliteit, oneigenlijk gebruik, niet integer handelen en fraude kunnen worden gemeld in het kader van uitvoering van de Wmo 2015.
Artikel 35 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
- 1.
Voor maatwerkvoorzieningen in het kader van de Wmo:
- a.
treft de gemeente een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan
- b.
melden aanbieders iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar
- c.
onderzoekt de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de Wmo, de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert de gemeente over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
- a.
Hoofdstuk 8 Klachten, medezeggenschap en inspraak
Artikel 36 Klachtregeling
- 1.
De gemeente behandelt klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen of aanvragen als bedoeld in deze verordening, overeenkomstig de regeling afhandeling klachten.
- 2.
Indien cliënten niet tevreden zijn over de afhandeling van de klacht door de gemeente dan kan de klacht worden voorgelegd aan de Ombudscommissie van de gemeente Assen.
- 3.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een periodiek cliëntervaringsonderzoek.
- 4.
De gemeente neemt in de contracten met aanbieders op dat de aanbieders een effectieve en laagdrempelige klachtregeling moeten hebben voor de behandeling van klachten van cliënten ten aanzien van gedragingen van de aanbieder jegens hen.
- 5.
Klachten als bedoeld in het eerste lid moeten door cliënten zonder financiële bijdrage kunnen worden ingediend.
Artikel 37 Medezeggenschap
- 1.
Aanbieders moeten beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.
- 2.
Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet de gemeente toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 38 Betrekken van inwoners bij het beleid
- 1.
De gemeente betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
- 2.
De gemeente stelt ingezetenen, en vertegenwoordigers van cliëntgroepen, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
- 3.
De gemeente zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
- 4.
De gemeente kan nadere regels stellen over het betrekken van inwoners bij het beleid.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen
Artikel 39 Hardheidsclausule
De gemeente kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de regels in deze verordening en de daarop gebaseerde nadere regels. De hardheidsclausule wordt toegepast als strikte toepassing van de regels leidt tot onbillijkheden van overwegende aard.
Artikel 40 Evaluatie
- 1.
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt jaarlijks geëvalueerd.
- 2.
De gemeente stuurt hiertoe telkens per jaar, na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
Artikel 41 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
- 1.
De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Assen 2024 wordt ingetrokken.
- 2.
Cliënten houden recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Assen 2016 en 2024 totdat de gemeente een nieuw besluit heeft genomen. Het nieuwe besluit wordt genomen met inachtneming van de op dat moment geldende wet- en regelgeving.
- 3.
Aanvragen die zijn ingediend onder de in het eerste lid genoemde verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
- 4.
Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Assen 2024, geschiedt op grond van die verordening. Deze behoudt ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht.
- 5.
Van het in lid 4 gestelde kan ten gunste van cliënten worden afgeweken.
Artikel 42 Inwerkingtreding en citeertitel
- 1.
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
- 2.
Deze verordening kan worden aangehaald als Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Assen 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2025,
M.L.J. Out, voorzitter
J. de Jonge, griffier
Algemene toelichting
De gemeente is sinds 1 januari 2015 bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van Wmo 2015. De Wmo schrijft voor dat de gemeenteraad over verschillende onderwerpen regels opstelt.
Op grond van de Wmo (artikel 2.1.3, tweede lid, onder a) moeten gemeenten onder meer regelen op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van artikel 2.1.3 Wmo.
Deze verordening legt bevoegdheden bij het college van burgemeester en wethouders. Deze bevoegdheden zijn uitgewerkt in nadere regels.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1 Begrippen
Artikel 1 Uitleg van begrippen
In de Wmo is een aantal definities uitgelegd. Deze definities gelden ook voor deze verordening.
Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor de uitvoering van deze verordening van belang zijn, zoals bijvoorbeeld: ‘aanvraag’ en ‘beschikking’ (artikel 1:3 van de Awb).
In lid 3 worden de soorten voorzieningen uitgelegd. In lid 4 worden de overige begrippen uitgelegd die voor de uitvoering van deze verordening van belang zijn.
Hoofdstuk 2 Toegang maatschappelijke ondersteuning
Artikel 2 Melding
In dit artikel is de toegangsprocedure voor inwoners met behoefte aan ondersteuning opgenomen. De Wmo 2015 introduceerde het begrip melding, waarmee de bespreking van een ondersteuningsbehoefte start. De melding kan, door of namens een inwoner, op verschillende manieren worden gedaan, onder andere via de het telefoonnummer van Zorg en welzijn 088-1230999, via het emailadres zorgenwelzijn@assen.nl of via de Buurtteams.
De gemeente Assen organiseert de toegang tot zorg en ondersteuning in samenwerking met de lokale welzijnspartij middels een multidisciplinair overleg. Wanneer een voorliggende voorziening binnen het welzijnswerk het best passend lijkt, wordt er in principe zonder beschikkingen gewerkt. Indien een inwoner het aanbod niet passend vindt, dan zoekt de toegangspartij met de inwoner naar een ander passend aanbod.
In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo treft de gemeente na de melding een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Er is sprake van spoed als het niet inzetten van zorg binnen 24 tot 48 uur zal leiden tot onaanvaardbare (gezondheids)risico’s.
De spoedprocedure wordt ingezet als er sprake is van een acute situatie waarin niet uitstelbare zorg moet worden geleverd. De zorgaanbieder beoordeelt de spoedeisendheid en heeft alle andere mogelijkheden en voorliggende voorzieningen om in de spoedsituatie te ondersteunen onderzocht, zoals opvang door familie/kennissen al dan niet in combinatie met andere zorgvormen.
Als er sprake is van de spoedprocedure kan de aanbieder de ondersteuning zonder beschikking starten en meldt de aanbieder cliënt op de eerstvolgende werkdag bij de gemeente aan.
Er is in ieder geval sprake van spoedeisendheid als de aanvraag voor huishoudelijke ondersteuning is ingediend via de transferverpleegkundige van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen.
De spoedprocedure is niet van toepassing als de cliënt aanspraak kan maken op de Wlz, er sprake is van psychiatrische crisis en bij beschermd wonen.
Artikel 3 Melding beschermd wonen, begeleid kamerwonen en thuiswonen
In de Wmo is beschermd wonen aangewezen als er sprake is van psychische of psychosociale problemen. In artikel 1.1.1. Wmo 2015 is de term ‘beschermd wonen’ gedefinieerd.
Indicatie vindt plaats als een vorm van beschermd wonen nodig is, intramuraal of extramuraal, met daarbij intensieve begeleiding. In het pakket zit geen vorm van behandeling. Beschermd wonen op grond van de Wmo is altijd een tijdelijke voorziening, waarbij het uitgangspunt is dat iemand uitstroomt naar een reguliere woonplek, indien nodig met ambulante zorg.
Beschermd wonen wordt in Drenthe verband georganiseerd via twee zogenaamde centrumregelingen, Eén daarvan is de regio Assen waarin negen gemeenten samenwerken en de gemeente Assen de rol van centrumgemeente uitvoert. De negen gemeenten hanteren gelijk geformuleerd beleid, waarbij het beleid van de gemeente Assen uitgangspunt is.
Artikel 4 Cliëntondersteuning
In artikel 2.2.4 Wmo is bepaald dat de gemeente verantwoordelijk is voor cliëntondersteuning en dat deze beschikbaar is voor inwoners. Hier kan de inwoner gratis terecht voor advies en informatie over ondersteuning op grond van de Wmo.
Artikel 5 Waardering mantelzorgers
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de Wmo. De gemeente krijgt van de raad de bevoegdheid deze verplichting uit de wet bij nadere regels in te vullen.
Artikel 6 Maatschappelijke opvang
In dit artikel staan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor maatschappelijke opvang.
In de nadere regels wordt verdere invulling gegeven aan dit artikel.
Artikel 7 Onderzoek
De melding kan leiden tot een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo. Een melder kan zich laten bijstaan door een familielid of anderen uit zijn netwerk. Tevens kan de melder kosteloos gebruik maken van een cliëntondersteuner. De medewerker die de melding in behandeling heeft, geeft uitleg over dit onderzoek en over de benodigde informatie, en verzamelt deze informatie voor zover mogelijk. Daarbij is de medewerking van de melder onontbeerlijk.
De gemeente beoordeelt in iedere situatie in welke mate de inwoner in staat is om de beperkingen of problemen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te verminderen of op te lossen. Welke zorg de mantelzorger op zich neemt en in welke omvang is in overleg met de inwoner, uitsluitend aan de mantelzorger zelf om te bepalen. Het meewegen van de mantelzorg betekent ook dat de gemeente nagaat of voor een deel van de zorg alsnog ondersteuning vanuit de Wmo geïndiceerd moet worden.
Daarnaast beoordeelt de gemeente of gebruikmaking van andere voorzieningen ook dit resultaat kunnen hebben. Bijvoorbeeld hulp die zonder een indicatie beschikbaar is, collectief geboden wordt of vergoed wordt op grond van een andere wet of door de Zorgverzekering. Pas wanneer bovengenoemde mogelijkheden niet aanwezig zijn, kan de gemeente hulp op maat bieden. De wet gaat er namelijk vanuit dat inwoners zoveel mogelijk eigen verantwoordelijkheid dragen voor hun keuzes, de manier waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven. Er wordt uitgegaan van het benutten van de eigen kracht en verwacht wordt dat inwoners elkaar daarin naar vermogen bijstaan.
Deze stappen volgen uit de uitspraken van de CRvB 11-4-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113 en CRvB 11-7-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182.
Als iemand aangeeft door (dreigende) overbelasting beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie te ervaren, dan wel geen gebruikelijke hulp te kunnen leveren, stelt de gemeente eerst vast of er daadwerkelijk sprake is van overbelasting. Is dat vastgesteld, dan zal er onderzoek plaats moeten vinden naar de oorzaak van die overbelasting.
Bij een duidelijke oorzaak van overbelasting kan er tijdelijk ondersteuning worden ingezet. Tijdelijk voor een periode waarin van betrokkene verwacht wordt dat hij of zij iets aan de oorzaak van de overbelasting gaat doen. Uitgangspunt hierbij is dat het tot de eigen kracht hoort zelf iets te doen aan overbelasting. Daarom worden alle oorzaken van overbelasting in beeld gebracht. Overbelasting heeft altijd meerdere oorzaken. Aan die oorzaken moet, indien mogelijk, iets worden gedaan. Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat iemand maatschappelijke activiteiten moet beperken of anders moet organiseren om de (dreigende) overbelasting te beperken of op te heffen. Gebeurt dat in de afgesproken periode niet, dan wordt de hulp gestopt omdat iemand zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden.
Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan in overleg met de melder worden gekozen voor een verkort onderzoek.
De medewerker brengt, als het nodig is, de casus in bij het multidisciplinair overleg van Zorg en welzijn om te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang.
De termijn voor het onderzoek bedraagt uiterlijk zes weken. De medewerker koppelt de uitkomsten van dit overleg terug aan de melder. Hierna kan eventueel een aanvraag worden ingediend.
Artikel 8 Aanvraag
De cliënt kan de aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen door het invullen en ondertekenen van een aanvraagformulier. De cliënt krijgt dit tegelijkertijd met het resultatenplan toegestuurd. Het is ook mogelijk om via de website van de gemeente Assen met DigiD een aanvraag in te dienen.
De Wmo bepaalt dat het onderzoek van de gemeente maximaal zes weken mag duren. Als het onderzoek in deze periode niet is afgerond, kan de cliënt, ná deze termijn, een aanvraag indienen.
Artikel 9 Beschikking
De uitkomsten van het onderzoek legt de gemeente vast in een resultatenplan. Doet de cliënt een aanvraag, dan neemt de gemeente binnen twee weken een besluit. De brief waarin het besluit staat, heet een beschikking. Het resultatenplan is onderdeel van de beschikking.
Dit artikel omschrijft wat de beschikking tot toekenning van een maatwerkvoorziening in ieder geval moet omvatten. Daarnaast gelden uiteraard ook de eisen die de Awb aan het besluit stelt. Deze eisen zijn niet in de verordening opgenomen. Tegen het besluit staat bezwaar open. Aan de beschikking wordt daarom informatie toegevoegd over hoe en binnen welke termijn bezwaar kan worden ingediend.
Bij toekenning in natura wordt de toegekende voorziening omschreven. Belangrijk daarbij is dat het beoogde resultaat wordt benoemd, vanaf welke datum cliënt recht heeft op de voorziening en voor welke duur deze is toegekend.
Als een maatwerkvoorziening wordt toegekend in de vorm van een pgb wordt eveneens hetgeen in het tweede lid staat opgenomen in de beschikking. In het derde lid staat beschreven welke extra onderwerpen in de beschikking beschreven worden als het gaat om een pgb.
Hoofdstuk 3 Voorwaarden, weigeringsgronden en gebruikelijke hulp
De gemeente is verplicht om een aantal onderwerpen in de verordening te regelen. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om de voorwaarden en weigeringsgronden. Dit blijkt uit artikel 2.1.3 Wmo 2015. In de verordening moet staan op basis van welke criteria de gemeente bepaalt of een cliënt een maatwerkvoorziening krijgt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt.
Om een maatwerkvoorziening op een bepaalde grond te kunnen weigeren, moet deze weigeringsgrond in de wet of de verordening staan, zie CRvB 8-02-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:433.
Artikel 10 Voorwaarden
De gemeente is verplicht om in de verordening vast te leggen welke criteria gelden om vast te stellen of een cliënt in aanmerking kan komen voor een maatwerkvoorziening. In dit artikel wordt, als cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, uitgewerkt welke voorwaarden hiervoor gelden.
In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat de gemeente kan volstaan met de goedkoopst compenserende voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel compenserend als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip compenserend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten.
Wil de cliënt een duurdere voorziening dan de goedkoopst compenserende voorziening? Dan zijn de extra kosten voor rekening van de cliënt. Hier wordt alleen een uitzondering op gemaakt als een duurdere voorziening bijdraagt aan een actieve levensstijl en daarbij mogelijk aan preventie (zorgkosten verminderen of voorkomen). Hierbij verwacht de gemeente dat de cliënt zelf ook de verantwoordelijkheid neemt voor een gezonde en actieve levensstijl. Een voorbeeld voor deze uitzondering is bijvoorbeeld het verstrekken van een (aangepaste) fiets in plaats van een scootmobiel voor het bereiken van de bestemmingen.
Artikel 11 Weigeringsgronden
Lid 1 sub a: algemeen gebruikelijk
De gemeente moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt. Bij de vraag of een voorziening algemeen gebruikelijk is, wordt altijd gekeken naar de individuele situatie. De volgende criteria worden gebruikt bij het beoordelen van de algemeen gebruikelijkheid (zie ECLI:NL:CRVB:2019:3535)
- •
is het middel niet speciaal voor mensen met een handicap of beperking?
- •
is het middel daadwerkelijk beschikbaar?
- •
levert het middel een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is?
- •
kan het middel worden betaald door iemand met een minimum inkomen?
Indien alle vier de vragen met ‘ja’ kunnen worden beantwoord is in de regel sprake van een algemeen gebruikelijke voorziening. Hoe de gemeente Assen berekent of een middel betaald kan worden door iemand met een minimum inkomen gebruiken wij de volgende berekening. Een (hulp)middel kan financieel worden gedragen met een inkomen op minimumniveau indien de kosten daarvan binnen een termijn van 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm.
Voorbeelden van zaken die als algemeen gebruikelijk worden gezien zijn:
- •
hendel meng-/thermostaatkranen;
- •
verhoogde toiletpotten, wandbeugels, douchezitjes, douchekrukken en standaard (niet-verrijdbare) douchestoelen;
- •
zonwering, al dan niet elektrisch;
- •
gebruikskosten van een personenauto;
- •
automatische transmissie (automaat)/airconditioning/stuurbekrachtiging in de auto;
- •
inductie- of keramische kookplaat + de benodigde stroomvoorziening hiervoor;
- •
vaatwasser;
- •
wasdroger, sokkel voor wasmachine, wasdroger of vaatwasser;
- •
centrale verwarming/infrarood kachels;
- •
regenkleding/schootkleed;
- •
deurbel met camera;
- •
elektrische garagedeuropener;
- •
standaard intercom;
- •
draadloze stopcontactschakelaar;
- •
aanpassingen ter vergroting van de veiligheid (bijvoorbeeld deurketting, bijzondere sloten).
Deze opsomming is niet limitatief. Het gaat om voorbeelden.
Lid 1 sub b / c: aanspraak op andere regeling / voldoende eigen kracht
Een aanvraag kan worden afgewezen als blijkt dat cliënt op eigen kracht zelfredzaam is en/of voldoende kan participeren (artikel 2.3.5 lid 3 en 4 Wmo 2015).
Onder eigen kracht valt ook het aanspraak maken op voorzieningen die onder een andere wettelijke regeling vallen. CRvB 31-5-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1046.
Als een cliënt zijn beperking kan opheffen door daadwerkelijk aanspraak te maken op een andere wet, is er voldoende eigen kracht. Andere wetten zijn bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet, de Wlz of de Participatiewet.
Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de Wmo. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.
De gemeente kan alleen rekening houden met de eigen mogelijkheden van de cliënt als die echt aanwezig zijn.
Lid 1 sub d / e: voorziening al aangeschaft
Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening zelf realiseert of aanschaft en zich daarna pas bij de gemeente meldt. In deze situatie wordt de voorziening geweigerd.
Als de voorziening al is gerealiseerd of aangeschaft na het doen van de melding, maar voordat de gemeente het besluit heeft genomen, wordt de voorziening geweigerd als de gemeente hier vooraf geen schriftelijke toestemming voor heeft verleend.
De gemeente heeft dan geen mogelijkheden meer om de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken. Ook heeft de gemeente anderszins geen invloed meer op de te verstrekken voorziening. Met deze regels wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen of aangeschaft, uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen de gemeente als goedkoopst compenserende voorziening beschouwt.
Wanneer blijkt dat de aanschaf van de voorziening op eigen kracht leidt tot een schrijnende situatie of de eigen kracht niet toereikend was, kan de gemeente alsnog overgaan tot het toekennen van een maatwerkvoorziening als uit het onderzoek blijkt dat dit noodzakelijk is.
Lid 1 sub f: niet langdurig noodzakelijk
Dit lid bepaalt dat een voorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Waar de grens tussen tijdelijk en langdurig gelegd moet worden is niet duidelijk aan te geven. Dit volgt niet uit de wet. Een afbakening die gemaakt kan worden, is door te kijken naar andere regelgeving die voor beperkte duur voorzieningen verstrekken, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw). Vanuit de Zvw kunnen hulpmiddelen ten hoogste 26 weken verstrekt worden. In individuele gevallen kan hiervan worden afgeweken.
Er wordt onder andere meegewogen of herstel mogelijk is en binnen welke termijn en of het gaat om een voorziening die naar zijn aard tijdelijk kan worden verstrekt zoals een taxipas of om een permanente voorziening zoals een woningaanpassing.
Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor langere tijd aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de beperkingen slechts tijdelijk zijn, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op de Zorgverzekeringswet.
Deze voorwaarde betekent in ieder geval niet dat terminale patiënten geen beroep op de gemeente kunnen doen. Wel zal bij de advisering en de keuze voor de soort voorziening rekening gehouden moeten worden met het feit dat het een terminale patiënt betreft.
Lid 1 sub h: eerder verstrekte voorziening verloren gegaan
In dit lid is een regeling getroffen wanneer een maatwerkvoorziening moet worden getroffen ter vervanging van eerder toegekende voorzieningen. Een maatwerkvoorziening wordt echter niet toegekend indien het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.
Lid 2
In dit lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zouden worden aangeduid met de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden.
Lid 2 sub c: gemeenschappelijke ruimte
In beginsel wordt een voorziening niet verstrekt als het een aanpassing aan een gemeenschappelijke ruimte betreft. Hier kan van worden afgeweken voor de zaken die in dit lid zijn genoemd conform de afspraken met woningcorporaties.
Artikel 12 Gebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is hulp die huisgenoten van elkaar kunnen verwachten. Juist omdat zij samen één huishouden vormen en de taken samen verdelen. Het is dagelijkse hulp die partners, ouders, inwonende kinderen en andere volwassen elkaar kunnen geven (uitwonende kinderen en partners tellen niet mee).
De gemeente verwacht dat de huisgenoten deze hulp ook aan elkaar geven, ook als dat betekent dat zij taken moeten herverdelen.
Als er sprake is van commerciële kamer(ver)huur, rekenen we de huurder van de betreffende ruimte niet tot het huishouden.
Uit onderzoek kan blijken dat de huisgenoten gezondheidsproblemen hebben, of door de combinatie van een (voltijdse) baan of opleiding en het leveren van gebruikelijke hulp, overbelast dreigen te raken. In dat geval moet de persoon die hulp nodig heeft, samen met de huisgenoten, aannemelijk maken dat de taken niet uitgevoerd kunnen worden.
Afwezig
Als de enige huisgenoot van iemand langere tijd niet thuis is vanwege werk, zoals offshore werk, internationaal vrachtverkeer of werk in het buitenland, wordt dit meegewogen bij de afweging of de gebruikelijke hulp kan worden geleverd.
Korte levensverwachting
Als iemand een (zeer) korte levensverwachting heeft, overweegt de gemeente om taken die normaal gesproken onder de gebruikelijke hulp vallen, toch als maatwerkvoorziening te verstrekken. Dit kan de leefeenheid ontlasten.
Bij beoordeling van gebruikelijke hulp worden onder andere de hieronder genoemde zaken meegewogen:
- •
De aard van de relatie
Van een partner mag je bijvoorbeeld meer verwachten dan van een andere huisgenoot. En bij kinderen hangt het af van de leeftijd wat je mag verwachten.
- •
De aard van de hulp
Gaat het om huishoudelijke taken, dan verwacht de gemeente dat een gezonde volwassen huisgenoot dit overneemt. Aansturen bij persoonlijke verzorging kan ook gebruikelijke zorg zijn. Ook kan een rol spelen wanneer de hulp gegeven moet worden en of deze uitstelbaar is.
- •
De omvang van de hulp
De tijd die nodig is om de hulp uit te voeren speelt een rol. Daarbij kan de gemeente ook meewegen wat de huisgenoot verder voor verplichtingen heeft. Studie, (vrijwillige) werkzaamheden, hobby’s of vrijetijdsbesteding vormen in principe geen reden om van de gebruikelijke hulp af te zien.
Artikel 13 Gebruikelijke hulp bij het huishouden
Voor gebruikelijke hulp bij het huishouden geldt dat argumenten als ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen doen’ geen redenen zijn om huishoudelijke hulp toe te kennen. In die situaties kan een tijdelijke indicatie afgegeven worden voor het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. Het gaat dan om een kortdurende indicatie, waarin de noodzakelijke huishoudelijke vaardigheden worden aangeleerd.
Artikel 14 Gebruikelijke hulp bij begeleiding
Voorbeelden voor gebruikelijke hulp bij begeleiding zijn:
- •
De overname door de ouders van de administratie van hun volwassen kind die zelf niet in staat is de administratie uit te voeren, mag naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid van de ouders verwacht worden en kan dus als gebruikelijke hulp worden beschouwd (ECLI:NL:RBZWB:2017:6072).
- •
Aansturing van relatief beperkte aard mag naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid van de partner verwacht worden. Zoals het dagelijks ophangen van briefjes met taken die cliënt die dag moet doen en het gedurende de dag regelmatig bellen om te checken of cliënt iets gedaan heeft (ECLI:NL:CRVB:2021:823).
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 15 Vormen van ondersteuning en resultaatgebieden
De gemeente heeft zorg in natura ingekocht bij diverse aanbieders en hierover afspraken gemaakt met die aanbieders. Het uitgangspunt is dat aanbieders de kwaliteit van zorgverleners borgen. Hierbij wordt voldoende gekwalificeerd personeel ingezet om cliënten te begeleiden en te ondersteunen, passend bij de complexiteit en aard van de problematiek van de cliënt. Daaronder wordt verstaan: een mix van medewerkers met een combinatie van opleidingsniveau en - richting en opgedane (werk-)ervaring. Het gaat hierbij om gediplomeerde medewerkers met een zorg gerelateerde opleiding. Stagiaires, BBL’ers, deeltijdstudenten en vrijwilligers worden buiten beschouwing gelaten.
Artikel 16 Hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen
Bij hulpmiddelen voor het verplaatsen in en om de woning kan gedacht worden aan een handbewogen rolstoel of een elektrische rolstoel. Bij hulpmiddelen voor het maken van transfers kan gedacht worden aan een tillift. Voorbeelden van vervoersvoorzieningen voor verplaatsingen in de woonomgeving en in de regio zijn een aangepaste fiets, scootmobiel of Wmo-pas. Voorbeelden van woonvoorzieningen voor het wonen in een geschikte woning of voor het normaal kunnen gebruiken van de essentiële woonruimten in de woning zijn een traplift of aanpassingen in de sanitaire ruimtes.
In principe zal een hulpmiddel voor verplaatsing in, om en nabij het huis verstrekt worden als iemand een dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft. Een rolstoelpool of uitleenpunt kan leiden tot een adequate oplossing voor het probleem van het verplaatsen op andere plaatsen dan rond de woning. Daarom zal een rolstoelpool of uitleenpunt een oplossing kunnen bieden voor diegenen die behoefte hebben aan een oplossing voor incidenteel gebruik waarbij het gebruik niet in en om de woning plaatsvindt.
Verplaatsen in de woonomgeving betreft bijvoorbeeld het doen van boodschappen, maatschappelijke participatie, bezoek aan artsen, specialisten en voor ziekenhuisbezoek, voor zover het zogenaamde zittend ziekenvervoer daar geen oplossing voor biedt. Bij maatschappelijke participatie kan gedacht worden aan familiebezoek, het bezoeken van bijeenkomsten of kerkdiensten, deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen.
De vervoersvoorzieningen via de Wmo zijn bedoeld voor verplaatsingen in en binnen een straal van maximaal 25 km rondom de woning. Voor verplaatsingen over grotere afstanden heeft het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys is aanvullend op de Wmo te verstrekken maatwerkvoorzieningen en valt buiten de verantwoordelijkheid van de gemeente.
Met het normaal gebruiken van de woning wordt bedoeld dat iemand de elementaire woonfuncties kan verrichten. Elementaire woonfuncties zijn bijvoorbeeld slapen, eten, het lichaam reinigen, het huishoudelijk werk doen, maaltijden bereiden, het kunnen verplaatsen binnen de woning en de woning binnengaan en verlaten. Essentiële woonruimten zijn de woonkamer, slaapkamer, keuken, sanitaire ruimten.
Het uitgangspunt is dat iedereen altijd zoekt naar de op dat moment meest geschikte beschikbare woning, passend bij de financiële draagkracht en de persoonlijke situatie. Bij het toekennen van een woningaanpassing beperkt de gemeente zich tot de essentiële woonruimten.
Artikel 18 Pgb ondersteuning
De gemeente kan op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo een pgb verstrekken. Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van de gemeente worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b) en aan de voorwaarden voldoet.
In de verordening wordt gehoor gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 39) is vermeld dat de gemeente bijvoorbeeld kan bepalen dat het pgb niet hoger mag zijn dan een percentage van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan het verlenen van adequate ondersteuning in natura. Gemeenten hebben daarmee ook de mogelijkheid om differentiatie aan te brengen in de hoogte van het pgb. Gemeenten kunnen verschillende tarieven hanteren voor verschillende vormen van ondersteuning en voor verschillende typen hulpverleners. Gemeenten kunnen bij het vaststellen van tarieven bijvoorbeeld onderscheid maken tussen ondersteuning die wordt geleverd door het sociale netwerk, door hulpverleners die werken volgens de kwaliteitsstandaarden en hulpverleners die dat niet doen (zoals werkstudenten, zzp’ers zonder diploma’s e.d.).
De financieel-administratieve afhandeling van het pgb gebeurt verplicht voor alle pgb-houders door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De pgb-houder heeft een trekkingsrecht. Alle bestedingen worden door de SVB bijgehouden en zijn inzichtelijk voor de pgb-houders en gemeente. De gemeente toetst vooral vooraf. Het geld kan alleen besteed worden aan wat is afgesproken (toets SVB bij betalen facturen). Gemeenten hebben steeds inzage in de bestedingen.
De gemeente stelt de hoogte van het pgb vast. Als een cliënt de hulp wil afnemen van een aanbieder die een hoger tarief heeft, is dat mogelijk als de cliënt zelf de extra kosten betaalt.
Artikel 19 Tarieven pgb ondersteuning
We hanteren afzonderlijke tarieven voor formele en informele hulp. Ook wordt er voor formele zorg met de tarieven onderscheid gemaakt tussen zorg die geleverd wordt vanuit een instelling en zorg die geleverd wordt door een zzp’er.
Als uitgangspunt geldt dat het tarief voor formele zorg vanuit een instelling 90% bedraagt van het tarief voor zorg in natura. Voor zzp’ers is het uitgangspunt 75% van het tarief voor zorg in natura. De administratieve last in het geval van een pgb ligt bij de pgb-beheerder/cliënt en niet bij de aanbieder/uitvoerder van de hulp. Een deel van de overhead bij de aanbieder valt hierdoor weg.
De tarieven voor formele ondersteuning pgb zijn niet gelijk aan de tarieven voor zorg in natura, omdat er door de betreffende zorgaanbieders minder overheadkosten gemaakt hoeven worden dan door gemeente gecontracteerde aanbieders. Dit betreft o.a. kosten in relatie tot de aanbesteding en bijbehorende programma’s van eisen, verantwoordingsrapportages en afstemmingsoverleggen. Voor zzp’ers geldt daarnaast ook dat zij minder kosten hebben voor bijvoorbeeld huisvesting, materiële kosten, kosten voor innovatie en organisatieontwikkeling en automatisering.
De tarieven voor informele hulp zijn lager dan de tarieven voor formele hulp aangezien voor hulpverleners uit het sociaal netwerk andere kwaliteitseisen worden gesteld ten opzichte van formele zorg (o.a. opleidingsniveau).
De pgb-tarieven zijn vastgesteld in eenheden zoals uren, dagdelen of etmalen.
De pgb-tarieven voor informele hulp voor begeleiding en schoon en leefbaar huis worden gebaseerd op het wettelijk minimumloon vermeerderd met vakantietoeslag. Dit naar aanleiding van de uitspraken van de CRvB: ECLI:NL:CRVB:2025:1276 en ECLI:NL:CRVB:2025:1380.
Artikel 20 Pgb hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen
Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 gelden voor de pgb-houder voor een hulpmiddel, vervoersvoorziening en/of woonvoorziening de volgende voorwaarden voor pgb-vaardigheid. De pgb-houder:
- •
heeft een duidelijk beeld van de hulpvraag
- •
is op de hoogte van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden
- •
is in staat om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden
- •
is in staat om zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een leverancier te kiezen
- •
is in staat om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan de gemeente.
De volgende situaties zijn een contra-indicatie voor een pgb voor een hulpmiddel, vervoersvoorziening en/of woonvoorziening:
- •
schuldenproblematiek
- •
ernstige verslavingsproblematiek
- •
aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag
- •
een aanmerkelijke verstandelijke beperking
- •
een ernstig psychiatrisch ziektebeeld
- •
een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis.
Als de cliënt niet in staat is om zelf aan bovenstaande voorwaarden te voldoen, kan er een pgb-beheerder benoemd worden. De bovenstaande voorwaarden gelden dan ook voor deze persoon. Aanvullend geldt dat de pgb-beheerder niet de uitvoerder van de werkzaamheden of leverancier van het hulpmiddel is.
De pgb’s voor hulpmiddelen, vervoersvoorzieningen en woonvoorzieningen worden rechtstreeks aan de pgb-houder of aan de leverancier uitbetaald. Dit gaat niet via de SVB.
Artikel 22 Financiële tegemoetkoming
Voor enkele voorzieningen is een financiële tegemoetkoming vastgesteld. Het gaat hierbij om een bedrag dat gebruikt moet worden om de voorziening zelf aan te schaffen dan wel te gebruiken. In het geval van een financiële tegemoetkoming is het bedrag mogelijk niet altijd toereikend om de kosten volledig te dekken. De eventuele extra kosten zijn voor rekening van de cliënt.
Artikel 23 Bijdrage in de kosten
Wanneer de gemeente ervoor kiest om een eigen bijdrage te heffen, geldt voor maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen het abonnementstarief van het in artikel 2.1.4a lid 4 Wmo 2015 genoemde bedrag. Het CAK stelt de eigen bijdrage vast en int deze.
In het vijfde lid is vastgelegd voor welke maatwerkvoorzieningen geen bijdrage is verschuldigd.
In het achtste lid is uiteengezet hoe de kostprijs van een voorziening tot stand komt.
In het negende lid is uitgewerkt dat op grond van artikel 2.1.5 Wmo bij verordening kan worden bepaald dat voor een woningaanpassing ten behoeve van een minderjarige een bijdrage in de kosten wordt opgelegd aan de ouders.
Hoofdstuk 5 Tussentijds onderzoek en gevolgen
Artikel 25 Tussentijds onderzoek
De gemeente moet in het kader van de Wmo 2015 beoordelen of een cliënt in aanmerking komt voor maatschappelijke ondersteuning. Daarnaast moet de gemeente, ook in het kader van efficiënt beheer van de gemeentelijke middelen, periodiek beoordelen of de cliënt in aanmerking blijft komen voor maatschappelijke ondersteuning. Het tussentijds onderzoek houdt in dat de gemeente periodiek/regelmatig onderzoekt of er aanleiding is om de beslissing tot toekenning van een maatwerkvoorziening te heroverwegen (artikel 2.3.9 lid 1 Wmo 2015). Omdat een maatwerkvoorziening een op maat van de persoon gesneden afgestemd geheel van maatregelen is, moet de gemeente regelmatig nagaan of de maatwerkvoorziening nog steeds passend is.
Artikel 26 Verzoek tot opschorting uitbetaling pgb
In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering (op grond van artikel 2, vierde lid, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit (op grond van artikel 2.3.10 van de Wmo). Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de pgb-houder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Het is aan de SVB om te beslissen over te gaan tot opschorting. Dit kan echter ook op verzoek van de gemeente, mits dit met toepassing van bij de verordening gestelde regels gebeurt (artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015). Gemeenten die deze mogelijkheid wenselijk achten, dienen dit artikel (of enig artikel ter uitvoering van artikel 2, vierde lid, aanhef en onder e, van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015) in de verordening op te nemen.
Artikel 27 Herziening, intrekking en beëindiging
Dit artikel regelt in welke gevallen de gemeente een beslissing tot verlening van een maatwerkvoorziening kan herzien, intrekken of beëindigen.
Herzien
Een beslissing wordt opnieuw beoordeeld, vaak omdat er nieuwe feiten of omstandigheden zijn. Het recht blijft bestaan maar vanaf een moment in de toekomst aangepast (meer, minder of andere hulp).
Intrekken
Een besluit wordt met terugwerkende kracht ingetrokken alsof het nooit heeft bestaan.
Hierna wordt beoordeeld of er teruggevorderd moet worden.
Beëindigen
Een individuele voorziening wordt stopgezet. Dit kan alleen per heden of in de toekomst. Tot dat moment blijft het eerder genomen besluit geldig.
Deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, lid 4 van de Wmo waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo.
De gemeente kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.
Voorbeelden van feiten en omstandigheden zoals benoemd in lid 1 van dit artikel zijn:
- •
verhuizing
- •
samenwonen/scheiden
- •
veranderingen in gezondheid
- •
indicatie via Wlz van de cliënt zelf of een huisgenoot
- •
hulpvraag is veranderd
- •
ondersteuning is niet meer nodig.
Artikel 28 Wangedrag
Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of de gemeente en/of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van, al dan niet tijdelijke, maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte van cliënt betrokken te worden.
Hoofdstuk 6 Kwaliteit
Artikel 30 Kwaliteit
Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.
De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen.
De kwaliteitseisen gelden in gelijke mate voor professionele zorgverleners waarbij ondersteuning wordt ingekocht met een pgb. Het pgb geldt immers als gelijkwaardig alternatief voor zorg in natura. Logischerwijs kunnen niet alle operationele eisen die uit de kwaliteitseisen voortvloeien in gelijke mate gelden voor informele hulp. Van informele hulp kan bijvoorbeeld niet worden verlangd dat een kwaliteitssysteem wordt gehanteerd. Op grond van deze bepaling kan de gemeente de operationele eisen uitwerken.
Artikel 31 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden
De gemeente kan de uitvoering van de Wmo, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders of derden laten verrichten (artikel 2.6.3, eerste lid, van de Wmo). Met het oog op gevallen waarin de werkzaamheden worden aanbesteed, zoals genoemd in artikel 2.6.4 van de Wmo moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de Wmo om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen, een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet beoogd. De regels hebben tot doel dat een reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die in opdracht van de gemeente door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur (artikel 2.1.1 van de Wmo) en de ZIN-aanbieders (artikel 3.1 van de Wmo).
Hoofdstuk 7 Toezicht en handhaving
Artikel 32 Toezicht en handhaving
Op grond van het eerste lid van artikel 6.1 van de Wmo moet de gemeente personen aanwijzen die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo. Deze toezichthoudende ambtenaar is, voor zover dat voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van dossiers.
Artikel 33 Tegengaan oneigenlijk gebruik
Op grond van artikel 2.1.3 vierde lid van de Wmo worden in de verordening regels gesteld over de bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen. Ook worden er regels gesteld om misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo te voorkomen. Essentieel daarbij is dat de gemeente periodiek controles uitvoert naar het gebruik en de besteding van voorzieningen op grond van de wet.
Artikel 34 Meldpunt kwaliteit en rechtmatigheid
De gemeente Assen heeft een meldpunt ingericht bij de NMD-samenwerking. Via www.nmdsamenwerking.nl kan er middels het formulier “fraude melden” een melding worden gedaan bij een (vermoeden van) onrechtmatigheden. Het kan bijvoorbeeld gaan om onheuse bejegening van cliënten, onvoldoende kwaliteit, het niet werken met een zorgplan, de zelfregie van de cliënt niet waarborgen en de omgeving van de cliënt niet betrekken. Er kan een vertrouwelijke en indien gewenst anonieme melding worden gedaan.
Artikel 35 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de Wmo is bepaald dat de gemeente personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet. De gemeente Assen heeft een meldpunt ingericht bij de NMD-samenwerking. Via www.nmdsamenwerking.nl kan er middels de button “meld calamiteiten en geweld” een melding worden gedaan bij een (vermoeden van) onrechtmatigheden.
Hoofdstuk 8 Klachten, medezeggenschap en inspraak
Artikel 36 Klachtregeling
In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de Wmo. Daarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt vastgelegd ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo).
In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Waar het het handelen van een gemeenteambtenaar betreft, is hoofdstuk 9 Klachtbehandeling van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Na het doorlopen van de klachtprocedure kan een beroep worden gedaan op de onafhankelijke ombudscommissie. Informatie over de klachtprocedure is te vinden op de website van de gemeente.
Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). In dat geval moeten cliënten de klacht bij de aanbieder neerleggen. Daarom geldt een wettelijke verplichting voor aanbieders om een klachtregeling op te stellen. Cliënten moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt.
Artikel 37 Medezeggenschap
Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.
In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de Wmo).
In het tweede lid is een aantal instrumenten voor de gemeente aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Artikel 38 Betrekken van inwoners bij het beleid
Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo.
In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
Met het derde lid wordt het aan de gemeente overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven. De uitvoering van de Verordening adviesraden sociale domein is een collegebevoegdheid. Hiermee is de uitwerking van het tweede en derde lid ingevuld. In de praktijk betekent dit dat de beide adviesraden die naar aanleiding van bovenstaande verordening zijn ingesteld, te weten de Raad voor cliëntenparticipatie en de Participatieraad, de invulling van de medezeggenschap vormen.
Hoofdstuk 9 Slotbepalingen
Artikel 39 Hardheidsclausule
Dit artikel zorgt ervoor dat er een uitzondering gemaakt kan worden als de normale regels te streng of oneerlijk zijn in een bepaalde situatie.
Artikel 40 Evaluatie
Deze verplichting vloeit voort uit de artikelen 2.5.1 en 2.5.3 van de Wmo.
Artikel 41 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
De Wmo bevat regels voor overgangsrecht.
In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld.
Artikel 42 Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe deze verordening dient te worden aangehaald.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl