Beleidsregels vermogensvaststelling Participatiewet Schouwen-Duiveland 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels vermogensvaststelling Participatiewet Schouwen-Duiveland 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland,

gezien het voorstel van afdeling Werken, Wonen en Leven 16 december 2025, zaaknummer: 1642121,

gelet op artikel 31 en 34 Participatiewet en titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende, dat het college van burgemeester en wethouders het wenselijk vindt om in beleidsregels aan te geven op welke wijze de vermogensvaststelling plaatsvindt.

Besluit:

De Beleidsregels vermogensvaststelling Participatiewet Schouwen- Duiveland 2026 vast te stellen.

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • Awb: Algemene Wet Bestuursrecht;

  • College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland;

  • Exclusief motorvoertuig: een motorvoertuig van een zodanige aard of uitvoering dat dit niet als algemeen gebruikelijk bezit wordt gezien, zoals een luxe, sportief of recreatief model;

  • Motorvoertuig: een voertuig dat wordt voortbewogen door een motor. Hiervan is uitgesloten een bromfiets, scooter, brommobiel, snorfiets en MMBS.

  • Oldtimer: een motorvoertuig van 40 jaar of ouder, gemeten vanaf de datum van de eerste toelating, zoals vastgesteld door de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW).

  • Vermogen: het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet;

  • Vermogensgrens: de vermogensgrens zoals bedoeld in artikel 34, lid 3 van de wet;

  • Wet: de Participatiewet

Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet.

HOOFDSTUK 2 VERMOGENSVASTSTELLING MOTORVOERTUIGEN, BOTEN EN CARAVANS

Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet worden bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt. Een auto of motor met een beperkte waarde geldt als algemeen gebruikelijk bezit. Caravans en boten worden vanwege hun aard niet beschouwd als algemeen gebruikelijk. Daarnaast wordt een deel van bank- en girotegoeden niet als vermogen beschouwd.

Artikel 2. In aanmerking te nemen waarde

  • 1. Een motorvoertuig met een waarde tot maximaal € 3.350 wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Als een motorvoertuig een waarde heeft van € 3.350 of meer, dan wordt de meerwaarde aangemerkt als vermogen.

  • 2. Caravans, campers, vrachtwagens, tractoren, jachten en boten worden niet beschouwd als algemeen gebruikelijk. De waarde hiervan wordt daarom volledig meegenomen in de vermogensvaststellingberekening.

Artikel 3. Vermogensvaststelling

  • 1. Voor de vaststelling van de waarde van motorvoertuigen ouder dan 18 jaar wordt voor de vermogensvaststelling aangenomen dat de waarde hiervan onder de € 3.350 ligt. Verder onderzoek kan in dat geval achterwege blijven.

  • 2. Voor de vaststelling van de waarde van motorvoertuigen jonger dan 18 jaar wordt uitgegaan van de ANWB- koerslijst (inruilwaarde).

  • 3. Voor de vaststelling van de waarde van caravans wordt uitgegaan van de caravan koerslijst van de ANWB (inruilwaarde).

  • 4. Voor de vaststelling van de waarde van boten moet de belanghebbende een taxatierapport overleggen.

  • 5. Als de auto, motor, boot, caravan niet langer dan 3 maanden geleden is aangeschaft, dan kan voor de waardebepaling worden uitgegaan van de betaalde aankoopprijs, tenzij blijkt dat deze prijs irreëel is. Dit kan worden gecontroleerd aan de hand van de ANWB-koerslijst (inruilwaarde).

Artikel 4. Afwijkende vermogensvaststelling

Van voornoemde uitgangspunten wordt afgeweken, indien sprake is van exclusieve motorvoertuigen en van oldtimers.

  • 1. Van oldtimers en motorvoertuigen uit het exclusieve of duurdere segment moet altijd de waarde worden vastgesteld, ook als zij 18 jaar of ouder zijn. In die gevallen moet belanghebbende een taxatierapport van een BOVAG-garagebedrijf overleggen.

  • 2. De aanwezigheid van een tweede auto of motor wordt niet aangemerkt als algemeen gebruikelijk. De waarde hiervan dient derhalve volledig te worden meegenomen bij de vermogensvaststelling, ook als het ouder is dan 18 jaar.

  • 3. Indien de belanghebbende binnen een tijdvak van 12 maanden meer dan driemaal en kenteken op zijn naam heeft staan, is dit aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek.

  • 4. In sommige gevallen is het bezit van een bepaald motorvoertuig noodzakelijk, bijvoorbeeld om medische redenen (mogelijk dat de auto dan ook is aangepast). In dat geval zal de auto buiten de vermogensvaststelling worden gehouden met het voorbehoud dat de waarde van de auto wel in enige verhouding moet staan tot het beroep dat op bijstand wordt gedaan.

HOOFDSTUK 3 VERMOGENSVASTSTELLING GIFTEN EN WAARDEVOLLE BEZITTINGEN

Artikel 5. Ontvangsten uit giften

Het college neemt bijdragen die leiden tot een kostenbesparing niet in aanmerking, voor zover de som van deze bijdragen en giften het bedrag, bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel m van de wet, niet overstijgt. In afwijking van de vorige zin neemt het college bijdragen van voedselbanken geheel niet in aanmerking.

  • 1. Binnen de kaders van artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Participatiewet, beschouwt het college in individuele gevallen deze giften als verantwoord:

  • giften die worden gebruikt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verleend had kunnen worden;

  • giften die worden ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • giften die gebruikt worden om probleemschulden af te lossen die zijn ontstaan vóór de ingangsdatum van de bijstandsverlening.

  • 2. Bijstandsgerechtigden zijn verplicht om alle ontvangen giften en bijdragen, zowel in geld als in natura (ook wel: besparingsbijdragen), te melden op het moment dat de som hiervan in een kalenderjaar het bedrag bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel m van de wet, overstijgt. Tot dat moment geldt geen meldingsplicht.

  • 3. Een ontvangen gift in natura in de vorm van een voertuig moet worden gemeld indien de waarde van het object hoger is dan het bedrag bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel m van de wet. Het college toetst tevens of de bijstandsgerechtigde nog aan de vermogensgrens voldoet.

  • 4. Een gift wordt als inkomen beschouwd wanneer deze een structureel karakter heeft met als doel het voorzien in kosten van levensonderhoud, zoals huur, voeding of kleding.

  • Een gift wordt als vermogen beschouwd wanneer deze een incidenteel karakter heeft en niet specifiek is bedoeld voor levensonderhoud. In dat geval toetst het college of de betrokkene hiermee de vermogensgrens overschrijdt.

  • 5. Indien een bijstandsgerechtigde giften boven het wettelijk gestelde grensbedrag in een kalenderjaar niet meldt, is sprake van schending van de inlichtingenplicht. De gemeente onderzoekt dan zorgvuldig of en in hoeverre dit leidt tot een onterechte bijstandsverlening en zal zo nodig handhavend optreden.

  • 6. Bij het onderzoek naar giften hanteert het college het uitgangspunt van vertrouwen. Daarom wordt in beginsel volstaan met een mondelinge of schriftelijke verklaring van de bijstandsgerechtigde. Alleen wanneer er gegronde twijfel bestaat aan de verklaring of als aanvullende verificatie noodzakelijk is, kan worden gevraagd om aanvullende informatie. Het opvragen van verificatiedocumenten moet proportioneel zijn.

Artikel 6. Vermogensvaststelling bij waardevolle bezittingen

Onder waardevolle bezittingen worden verstaan: bezittingen met een bijzondere of culturele waarde, zoals kunst, antiek, sieraden of andere waardevolle aankopen die niet noodzakelijk zijn voor het dagelijks bestaan.

  • 1. Sieraden en antieke goederen die al enige tijd in het bezit zijn, worden niet meegenomen in de vaststelling van het vermogen.

  • 2. Blijkt men 3 maanden voorafgaande aan de voorzienbare uitkeringsafhankelijkheid dure aankopen te hebben gedaan, dan telt de waarde ervan mee bij de vaststelling van het vermogen.

HOOFDSTUK 4 VERMOGENSVASTSTELLING EN BANK- EN GIROTEGOEDEN

Artikel 7. Vrijlating bank- en girotegoeden

  • 1. 1.De berekening van de bedragen die voor de vermogensvaststelling buiten beschouwing blijven, zijn conform de recente gehuwdennormen afgerond naar hele euro’s.

  • 2. De bedragen zijn inclusief vakantietoeslag en conform de norm bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de Participatiewet, geldend op 1 januari van dat jaar.

Artikel 8. Hardheidsclausule

Het college handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dit in bijzondere omstandigheden voor de belanghebbende en/of zijn gezinsleden tot onevenredige gevolgen leidt, in verhouding tot de doelen die met de beleidsregel worden nagestreefd. Dit is overeenkomstig artikel 4:84 van de Awb.

Artikel 9. Onvoorziene omstandigheden

Voor individuele gevallen en bijzondere situaties waarin de beleidsregel niet volledig voorziet, maar wel in lijn zijn met de uitgangspunten en bedoeling ervan, kan het college gemotiveerd afwijken.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 10. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.

Artikel 11. Titel

Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Beleidsregels vermogensvaststelling Participatiewet Schouwen-Duiveland 2026’. Per gelijke datum vervallen de 'Beleidsregels vermogensvaststelling Participatiewet Schouwen-Duiveland’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schouwen-Duiveland d.d. 16 december 2025.

mr. S.J.A. Bronsveld, Secretaris

J. Chr. van der Hoek MBA, Burgemeester

Nadere toelichting

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1. Definities

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.

HOOFDSTUK 2 VERMOGENSVASTSTELING MOTORVOERTUIGEN, BOTEN EN CARAVANS

Artikel 2. In aanmerking te nemen waarde

In dit artikel is bepaald dat een motorvoertuig met een waarde tot maximaal het vermogensbedrag dat door SABEWA wordt gehanteerd bij de beoordeling van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen, wordt beschouwd als algemeen gebruikelijk. Indien de waarde van het voertuig dit bedrag overstijgt, wordt het meerdere in aanmerking genomen als vermogen.

De keuze om aan te sluiten bij het door SABEWA gehanteerde vermogensbedrag is, omdat dit bedrag is gebaseerd op landelijke normen die aansluiten bij het sociaal minimum. Daarmee vormt het een objectief en actueel referentiepunt voor de beoordeling van draagkracht bij personen met een laag inkomen.

Artikel 3. Vermogensvaststelling

Over de waardebepaling van auto’s ontstaan nogal eens geschillen. Oorzaak hiervan kan zijn dat de belanghebbende zelf bij een garage de waarde van zijn auto heeft laten vaststellen. Garages hanteren namelijk twee soorten prijzen: inkoop en verkoop. Het spreekt voor zich dat de inkoopprijs een stuk lager ligt dan de verkoopprijs. Geen van beide prijzen is echter reëel voor de vermogensvaststelling in het kader van de Participatiewet. Het is daarom raadzaam om bij geschillen de auto te waarderen op een bedrag dat ligt midden tussen de in- en verkoopprijs van een garagehouder, zijnde de in aanmerking te nemen waarde in het economisch verkeer (artikel 34 lid 1 onderdeel a Participatiewet). Een dergelijke prijs zal in de praktijk vrijwel overeenkomen met de prijs zoals die wordt vermeld in de koerslijst van de ANWB.

Artikel 4. Afwijkende vermogensvaststelling

Om te bepalen welke auto’s en motoren als duur of exclusief worden gezien, kan de lijst van het Inlichtingenbureau worden gebruikt. (Motor)voertuigen die op deze lijst als “verboden” staan, gelden automatisch als exclusief. De lijst laat ook zien welke voertuigen in het duurdere segment vallen.

De aanwezigheid van een tweede motorvoertuig wordt niet gezien als algemeen gebruikelijk. Daarom moet de waarde hiervan volledig worden meegenomen bij de vermogensvaststelling.

Omdat onduidelijk kan zijn welk voertuig als tweede motorvoertuig moet worden beschouwd, kan de consulent in de praktijk als volgt werken:

  • 1.

    De consulent stelt eerst de waarde van alle voertuigen vast;

  • 2.

    Waarna op het duurste voertuig het eenmalig vrij te laten bedrag in mindering wordt gebracht;

  • 3.

    Het andere motorvoertuig is dan niet algemeen gebruikelijk. De waarde daarvan wordt volledig als vermogen meegewogen.

HOOFDSTUK 3 VERMOGENSVASTSTELLING GIFTEN EN WAARDEVOLLE BEZITTINGEN

Artikel 5. Ontvangsten uit giften

Een gift wordt omschreven als een financiële bevoordeling uit vrijgevigheid van derden (personen of instellingen) zonder dat hier iets tegenover staat. Er is geen sprake van een terugbetalingsverplichting of enige vorm van tegenprestatie of verplichtend karakter.

Een gift kan zowel contant, giraal als in natura verstrekt worden.

Voorbeelden van giften zijn:

  • een tas met boodschappen of een voedselpakket van de voedselbank

  • geld om te helpen rekeningen te betalen

  • geld als extraatje om de maand door te komen

  • een koelkast, wasmachine

Wat zijn onder andere geen giften?

  • het winnen van een prijs in een loterij,

  • een bonus van een werkgever

  • partner- en/of kinderalimentatie

  • erfenis

  • vrijwilligersvergoeding

  • schadevergoeding

Artikel 6. Vermogensvaststelling bij waardevolle bezittingen

Bij waardevolle bezittingen, zoals sieraden, erfstukken of antiek, kan meestal niet worden gevraagd dat deze worden verkocht. Dit komt omdat ze vaak een persoonlijke waarde hebben of al lange tijd in bezit zijn. Dit geldt niet als iemand kort voor de uitkering dure aankopen heeft gedaan of grote bedragen heeft uitgegeven.

Als iemand voorafgaand aan de verwachte uitkeringsafhankelijkheid dure aankopen heeft gedaan, dan telt de waarde hiervan mee bij de vaststelling van het vermogen. Gedacht kan worden aan de aanschaf van sierraden, antiek en andere waardevolle bezittingen die niet in verhouding staan tot de reële inkomenspositie.

HOOFDSTUK 4 VERMOGENSVASTSTELLING EN BANK- EN GIROTEGOEDEN

Artikel 7. Vrijlating bank- en girotegoeden

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.

Artikel 8. Hardheidsclausule

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.

Artikel 9. Onvoorziene omstandigheden

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.

HOOFDSTUK 5 SLOTBEPALINGEN

Artikel 10. Inwerkingtreding

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.

Artikel 11. Titel

Dit artikel heeft geen nadere toelichting nodig.