Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Halderberge

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Halderberge

De raad van de gemeente Halderberge;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 oktober 2025

B E S L U I T :

1. de Verordening maatschappelijke ondersteuning, zoals vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 15 december 2022, in te trekken;

2. de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Halderberge vast te stellen.

Hoofdstuk 1: Begrippen

Artikel 1. Begripsbepalingen

1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

- Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:

- Niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is en een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de client in staat is tot zelfredzaamheid en participatie en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau

- Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet;

- Beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Halderberge

- Bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a, eerste lid, van de wet;

- Eigen kracht: dat wat binnen het vermogen van de client, al dan niet met behulp van zijn sociale netwerk of algemene voorzieningen, ligt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid en participatie te komen.

- Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

- Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfsplaats heeft

- Huishoudelijke ondersteuning: het -al dan niet samen met de cliënt of mensen uit diens netwerk- verrichten van activiteiten op het gebied van verzorging van het huishouden, zoals het schoonhouden van de voor de kwaliteit van leven van de cliënt woon- en verblijfsruimtes.

- Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

- Ingezetene: als ingezetene wordt aangemerkt degene die zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de gemeente Halderberge;

-

- Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

- Persoonlijk plan: plan waarin de client de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

- Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

- Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt en/ of informele zorgverleners

- Uitvoeringsbesluit: Uitvoeringsbesluit Wmo 2015

- Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

2. Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet Bestuursrecht

Hoofdstuk 2: Melding en onderzoek

Artikel 2. Melding hulpvraag

1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk en maakt een afspraak voor een gesprek.

3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

1. Het college zorgt voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning.

2. Het college wijst de cliënt, zijn vertegenwoordiger en/of zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning,

Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan

1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

3. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.

4. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

5. Als dit nodig is voor het onderzoek, kan het college een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen.

Artikel 5. Gesprek

1. Het college onderzoekt in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie , zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

g. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn;

j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

Artikel 6. Verslag van het onderzoek

1. Het college zorgt voor een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

2. Binnen 10 werkdagen na het gesprek verstrekt het college de in het eerste lid bedoelde verslag aan de client

3. Het college voegt opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt toe aan het verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

Hoofdstuk 3: aanvraag maatwerkvoorziening

Artikel 7. Aanvraag

1. Een cliënt kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college.

2. Het college kan het ondertekend verslag van de uitkomsten van het onderzoek aanmerken als aanvraag.

Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening

1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.

2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in zijn zelfredzaamheid of participatie, als de client de beperkingen naar oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van:

a. eigen kracht en/of;

b. gebruikelijke hulp en/of;

c. mantelzorg en/of;

d. hulp van andere personen uit het sociaal netwerk en/of;

e. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of;

f. algemene voorzieningen en/of

g. andere voorzieningen:

De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven, of

3. Een cliënt met psychische of psychosociale problemen en een client die vanwege huiselijk geweld of om een andere reden de thuissituatie heeft verlaten, komt naar oordeel van het college in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving, als de client de problemen niet kan verminderen of wegnemen door gebruik te maken van;

a. eigen kracht;

b. gebruikelijke hulp;

c. mantelzorg;

d. hulp van andere personen uit het sociaal netwerk;

e. algemeen gebruikelijke voorzieningen;

f. algemene voorzieningen dan wel;

g. andere voorzieningen:

De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

4. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt uitsluitend voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als de noodzaak tot ondersteuning:

a. voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was;

b. voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.

c. niet door eigen kracht dan wel gebruikelijke hulp kan worden opgevangen

5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

6. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.

7. Onverminderd het bepaalde in lid 5 wijst het college een aanvraag voor een persoonsgebonden budget of een maatwerkvoorziening voor een woningaanpassing af indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij het college daartoe schriftelijk toestemming voor heeft verleend

8. Het college kan nadere regels stellen over de maatwerkvoorzieningen die op grond van lid 2 en lid 3 beschikbaar zijn.

Artikel 9. Inhoud beschikking

1. Het college legt het besluit om een maatwerkvoorziening te verstrekken of deze te weigeren vast in een beschikking

2. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening vermeldt het college in ieder geval of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura legt het college in de beschikking in ieder geval vast::

a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

d. welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

e. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is

4.. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb legt het college in de beschikking in ieder geval vast:

a. voor welk resultaat het pgb wordt aangewend;

b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

c. wat de hoogte van het pgb is en hoe deze is bepaald

d. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en

e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

f. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is.

Artikel 10. Regels voor pgb

1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6. van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de belanghebbende voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt.

3. De hoogte van een pgb:

a. wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld pgb-plan over hoe hij het pgb gaat besteden; In dit plan is in elk geval opgenomen:

1. hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

2. wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

3. welke voorziening de cliënt met het pgb wenst in te kopen en bij welke uitvoerder;

4. op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en de geschiktheid van de voorziening voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt blijkt;

5. de kosten van de voorziening, uitgedrukt in het aantal eenheden en het tarief.

b. wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

c. bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura

4. De hoogte van een pgb wordt vastgesteld voor:

a. een zaak: op basis van de kostprijs van de zaak die de cliënt zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt en rekening houdende met een reële termijn voor de technische afschrijving en de onderhouds- en verzekeringskosten;

b. Het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende zaak geen overeenkomst heeft gesloten.

c. huishoudelijke ondersteuning:

1. Sociaal netwerk/ informeel: uitgevoerd door een persoon uit het sociale netwerk of derde niet zijnde een daartoe opgeleid persoon: het wettelijke minimumloon en minimum vakantietoeslag en het door het college goedgekeurde PGB plan.

2. Professioneel: uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon of waarvoor bijzondere deskundigheid is vereist: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder en het door het college goedgekeurde pgb-plan.

d. begeleiding:

1. Sociaal netwerk/ informeel: uitgevoerd door een persoon uit het sociaal netwerk of een niet daartoe opgeleid persoon: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat voor dergelijke hulp uitgevoerd door informele hulpverleners wordt gehanteerd bij de uitvoering van de Wet Langdurige Zorg.

2. Professioneel: uitgevoerd door een daartoe opgeleid persoon of waarvoor bijzondere deskundigheid is vereist: op basis van het laagste toepasselijke tarief per uur of resultaat dat voor dergelijke hulp zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aanbieder en het door het college goedgekeurde pgb-plan.

e. vervoer van en naar de dagbesteding: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief voor zorg in natura, uitgaande van de dichtst bij de woning van de cliënt gelegen geschikte dagbestedingslocatie en rekening houdende met eventuele beperkingen die het reizen met bepaalde vormen van het openbaar vervoer door de cliënt belemmeren;

f. taxi- en rolstoeltaxivervoer: op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief, uitgaande van maximaal 1500 kilometers per jaar;

g. een autoaanpassing: op basis van het programma van eisen en de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier;

h. verhuiskosten: op basis van de laagste kostprijs van de verhuizing die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente contracteerde verhuizer en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende verhuizer;

i. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel: op basis van de laagste prijs en het laagste tarief die hiervoor zouden worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde leverancier;

j. het bezoek baar maken van een woning: op basis van het programma van eisen en de laagste kostprijs van de noodzakelijke aanpassingen die hiervoor zou worden gehanteerd door een door de gemeente gecontracteerde aannemer en rekening houdende met de keuze van de cliënt om al dan niet gebruik te maken van een erkende aannemer.

5. Een cliënt aan wie een pgb wordt verstrekt, kan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk als:

a. deze persoon hiervoor een tarief hanteert dat niet hoger is dan het op grond van het derde en vierde lid gehanteerde tarief of het bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg gangbare tarief voor informele hulpverleners, en

b. tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het pgb worden betaald.

6. Het pgb mag niet worden besteed aan:

a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

b. kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

d. kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

7. Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

8. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb

voor ten hoogste dertien weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt

het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

9. Als het vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, kan het tarief zodanig aangepast worden dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

10. In geval sprake is van een arbeidsovereenkomst, waarbij werkgeverslasten worden afgedragen

verhoogt het college het pgb met deze werkgeverslasten. Hierbij gaat het college uit van het lage tarief, tenzij niet aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan. In dat geval verhoogt het college het pgb met het hoge tarief. Beide tarieven worden (mede) gepubliceerd op de website van de SVB. Mocht het lagere tarief zijn toegepast , en later blijken dat het hogere tarief van toepassing is, dan verhoogt het college ook achteraf nog het budget.

Hoofdstuk 4: Bijdrage in de kosten

Artikel 12. Regels voor bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen, met uitzondering van de bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

Op dit moment zijn er geen algemene voorzieningen waar een bijdrage in de kosten van de inwoner wordt gevraagd.

Artikel 12a. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen

1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of een pgb zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt conform artikel 2.1.4 lid3 en artikel 2.1.4.a lid 4 Wmo 2015

2. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het bedrag als genoemd in artikel 2.1.4a, vierde lid, voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cli-enten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit geen of een lagere eigen bijdrage is verschuldigd.

3. Een cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruik maakt.

4. Er zijn geen bij verordening aangewezen algemene voorzieningen.

5. In afwijking van het eerste en tweede lid en in afwijking van artikel 2.1.4.a, vierde lid van de wet:

a. is de cliënt voor de maatwerkvoorziening collectief vraagafhankelijk vervoer een

ritbijdrage verschuldigd op basis van het in de regio gangbare toepasselijke tarief. De client betaalt de ritbijdrage aan de vervoerder. De vervoerder neemt de ritbijdrage in ontvangst in naam en voor rekening van de gemeente die het vervoer aanbiedt.

b. kan een cliënt zich door ten hoogste één sociale begeleider laten vergezellen. De begeleider is dezelfde ritbijdrage verschuldigd als de client, zoals vermeld onder a. Als begeleiding van de client naar het oordeel van het college medisch noodzakelijk is, is de begeleider geen rit-bijdrage verschuldigd.

c. is de cliënt geen eigen bijdrage verschuldigd voor de maatwerkvoorzieningen dagbesteding ontwikkelingsgericht en arbeidsmatige dagbesteding;

6. De kostprijs van een:

a. maatwerkvoorziening wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder;

b. pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

7. De bijdrage voor de (maatschappelijke) opvang wordt geïnd door de aanbieder die de

opvang biedt.

8. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet, worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening door het CAK vastgesteld en geïnd.

9. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek ge-grond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

Hoofdstuk 5: Kwaliteit en veiligheid

Artikel 13. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van de beroepskrachten tenminste voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

3. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen

Artikel 14. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

4. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

Hoofdstuk 6: bestrijding misbruik

Artikel 15. Voorkoming en bestrijding van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen waaronder ook pgb en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo 2015

1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening waaronder ook een pgb en een financiële tegemoetkoming zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in arti¬kel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volle¬dige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening is aangewezen;

c. de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten;

d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening verbonden voorwaarden, of

e. de cliënt de maatwerkvoorziening niet of voor een ander doel gebruikt.

4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

5. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

6. Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan de-ze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 15a. Opschorting betaling uit het pgb

Het college kan de Sociale Verzekeringsbank verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van een betaling uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen van handelen of nalaten als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a. d. of e. van de wet.

Artikel 15b. Onderzoek naar kwaliteit en recht- en doelmatigheid maatwerkvoorzieningen

Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

Hoofdstuk 7: Waardering en tegemoetkoming

Artikel 16. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente Halderberge komen in aanmerking voor een mantel-zorgcompliment in de vorm van een jaarlijkse blijk van waardering. Een verzoek om een mantel-zorgcompliment toe te kennen kan door of namens de cliënt worden gemeld bij een door het col-lege aan te wijzen instelling.

2. De jaarlijkse blijk van waardering wordt jaarlijks na overleg met het steunpunt mantelzorg vast-gesteld en bestaat uit:

a) activiteiten in het kader van de dag van de mantelzorg

b) waardebonnen

3. Het college stelt jaarlijks de waarde vast van de waardebonnen als bedoeld in het tweede lid, onder b.

Artikel 17. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische proble-men

Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie.

Artikel 18. Financiële tegemoetkoming

Het college kan op basis van artikel 2.3.5, derde lid van de wet een tegemoetkoming verstrekken voor:

a. taxikosten bedraagt jaarlijks: € 1.185,-

b. rolstoeltaxikosten bedraagt jaarlijks: € 1.780,-

c. verhuis en herinrichtingskosten bedraagt: € 2.470,-

d. aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel bedraagt één keer per drie jaar: € 2.800,-

e. het bezoekbaar maken van een woning bedraagt: € 2.500,-

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

I. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

II. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

a. de kosten van de beroepskracht;

b. redelijke overheadkosten;

c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d. reis en opleidingskosten;

e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een reële prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 20. Klachtregeling

1. Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

2. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten in ieder geval ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klacht regelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 21. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn in ieder geval ten aanzien van maatwerkvoorzieningen.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 22. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

1. Het college stelt ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, vroegtijdig gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 8: overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 23: geen bepalingen

In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 24. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van hetgeen bij deze verordening is bepaald, indien toepassing daarvan tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 25. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

De Verordening maatschappelijke ondersteuning Halderberge , zoals vastgesteld door de raad in zijn vergadering van 15 december 2022 wordt ingetrokken.

Artikel 26. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op de dag nadat deze is bekendgemaakt met uitzondering van artikel 11, tiende lid, dat in werking treedt met ingang van de dag van inwerkingtreding van de Wet aanpassing Regeling dienstverlening aan huis.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Halderberge.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad

van de gemeente Halderberge op 11 december 2025,

de griffier, de voorzitter,

Ari Koenen Anne Mulder