Gedragscode integriteit voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur waterschap Hunze en Aa’s 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Gedragscode integriteit voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur waterschap Hunze en Aa’s 2026

Het algemeen bestuur van het waterschap Hunze en Aa’s;

Gelet op de artikelen 33, derde lid, en 45 van de Waterschapswet;

Gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 11 november 2025;

BESLUIT:

Voor de voorzitter, de overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur van het waterschap de navolgende gedragscode integriteit vast te stellen:

Gedragscode integriteit voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur waterschap Hunze en Aa’s 2026.

Inleiding

Goed bestuur is integer bestuur. Daarmee is integriteit niet alleen een verantwoordelijkheid van de individuele politieke ambtsdragers, maar een gezamenlijk belang dat de hele organisatie en het hele bestuur in al zijn geledingen aangaat. De gedragscode richt zich daarom zowel tot de individuele politieke ambtsdragers als tot de bestuursorganen. Ons democratische systeem en de democratische processen kunnen niet zonder integer functionerende organen en functionarissen. Integriteit van politieke ambtsdragers verwijst naar de zorgvuldigheid die politieke ambtsdragers moeten betrachten bij het invullen van hun rol in de democratische rechtsstaat. Dat betekent de verantwoordelijkheid nemen die met de functie samenhangt en bereid zijn verantwoording af te leggen, aan collega-bestuurders en/of (leden van) de volksvertegenwoordiging maar bovenal aan de burger. In de democratische rechtsstaat dient een ieder zich te houden aan de wetten en regels die op democratische wijze zijn vastgesteld. Dat geldt zeker voor de politieke ambtsdragers die (mede) verantwoordelijk zijn voor de totstandkoming van die wetten en regels. Deze plicht is voor de politieke ambtsdrager neergelegd in de eed of belofte die de politieke ambtsdrager bij de ambtsaanvaarding aflegt: hij/zij zweert/belooft getrouw te zullen zijn aan de Grondwet, de wetten te zullen nakomen en zijn/haar plichten die uit het politieke ambt voortvloeien naar eer en geweten te zullen vervullen.

De volksvertegenwoordiging stelt zowel voor de eigen leden als voor de dagelijkse bestuurders (voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur) een gedragscode vast. Dat is zo vastgelegd in de Waterschapswet. De gedragscode is een richtsnoer voor het handelen van individuele politieke ambtsdragers en heeft tot doel hen te ondersteunen bij de invulling van hun verantwoordelijkheid voor de integriteit van het openbaar bestuur.

Het rechtskarakter van de gedragscode is dat van een interne regeling, als nadere invulling en concretisering van de wettelijke regels. De gedragscode bevat in aanvulling op wettelijke regels gedragsnormen en regels over procedures die de transparantie van het handelen van politieke ambtsdragers evenals van de besluitvorming over en de naleving van de normen vergroten. Zij vormt een beoordelingskader en leidraad bij twijfel, vragen en discussies.

Het voorschrijven van een gedragsregel die afwijkt of verder gaat dan een dwingendrechtelijke wettelijke regeling is niet mogelijk. Nemen waterschappen contra-legem constructies op in de gedrags¬code dan kunnen die gemakkelijk weer zelf aanleiding zijn voor integriteitsproblemen. Een gedragscode heeft dus niet de juridische status van een algemeen verbindend voorschrift zoals een waterschapsverordening waaruit rechten en verplichtingen voortvloeien. Er is sprake van zelfbinding. De regels worden in gezamenlijk debat vastgesteld door de politieke ambtsdragers zelf. In dit licht moeten de regels in de code worden gezien. Dat maakt de gedragscode evenwel niet vrijblijvend. De bestuurders en volksvertegenwoordigers kunnen daarop worden aangesproken en zij dienen zich over de naleving ervan te verantwoorden. Het niet naleven van de gedragscode kan dus wel onderdeel worden van politiek debat en kan ook politieke gevolgen hebben. De gedragscodes bieden politieke ambtsdragers een handvat om andere politieke ambtsdragers aan te spreken op hun gedrag en hieruit wellicht (politieke) consequenties te trekken.

Integriteit is een thema dat betekenis krijgt in het handelen. Een integriteitsbeleid dat alleen op papier bestaat is slechts een dode letter. Daarom moet het handelen van politieke ambtsdragers regelmatig onderwerp van gesprek zijn, juist ook onderling, en ook daarbij geeft de gedragscode ondersteuning. De code en de voorgestelde registraties zijn instrumenten. Integriteit is uiteindelijk niet in regels te vangen.

Politieke ambtsdragers hebben een voorbeeldfunctie. Een politiek ambt wordt verricht in een glazen huis. Een bestuurder gedraagt zich zoals een goed ambtsdrager betaamt. Een politieke ambtsdrager onthoudt zich van gedragingen die de goede uitoefening of het aanzien van het ambt of het openbaar bestuur schaden. Een politiek ambt gewetensvol vervullen gebeurt in de dagelijkse praktijk en strekt zich ook uit tot de privésfeer. In de huidige digitale wereld is zeker sprake van een dunne scheidslijn tussen werk en privé. Daarom is het in ieder geval het downloaden van illegale software, het bekijken, downloaden of verspreiden van pornografische, racistische, discriminerende, beledigende, aanstootgevende of (seksueel) intimiderende teksten en afbeeldingen, of het versturen van berichten die (kunnen) aanzetten tot haat en/of geweld uit den boze.

Integriteit is niet alleen een kwestie van regels, maar ziet ook op de onderlinge omgangsvormen. Een respectvolle omgang, met burgers en organisaties, tussen politieke ambtsdragers onderling en tussen politieke ambtsdragers en medewerkers, met behoud van eigen politieke inhoud en stijl, is van belang. In de omgang met burgers, ambtenaren, externe partijen en andere politieke ambtsdragers wordt van een politieke ambtsdrager correct, fatsoenlijk, en respectvol gedrag verwacht dat vrij is van ongewenste omgangsvormen en grensoverschrijdend en (seksueel) intimiderend gedrag zoals hinderlijk gedrag, intimidatie, dubbelzinnige opmerkingen, handtastelijkheden, agressie, pesten en discriminatie.

Politieke ambtsdragers opereren vaak in diverse (boven)lokale netwerken. Deze netwerken dragen bij aan het geworteld zijn van de politieke ambtsdrager. Tegelijkertijd ontstaat hierdoor het risico dat politieke ambtsdragers vanuit het gevoel van sympathie en loyaliteit, de belangen van de eigen netwerken vooropstellen ten koste van het algemeen belang. De schijn van oneigenlijke beïnvloeding kan snel gewekt zijn. Dit maakt duidelijk dat het nadenken over de eigen integriteit verder gaat dan het beoordelen van individuele handelingen. Het vraagt ook dat politieke ambtsdragers zich bewust zijn dat zij altijd verbonden zijn met professionele en persoonlijke netwerken. En dat deze netwerken ‘onbewust’ een invloed kunnen hebben op de keuzes en acties van de politieke ambtsdrager, die mogelijk tot een schending leiden. Dit risico van ‘netwerkcorruptie’ kan de integriteit en de kwaliteit van het lokaal bestuur onder druk zetten.

1. Algemene bepalingen

1.1

De gedragscode geldt voor de voorzitter voor de leden van het dagelijks en algemeen bestuur van het Waterschap, maar richt zich ook tot de bestuursorganen.

1.2

De gedragscode is openbaar en via de website van het waterschap beschikbaar.

Toelichting

Het algemeen bestuur stelt een gedragscode vast voor hun leden, de voorzitter en de overige leden van het dagelijks bestuur (artikelen 33, derde lid en 45 Waterschapswet).

2. Voorkomen van belangenverstrengeling

2.1

  • 1. De voorzitter, de leden van het dagelijks en algemeen bestuur leveren de secretaris-directeur de informatie aan over de nevenfuncties die openbaar gemaakt moeten worden, bij aanvang van het ambt of bij aanvang van het lidmaatschap van het algemeen bestuur, dan wel binnen één maand na aanvaarding van de nevenfunctie en geeft hem de wijzigingen daarin door.

  • 2. De informatie die de voorzitter aanlevert betreft in ieder geval de omschrijving van de nevenfunctie, de organisatie voor wie de nevenfunctie wordt verricht, of het al dan niet een nevenfunctie uit hoofde van het ambt betreft, wat het (verwachte) tijdsbeslag is en wat de inkomsten daaruit zijn.

  • 3. De informatie die de leden van het dagelijks bestuur aanleveren betreft in ieder geval de omschrijving van de nevenfunctie, de organisatie voor wie de nevenfunctie wordt verricht, of het al dan niet een nevenfunctie uit hoofde van het ambt betreft, wat het (verwacht) tijdsbeslag is, of de nevenfunctie bezoldigd of onbezoldigd is, dan wel -voor zover die openbaar gemaakt moeten worden- wat de inkomsten -daaruit zijn.

  • 4. De informatie die de leden van het algemeen bestuur aanleveren betreft in ieder geval omschrijving van de (neven)functie, de organisatie voor wie de (neven)functie wordt verricht, of het al dan niet een nevenfunctie betreft uit hoofde van het lidmaatschap van het algemeen bestuur en of de neven functie bezoldigd of onbezoldigd is.

  • 5. De secretaris-directeur legt hiervoor een register aan en beheert dit register. Het register is openbaar en via de website van het waterschap beschikbaar. Hiertoe wordt jaarlijks door bestuursondersteuning een uitvraag op actualiteit gedaan.

2.2

  • 1. De voorzitter en de leden van het dagelijks bestuur handelen in de uitoefening van hun ambt niet zodanig dat zij vooruitlopen op een functie na aftreden.

  • 2. Een lid van het dagelijks bestuur bespreekt het voornemen tot tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de voorzitter.

  • 3. De voorzitter bespreekt de tussentijdse aanvaarding van een functie na aftreden met de commissaris van de Koning.

2.3

  • 1. Het dagelijks bestuur sluit de voorzitter en leden van het dagelijks bestuur gedurende twee jaren na aftreden uit van het tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het waterschap.

  • 2. De uitsluiting geldt niet bij aanvaarding van een dienstbetrekking bij het waterschap waar hij voorzitter, dan wel lid van het dagelijks en algemeen bestuur was. Voor werving, selectie en indiensttreding bij het waterschap zijn de voor het ambtelijk personeel geldende regels ter zake van overeenkomstige toepassing.

  • 3. Het dagelijks bestuur vraagt meerdere offertes aan als bij een offerteaanvraag voor werkzaamheden voor het waterschap waar ook oud-bestuurders zijn betrokken.

  • 4. Het dagelijks bestuur stelt een afwegingskader op voor selectie en benoemingen van externen en informeren het algemeen bestuur regelmatig over de toepassing in de praktijk.

2.4

  • 1. Het dagelijks bestuur draagt de voorzitter en lid van het dagelijks bestuur niet eerder dan een jaar na aftreden voor als kandidaat voor benoeming tot commissaris dan wel bestuurslid van een verbonden partij.

  • 2. Onder verbonden partij wordt verstaan hetgeen hieronder wordt verstaan in het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en in artikel 4.1 van het Waterschapsbesluit.

Toelichting

Afleggen eed of belofte (artikelen 45 en 50 Waterschapswet)

Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen legt de voorzitter het lid van het dagelijks en het algemeen bestuur de volgende eed (verklaring en belofte) af: Ik zweer (verklaar) dat ik om tot het ambt benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer(beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten uit het ambt naar eer en geweten zal vervullen.

  • Een bestuurder neemt niet deel aan de stemming over

    • een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

    • de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij hoort (artikel 45 jo artikel 38a Waterschapswet)

  • Het bestuursorgaan waakt ertegen dat tot het bestuursorgaan behorende of daarvoor werkzame personen die een persoonlijk belang bij een besluit hebben, de besluitvorming beïnvloeden (artikel 2:4, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht).

Incompatibiliteiten en nevenfuncties:

  • Verboden overeenkomsten/handelingen: bestuurders mogen in geschillen, waar het waterschaps-(bestuur) partij is, niet als advocaat, adviseur of gemachtigde werkzaam zijn. Zij mogen bepaalde overeenkomsten, waar het waterschap bij betrokken is, niet rechtstreeks of middellijk aangaan. Van verboden overeenkomsten kan ontheffing worden verleend.

  • (artikelen 45 en 47, derde lid, jo artikel 33, eerste en tweede lid, Waterschapswet).

  • Onverenigbaarheid van functies: het zijn van een bestuurder sluit het hebben van een aantal andere functies uit (artikel 45 jo artikel 31, tweede lid, en artikel 47, eerste lid, Waterschapswet).

  • Op overtreding van de incompatibiliteitenregeling staat uiteindelijk de sanctie van ontslag (artikel 45 jo artikelen 31, derde lid, en 33, vierde lid, Waterschapswet)

  • Vervulling nevenfuncties: voor bestuurders is bepaald dat zij geen nevenfuncties hebben die ongewenst zijn met het oog op een goede vervulling van hun ambt. Voor voorzitters is daaraan toegevoegd dat zij evenmin nevenfuncties hebben die ongewenst zijn met het oog op de handhaving van hun onpartijdigheid en onafhankelijkheid of van het vertrouwen daarin. Voorzitter en leden van het dagelijks bestuur melden het voornemen tot aanvaarding van de nevenfunctie bij het algemeen bestuur (artikel 44k, lid 2 Waterschapswet).

Voor de voorzitter geldt deze meldverplichting niet voor ambtshalve nevenfuncties (artikel 48, lid 2 Waterschapswet)

  • Openbaarmaking nevenfuncties: bestuurders maken openbaar welke nevenfuncties zij vervullen. Voor de voorzitter zijn ambtshalve nevenfuncties daarvan uitgezonderd. De lijst met nevenfuncties ligt ter inzage op het waterschaphuis en is via de website van het waterschap beschikbaar (artikelen 44k, lid 3 en 48 lid 3 Waterschapswet).

2.1.

Zoals uit het opgenomen wettelijk kader blijkt zijn er enkele verschillen in de wetgeving ten aanzien van de openbaarmaking van (inkomsten uit) nevenfuncties tussen voorzitters enerzijds en overige leden van het dagelijks bestuur anderzijds. De nadere invulling daarvan in 2.1.is in lijn hiermee dan ook niet exact gelijk.

De bepalingen betreffen een uitwerking van de wettelijke verplichting om nevenfuncties openbaar te maken. De informatie wordt neergelegd in een openbaar register. De ambtsdrager is zelf verantwoordelijk voor de tijdige aanlevering van de informatie en voor de actualiteit daarvan.

Hoewel aan het ambt gerelateerde nevenfuncties (q.q.-functies) wettelijk niet openbaar gemaakt hoeven te worden, verdient het aanbeveling deze wel op te nemen in het overzicht van nevenfuncties.

2.3 en 2.4

In deze bepalingen is de zogenaamde draaideurconstructie geregeld. In 2.3 eerste lid is gedurende 2 jaren na aftreden de uitsluiting geregeld van betaalde werkzaamheden ten behoeve van het waterschap en in 2.4 de uitsluiting van benoeming als commissaris of bestuurslid van een ‘verbonden partij’, ofwel, kort samengevat, van een organisatie waarin het waterschap een bestuurlijk en financieel belang heeft. Het begrip ‘verbonden partij’ is ontleend aan het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. Daarin staat dat een verbonden partij een privaatrechtelijk of publiekrechtelijke organisatie is waarin de provincie of gemeente een bestuurlijk en een financieel belang heeft. En onder bestuurlijk belang wordt verstaan: zeggenschap, hetzij uit hoofde van vertegenwoordiging in het bestuur hetzij uit hoofde van stemrecht.

Een financieel belang wordt gedefinieerd als een aan de betrokken organisatie ter beschikking gesteld bedrag dat niet verhaalbaar is indien die organisatie failliet gaat, dan wel het bedrag waarvoor aansprakelijkheid bestaat, indien de organisatie haar verplichtingen niet nakomt. Hiermee wordt mogelijke vriendjespolitiek voorkomen en het risico op verstrengeling van persoonlijke en functionele belangen vermeden.

Voorzichtigheid is geboden bij het werven van oud-bestuurders/ bevriende relaties. Aanvaarding van een dienstbetrekking bij het voormalige waterschap, is niet uitgesloten. Dat kan van belang zijn in het kader van de re-integratie van de voormalige bestuurder en ter voorkoming van uitkeringslasten voor het waterschap. Uiteraard dienen daarbij de regels van werving en selectie en aanstelling te gelden die er voor iedereen zijn die bij het waterschap gaat solliciteren.

In de twee jaren na aftreden kunnen in elk geval oud-bestuurders en leden van het algemeen bestuur niet worden aangetrokken om tegen beloning activiteiten voor het waterschap te verrichten.

Na twee jaar verdient het aanbeveling om bij opdrachtverlening de gebruikelijke aanbestedingsvereisten met meerdere offertes te hanteren als een voormalige bestuurder of een relatie van de huidige bestuurders meedingt naar een opdracht.

Het bepaalde in 2.2, eerste lid, (vooruitlopen op een nieuwe functie na aftreden) geldt uiteraard evenzeer voor een functie bij het voormalige waterschap.

3. Informatie

3.1

De voorzitter respectievelijk het lid van het dagelijks en algemeen bestuur zorgt ervoor dat vertrouwelijke en geheime informatie waarover hij beschikt veilig wordt bewaard.

3.2

De voorzitter respectievelijk het lid van het dagelijks en algemeen bestuur maakt niet ten eigen bate of ten bate van derden gebruik van in de uitoefening van het ambt verkregen (nog) niet openbare informatie.

Toelichting

Informatieplicht

Het dagelijks bestuur van het waterschap en elk van zijn leden zijn verplicht alle inlichtingen te geven die de volksvertegenwoordiging nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak. Het betreft zowel een actieve als een passieve informatieplicht. Ook als individuele volksvertegenwoordigers informatie vragen zal die informatie aan de volksvertegenwoordiging moeten worden verstrekt. De informatie kan alleen worden geweigerd als die in strijd is met het openbaar belang (artikelen 89 en artikel 97 Waterschapswet).

Geheimhouding

  • Een ieder die is betrokken bij de uitvoering van de taak van een bestuursorgaan en daarbij de beschikking krijgt over gegevens waarvan hij het vertrouwelijke karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden, en voor wie niet reeds uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift ter zake van die gegevens een geheimhoudingsplicht geldt, is verplicht tot geheimhouding van die gegevens, behoudens voor zover enig wettelijk voorschrift hem tot mededeling verplicht of uit zijn taak de noodzaak tot mededeling voortvloeit (artikel 2:5 Algemene wet bestuursrecht).

  • Het dagelijks bestuur kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, geheimhouding opleggen. Ook de voorzitter heeft die bevoegdheid.

  • De voorzitter en het algemeen bestuur kunnen geheimhouding opleggen (artikelen 55b, 55c en 55d Waterschapswet).

  • De geheimhouding duurt voort totdat deze wordt opgeheven door het orgaan dat de geheimhouding oplegde, of – indien het aan de volksvertegenwoordiging is overgelegd – de volksvertegenwoordiging de geheimhouding opheft.

  • Het schenden van de geheimhoudingsplicht is een misdrijf (artikel 272 Wetboek van Strafrecht).

3.1

Het is belangrijk de juiste maatregelen te treffen om te voorkomen dat onbevoegden vertrouwelijke en/of geheime gegevens kunnen bezitten, raadplegen of beschadigen. Daarbij moet in de digitale setting worden gedacht aan de beveiliging van de computer, smartphones e.d. met wachtwoorden en het niet onbeheerd achterlaten van USB-sticks met vertrouwelijke/geheime informatie.

4. Geschenken, faciliteiten, diensten, excursies, evenementen en andere uitnodigingen

4.1

  • 1. Een voorzitter, een lid van het dagelijks en algemeen bestuur accepteert en biedt geen geschenken, faciliteiten en diensten aan als zijn onafhankelijke positie hierdoor kan worden beïnvloed.

  • 2. De voorzitter, een lid van het dagelijks en algemeen bestuur kan, tenzij het eerste lid van toepassing is, incidentele geschenken die een geschatte waarde van € 50 of minder vertegenwoordigen, behouden.

  • 3. Geschenken die de voorzitter, het lid van het dagelijks en algemeen bestuur uit hoofde van zijn ambt ontvangt en die een geschatte waarde van meer dan € 50 vertegenwoordigen worden, indien zij niet worden teruggestuurd, geregistreerd en eigendom van het waterschap.

  • 4. De voorzitter, het lid van het dagelijks en algemeen bestuur ontvangt geen geschenken op het woon/huisadres.

4.2

  • 1. De voorzitter respectievelijk het lid van het dagelijks bestuur accepteert geen lunches, diners, recepties en andere uitnodigingen die door anderen betaald of georganiseerd worden, tenzij dat behoort tot de uitoefening van de functie en de aanwezigheid beschouwd kan worden als functioneel.

  • 2. Bij twijfel legt de voorzitter respectievelijk het lid van het dagelijks bestuur de uitnodiging ter bespreking voor aan het dagelijks bestuur.

Toelichting

De eed of belofte die op grond van de artikelen 45 en 50 van de Waterschapswet moet worden afgelegd heeft onder meer betrekking op het geven, aannamen of beloven van giften, gunsten of geschenken.

4.1

In de gedragscode is uitgangspunt dat geschenken, faciliteiten en diensten niet worden geaccepteerd als hiermee de onafhankelijke positie van de bestuurder kan worden beïnvloed. Dat is in ieder geval aan de orde in onderhandelingssituaties. Is daarvan geen sprake dan kunnen om praktische redenen incidentele kleine geschenken (met een geschatte waarde van € 50 of minder) door de bestuurder worden aanvaard, echter nooit op het huisadres. Dit is een in de praktijk ontstaan gebruikelijk richtbedrag maar is geen scherpe grens. Er zijn omstandigheden denkbaar waar elk geschenk, ongeacht de waarde, onacceptabel is. Duurdere geschenken worden in elk geval niet aanvaard. Zij worden teruggestuurd of worden eigendom van het waterschap dat zorgt voor een goede bestemming van het geschenk. Mocht hier sprake van zijn dan wordt alsnog een geschenkenregister gepubliceerd waarin is opgenomen welk geschenk van meer dan € 50,-- het waterschap heeft aanvaard en welke bestemming daaraan is gegeven.

5. Gebruik van voorzieningen van het waterschap

5.1

  • 1. Het dagelijks bestuur richt de financiële en administratieve organisatie zodanig in dat er een getrouw beeld mogelijk is van de juistheid en rechtmatigheid van de uitgaven, met heldere procedures over de wijze waarop functionele uitgaven rechtstreeks in rekening worden gebracht of kunnen worden gedeclareerd bij het waterschap.

  • 2. De voorzitter en de leden van het dagelijks en algemeen bestuur verantwoorden zich over hun gebruik van de voorzieningen volgens de in het eerste lid vastgestelde regels en procedures.

5.2

  • 1. Een voorzitter respectievelijk een lid van het dagelijks bestuur meldt het voornemen tot een buitenlandse dienstreis of een uitnodiging daartoe aan het dagelijks bestuur..

  • 2. De voorzitter, dan wel het lid van het dagelijks bestuur meldt daarbij tevens als hij voornemens is om de buitenlandse dienstreis voor privédoeleinden te verlengen. De extra kosten van de verlenging komen daarbij volledig voor eigen rekening.

5.3

Voor de toepassing van artikel 5.2 wordt onder buitenlandse dienstreis niet verstaan een dienstreis naar een Europese instelling of een dienstreis naar een buurwaterschap in het buitenland.

5.4

Een voorzitter, lid van het dagelijks en algemeen bestuur declareert geen kosten die al op andere wijze worden vergoed.

5.5

Gebruik van voorzieningen en eigendommen van het waterschap te eigen bate of ten bate van derden is, tenzij dit wettelijk is geregeld, niet toegestaan.

Toelichting

Een bestuurder geniet geen andere vergoedingen ten laste van het waterschap dan die bij of krachtens de wet zijn toegestaan (artikelen 44 en 48 Waterschapswet)

5.1

Aan bestuurders worden de voorzieningen, vergoedingen en andere verstrekkingen in bruikleen geboden die een goed functioneren van de bestuurders mogelijk maken.

Wat betreft de uitwerking van de principes van dit stelsel zou kunnen worden aangesloten bij de werkwijze in het Voorzieningenbesluit dat geldt voor ministers en staatssecretarissen:

  • a.

    in beginsel worden voorzieningen en verstrekkingen in bruikleen ter beschikking gesteld;

  • b.

    indien een voorziening of verstrekking niet in bruikleen ter beschikking kan worden gesteld, wordt de factuur direct ten laste van de begroting van het bestuursorgaan betaald;

  • c.

    het vergoeden van voorzieningen en verstrekkingen achteraf door het indienen van declaraties, wordt tot een minimum beperkt;

  • d.

    voorzieningen, verstrekkingen en declaraties worden maandelijks openbaar gemaakt op internet.

Uitgangspunt is hier dat zo weinig mogelijk uitgaven door de bestuurder zelf worden gedaan via zijn of haar privérekening. Geldstromen tussen de rekening van het bestuursorgaan en de persoonlijke rekening van de bestuurder maken een zwaardere controle op de uitgaven noodzakelijk.

De bestuurder zal zich nauwgezet moeten houden aan de regels en procedures die er met het oog hierop voor hem/haar gelden.

5.2

Uitgangspunten zijn hier eigen verantwoordelijkheid, transparantie en bereidheid om verantwoording af te leggen. De beoordeling van de noodzaak van de buitenlandse dienstreis ligt bij het dagelijks bestuur.

Ingevolge 5.3 geldt de bepaling van 5.2 niet voor de meer reguliere (buitenlandse) dienstreizen naar een Europese instelling of een dienstreis naar een buurwaterschap in het buitenland. Voor dergelijke (buitenlandse) reizen vormen deze bepalingen wel een belangrijke richtsnoer. Buitenlandse reizen die worden gemaakt ten behoeve van de politieke partij zijn geen ‘dienstreizen’ en vallen dus niet onder 5.2 en komen niet ten laste van het waterschap.

5.5

Stelregel is dat privé gebruik van voorzieningen van het waterschap niet is toegestaan. Wel hebben organisaties mogelijk een specifieke regeling die privégebruik van bedrijfsmiddelen reguleert.

6. Uitvoering gedragscode

6.1

Het algemeen bestuur bevordert de eenduidige interpretatie van de gedragscode. Ingeval van leemtes en onduidelijkheden in de gedragscode voorzien/voorziet het algemeen bestuur daarin.

6.2

  • 1. Op voorstel van de voorzitter maakt het algemeen bestuur met hem afspraken over de navolgende onderwerpen:

    • a.

      de periodieke bespreking van het onderwerp integriteit;

    • b.

      de aanwijzing van contactpersonen of aanspreekpunten integriteit;

    • c.

      de processtappen die worden gevolgd in geval van een vermoeden van een integriteitschending van een politieke ambtsdrager van het waterschap.

  • 2. De afspraken als bedoeld onder 1 worden vastgelegd in een bijlage die onderdeel uitmaakt van de gedragscode.

  • 3. In het geval van een integriteitsonderzoek door een extern bureau wordt alleen gebruik gemaakt van gecertificeerde onderzoeksbureaus

Toelichting

6.1

Het algemeen bestuur is het hoogste bestuursorgaan en als zodanig verantwoordelijk voor de inhoud van de gedragscode en voor een eenduidige interpretatie daarvan. En voor wijziging/aanvulling daarvan bij leemtes of onduidelijkheden.

De Waterschapswet verplicht het algemeen bestuur om voor zichzelf en voor de bestuurders een gedragscode vast te stellen.

Aanvullend op de wettelijke regels die gelden voor politieke ambtsdragers, bevat de gedragscode een aantal materiële normen waaraan de politieke ambtsdragers zich committeren.

De voorzitter heeft de wettelijke taak om de bestuurlijke integriteit van zijn waterschap te bevorderen (artikel 94 lid 2 Waterschapswet). Hiermee is de verantwoordelijkheid voor de portefeuille ‘integriteit’ duidelijk belegd. De wettelijke bepalingen bieden de ruimte om naar gelang de situatie handelend op te treden, waarbij niet alleen gedacht moet worden aan het optreden bij incidenten.

Belangrijk onderdeel is ook de preventie: ervoor te zorgen dat integriteit en integriteitsbewustzijn in de bestuurlijke gremia besproken blijven en daarbij afspraken te maken over een regelmatige bespreking, bijvoorbeeld een of twee keer per jaar, van het thema integriteit, zowel met de volksvertegenwoordiging als binnen het bestuur.

De voorzitter hoeft hier niet alleen voor te staan. Een daartoe aangewezen contactpersoon of vertrouwenspersoon (bijvoorbeeld de secretaris-directeur) kan hier in relatie tot het algemeen bestuur eveneens een belangrijke rol in spelen. Het algemeen bestuur kan met de voorzitter nadere afspraken maakt over de werkwijze die wordt gevolgd ingeval zich een incident of een vermoeden van een integriteitsschending voordoet. Dat geeft houvast en rust op het moment dat er gehandeld dient te worden.

De beschrijving van de te doorlopen processtappen ingeval van een vermoeden van een integriteitsschending is uitgebreid. Of deze stappen daadwerkelijk worden doorlopen hangt af van de kwestie waarover melding wordt gedaan. Het doorlopen van deze stappen zal niet altijd nodig zijn en is dus niet vanzelfsprekend maar ter beoordeling van de voorzitter. Het algemeen bestuur van het waterschap kan zelf onderling ook afspraken maken over hoe je elkaar aanspreekt.

Al deze processuele en procedurele afspraken zijn terug te vinden in de bijlage die onderdeel uitmaakt van de gedragscode.

7. Inwerkingtreding en citeertitel

Deze Gedragscode treedt per 1 januari 2026 in werking op de dag nadat deze is vastgesteld en kan worden aangehaald als Gedragscode integriteit voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur waterschap Hunze en Aa’s 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur van 10 december 2025

Jelmer Kooistra

secretaris-directeur

Geert-Jan ten Brink

dijkgraaf

Uitvoeringsregels Gedragscode integriteit voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur waterschap Hunze en Aa’s 2025

Nadere afspraken gedragscode integriteit conform artikel 6.2 van de Gedragscode integriteit voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur waterschap Hunze en Aa’s 2025.

In artikel 6.2 van de Gedragscode integriteit voorzitter en overige leden van het dagelijks bestuur en het algemeen bestuur waterschap Hunze en Aa’s 2025 is opgenomen dat er nadere afspraken dienen te worden gemaakt over:

  • a.

    De periodieke bespreking van het onderwerp integriteit;

  • b.

    De aanwijzing van contactpersonen of aanspreekpunten integriteit;

  • c.

    De gang van zaken bij twijfel over eigen handelen van bestuurders;

  • d.

    De processtappen die worden gevolgd ingeval een vermoeden van integriteitsschending van een politieke ambtsdrager of een medewerker van het waterschap.

Ad a. Tijdens de introductieperiode van het nieuwe algemeen bestuur en ten minste één keer in de bestuursperiode is in het algemeen bestuur aandacht voor integriteit.

Ad b.

  • Als contactpersoon voor integriteit in de zin van artikel 6.2. lid 1 onder b van de Gedragscode wordt de voorzitter aangewezen. Indien het vermoeden van integriteitsschending de voorzitter betreft, treedt de loco-voorzitter als contactpersoon op. De contactpersoon wordt ondersteund en geadviseerd door de secretaris-directeur.

  • Naast de in artikel 6.2 van de Gedragscodes genoemde contactpersonen of aanspreekpunten is er voor bestuurders een externe vertrouwenspersoon beschikbaar. Indien een bestuurder ongewenst gedrag ervaart van een andere bestuurder, dan wel vermoedt dat er sprake is van een integriteitsschending door een bestuurder, dan kan hij/zij zich voor advies en ondersteuning te allen tijde wenden tot deze externe vertrouwenspersoon.

Ad c.

In geval een bestuurder twijfelt aan zijn (voorgenomen) handelen die mogelijk zijn integriteit raken, kan de bestuurder advies inwinnen bij de dijkgraaf.

Ad d.

De processtappen die worden gevolgd in geval van een vermoeden van een integriteitsschending zijn als volgt:

  • 1.

    Een vermoeden van een integriteitsschending door een bestuurder wordt gemeld bij de voorzitter. Indien het vermoeden de voorzitter betreft, wordt de melding gericht aan de loco-voorzitter.

  • 2.

    De melding dient gebaseerd te zijn op redelijke gronden. De (loco) voorzitter kan de melder uitnodigen voor een gesprek om een toelichting op de melding te geven .

  • 3.

    De (loco-) voorzitter informeert de secretaris-directeur over de melding.

  • 4.

    Tegelijk met het informeren van de secretaris-directeur wordt de betreffende bestuurder geïnformeerd, tenzij het onderzoek dit volgens de (loco-) voorzitter niet toelaat.

  • 5.

    Na ontvangst van de melding wordt deze door de (loco) voorzitter beoordeeld. De (loco) voorzitter laat zich bij deze beoordeling bijstaan door de secretaris-directeur.

  • 6.

    De beoordeling van de melding kan leiden tot één van de volgende conclusies:

    • a.

      De melding krijgt geen vervolg;

    • b.

      De feiten zijn voldoende helder en eenduidig vast te stellen;

    • c.

      Er is een nader onderzoek nodig om de melding te kunnen beoordelen.

  • 7.

    Indien sprake is van een situatie als bedoeld in punt 7, onder c, start de secretaris-directeur een besloten onderzoek naar het vermoeden van integriteitsschending. De secretaris-directeur kan daarbij ook een gesprek voeren met de betreffende bestuurder.

  • 8.

    De bevindingen van het onderzoek worden medegedeeld aan de (loco-) voorzitter.

  • 9.

    De (loco-) voorzitter deelt de bevindingen van het onderzoek mee aan de betreffende bestuurder. De bestuurder krijgt de gelegenheid om een zienswijze te geven op het eindrapport, de feiten, bevindingen, conclusies en aanbevelingen.

  • 10.

    Indien uit het onderzoek blijkt dat er geen sprake is van een integriteitsschending, blijft het onderzoek vertrouwelijk. De betrokken personen worden wel geïnformeerd over de uitkomst.

  • 11.

    Indien uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een integriteitsschending, informeert de (loco) voorzitter het algemeen bestuur op een wijze die past bij de aard van de schending. In een besloten bijeenkomst besluit het bestuur over de consequenties en over eventuele openbaarmaking van de uitkomst.

  • 12.

    Communicatie over een vastgestelde schending, al dan niet richting de pers, vindt uitsluitend plaats na bekendmaking aan het bestuur en na consultatie van de (loco-) voorzitter.