Beleidsregels Hart voor de Jeugd Ooststellingwerf 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels Hart voor de Jeugd Ooststellingwerf 2026

Burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf;

gelet op het bepaalde in artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de Jeugdwet en de Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Ooststellingwerf 2026;

b e s l u i t :

vast te stellen de volgende;

Beleidsregels Hart voor de Jeugd Ooststellingwerf 2026.

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze beleidsregels en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    aanmelding:

    1e fysieke digitale, telefonische of schriftelijke contact met het gebiedsteam over een verzoek om (jeugd) hulp, gedaan door een jeugdige of diens vertegenwoordiger. Het kan gaan om een onbekende jeugdige of om een jeugdige die al hulp ontvangt en verzoekt om voortzetting van dezelfde of andere vorm van (jeugd)hulp.

  • -

    aanvrager:

    jeugdige of diens vertegenwoordiger of Gecertificeerde Instelling die een aanvraag voor specialistische jeugdhulp indient op de daarvoor aangewezen wijze.

  • -

    belanghebbende:

    degene aan wie jeugdhulp wordt geïndiceerd en die de hulp ontvangt of gaat ontvangen.

  • -

    casusregie:

    sturing op de inhoud van doelen die met de inzet van jeugdhulp worden beoogd en controle op de voortgang en effectiviteit van de geïndiceerde jeugdhulp, waaronder ook wordt verstaan coördinatie van betrokken hulpverleners, het op elkaar afstemmen van de ingezette ondersteuning en tijdig bijsturen of aanpassing van de ondersteuning indien dat noodzakelijk is op grond van evaluatie van ingezette jeugdhulp.

  • -

    derde-belanghebbende:

    natuurlijk of rechtspersoon die een (financieel) belang heeft bij de inzet van jeugdhulp. Dit kan zijn een GI, gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, of aanbieder die jeugdhulp levert via een persoonsgebonden budget of maatwerkovereenkomst.

  • -

    document:

    schriftelijke verslaglegging van het onderzoek naar recht op jeugdhulp als bedoeld in artikel 17 van deze beleidsregels.

  • -

    gebiedsteam:

    aanwijsbare groep medewerkers van de gemeente Ooststellingwerf die namens het college uitvoering geeft aan de wet- en regelgeving binnen het Sociaal Domein, waaronder de Jeugdwet.

  • -

    gebiedsteammedewerker:

    medewerker van de gemeente die SJK-geregistreerd is en die verantwoordelijk is voor het onderzoek naar het recht op jeugdhulp, de toegang tot jeugdhulp en het bieden van niet-geïndiceerde Jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 20 lid 1 van deze beleidsregels jo. artikel 2 van de Verordening.

  • -

    herindicatie:

    een nieuwe indicatie voor specialistische jeugdhulp voor een nieuwe/toekomstige periode, waarbij de aard en omvang anders kan zijn dan de voorgaande of huidige (aflopende) indicatie.

  • -

    informele jeugdhulp:

    jeugdhulp als bedoeld in artikel 16 van de Verordening, waarvan gelet op de inhoud daarvan het niet noodzakelijk is dat deze wordt geboden door een specialistische jeugdhulpaanbieder die aan de bij aanbesteding gestelde eisen voldoet en die gelet daarop geboden kan worden door een informele aanbieder of iemand uit het sociaal netwerk van de jeugdige of diens ouders, inclusief huisgenoten en bloedverwanten, voor zover er aan door het Gebiedsteam geïndividualiseerde kwaliteitseisen wordt voldaan.

  • -

    intern regieplan:

    plan waarin afspraken worden vastgelegd over het voortgangsproces van de jeugdige en waarbij de rol van interne en/of externe betrokkenen en hoe onderlinge afstemming plaatsvindt wordt beschreven. Het plan dient om de voortgang en een soepele overgang te bewerkstellingen en bevat afspraken en acties en de wijze waarop gemonitord wordt hoe de dienstverlening aan de betrokken jeugdige kan worden gecontinueerd.

  • -

    melder:

    degene die verzoekt om een indicatie voor (specialistische) jeugdhulp, meestal de belanghebbende, een wettelijke verwijzer of een derde-belanghebbende.

  • -

    procesregie:

    sturing op het (hulpverlenings)proces gedurende het onderzoek naar het recht op jeugdhulp en sturing op het verloop van resultaatverplichting zoals opgenomen in de indicatiestelling. Onder procesregie vallen in ieder geval de volgende taken:

    • -

      gemotiveerde keuze voor welke jeugdhulpaanbieder wordt ingezet,

    • -

      het bepalen van de ondersteuningsvorm (profielkeuze),

    • -

      input leveren en/of controleren of de doelen bij aanvang van de indicatiestelling voldoende meetbaar en uitvoerbaar zijn opgesteld,

    • -

      actief afstemmen met/ tussen betrokken partijen

    • -

      het initiëren en uitvoeren van tussentijdse evaluaties,

    • -

      controle uitvoeren of tussentijdse verzoeken om aanpassing van de indicatie,

    • -

      signaleren van belemmering in de samenwerking en mogelijke oplossingen initiëren,

    • -

      monitoring op de afbakening van de gemeentelijke verantwoordelijkheid op grond van de Jeugdwet,

    • -

      borging kwaliteit ingezette ondersteuning door proces en resultaat-evaluaties,

    • -

      indien nodig opstellen van een regieplan en/of veiligheidsplan en/ of verklarende analyse.

  • -

    Regionaal OndersteuningsPlan (ROP):

    schriftelijk format voor verslaglegging van het onderzoek naar het recht op jeugdhulp opgesteld door Sociaal Domein Fryslan (SDF) waarvan de gemeente Ooststellingwerf ten minste de uitgangspunten hanteert in haar eigen verslaglegging, conform de bevoegdheidsverdeling op grond van de centrumregeling ‘SDF’1.

  • -

    regievoering:

    wijze waarop (aan)sturing wordt gegeven aan de onderlinge afspraken tussen betrokken partijen en hoe daarop wordt gemonitord. In de lezing van deze beleidsregels wordt bij regievoering specifiek bedoeld de rol van het Gebiedsteam.

  • -

    soepele overgang:

    het bewerkstellingen van een op elkaar aansluitende hulp- of dienstverlening uitgevoerd door (andere afdelingen van) het Gebiedsteam of externe betrokkenen ingeval jeugdigen de leeftijd van 18 jaar bereiken.

  • -

    toekomst(perspectief)plan:

    document waarin de jeugdige met hulp van zijn/haar begeleider en of personen uit zijn of haar sociaal netwerk, schriftelijk vastlegt wat de wensen (perspectief) voor de toekomst zijn op het gebied van huisvesting, opleiding/werk, welzijn, financiële situatie, en welke ondersteuning daarbij nodig is en welke krachten en beperkingen een rol spelen bij het behalen van de gewenste toekomstsituatie. Het toekomst(perspectief)plan heeft tot doel dat jeugdigen inzicht krijgen in de regelzaken die het bereiken van de leeftijd van 18 jaar met zich meebrengt zodat hierop tijdig kan worden geanticipeerd. Dit om zorgval te voorkomen, de eigen regie te stimuleren en tijdig te kunnen sturen op de inzet van passende ondersteuning.

  • -

    verlenging:

    het afgeven van een indicatie die naar aard en omvang gelijk is aan de huidige of aflopende indicatie maar die ziet op een nieuwe/toekomstige periode.

  • -

    Verklarende Analyse (VA):

    een methodiek die onderdeel uitmaakt van het besluitvormingsproces rondom jeugdhulp en voortvloeiend uit op de wet gebaseerde beleidsmaatregelen waarbij een gezamenlijke aanpak wordt beoogd waarin betrokken partijen, de contextuele en omgevingsfactoren en persoons- en gezinskenmerken wordt geanalyseerd om zodoende krachten als zwaktes in beeld te brengen.

  • -

    veiligheidsplan:

    plan voortvloeiende uit de norm van verantwoorde werktoedeling en meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling waarin wordt beschreven welke veiligheidsvoorwaarden- of afspraken zijn opgesteld, welke betrokkenen op welke wijze uitvoering geven aan de naleving daarvan, de (onderlinge) verantwoordelijkheid en bevoegdheidsverdeling, en eventuele consequenties van het niet nakomen van afspraken. De gemeente Ooststellingwerf heeft haar eigen format veiligheidsplan.

  • -

    (wettelijke) verwijzer:

    toegang tot jeugdhulp rechtstreeks via het college (Gebiedsteam) of via: huisarts, medisch specialist, jeugdarts, GI, Rechter, OM, JJI.

  • -

    Verordening:

    Verordening Hart voor de Jeugd gemeente Ooststellingwerf 2026.

  • -

    wet:

    Jeugdwet.

§ 2. Stappen in het onderzoek

Artikel 2. Algemeen beoordelingskader

  • 1. Binnen het voorzieningenaanbod van de gemeente Ooststellingwerf wordt onderscheid gemaakt tussen algemene voorzieningen en individuele voorzieningen.

  • 2. Voor de beoordeling of er recht bestaat op een individuele voorziening onderzoekt het Gebiedsteam de volgende onderwerpen:

    • a.

      Wat is de hulpvraag?

    • b.

      Is de gemeente Ooststellingwerf verantwoordelijk?

    • c.

      Is de Jeugdwet van toepassing?

    • d.

      Van welke problematiek en beperkingen is er sprake?

    • e.

      Welke hulp is nodig naar vorm, duur en frequentie?

    • f.

      In welke mate is er sprake van (voldoende) eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen?

    • g.

      In welke mate bestaat aanspraak op een passende voorliggende voorziening?

    • h.

      Is er of kan er aanspraak bestaan op een passende algemene voorziening?

    • i.

      Bij pgb: of aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan

  • 3. De onderwerpen als bedoeld in lid 1 worden in de artikelen 3 tot en met 14 nader toegelicht.

Artikel 3. Hulpvraag

  • 1. Voor het vaststellen van de hulpvraag wordt onderscheid gemaakt tussen de hulpvraag zoals ouders/jeugdige deze formuleren en de hulpvraag zoals het Gebiedsteam deze gelet op de Jeugdwet daaruit objectiveert en vaststelt.

  • 2. De geobjectiveerde hulpvraag mag zich niet beperken tot de specifieke vraag van ouders/jeugdige.

  • 3. De hulpvraag wordt door het Gebiedsteam geobjectiveerd op grond van de volgende factoren:

    • a.

      Hoe/welke hulpvraag door ouders/jeugdige is geformuleerd;

    • b.

      Welke hulpvraag gelet op de Jeugdwet hieruit kan worden herleid, los van het eventuele specifiek door aanvrager genoemde probleem of gewenste voorziening;

  • 4. De hulpvraag die op grond van de Jeugdwet wordt geobjectiveerd, dient als startpunt in het onderzoek naar het recht op (geïndiceerde) jeugdhulp.

  • 5. Voor zover de hulpvraag afkomstig is van anderen dan de jeugdige of diens ouders, waaronder GI of jeugdhulpaanbieder, beoordeeld het college of de hulpvraag voldoende objectiveerbaar en in het belang van de betrokken jeugdige is geformuleerd.

Artikel 4. Verantwoordelijke gemeente

  • 1. Om vast te stellen of de gemeente verantwoordelijk is voor nader onderzoek naar de hulpvraag, wordt gekeken naar de woonplaats van de jeugdige. Staat de jeugdige ingeschreven in de gemeente Ooststellingwerf, dan is gemeente Ooststellingwerf in beginsel verantwoordelijk voor de hulpvraag. Hiervan wordt afgeweken als er sprake is van jeugdhulp met verblijf.

  • 2. Als er sprake is van jeugdhulp met verblijf dan is de gemeente waar de jeugdige volgens de BRP stond ingeschreven voorafgaand aan de verhuizing naar de eerste verblijfsplek, verantwoordelijk.

  • 3. Indien de jeugdige verhuist naar een andere gemeente terwijl er al ambulante jeugdhulp is geïndiceerd dan wordt de nieuwe gemeente verantwoordelijk voor Jeugdhulp en moet deze de al ingezette jeugdhulp overnemen voor maximaal 1 jaar als ouders/jeugdige dit willen.

  • 4. Indien de jeugdige verhuist ten tijde van een indicatie jeugdhulp met verblijf, dan blijft de gemeente waar de jeugdige in de BRP stond ingeschreven voorafgaande aan de verhuizing naar de 1e verblijfsplek, verantwoordelijk voor jeugdhulp ongeacht of de jeugdige al dan niet de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.

Artikel 5. Doelgroep

  • 1. Of de Jeugdwet van toepassing is wordt beoordeeld op basis van de (natuurlijke) persoon die een hulpvraag heeft.

  • 2. De Jeugdwet is van toepassing als jeugdigen tot 18 jaar of ouders van jeugdigen tot 18 jaar een hulpvraag hebben.

  • 3. Pleegzorg aan jeugdigen tussen 18 en 21 jaar valt onder de Jeugdwet indien deze is gestart vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar óf wanneer de pleegzorg is gestopt voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, maar binnen een halfjaar na beëindiging weer wordt opgestart.

  • 4. Vrijwillig verblijf in een gezinshuis voor jeugdigen tot 21 jaar valt onder de Jeugdwet.

  • 5. Pleegzorg of verblijf in een gezinshuis kan worden verlengd tot maximaal het bereiken van de leeftijd van 23 jaar voor zover dat noodzakelijk wordt geacht voor het veilig opgroeien van de meerderjarige jeugdige.

  • 6. Ondersteuning aan jeugdigen ouder dan 18 maar jonger dan 23 jaar valt onder de Jeugdwet als:

    • a.

      De ondersteuning voor de 18e verjaardag is gestart en er geen andere wet is waaronder deze ondersteuning of een vergelijkbaar alternatief geboden kan worden;

    • b.

      De noodzaak voor jeugdhulp vóór de 18e verjaardag is bepaald en deze ondersteuning niet vergoedt kan worden op grond van een andere wet;

    • c.

      De jeugdhulp is geëindigd vóór de 18e verjaardag maar binnen 6 maanden hervat moet worden en waarbij deze hulp niet onder een andere wet valt.

Artikel 6. Problematiek en beperkingen

  • 1. Als er sprake is van opgroei- en opvoedingsproblemen, adoptie-gerelateerde problemen, psychische problemen, psychosociale problemen, gedragsproblemen, verstandelijke beperking en beperkingen in de zelfredzaamheid ten gevolge van verstandelijke, somatische, lichamelijke of psychiatrische aandoening, kan er aanspraak bestaan op (geïndiceerde) jeugdhulp.

  • 2. De gemeente brengt concreet in kaart van welke problemen er sprake is en welke beperkingen er al dan niet in verband daarmee worden ervaren door de jeugdige op het gebied van zelfredzaamheid en/of participatie of door ouders bij de uitoefening van hun opvoedtaak.

  • 3. Voor zover het in kaart brengen van de problematiek en de beperkingen specifieke deskundigheid vereist, kan het Gebiedsteam extern deskundigenadvies verzoeken, waarbij de deskundigheid die nodig is wordt beoordeeld aan de hand van de vraagstelling van het Gebiedsteam.

Artikel 7. Welke hulp is nodig (vorm, duur en frequentie)

  • 1. Het Gebiedsteam onderzoekt welke jeugdhulp nodig is in termen van vorm (productcode en profiel), duur (looptijd) en frequentie (intensiteit).

  • 2. Een voorziening die positief bijdraagt aan het bevorderen van veilig opgroeien, groeien naar zelfstandigheid en/ of de zelfredzaamheid en maatschappelijk participeren van de jeugdige bevorderd wordt als passend beschouwd.

  • 3. Bij de beoordeling welke jeugdhulpvoorziening passend is, wordt rekening gehouden met de volgende factoren:

    • a.

      Leeftijd van de jeugdige;

    • b.

      Ontwikkelingsniveau van de jeugdige;

    • c.

      Persoonskenmerken en behoefte van jeugdige en ouders;

    • d.

      Godsdienst, geloofsovertuiging en culturele achtergrond.

Artikel 8. Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1. Bij voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt geen individuele (jeugdhulp)voorziening toegekend.

  • 2. De volgende zaken worden beschouwd als eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen:

    • a.

      Gebruikelijke hulp die door ouders wordt geboden;

    • b.

      Niet-gebruikelijke hulp die door ouders en/of netwerk wordt geboden, in kortdurende situaties, die passend is en geen overbelasting oplevert voor degene(n) die deze hulp verlenen;

    • c.

      De aanwezigheid van een aanvullende zorgverzekering die een passende vorm van hulp vergoedt;

    • d.

      Wanneer jeugdige of ouders ondersteuning die daadwerkelijk beschikbaar is binnen het gecontracteerde aanbod willen afnemen bij een niet gecontracteerde aanbieder die hogere tarieven hanteert dan het gecontracteerde tarief en jeugdige of ouders deze meerkosten financieel kunnen dragen met een inkomen op minimumniveau.

  • 3. Om (de omvang van) gebruikelijke hulp vast te stellen wordt gebruik gemaakt van hoofdstuk 4 van de Beleidsregels Indicatiestelling Wlz 2024 geldend vanaf 1 januari 2024. Daarbij worden de volgende factoren afgewogen:

    • a.

      Leeftijd;

    • b.

      mate van zorg;

    • c.

      mate van toezicht;

    • d.

      mate van begeleiding;

    • e.

      de aard en de duur van de hulp, de mate van planbaarheid van de hulp en de behoeften van de jeugdige.

  • 4. (Dreigende) overbelasting als bedoeld in lid 2 onder b kan alleen worden geobjectiveerd als er sprake is van een (medisch) bewijsstuk waarmee de overbelasting aannemelijk wordt gemaakt.

  • 5. Bij niet-gebruikelijke hulp wordt onderscheid gemaakt tussen de duur van de situatie waarin de hulp wordt geboden waarbij geldt dat:

    • a.

      Er bij kortdurende situaties uitzicht is op herstel van het (gezondheids)probleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over een aaneengesloten periode van drie maanden in één kalenderjaar. Hierbij wordt van ouder(s) verwacht dat zij niet-gebruikelijke hulp bieden, tenzij deze gelet op de aard van de hulp niet van ouder(s) verwacht mag worden.

    • b.

      Er bij langdurige situaties er naar verwachting jeugdhulp langer dan drie maanden nodig is of voor meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar.

Artikel 9. Voorliggende en algemene voorzieningen

  • 1. Een passende voorliggende of algemene voorziening heeft voorrang op de inzet van een individuele voorziening.

  • 2. Voorliggende voorzieningen zijn (niet limitatief):

    • a.

      recht op zorg op grond van de Wet langdurige zorg;

    • b.

      recht op zorg op grond van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen;

    • c.

      recht op zorg op grond van de Zorgverzekeringswet (basisverzekering);

    • d.

      recht op ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning;

    • e.

      recht op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving;

    • f.

      recht op ondersteuning op grond van de geldende Verordening Leerlingenvervoer.

  • 3. Hetgeen bedoeld in lid 1 onder e, vloeit voort uit de zorgplicht van scholen zoals bedoeld in de Wet op het Primair onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra.

  • 4. De zorgplicht van de onderwijsinstelling is van toepassing als de ondersteuning primair gericht is op het leerproces van de jeugdige.

  • 5. De zorgplicht van de onderwijsinstelling is van toepassing wanneer deze heeft beoordeeld dat regulier onderwijs niet (meer) mogelijk is en er in de plaats van onderwijs een andere vorm van dag-invulling passend wordt geacht.

  • 6. Algemene voorzieningen zijn uitgelegd in artikel 2 van de Verordening.

Artikel 10. Algemene regels bij persoonsgebonden budget

  • 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komt voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wenst in te kopen bij een niet gecontracteerde aanbieder, kan een persoonsgebonden budget (pgb) worden verstrekt voor zover wordt voldaan aan de voorwaarden zoals beschreven in artikel 8.1.1 lid 2 van de Wet en het daaruit afgeleide artikel 14 lid 1 van de Verordening.

  • 2. Of aan de wettelijke voorwaarden wordt voldaan, wordt mede beoordeeld op grond van het ingediende pgb-plan zoals bedoeld in artikel 14 van de Verordening.

  • 3. Een niet of onvolledig ingevuld pgb-plan wordt betrokken in de beoordeling van de pgb-vaardigheid zoals bedoeld in artikel 15 van de Verordening.

  • 4. Indien de kosten voor de inzet van de beoogde niet gecontracteerde aanbieder hoger zijn dan de kosten van verstrekking in natura, vallen deze meerkosten gelet op artikel 8.1.1. lid 4 van de Wet niet onder de reikwijdte van de jeugdhulpplicht. Het Gebiedsteam informeert ouders/jeugdige erover dat eventuele meerkosten niet worden vergoed bij de keuze voor een pgb.

  • 5. Als niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor een pgb, kan het Gebiedsteam een maatwerkovereenkomst afsluiten als de inzet van een niet-gecontracteerde aanbieder gewenst en passend wordt geacht en er geen alternatief binnen het gecontracteerde aanbod mogelijk is.

Artikel 11. Motivering pgb

  • 1. Voortvloeiende uit artikel 14 lid 1, b van de Verordening dienen jeugdige en diens ouders de motivering waarom het natura-aanbod onvoldoende passend is, te onderbouwen met relevante en objectiveerbare argumenten waaruit blijkt dat er voldoende (gedegen) onderzoek is gedaan naar de gecontracteerde mogelijkheden.

  • 2. Uit de motivering moet in ieder geval ook blijken op welke wijze ouders en jeugdige zich inzetten om aan doelen te werken die de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen zoveel als mogelijk vergroten zoals bedoeld in artikel 8.1.2. lid 3 Jeugdwet jo. artikel 12 Verordening.

Artikel 12. Beheer pgb

  • 1. Het Gebiedsteam beoordeeld ten aanzien van het beheer van het pgb de volgende vragen:

    • a.

      Wie gaat het pgb beheren?

    • b.

      Is hij/zij daar, gelet op artikel 15 van de Verordening, toe in staat?

    • c.

      Is er indien nodig een gewaarborgde hulp?

    • d.

      Kan de objectiviteit, aanwezigheid en bereikbaarheid van de aanbieder worden gegarandeerd?

    • e.

      Is er een professionele noodzaak voor de hulp, en zo ja is er dan inzet van een professional?

  • 2. Het verzoek om een persoonsgebonden budget ter financiering van de inzet van (niet) gebruikelijke hulp geboden door één van de ouders, waarbij de andere ouder namens de jeugdige het budget beheerd, wordt afgewezen vanwege het ontbreken van objectiviteit tussen hulpverlener en budgethouder dan wel hulpverlener en pgb-beheerder waardoor onderlinge afhankelijkheid niet kan worden uitgesloten.

  • 3. Onder bijzondere individuele omstandigheden kan een persoonsgebonden budget voor niet-gebruikelijke hulp zoals bedoeld in het vorige lid tijdelijk worden geïndiceerd.

  • 4. Voor zover wordt verzocht om persoonsgebonden budget voor ondersteuning bij niet-gebruikelijke hulp zoals bedoeld in 12 van de Verordening, worden de volgende onderwerpen in ieder geval onderzocht:

    • a.

      wordt de ondersteuning bij niet-gebruikelijke hulp uitgevoerd door, iemand uit het sociaal netwerk of formele aanbieder?

    • b.

      wordt de ondersteuning uitgevoerd door (een van de) ouders?

    • c.

      is er sprake van een wijziging in de situatie/omstandigheden waardoor de niet-gebruikelijke is toegenomen?

    • d.

      de draagkracht, draaglast en beschikbaarheid van ouders/gezin/sociaal netwerk

    • e.

      blijft degene die de niet-gebruikelijke hulp levert dit bieden?

  • 5. Bij (dreigende) overbelasting van de ouder kan er geen pgb worden afgegeven voor een jeugdige waarvan de zorg wordt verleend door die ouder of diens partner. Het pgb kan wel worden aangewend om een derde in te zetten deze hulp (tijdelijk) over te nemen of daarin te ondersteunen, voor zover deze derde voldoet aan de kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 18 Verordening.

Artikel 13. Kwaliteit pgb

  • 1. Het Gebiedsteam beoordeeld ten aanzien van de kwaliteit van de ondersteuning de volgende vragen:

    • a.

      Wie gaat de hulp die wordt ingekocht uitvoeren?

    • b.

      Is er een professionele noodzaak voor de hulp en is er dan inzet van een professional?

    • c.

      Welke doelen zijn geformuleerd en zijn deze voldoende concreet en meetbaar?

    • d.

      Wat is er afgesproken over evaluatie?

  • 2. Is inzet van specialistische jeugdhulp noodzakelijk op grond van het onderzoek als bedoeld in § 2 van deze beleidsregels, dan onderzoekt het Gebiedsteam of de beoogde aanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 18 van de Verordening. Het Gebiedsteam verzoekt daarbij in ieder geval om de volgende gegevens:

    • a.

      bewijsstukken van diploma’s (kopieën) certificaten van deelname, cursussen, bijscholing et cetera waaruit blijkt dat de aanbieder beschikt over deskundigheid en vaardigheden om de noodzakelijke ondersteuning te bieden;

    • b.

      KvK-nummer, SKJ-nummer, AGB-code, SBI-code, en andere voor de beroepsgroep relevante keurmerken;

    • c.

      (format) zorgplan/ondersteuningsplan/hulpverleningsplan op basis waarvan wordt gewerkt;

    • d.

      vindplaats meldcode of verwijzing/uitleg hoe daarvan gebruik wordt gemaakt;

    • e.

      optioneel: relevante verklaring omtrent gedrag.

  • 3. Voldoet de beoogde aanbieder niet volledig aan bewijsstukken als bedoeld in het voorgaande lid a t/m e, dan is er sprake van informele inzet.

  • 4. Voor jeugdhulp als bedoeld in artikel 3 a, of e onder i (profiel A) van de Verordening kan informele jeugdhulp worden ingekocht. De kwaliteitseisen als bedoeld in artikel 18 van de Verordening zijn onverkort van toepassing.

  • 5. Is inzet van niet specialistische jeugdhulp of jeugdhulp als bedoeld in lid 1 van dit artikel voldoende passend, dan kan het Gebiedsteam de kwaliteitseisen individualiseren ingeval de aanbieder heeft aangetoond te voldoen aan hetgeen bedoeld in lid 2 van dit artikel.

Artikel 14. Nadere regels bij persoonsgebonden budget

  • 1. De indicatieduur van een voorziening voor formele jeugdhulp in de vorm van een pgb, is minimaal 3 maanden en maximaal 2 jaar, waarbij tenminste eenmaal gedurende de indicatieperiode een evaluatie plaatsvindt als bedoeld in artikel 20 van deze beleidsregels.

  • 2. Het Gebiedsteam beoordeeld bij een pgb voor formele hulp voor de duur van twee jaar, tenminste 6 maanden voor het einde van deze indicatie of inzet van een gecontracteerde aanbieder (nog) noodzakelijk is na afloop van de (pgb)-indicatie.

  • 3. De urenomvang van het pgb wordt bepaald op basis van de intensiteit, vorm en duur van de noodzakelijke jeugdhulp zoals gebleken uit het onderzoek als bedoeld in § 2 van deze beleidsregels.

  • 4. De urenomvang van het pgb wordt mede afgestemd op mogelijke en reeds aanwezige andere hulp zoals bedoeld artikel 2, 3, 5, 6 en 12 van de Verordening.

  • 5. Voor zover sprake is van een pgb voor informele jeugdhulp wordt het pgb voor maximaal 2 jaar achtereenvolgens toegekend, waarbij het eerste jaar in beginsel is gericht op het ontlasten van het gezin/de jeugdige.

  • 6. Uiterlijk in het tweede jaar van het informele pgb voor niet-gebruikelijke hulp, worden doelen gesteld ten aanzien van het vergroten van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders.

  • 7. Voordat wordt overgegaan tot toekenning van een informeel pgb zoals bedoeld artikel 12 lid 3 en 4 van deze beleidsregels vindt overleg plaats met één of meer van de onderstaande personen/rollen: gedragswetenschapper, senior gebiedsteammedewerker, juridisch kwaliteitsmedewerker.

§ 3. Werkwijze

Artikel 15. Aanmelding en gesprek

  • 1. Een melding zijnde het eerste contact met daarin een hulpvraag als bedoeld in artikel 3 van deze beleidsregels, kan het Gebiedsteam op de volgende manieren bereiken:

    • a.

      fysiek: tijdens inloopspreekuur of aan de balie;

    • b.

      schriftelijk/digitaal: per post of via i-participatie

    • c.

      telefonisch;

  • 2. Het eerste contact over een vraag om (jeugd)hulp is geen aanvraag zoals bedoeld in de Awb.

  • 3. Uiterlijk binnen 3 weken na de 1e melding neemt het Gebiedsteam contact op met de belanghebbende c.q. melder voor een gesprek ten behoeve van het onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Verordening. Tevens informeert het Gebiedsteam belanghebbende over de mogelijkheid een familiegroepsplan aan te leveren.

  • 4. Voordat het 1e gesprek plaatsvindt verricht de gebiedsteammedewerker vooronderzoek.

  • 5. Het 1e gesprek vindt uiterlijk plaats binnen 6 weken na de 1e melding tenzij belanghebbende c.q. melder niet binnen die termijn beschikbaar is.

  • 6. Na het 1e gesprek wordt beoordeeld of meerdere gesprekken noodzakelijk zijn.

  • 7. De gebiedsteammedewerker informeert betrokkenen over de noodzakelijkheid van vervolgonderzoek en verzoekt indien noodzakelijk in te stemmen met eventuele overschrijding van termijnen.

Artikel 16. Onderzoek en aanvraag

  • 1. De termijn voor het uitvoeren van het onderzoek als bedoeld in artikel 8 van de Verordening jo. § 2 van deze beleidsregels, bedraagt maximaal 8 weken en vangt aan na de 1e melding als bedoeld in artikel 15 van deze beleidsregels.

  • 2. Ten tijde van het onderzoek naar jeugdhulp en/ of gedurende de looptijd van een jeugdhulpindicatie, kan het Gebiedsteam het initiatief nemen tot het uitvoeren van een Verklarende Analyse.

  • 3. De onderzoekstermijn zoals bedoeld in lid 1 kan door het Gebiedsteam eenmalig worden verlengd met 8 weken als:

    • a.

      sprake is van vertraging die te wijten is aan de aanvrager of;

    • b.

      meer tijd noodzakelijk is voor het kunnen uitvoeren of afronden van het onderzoek inzake het verzoek om (jeugd)hulp of;

    • c.

      belanghebbende instemt met verlenging van de onderzoekstermijn.

  • 4. De bevindingen van het onderzoek wordt vastgelegd in één of meer van de documenten zoals bedoeld in artikel 17 van deze beleidsregels.

  • 5. Belanghebbende wordt op de hoogte gesteld van de uitkomsten van het onderzoek door toezending van de verslaglegging als bedoeld in artikel 17 lid 1 a en b, waarbij tevens de mogelijkheid wordt geboden een aanvraag in te dienen zoals bedoeld in artikel 7 lid 2 van de Verordening.

  • 6. Het college beslist binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag en maakt deze beslissing aan belanghebbende bekend door toezending van een beschikking als bedoeld in artikel 10 van de Verordening.

Artikel 17. Verslaglegging onderzoek

  • 1. Het Gebiedsteam maakt voor het vastleggen van de onderzoeksbevindingen gebruik van de volgende documenten:

    • a.

      (Regionaal) ondersteuningsplan gebaseerd op het format van SDF;

    • b.

      verkort ondersteuningsplan format Ooststellingwerf;

    • c.

      interne rapportage.

  • 2. Het verslag als bedoeld onder lid 1 a wordt gebruikt als sprake is van de volgende situaties:

    • a.

      Bij een onbekende jeugdige c.q. ouders die zich voor het eerst bij het Gebiedsteam meldt met een hulpvraag;

    • b.

      Bij een jeugdige c.q. ouders die reeds jeugdhulp ontvangt waarvoor eerder een ROP is gemaakt, en die verzoekt om een herindicatie jeugdhulp;

    • c.

      Bij een lopende indicatie waarbij tussentijds wordt verzocht om wijziging van doelen/resultaten of ondersteuning als gevolg van veranderingen in de gezinssituatie of hulpvraag;

  • 3. Het verslag als bedoeld onder lid 1 b wordt gebruikt als sprake is van de volgende situaties:

    • a.

      Bij een onbekende jeugdige die zich voor het eerst meldt met een hulpvraag en waarbij het advies na onderzoek is om jeugdhulp in de vorm van profiel A- Enkelvoudige SJH, B –Meervoudige SJH of E – Begeleiding zoals bedoeld in artikel 3 van de verordening te indiceren;

    • b.

      Bij een jeugdige die reeds SJH het profiel A, B of E heeft ontvangen en die opnieuw in aanmerking komt voor jeugdhulp in profiel A,B, of E.

    • c.

      Bij een lopende indicatie waarbij tussentijds wordt verzocht om een wijziging in intensiteit op verzoek van de jeugdhulpaanbieder;

    • d.

      Bij een verzoek om verlenging als bedoeld in artikel 1 van deze beleidsregels.

  • 4. Het verslag als bedoeld onder lid 1 c wordt gebruikt als sprake is van de volgende situaties:

    • a.

      Bij een spoedprocedure waarbij de inzet van jeugdhulp acuut moet plaatsvinden.

    • b.

      Als op verzoek van een gecertificeerde instelling een wijziging in profiel of intensiteit noodzakelijk is in het kader van de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.

    • c.

      Als een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling tussentijds verzoekt om een wijziging die leidt tot horizontale of verticale stapeling.

  • 5. Bij gebruikmaking van een interne rapportage als bedoeld in lid 1 c, dient de reden van herindicatie of verlenging duidelijk te worden beschreven.

Artikel 18. Beschikking

  • 1. Het Gebiedsteam verzendt geen beschikking als sprake is van:

    • a.

      inzet van een algemene voorziening als bedoeld in artikel 2 van de Verordening;

    • b.

      de toegang tot specialistische jeugdhulp wordt verleend door de GI, rechter, OM of JJI in het kader van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en/of jeugdreclassering;

    • c.

      verblijf in een pleeggezin op grond van een machtiging uithuisplaatsing.

  • 2. Voor zover zonder voorafgaande verwijzing na onderzoek door het Gebiedsteam recht bestaat op een individuele voorziening voor specialistische jeugdhulp en/of vaktherapie, neemt het Gebiedsteam daarover een besluit en zendt een beschikking als bedoeld in artikel 10 van de Verordening aan jeugdige en/of diens ouders.

  • 3. Voor zover de toegang tot specialistische jeugdhulp wordt verleend middels verwijzing van een huisarts, medisch specialist of de jeugdarts, geeft het Gebiedsteam een beschikking af als:

    • a.

      de jeugdige of ouder(s) dit wensen;

    • b.

      de gemeente in het uitzonderlijke geval een besluit neemt dat afwijkt van het oordeel van de verwijzer (of jeugdhulpaanbieder na verwijzing;

    • c.

      een pgb wordt geïndiceerd.

  • 4. Voor zover de rechter, het OM en/of de JJI in het kader jeugdstrafrecht verzoeken om jeugdhulp in de vorm van een pgb, beoordeelt het Gebiedsteam of aan de voorwaarden wordt voldaan en neemt een besluit als bedoeld in artikel 10 van de Verordening.

  • 5. Als er sprake is van vrijwillige pleegzorg, neemt het Gebiedsteam daarover een besluit als bedoeld in artikel 10 van de verordening

  • 6. Indien sprake is van (pleegzorg)voogdij waarbij deze de plaatsing in een pleeggezin noodzakelijk acht, neemt het Gebiedsteam daarover een besluit zoals bedoeld in artikel 10 van de Verordening.

  • 7. De beschikking wordt afgegeven op naam van de jeugdige die jeugdhulp ontvangt tenzij de jeugdhulp uitsluitend bestaat uit opvoedondersteuning. In dat laatste geval wordt de beschikking afgegeven op naam van de ouder of ouders die de opvoedondersteuning ontvangt.

Artikel 19. Regie na indicatiestelling

  • 1. Bij de volgende algemene voorzieningen is het Gebiedsteam verantwoordelijk voor casusregie en procesregie:

    • a.

      (school)maatschappelijk werk door het Gebiedsteam;

    • b.

      ondersteuner Gebiedsteam in de Huisartsenpraktijk.

  • 2. Bij de overige algemene voorzieningen als bedoeld in artikel 2 van de verordening voert het Gebiedsteam geen regie.

  • 3. Door het Gebiedsteam geïndiceerde jeugdhulp zonder voorafgaande verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling dan wel jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht, is het Gebiedsteam verantwoordelijk voor de procesregie gedurende de indicatieduur. De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor de casusregie.

  • 4. Bij jeugdhulp via verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts is het Gebiedsteam verantwoordelijk voor de procesregie na verwijzing. De jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor de casusregie.

  • 5. Bij jeugdhulp op verzoek van een GI op grond van een kinderbeschermingsmaatregel of bepaling jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht, is de GI verantwoordelijk voor de procesregie en de aansturing van de jeugdhulpaanbieder die casusregie uitvoert. De gemeente is verantwoordelijk voor de levering van jeugdhulp.

  • 6. Bij jeugdhulp als bedoeld in het vorige lid, treedt het Gebiedsteam in overleg met de GI voor zover wordt verwezen naar een niet gecontracteerde jeugdhulpaanbieder.

  • 7. Bij een persoonsgebonden budget is de budgethouder/beheerder verantwoordelijk voor de procesregie en casusregie. Het Gebiedsteam dient erop toe te zien dat deze regie adequaat wordt uitgevoerd en kan hierbij gebruik maken van de bevoegdheden als bedoeld in artikel 29, 30 en 31 van de Verordening jo. artikel 28 van deze beleidsregels.

Artikel 20. Evaluatie

  • 1. In gevallen waarin de toegang tot jeugdhulp is verleend door het Gebiedsteam of middels verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts, wordt er gedurende de looptijd van de indicatie in beginsel elke drie maanden geëvalueerd. Het Gebiedsteam neemt het initiatief voor tussentijdse evaluaties en plant deze waarbij ook wordt beoordeeld wie daarbij aanwezig moet zijn.

  • 2. Gedurende de looptijd van een jeugdhulpindicatie zoals bedoeld in lid 1, wordt er minimaal 1 keer tussentijds geëvalueerd ongeacht de looptijd van de indicatie. Afhankelijk van de inzet en duur van de jeugdhulp beoordeelt het Gebiedsteam per individueel geval hoe vaak evaluatie noodzakelijk is.

  • 3. Hoe vaak evaluatie noodzakelijk is wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a.

      Vorm (profiel en intensiteit) van de ingezette jeugdhulp;

    • b.

      Of er sprake is van een verwijzing;

    • c.

      Duur van de indicatie;

    • d.

      Of er sprake is van 1 of meerdere voorzieningen;

    • e.

      Complexiteit (gezins)situatie;

    • f.

      Of en zo ja hoeveel en welke andere professionals bij het gezin betrokken zijn.

  • 4. In gevallen waarin de toegang tot jeugdhulp is verleend door de GI, is deze verantwoordelijk voor het voeren van casusregie t.o.v. de jeugdhulpaanbieder.

  • 5. Het Gebiedsteam mag verzoeken om evaluatie met/bij de GI om te beoordelen of de ingezette ondersteuning (nog steeds) voldoende passend en kwalitatief is zodat er wordt toegezien op rechtmatige besteding van jeugdhulpgelden.

  • 6. In geval van Jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht en jeugdreclassering, vindt er geen evaluatie plaats op initiatief van het Gebiedsteam.

  • 7. Op grond van artikel 8.1.2 van de wet jo. artikel 30 van de Verordening zijn ouders/jeugdige verplicht om medewerking te verlenen aan evaluaties.

  • 8. De betrokken jeugdhulpaanbieder is in het kader van de gecontracteerde afspraken verplicht om medewerking te verlenen aan evaluaties.

Artikel 21. Multidisciplinair overleg

  • 1. De Gebiedsteammedewerker kan te allen tijde verzoeken om een situatie anoniem in te brengen voor multidisciplinair overleg.

  • 2. Doel van het multidisciplinair overleg is conflicterende belangen en tegenstellingen gezamenlijk af te wegen en te interpreteren vanuit verschillende invalshoeken. Hieruit volgt een advies over de prioritering van belangen in een specifieke situatie.

  • 3. Indien naar het oordeel van de betrokken gebiedsteammedewerker Jeugd sprake is van een complexe situatie, wordt de casus ingebracht voor multidisciplinair overleg. Van een complexe situatie is in ieder geval sprake als één van de situaties als bedoeld in artikel 23 lid 4, 7 of 8 van deze beleidsregels van toepassing is.

  • 4. Daarnaast kan er sprake van een complexe situatie als:

    • I.

      beleid, wet- en regelgeving, en of interne visies binnen het specialisme Jeugd schuren met de doelmatigheid van de hulpverlening, of:

    • II.

      er andere specialismes binnen het sociaal domein betrokken moeten worden ten behoeve van een soepele overdracht/overgang.

  • 5. De samenstelling van het overleg kan variëren afhankelijk van de individuele situatie. De volgende rollen kunnen deelnemen:

    • a.

      senior medewerker Jeugd;

    • b.

      gedragswetenschapper;

    • c.

      beleidsadviseur Jeugd;

    • d.

      inkoopondersteuner;

    • e.

      juridisch kwaliteitsmedewerker.

  • 6. Ingeval overleg noodzakelijk is als bedoeld in lid 4 onder II van dit artikel, kunnen de volgende rollen deelnemen:

    • a.

      senior medewerker Wmo c.q. Inkomen;

    • b.

      basemanager Werk;

    • c.

      beleidsadviseur Onderwijs;

    • d.

      leerplichtambtenaar;

    • e.

      medewerker leerlingenvervoer.

  • 7. Ten minste drie werkdagen voor het overleg informeert de gebiedsteammedewerker de deelnemers over in ieder geval:

    • -

      geanonimiseerde beschrijving van de situatie;

    • -

      gezinssamenstelling;

    • -

      reeds ingezette ondersteuning (niet beperkt tot jeugdhulp);

    • -

      hulpvraag inwoner;

    • -

      beschrijving verzoek aan deelnemers (adviesvraag van de gebiedsteammedewerker).

  • 8. Tijdens het MDO kan worden bepaald dat er noodzaak bestaat om een intern regieplan op te stellen.

Artikel 22. Toekomst(perspectief)plan

  • 1. Het Gebiedsteam ziet erop toe dat tijdig wordt gestart met het opstellen van een Toekomst(perspectief)plan in die gevallen waarin het opstellen van een plan noodzakelijk wordt geacht.

  • 2. Voor zover er een Gecertificeerde instelling betrokken is, is deze en/of de jeugdhulpaanbieder er verantwoordelijk voor dat het toekomstplan, zoveel mogelijk met de jeugdige, wordt ingevuld.

  • 3. Het Gebiedsteam informeert in ieder geval 1 maand voor of uiterlijk na het bereiken van de 17e verjaardag bij de GI en/of betrokken aanbieder naar de stand van zaken ten aanzien van het toekomstplan voor zover het Gebiedsteam hierover (nog) niet is geïnformeerd.

  • 4. Voor zover er niet of niet tijdig is gestart met het opstellen van een toekomstplan, stelt het Gebiedsteam een intern regieplan op als daar op grond van de omstandigheden van het geval noodzaak toe is.

Artikel 23. Onderzoek door Gebiedsteam bij 18-/18+

  • 1. Bij jeugdigen die een indicatie voor ambulante persoonlijke verzorging en/of begeleiding op grond van de Jeugdwet ontvangen, start het Gebiedsteam ten minste 6 maanden voor de 18e verjaardag een onderzoek naar het mogelijke recht op ondersteuning op grond van de Wmo.

  • 2. Het onderzoek als bedoeld in het voorgaande lid wordt gestart door een SKJ-geregistreerde medewerker.

  • 3. Ontvangt een jeugdige vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar behandeling in de vorm van Jeugd GGZ op grond van de Jeugdwet, dan start het Gebiedsteam ten minste 6 maanden vóór de 18e verjaardag een onderzoek naar het recht op overname van de financiering van de resterende behandeling door de zorgverzekeraar.

  • 4. Indien sprake is van jeugdhulp met verblijf, waarbij het verblijf elders is op grond van een ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing, start het Gebiedsteam 18 maanden, of in ieder geval minimaal 12 maanden, vóór het bereiken van de leeftijd van 18 jaar een onderzoek naar de noodzaak voor een indicatie beschermd wonen of andere vormen van ambulante ondersteuning op grond van de Wmo voor na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar.

  • 5. Voor het onderzoek als bedoeld in het voorgaande lid, kan het Gebiedsteam contact leggen met de gemeente waar de jeugdige verblijft, de GI, de jeugdhulpaanbieder en de afdeling Wmo van de eigen gemeente.

  • 6. Het toekomstplan als bedoeld in artikel 22 van deze beleidsregels wordt als uitgangspunt genomen bij de start van het onderzoek.

  • 7. Voor Jeugdigen die hun verblijf hebben in de gemeente Ooststellingwerf waarbij een andere gemeente op grond van het woonplaatsbeginsel ten minste tot de 18e verjaardag verantwoordelijk is voor de (financiering van) jeugdhulp, kan het Gebiedsteam een onderzoek starten naar het recht op ondersteuning op grond van de Wmo voor zover daartoe aanleiding bestaat.

  • 8. Voor Jeugdigen die in een andere gemeente verblijven waarbij de gemeente Ooststellingwerf op grond van het woonplaatsbeginsel ten minste tot de 18e verjaardag verantwoordelijk is voor de (financiering van) jeugdhulp, kan het Gebiedsteam een onderzoek starten naar het recht op ondersteuning op grond van de Wmo voor zover daartoe aanleiding bestaat.

  • 9. De bevindingen van het onderzoek als bedoeld in lid 4, 7 en 8 van dit artikel worden vastgelegd in een intern regieplan.

  • 10. Het Gebiedsteam voert geen onderzoek uit voor zover jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht en/of jeugdreclassering noodzakelijk is na het bereiken van de leeftijd van 18 jaar.

Artikel 24. Overdracht

  • 1. Het Gebiedsteam is verantwoordelijk voor het faciliteren van een soepele overgang als een jeugdige die jeugdhulp ontvangt de leeftijd van 18 jaar bereikt en er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 23 van deze beleidsregels.

  • 2. Het Gebiedsteam benadert actief de jeugdige, diens ouders/verzorgers, de jeugdhulpaanbieder en indien betrokken, de GI inzake afspraken om een soepele overgang te bewerkstelligen.

  • 3. In het interne regieplan en/of naar aanleiding van een MDO beschrijft het Gebiedsteam welke invloed (procesregie) zij heeft en hoe er gewerkt wordt aan een soepele overgang.

§ 4. Overige bepalingen

Artikel 25. Vervoer

  • 1. Er bestaat alleen recht op een voorziening voor vervoer als er sprake is van een beperking of medische noodzaak van de jeugdige waardoor hij/zij niet zelfstandig of met hulp van diens ouders naar de bestemming waar jeugdhulp wordt geboden kan reizen waarbij de volgende uitgangspunten gelden:

    • a.

      ouders van jeugdigen onder de 12 jaar en/of diens sociale netwerk zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor het vervoer en begeleiding/toezicht naar en van jeugdhulplocatie;

    • b.

      kinderen ouder dan 12 jaar worden in beginsel geacht zelf naar en van de jeugdhulplocatie te kunnen reizen.

  • 2. Een vervoersvoorziening kan zijn:

    • a.

      een financiële vergoeding voor de (OV-)vervoerskosten die door jeugdige en eventueel begeleider worden gemaakt;

    • b.

      een budget aan de jeugdhulpaanbieder waarmee deze het vervoer van de jeugdige naar de plaats waar jeugdhulp wordt geboden kan inkopen of zelf kan uitvoeren, zoals bedoeld met SJH-profiel J;

    • c.

      een financiële bijdrage in de vervoerskosten die door jeugdige, ouders of diens sociale netwerk worden gemaakt voor zover de jeugdhulpaanbieder verantwoordelijk is voor vervoer maar dit niet biedt of kan bieden;

    • d.

      een voorziening in natura waarbij de jeugdige door een vervoersbedrijf wordt gehaald en gebracht voor zover de jeugdhulpaanbieder niet verantwoordelijk is voor het vervoer.

  • 3. Onder zelfstandig reizen wordt mede bedoeld: zelfstandig al dan niet samen met een hulpverlener, ouder met gezag of passende derde reizen met fiets, scooter, e-bike, fatbike, openbaar vervoer, taxi, eigen vervoer (auto).

  • 4. Indien een jeugdige ouder dan 12 jaar niet in staat is zelfstandig te reizen vanwege een beperking of medische noodzaak, wordt beoordeeld of ouders over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beschikken zoals bedoeld in artikel 12 van de Verordening om zelf het vervoer te realiseren.

  • 5. Indien ouders over voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen beschikken, wordt er geen vervoersvoorziening geïndiceerd.

  • 6. Er kan recht bestaan op een tegemoetkoming in de kosten voor vervoer voor jeugdigen vanaf 12 jaar waarbij diens ouders of andere personen uit het sociale netwerk zelf het vervoer uitvoeren waarvoor een jeugdhulpaanbieder in beginsel verantwoordelijk is, maar die dat vervoer redelijkerwijs niet kan realiseren.

  • 7. De noodzaak voor een vervoersvoorziening zoals bedoeld in artikel 13 lid 3 Verordening wordt beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

    • a.

      bij zorg in natura: In hoeverre er in de indicatie een budget voor vervoer voor de jeugdhulpaanbieder is opgenomen;

    • b.

      in hoeverre de jeugdige in staat is of binnen 6 maanden kan zijn om zelfstandig te reizen, al dan niet met ondersteuning vanuit de ouders met gezag of jeugdhulpaanbieder;

    • c.

      in hoeverre de jeugdhulpaanbieder het vervoer daadwerkelijk kan uitvoeren en wat daarin van de aanbieder mag worden verwacht, gelet op de aanbesteding- en contractafspraken;

    • d.

      in hoeverre ouders beschikbaar zijn voor het uitvoeren van het vervoer gelet op artikel 12 van de Verordening;

    • e.

      in hoeverre van ouders verwacht mag worden dat zij andere keuzes maken waardoor zij in het vervoer kunnen voorzien, gelet op artikel 12 van de Verordening.

  • 8. Een vergoeding voor vervoer zoals bedoeld in profiel J kan niet worden gestapeld met de profielen A t/m E.

  • 9. Voor zover via een 315-bericht wordt verzocht om een vervoersvergoeding als bedoeld in profiel J en daardoor stapeling ontstaat met profiel F,G,J of perceel Wonen of Pleegzorg, beoordeelt het Gebiedsteam of toekenning van de vervoersvoorziening noodzakelijk is.

  • 10. De bijdrage in de kosten is alleen mogelijk ten behoeve van het vervoer van jeugdigen vanaf 12 jaar die op grond van een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kunnen reizen.

  • 11. De bijdrage in de kosten voor vervoer zoals bedoeld in het vorige lid bedraagt maximaal € 0, 20 per kilometer waarbij uitgegaan wordt van de kortste route.

  • 12. Bij een individuele voorziening in de vorm van een pgb is het niet mogelijk om aan ouders een financiële tegemoetkoming voor vervoerskosten te verstrekken, deze kosten zijn verwerkt in het pgb-tarief.

  • 13. Ingeval van maatwerk (overeenkomst) wordt na overleg met beleid en inkoopondersteuner beoordeeld of er in het individuele geval noodzaak bestaat voor het indiceren van een vervoersvoorziening.

Artikel 26. Veiligheidsplan

  • 1. Het Gebiedsteam stelt samen met de betrokken een Veiligheidsplan op als Veilig Thuis besluit tot overdracht aan de gemeente:

    • a.

      direct na de Veiligheidsbeoordeling;

    • b.

      na de dienst Voorwaarden & Vervolg;

    • c.

      na Onderzoek.

  • 2. Indien sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, beoordeeld de Gecertificeerde Instelling (GI) of er een veiligheidsplan moet worden opgesteld.

  • 3. Indien naar oordeel van de Gecertificeerde Instelling een veiligheidsplan moet worden opgesteld, is de GI als casusregisseur er verantwoordelijk voor dit plan tot stand komt.

  • 4. Het Gebiedsteam kan samen met betrokkenen een veiligheidsplan opstellen als:

    • a.

      er geen sprake is van betrokkenheid van Veilig Thuis maar het Gebiedsteam naar eigen oordeel het noodzakelijk acht een veiligheidsplan op te stellen en betrokkenen hiermee instemmen;

    • b.

      er een GI betrokken is en er geen veiligheidsplan is gemaakt, maar dit naar het oordeel van het Gebiedsteam het in het kader van veiligheid noodzakelijk wordt geacht.

  • 5. Het opstellen van een Veiligheidsplan als bedoeld in lid 4 onder a, heeft mede tot doel een verzoek tot onderzoek aan de Raad voor de Kinderbescherming te voorkomen.

  • 6. Het Veiligheidsplan wordt opgesteld volgens het Format van de gemeente Ooststellingwerf.

Artikel 27. Overige bevoegdheden

  • 1. Als ouders met gezag instemmen met de inzet van gesloten jeugdhulp, is het Gebiedsteam namens het college bevoegd om een verzoekschrift voor een machtiging gesloten jeugdhulp in het vrijwillig kader in te dienen.

  • 2. Het Gebiedsteam is bevoegd een verzoek tot onderzoek in te dienen als uit eigen onderzoek blijkt dat vrijwillige hulp niet (meer) toereikend is.

  • 3. Als er sprake is van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering waarbij de Gecertificeerde instelling bepaald dat jeugdhulp noodzakelijk is, treedt het Gebiedsteam in overleg met de GI over de inzet daarvan.

Artikel 28. Toezicht

  • 1. Het Gebiedsteam is bij de toekenning van een indicatie in de vorm van een pgb verantwoordelijk om erop toe te zien dat de ingekochte ondersteuning voldoende doelmatig en rechtmatig is.

  • 2. Doelmatige inzet wordt beoordeeld door vóór de toekenning van een pgb te beoordelen of de beoogde aanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 18 van de Verordening.

  • 3. De toezichthouder Sociaal Domein is gelet op artikel 29 lid 2 van de Verordening bevoegd onderzoek te doen naar de doelmatigheid van de inzet door tussentijds of achteraf te controleren of (nog) aan de kwaliteitseisen wordt voldaan.

  • 4. De toezichthouder Sociaal Domein is gelet op artikel 29 van de Verordening bevoegd onderzoek te doen naar de rechtmatigheid van de besteding van het pgb door tijdens of na een indicatieperiode te beoordelen of het pgb rechtmatig is besteed en de beheerstaken verantwoord zijn uitgevoerd.

  • 5. De toezichthouder Sociaal Domein is bevoegd om gegevens te vorderen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van het recht op jeugdhulp.

  • 6. Als uit onderzoek blijkt dat het budget 3 of meer maanden voor het einde van de indicatie volledig is verbruikt en het college niet vroegtijdig is geïnformeerd over eventuele situationele omstandigheden, kan het college het pgb herzien, intrekken, beëindigen of wijzigen met als reden dat er niet voldaan is aan de inlichtingenplicht en het pgb daardoor niet verantwoord is besteed.

  • 7. Het college kan het recht op verstrekking in pgb herzien, intrekken, beëindigen of wijzigen als blijkt dat de zorgovereenkomst niet conform de beschikking is afgesloten en om die reden het budget voortijdig, ten minste 3 maanden voor het einde van de indicatie volledig is verbruikt.

  • 8. Blijkt uit onderzoek dat jeugdige of diens ouders en/of de met het pgb ingekochte aanbieder niet of niet tijdig informatie heeft verstrekt die van invloed is op de inzet en omvang van de ondersteuning, dan is er sprake van het schenden van de inlichtingenplicht. Het college is dan bevoegd om over te gaan tot herziening, intrekking, beëindiging of wijziging van de pgb indicatie.

  • 9. Voor zover uit onderzoek blijkt dat de pgb-budgethouder of diens vertegenwoordiger onvoldoende in staat is om op verantwoordde wijze uitvoering te geven aan zijn regierol als bedoeld in artikel 19 lid 7 van deze beleidsregels, is het college bevoegd tot herziening, intrekking, beëindiging of wijziging van de pgb-indicatie.

Artikel 29. Terugvordering

Het college is bevoegd om het persoonsgebonden budget terug te vorderen als er sprake is herziening, intrekking, wijziging of beëindiging van de pgb-indicatie vanwege één van de genoemde situaties als bedoeld in artikel 31 lid 2 van de Verordening.

Artikel 30. Inwerkingtreding

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2026.

  • 2. De beleidsregels Hart voor de Jeugd gemeente Ooststellingwerf 2025 worden ingetrokken.

  • 3. Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Beleidsregels Hart voor de Jeugd gemeente Ooststellingwerf 2026’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 december 2025,

het college van burgemeester en wethouders,

E.H.C. van der Laan

gemeentesecretaris

J. Werkman

burgemeester