Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR751884
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR751884/1
Financiële verordening Culemborg 2025
Geldend van 23-12-2025 t/m heden met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2025
Intitulé
Financiële verordening Culemborg 2025De raad van de gemeente Culemborg;
gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;
besluit vast te stellen de Financiële verordening Culemborg 2025
Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen
Artikel 1. Begripsbepaling
In deze verordening wordt verstaan onder:
- 1.
administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;
- 2.
team: iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college:
- 3.
overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;
Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording
Artikel 2. Programma-indeling
-
1. De raad stelt aan het begin van een raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast. Deze indeling maakt onderdeel uit van de kaders als bedoeld in artikel 4.
-
2. De raad stelt op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.
-
3. De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.
Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken
-
1. In de begroting en de jaarstukken wordt onder elk programma een overzicht van baten en lasten en de reservemutaties weergegeven.
-
2. In de begroting en de jaarstukken wordt een totaaloverzicht van baten en lasten per taakveld opgenomen.
-
3. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.
-
4. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.
-
5. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten worden posten vanaf € 10.000 afzonderlijk gespecificeerd.
-
6. In de jaarstukken worden afwijkingen groter dan € 50.000 op taakveldniveau (ten opzichte van de laatst gewijzigde begroting) nader toegelicht.
Artikel 4. Kaders begroting
-
1. Het college biedt uiterlijk in juni aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli vast.
-
2. In een verkiezingsjaar kan deze nota vervallen of in beknopte vorm worden aangeboden.
Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten
-
1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.
-
2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. Nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling geautoriseerd.
-
3. Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad bedoeld in artikel 6, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en eventueel het bijstellen van het beleid.
-
4. Burgemeester en wethouders informeren via de tussentijdse rapportages de raad als zij verwachten dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid.
-
5. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.
-
6. De raad kan (om haar moverende redenen) het besluit nemen een specifieke notitie afwijkingenbeleid vast te stellen. In deze notitie worden maximumbedragen en voorwaarden vastgelegd waaronder het college in afwijking van de begroting uitgaven kan doen zonder voorafgaande autorisatie door de raad.
Artikel 6. Tussentijdse rapportage
-
1. Het college informeert de raad twee keer per jaar door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente.
-
2. De tussenrapportages bevatten mutaties in de baten en de lasten, de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, de uitputting van de investeringskredieten en eventueel een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid.
-
3. De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de programma-indeling van de begroting.
-
4. Mutaties in de baten en lasten van minder dan € 10.000 worden niet afzonderlijk toegelicht.
Artikel 7. Informatieplicht
Het college besluit niet over:
- 1.
de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 500.000
- 2.
het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 1.000.000; en
- 3.
het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.
Artikel 8. EMU-saldo
Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Hoofdstuk 3. Financieel beleid
Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa
Immateriële en materiële vaste activa worden gewaardeerd en afgeschreven volgens de methodiek en termijnen zoals vermeld in de bijlage Waarderings- en afschrijvingsbeleid bij deze verordening.
Artikel 10. Reserves en voorzieningen
-
1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.
-
2. Het college informeert de raad elk jaar over de stand van zaken van de reserves en voorzieningen via de begroting en jaarrekening. Mutaties in de looptijd van de reserves worden aan de raad ter besluitvorming voorgelegd.
-
3. Het college biedt de raad een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt:
- a.
de vorming en besteding van reserves;
- b.
de vorming en besteding van voorzieningen.
Eens per vier jaar wordt beoordeeld of de nota moet worden aangepast.
- a.
-
4. Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt minimaal aangegeven:
- a.
het specifieke doel van de reserve;
- b.
de voeding van de reserve;
- c.
de maximale hoogte van de reserve; en
- d.
de maximale looptijd.
- a.
-
5. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.
Artikel 11 Kostprijsberekening
-
1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.
-
2. Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (btw) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.
-
3. Voor de toerekening van de overheadkosten kunnen de overheadkosten die worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend worden aan die activiteiten.
-
4. Voor de toerekening van de overheadkosten kunnen de overheadkosten die worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend worden.
-
5. Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel.
-
6. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten en het rentepercentage van de rentevergoeding over de reserves en de voorzieningen zoals bepaald overeenkomstig het achtste en negende lid. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een half procent afgerond.
Artikel 12. Prijzen economische activiteiten
-
1. Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.
-
2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.
-
3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.
-
4. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:
- a.
leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;
- b.
een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;
- c.
een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;
- d.
een bevoordeling van sociale werkplaatsen;
- e.
een bevoordeling van onderwijsinstellingen;
- f.
een bevoordeling van publieke media-instellingen; en
- g.
een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.
- a.
Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van alle gemeentelijke tarieven (zoals belastingen, heffingen en leges).
Artikel 14. Financieringsfunctie
-
1. Het college voert de financieringsfunctie uit conform een door de raad vast te stellen Treasurystatuut.
-
2. In het statuut worden in ieder geval vastgelegd:
- a.
de doelstellingen en beleidskaders voor de financieringsfunctie;
- b.
taken en bevoegdheden met betrekking tot het aantrekken en uitzetten van middelen;
- c.
limieten, rente- en renterisicobeleid, en dekkings- en garantiekaders;
- a.
Hoofdstuk 4. Paragrafen
Dit hoofdstuk is in een eerdere verordening vervallen.
Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer
Artikel 15. Administratie
De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:
- 1.
het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de teams;
- 2.
het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, (waaronder financiële verplichtingen) en contracten,;
- 3.
het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;
- 4.
het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;
- 5.
het afleggen van verantwoording over de getrouwheid, rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en
- 6.
de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de getrouwheid, rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.
Artikel 16. Financiële organisatie
Het college draagt zorgt voor:
- 1.
een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de teams;
- 2.
een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;
- 3.
de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;
- 4.
de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;
- 5.
het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;
- 6.
het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en
- 7.
het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van getrouwheid, rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.
Artikel 17. Interne controle
Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a, van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b, van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.
Hoofdstuk 6. Rechtmatigheidsverantwoording
Artikel 18. Rechtmatigheidsverantwoording
-
1. In het Controleprotocol legt de raad de tolerantiegrens vast voor de rechtmatigheidsverantwoording.
-
2. Het college rapporteert over geconstateerde rechtmatigheidsfouten, met uitzondering van de rechtmatigheidsfouten binnen het begrotingscriterium die als acceptabel zijn geduid, als bedoeld in artikel 20 lid 4. De raad stelt in het Controleprotocol een grens vast waarboven de fouten worden gerapporteerd.
-
3. Voorwaarden die direct van invloed zijn op de verslaglegging en het getrouwe beeld van de jaarrekening worden niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.
-
4. In het kader van de rechtmatigheid wordt in ieder geval getoetst aan het Begrotingscriterium, het Voorwaardencriterium en het Misbruik- en Oneigenlijk gebruik criterium.
-
5. In de paragraaf Bedrijfsvoering legt het college verantwoording af over de geconstateerde rechtmatigheidsfouten boven de in lid 2 genoemde grens en over geconstateerde fraude of misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen. Hierbij gaat het college in op de oorzaak van de fouten en op de getroffen verbetermaatregelen.
Artikel 19. Voorwaardencriterium
-
1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.
-
2. Het college biedt de raad jaarlijks een normenkader rechtmatigheid ter vaststelling aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.
Artikel 20. Begrotingscriterium
-
1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.
-
2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.
-
3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.
-
4. Uitgangspunt is dat overschrijdingen van de door gemeenteraad vastgestelde budgetten voor wat betreft de lasten of investeringskredieten als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:
- a.
Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.
- b.
Er is sprake van een overschrijding op een openeinderegeling.
- c.
De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage .
- a.
-
5. Overschrijdingen van baten en/of onderschrijdingen van lasten, investeringskredieten en baten zijn onrechtmatig als deze niet tijdig tot een begrotingswijziging hebben geleid of niet tijdig aan de raad zijn gemeld. Deze zijn tijdig gemeld als deze zijn opgenomen in een tussentijdse rapportage of begrotingswijziging gedurende het begrotingsjaar danwel zijn toegelicht in de jaarstukken over het betreffende begrotingsjaar.
Artikel 21. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
-
1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.
-
2. Het college zorgt voor de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen en leggen deze regels vast.
Hoofdstuk 6. Slotbepalingen
Artikel 22. Intrekken oude verordening
-
1. De financiële verordening gemeente Culemborg 2024 word ingetrokken.
Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2025.
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening van de gemeente Culemborg 2025.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 11 december 2025.
De griffier,
D. van der Harst
De voorzitter,
M.A. Mulder
Bijlage Waarderings- en afschrijvingsbeleid bij artikel 9
Waarderings- en afschrijvingsbeleid vaste activa
- •
Materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen vervaardigings- of verkrijgingskostprijs, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen en eventuele bijzondere waardeverminderingen.
- •
Onder de vervaardigingsprijs worden verstaan: de aanschafkosten en overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. Dit betreft onder meer de inhuur- of salariskosten van medewerkers die rechtstreeks werken aan deze investering, zoals projectleiders
- •
Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd.
- •
Financiële vaste activa worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Onder de financiële vaste activa vallen kapitaalverstrekkingen en verstrekte leningen en overige uitzettingen. Deze activa vertegenwoordigen een financiële waarde of bezit (aandelenkapitaal). Financiële activa moeten altijd worden geactiveerd, maar worden gezien hun aard niet afgeschreven, onder vermindering van een eventuele voorziening voor oninbaarheid.
- •
Naast investeringen kan er ook sprake zijn van groot onderhoud. Bij investeringen moet er sprake zijn van levensduurverlenging van het activum. Groot onderhoud wordt niet beschouwd als investering. Daardoor wordt er niet op afgeschreven, maar wordt dit ten laste van de exploitatie of de betreffende onderhoudsvoorziening gebracht.
- •
Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.
- •
De afschrijving start in het jaar volgend op het jaar van ingebruikname, met uitzondering van investeringen die ineens worden afgeschreven, daarvan vindt de afschrijving plaats in het jaar van de investering.
- •
Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.
- •
Er wordt geen rekening gehouden met restwaarde, met uitzondering van nieuwbouw van gebouwen (0-30%).
- •
De afschrijvingsmethode is bij voorkeur lineair.
- •
Aan lopende investeringen die groter zijn dan € 1.000.000 wordt rente toegerekend. Deze rente wordt berekend over de gemiddelde boekwaarde van het betreffende jaar.
Immateriële vaste activa:
De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in:
- •
5 jaar: saldo voor agio of disagio
- •
5 jaar: kosten voor onderzoek en ontwikkeling;
Materiële vaste activa:
De volgende materiële vaste activa worden afgeschreven in:
Automatisering
- •
3-7 jaar: automatiseringsapparatuur
- •
5 jaar: computerapplicaties
Inventaris
- •
10 jaar: telefooninstallaties
- •
10 jaar: meubilair
Vervoermiddelen
- •
7 -10 jaar: aanhangwagens, personenauto’s en lichte motorvoertuigen
Gebouwen
- •
50 jaar: nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen
- •
50 jaar: nieuwbouw kantoren en bedrijfsgebouwen (restwaarde 0-30%)
- •
50 jaar: nieuwbouw tijdelijke woonruimten en tijdelijke bedrijfsgebouwen
- •
25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop woonruimten, en schoolgebouwen
- •
25 jaar: renovatie, restauratie en aankoop kantoren en bedrijfsgebouwen
- •
50 jaar: sporthallen/gymzalen
- •
25 jaar: renovatie, sporthallen/gymzalen
- •
15 jaar: technische installaties in gebouwen
- •
10 jaar: zonnepanelen
Terreinen
- •
10-30 jaar: speelvoorzieningen
- •
12 jaar: kunstgrasvelden toplaag
- •
40 jaar: kunstgrasvelden onderlaag
- •
30 jaar: sportterreinen
- •
10-50 jaar: groenvoorzieningen
Infrastructuur
- •
maximaal 60 jaar: rioleringen; in het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) worden de termijnen vastgelegd
- •
maximaal 50 jaar: wegen, pleinen en rotondes
- •
25 jaar: bruggen, hout
- •
60 jaar: bruggen, beton/staal
- •
40 jaar: openbare verlichting, masten
- •
30 jaar: openbare verlichting, led-panels, led-armaturen
- •
20 jaar: openbare verlichting, armaturen (geen led), kabels (bovengronds)
- •
10 jaar: openbare verlichting, led-drivers, lampen (geen PL)
- •
4 jaar: openbare verlichting, PL-lampen
- •
15 jaar: pompen en gemalen.(mechanisch)
- •
45 jaar; pompen en gemalen (bouwkundig)
- •
45 jaar; drainage
- •
45 jaar: randvoorzieningen rioleringen
- •
45 jaar: mechanische riolering (leidingen)
Aankoop bestaande activa: restant levensduur
Afwijking van het afschrijvingsbeleid en/of de tabel geschiedt o.b.v. een raadsbesluit in het betreffende investeringsvoorstel. Dit gebeurt alleen om gegronde redenen, op een consistente manier en met inachtneming van de bepalingen uit het Besluit Begroting en Verantwoording.
Toelichting op de artikelen
Artikel 1. Begripsbepaling
Het begrip administratie is gedefinieerd ten behoeve van artikel 15 van de verordening.
Het begrip team is gedefinieerd ten behoeve van artikel 16 van de verordening.
Tot slot is het begrip overheidsbedrijf gedefinieerd om in artikel 12 van de verordening nadere invulling te kunnen geven aan de verplichtingen die volgen uit de Mededingingswet voor het vaststellen van de hoogte van prijzen.
Artikel 2. Programma-indeling
Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s worden door de raad vastgesteld. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop, dat de taakvelden aan de programma’s moeten worden toegewezen.
Het is gebruikelijk dat de raad aan het begin van een raadsperiode bepaalt of een aanpassing van de programma-indeling gewenst is. Indien hierover in of rond de Kadernota niets wordt besloten blijft de indeling voor het komende jaar gelijk aan die van het lopende jaar.
Het tweede lid regelt, dat de taakvelden op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld.
Het derde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV.
Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken
In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het eerste lid schrijft voor dat de baten en lasten en reservemutaties onder de programma’s in de begroting en jaarstukken worden weergegeven. Het tweede lid regelt dat in de begroting en jaarstukken ook een een totaaloverzicht van baten en lasten per taakveld wordt opgenomen.
In het derde lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20 lid 2) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen, dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is nodig om ook de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden gedacht aan grondexploitaties.
In het vierde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.
Het vijfde en zesde lid bevatten grensbedragen voor ramingen van incidentele baten en lasten en voor budgetafwijkingen in de jaarstukken. Onder die grensbedragen worden geen specificaties of toelichtingen weergegeven.
Artikel 4. Kaders begroting
Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV.
Het artikel bepaalt, dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting een nota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Deze systematiek wordt in veel gemeenten toegepast en deze nota draagt in onze gemeente de naam kadernota.
Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten
Artikel 5 bevat regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De gemeente kan slechts uitgaven doen voor de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht (derde lid van artikel 189 van de Gemeentewet). De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie door de raad van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s (eerste lid). Daarnaast is in het BBV voorgeschreven dat het programmaplan een overzicht van de algemene dekkingsmiddelen, de kosten van overhead, het bedrag voor de heffing voor de vennootschapsbelasting en het bedrag voor onvoorzien bevat. Ook van het totaal van deze onderdelen autoriseert de raad de lasten en de baten.
Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Ook uitgaven voor investeringen moeten door de raad worden geautoriseerd. Voor de autorisatie van deze investeringskredieten is er voor gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid).
Voor het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en eventueel bijstellingen van beleid is er voor gekozen deze mee te nemen bij de behandeling van de tussenrapportages (derde lid).
Meestal komen gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel, die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het vierde lid van het artikel regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting, namelijk bij de tussentijdse rapportages. Dus ook voor investeringen die pas in de loop van het begrotingsjaar worden voorzien.
In de praktijk van alledag kan het voorkomen dat het college op korte termijn besluiten met financiële gevolgen moet nemen die niet zijn voorzien in de begroting. In die gevallen kan het goed zijn als het college armslag heeft tot het moment dat de raad een besluit kan nemen extra middelen beschikbaar te stellen. In het vijfde lid is bepaald dat de raad de bedragen en voorwaarden waaronder dit mogelijk is kan regelen in een nota Afwijkingenbeleid.
Artikel 6. Tussentijdse rapportage
De tussenrapportages zijn een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid.
Er is gekozen voor twee tussenrapportages.
Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportage, waarbij informatie over de grondexploitatie valt onder de investeringskredieten.
Het derde lid bepaalt dat de rapportage de programma-indeling van de begroting volgt.
Het vierde lid bepaalt het grensbedrag waarboven budgetafwijkingen worden toegelicht in de tussentijdse rapportages.
Artikel 7. Informatieplicht
In artikel 7 van de financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente.
In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf aan het aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden.
De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen.
Ook moeten besluiten van het college voor het doen van privaatrechtelijke rechtshandelingen passen binnen de kaders van het beleid dat door de raad is uiteengezet. Het artikel schept slechts duidelijkheid tussen het college en de raad over wanneer de raad in elk geval vóóraf wenst te worden geïnformeerd en in de gelegenheid wil worden gesteld zijn wensen en bedenkingen aan het college kenbaar te maken.
Artikel 8. EMU-saldo
Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd, dat ze een aandeel hebben in het plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden, dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Maar het kan ook zijn, dat de overschrijding niet tot aanvullend beleid van het Rijk of Europa leidt.
Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan de gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.
In het artikel is opgenomen, dat het college de raad informeert als de gemeente van het Rijk een bericht heeft ontvangen dat het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten dreigt te worden overschreden. Als daarop actie nodig is van de gemeente, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.
Artikel 9. Waardering & afschrijving vaste activa
In het tweede lid, onder a, van artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen, dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in artikel 9 invulling gegeven. Voor de bepalingen over de waarderingsmethodieken, de afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar de bijlage bij de verordening. In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële, materiële en financiële vaste activa opgenomen. Deze vorm sluit aan bij de voorheen gebruikelijke werkwijze in onze gemeente om de afschrijvingstermijnen in een apart document vast te leggen.
Daarnaast is de bepaling opgenomen dat voor nieuwbouw van gebouwen een restwaarde van 0 tot 30% gehanteerd kan worden.
Volgens het BBV wordt ook onderscheid gemaakt tussen investeringen en onderhoudsuitgaven. Dit onderscheid is van belang omdat investeringen worden geactiveerd en over meerdere jaren worden afgeschreven, terwijl onderhoudsuitgaven ten laste van het exploitatiejaar komen waarin ze worden gemaakt.
Investeringen
Een investering is een uitgave die leidt tot een duurzaam bezit (vast actief) waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. Het gaat om uitgaven die:
- •
leiden tot de verwerving of vervaardiging van een nieuw actief, of
- •
een bestaand actief aanzienlijk verbeteren of uitbreiden, waardoor de gebruiksduur of capaciteit toeneemt.
Voorbeelden: de bouw van een nieuw gebouw, de aanleg van een weg, of de vervanging van een installatie door een moderner type met een langere levensduur of hogere capaciteit.
Onderhoud
Onderhoud heeft tot doel om een bestaand actief in goede staat te houden zodat de oorspronkelijke gebruiksduur en functionaliteit behouden blijven. Er wordt hierbij geen sprake van waardevermeerdering of levensduurverlenging.
Onderhoudskosten worden daarom niet geactiveerd, maar rechtstreeks als last in de exploitatie opgenomen in het jaar waarin ze worden gemaakt.
Voorbeelden: schilderwerk, asfaltherstel, of het vervangen van onderdelen om de oorspronkelijke functionaliteit te behouden.
Sinds 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht. Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte gebruiksduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast.
Artikel 10. Reserves en voorzieningen
Met de wijziging van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen. Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en voorzieningen in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden toe te rekenen. Het eerste lid bepaalt daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen.
Het tweede lid bepaalt dat het college de raad bij de begroting en jaarstukken informeert over de stand van de reserves en voorzieningen en dat de raad dan ook besluiten kan nemen over veranderingen daarin.
Het derde lid bepaalt, dat het college eens in de vier jaar bekijkt of een gewijzigde nota over de reserves en voorzieningen aan de raad aangeboden wordt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen.
Voor een investeringsvoornemen kan de raad een bestemmingsreserve vormen. Een deel van de algemene reserve wordt hiervoor afgezonderd. Hiermee wordt op de balans van de gemeente tot uitdrukking gebracht, dat een toekomstige investering in de loop van de jaren middels de afschrijvingen een beslag op het eigen vermogen gaat leggen. In het vierde lid zijn de voorwaarden voor een voorstel voor een dergelijke bestemmingsreserve opgenomen.
Investeringsvoornemens leiden niet altijd tot investeringen. Er bestaat het gevaar, dat bestemmingsreserves op de balans blijven staan waar tegenover in het geheel geen investeringsvoornemen meer bestaan. Door voor elke nieuwe bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen een maximale “houdbaarheidsdatum” op te nemen kan dit worden voorkomen. Hiervoor is in de verordening de bepaling opgenomen dat bestemmingsreserves die de houdbaarheidsdatum hebben overschreden, vervallen en weer aan de algemene reserve worden toegevoegd (vijfde lid).
Artikel 11. Kostprijsberekening
Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs.
Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd.
Het eerste lid van artikel 11 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet.
Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.
Het derde lid geeft aan, dat de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan specifieke uitkeringen en subsidies, apart onder het taakveld overhead in de administratie kunnen worden afgezonderd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding aan specifieke uitkeringen en subsidies worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken. De praktijk zal moeten uitwijzen of dit een goede werkwijze is.
Het vierde, vijfde en zesde lid gaan over de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en over de kostprijs van prijzen van goederen, diensten en werken die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden.
Het vierde lid geeft aan, dat de overheadkosten die worden toegerekend aan de activiteiten die onder de vennootschapsbelastingplicht vallen, apart onder het taakveld overhead in de administratie kunnen worden afgezonderd en in de belastingaangifte aan deze activiteiten worden toegerekend. Dit afzonderen kan door voor deze kosten aparte (hulp-)kostenplaatsen aan te maken en de kosten voortaan op deze (hulp-)kostenplaatsen te boeken. De praktijk zal moeten uitwijzen of dit een goede werkwijze is.
Het vijfde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaald, dat deze plaatsvindt naar rato van het aandeel van de personeelslasten inclusief inhuur derden in de totale personeelslasten inclusief inhuur derden.
Grondexploitaties vallen bij de meeste gemeenten ook onder de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten, maar dit hoeft altijd het geval te zijn. Voor de methodiek van het bepalen van de omslagrente wordt in dit lid aangesloten bij de Notitie Grondexploitaties (bijlage 3) van de Commissie BBV.
Artikel 12. Prijzen economische activiteiten
Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt.
Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in, dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.
Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.
Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.
Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen
Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de Gemeentewet). Artikel 13 bepaalt, dat de raad de tarieven voor de belastingen, rioolheffingen en afvalstoffenheffing jaarlijks vaststelt. Een gemeenteraad die ook voor andere rechten, leges en heffingen de tarieven jaarlijks wenst vast te stellen, kan het eerste lid met deze rechten, leges en heffingen uitbreiden. Het betekent, dat de bijbehorende verordeningen jaarlijks moeten worden herzien.
Artikel 14. Financieringsfunctie
Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling, dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 14 geeft invulling aan deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid.
De kaders voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in het eerste lid van dit artikel. De meerjarige kaders van het treasury beleid worden vastgelegd in het treasurystatuut, dat door de raad wordt vastgesteld. Wat dit statuut in ieder geval bevat, staat in het tweede lid.
Artikel 15. Administratie
Onder artikel 15 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen.
Artikel 16. Financiële organisatie
Artikel 16 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 van de Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 van de Gemeentewet.
Artikel 16 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand, dat het college een organisatiebesluit vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt.
Bij het beleid en de interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan een inkoopreglement en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.
Bij het beleid en de interne regels voor steunverlening en subsidieverstrekking gaat het om procedures die naleving van de Europese staatssteunregels en regels voor diensten van algemeen economisch belang, de Algemene wet bestuursrecht en de gemeentelijke subsidieverordening waarborgen.
In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden.
De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en het financieel beleid aan de eisen voor getrouwheid, rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden, waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de getrouwheid van de jaarrekening inclusief de rechtmatigheidsverantwoording afgegeven door het college.
Artikel 17. Interne controle
De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen, rechtmatig zijn verlopen. Artikel 17 draagt het college op maatregelen te treffen, zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen, rechtmatig (zijn) verlopen.
Artikel 18. Rechtmatigheidsverantwoording
In het kader van de rechtmatigheidsverantwoording die vanaf boekjaar 2023 in werking is getreden, is het zinvol om in de financiële verordening kaders op te nemen. De commissie BBV adviseert kaders te stellen op de volgende onderwerpen:
- 1.
De raad kan de verantwoordingsgrens vastleggen in de financiële verordening.
- 2.
De raad kan de rapportagegrens vastleggen in de financiële verordening.
- 3.
Het college en de raad leggen in de financiële verordening vast op welke wijze om wordt gegaan met begrotingsafwijkingen. Hieruit moet blijken hoe fouten en onduidelijkheden geïnterpreteerd worden in het kader van het uitoefenen van het budgetrecht door de raad.
- 4.
Het college rapporteert in de paragraaf bedrijfsvoering verplicht over de geconstateerde rechtmatigheidsfouten boven de afgesproken rapportagegrens. Hierbij wordt ingegaan op de volgende zaken: oorzaak fouten, verbetermaatregelen, geconstateerde fraude en misbruik & oneigenlijk gebruik van regelingen.
De genoemde kaders worden door dit artikel ingevuld, al dan niet met een verwijzing naar het Controleprotocol, waarin de raad ook kaders vastlegt.
Artikel 19 Voorwaardencriterium
Het eerste lid geeft de definitie van het voorwaardencriterium, het zogenaamde “normenkader”.
Het tweede lid geeft aan dat jaarlijks het normenkader ten aanzien van de rechtmatigheidsverantwoording door de gemeenteraad moet worden.
Artikel 20 Begrotingscriterium
Artikel 20 gaat expliciet in op de begrotingsrechtmatigheid. In het eerste lid wordt het begrip begrotingsrechtmatigheid gedefinieerd.
De baten en lasten moeten zich bewegen binnen de door de raad goedgekeurde en vastgestelde budgetplafonds. Indien er een overschrijding plaatsvindt is er in principe sprake van een begrotingsonrechtmatigheid. Dat is geregeld in het tweede en volgende lid.
Artikel 21 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium
Dit artikel voorziet in het zogenaamde “misbruik en oneigenlijk gebruik criterium”. In het eerste lid wordt het criterium gedefinieerd.
- •
Van misbruik is sprake bij het opzettelijk niet, niet tijdig, onjuist of onvolledig verstrekken van gegevens met als doel ten onrechte overheidssubsidies of -uitkeringen te verkrijgen of niet dan wel een te laag bedrag aan heffingen aan de overheid te betalen.
- •
Van oneigenlijk gebruik is sprake indien bij het aangaan van rechtshandelingen, al dan niet gecombineerd met feitelijke handelingen, het verkrijgen van overheidsbijdragen of het niet dan wel tot een te laag bedrag betalen van heffingen aan de overheid, in overeenstemming met de bewoordingen van de regelgeving is maar in strijd met het doel en de strekking daarvan is.
Het college heeft de opdracht om regels op stellen voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.
Artikel 22. Intrekken oude verordening
Bij het inwerkingtreden van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken.
Artikel 23. Inwerkingtreding en citeertitel
Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening. Dat is met terugwerkende kracht, zodat voor het gehele boekjaar 2025 de nieuwe verordening van kracht is.
Vaststelling
Uitgaande stukken van de raad moeten door de burgemeester worden ondertekend (eerste lid artikel 75 van de Gemeentewet). De griffier moet de uitgaande stukken van de raad medeondertekenen (artikel 107c van de Gemeentewet). De financiële verordening moet worden gepubliceerd.
Binnen twee weken na vaststelling door de raad moet het college de verordening aan gedeputeerde staten zenden (artikel 214 van de Gemeentewet). Gedeputeerde staten kunnen te allen tijde een onderzoek instellen naar het beheer en de inrichting van de financiële organisatie en de verordening ex artikel 212 van de Gemeentewet (artikel 215 van de Gemeentewet).
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl