Verordening reinigingsheffingen Weert 2026

Geldend van 20-12-2025 t/m heden

Intitulé

Verordening reinigingsheffingen Weert 2026

De raad van de gemeente Weert;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders

van 11 november 2025;

gelet op de artikelen 229, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, van de Gemeentewet en artikel 15.33 van de Wet milieubeheer;

Besluit

vast te stellen de

Verordening reinigingsheffingen Weert 2026

Hoofdstuk I Algemene bepalingen

Artikel 1. Inleidende bepalingen

Krachtens deze verordening worden geheven:

  • a.

    een afvalstoffenheffing;

  • b.

    een reinigingsrecht.

Artikel 2. Definities

Deze verordening verstaat onder:

  • a.

    gebruikmaken: gebruikmaken in de zin van artikel 15:33 van de Wet milieubeheer;

  • b.

    bedrijfsafval: afvalstoffen, met uitzondering van autowrakken, afkomstig van bedrijven en instellingen die:

    • 1.

      vergelijkbaar zijn met afvalstoffen, die regelmatig in particuliere huishoudens kunnen vrijkomen;

    • 2.

      door of vanwege de gemeente tezamen met het huishoudelijk afval worden

      Ingezameld;

  • c.

    gezamenlijke afvalinzameling: een inzamelvoorziening voor huishoudelijk afval die door verschillende percelen wordt gebruikt voor het wekelijks ophalen van afval, omdat geen individuele containers in bruikleen zijn gegeven aan een van de desbetreffende percelen.

Hoofdstuk II - Afvalstoffenheffing

Artikel 3. Aard van de belasting

  • 1. Onder de naam "afvalstoffenheffing" wordt een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet Milieubeheer.

  • 2. De afvalstoffenheffing als bedoeld in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel wordt naar afzonderlijke grondslagen geheven ter zake van het gebruikmaken van een perceel ten aanzien waarvan krachtens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet Milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, dan wel het aanbieden van afvalstoffen bij de Milieustraat als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel behorende bij deze verordening.

Artikel 4. Voorwerp van de belasting

  • 1. Voorwerp van de belasting is een perceel.

  • 2. Als perceel wordt aangemerkt:

    • a.

      de onroerende zaak, bedoeld in artikel 16, onder a, c, d en f, van de Wet waardering onroerende zaken;

    • b.

      de roerende zaak, welke duurzaam aan een plaats gebonden is;

    • c.

      een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt;

    • d.

      een samenstel van twee of meer in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten daarvan die bij dezelfde belastingplichtige in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren.

    • e.

      het binnen de gemeente gelegen deel van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoeld gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.

Artikel 5. Belastingplicht

  • 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel wordt geheven van degene die al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikmaakt van een perceel.

  • 2. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 3 van de tarieventabel voor het achterlaten van afvalstoffen als bedoeld in artikel 10.21 of 10.22 van de Wet Milieubeheer aan de Milieustraat wordt geheven van degene die deze afvalstoffen achterlaat.

Artikel 6. Maatstaf van heffing en belastingtarief

De belasting wordt geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende Tarieventabel reinigingsheffingen 2026 die hier als volledig ingelast moet worden beschouwd.

Artikel 7. Belastingjaar

  • 1. Met betrekking tot de belasting die per jaar wordt geheven is het belastingjaar gelijk aan het kalenderjaar.

  • 2. Voor de overige belastbare feiten, vermeld in hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel, vindt de heffing afzonderlijk per individueel belastbaar feit plaats.

Artikel 8. Wijze van heffing

  • 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1. tot en met 1.2.4 , van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt bij wege van aanslag geheven.

  • 2. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.2.5 en 1.3, en hoofdstuk 3 van de bij deze verordening behorende tarieventabel wordt geheven door middel van een mondelinge of gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Het gevorderde bedrag wordt mondeling, dan wel door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1 tot en met 1.2.4, van de bij deze verordening behorende tarieventabel is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar na het einde van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4. De belasting als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdeel 1.3, en in hoofdstuk 3 van de bij deze verordening bedoelde tarieventabel is verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening.

  • 5. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

  • 6. Voor de beoordeling van de vraag tot welke tariefgroep een belastingplichtige behoort geldt als peildatum 1 januari van het belastingjaar voor het gehele belastingjaar. Indien de belastingplicht aanvangt in de loop van het belastingjaar geldt als peildatum voor het resterend deel van het belastingjaar het tijdstip van aanvang van de belastingplicht.

  • 7. Voor de belastingbedragen als bedoeld in hoofdstuk 1 van de tarieventabel geldt dat belastingbedragen van minder dan € 5,00 niet worden geheven.

  • 8. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 10. Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag voor de belasting, als bedoeld in hoofdstuk 1, onderdelen 1.1 tot en met 1.2.4, van de tarieventabel, worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt.

  • 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW).

  • 4. De belasting bedoeld in hoofdstuk 1, onderdeel 1.3, en in hoofdstuk 3 van de tarieventabel moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 8, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.

  • 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Hoofdstuk III - Reinigingsrechten

Artikel 11. Belastbaar feit

Onder de naam "reinigingsrechten" worden rechten geheven zowel voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten als voor het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen, die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.

Artikel 12. Belastingplicht

De rechten worden geheven van degene op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene, die van de bezittingen, werken of inrichtingen gebruik maakt.

Artikel 13. Maatstaf van heffing en tarief

De rechten worden geheven naar de maatstaven en de tarieven opgenomen in de bij deze verordening behorende Tarieventabel reinigingsheffingen 2026 die hier als volledig ingelast moet worden beschouwd.

Artikel 14. Belastingjaar

Met betrekking tot de reinigingsrechten die per jaar worden geheven is het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 15. Wijze van heffing

  • 1. De rechten bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1. tot en met 2.3, worden bij wege van aanslag geheven.

  • 2. Het recht bedoeld in hoofdstuk 2, onderdeel 2.4, van de tarieventabel wordt geheven door middel van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving waarop het gevorderde bedrag is vermeld. Het gevorderde bedrag wordt door toezending of uitreiking van de schriftelijke kennisgeving aan de belastingschuldige bekendgemaakt.

Artikel 16. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1. De rechten bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1 tot en met 2.3, van de tarieventabel zijn verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, zijn de rechten verschuldigd voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar na de aanvang van de belastingplicht nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 3. Indien de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde rechten als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

  • 4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing, indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en weer gebruik maakt van de dienst.

  • 5. Het recht als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdeel 2.4, van de bij deze verordening bedoelde tarieventabel is verschuldigd bij aanvang van de dienstverlening.

  • 6. Belastingbedragen van minder dan € 5,00 worden niet geheven.

  • 7. Voor de toepassing van het vorige lid wordt het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 17. Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag als bedoeld in hoofdstuk 2, onderdelen 2.1 tot en met 2.3, van de tarieventabel worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van een of meerdere op een aanslagbiljet vermelde aanslagen niet hoger is dan € 20.000,00 en zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische incasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste vier en ten hoogste tien bedraagt.

  • 3. Betaling van de termijnen zoals bedoeld in de leden 1 en 2 is mogelijk via automatische incasso, mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de Uitvoeringsregeling automatische incasso van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen (BsGW).

  • 4. Het recht bedoeld in hoofdstuk 2, onderdeel 2.4, van de tarieventabel moet worden betaald ingeval de kennisgeving bedoeld in artikel 15, tweede lid:

    • a.

      mondeling wordt gedaan, op het moment van het doen van de kennisgeving;

    • b.

      schriftelijk wordt gedaan, op het moment van het uitreiken van de kennisgeving.

  • 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Hoofdstuk IV Inwerkingtreding

Artikel 17. Overgangsbepaling, inwerkingtreding, ingang van heffing en citeertitel

  • 1. De "Verordening reinigingsheffingen gemeente Weert 2025", vastgesteld door de raad der gemeente Weert in de openbare vergadering van 18 december 2024, wordt ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de belastbare feiten, die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na de bekendmaking.

  • 3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

  • 4. Deze verordening kan worden aangehaald als de Verordening reinigingsheffingen gemeente Weert 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 16 december 2025,

de raadsgriffier,

mr. M.H.R.M. Wolfs-Corten

de raadsvoorzitter,

mr. R.J.H. Vlecken

Bijlage Tarieventabel reinigingsheffingen 2026 behorende bij de Verordening reinigingsheffingen Weert 2026

Hoofdstuk 1 - Maatstaven en tarieven afvalstoffenheffing 2026

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:

2025

2026

1.1        

De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar

€ 257,52

€ 261,12

1.2        

De belasting als bedoeld in onderdeel 1.1. wordt

1.2.1     

indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of,

indien de belastingplicht later aanvangt, bij de aanvang van de

belastingplicht wordt gebruikt door één persoon, vermeerderd

tot:

€ 303,12

€ 307,32

1.2.2

indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien

de belastingplicht later aanvangt, bij de aanvang van de

belastingplicht wordt gebruikt door twee personen, vermeerderd

tot:

€ 331,68

€ 336,24

1.2.3

indien het perceel op 1 januari van het belastingjaar of, indien

de belastingplicht later aanvangt, bij de aanvang van de

belastingplicht wordt gebruikt door drie of meer personen,

vermeerderd tot:

€ 362,88

€ 367,92

1.2.4     

de belasting als bedoeld in onderdeel 1.1 en 1.2 wordt

vermeerderd voor het op 1 januari van het belastingjaar in bruikleen

hebben, of indien het in bruikleen hebben op een later tijdstip

aanvangt van een extra duobak, per belastingjaar

€ 139,80

€ 141,72

1.2.5     

voor een door de gemeente verstrekte pas die toegang geeft

tot een gezamenlijke afvalinzameling zijn de artikelen 1.1 tot en met

1.2.3 van overeenkomstige toepassing.

1.3

Omwisselen container

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk I bedraagt de belasting

voor het op aanvraag omwisselen van een container

per keer, per container

€ 50,90

€ 50,90

Hoofdstuk 2 - Maatstaven en tarieven reinigingsrechten 2026

De reinigingsrechten bedragen per jaar bij inzameling van bedrijfsafval;

Algemeen

De bedragen genoemd in deze tabel zijn inclusief 21% omzetbelasting.

2025

2026

2.1.

in een door of vanwege de gemeente geleverde

duobak, ongeacht de grootte van de duobak

€ 579,24

€ 594,30

Dit bedrag is inclusief BTW.

2.2

de belasting als bedoeld in onderdeel 2.1 wordt vermeerderd voor

het op 1 januari van het belastingjaar, of indien de belasting-

plichtige later aanvangt bij aanvang van de belastingplicht, in

bruikleen hebben van een extra duobak;

per belastingjaar per extra duobak

€ 339,60

€ 348,40

Dit bedrag is inclusief BTW.

2.3

voor een door de gemeente verstrekte pas die toegang geeft tot

een gezamenlijke afvalinzameling,

per belastingjaar per pas

€ 758,20

€ 777,90

Dit bedrag is inclusief BTW.

2.4

Omwisselen container

Onverminderd het bepaalde in hoofdstuk II bedraagt de belasting

voor het op aanvraag omwisselen van een container;

per keer, per container

€ 61,50

€ 63,00

Dit bedrag is inclusief BTW.

Hoofdstuk 3 - Milieustraat

Weerterlandpas

De Weerterlandpas is voor inwoners van de gemeenten Nederweert en Weert. Met deze pas kan men afval naar de Milieustraat brengen. Elk jaar krijgt een inwoner van de gemeente Weert 6 knippen per huishouden. Hiermee kan afval naar de Milieustraat worden gebracht. Met elke knip kan men 1 m3 afval wegbrengen. De knippen gelden voor het kalenderjaar waarin deze verstrekt zijn.

Op de Milieustraat kan men extra knippen kopen voor € 20,- per knip.

Toegangstarieven en maatstaven

Afvalfractie

Kwantum (per bezoek aan de milieustraat wordt maximaal 2m3 toegelaten

Aantal knippen per bezoek

Tarief

1.Accu´s

Onbeperkt

0

Kosteloos

2.Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (AEEA)

Onbeperkt

0

Kosteloos

3.Afgedankteherbruikbare huisraad (Kringloopgoederen)

Onbeperkt

0

Kosteloos

4.Autoband

Onbeperkt

0

Kosteloos

5.Oud papier en karton (OPK)

Onbeperkt

0

Kosteloos

6.Metalen verpakkingen (blik)

Onbeperkt

0

Kosteloos

7.Metalen overig (oud ijzer)

Onbeperkt

0

Kosteloos

8.Kleding en schoeisel (textiel)

Onbeperkt

0

Kosteloos

9.Kunststof flacons en flessen (KFF)

Onbeperkt

0

Kosteloos

10.Klein Chemisch Afval (KCA)

Onbeperkt

0

Kosteloos

11.Olie mineraal

Onbeperkt

0

Kosteloos

12.Olie plantaardig

Onbeperkt

0

Kosteloos

13.Verpakkingsglas

Onbeperkt

0

Kosteloos

14.Vlakglas

Onbeperkt

0

Kosteloos

15a.Snoeiafval (grof tuinafval)

6 maal per jaar 1m3

1

16a.Verduurzaamd hout, bijv. gewolmaniseerd of gecreotiseerd (C-hout)

1

17a.Overig hout, evt. met verfresten en ijzerbeslag (A/B-hout)

1

18a.Kunststof grof

1

19a.Vloerbedekking

1

20a.Asbest

1

21a.Asfalt niet-teerhoudend

1

22a.Asfalt teerhoudend

1

23a,Dakbedekking (ook bitumen)

1

24a.Gips (o.a. plaatmateriaal)

1

25a.Grond verdachte herkomst

1

26a.Grond onverdachte herkomst

1

27a.Puin van baksteen of beton (hard)

1

28a.Puin van gips of gasbeton (zacht)

1

29a.Gas- of zuurstofhoudende fles

1

30a.Overmaatse autoband (vanaf 17,5 inch

1

31a.(ongescheiden) grof restafval

1

15b.Snoeiafval (grof tuinafval)

1

16b.Verduurzaamd hout, bijv. gewolmaniseerd of gecreotiseerd (C-hout)

1

17b. Overig hout, evt. met verfresten en ijzerbeslag (A/B hout)

1

18b.Kunststof grof

1

19b.Vloerbedekking

1

20b.Asbest

1

21b.Asfalt niet-teerhoudend

1

22b.Asfalt teerhoudend

1

23b.Dakbedekking (ook bitumen)

1

24b.Gips (o.a. plaatmateriaal)

1

25b.Grond verdachte herkomst

1

26b.Grond onverdachte herkomst

1

27b.Puin van baksteen of beton (hard)

1

28b.Puin van gips of gasbeton (zacht)

1

29b.Gas- of zuurstofhoudende fles

1

30b.Overmaatse autoband (vanaf 17,5 inch)

1

31b.(ongescheiden) Grof restafval

1

Behoort bij het raadsbesluit vaststelling verordening reinigingsheffingen gemeente Weert 2026 van 16 december 2025,

De raadsgriffier,

mr. M.H.R.M. Wolfs-Corten