Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Zaanstad 2025

Geldend van 20-12-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Zaanstad 2025

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad;

overwegende dat;

  • Tussen 2005 en 2019 bij een groot aantal ouders onterecht de kinderopvangtoeslag is stopgezet en teruggevorderd door de Belastingdienst. Dit grote gevolgen heeft gehad voor deze ouders, hun gezinnen, ex-toeslagpartners en nabestaanden;

  • Veel (gedupeerde) ouders meer nodig hebben dan alleen financiële compensatie. Zij ervaren nog steeds de gevolgen van de manier waarop de kinderopvangtoeslag werd teruggevorderd. Zij hebben recht op begrip, erkenning en ondersteuning;

  • Gemeenten hierin een belangrijke rol spelen, omdat zij dicht bij hun inwoners staan en veel ervaring hebben met hulp in het sociaal domein;

  • In de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) is vastgelegd dat het college bevoegd is om brede ondersteuning te bieden aan mensen die zijn getroffen door de toeslagenaffaire;

  • Er sinds de start van de brede ondersteuning verschillen zijn ontstaan in de wijze waarop gemeenten de brede ondersteuning uitvoeren en dit heeft gezorgd voor onduidelijkheid en ongelijkheid onder gedupeerden;

  • De Vereniging Nederlandse Gemeenten daarom aan alle gemeenten heeft verzocht om, op aanbeveling van de spoedcommissie van Dam, de door hen geharmoniseerde beleidsregels vast te stellen ten einde de brede ondersteuning te harmoniseren;

  • Beleidsregels duidelijkheid geven over het verloop van het proces van de brede ondersteuning en de afwegingen die daarbij gemaakt worden;

gelet op;

  • artikel 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen

  • artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit vast te stellen:

Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Zaanstad 2025

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.

In deze beleidsregels staan verschillende begrippen die zijn bedoeld om de leesbaarheid van de beleidsregels te vergroten.

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a.

bedreigende situatie

Een acute crisissituatie, zoals gedwongen huisuitzetting, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, het stopzetten van de zorgverzekering, ernstige psychische problemen of een vergelijkbare acute crisissituatie.

b.

college

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad.

c.

gezin

Een gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet. Daaronder vallen ook thuiswonende kinderen of pleegkinderen van 18 jaar of ouder van de persoon die genoemd wordt in artikel 2.21, eerste lid, van de wet of hun partner.

d.

hulpvraag

De omschrijving van de hulp die nodig is om de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, van deze beleidsregels te kunnen bereiken.

e.

inwoner

Iemand die staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Zaanstad.

f.

kindregeling

Herstelregeling volgens afdeling 2.2 van de wet, bedoeld om kinderen van gedupeerde ouders te helpen met een tegemoetkoming en brede ondersteuning.

g.

leefgebieden

De vijf leefgebieden, uit artikel 2.21, eerste lid, van de wet, namelijk financiën, gezin, werk, wonen en zorg.

h.

reguliere ondersteuning

Andere vormen van hulp vanuit de gemeente binnen het sociaal domein.

i.

toekennen

Verlenen van de aanspraak op een voorziening.

j.

UHT

Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen

k.

verstrekken

Het daadwerkelijk geven van een toegekende voorziening.

l.

voorziening

Een materiële voorziening (zoals bedoeld in artikel 13) of een immateriële voorziening (zoals bedoeld in artikel 14).

m.

wet

Wet hersteloperatie toeslagen.

HOOFDSTUK 2. DOEL, UITZONDERINGEN EN DOELGROEP BREDE ONDERSTEUNING

Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning

  • 1.

    De brede ondersteuning is gericht op:

    • a.

      het ondersteunen van de aanvrager bij het maken van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en

    • b.

      het bijdragen aan herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid.

  • 2.

    De doelstellingen van de brede ondersteuning op de leefgebieden die de aanvrager in staat moet stellen een nieuwe start te maken zijn:

    • a.

      financiën: in staat zijn om een financieel gezonde huishouding te voeren;

    • b.

      gezin: samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen;

    • c.

      werk: minimaal de beschikking hebben over een startkwalificatie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces;

    • d.

      wonen: een veilige en betaalbare plek om te wonen; en

    • e.

      zorg: welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning

Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:

  • a.

    vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;

  • b.

    ondersteuning op andere leefgebieden en doelen dan bedoeld in artikel 2;

  • c.

    vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;

  • d.

    vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen;

  • e.

    kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of

  • f.

    kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.

Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning

  • 1.

    Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan inwoners die onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet vallen en die niet eerder met brede ondersteuning een nieuwe start hebben kunnen maken.

  • 2.

    Het college biedt ook brede ondersteuning aan het gezin van een aanvrager die volgens het eerste lid is toegelaten. De samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag is leidend.

  • 3.

    Het college kan ook brede ondersteuning geven aan een aanvrager die onder de genoemde groep in artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet valt, maar geen inwoner is als gevolg van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden zoals genoemd in artikel 2.21, derde lid, van de wet. In dat geval wordt de aanvrager behandeld als een inwoner.

  • 4.

    Als het derde lid wordt toegepast, overlegt het college met de aanvrager en met het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de aanvrager op dat moment verblijft.

Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige

Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:

  • a.

    jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;

  • b.

    jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is; of

  • c.

    zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.

HOOFDSTUK 3. AANMELDING, EERSTE GESPREK EN VASTSTELLING VAN DE HULPVRAAG

Artikel 6. Aanmelding voor brede ondersteuning

  • 1.

    Een verzoek tot toegang voor brede ondersteuning kan zowel schriftelijk als mondeling worden ingediend.

  • 2.

    Het college beoordeelt of de inwoner tot de doelgroep behoort die genoemd wordt in artikel 4, eerste lid, en dus in aanmerking komt voor brede ondersteuning.

  • 3.

    Als een inwoner bij de UHT heeft aangegeven brede ondersteuning te willen, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van het verzoek.

Artikel 7. Eerste gesprek en vaststellen van de hulpvraag

  • 1.

    Nadat een verzoek is ingediend, nodigt het college de aanmelder binnen 8 weken uit voor een eerste persoonlijk gesprek.

  • 2.

    De aanmelder bepaalt of het eerste gesprek op locatie plaatsvindt of bij de aanmelder thuis.

  • 3.

    Tijdens het eerste gesprek wordt samen met de aanmelder, de situatie van de aanmelder op de verschillende leefgebieden vastgesteld. Dit gebeurt aan de hand van de doelstellingen bedoeld in artikel 2, tweede lid. Ook wordt samen bepaald wat de hulpvraag van de aanmelder is.

  • 4.

    De datum van het eerste gesprek wordt aangemerkt als de datum van het indienen van de formele aanvraag.

HOOFDSTUK 4. BESLUIT OP DE AANVRAAG EN PLAN VAN AANPAK

Artikel 8. Besluit op de aanvraag

  • 1.

    Het college zorgt dat de aanvrager binnen maximaal 8 weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt. In de beschikking staat:

    • a.

      dat de aanvrager toegang krijgt tot de brede ondersteuning met een plan van aanpak dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of

    • b.

      dat de aanvrager geen toegang krijgt tot de brede ondersteuning met een uitleg waarom.

  • 2.

    Het college kan de termijn uit het eerste lid voor het opstellen van een plan van aanpak met maximaal 4 weken verlengen als er meer tijd nodig is om het plan van aanpak op te stellen.

Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak

  • 1.

    Het college stelt samen met de aanvrager het plan van aanpak op. Daarbij vormt de situatie van de aanvrager op het moment van de aanvraag het startpunt.

  • 2.

    In het plan van aanpak staat:

    • a.

      hoe stap voor stap wordt toegewerkt naar het bereiken van de doelstellingen op de leefgebieden voor het maken van een nieuwe start door de aanvrager; en

    • b.

      welke hulp en/of voorzieningen worden toegekend om de aanvrager op een passende, adequate en duurzame manier te helpen bij het bereiken van de doelstellingen.

Artikel 10. Het wijzigen van het plan van aanpak

  • 1.

    Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere hulp en/of voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.

  • 2.

    Een aanvrager kan mondeling of schriftelijk een verzoek indienen om het plan van aanpak te wijzigen. Artikel 8, eerste lid, is op deze aanvraag van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Als de aanvrager het college verzoekt een aanvullende voorziening toe te kennen, toetst het college dit verzoek aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14.

  • 4.

    De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen worden niet aangepast, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak onvoorziene nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die een wijziging noodzakelijk maken.

Artikel 11. Extra hulp voor jongeren met schulden

  • 1.

    Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager:

    • a.

      achttien jaar of ouder is;

    • b.

      in aanmerking komt voor de kindregeling;

    • c.

      naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en

    • d.

      diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021

  • 2.

    Het college begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie.

HOOFDSTUK 5. TOEKENNEN EN VERSTREKKEN VAN VOORZIENINGEN

Artikel 12. Voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt aan de aanvrager de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend.

  • 2.

    Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:

    • a.

      de vaardigheden van de aanvrager;

    • b.

      de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;

    • c.

      de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;

    • d.

      het duurzame karakter van de voorziening;

    • e.

      de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.

Artikel 13. Materiële voorzieningen

  • 1.

    Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken.

  • 2.

    Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

Artikel 14. Immateriële voorzieningen

  • 1.

    Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is om de kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager te verbeteren, zodat de aanvrager de doelen uit het plan van aanpak kan bereiken.

  • 2.

    Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

Artikel 15. Medewerking aanvrager

Het college kan de aanvrager vragen om mee te werken voordat een voorziening wordt toegekend. Dit is nodig om te kunnen beoordelen of de voorziening past bij de voorwaarden in artikel 12, tweede lid, en de artikelen 13 en 14.

Artikel 16. Weigeren voorzieningen

Het college weigert het toekennen van een voorziening als:

  • a.

    De voorziening al vóór het eerste gesprek is geregeld of geaccepteerd. Behalve als er na het indienen van het verzoek tot toegang voor de brede ondersteuning maar vóór het eerste gesprek sprake was van een bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;

  • b.

    de voorziening niet aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet; of

  • c.

    de aanvrager niet heeft meegewerkt zoals bedoeld in artikel 15, waardoor het college niet kan beoordelen of de voorziening passend is, zoals staat in artikel 12, tweede lid en artikel 13 en 14.

HOOFDSTUK 6. BEËINDIGING BREDE ONDERSTEUNING EN OVERDRACHT

Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning

  • 1.

    In aanvulling op artikel 2.21, lid 4 sub b en lid 6, van de wet eindigt de brede ondersteuning als de aanvrager:

    • a.

      om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt; of

    • b.

      niet binnen een redelijke termijn van de brede ondersteuning gebruik heeft gemaakt en niet reageert op een oproep van het college om hier alsnog gebruik van te maken.

  • 2.

    Het college nodigt de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning uit voor een gesprek om de actuele situatie van de aanvrager op de leefgebieden te bespreken.

Artikel 18. Overdracht van hulpverlening

Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.

HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN

Artikel 19. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige benadeling van een belanghebbende of tot een uitkomst die kennelijk onredelijk is.

Artikel 20. Overgangsrecht

  • 1.

    Voor inwoners voor wie reeds een plan van aanpak is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijft dat plan van aanpak van kracht.

  • 2.

    Indien vóór de inwerkingtreding van deze beleidsregels reeds een eerste gesprek in het kader van brede ondersteuning heeft plaatsgevonden, maar nog geen plan van aanpak is vastgesteld, wordt het plan van aanpak opgesteld met inachtneming van deze beleidsregels.

  • 3.

    Indien binnen een reeds vastgesteld plan van aanpak voor de brede ondersteuning een nieuwe voorziening wordt aangevraagd, wordt deze aanvraag beoordeeld aan de hand van deze beleidsregels.

Artikel 21. Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

Artikel 22. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Zaanstad 2025'.

Ondertekening

Aldus vastgesteld door college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad in de vergadering van 16-12-2025.

Het college van burgemeester en wethouders,

drs. J. Hamming, burgemeester

mr. L. Graaff, gemeentesecretaris

Toelichting

Algemeen

Bij een zeer groot aantal ouders is tussen 2005 en 2019 onterecht de kinderopvangtoeslag stopgezet door de Belastingdienst. Dat heeft voor die ouders, hun gezinnen, ex-toeslagpartners en nabestaanden enorme gevolgen gehad. Deze ouders, hun gezinnen, ex-toeslagpartners en nabestaanden is daardoor ernstig onrecht aangedaan. Om die reden is in de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) geregeld dat het college van burgemeester en wethouders (hierna: het college) bevoegd is om brede ondersteuning te bieden aan personen die zijn getroffen door de toeslagenproblematiek.

Toegang tot brede ondersteuning

Alle inwoners die vallen onder de personenkring van artikel 2.21, eerste lid, van de Wht hebben toegang tot de brede ondersteuning en kunnen deze dus aanvragen. Als een inwoner zich heeft aangemeld bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) voor een integrale beoordeling, kan de brede ondersteuning starten vanaf het moment van aanmelding. Deze werkwijze is zo geregeld (los van de beoordeling van hun situatie) omdat het kabinet ouders zo snel mogelijk wilde helpen zodat hun situatie niet erger wordt. Als uit de Integrale Beoordeling (IB) blijkt dat iemand niet als gedupeerde ouder wordt erkend, dan stopt de brede ondersteuning. Dit gebeurt ook als die persoon het niet eens is met de integrale beoordeling en bezwaar maakt. Het bezwaar verandert niets aan het stoppen van de brede ondersteuning. Ex-toeslagpartners, kinderen en nabestaanden kunnen brede ondersteuning krijgen, maar alleen als zij door de UHT zijn erkend als gedupeerden. Het college controleert bij de UHT of iemand recht heeft op brede ondersteuning.

Doel van de brede ondersteuning

Het belangrijkste doel van de brede ondersteuning is het mogelijk maken van een nieuwe start. Het maken van een nieuwe start is een breed begrip. Een nieuwe start is gekoppeld aan doelstellingen die verband houden met de vijf leefgebieden die in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht zijn genoemd. Dit betreft financiën, gezin, werk, wonen en zorg.

Waar het financiële herstel, uitgevoerd door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT), zich richt op wat er is gebeurd in het verleden, kijkt de gemeente met de brede ondersteuning juist vooruit. De brede ondersteuning is tijdelijk, toekomstgericht en altijd gekoppeld aan het behalen van de doelstellingen zoals genoemd in artikel 2. De aanvrager moet de draad van het leven weer kunnen oppakken door het vinden van perspectief binnen de 5 leefgebieden en door de basis hierbinnen zoveel mogelijk op orde te krijgen. Brede ondersteuning is niet gericht op financieel herstel en biedt geen compensatie voor schade uit het verleden. Het kunnen maken van een nieuwe start in de toekomst staat centraal. Tegen die achtergrond is de brede ondersteuning ruimhartig. Dit betekent dat er geen aanvullende kaders of toetsen zijn verbonden aan de toegang tot de brede ondersteuning.

Maatwerk

Middels maatwerk kan de meest adequate hulp worden ingezet die nodig wordt bevonden, zonder de kaderstelling die gemeenten vanuit het reguliere sociale domein hanteren. De individuele situatie van de gedupeerde en het gezin op het moment van de aanvraag is hierbij het uitgangspunt. De beleidsregels geven aan hoe het proces van brede ondersteuning verloopt, welke termijnen worden gehanteerd en welke afwegingen het college maakt bij het toekennen van voorzieningen. Inherent aan het hanteren van dit uitgangspunt en het bieden van maatwerk is dat er bepaalde verschillen in de ondersteuning bestaan. Ook tussen gemeenten onderling. De situatie en de behoefte van iedere gedupeerde is anders en hiermee ook de hulpverlening die wordt geboden.

Verhouding tot reguliere dienstverlening

De inzet van de ondersteuning is gericht op de doelstellingen die gemeenten ook hanteren vanuit de reguliere dienstverlening binnen het sociaal domein. Waar de reguliere dienstverlening is ingericht als sociaal vangnet, is de brede ondersteuning echter gericht op het bevorderen van een nieuwe start in het kader van herstel.

Hoewel er duidelijke verschillen zitten tussen de doelstellingen en voorwaarden van de reguliere ondersteuning in het sociaal domein en de brede ondersteuning in de hersteloperatie toeslagen, sluiten deze werkwijzen wel op elkaar aan. Veel van de reguliere kennis en hulpverlening die gemeenten inzetten voor al hun inwoners is passend voor het bevorderen van een nieuwe start. Deze voorzieningen kunnen dus ook worden ingezet via het plan van aanpak aan rechthebbenden van de brede ondersteuning. Denk hierbij aan de ondersteuning bij het in balans krijgen en houden van financiën en gezinscoaching vanuit het maatschappelijk werkveld.

Per artikel

Artikel 1. Uitleg van begrippen

In dit artikel leggen we uit wat belangrijke begrippen betekenen die in deze beleidsregels worden gebruikt. We sluiten zoveel mogelijk aan bij de wet. Denk bijvoorbeeld aan begrippen zoals gezin, kindregeling en leefgebieden.

Bedreigende situatie

Voor het begrip ‘bedreigende situatie’ gaan we uit van de uitleg uit artikel 4, tweede lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Dit omdat deze beleidsregels onderdeel zijn van de bredere hulp en ondersteuning in het sociaal domein.

Toekennen en verstrekken

We maken een duidelijk verschil tussen de begrippen ‘toekennen’ en ‘verstrekken’. Toekennen betekent dat is vastgesteld dat iemand recht heeft op bepaalde hulp of voorziening, zoals een opleiding of begeleiding. Verstrekken betekent dat de hulp of voorziening ook echt begint, bijvoorbeeld op het moment dat de opleiding of de begeleiding van start gaat.

Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning

De brede ondersteuning sluit aan op de rijksbrede doelstellingen die gemeenten ook hanteren vanuit de reguliere dienstverlening binnen het sociaal domein, maar richt zich nadrukkelijk niet op het bieden van een sociaal vangnet. Het gaat om het bieden van toekomstperspectief. Het in staat stellen van de aanvrager om een nieuwe start te maken en het leveren van een bijdrage aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid. Dat is in het eerste lid expliciet gemaakt.

Een nieuwe start ziet er voor iedere gedupeerde anders uit en ook het startpunt, oftewel de situatie ten tijde van de aanvraag. Wel staan bij de brede ondersteuning steeds dezelfde vijf leefgebieden centraal. Deze leefgebieden en de daarbij behorende doelstellingen zijn in het tweede lid opgesomd. Het college bespreekt met iedere gedupeerde aan de hand van de doelstellingen of er behoefte is aan ondersteuning en waar die ondersteuning uit moet bestaan om de resultaten en doelen te kunnen behalen.

Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning

Dit artikel maakt duidelijk wat van de brede ondersteuning uitgezonderd is. Zo is brede ondersteuning niet bedoeld voor algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning (onderdeel a), vallen behoeften die niet gericht zijn op de vijf leefgebieden of het behalen van de bijbehorende doelstellingen uit artikel 2, tweede lid buiten de brede ondersteuning (onderdeel b) en is het geen taak van de gemeenten om financieel herstel te bieden en dus schade vanuit het verleden te vergoeden (onderdeel c). Verder geldt voor sommige vergoedingen en kosten dat deze in beginsel geen onderdeel uitmaken van de brede ondersteuning, maar dat er een uitzondering mogelijk is als er sprake is van een bedreigende situatie (onderdeel d en e). In dat geval staan niet de vergoedingen en kosten centraal, maar het voorkomen van de gevolgen van een acute noodsituatie. Het college stelt in die gevallen wel de voorwaarde dat er aanvullende voorzieningen zijn die herhaling van de bedreigende situatie voorkomen, bijvoorbeeld op het gebied van schuldhulpverlening. Verder is de vergoeding van kosten die zijn gemaakt voordat er een aanvraag is ingediend voor brede ondersteuning geen onderdeel van de brede ondersteuning (onderdeel e). Tot slot zijn er over de inzet van advocaten, voor bijstand in het financiële herstelproces, door het Rijk afspraken gemaakt met de Nederlandse Orde van Advocaten (onderdeel f). Er is gratis hulp van een advocaat beschikbaar via herstel.toeslagen.nl. Dit is om die reden ook van de brede ondersteuning uitgezonderd.

Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning

De Wht regelt welke inwoners van de gemeente in aanmerking komen voor brede ondersteuning. In het eerste lid wordt daarnaar verwezen. In de wet wordt de inwoner genoemd die:

  • -

    een aanvrager van een kinderopvangtoeslag is en een aanvraag heeft ingediend tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht;

  • -

    een kind, een pleegkind of een voormalig pleegkind is dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wht;

  • -

    en ex-partner is die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht, en aan wie deze is toegekend;

  • -

    een partner is die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9a van de Wht;

  • -

    een kind is dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9b van de Wht;

  • -

    hun gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet en het thuiswonende kind of pleegkind van 18 jaar of ouder van de personen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht, of van hun partner.

Op grond van de Wht wordt ook brede ondersteuning geboden aan het gezin van de inwoners die in de wet worden genoemd. Het tweede lid maakt duidelijk dat de samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag daarbij doorslaggevend is. Het college beoordeelt per aanvrager welke personen tot het gezin kunnen worden gerekend.

In bijzondere omstandigheden kan tot slot brede ondersteuning worden geboden aan aanvragers die geen inwoner zijn. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een persoon die voorheen inwoner was (al dan niet tijdelijk) is verhuisd naar een andere gemeente, in detentie is geplaatst buiten de gemeente of een vertrouwensband heeft met een medewerker van de gemeente die betrokken is bij de uitvoering van brede ondersteuning. Als brede ondersteuning wordt geboden aan een inwoner van een andere gemeente, dan wordt die aanvrager op grond van de beleidsregels gelijkgesteld met degene die wél inwoner is. Verder vindt er over de brede ondersteuning overleg met de andere gemeente plaats.

Als een inwoner die brede ondersteuning ontvangt verhuist en de brede ondersteuning wordt overgedragen aan een andere gemeente of juist van een andere gemeente overgenomen, dan draagt het college zorg voor een warme overdracht naar de nieuwe of van de oude woongemeente. De nieuwe woongemeente kan bij de oude woongemeente de gegevens opvragen die zij nodig acht voor (het continueren van) de brede ondersteuning.

Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige

Kinderen van gedupeerde ouders die aanspraak kunnen maken op de kindregeling, kunnen eveneens aanspraak maken op brede ondersteuning. Dit artikel regelt tegen die achtergrond dat minderjarigen vanaf de leeftijd van zestien jaar zelfstandig brede ondersteuning kunnen aanvragen bij het college in de gemeente waar zij inwoner zijn. Minderjarigen die jonger zijn dan zestien jaar, kunnen hiervoor terecht bij het college in de gemeente waarvan degene die het ouderlijk gezag uitoefent inwoner is. Als beide ouders het gezag uitoefenen, maar geen inwoner van dezelfde gemeente zijn, dan kan de minderjarige brede ondersteuning aanvragen bij het college van de gemeente waar de ouder inwoner is bij wie de minderjarige feitelijk verblijft.

Artikel 6. Aanmelding brede ondersteuning

Een inwoner kan zelf een verzoek indienen voor brede ondersteuning. Dat kan schriftelijk (brief, mail), telefonisch, of via de website van de gemeente. De aanmelding hoeft niet aan een vaste vorm te voldoen. Er hoeft geen speciaal formulier ingevuld te worden.

Een ouder kan ook via de UHT kenbaar maken dat deze in aanmerking wil komen voor brede ondersteuning. Het college ontvangt dan de gegevens via het gegevensportaal van de Belastingdienst. Het moment van ontvangst van de gegevens via het portaal wordt gelijkgesteld met de aanmelding. Indien een inwoner zich direct bij het college meldt, verifieert het college of de inwoner in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij het Serviceteam gemeenten bij de UHT.

Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag

Het college nodigt de inwoner op grond van dit artikel binnen 8 weken, nadat de aanmelding is ontvangen, uit voor een eerste gesprek. Tijdens het eerste gesprek wordt aan de hand van de vijf doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, de situatie van de inwoner besproken en wordt samen met de inwoner vastgesteld wat de hulpvraag is. Hierbij wordt op basis van de feiten en omstandigheden onderzocht wat er op elk van de vijf leefgebieden voor de aanmelder nodig is om de doelstellingen te kunnen bereiken. Voor het vaststellen van de hulpvraag en afronden van het eerste gesprek kunnen meerdere gesprekken nodig zijn. De datum van het afronden van het eerste gesprek wordt aangemerkt als de datum van het indienen van de formele aanvraag voor brede ondersteuning.

Om ervoor te zorgen dat het juiste maatwerk geleverd wordt én bij te dragen aan het herstel van vertrouwen in de overheid, is het van belang dat de inwoner de mogelijkheid heeft om tijdens het eerste gesprek de regie te voeren. Om die reden is in de beleidsregels vastgelegd dat de hulpvraag samen met de inwoner wordt bepaald. Verder krijgt de inwoner, wanneer die wordt uitgenodigd voor het eerste gesprek, ook de mogelijkheid om te bepalen waar dit gesprek plaatsvindt. Dit kan op locatie zijn of bij de inwoner thuis.

Artikel 8. Besluit op de aanvraag

Het college beslist maximaal 8 weken na het afronden van het eerste gesprek over de toegang tot de brede ondersteuning. De aanvrager krijgt een toekennings- of een afwijzingsbeschikking.

In de toekenningsbeschikking is een plan van aanpak opgenomen. In dit plan van aanpak is samen met de aanvrager vastgelegd wat de doelstellingen van de brede ondersteuning zijn, welke ondersteuning de aanvrager wenst en welke ondersteuning het college toekent. Omdat het lastig kan zijn om binnen een aantal weken volledig zicht te hebben op de doelstellingen en ondersteuningsbehoeften, kan het plan van aanpak ook eerst op hoofdlijnen worden vastgesteld. Deze bevat ten minste een vastgestelde hulpvraag. Een plan van aanpak dat op hoofdlijnen is vastgesteld, kan vervolgens samen met de aanvrager worden aangevuld. Naast de mogelijkheid van een voorlopig plan van aanpak, biedt het tweede lid ook de mogelijkheid de termijn voor het opstellen van het plan van aanpak te verlengen. De aanvrager wordt hiervan op de hoogte gesteld.

In een afwijzingsbeschikking wordt gemotiveerd aangegeven waarom er geen toegang tot brede ondersteuning is. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. Dit wordt schriftelijk kenbaar gemaakt.

Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak

In het plan van aanpak staan de hulpvragen van de aanvrager centraal. Vanuit de situatie van de aanvrager op het moment waarop de aanvraag is ingediend, is uitgewerkt hoe stapsgewijs en op een samenhangende manier de doelstellingen (en daaraan gekoppelde subdoelstellingen) uit artikel 2, tweede lid, van de aanvrager worden bereikt. Verder staat ook in het plan van aanpak welke hulp en voorzieningen het college aan de aanvrager toekent om dit op een adequate en duurzame manier te doen. Hiermee wordt beoogd de aanvrager in staat te stellen om een nieuwe start te kunnen maken. In het plan van aanpak wordt dus ook gemotiveerd op welke wijze de toekenning van de voorziening bijdraagt aan het bereiken van een nieuwe start.

Artikel 10. Wijzigen plan van aanpak

Het plan van aanpak kan worden gewijzigd als dit nodig is om de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid te bereiken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er gefaseerd naar een doelstelling wordt toegewerkt binnen één leefgebied of wanneer er onvoorziene omstandigheden zijn waardoor de toegekende ondersteuning niet langer passend is. Hiernaast is het mogelijk dat er situaties zijn waardoor aanvullende ondersteuning op een van de leefgebieden nodig is, bijvoorbeeld wanneer een aanvrager tussentijds diens werk kwijtraakt en op het leefgebied ‘werk’ geholpen wil worden.

Het college kan in samenspraak met de aanvrager tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak wijzigen en daarbij nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek. Deze termijnen brengen tot uitdrukking dat er in de brede ondersteuning een zekere fasering zit. In de eerste fase wordt bezien wat de aanvrager in de weg staat om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken. Om deze direct weg te kunnen nemen, kunnen er materiële voorzieningen worden toegekend en verstrekt. Vervolgens kan met de inzet van immateriële voorzieningen verder worden toegewerkt naar het bereiken van de doelstellingen.

Het college kan het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager wijzigen, maar de aanvrager kan op grond van het tweede lid ook zelf een aanvraag tot wijziging van het plan van aanpak indienen. Daarbij gaat het dan met name om het toekennen van nieuwe of andere voorzieningen.

Het college kan een verzoek tot wijziging van een plan van aanpak bij beschikking goedkeuren of weigeren. Het college kan een verzoek ook gedeeltelijk goedkeuren. Bij een goedkeuring of een gedeeltelijke goedkeuring is het gewijzigde plan van aanpak onderdeel van de beschikking. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. Dit wordt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De in het plan van aanpak opgenomen doelstellingen waarnaar stapsgewijs en integraal wordt toegewerkt, wordt op grond van het vierde lid alleen gewijzigd als nieuwe feiten en omstandigheden dit noodzakelijk maken. Bij een wijziging gaat het dus in beginsel alleen om andere onderdelen uit het plan en dus met name de voorzieningen.

Artikel 11. Aanvullende schuldhulpverleningsaanbod jongeren

Binnen de brede ondersteuning is er bijzondere aandacht voor jongeren met problematische schulden. Doordat het voor deze groep moeilijker is om een nieuwe start te maken, is er een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod mogelijk. Het aanvullend aanbod bestaat uit twee (cumulatieve) onderdelen. Beide onderdelen samen vormen het aanbod:

  • 1.

    een plan van aanpak;

  • 2.

    het oplossen van saneerbare schulden.

Het eerste lid maakt dat expliciet en bevat de voorwaarden waarbij het college dit aanbod in elk geval doet. Het college beoordeelt of de schulden als problematisch worden gekwalificeerd. Het gaat dan in ieder geval om een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen zijn af te lossen. Ook andere objectieve criteria, zoals beslag, registratie bij het CAK en de benodigde voorzieningen vanuit de brede ondersteuning worden meegewogen. Als een schuld niet als problematisch gekwalificeerd wordt, wordt de aanvrager op andere wijze geholpen bij het in balans krijgen van inkomsten en uitgaven. Verder is het uitgangspunt dat de aanvrager zich binnen de termijn, zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, moet melden.

Als in het eerste gesprek blijkt dat er een financiële hulpvraag is, dan wordt de financiële situatie van de aanvrager in kaart gebracht. Op grond van het tweede lid helpt het college de aanvrager daarbij. Om vast te kunnen stellen of een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod nodig is en waaruit dit moet bestaan, wordt de werkwijze uit de reguliere schuldhulpverlening gebruikt. De voorzieningen uit de reguliere schuldhulpverlening worden vervolgens ook ingezet om deze jongeren te helpen.

Artikel 12. Voorzieningen

De brede ondersteuning is gericht op het maken van een nieuwe start. De brede ondersteuning moet de aanvrager in staat stellen om in de toekomst zo zelfstandig en (zelf)redzaam mogelijk op elk van de vijf leefgebieden zijn of haar leven te kunnen leiden. De doelstellingen voor de vijf leefgebieden in het plan van aanpak vormen dus de kern. Om deze doelstellingen te bereiken kunnen er aan de aanvrager voorzieningen worden toegekend en verstrekt. Dit kunnen zowel materiële als immateriële voorzieningen zijn. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het gaat om voorzieningen die zijn toegekend in het plan van aanpak.

In het tweede lid zijn de factoren benoemd die bij het toekennen van die voorzieningen een rol spelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de financiële armslag van de aanvrager, maar ook het duurzame karakter van de voorziening is van belang. Voor het maken van een keuze en de onderbouwing daarvan moet verder de geschiktheid (is de voorziening geschikt om de doelstelling te bereiken?), de noodzakelijkheid (is de voorziening noodzakelijk of nodig of kan het ook op een andere manier?) en de evenredigheid (staat de voorziening in verhouding tot het doel?) van de voorziening aan de orde komen.

Artikel 13. Materiële voorzieningen

Een materiële voorziening kan worden toegekend als deze direct noodzakelijk is voor het bereiken van een in het plan van aanpak opgenomen doelstelling. Een materiële voorziening is noodzakelijk als het direct een belemmering wegneemt of beperkt, die de betrokkene bij het bereiken van een doelstelling ervaart. Het gaat dan veelal om een voorziening die onmiddellijk noodzakelijk is om de hulpverlening te kunnen starten en de immateriële voorzieningen te kunnen inzetten, het bieden van perspectief voor de toekomst staat dus ook hier voorop. Het toekennen van een materiële voorziening is maatwerk. Wat er noodzakelijk is, hangt af van situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak. Het college bepaalt de hoogte van het bedrag van de benodigde voorziening. Eigen data, maar ook bijvoorbeeld de Nibudbedragen, kunnen als richtlijn dienen om het benodigde bedrag te bepalen.

Verder is er ook aandacht voor de achterliggende ondersteuningsbehoefte. Dit betekent dat in veel gevallen de financiële zelfredzaamheid aandacht vraagt. Wat is er nodig om inkomsten en uitgaven in balans te krijgen en te houden en ervoor te zorgen dat een materiële voorziening nu of in de toekomst niet meer nodig is en de aanvrager daar zelf in kan voorzien?

Materiële voorzieningen zijn zaken als bedoeld in artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek. Gedacht kan worden aan een wasmachine die noodzakelijk is om een huishouding te voeren binnen een gezin of een laptop die noodzakelijk is voor het volgen van een opleiding. Wat er precies vereist is, is maatwerk. Dit hangt van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak af. De noodzakelijkheid van de materiële voorziening wordt ook onderbouwd in het plan van aanpak. Toegelicht wordt waarom de verstrekking noodzakelijk is voor het wegnemen of beperken van een belemmering en hoe de verstrekking een bijdrage levert aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd.

Benadrukt wordt dat materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Dit vloeit voort uit artikel 2.21, lid 4a, van de Wht. Die periode vormt echter geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan ook na die periode plaatsvinden.

Artikel 14. Immateriële voorzieningen

Bij het toekennen van een immateriële voorziening is niet de striktere eis van noodzakelijkheid aan de orde die wel voor materiële voorzieningen geldt. Bij de immateriële voorzieningen draait het om de vraag of een voorziening nodig en passend is. Dit betekent dat een voorziening adequaat en duurzaam moet zijn en dus niet alleen voldoende geschikt, maar ook op de langere termijn geschikt moet zijn om een doelstelling uit het plan van aanpak te bereiken.

Verder gaat het bij immateriële voorzieningen om het ontwikkelen van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties door de aanvrager. De persoonlijke ontwikkeling van de aanvrager staat dus centraal. Het gaat om diens zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Bij immateriële voorzieningen kan onder andere worden gedacht aan reguliere hulpverlening of begeleiding, maar ook aan een opleiding of cursus. Ook voor de immateriële voorzieningen geldt dat de toekenning maatwerk is en dat dit van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak afhangt. Verder moet de toekenning van een immateriële voorziening eveneens in het plan van aanpak worden onderbouwd. Waarom is deze voorziening nodig en passend en hoe levert deze een bijdrage aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd?

Benadrukt wordt dat immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Die periode vormt echter ook hier geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan langer doorlopen dan twee jaar.

Artikel 15. Medewerking aanvrager

Om te kunnen beoordelen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is en hierover dus een zorgvuldig besluit te nemen, kan het college de aanvrager om medewerking verzoeken. Het gaat dan met name om medewerking om een beeld te krijgen van de situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden. Te denken valt aan een huisbezoek om te beoordelen of, en zo ja welke, materiele voorzieningen nodig zijn om een woning in een veilige staat te brengen. Verder geldt ook hier dat het om informatie over de financiële situatie kan gaan. Dat is nodig om bespreekbaar te maken hoe een aanvrager meer zelfstandig en (zelf)redzaam kan worden in de toekomst en zelf de benodigde voorzieningen kan bekostigen.

In de beleidsregels staat voorop dat het college de aanvrager om medewerking vraagt. Dit veronderstelt dat het college met de aanvrager in gesprek gaat. Waar ziet de medewerking precies op en wat kan de aanvrager daarin bieden? Dit is in lijn met het uitgangspunt dat een aanvrager zelf regie moet kunnen voeren en de brede ondersteuning ruimhartig is en geen onnodige drempels opwerpt. Het moet voor het college aannemelijk zijn dat een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Voor het inzicht in de financiële draagkracht hoeft het overleggen van salarisspecificaties of bankafschriften van de afgelopen maanden bijvoorbeeld niet noodzakelijk te zijn, gedacht kan ook worden aan het in kaart brengen van de inkomsten en uitgaven en het voeren van een gesprek hierover als de aanvrager dat prettiger vindt.

Als de aanvrager niet op het verzoek van het college ingaat om medewerking te verlenen, dan is het aan het college om te beoordelen of dit betekent dat er onvoldoende informatie voorhanden is om te bepalen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Als dat zo is, dan kan het college besluiten een voorziening niet toe te kennen. Zie hiervoor de weigeringsgronden in artikel 16.

Artikel 16. Weigeren voorzieningen

Het college kan besluiten een door de aanvrager gevraagde voorziening te weigeren. Bijvoorbeeld als het om een voorziening met terugwerkende kracht gaat of de voorziening niet aan de vereisten voldoet. Het college onderbouwt de weigering in een beschikking. Tegen die beschikking staat bezwaar en beroep open.

Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning

De brede ondersteuning wordt in de eerste plaats op grond van artikel 2.21, lid 4b, van de Wht beëindigd als de aanvrager een nieuwe start heeft kunnen maken. Verder eindigt de brede ondersteuning op grond van diezelfde bepaling uiterlijk twee jaar nadat het eerste gesprek is gevoerd. Toegekende voorzieningen kunnen na de deze periode nog wel doorlopen indien dat nodig is. Daarnaast eindigt de brede ondersteuning op grond van artikel 2.21, zesde lid, van de Wht als de aanvraag tot toekenning van een herstelmaatregel wordt afgewezen. Dit binnen een termijn van 30 dagen nadat de Dienst Toeslagen het college heeft geïnformeerd dat een afwijzende beschikking is gegeven. Het indienen van bezwaar bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) tegen de afwijzende beschikking schort de beëindiging van de brede ondersteuning niet op.

In aanvulling hierop heeft de aanvrager op grond van de beleidsregels de mogelijkheid om de brede ondersteuning zelf te beëindigen. De aanvrager kan het college daarom verzoeken. Tot slot kan de brede ondersteuning in uitzonderlijke gevallen eindigen als de aanvrager daar niet binnen een redelijke termijn gebruik van heeft gemaakt, of hier geen gebruik heeft gemaakt zoals overeengekomen in het plan van aanpak en ook niet heeft gereageerd op een oproep van het college om alsnog gebruik te maken van de brede ondersteuning. Voordat het college een beëindigingsbeschikking stuurt, nodigt het college de aanvrager uit om de actuele situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden te bespreken om te zien wat de effecten van de brede ondersteuning zijn en of aanvullende reguliere ondersteuning nodig is waar het plan van aanpak niet in voorziet.

Artikel 18. Overdracht van hulpverlening naar regulier

Het is mogelijk dat, ondanks de brede ondersteuning, de persoonlijke doelstellingen uit het plan van aanpak niet zijn bereikt en de aanvrager na beëindiging van de brede ondersteuning binnen de vijf leefgebieden nog steeds problemen ervaart, terwijl het plan van aanpak niet in een overgang naar reguliere ondersteuning voorziet. Te denken valt aan ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In dat geval is in dit artikel vastgelegd dat het college zorgt voor een warme overdracht naar deze reguliere ondersteuning. Een warme overdracht betekent in ieder geval dat er vanuit de brede ondersteuning direct contact wordt gelegd met de afdeling of organisatie die de benodigde (reguliere) ondersteuning biedt, dat de situatie wordt uitgelegd en dat de hulpvraag wordt toegelicht.

Artikel 19. Hardheidsclausule

Artikel 9.1, tweede lid, onder d, van de Wht bepaalt dat het college, ook wanneer er sprake is van brede ondersteuning, gebruik kan maken van een hardheidsclausule. Dit houdt in dat het college de bevoegdheid heeft om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels die op grond de Wht gelden. Zo’n afwijking is toegestaan wanneer toepassing van de regels, gelet op de belangen die de regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

Deze mogelijkheid geldt ook voor de toepassing van de beleidsregels. Indien het college gebruik maakt van de hardheidsclausule, motiveert het college de afwijking, zodat inzichtelijk is waarom van het geldende beleid of de beleidsregel is afgeweken.