Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750675
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750675/1
Prioritering milieutoezicht Haaglanden 2026-2029
Geldend van 19-12-2025 t/m heden
Intitulé
Prioritering milieutoezicht Haaglanden 2026-20291. Inleiding
De bestuursorganen die deelnemen in een omgevingsdienst stellen gezamenlijk een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie vast. Deze strategie moet inzicht bieden in de doelen voor de uitvoering en handhaving en in de werkzaamheden die met het oog op die doelen zullen worden verricht. De strategie is gebaseerd op een analyse van de problemen die zich kunnen voordoen bij het niet naleven van de wet- en regelgeving en bevat onder meer een prioriteitstelling.1 Zo kan met beperkte capaciteit voor toezicht en handhaving een zo groot mogelijk effect voor het milieu en de leefomgeving worden bereikt.
Omgevingsdienst Haaglanden (hierna: ODH) heeft in 2021 de ‘Probleemanalyse en prioriteiten milieutoezicht, risicomethodiek 2021-2024’ vastgesteld. Deze vormt, samen met de gemeentelijke en provinciale VTH-nota’s, de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht en de jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s (jaarwerkplannen), de uitvoerings- en handhavingsstrategie van ODH. De ‘Probleemanalyse en prioriteiten milieutoezicht, risicomethodiek 2021-2024’ is aan vernieuwing toe, daarom is een nieuwe probleemanalyse en prioriteitstelling opgesteld, die hierna wordt aangeduid als ‘Prioritering milieutoezicht 2026-2029’.
Het door ODH uitgeoefende milieutoezicht kan in grote lijnen als volgt worden onderverdeeld:
- a.
Toezicht op bedrijven (H3)
- b.
Toezicht op activiteiten (H4)
- c.
Toezicht naar aanleiding van overlastmeldingen (H5)
Deze onderverdeling wordt in dit document verder uitgesplitst en beschreven. Dit wordt voorafgegaan door de gebiedsomschrijving van Haaglanden (H2).
Het Algemeen Bestuur van ODH heeft op 16 oktober 2025 ingestemd met de Prioritering milieutoezicht 2026-2029 en daarna ter vaststelling aangeboden aan de colleges van B&W.
2. Gebiedsomschrijving Haaglanden
De regio Haaglanden bestaat uit negen gemeenten: Delft, Den Haag, Leidschendam-Voorburg, Midden-Delfland, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Wassenaar, Westland en Zoetermeer. Opvallende branches binnen de regio zijn glastuinbouw, kantoren, detailhandel en horeca. Van ‘zware industrie’ is in de regio nauwelijks sprake. De regio is dichtbevolkt en heeft een over het algemeen een stedelijk karakter. De regio heeft ook een hoog innovatief karakter, wat blijkt uit diverse onderzoeksinstellingen, laboratoria, de TU in Delft, fieldlabs en diverse hbo en mbo-campussen.
De top 10 branches van bedrijven die onder milieuwet- en regelgeving vallen staan in onderstaande figuur weergegeven.
Natuurgebieden binnen Haaglanden
Natuurgebieden bestaan in Haaglanden uit stranden en duinen, (landgoed)bossen en natuurkernen in het openweideveld. In Haaglanden liggen drie natura 2000 gebieden: Westduinpark & Wapendal (Den Haag), Solleveld & Kapittelduinen (tussen Den Haag en ter Heijde) en Meijendel & Berkheide (Den Haag, Wassenaar en Katwijk).
Midden-Delfland is aangewezen als Bijzonder Provinciaal Landschap. Deze status geeft het belang aan van het open en groen houden van het waardevolle agrarisch veenweidelandschap in de sterk verstedelijkte metropoolregio Rotterdam Den Haag. Ook zijn er in de regio Haaglanden enkele grondwaterbeschermings- en stiltegebieden.
|
Milieubeschermingsgebieden in Haaglanden |
|
|
Den Haag/ Katwijk |
Grondwater en stilte |
|
Monster |
Grondwater en stilte |
|
Midden-Delfland |
Stilte |
Bodem
In de regio Haaglanden komen zand-, veen- en kleigronden voor. De ondergrond bestaat voornamelijk uit kustafzettingen die ontstaan zijn door geologische processen. Informatie over het historisch gebruik en de bodemkwaliteit is beschikbaar via Bodem Informatie Online.
Externe veiligheid
Externe Veiligheid wordt gedefinieerd als het beheersen van risico’s voor de omgeving die ontstaan door het gebruik, opslag en transport over de weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen zoals LPG, ammoniak, vuurwerk en munitie. In de regio vinden op een relatief klein oppervlak veel activiteiten plaats. Verschillende transporten verplaatsen zich gelijktijdig over dezelfde weg. Er zijn relatief veel buisleidingen (o.a. aardgas) en de opslag van gevaarlijke stoffen gebeurt vaak in de buurt van plaatsen waar mensen wonen en/of werken. Voor heel Nederland is het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV) beschikbaar. Daarin worden de milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico verzameld en bijgehouden door gemeenten, provincie en omgevingsdiensten. Op de kaart is informatie te vinden over bijvoorbeeld transporten met gevaarlijke stoffen, verschillende soorten opslagtanks of ammoniakkoelinstallaties.
3. Toezicht op bedrijven
De toezichtcapaciteit van ODH is niet onbeperkt. Daarom kunnen niet alle bedrijven ieder jaar bezocht worden en bepaalt ODH op basis van een risicoanalyse bij welke bedrijven toezicht plaatsvindt. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een risicomodel, dat in paragraaf 3.2 wordt beschreven. Niet voor al het toezicht op bedrijven wordt het risicomodel toegepast, in paragraaf 3.1 wordt hier verder op ingegaan. Ter ondersteuning van het risicomodel wordt voorgesteld om een pilot te gaan draaien om onbekende bedrijven in beeld te brengen, deze pilot staat beschreven in paragraaf 3.3. Het specifieke duurzaamheidstoezicht bij bedrijven, waarvoor een eigen prioritering wordt gebruikt, staat beschreven in paragraaf 3.4.
3.1. Scope
Op basis van het nieuwe risicomodel bepaalt ODH bij welke bedrijven toezicht wordt uitgeoefend. Bedrijven die hoog scoren in het risicomodel worden gecontroleerd, bedrijven die laag scoren niet (of later). In de volgende gevallen is het risicomodel niet van toepassing:
- -
IPPC-bedrijven: ODH controleert deze jaarlijks in verband met milieurisico’s en wettelijke verplichtingen;
- -
Overlastmeldingen: deze kunnen niet vooraf worden geprioriteerd en worden altijd opgevolgd;
- -
Niet-gepland toezicht op basis van bestuurlijke of maatschappelijke prioriteiten en signalen van toezichthouders, vergunningverleners en andere instanties;
- -
Toezicht op activiteiten.
- -
Ook themacontroles vallen niet onder de werking van het risicomodel. Themacontroles worden ingezet om in te kunnen spelen op opvallende toezichtresultaten en op actuele thema’s zoals water-, en luchtemissies, ZZS, etc.
3.2. Risicomodel
ODH bepaalt op basis van de score die uit het risicomodel volgt bij welke bedrijven toezicht wordt uitgeoefend. De risicoscore wordt per bedrijf bepaald aan de hand van de formule: milieurelevantie x naleefgedrag x laatste controle. Onderstaande tabel laat zien dat alle bedrijfslocaties scoren op alle 3 de factoren en wat de gemiddelde scores en het aandeel aan het totaal is per onderdeel. De bedrijven die de hoogste risicoscore hebben worden gecontroleerd, dit gebeurd o.b.v. de capaciteit voor milieutoezicht per deelnemer.
|
Hoofdvariabele |
Percentage van bedrijfslocatie dat hier op scoort |
Gemiddelde score |
Aandeel totaal score |
|
Milieurelevantie |
100% |
3,8 |
35% |
|
Naleefgedrag |
100% |
1,3 |
12% |
|
Laatste controle |
100% |
5,7 |
53% |
Bij milieurelevantie weegt de aard en het effect van de milieubelastende activiteit (hierna: mba) het zwaarst. Aan mba’s met de zwaarste milieueffecten en de grootste omgevingsrisico’s zijn door toezichthouders de hoogste scores toegekend. Verder spelen factoren als energieverbruik, de afgegeven afvalstoffen, PRTR-verplichtingen, vergunningplicht, externe veiligheid, stookvolume van stookinstallaties en de aanwezigheid van tanks en vloeistofdichte vloeren een rol bij het bepalen van de milieurelevantie. De scores per onderdeel worden opgeteld en dit vormt de milieurelevantie score.
Bij het naleefgedrag weegt het gedrag en de ernst van eerdere door ons geconstateerde overtredingen zwaar mee. Daarnaast tellen overtredingen bij andere diensten, verlopen keuringen van zowel stookinstallaties (SCIOS) als vloeistofdichte vloeren (KIWA) en of er sprake is van recidive mee bij het bepalen van de score voor het naleefgedrag. De scores per onderdeel worden opgeteld en dit vormt de milieurelevantie score.
Laatste controle is een variabele op zich. Er wordt bepaald wanneer een bedrijf voor het laatst regulier preventief is gecontroleerd, hoe langer dit geleden is hoe hoger de score.
We willen het risicomodel constant blijven verbeteren. Daarom evalueren we elk jaar wat het effect is van de gegeven scores en of er aanpassingen nodig zijn om de nuttigste controles te kunnen plannen. Dit kan tot gevolg hebben dat de getallen in bovenstaande tabel en in bijlage 1 waar het risicomodel in detail is beschreven veranderen. Ook kan de evaluatie er toe leiden dat er extra variabelen toegevoegd worden, bijvoorbeeld impact op de leefomgeving, als we in de doorontwikkeling van het risicomodel daar een toegevoegde waarde voor zien.
In 2025 is, met ambtelijke instemming van het AOO, toezicht op bedrijven geprioriteerd volgens dit risicomodel. Opgedane ervaringen hebben geleid tot een aantal aanpassingen. In bijlage 1 wordt het risicomodel inclusief wijzigingen beschreven. Daar leest u dus hoe de scores van milieurelevantie, naleefgedrag en laatste controle datum voor 2026 e.v. exact worden bepaald.
3.3. Pilot RisicoRadar
Om het risicomodel bedrijven te versterken is in 2025 begonnen met de pilot RisicoRadar. Daarin worden beschikbare externe bronnen, zoals de KVK, BAG, LMA, SCIOS, KIWA etc. vergeleken met de data uit ons eigen zaaksysteem. Hiermee gaan we bedrijfslocaties opsporen die nog niet bekend zijn of veranderd zijn van eigenaar of functie. In ons werkgebied, die o.a. gekarakteriseerd wordt door een grote doorloop in het MKB, is dit van groot belang om met het risicomodel de meest relevante bedrijven te kunnen selecteren. Op grond van de verzamelde data worden inventariserende controles ingepland maar ook gebieden geselecteerd waar meer informatie vereist is of juist waar veel problematiek speelt.
3.4. Duurzaamheid
Bedrijven die meer dan 50.000 kWh aan elektra en/of meer dan 25.000 m3 gas per jaar verbruiken zijn verplicht tot het nemen van energiebesparende maatregelen en het bevoegd gezag hierover 4-jaarlijks te informeren (informatieplicht). De ODH ziet erop toe dat de energiebesparende maatregelen worden uitgevoerd. Dit is echter geen onderdeel van de hierboven beschreven periodieke controles maar het betreffen aparte controles die een eigen wijze van prioritering hebben. Daarbij wordt rekening gehouden met het verbruik, wel/niet-melders, melders waarbij er nog een hoop besparing te halen is en adressen waar het risico op het ten onrechte niet informeren hoog is.
4. Toezicht op activiteiten
Naast het controleren van bedrijven en toezicht naar aanleiding van klachten voert de ODH ook toezicht uit op activiteiten zoals bodem- en asbestsaneringen, grondverzet, puinbrekers en Warmte Koude Opslagsystemen (WKO). Dit is vaak vraagvolgend. In dit hoofdstuk kunt lezen hoe dit toezicht wordt geprioriteerd.
4.1. Natte koeltorens
Natte koeltorens vormen een aparte categorie in verband met het risico voor de leefomgeving en de volksgezondheid. Deze worden daarom jaarlijks gecontroleerd, ook als deze staan bij bedrijven/instellingen die niet standaard jaarlijks worden gecontroleerd, bijv. kantoren en zorginstellingen. Met goed beheer wordt voorkomen dat legionellabacteriën zich in de koeltoren kunnen vermeerderen en naar de omgeving kunnen verspreiden en daar mensen kunnen besmetten. De controles focussen daarom vooral op het hebben van een up-to-date beheersplan (risicoanalyse), de correcte uitvoer daarvan, de bemonstering van de koeltoren en een correcte registratie in het logboek.
4.2. Bodemtoezicht
Door onze bodemdeskundigen en onze toezichthouders bodem is per aandachtsveld bepaald welke prioriteit toezicht heeft. Daarbij is uitgegaan van het effect op de leefomgeving en geldelijk gewin bij niet naleven en de kans dat dat voorkomt. Dit heeft geleid tot de volgende prioritering wat betreft toezicht.
Tabel 1: Prioritering bodemtoezicht
|
Aandachtsvelden |
Prioriteit |
|
Graven in de bodem boven de interventiewaarde beneden de 25 m3 |
Zeer hoog |
|
Illegaal graven in de bodem |
Zeer Hoog |
|
Illegaal saneren van de bodem door afdekken |
Zeer Hoog |
|
Illegaal saneren van de bodem door verwijdering van de verontreiniging |
Zeer Hoog |
|
Saneren van een nieuw geval2 |
Zeer Hoog |
|
Illegaal saneren van grondwater |
Zeer Hoog |
|
Lozen op riool/ bodem bij saneren grondwater |
Zeer Hoog |
|
Transport |
Zeer Hoog |
|
Illegale opslag grond |
Zeer Hoog |
|
Illegale toepassing grond |
Zeer Hoog |
|
Illegale toepassing bouwstoffen |
Zeer Hoog |
|
Verzoeken om handhaving |
Zeer hoog |
|
Graven in de bodem boven de interventiewaarde vanaf 25 m3 |
Hoog |
|
Graven in onder of gelijk aan Interventie waarde grond3 |
Hoog |
|
Saneren mobiele verontreiniging d.m.v. verwijderen |
Hoog |
|
Toepassen en hergebruik grond – klasse landbouw/natuur (melding bevat nl. geen kwaliteitsgegevens) |
Hoog |
|
Opslaan matig en sterk verontreinigde grond en sterk verontreinigde baggerspecie en grond/ bagger waarvan de kwaliteit niet bekend is (incl. zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen). |
Hoog |
|
Toepassen en hergebruik grond en baggerspecie niet klasse landbouw/natuur |
Hoog |
|
Saneren door aanbrengen duurzaam aaneengesloten afdeklaag |
Gemiddeld |
|
Saneren door aanbrengen leeflaag |
Gemiddeld |
|
Opslaan schone en licht verontreinigde grond en opslaan schone tot en met matig verontreinigde baggerspecie (incl. zeven, mechanisch ontwateren of samenvoegen) |
Gemiddeld |
|
Saneren van grondwater |
Laag |
|
Primaire zand en kleiwinning |
Laag |
|
Toepassen primair zand/ klei |
Laag |
Bij toezicht op de aandachtsvelden met een zeer hoge tot hoge prioriteit, deze worden in principe altijd opgepakt, wordt een breed scala aan interventiemethodes (zoals beschreven in de nota VTH) ingezet. Bijvoorbeeld fysieke controles, administratief toezicht, surveillance en transportcontroles. Bij toezicht op de aandachtsvelden met een middel en lage prioriteit (zie tabel 2) wordt een beperkter aantal interventiemethodes ingezet en de frequentie van controle varieert van regelmatig tot zeer beperkt. Zaken met een gemiddelde prioriteit worden behandeld wanneer alle zeer hoge/hoge zaken zijn opgepakt. De laag prioriteit zaken worden steekproefsgewijs opgepakt wanneer de capaciteit dat toelaat. Het betreft dus een trapsgewijs model. Zaken worden opgepakt van zeer hoog naar laag zolang de capaciteit dat toelaat.
4.3. Toezicht op gesloten Warmte-Koude-Opslag (WKO)
Gesloten bodemenergiesystemen zijn systemen die onder meer gebouwen, woningen en kleine bedrijven op een duurzame manier verwarmen en/of koelen. Door gesloten leidingen (bodemlussen) wordt (met behulp van een warmtepomp) vloeistof door de bodem geleid om aan de bodem warmte of koude te onttrekken. Hierbij wordt echter geen grondwater verpompt zoals bij een open bodemenergiesysteem waarvoor de provincie het BG is.
Door de Inspectie Leefomgeving en Transport is reeds in 2018 geconstateerd dat de geldende regels niet worden nageleefd. Flinke gebreken zijn geconstateerd bij de afdichting van de scheidende watervoerende pakketten. Dit kan leiden tot verminderde kwaliteit van het grondwater en verstoring van de grondwaterstroming met als mogelijk gevolg verzoeting dan wel verzilting van het grondwater. Omdat de boorfase het meest risicovol is, is het streven om altijd aanwezig te zijn bij de boringen. Daarnaast wordt via vrije-veld-controles nagegaan of er sprake is van illegale plaatsingen.
4.4. Puinbreken
Mobiele puinbrekers worden op slooplocaties ingezet om de steenachtige fractie van bouw- en sloopafval te breken tot puingranulaat. Het puingranulaat kan worden toegepast als bouwstof in beton of in de wegenbouw. Het grootste risico bij puinbreken is dat met gevaarlijke stoffen vervuild puin wordt gebroken en het stof in de lucht en de bodem wordt verspreid. Ook kan er stof en geluid overlast ontstaan.
ODH heeft geconstateerd dat het naleefgedrag bij gemelde werkzaamheden goed is. De laatste jaren zijn er nauwelijks overtredingen vastgesteld. Daarom kan volstaan worden met steekproefsgewijze controles. Daarbij zal o.b.v. een risico-inschatting van de binnenkomende meldingen (en startmeldingen) beoordeeld worden of een controle ter plaatse opportuun is. Op deze manier zal worden bekeken of het spontane naleefgedrag op pijl blijft.
4.5. Toezicht op asbestsaneringen
Uit de in 2023 uitgevoerde evaluatie van het toezicht op asbestsaneringen kwam naar voren dat bij incidenteel asbest toezicht naar aanleiding meldingen van bijv. omwonenden ernstigere overtredingen worden geconstateerd dan bij regulier asbesttoezicht. De meeste voorkomende overtreding die werd aangetroffen bij incidenteel asbest toezicht was het ondeskundig of illegaal verwijderen van asbest. Op de tweede plaats stond het verwijderen of in afwijking van de sloopmelding, asbest slopen. Deze overtredingen brengen grote, directe risico’s met zich mee voor de leefomgeving. Hiermee onderscheidt het incidenteel toezicht zich duidelijk van het toezicht naar aanleiding van sloopmeldingen, waar veelal administratieve overtredingen met minder risico’s voor de leefomgeving worden geconstateerd. De kans om zware overtredingen op het spoor te komen is bij incidenteel toezicht dus veel groter dan bij het ‘reguliere’ toezicht naar aanleiding van sloopmeldingen. Daarom wordt vanaf 2024 minder inzet gepleegd op het reguliere toezicht en meer op informatie gestuurd en risicogericht toezicht met het doel om illegale saneringen aan het licht te brengen.
4.6. Ketentoezicht en diep administratief toezicht
Traditioneel richt de aandacht van een overheid zich op de haar bekende activiteiten. Illegale activiteiten blijven vaak nog uit het zicht, zij komen slechts ad-hoc aan het licht en vragen op dat moment onmiddellijke aandacht. Vaak is het financieel gewin dat te behalen valt met het niet naleven van de regels erg groot. Voorbeelden zijn het illegaal toepassen of opmengen van grond, omkatten en verkeerde afvoer van gevaarlijke stoffen waaronder asbest. Behalve ondermijning is er o.a. risico op bodemverontreiniging en effecten op de volksgezondheid.
De ODH voert ketenprojecten uit om meer zicht te krijgen op deze illegaliteit. Met name door in te zetten op vrije-veld toezicht, digitaal rechercheren, transportcontroles en diepgaand administratief toezicht. Binnen de provincie wordt door de Zuid-Hollandse omgevingsdiensten samengewerkt op het gebied Administratief Toezicht (AT). Dit vanuit de meerwaarde die het instrument AT heeft in recente ontwikkelingen/dossiers zoals Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS), circulaire economie en milieucriminaliteit. Er is in 2024 een provinciebrede AT-pool opgericht die ketenonderzoeken naar specifieke afval- en grondstromen uitvoert.
4.7. Ondermijning
De ODH neemt deel aan integrale controles gericht op ondermijning. Deze worden gezamenlijk uitgevoerd met één of meer van de volgende instanties: gemeente, politie, douane, belastingdienst, energiebedrijven, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), UWV en Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tijdens deze integrale acties controleert de ODH op milieuaspecten bodem, opslag en afvoer gevaarlijke (afval)stoffen maar ook op afzuiging en stookinstallaties van bijvoorbeeld spuitcabines. De andere instanties kijken onder andere naar witwassen, uitkeringen, illegale medewerkers, misstanden met betrekking tot bouwen, omkatten, fiscale aspecten en arbeidsomstandigheden. De ODH levert op verzoek van de gemeenten een bijdrage aan deze acties.
5. Toezicht naar aanleiding van overlastmeldingen
Ten aanzien van overlastmeldingen van burgers of andere belanghebbenden geldt de insteek dat iedere overlastmelding, waarbij de ODH het bevoegd gezag vertegenwoordigt, in behandeling wordt genomen. Dit is ook de wens van de gemeenten, met name vanwege de hoge risicoscore ten aanzien van het bestuurlijke imago en de daadwerkelijke kans dat zich een calamiteit voordoet.
Een overlastsituatie leent zich niet voor het toepassen van een risicobeoordeling voordat een overlastmelding wordt beoordeeld. Indien eerst een prioritering van toezichtinzet zou plaatsvinden, waardoor een deel van de overlastsituaties in een later stadium of geheel niet wordt ‘opgepakt’, is de overlastsituatie wellicht al achterhaald terwijl toezicht en eventueel handhaven op zijn plaats was geweest. Daarom is ervoor gekozen om iedere overlastsituatie direct in behandeling te nemen. Dit betekent dat iedere overlastmelding wordt opgevolgd door een contactmoment met de overlastmelder waarbij onder meer de frequentie, de ernst, het moment en de duur van de overlast wordt geïnventariseerd en waarbij stappen worden afgesproken voor het verdere onderzoek van de situatie door de toezichthouder. Dit betekent niet dat in alle gevallen toezicht plaatsvindt.
Ondertekening
Bijlage 1: Beschrijving risicomodel
In deze bijlage wordt per onderdeel van het risicomodel beschreven wat het inhoudt, hoe ze wordt bepaald en wat de samenhang is met de andere variabelen. De algemene beschrijving van het model staat in hoofdstuk 3.2. De uiteindelijke score per bedrijf wordt bepaald door de drie hoofdvariabelen (milieu relevantie, naleefgedrag en laatste controle) met elkaar te vermenigvuldigen.
Milieurelevantie
Bij milieurelevantie weegt de aard en het effect van de milieubelastende activiteit (hierna: mba) het zwaarst. Aan mba’s met de zwaarste milieueffecten en de grootste omgevingsrisico’s zijn door toezichthouders de hoogste scores toegekend. Verder spelen factoren als energieverbruik, de afgegeven afvalstoffen, PRTR-verplichtingen, vergunningplicht, externe veiligheid, stookvolume van stookinstallaties en de aanwezigheid van tanks en vloeistofdichte vloeren een rol bij het bepalen van de milieurelevantie. De scores per onderdeel worden opgeteld en dit vormt de milieurelevantie score.
In de tabel hieronder wordt weergegeven wat de onderlinge verhoudingen van de factoren zijn die samen de milieurelevantie score bepalen.
|
Variabele |
Percentage van bedrijfslocatie dat hier op scoort |
Gemiddelde score per bedrijfslocatie dat hier op scoort |
Percentage van totaal aantal vergeven punten |
|
mba/branche |
100% |
3,3 |
86,78% |
|
Type bedrijf |
1,1% |
1,2 |
0,36% |
|
Afgegeven afval |
10,8% |
0,9 |
2,66% |
|
Totale stookvolume |
8,5% |
1,5 |
3,28% |
|
Energieverbruik |
14,7% |
1,7 |
6,60% |
|
Tanks |
1,1% |
1,0 |
0,28% |
|
Vloeistofdichte vloeren |
0,1% |
1,0 |
0,04% |
Milieubelastende activiteit/branche
De mba’s van het BAL, aangevuld met de mba’s uit de bruidsschat, geven de beste indruk van de milieurelevantie van de bedrijfslocatie. Per mba is een risicoscore vastgesteld o.b.v. een risico inschatting van toezichthouders. De maximale score van een mba is 10 punten, de minimale score is 1.
Voor de zwaarste mba die hoort bij de bedrijfslocatie wordt 100% van de punten toegekend. Voor elke extra mba (na de zwaarste) wordt 25% van de punten toegekend. Zo houden we rekening met de complexiteit per locatie.
De transitie vanuit de Omgevingswet is nog in volle gang dus bij veel bedrijfslocaties zijn nog geen mba’s vastgesteld. Hierdoor hebben we besloten om eerst bij alle bedrijven uit te gaan van de branche en als bij meer bedrijven mba’s zijn vastgesteld daarna de mba scores te gaan toepassen.
Type bedrijf
Er zijn diverse type aanduidingen voor bedrijfslocaties die iets zeggen over de milieurelevantie. Aan die typen hebben we een score gehangen. Voor niet meldingsplichtig, meldingsplichtig en vergunningplichtig geldt dat slechts één waar kan zijn. Externe veiligheid en PRTR kunnen daarop aanvullend zijn.
Deze variabele heeft overlap met mba’s. Daar hebben we rekening mee gehouden in de puntentoekenning. Vandaar dat meldingsplichtige bedrijfslocaties geen punten krijgen en dat een vergunningsplichtige bedrijfslocaties ‘slechts’ 1 punt krijgt.
|
Type bedrijf |
Punten |
|
Niet meldingsplichtig (voorheen type A) |
0 |
|
Meldingsplichtig (voorheen type B) |
0 |
|
Vergunningsplichtig (voorheen type C) |
1 |
|
Externe veiligheid |
1 |
|
PRTR |
1 |
Afgegeven afval
Het afgegeven afval geeft een goede indicatie van de milieurelevantie van een bedrijfslocatie. Niet alleen is het goed opslaan en afgeven van (gevaarlijk) afval belangrijk vanuit milieu oogpunt. Maar de afgifte van (gevaarlijk) afval zegt ook iets over de bedrijfsprocessen waar dit afval uit voort is gekomen.
Voor dit onderdeel van het risicomodel wordt de data uit het Landelijk Meldpunt Afvalstoffen (LMA) gebruikt.
Daarbij wordt uitgegaan van de volgende redenering:
- -
De hoeveelheid afgegeven afval is een indicatie voor de milieurelevantie
- -
Afgifte van gevaarlijk afval is een betere indicator voor milieurelevantie dan niet gevaarlijk afval
- -
Het aantal verschillende afgegeven afvalstoffen (euralcodes) is een indicator voor de complexiteit van de bedrijfsprocessen en daarmee een indicator voor de milieurelevantie.
We kijken naar de bij ons beschikbare LMA data van het afgelopen jaar.
|
Aantal kg gevaarlijk afval |
Punten |
|
0 |
0 |
|
1 t/m 500 |
0,5 |
|
501 t/m 3.000 |
1 |
|
>3.000 |
2 |
|
Aantal kg niet gevaarlijk afval |
Punten |
|
0 |
0 |
|
1 t/m 10.000 |
0,25 |
|
10.001 t/m 50.000 |
0,5 |
|
>50.000 |
1 |
|
Aantal euralcodes |
Vermenigvuldigingsfactor |
|
0 - 5 |
1 |
|
6 - 10 |
1,3 |
|
>10 |
1,6 |
De score per bedrijfslocatie is de punten van het aantal kg gevaarlijk afval opgeteld bij de punten voor het aantal kg niet gevaarlijk afval vermenigvuldigd bij de factor voor het aantal euralcodes. Er kan dus maximaal 4.8 punten worden gescoord per bedrijfslocatie ((2 + 1) * 1.6).
Totale stookvolume (stookinstallaties)
In het SCIOS-register kunnen we zien welke stookinstallaties er op een bepaalde bedrijfslocatie staan en wat hun respectievelijke vermogen is. Stookinstallaties zijn (vanaf een bepaald vermogen) milieurelevante bedrijfsonderdelen. Daarnaast is een groot stookvermogen ook een indicator voor de omvang van de bedrijfsactiviteiten. Er is dus een bepaalde overlap met de indicator energieverbruik. Een groot stookvermogen zal zich namelijk logischerwijs meestal uiten in veel gasverbruik.
Voor de uitwerking van deze indicator tellen we het stookvermogen van alle aanwezige stookinstallaties bij elkaar op.
|
Totale stookvermogen aanwezige stookinstallatie(s) |
Punten |
|
1 t/m 99 kw |
0 |
|
100 t/m 399 kw |
0,5 |
|
400 t/m 999 kw |
1 |
|
1.000 t/m 4.999 kw |
2 |
|
5.000 t/m 14.999 kw |
3 |
|
15.000 kw en meer |
4 |
We zien het verbranden van vaste stof als een extra risico, dan wel indicator voor milieurelevantie.
|
Verbranden van vaste brandstof |
Punten |
|
Ja |
1 |
|
Nee |
0 |
Uit de puntentelling blijkt dat maximaal 5 punten kunnen worden toegekend op dit onderdeel.
Energieverbruik
Het energieverbruik van een bedrijfslocatie is een indicator van de omvang van de bedrijfslocatie en zegt daarmee ook iets over de milieurelevantie. Of anders gesteld: als twee bedrijfslocaties met dezelfde bedrijfsactiviteiten worden vergeleken dan zal degene met het meeste energieverbruik waarschijnlijk ook het meest milieurelevant zijn.
|
Type verbruik |
Punten Gas |
Punten Elektra |
|
Kleinverbruiker (<25.000m3 gas, <50.000 kWh) |
0 |
0 |
|
Middenverbruik (25.000 t/m 75.000 m3 gas, 50.000 t/m 200.000 kWh) |
1 |
0,5 |
|
Grootverbruiker (>75.000m3 gas, >200.000 kWh) |
2 |
1 |
|
Zeer groot verbruiker (>170.000 m3 gas, >1.000.000 kWh) |
4 |
2 |
Uit de puntentelling blijkt dat maximaal 6 milieurelevantie punt gescoord kunnen worden op dit onderdeel.
Tanks
Bij dit onderdeel gebruiken we gegevens vanuit het KIWA portaal (een portaal waar wij voor het werkgebied van ODH kunnen inzien welke certificaten er zijn afgegeven voor vloeistofdichte vloeren en tanks) om te bepalen of er een of meerdere tanks aanwezig is. De aanwezigheid van een tank is milieurelevant, nadelige gevolgen zijn vooral verontreiniging van de bodem en gevolgen voor de externe veiligheid door de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. De aanwezigheid van een of meerdere tanks krijgt 1 punt als score bij milieurelevantie. Een tank is ook een mba, als we meer gebruik gaan maken van mba’s wordt deze score heroverwogen.
Vloeistofdichte vloeren
We gebruiken de gegevens uit het KIWA portaal ook om te bepalen of er een of meerdere vloeistofdichte vloeren aanwezig zijn. Een vloeistofdichte vloer is een indicatie van de milieurelevantie van werkzaamheden van een bedrijf. De aanwezigheid van een of meerdere vloeistofdichte vloeren krijgt 1 punt als score bij milieurelevantie.
Naleefgedrag
Bij het naleefgedrag weegt het gedrag en de ernst van eerdere door ons geconstateerde overtredingen zwaar mee. Daarnaast spelen, overtredingen bij andere diensten, verlopen keuringen van zowel stookinstallaties (SCIOS) als vloeistofdichte vloeren (KIWA) en of er sprake is van recidive een rol bij het bepalen van de score voor het naleefgedrag. De scores per onderdeel worden opgeteld en dit vormt de milieurelevantie score.
In de tabel hieronder wordt weergegeven wat de onderlinge verhoudingen van de factoren zijn die samen de naleefgedrag score bepalen.
|
Variabele |
Percentage van bedrijfslocatie dat hier op scoort |
Gemiddelde score per bedrijfslocatie dat hier op scoort |
Percentage van totaal aantal vergeven punten |
|
Basiswaarde |
100% |
1,00 |
75,2% |
|
Eigen controle resultaten |
24,7% |
0,91 |
17,0% |
|
Controle resultaten andere diensten |
1,9% |
1,67 |
2,4% |
|
Recidive |
0,8% |
2,00 |
1,2% |
|
SCIOS verlopen keuringen |
4,0% |
1,39 |
4,2% |
|
KIWA verlopen keuringen |
0,1% |
1,00 |
0,1% |
Basiswaarde
Er is een basiswaarde nodig omdat als er niet gescoord wordt op de variabelen van het naleefgedrag de score op 0 uitkomt en de totale risicoscore dus ook. Dat zou betekenen dat het bedrijf vervolgens nooit wordt gecontroleerd, hoe hoog de milieu relevantie of laatste controle scores ook worden. Elke bedrijfslocatie krijgt daarom een basiswaarde van 1 toegekend.
Eigen controle resultaten
Voor deze variabele wordt gekeken naar alle eerste controles (dus ook bijvoorbeeld controles n.a.v. ongewoon voorval of administratieve controles) behalve controles n.a.v. klachten. We gaan uit van de zwaarste overtredingen per controle en hoe deze gepositioneerd is in de interventiematrix van de LHSO.
|
LHSO |
Punten |
|
Geen overtredingen (n.v.t.) |
0 |
|
A1 |
0,5 |
|
A2, B1 |
1 |
|
A3, B2, C1 |
1,5 |
|
A4, B3, C2, D1 |
2 |
|
B4, C3, D2 |
3 |
|
C4, D3 |
4,5 |
|
D4 |
6 |
Er wordt niet alleen gekeken naar de laatste controle maar ook de controles daarvoor. Per overtreding wordt gekeken hoe lang deze geleden was. De score per overtreding wordt berekend door het aantal punten van de LHSO te vermenigvuldigen met de tijdscorrectiefactor in onderstaande tabel. Hoe langer een overtreding geleden is hoe minder deze dus zal meetellen.
|
Aantal jaar na controle datum |
Tijdscorrectie factor |
|
0 – 1 |
1 |
|
1 - 2 |
6/7 |
|
2 - 3 |
5/7 |
|
3 - 4 |
4/7 |
|
4 - 5 |
3/7 |
|
5 - 6 |
2/7 |
|
6 - 7 |
1/7 |
|
7 of meer |
0 |
Daarnaast wordt gekeken naar de controledichtheid. Bedrijfslocatie die veel gecontroleerd zijn hebben nou eenmaal een grotere kans op de constatering van overtredingen. Om te voorkomen dat een bedrijfslocatie waar vaker is gecontroleerd automatisch een slechter naleefgedrag krijgt hebben we een correctiefactor opgesteld:
Correctiefactor = Aantal controle met overtredingen/totaal aantal inspecties
De score wordt dus als volgt berekent:
Optelling van (aantal punten per overtreding * tijdscorrectiefactor) * correctiefactor
De totale waarde van deze variabele is gemaximeerd op 6.
Controle resultaten andere diensten
In Inspectieview delen alle aangesloten inspectiediensten4 hun controleresultaten (op abstract niveau). We kijken naar de controleresultaten van alle inspectiediensten afgezien van onze eigen resultaten.
Recente overtredingen tellen zwaarder mee dan overtredingen die langer geleden zijn begaan. We gebruiken daarvoor een tijdscorrectiefactor, zie onderstaande tabel. Hoe langer een overtreding geleden is hoe minder deze dus zal meetellen.
|
Aantal jaar na controle datum |
Tijdscorrectie factor |
|
0 – 1 |
1 |
|
1 - 2 |
6/7 |
|
2 - 3 |
5/7 |
|
3 - 4 |
4/7 |
|
4 - 5 |
3/7 |
|
5 - 6 |
2/7 |
|
6 - 7 |
1/7 |
|
7 of meer |
0 |
Daarnaast wordt gekeken naar de controledichtheid. Bedrijfslocatie die veel gecontroleerd zijn hebben nou eenmaal een grotere kans op de constatering van overtredingen. Om te voorkomen dat een bedrijfslocatie waar vaker is gecontroleerd automatisch een slechter naleefgedrag krijgt hebben we een correctiefactor opgesteld:
Correctiefactor = Aantal overtredingen/totaal aantal inspecties
De correctiefactor is gemaximaliseerd op 1.
De score wordt dus als volgt berekent:
Optelling van (aantal punten per overtreding * tijdscorrectiefactor) * correctiefactor
De score op het onderdeel controle resultaten andere inspectiediensten is gemaximeerd op 6 punten.
Recidive
Recidive is bewust en herhaaldelijk norm overschrijdend gedrag, daarom krijgen bedrijven die hieraan voldoen een extra score van 2 punten op het naleefgedrag.
SCIOS verlopen keuringen
We kennen extra punten toe aan een bedrijf als van een of meerdere stookinstallaties bij SCIOS bekend is dat de 4-jaarlijkse keuring verlopen is of verloopt vóór 1 januari van het jaar waarin we controles plannen. Daarbij houden we rekening met het aantal verlopen keuringen.
|
Aantal verlopen SCIOS keuringen |
Score |
|
1 |
1 |
|
2 - 3 |
2 |
|
3 of meer |
3 |
KIWA verlopen keuringen
Bij vloeistofdichte vloeren geldt dat om de 6 jaar de vloer opnieuw moet worden gecertificeerd (en dus eigenlijk gekeurd of het allemaal in orde is). Als uit de gegevens van KIWA blijkt dat een bedrijf een certificaat heeft dat is verlopen of dat certificaten verlopen vóór 1 januari van het jaar waarin we controles plannen dan kennen we 1 extra punt toe aan de naleefgedrag score van dat bedrijf.
Laatste controle
Het effect van een controletraject (inclusief eventuele hercontroles en handhaving) is ook dat bestaande overtreding worden geconstateerd en beëindigd. Aanvullend daarop heeft een controle ook een preventief effect voor het ontstaan van nieuwe overtredingen. Want door de controle komen de regels en het belang van het naleven daarvan weer onder de aandacht van de onderneming. Het is dan ook logisch dat het uitvoeren van een controle kort nadat een controletraject heeft plaatsgevonden weinig op zal leveren.
Vandaar dat de tijd sinds de laatste controle zwaar mee weegt in de bepaling van de risicoscore per bedrijf. Controles waar we niet fysiek langsgaan bij een bedrijf of waar de aspecten die gecontroleerd zijn niet vergelijkbaar zijn met aspecten die gecontroleerd gaan worden, zoals een asbestcontrole of een controle n.a.v. klachten worden hierin niet meegenomen. De logica hiervan is dat als er bij een bedrijfslocatie een geluidsmeting heeft plaatsgevonden dat er vaak niet is gekeken naar alle andere aspecten. Eventueel bestaande overtredingen buiten dat wat gerelateerd is aan de klacht is dus niet gezien en niet beëindigd.
Vanaf het moment dat een controle is uitgevoerd wordt bepaald hoeveel maanden er verstreken zijn en wordt via onderstaande tabel de laatste controle score bepaald.
|
Scenario |
Punten |
|
Openstaande relevante zaken |
1 |
|
Datum laatste controle is 0 t/m 12 maanden geleden |
1 |
|
Datum laatste controle is meer dan 12 maanden geleden |
Aantal maanden/12 |
|
Dossiers zonder toezicht maar met relevante T&V zaak |
10 |
|
Dossiers zonder controle of relevante T&V zaak |
0 |
De score is gemaximaliseerd op 10. Het toekennen van een maximale waarde is een overweging en zal het effect hebben dat bedrijfslocaties met een lage milieurelevantie en goed naleefgedrag minder vaak aan de beurt kunnen komen.
Noot
2Onder saneren van een nieuw geval, worden ook ongewone voorvallen, drugsafvaldumpingen, etc. verstaan.
Noot
3Graven in de bodem onder of gelijk aan Interventie waarde grond heeft net zoals graven in de boven de interventiewaarde een hoge prioriteit omdat dit vaak kabel en leidingwerkzaamheden en/of rioolwerkzaamheden betreft waarbij uit vooronderzoek verontreinigingen moeten blijken. Het vooronderzoek wordt echter regelmatig niet of slecht uitgevoerd waardoor er uiteindelijk toch wordt gegraven in verontreinigde grond.
Noot
4Omgevingsdiensten, ILT (Milieu en Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen), Nationale Politie Milieu, Rijkwaterstaat (Landelijk Meldpunt Afvalstoffen en Meldpunt Bodemkwaliteit), Samenwerkingsprogr. Waterschappen en Rijkswaterstaat, Nederlandse Arbeidsinspectie, NVWA (Consument en Dier) en Rijksinspectie Digitale Infrastructuur Metrologie en Waarborg.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl