Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2026

De raad van de gemeente Purmerend,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van ;

overwegende dat

  • -

    de Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor de organisatie van goede en toegankelijke jeugdhulp bij de gemeente heeft belegd;

  • -

    het uitgangspunt is dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt, ook als er sprake is van een jeugdige met een psychisch probleem of stoornis, een psychosociaal probleem, een gedragsprobleem of een beperking;

  • -

    door de raad regels gesteld moeten worden over:

    • a.

      de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen;

    • b.

      de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

    • c.

      wat wordt verstaan onder 'eigen mogelijkheden' en 'probleemoplossend vermogen' en wanneer die in de weg staan aan de toekenning van jeugdhulp;

    • d.

      de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen;

    • e.

      de wijze waarop de hoogte van een pgb wordt vastgesteld;

    • f.

      de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet;

    • g.

      de borging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan;

    • h.

      onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk;

    • i.

      de wijze waarop ingezetenen, waaronder in elk geval de jeugdigen of hun ouder(s), worden betrokken bij de uitvoering van de wet.

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid van de Jeugdwet;

B E S L U I T :

vast te stellen de volgende Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2026

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de wet, op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;

  • budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder;

  • budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet;

  • college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Purmerend;

  • gebruikelijke zorg: de dagelijkse verzorging en opvoeding die alle ouders aan hun kind bieden;

  • hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • individuele voorziening: voorziening betreft (hoog)specialistische jeugdhulp en verblijf, vervoer en dyslexie zoals omschreven in hoofdstuk 2, paragraaf 2;

  • iJw: door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties, overeenkomstig artikel 1, van de Regeling Jeugdwet;

  • lokaal team: Een Lokaal (Jeugd)Team (artikel 2.6) of Sociaal (Wijk) Team (artikel 2.4), dat specifiek binnen één gemeente werkt;

  • lokaal (jeugd)team: Er is een Lokaal (Jeugd)Team in de gemeente bestaande uit het jeugd overleg in de wijk en het Loket Jeugd. Het Lokaal (Jeugd)Team voert taken uit behorende bij de overige voorziening (jeugdoverleg in de wijk) en taken behorende bij een individuele voorziening (Loket Jeugd).

  • overige voorziening: voorziening op grond van de wet die rechtstreeks toegankelijk is, zoals omschreven in hoofdstuk 2, paragraaf 1;

  • perspectiefplan: het perspectiefplan omschrijft wat nodig is aan ondersteuning op alle levensgebieden (dus niet alleen specialistische jeugdhulp). Het perspectiefplan beschrijft onder andere wat de jeugdige/het gezin nodig heeft om weer zelfstandig verder te kunnen in het gewone leven;

  • pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouder(s), dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;

  • wet: Jeugdwet.

Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp

Paragraaf 1 – Overige voorzieningen

Artikel 2.1. Preventieve voorzieningen Jeugd(welzijn)

  • 1. Er is een aanbod aan voorzieningen jeugd(welzijn) in de gemeente.

  • 2. De voorzieningen jeugd(welzijn) sluiten zoveel als mogelijk aan op eigen initiatieven van inwoners in de wijken en omvatten:

    • a.

      activiteiten in het teken van de (talent)ontwikkeling bij jeugdigen (0 -23 jaar), en

    • b.

      gerichte preventieve inzet voor kwetsbare jeugd.

Artikel 2.2. Ondersteuning bij het maken van een familiegroepsplan

  • 1. Ouders en of jeugdigen die, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, een familiegroepsplan willen opstellen, worden op hun verzoek ondersteund door de door de gemeente ingekochte organisatie(s).

Artikel 2.3. Jeugdgezondheidszorg en Centrum voor Jeugd en Gezin

  • 1. Er is een Centrum voor Jeugd en Gezin in de gemeente.

  • 2. Het Centrum voor Jeugd en Gezin voert het basispakket jeugdgezondheidszorg uit en levert rond opvoeden en opgroeien:

    • a.

      op preventie en normaliseren gerichte informatie en activiteiten;

    • b.

      deskundig advies aan personen die (beroepsmatig) met jeugdigen werken;

    • c.

      verwijzen naar preventieve informele steun aan kind en gezin gericht op stressreductie en verbetering van het opvoedklimaat

    • d.

      bieden van preventieve ondersteuning aan ouders op alle gebieden van opvoeden en opgroeien van -10 maanden tot 18 jaar

    • e.

      bij complexere problematiek wordt het Lokaal (Jeugd)Team ingeschakeld.

Artikel 2.4. Sociaal (Wijk) Team

  • 1. Er is een Sociaal (Wijk) Team in de gemeente.

  • 2. Het Sociaal (Wijk) Team is er voor alle inwoners met vragen of problemen op het gebied van

    • a.

      welzijn, zorg;

    • b.

      werk & inkomen, activering;

    • c.

      wonen en

    • d.

      jeugd(hulp) en gezinsrelaties.

  • 3. Het Sociaal (Wijk) Team stemt zorg, welzijn en preventie in de wijk of kern op elkaar af.

  • 4. Het Sociaal (Wijk) Team stemt vragen over opvoeden en problemen die het kind of gezin hebben af met het Lokaal (Jeugd)Team en Centrum voor Jeugd en Gezin.

Artikel 2.5. Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling (Veilig Thuis)

  • 1. Er is een Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling Veilig Thuis Zaansteek- Waterland;

  • 2. Veilig Thuis Zaanstreek-Waterland voert de volgende taken uit:

    • a.

      een herkenbaar en toegankelijk meldpunt zijn voor alle gevallen of vermoedens van huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • b.

      7 x 24 uur advies en ondersteuning geven aan hulpvragers en omstanders en professionals bij huiselijk geweld en kindermishandeling;

    • c.

      het - indien noodzakelijk - inschakelen van passende hulpverlening;

    • d.

      bijdragen aan de uitvoering van door of namens de burgemeester opgelegde tijdelijk huisverboden en preventief inzetten van tijdelijk huisverboden

Artikel 2.6 Lokaal (Jeugd)Team

  • 1. Er is een Lokaal (Jeugd)Team in de gemeente bestaande uit het jeugd overleg in de wijk en het Loket Jeugd. Het Lokaal (Jeugd)Team voert taken uit behorende bij de overige voorziening (jeugdoverleg in de wijk) en taken behorende bij een individuele voorziening (Loket Jeugd). Het Loket Jeugd wordt betrokken op het moment dat de voorzieningen als genoemd in artikel 2.2, artikel 2.3, artikel 2.4 en artikel 2.5 niet blijken te voldoen en wanneer afschaling vanuit een individuele voorziening naar een overige voorziening weer mogelijk is.

  • 2. De door het Lokaal (Jeugd)Team geboden ondersteuning en hulp is primair gericht op het versterken van het normale leven en het versterken van het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders.

  • 3. Het Lokaal (Jeugd)Team voert de volgende taken uit:

    • a.

      Het in kaart brengen en versterken van het eigen netwerk van de jeugdige en/of diens ouders;

    • b.

      Het bevorderen van de opvoedcapaciteiten van ouders en de sociale omgeving;

    • c.

      Vraagverheldering en basisdiagnostiek bij hulpvragen van de jeugdige en/of diens ouders;

    • d.

      Het bieden van hulp bestaande uit opvoed- en opgroeiondersteuning, begeleiding en basiszorg bij psychische klachten en problemen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, inclusief intensief vrijwillige hulp.

    • e.

      Ondersteuning bieden bij het opstellen van een perspectiefplan;

    • f.

      Regie voeren over de inzet van hulp wanneer meerdere hulpverleners betrokken zijn en dit gewenst wordt door de jeugdige en/of diens ouders, met als uitzondering wanneer een jeugdige een maatregel in het gedwongen kader heeft;

    • g.

      De hulp zo te organiseren dat gezinnen en jeugdigen sneller weer zelfredzaam worden;

    • h.

      Het bieden van nazorg;

    • i.

      Deskundig advies geven aan personen die beroepsmatig met jeugdigen werken;

    • j.

      Het verwijzen naar een individuele voorziening.

  • 4. Wanneer de hulpvraag verder gaat dan alleen de ondersteuning van de jeugdige en/of diens ouders met betrekking tot de jeugdige, zal het Loket Jeugd in samenwerking met ouders en of jeugdige, het onderwijs en/ of andere betrokken (zorg)organisaties een perspectiefplan opstellen en samen met ouders en of jeugdige beslissen over best passende hulp.

  • 5. Het Loket Jeugd zal vanuit procesregie betrokken zijn en tijdens evaluatiemomenten met alle betrokkenen onderzoeken of de ingezette hulp nog passend is. De procesregisseur schaalt af wanneer de inzet van specialistische jeugdhulp niet langer noodzakelijk is. Loket Jeugd werkt vanuit het vrijwillig kader. Als de veiligheid in het geding is kan het Loket Jeugd intern opschalen naar het expertiseteam Preventieve Jeugdbescherming of een verzoek tot onderzoek indienen bij de Raad voor de Kinderbescherming, om een opschaling richting Jeugdbescherming te bewerkstelligen.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen over de omvang en toegang tot de in het eerste lid bedoelde voorzieningen.

Artikel 2.7. Intensief vrijwillige hulp

  • 1. Er is een dekkend aanbod van intensieve vrijwillige hulp voor gezinnen waarvan de ouders onvoldoende zorgdragen voor een veilige opvoedingssituatie of meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening.

  • 2. De intensieve vrijwillige hulp wordt uitgevoerd door het Loket Jeugd door het team Preventieve Jeugdbescherming

  • 3. De intensieve vrijwillige zorg wordt ingezet door Loket Jeugd, Veilig Thuis of de Raad voor de Kinderbescherming met instemming van de ouders en schriftelijk bevestigd richting de ouders;

Paragraaf 2 – Individuele voorzieningen

Artikel 2.8. Segment, profiel en intensiteitscombinatie (SPIC)

  • 1. Gemeenten, Lokale Teams, verwijzers en jeugdhulpaanbieders gebruiken binnen segment B en C, zoals toegelicht in artikel 2.9 en 2.10, de Segment Profiel Intensiteit Combinaties (SPIC) om de hulpvraag van het gezin/de jeugdige te categoriseren, en de intensiteit van de jeugdhulp aan te geven.

  • 2. Aan de SPIC is een tarief gekoppeld.

  • 3. Met een SPIC krijgt een jeugdhulpaanbieder een opdracht toegewezen op het niveau van een individuele jeugdige.

Artikel 2.9. Specialistische jeugdhulp (segment B)

  • 1. Het college draagt zorg voor specialistische jeugdhulp die bestaat uit hulp aan jeugdigen en hun ouders met ernstige problemen rond opvoeden en opgroeien.

  • 2. Deze vorm van jeugdhulp is niet vrij toegankelijk en vereist vaak specifieke deskundigheid die de generalistische zorg in de eerste lijn, zoals huisartsen en Lokaal Team, niet kan bieden.

  • 3. Bij de ondersteuning die geboden wordt vanuit specialistische jeugdhulp gaat het om:

    • a.

      Jeugdigen met een enkelvoudige ondersteuningsbehoefte;

    • b.

      waarvoor inzet vanuit maar één hulpverlener noodzakelijk is;

    • c.

      met een beperkt aantal contactmomenten of beperkte hoeveelheid tijd per maand;

    • d.

      waarbij die contacten plaats kunnen vinden in de thuissituatie van de jeugdige, het netwerk van de jeugdige, op het kinderdagverblijf, de school, de locatie van de jeugdhulpaanbieder of enig ander passende locatie.

Artikel 2.10. Hoog-specialistische jeugdhulp (segment C)

  • 1. Het college draagt zorg voor hoogspecialistische jeugdhulp die bestaat uit intensieve hulp bij zeer complexe en/of meervoudige problematiek.

  • 2. Deze vorm van jeugdhulp is niet vrij toegankelijk en vereist vaak specifieke deskundigheid die de generalistische zorg in de eerste lijn, zoals huisartsen en Lokaal Team, niet kan bieden.

  • 3. Bij de ondersteuning die geboden wordt vanuit hoog-specialistische jeugdhulp gaat het om:

    • a.

      jeugdigen met complexe eigen problematiek;

    • b.

      vaak in combinatie met ouders die zich ernstig onmachtig voelen in het ouderschap, vaak als gevolg van complexe (eigen) problematiek bij (één van de) ouders;

    • c.

      is sprake van meervoudige en/of zeer specialistische of niet vaak voorkomende hulpvragen, in voorkomende gevallen op meerdere leefdomeinen bij de jeugdige zelf;

    • d.

      waarvoor multidisciplinaire inzet noodzakelijk is;

    • e.

      waarbij de contacten plaats kunnen vinden in de thuissituatie van de jeugdige, het netwerk van de jeugdige, op het kinderdagverblijf, de school of de locatie van de jeugdhulpaanbieder of enig ander passende locatie.

Artikel 2.11. Jeugdhulp met verblijf (segment V)

  • 1. Het college draagt zorg voor verblijfsvoorzieningen, wanneer een kind buiten het eigen gezin opgevangen moet worden;

  • 2. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van verblijfsvoorzieningen zoals:

    • a.

      pleegzorg;

    • b.

      gezinsgericht verblijf;

    • c.

      verblijf zonder behandeling;

    • d.

      verblijf met behandeling;

    • e.

      crisiszorg;

    • f.

      gesloten plaatsing;

  • 3. De inzet van een voorziening voor verblijf is gericht op zo thuis mogelijk.

  • 4. Bij de ondersteuning die geboden wordt bij jeugdhulp met verblijf gaat het om:

    • a.

      jeugdigen met complexe eigen problematiek;

    • b.

      vaak in combinatie met ouders die zich ernstig onmachtig voelen in het ouderschap, vaak als gevolg van complexe (eigen) problematiek bij (één van de) ouders;

    • c.

      dat de jeugdige (tijdelijk) niet meer bij het eigen gezin kan wonen en kortdurend of voor langere tijd aangewezen is op een vorm van 24-uursverblijf.

Artikel 2.12. Vervoersvoorziening

  • 1. Ouders zijn in beginsel verantwoordelijk voor het vervoer van en naar de locatie voor jeugdhulp.

  • 2. Het college kan ten behoeve van het bezoek aan een locatie voor jeugdhulp aan de jeugdige aan wie een individuele voorziening jeugdhulp is verstrekt, een vervoersvoorziening toekennen.

  • 3. Het college neemt bij de beoordeling van de aanvraag voor een vervoersvoorziening de criteria uit artikel 4.7 mee alvorens een besluit te nemen.

Artikel 2.13. Ernstige Dyslexiezorg (segment D)

  • 1. Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van dyslexiezorg, bestaande uit:

    • a.

      diagnostiek bij een vermoeden van ernstige dyslexie;

    • b.

      behandeling van ernstige dyslexie.

  • 2. Het college neemt bij de beoordeling van de aanvraag dyslexiezorg de criteria uit artikel 4.8 mee alvorens een besluit te nemen.

Artikel 2.14. Ondersteuningsprofielen (hoog)specialistische jeugdhulp

  • 1. In de specialistische en hoog-specialistische jeugdhulp worden diverse ondersteuningsprofielen onderscheiden. Elk ondersteuningsprofiel kent een zekere intensiteit die iets zegt over de duur en omvang van de jeugdhulp.

  • 2. Specialistische en hoog-specialistische jeugdhulp en verblijf wordt geleverd binnen één van de volgende elf ondersteuningsprofielen:

    • a.

      Profiel 1: jeugdige met psychosociale problemen en problematische relaties tussen ouders;

    • b.

      Profiel 2: jeugdige met ontwikkelings- en gedragsproblemen en ouders die problemen ervaren met opvoeden;

    • c.

      Profiel 3: jeugdige met ouders met een ziekte of beperking;

    • d.

      Profiel 4: jeugdige met ontwikkelings-, gedrags-, en/of psychiatrische problemen met ouders met psychi(atri)sche problemen;

    • e.

      Profiel 5: jeugdige met ontwikkelings- en gedragsproblemen door kind factoren (psychiatrisch en/of somatisch);

    • f.

      Profiel 6: jeugdige met ontwikkelings-, gedrags- en psychiatrische problemen binnen multi probleemgezinnen;

    • g.

      Profiel 7: jeugdigen met een beneden gemiddelde intelligentie;

    • h.

      Profiel 8: jeugdige met ontwikkelings- en gedragsproblemen met een beneden gemiddelde intelligentie;

    • i.

      Profiel 9: jeugdige met een lichamelijke beperking en niet-aangeboren hersenletsel;

    • j.

      Profiel 10: jonge kinderen van 0-6 jaar en hun gezin die gezien hun leeftijd en de complexiteit van de problematiek specifieke kennis, procesdiagnostiek en specifieke ouder/kind interventies behoeven;

    • k.

      Profiel 11: jeugdige en gezin die in een crisissituatie terecht zijn gekomen (alleen in segment C).

  • 3. Binnen het ondersteuningsprofiel dient de jeugdhulpaanbieder van specialistische of hoog- specialistische jeugdhulp alle benodigde jeugdhulp te bieden aan de jeugdige, eventueel door als primaire aanbieder een aanvullende partij in te schakelen.

  • 4. Binnen één gezin kunnen jeugdigen ieder specialistische of hoog-specialistische jeugdhulp met een eigen ondersteuningsprofiel ontvangen.

  • 5. Specialistische of hoog-specialistische jeugdhulp met een ondersteuningsprofiel zoals bedoeld in het eerste lid onderdeel k (profiel 11) kan gestart worden voorafgaande aan het besluit van het college.

Artikel 2.15. Intensiteiten specialistische individuele voorzieningen

  • 1. Specialistische jeugdhulp (segment B) is verdeeld in de twee categorieën herstel en duurzaam. De categorieën worden geleverd met één van de volgende vier intensiteiten:

    • a.

      Herstel perspectief:

      • i.

        Lichte, in principe enkelvoudige problematiek die via kortdurende, niet-intensieve hulp, kan worden opgelost.

      • ii.

        De hulp kan binnen een beperkt aantal contactmomenten of beperkte hoeveelheid tijd per maand worden geboden.

      • iii.

        Het resultaat van de hulp is ontwikkelen, beter worden, herstellen.

      • iv.

        Het resultaat wordt in principe binnen het toegewezen traject bereikt.

      • v.

        Richttermijn van de hulp is 6 maanden.

    • b.

      Herstel intensief:

      • i.

        Zwaardere, maar in principe enkelvoudige problematiek, die via meer intensieve hulp en binnen een langere termijn kan worden opgelost.

      • ii.

        Het aantal contactmomenten of de hoeveelheid ingezette tijd per maand ligt hoger.

      • iii.

        Het resultaat van de hulp is ontwikkelen, beter worden, herstellen.

      • iv.

        Het resultaat wordt in principe binnen het toegewezen traject bereikt.

      • v.

        Richttermijn van de hulp is 9 maanden.

    • c.

      Duurzaam licht:

      • i.

        Langdurige vorm van ondersteuning, maar de ondersteuning is niet intensief en kan binnen een beperkt aantal contactmomenten of beperkte hoeveelheid tijd per maand worden geboden.

      • ii.

        Het resultaat van de hulp is stabiliseren. Beter worden of herstellen is niet leidend, maar kan uiteraard een (klein) onderdeel zijn van de inzet van hulp.

      • iii.

        Jeugdhulp is gericht op meerjarige ondersteuning.

    • d.

      Duurzaam zwaar:

      • i.

        Zelfde kern als bij Duurzaam-Licht, maar zwaardere problematiek. Er is meer en vaker hulp nodig, soms zelfs de hele dag.

      • ii.

        Het resultaat van de hulp is stabiliseren. Beter worden of herstellen is vaak geen optie.

      • iii.

        Jeugdhulp is gericht op meerjarige ondersteuning.

  • 2. Hoogspecialistische jeugdhulp (segment C) wordt geleverd met één van de volgende twee categorieën.

    • a.

      Herstel. Jeugdhulp die is gericht op ontwikkelen, beter worden, herstellen.

    • b.

      Duurzaam. Jeugdhulp die is gericht op langdurige ondersteuning.

  • De inzet per categorie is verdeeld in maximaal 10 intensiteiten. De intensiteit is gebaseerd op uren en dagdelen.

  • 3. Bij specialistische jeugdhulp (segment B en lage intensiteiten van segment C [perspectiefplan vrij]) bepaalt de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige en/of diens ouders de benodigde intensiteit van de hulp. Het Lokaal (Jeugd)Team kan hiervoor een zwaarwegend advies meegeven.

    Bij hoogspecialistische jeugdhulp (segmenten C en V) geldt een Perspectiefplanverplichting. Dit betekent dat voor de toewijzing van een SPIC of Product en voorafgaand aan de aanvang van de specialistische jeugdhulp, een door het Lokaal Team (of GI) geaccordeerd Perspectiefplan aanwezig moet zijn. Indien de Gecertificeerde Instelling verwijst, wordt het Gezinsplan aangemerkt als Perspectiefplan. Het Perspectiefplan vraagt om afstemming tussen Lokaal Team (of GI), jeugdhulpaanbieder en de Jeugdige / het Gezin. De toe te wijzen SPIC is gebaseerd op de in het Perspectiefplan geformuleerde resultaten, en komt tot stand in samenspraak tussen Lokaal Team en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder geeft hierin advies en het Lokale Team bepaalt uiteindelijk de SPIC. Het starten van specialistische jeugdhulp zonder toewijzing is niet toegestaan, tenzij sprake is van crisis.

  • 4. Binnen verblijf (segment V) zijn de verblijfsvoorzieningen (artikel 2.11, lid 1) verdeeld in producten:

    • a.

      Pleegzorg: regulier, deeltijd, crisis en specialistisch;

    • b.

      gezinsgericht verblijf: gezinshuis en logeren;

    • c.

      verblijf zonder behandeling: woon- of leefgroep, begeleid wonen/kamertraining, ouder-/kindplekken, kleinschalige woonvoorzieningen;

    • d.

      verblijf met behandeling: twee- of drie milieuvoorziening, behandelgroep, GGZ behandeling met verblijf;

    • e.

      crisiszorg: crisisopvang, crisisopvang met verlenging, crisisopvang noodbed;

    • f.

      gesloten plaatsing: gesloten plaatsing;

    • g.

      zak- en kleedgeld bij verblijf in een residentiele instelling: zakgeld 6 t/m 11 jaar, zak- en kleedgeld 12 +

  • 5. De producten genoemd in lid 4, onder a tot en met f worden verdeeld in vier intensiteiten gebaseerd op de etmaalprijs en het aantal etmalen per maand. Voor logeren wordt de intensiteit bepaald door de etmaalprijs en het totaal aantal dagen. Het zak- en kleedgeld kent een vast tarief per maand.

Artikel 2.16. Herbeoordeling

  • 1. Het college kan de noodzaak van de voortzetting van specialistische en hoog-specialistische jeugdhulp periodiek laten herbeoordelen door het Lokaal (Jeugd)Team.

  • 2. Een herbeoordeling zoals bedoeld in het eerste lid, vindt in ieder geval plaats in de volgende situaties:

    • a.

      de ouders en/of jeugdige geven bij het Lokaal (Jeugd)Team aan dat de hulpvraag wezenlijk is gewijzigd; d

    • b.

      de aanbieder van specialistische of hoog-specialistische jeugdhulp geeft bij het Lokaal (Jeugd)Team aan dat de hulpvraag wezenlijk is gewijzigd.

Artikel 2.17 Stapelen en samenloop van jeugdhulp

  • 1. Het stapelen van meerdere SPIC’s voor een jeugdige bij één jeugdhulpaanbieder binnen hetzelfde segment en binnen dezelfde periode is niet toegestaan.

  • Uitzonderingen die wel zijn toegestaan:

    • De inzet van crisis naast een reguliere SPIC;

    • De combinatie pleegzorg met logeren;

    • Pleegzorg regulier met pleegzorg deeltijd;

  • Twee crisis SPIC’s tegelijkertijd zijn niet toegestaan.

  • 2. Samenloop is in de volgende situaties toegestaan:

    • a.

      Meer dan 1 SPIC bij twee of meer jeugdhulpaanbieders binnen hetzelfde segment en binnen dezelfde periode. Er geldt dan wel een perspectiefplanverplichting.

    • b.

      Een toewijzing van een SPIC uit segment B of C bij dezelfde jeugdhulpaanbieder in combinatie met een SPIC uit segment V (Verblijf).

    • c.

      Een toewijzing van een SPIC uit segment B, C of V bij dezelfde jeugdhulpaanbieder in combinatie met een crisis SPIC.

Artikel 2.18 Afspraken met aanbieders

  • a.

    Het college maakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie met aanbieders op geaggregeerd niveau afspraken over in ieder geval de volgende aspecten van de individuele voorzieningen:

    • a.

      doelgroepen;

    • b.

      activiteiten;

    • c.

      doorlooptijd;

    • d.

      intensiteit;

    • e.

      kwaliteit;

    • f.

      beoogd resultaat; en

    • g.

      vermelding productcode iJw.

Hoofdstuk 3. Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen

Artikel 3.1. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerst lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 2. In de gevallen genoemd in het voorgaande lid, neemt het college het verzoek van de betrokken jeugdhulpaanbieder tot zorgtoewijzing over zonder nader onderzoek, met uitzondering van hoog-specialistische jeugdhulp, specialistische jeugdhulp voor multi probleemgezinnen of verblijf, of als meer dan één voorziening op grond van de wet is toegekend. In deze gevallen dient het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.1. te worden uitgevoerd en legt dit vast in een perspectiefplan of een verslag zoals bedoeld in 4.4.

  • 3. Als een jeugdige of zijn ouders in het geval van hoog-specialistische jeugdhulp zwaarwegende bezwaren hebben tegen de betrokkenheid van een Lokaal Team kunnen zij gebruik maken van een opt-out-regeling. Het college neemt dan het besluit enkel op aanwijzing van de jeugdhulpaanbieder dat inzet van hoog-specialistische jeugdhulp, specialistische jeugdhulp voor multi probleem-gezinnen of verblijf noodzakelijk is. De jeugdhulpaanbieder voert dan zelf het onderzoek uit zoals bedoeld in artikel 4.1 en legt dit vast in een perspectiefplan of een verslag zoals bedoeld in 4.4. Gebruik maken van een opt-out-regeling is niet mogelijk bij een Pgb- aanvraag.

  • 4. Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt, behalve als er voldaan is aan de voorwaarden voor een pgb verstrekking, niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 5. De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Artikel 3.2. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1. Jeugdigen en ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.

  • 2. Het eerste contact over de hulpvraag wordt aangemerkt als een aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht als is voldaan aan de vormvoorschriften bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2, van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek als bedoeld in artikel 4.4. aan als een aanvraag als er, gelet op het tweede lid, nog geen aanvraag is ingediend en dit daarop door de belanghebbende is aangegeven.

  • 4. Als een jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 5.1. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.

  • 5. Het college neemt het besluit op een aanvraag uiterlijk binnen tien weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 6. Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 7. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

Hoofdstuk 4. Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente

Artikel 4.1. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1. Als bij het college een aanvraag om een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken, een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.

  • 2. Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 3. Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

  • 4. Het college kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.

  • 5. Het college onderzoekt wanneer een jeugdige of een ouder of een wettelijke vertegenwoordiger zich meldt met een vraag over jeugdhulp met de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s), de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s) of adoptiegerelateerde problemen, en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

      • 1°.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • 2°.

        welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • 3°.

        of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en

      • 4°.

        voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een andere voorziening, overige voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;

    • d.

      hoe bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp zo goed mogelijk rekening kan worden gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s);

    • e.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 6. Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord.

  • 7. Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger medegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Artikel 4.2. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

  • 1. Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2. Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

  • 3. Het college treft voorzieningen waarmee is gewaarborgd dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente op zorgvuldige wijze plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het daarop betrekking hebbende besluit neemt.

Artikel 4.3. Identificatie

  • 1. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vast aan de hand van een door hen ter inzage verstrekt document als bedoeld in artikel 1, van de Wet op de identificatieplicht.

  • 2. Ten aanzien van personen zonder de Nederlandse nationaliteit merkt het college voor de wet als geldig identiteitsbewijs aan:

    • a.

      een vreemdelingendocument van het type I, II, III, IV of EU/EER;

    • b.

      een verblijfskaart Ministerie van Buitenlandse Zaken (legale vreemdelingen);

    • c.

      een buitenlands paspoort; of

    • d.

      een vreemdelingendocument van het type W (asielzoekers).

Artikel 4.4. Verslag

  • 1. Binnen tien werkdagen na het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek en het in verband daarmee gevoerde gesprek. Opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger worden door hen aan het verslag toegevoegd.

  • 2. Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

  • 3. Als uit het verslag of de opmerkingen of latere aanvullingen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd.

  • 4. Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere of overige voorziening, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige of de jeugdige en zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening.

Artikel 4.5. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1. Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige of ouder in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2. Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de geldende Beleidsregels indicatiestelling Wlz.

  • 3. Een andere of overige voorziening kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 4. Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate, tijdig beschikbare voorziening.

  • 5. Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en [waar beschikbaar] er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 6. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

  • 7. In situaties waarbij ouders begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een jeugdige of zijn ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

  • 8. Het voorgaande lid is niet van toepassing als er parallel aan een hulpvraag sprake is van meervoudige problematiek in de context van het gezin.

Artikel 4.6. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1. Een individuele voorziening wordt niet verstrekt als naar het oordeel van het college uit het onderzoek blijkt dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) toereikend zijn om binnen de eigen mogelijkheden, zo nodig met inzet van het sociale netwerk of met ondersteuning van andere (hulpverlenende) instellingen, de hulp te bieden die passend is bij de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouder(s).

    Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met:

    • a.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • b.

      de duur daarvan;

    • c.

      de mogelijkheden van de jeugdige of zijn ouders;

    • d.

      de draagkracht en de belastbaarheid van de ouders;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen;

    • g.

      de mogelijkheden en de bereidheid van het sociale netwerk om de jeugdige of - zijn ouders te ondersteunen;

  • Bij gescheiden ouders, zijn beide ouders met gezag verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning.

  • 2. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor- en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige of zijn ouder(s).

  • 3. Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen, bedoeld in het eerste lid, neemt het college, gelet op het bepaalde in de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen, ook als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen, allereerst bij de ouder(s) zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Ook als deze hulp de gebruikelijke zorg overstijgt. Uit het onderzoek kan evenwel blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) tekortschiet, omdat sprake is van:

    • a.

      geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; of

    • c.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 5. Bij de beoordeling van het vierde lid, onder c, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouder(s) hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouder(s) maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet, waarbij als uitgangspunt geldt dat kortdurende inzet van niet langer dan drie maanden in een jaar niet tot overbelasting leidt;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouder(s) om in een inkomen te voorzien;

Artikel 4.7. Criteria voor de beoordeling aanvraag Jeugdwetvervoer

  • 1. Uitgangspunt is dat de jeugdige en/of ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder.

  • 2. Ook een afstand van minder dan 10 kilometer naar de jeugdhulplocatie wordt gezien als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en of de ouders om zelf het vervoer te regelen;

  • 3. Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige ten behoeve van het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt. Er moet dus een indicatie voor een individuele voorziening jeugdhulp zijn;

  • 4. Een vervoersvoorziening wordt niet verstrekt als aparte voorziening, als er bij de indicatie individuele voorziening een SPIC wordt afgegeven waar de vervoersvoorziening als onderdeel is opgenomen in de individuele voorziening.

  • 5. Een vervoersvoorziening wordt alleen aan de jeugdige toegekend als naar het oordeel van het college is aangetoond dat er een medische noodzaak dan wel een beperking in de zelfredzaamheid is, die inzet van deze voorziening noodzakelijk maakt.

  • 6. Het college beoordeelt, overeenkomstig artikel 4.6, in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

  • 7. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.

  • 8. Als er een andere regeling of voorziening vanuit een andere wetgeving mogelijk is waarvan de jeugdige gebruik kan maken, dan is deze voorliggend op de toekenning jeugdwetvervoer.

  • 9. Als aan bovengenoemde criteria is voldaan, bepaalt het college welke vorm van vervoersvoorziening het meest passend is

  • 10. De volgende vormen worden onderscheiden op volgorde van afweging:

    • a.

      Een vergoeding openbaar vervoer, indien de jeugdige zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kan maken;

    • b.

      Een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding indien door de ouders wordt aangetoond dat de jeugdige niet in staat is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken en de jeugdige dit ook niet binnen afzienbare tijd kan leren;

    • c.

      Aansluiting bij reeds bestaande vervoersbewegingen (aangepast vervoer) in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning of het leerlingenvervoer binnen (aanvullende) afspraken met het betreffende vervoersbedrijf voor zover dit mogelijk blijkt na onderzoek van de gemeente;

    • d.

      Een kilometervergoeding indien de ouders of iemand uit het sociaal netwerk de jeugdige zelf vervoeren of laten vervoeren op basis van een vastgesteld tarief van € 0,23 per kilometer van toepassing op het aantal kilometers bij meer dan 10 kilometer enkele reis;

    • e.

      Aangepast vervoer (taxivervoer) indien voorgaande mogelijkheden niet tot de opties behoren;

Artikel 4.8. Criteria voor de beoordeling aanvraag dyslexiezorg

  • 1. Een jeugdige komt in aanmerking voor dyslexiezorg als de jeugdige zeven jaar of ouder is, maar de leeftijd van 13 jaar nog niet heeft bereikt en nog op de basisschool zit;

  • 2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat de ED-specialist van het Samenwerkingsverband Waterland Primair Onderwijs op basis van de geldende Leidraad Ernstige Dyslexie van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. De ED-specialist van het SWV Waterland Primair Onderwijs verwijst door naar een gecontracteerde dyslexiezorgaanbieder.

Artikel 4.9. Kinderopvang en buitenschoolse opvang

  • 1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp.

  • 2. In uitzonderlijke situaties als een kind extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.]

Artikel 4.10. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1. In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2. Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking [tevens] in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en

    • c.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3. Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking [tevens] in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • d.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • e.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld; en

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

Hoofdstuk 5. Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb

Artikel 5.1 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1. Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wensen in te kopen door middel van een pgb, dienen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger daartoe een pgb-plan in. In het pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige of zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • f.

      indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige of zijn ouder(s) willen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • g.

      de motivatie aan de hand van de tien punten benoemd in artikel 5.2, waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 2. Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend achten;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 5.2 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 5.4 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 3. Het college verstrekt geen pgb als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf; of

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.

  • 4. Het college weigert een pgb als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is.

Artikel 5.2 Pgb-vaardigheid

  • 1. Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder, al dan niet met hulp vanuit het sociaal netwerk of, indien van toepassing, een budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

  • 2. Een budgethouder of een budgetbeheerder wordt in beginsel niet in staat geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • a.

      het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder tenzij de persoon eerste of tweedegraads bloed- of aanverwant is van de jeugdige;

    • b.

      er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • schuldenproblematiek;

      • ernstige verslavingsproblematiek;

      • aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift; of

      • het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Artikel 5.3 Onderscheid formele en informele hulp

  • 1. Van formele hulp is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2. Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3. Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaken van het sociale netwerk.

  • 4. Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er sprake van informele hulp.

Artikel 5.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • a.

      beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;

    • b.

      beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • c.

      houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • d.

      is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • e.

      werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • f.

      voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • g.

      stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige of zijn ouder(s);

    • h.

      stemt de hulp af op voorliggende voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • i.

      respecteert de privacy van de jeugdige of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • j.

      neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • k.

      meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • l.

      werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid; en

    • m.

      is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2. Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • a.

      hetgeen is bepaald in artikel 5.3, eerste en tweede lid;

    • b.

      handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • c.

      werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • d.

      werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • e.

      hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • f.

      stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

  • 3. Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling op basis van het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 5.5 Hoogte van het pgb

  • 1. De hoogte van het pgb is gebaseerd op het budgetplan en:

    • a.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare voorziening in natura;

    • b.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van in de betreffende situatie vergelijkbare voorzieningen op grond van vergelijkbare wetten zoals de zorgverzekeringswet, wet langdurige zorg en/of Wet maatschappelijke ondersteuning;

    • c.

      is toereikend om effectieve en kwalitatieve zorg in te kopen en

    • d.

      is gebaseerd op de volgende categorieën en tarieven jeugdhulp:

      PGB tarieven 2025

       
       

      Tarieven 2025

      (indexatie 5,19%)

      Tarieven

      ZZP 2025

      (85%)

      Ambulante jeugdzorg

      Pgb Ambulant jeugdzorg HBO

      uurtarief

      89,58

      76,14

      Pgb Ambulant jeugdzorg WO

      uurtarief

      115,80

      98,43

      Dagbehandeling jeugdzorg

      Pgb dagbehandeling jeugdzorg MBO/HBO

      tarief dagdeel

      101,88

      86,60

      Verblijf jeugdzorg

      Verblijf jeugdzorg begeleid wonen MBO/HBO/WO

      etmaal

      44,91

      38,18

      Verblijf jeugzorg gezinshuis MBO/HBO/WO

      etmaal

      182,39

      155,03

      Verblijf jeugdzorg MBO/HBO/WO

      etmaal

      274,15

      233,02

      Verblijf jeugdzorg zwaar MBO/HBO/WO

      etmaal

      364,55

      309,87

      Generalistische basis GGZ

      Pgb Generalistische basis GGZ HBO

      uurtarief

      115,80

      98,43

      Specialistische GGZ

      Pgb specialistische GGZ WO

      uurtarief

      128,83

      109,50

      Begeleiding individueel / groep

      Pgb Begeleiding individueel MBO/HBO

      uurtarief

      49,41

      42,00

      Pgb Begeleiding groep zonder vervoer MBO/HBO

      dagdeel

      61,06

      51,90

      Pgb Begeleiding groep met vervoer MBO/HBO

      dagdeel

      68,41

      58,15

      Persoonlijke verzorging

      Pgb Persoonlijke verzorging MBO

      uurtarief

      37,25

      31,66

      Kortdurend verblijf

      Pgb Kortdurend verblijf MBO

      etmaal

      139,21

      118,33

      Behandeling (L)VB

      Pgb Behandeling (L)VBindividueel MBO/HBO/WO

      uurtarief

      89,58

      76,14

      Pgb Behandeling (L)VB groep MBO/HBO/WO

      dagdeel

      101,88

      86,60

      Verblijf (L)VB

      Pgb Verblijf (L)VB licht MBO/HBO/WO

      etmaal

      179,92

      152,93

      Pgb Verblijf (L)VB MBO/HBO/WO

      etmaal

      258,13

      219,41

      Pgb Verblijf (L)VB zwaar MBO/HBO/WO

      etmaal

      337,01

      286,46

      Overig

      Niet-professionele zorg (voor begeleiding,

      persoonlijke verzorging)

      uurtarief

      27,56

      n.v.t.

    • e.

      voor de categorieën genoemd in het eerste lid onder d. is het tarief gebaseerd op de tarieven van 2025 voor zorg in natura welke jaarlijks, met uitzondering van de categorie overig (zie lid 4), met ingang van 2026 worden geïndexeerd op basis van de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA);

  • 2. Het tarief bij de inzet van een professionele hulpverlener is 85% van het in lid 1 onder d beschreven bij het inschakelen van een zelfstandige zonder personeel.

  • 3. Het tarief voor ernstige enkelvoudige dyslexiezorg zoals genoemd in artikel 2.13 bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van de kostprijs van de goedkoopste door het college jaarlijks geïndexeerd ingekochte vergelijkbare voorziening bij de inzet van een medewerker in loondienst bij een zorgaanbieder;

    • b.

      85% van de kostprijs van de goedkoopste door het college jaarlijks geïndexeerd ingekochte vergelijkbare voorziening bij een zelfstandige zonder personeel.

  • 4. Het tarief van niet professionele ondersteuning (voor begeleiding en persoonlijke verzorging) bedraagt maximaal € 27,56 per uur. Dit uurtarief wordt niet jaarlijks geïndexeerd;

  • 5. Het college stelt jaarlijks de maximumtarieven vast voor de categorieën genoemd in het eerste lid onder d met inachtneming van het bepaalde in het eerste lid onder c;

  • 6. Het college kent geen vrij besteedbaar bedrag toe vanuit het pgb.

  • 7. Het college publiceert de pgb tarieven jaarlijks uiterlijk op 31 december voorafgaand aan het jaar waarop de tarieven van toepassing zijn op de website van de gemeente.

  • .

Artikel 5.6 Uitgesloten van pgb

  • 1. De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

    • a.

      kosten voor bemiddeling;

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • e.

      kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

    • f.

      kosten voor vervoer als de jeugdige op grond van artikel 4.7 naar het oordeel van het college niet in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening;

    • g.

      kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp); en

    • h.

      kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Hoofdstuk 6. Herziening, intrekking, terugvordering en opschorten

Artikel 6.1. Inlichtingen

  • 1. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2. Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.

Artikel 6.2. Niet meewerken ouder(s)

  • 1. De jeugdige en zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2. Als de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.]

Artikel 6.3. Intrekking of herziening

  • 1. Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

  • 2. Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • c.

      de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;

    • e.

      de jeugdige of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;

    • f.

      de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, dan wel met wie overeenkomsten zijn ontbonden, dan wel opgezegd, als bedoeld in artikel 5.1, derde lid; of

    • g.

      de jeugdige langer dan twaalf weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 3. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4. Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

Artikel 6.4 Opschorting en terugvordering

  • 1. Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van artikel 6.3 dan kan het college de geldschade ter hoogte van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb vorderen van de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger.

  • 2. Het college kan de geldschade ter hoogte van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb vorderen van de zorgaanbieder dan wel de pgb-aanbieder indien:

    • a.

      De aanbieder geld heeft ontvangen voor zorg die (gedeeltelijk) niet is verleend of niet (geheel) conform de gestelde voorwaarden is verleend en de aanbieder niet binnen 72 uur melding heeft gedaan bij de gemeente dan wel pgb-beheerder om dit te crediteren;

    • b.

      Een individuele voorziening voor een ander doel is ingezet dan waarvoor het is toegekend;

    • c.

      Een individuele voorziening zonder toestemming van het college in het buitenland is ingezet;

  • 3. De hoogte van de terugvordering is de gehele of gedeeltelijke geldwaarde van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

  • 4. In het geval van terugvordering stuurt het college een factuur die binnen vier weken moet worden voldaan.

  • 5. Het college kan bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk invorderen.

  • 6. Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

Hoofdstuk 7. Controle en toezicht

Artikel 7.1. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b van de Regeling Jeugdwet, de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan;

  • 3. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefgewijs, of de verwijzingen door derden als bedoeld in artikel 3.1.van deze verordening rechtmatig zijn;

    Het college kan een onderzoek starten op basis van de ontvangen informatie van andere instanties, zoals andere gemeenten, GGD, zorgverzekeraar of andere beleidsvelden zoals de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Participatiewet etc.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de genoemde controles.

Artikel 7.2. Toezichthouders

  • 1. Het college wijst een toezichthouder aan die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2. De aangewezen toezichthouder is in ieder geval belast met :

    • a.

      de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen;

    • b.

      de bevoegdheid om de (cliënten)administratie te vorderen bij de zorgverlener;

    • c.

      de bevoegdheid om de administratie te vorderen van de pgb-beheerder;

    • d.

      vorderen van de identificatie;

    • e.

      inzage van documenten en toegang tot gegevens;

    • f.

      het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen);

    • g.

      controleren of de zorgverlener de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking of de raamovereenkomst met het college naleeft;

    • h.

      ondersteuningsinhoudelijk controleren van de overeenkomsten die de pgb-beheerder heeft gesloten; voldoen deze aan bij de aanvraag geleverde gegevens en informatie.

  • 3. Eenieder is verplicht om mee te werken aan het onderzoek van de toezichthouder. Indien medewerking geweigerd wordt, dan kan het college een last onder dwangsom opleggen.

  • 4. Het college kan nadere regels opstellen met betrekking tot de bevoegdheden van de toezichthouder.

Artikel 7.3. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1. Het college kan de nodige maatregelen treffen om het oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen en pgb’s te voorkomen en fraude te bestrijden. Tot deze maatregelen behoren in ieder geval:

    • a.

      het college zoekt waar mogelijk samenwerking met organisaties die zich ook bezighouden met het tegengaan van oneigenlijk gebruik en fraude op het terrein van de zorg of aanverwante terreinen;

    • b.

      het college verricht zo nodig onderzoek bij (pgb-)aanbieders van individuele voorzieningen die een subsidie- of contractrelatie met de gemeente onderhouden of die ondersteuning verlenen op grond van een pgb aan inwoners en die verplicht zijn om kosteloos hun medewerking te verlenen;

    • c.

      het college maakt afspraken met aanbieders van voorzieningen over de facturatie, resultaatsturingen, accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties;

    • d.

      het college kan controleren, al dan niet steekproefsgewijs, of de gemaakte afspraken zoals genoemd in het voorgaande lid worden nagekomen;

    • e.

      het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract;

    • f.

      het college kan periodiek controles uitvoeren bij langlopende en/of hoge indicaties;

    • g.

      het college voert een grondige toets aan de voorkant uit bij de verstrekking van een pgb op:

      • i.

        de regiemogelijkheden van de ouder of jeugdige of degene die de ouder of jeugdige als vertegenwoordiger wenst in te schakelen.

      • ii.

        de kwaliteit van de invulling van het door de ouder of jeugdige en (pgb-)aanbieder te overleggen zorgovereenkomst mede met het oog op de te bereiken resultaten.

    • h.

      het college monitort het gebruik van het pgb en de behaalde resultaten in relatie tot de gestelde doelen.

    • i.

      het college draagt er zorg voor dat signalen over oneigenlijk gebruik en fraude gemeld kunnen worden in het kader van uitvoering van de wet.

    • j.

      het college kan, in geval van misbruik of oneigenlijk gebruik van een individuele voorziening in natura of een pgb dan wel van frauduleus handelen door een zorgaanbieder, de geldschade ter hoogte van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb terugvorderen van de zorgaanbieder.

Artikel 7.4. Fraudepreventie

Het college zet in op fraudepreventie, dat in ieder geval omvat:

  • a.

    het voorlichting geven aan inwoners van de gemeente en in het bijzonder aan inwoners aan wie een individuele voorziening is toegekend;

  • b.

    het informeren van inwoners over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een individuele voorziening en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik;

  • c.

    het vroegtijdig opsporen van misbruik of oneigenlijk gebruik.

Hoofdstuk 8. Afstemming met andere voorzieningen

Artikel 8.1 Voorliggende voorzieningen

  • 1. Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

    • a.

      met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet;

    • b.

      naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • c.

      gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe;

    • d.

      een oplossing gevonden kan worden voor de hulpvraag door gebruik te maken van voorzieningen en interventies die behoren tot het voorliggende veld en die vrij-toegankelijk zijn;

    • e.

      een oplossing gevonden kan worden voor de hulpvraag in het benutten van mogelijkheden in het kader van het Arbeidsrecht of andere regelingen, zoals bijzonder of buitengewoon verlof;

    • f.

      sprake is van problematiek bij de ouders waarvoor interventies zoals begeleiding en mediaton tussen ouders noodzakelijk is.

  • 2. Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.

  • 3. De jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger die een aanvraag voor jeugdhulp doen, worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

  • 4. Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg wordt cliëntondersteuning ingeschakeld.

Artikel 8.2 Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1. Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige of een ouder behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

    • a.

      de Leerplichtwet;

    • b.

      de Participatiewet;

    • c.

      de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • d.

      de Wet inburgering 2021;

    • e.

      de Wet kinderopvang;

    • f.

      de Wet langdurige zorg;

    • g.

      de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • h.

      de Wet passend onderwijs;

    • i.

      de Wet publieke gezondheid;

    • j.

      de Wet tijdelijk huisverbod;

    • k.

      de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • l.

      de Zorgverzekeringswet,

  • zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2. De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige of een ouder of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige of een ouder, voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 3. Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige of een ouder;

    • b.

      de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 4.6 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 4. Als een jeugdige of een ouder of wettelijk vertegenwoordiger weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.

  • 5. Als een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:

    • a.

      voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn; en

    • b.

      de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

  • 6.

    • a.

      Voor jeugdigen vanaf het 16e levensjaar dient de aanbieder een “toekomstplan naar volwassenheid” op te stellen met daarin opgenomen:

      • welke hulp of ondersteuning nodig is vanaf de 18e verjaardag;

      • hoe en vanuit welke andere wet (Wmo 2015, Wlz of Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het 18e levensjaar wordt ingezet;

      • de eventuele veranderingen die betrekking hebben op de overgang naar volwassenheid op de verschillende leefgebieden. Denk hierbij aan werk, inkomen, wonen, school, welzijn en een steunend netwerk.

    • b.

      De aanbieder betrekt een half jaar voor dat de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt, de jeugdige, het gezin, het lokale team en/of de GI bij (het opstellen van) het toekomstplan;

    • c.

      Het lokale team en/of de GI monitort of de aanbieder de verplichting, zoals omschreven onder 6a, nakomt.

  • 7. Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet. Het college draagt hierbij zorg voor een warme overdracht.

Hoofdstuk 9. Waarborgen verhouding prijs en kwaliteit

Artikel 9.1 Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermings- maatregelen en jeugdreclassering

  • 1. Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • a.

      cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • b.

      cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • c.

      overheadkosten;

    • d.

      kosten voor indexering; en

  • 2. Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of Gecertificeerde Instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

Hoofdstuk 10. Klachten en medezeggenschap

Artikel 10.1. Klachtregeling

Het college stelt een regeling vast voor de afhandeling van klachten van jeugdigen, ouders en hun wettelijk vertegenwoordigers die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen, verzoeken en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

Artikel 10.2. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1. Het college stelt jeugdigen en hun ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het eerste en tweede lid.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige en/of diens ouders afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 11.2 Evaluatie

Het college voert binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening een evaluatie uit over de doeltreffendheid en de effecten van deze verordening en (indien vastgesteld) de nadere regels in de praktijk.

Artikel 11.3. Overgangsrecht, intrekking oude verordening

  • 1. Een jeugdige of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 3. Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) van worden afgeweken als heroverweging op grond van de deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst.

  • 4. Het college is bevoegd een besluit, dat is genomen op grond van Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022 te herzien:

    • a.

      op de gronden, vermeld in Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022;

    • b.

      indien uit een door het college uitgevoerd heronderzoek blijkt dat er met toepassing van de ten tijde van het onderzoek geldende verordening een afwijkend besluit zou zijn genomen;

    • c.

      indien de cliënt wenst te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.

  • 5. Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022, terug te vorderen op de in deze verordening genoemde gronden.

  • 6. De Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2022 wordt ingetrokken.

Artikel 11.4. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Jeugdhulp gemeente Purmerend 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 november 2025.

de wnd. griffier,

M. Timmerman

de voorzitter,

E. van Selm

Toelichting Verordening Jeugdhulp

ALGEMEEN

Opbouw van de verordening

Deze verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 leest u welke vormen van jeugdhulp de gemeente kan bieden. Hoofdstuk 3 behandelt de verschillende wegen die leiden naar toegang tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 gaat over de manier waarop een verzoek om jeugdhulp wordt beoordeeld en hoe een besluit daarover wordt voorbereid. Hoofdstuk 5 bevat aanvullende regels voor het bieden van jeugdhulp in de vorm van een persoonsgebonden budget. De hoofdstukken 6 tot en met 10 bevatten overige (algemene) regels, onder meer over rechten, (medewerkings)plichten en de herziening van besluiten.

In de toelichting wordt veel verteld. Soms in vaktermen.

Daarom leggen we het in de blauwe vakken ook kort en duidelijk uit.

De opdracht van de wetgever: wat moet de Verordening regelen?

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. De taken van de gemeenten zijn geregeld in de Jeugdwet (hierna: de wet). Gemeenten moeten ervoor zorgen dat jongeren met een beperking, stoornis of aandoening de jeugdhulp en ondersteuning krijgen die nodig is. Eén van de doelen van de wet is om gebruik te maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, zodat jeugdhulp wordt geboden aan jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties, waarbij de inzet van jeugdhulp noodzakelijk is gezien de aard en ernst van de hulpvraag.

Deze verordening geeft uitvoering aan de wet die de gemeenteraad opdraagt om bij verordening regels vast te stellen over:

  • a.

    de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening;

  • b.

    de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen;

  • c.

    de wijze waarop de hoogte van een persoonsgebonden budget wordt vastgesteld; en

  • d.

    de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Daarnaast regelt deze verordening, overeenkomstig de wet, op welke wijze ingezetenen, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, worden betrokken bij de uitvoering van de wet, waarbij wordt geregeld de wijze waarop zij:

  • a.

    in de gelegenheid worden gesteld voorstellen voor het beleid te doen;

  • b.

    vroegtijdig in staat worden gesteld gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen;

  • c.

    worden voorzien van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen,

  • d.

    deel kunnen nemen aan periodiek overleg;

  • e.

    onderwerpen voor de agenda van dit overleg kunnen aanmelden; en

  • f.

    worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie.

De verordening bevat ook regels ter waarborging van:

  • a.

    een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van diensten door derden en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan; en

  • b.

    de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering.

[Tot slot wordt in deze verordening bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk.]

Achtergronden

De wet maakt deel uit van de in 2015 ingezette bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de jeugd-ggz, de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Eén van de uitgangspunten hierbij was dat een omslag gemaakt zou worden van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg zijn vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd het waar nodig tijdig bieden aan jeugdigen en ouders van bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jongere en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin wordt versterkt.

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.2, van de wet heeft vastgesteld. In dit beleidsplan is het door het gemeentebestuur te voeren beleid vastgelegd met betrekking tot preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering.

Vrij toegankelijk en niet vrij toegankelijk

In de verordening is onderscheid gemaakt tussen overige (vrij-toegankelijke) en individuele (niet vrij-toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (zie artikel 2, eerste, respectievelijk tweede lid). Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij-toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en/of zijn ouders gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouders kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden.

Toegang jeugdhulp via de gemeente

Een hulpvraag van een jeugdige of zijn ouder kan binnenkomen bij de gemeente (in sommige gevallen nadat zij naar de gemeente zijn doorverwezen door het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling). De beslissing door de gemeente welke hulp een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft, komt vervolgens tot stand op basis van het onderzoek dat namens het college in samenspraak met die jeugdige en zijn ouders wordt uitgevoerd. Veelal zal op basis van één of meerdere gesprekken tussen een door de gemeente ingezette deskundige en de jeugdige en zijn ouders gekeken worden wat de jeugdige en zijn ouders eventueel zelf of met behulp van hun netwerk kunnen doen aan het probleem. Als aanvullend daarop een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig is, dan zal eerst gekeken worden of dit een vrij-toegankelijke voorziening is of een niet vrij-toegankelijke voorziening. Is het laatste het geval dan neemt het college een besluit tot verstrekking van de voorziening en worden de jeugdige en zijn ouders doorverwezen naar een jeugdhulpaanbieder die in staat is om de betreffende problematiek aan te pakken. Dit proces is in deze verordening nader ingekaderd.

Toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist

De wet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft gecontracteerd. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie na de verwijzing beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind en het principe van 1 gezin – 1 regisseur – 1 plan, met name bij meervoudige problematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulpaanbieder rekening moeten houden met de regels die in deze verordening zijn gesteld. Deze verordening regelt welk aanbod van de gemeente alleen via verwijzing of met een besluit van de gemeente toegankelijk is en stuurt op collectief niveau op de omvang en duur van de beschikte individuele voorzieningen (zie artikel 2, derde lid). De bepalingen in de verordening over het onderzoek naar de hulpvraag zijn onverkort op jeugdhulpaanbieders van toepassing, ook bij de toegang via de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist (zie artikel 3).

Toegang via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter, het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting

Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (via een kinderbeschermingsmaatregel of een maatregel tot jeugdreclassering), het Openbaar Ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of beëindiging van het gezag uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt. De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de wet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening.

Afbakening jeugdhulpplicht

De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen.

De verordening voorziet in:

  • -

    Het scherper verwoorden en uitwerken van het beschikbare voorzieningenpakket;

  • -

    Een verbeterde afstemming tussen de wet en andere wetgeving;

  • -

    Het uitwerken van de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen ouders en het college als verstrekker van individuele voorzieningen;

  • -

    Een uitdrukkelijke opname van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) verplicht stellen voor de medische verwijsroute; en

  • -

    Duidelijke voorwaarden ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet.

Deze verordening vormt het normstellend kader waarmee de jeugdhulp nader wordt geregeld, met inachtneming van de wet.

Toelichting – Algemeen in begrijpelijke taal 

Hoe is de verordening opgebouwd?

De verordening begint met een lijst van belangrijke begrippen. Daarna lees je in hoofdstuk 2 welke soorten jeugdhulp de gemeente kan geven. In hoofdstuk 3 staat hoe je toegang krijgt tot jeugdhulp. Hoofdstuk 4 legt uit hoe een aanvraag wordt beoordeeld. Hoofdstuk 5 gaat over jeugdhulp via een persoonsgebonden budget (pgb). De hoofdstukken 6 tot en met 10 gaan over andere regels, zoals rechten, plichten en het aanpassen van besluiten.

Wat moet de gemeente regelen volgens de wet?

Sinds 1 januari 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor alle jeugdhulp. Dat staat in de Jeugdwet. De gemeente moet zorgen dat jongeren met een beperking of probleem de juiste hulp krijgen. De wet wil dat jongeren en ouders zoveel mogelijk zelf doen, met hulp van hun netwerk. Alleen als dat niet lukt, komt de gemeente in beeld.

De gemeenteraad moet regels maken over:

  • Welke hulp de gemeente geeft en hoe dat wordt beoordeeld.

  • Hoe de hulp wordt afgestemd met andere hulp, zoals zorg, onderwijs of werk.

  • Hoe de hoogte van een pgb wordt bepaald.

  • Hoe misbruik van hulp of pgb wordt voorkomen.

Ook moet de gemeente zorgen dat inwoners, vooral jongeren en hun ouders, kunnen meedenken over het beleid. Bijvoorbeeld door:

  • Zelf voorstellen te doen.

  • Advies te geven over plannen.

  • Informatie en ondersteuning te krijgen.

  • Mee te doen aan overleg.

Verder moet de gemeente zorgen voor:

  • Een goede verhouding tussen prijs en kwaliteit van de hulp.

  • Dat de hulp doorgaat, ook bij bijvoorbeeld jeugdbescherming of jeugdreclassering.

Achtergrond

De Jeugdwet is onderdeel van een grote verandering in 2015. Gemeenten kregen toen meer taken, zoals jeugdzorg, jeugd-ggz en hulp aan jongeren met een beperking. Het recht op zorg werd vervangen door een plicht voor gemeenten om passende hulp te regelen. De gemeente bepaalt dus wat nodig is, op maat.

De verordening hoort bij het beleidsplan van de gemeente. Daarin staat het beleid over jeugdhulp, preventie en jeugdbescherming.

Vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke hulp

Er zijn twee soorten hulp:

  • Vrij toegankelijke hulp: hiervoor heb je geen besluit van de gemeente nodig. Je kunt er zelf naartoe.

  • Individuele hulp: hiervoor is een besluit van de gemeente nodig.

Toegang via de gemeente

Een hulpvraag kan bij de gemeente binnenkomen, bijvoorbeeld via Veilig Thuis. De gemeente onderzoekt samen met het gezin wat nodig is. Soms is hulp uit het eigen netwerk genoeg. Als er meer nodig is, kijkt de gemeente of het om vrij toegankelijke of individuele hulp gaat. Bij individuele hulp volgt een besluit en een verwijzing naar een aanbieder.

Toegang via artsen

Ook een huisarts, jeugdarts of medisch specialist kan verwijzen naar jeugdhulp. De aanbieder bepaalt dan welke hulp precies nodig is. De aanbieder moet zich houden aan de afspraken met de gemeente. Zo blijft de hulp goed afgestemd en overzichtelijk.

Toegang via rechter of gecertificeerde instelling

Soms bepaalt de kinderrechter of een gecertificeerde instelling welke hulp nodig is, bijvoorbeeld bij een ondertoezichtstelling. De gemeente moet deze hulp dan leveren. De gemeente mag wel meedenken over de kosten, maar moet de hulp geven die nodig is.

Wat valt wel en niet onder jeugdhulp?

De wet wordt binnenkort aangepast om duidelijker te maken wat wel en niet onder jeugdhulp valt. Nu is het soms onduidelijk. De bedoeling is dat hulp vooral terechtkomt bij gezinnen die het echt nodig hebben. Hulp die mensen zelf kunnen regelen, valt daar meestal niet onder.

De verordening helpt hierbij door:

  • Beter te beschrijven welke hulp er is.

  • Beter af te stemmen met andere wetten.

  • Duidelijk te maken wat ouders zelf moeten doen.

  • Regels te geven om misbruik te voorkomen.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Alleen die bepalingen die verdere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Hoofdstuk 1Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

Het aantal definities in artikel 1 is beperkt aangezien de Jeugdwet (hierna: de wet) al een flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening. Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de verordening worden de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de wet gebruikt. Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of’ impliceert hier ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar).

In artikel 1.1 van de wet is jeugdhulp als volgt gedefinieerd:

  • 1°.

    ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptiegerelateerde problemen;

  • 2°.

    het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een somatische, verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, en

  • 3°.

    het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht’.

Ook de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kent een aantal definitiebepalingen die voor deze verordening van belang zijn, zoals: ‘aanvraag’ (artikel 1:3, derde lid, van de Awb) en ‘beschikking’ (artikel1:3, tweede lid, van de Awb).

‘Andere voorziening’: onder het begrip ‘andere voorziening’ wordt in deze verordening verstaan een voorziening die niet op grond van de wet wordt getroffen, maar in het kader van maatschappelijke ondersteuning, onderwijs, werk en inkomen of zorg. Bijvoorbeeld schuldhulpverlening of psychische zorg aan volwassenen. Zie ook artikel 2.9, onder b, van de wet. De verschillende beschikbare vormen van jeugdhulp zijn opgenomen in hoofdstuk 2 (individuele voorzieningen en overige voorzieningen). Hoe individuele voorzieningen verkregen kunnen worden, is nader geregeld in Hoofdstuk 3 en verder.

‘Gebruikelijke zorg’: Dit is de dagelijkse verzorging en opvoeding die alle ouders aan hun kind bieden. Denk bijvoorbeeld hulp bij aankleden, eten, wassen, naar bed/school brengen of helpen met huiswerk. Soms heeft een jeugdige hulp nodig die niet redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden. Bijvoorbeeld intensieve begeleiding bij ernstige gedragsproblemen of medische verzorging die veel extra tijd en kennis vraagt. Dit noemen we bovengebruikelijke hulp. Het gaat om hulp die qua aard, intensiteit of duur de draagkracht van het gezin overstijgt. Deze hulp valt buiten de normale opvoedingsverantwoordelijkheden. Pas als blijkt dat ouders deze hulp niet zelf kunnen bieden, ook niet met hulp van hun netwerk, kan de gemeente een voorziening treffen.

‘Individuele voorziening’: ’ is de term die in de Jeugdwet gebruikt wordt voor wat in de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een ‘maatwerkvoorziening’ heet. De term individuele voorziening wordt in de Jeugdwet niet gedefinieerd, vandaar dat in de verordening een begripsbepaling is toegevoegd. Ofschoon de term (net als de term ‘overige voorziening’) verwarring op kan roepen – het gaat niet noodzakelijkerwijze om individueel geboden hulp, maar ook om groepsaanbod– is in dit geval er voor gekozen om de formele term uit de Jeugdwet te gebruiken, aangezien deze in meerdere bepalingen van de Jeugdwet een rol speelt.

‘iJw’: is in de Regeling Jeugdwet gedefinieerd als de ‘door het Zorginstituut beheerde standaarden als bedoeld in artikel 2.15, derde lid, van de wet bestaande uit bedrijfsregels, berichtenstandaarden en berichtspecificaties’. De iJw is de iStandaard om cliënten in alle fasen van de Jeugdwet-keten te volgen: van de toewijzing tot de zorglevering en de declaratie. Het doel is een snelle en efficiënte inzet van zorg ondersteunen en bijdragen aan een afname van administratieve lasten. Daarnaast moet iJw een betrouwbare en duurzame bron van informatie zijn over Jeugdwet-zorg (https://www.istandaarden.nl/ijw).

‘Lokaal (Jeugd)Team’: Een team van professionals dat de hulpvraag van jeugdigen en/of zijn ouders behandelt en waar nodig de toegang naar de individuele voorzieningen verzorgt bestaande uit het Jeugdoverleg in de wijk en Loket Jeugd.

‘Perspectiefplan’: Het perspectiefplan wordt opgesteld door de jeugdige/het gezin, eventueel samen met Lokaal Team. De toe te wijzen SPIC/product is gebaseerd op de in het perspectiefplan geformuleerde resultaten. De jeugdhulpaanbieder kan hierin om advies gevraagd worden. Het Lokaal Team bepaalt uiteindelijk de SPIC/het product. Het Lokaal Team is verantwoordelijk dat er een perspectiefplan is en deelt deze met de jeugdhulpaanbieder voor zijn dossier.

Het perspectiefplan is bedoeld om de ondersteuningsbehoefte en gewenste resultaten/doelen te beschrijven. De geformuleerde resultaten voor de specialistische jeugdhulp vormen een integraal onderdeel van het behandelplan van de jeugdhulpaanbieder. Indien de Gecertificeerde Instelling verwijst, neemt het Gezinsplan de rol over van het perspectiefplan. Er is dan geen perspectiefplanverplichting.

‘Pgb’: De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’.

Hoofdstuk 2Vormen van jeugdhulp

Dit hoofdstuk geeft uitvoering aan artikel 2.9, onder a, van de Jeugdwet, op grond waarvan de gemeente verplicht is bij verordening regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Daarnaast beoogt deze verordening voor iedereen duidelijk te maken wat het gemeentelijke aanbod aan jeugdhulpvoorzieningen is. Ook vindt de gemeente het belangrijk dat op voorhand duidelijk is – uitgaande van toegang tot de jeugdhulp via de gemeente (zie artikel 3.2) – welke vormen van voorzieningen alleen toegankelijk zijn na een besluit van de gemeente (de ‘individuele voorzieningen’) en welke in beginsel vrij toegankelijk zijn voor iedereen waarvoor ze bedoeld zijn (de ‘overige voorzieningen’).

Gelet op het voornoemde belang bevat dit hoofdstuk een opsomming van de vormen van jeugdhulp die de gemeente biedt. Van verschillende van de hier genoemde vormen van jeugdhulp bestaan diverse varianten. Welke variant wordt ingezet zal steeds afhankelijk zijn van de uitkomst van het onderzoek en de betreffende situatie en de specifieke behoeften van de jeugdige en zijn ouders.

Paragraaf 1Overige voorzieningen

Overige voorzieningen zijn vrij toegankelijk voor jongeren en/of ouders. In sommige gevallen wordt gekeken of de voorziening passend is bij de vraag. Denk bijvoorbeeld aan toegang tot een voorziening als een autisme-café, buurtgezinnen of een brusjesgroep. Dit is een algemene voorziening, maar wel voor en specifieke doelgroep. Dit zijn slechts enkele voorbeelden.

Artikel 2.1 Preventieve voorzieningen Jeugd(welzijn)

De gemeente heeft met een aantal ketenpartners aanbod ontwikkeld specifiek voor jeugdigen en hun ouders. Op de website Beschikbaarheidswijzer kan onder Jeugdhulp gezocht worden op de regio Zaanstreek-Waterland. Vanaf 2026 kan hier per gemeente het aanbod preventieve voorzieningen Jeugd gevonden worden.

Voorbeelden van preventieve voorzieningen zijn:

  • Inzet van ervaringsdeskundigen;

  • Jongerenwerk;

  • Schoolmaatschappelijk werk;

  • Opvoedcursussen, waaronder Positief opvoeden, cursus voor gescheiden ouders van kinderen, gespreksgroep Peuter in zicht, Opvoeden en Zo, Beter omgaan met pubers;

  • Ondersteuning bij leeftijdsfase gebonden problematiek zoals slaapproblemen, emotie-regulatieproblemen en onzekerheid;

  • Inzet van Steunouders en andere vormen van informele ondersteuning voor kinderen en gezinnen (Buurtgezinnen);

  • Trainingen voor jeugdigen op het gebied van sociale vaardigheden, weerbaarheid, faalangst, seksualiteit, huiselijk geweld. Denk aan Rots en Water training en Piep zei de muis.

  • Ondersteuning aan jonge mantelzorgers;

  • Ondersteuning en begeleiding die geboden wordt door jeugdartsen, jeugdverpleegkundigen, of professionals van de Lokale Teams;

  • Steun bij scheiding door de gezins- en opvoedcoaches gericht op het op weg helpen bij alle zaken waar een ouder in deze tijd mee te maken krijgt, denk aan opvoedvragen of vragen over het nieuwe samengestelde gezin;

  • Aanpakken van ziekteverzuim.

Wat staat er in artikel 2.1 over de preventieve voorzieningen voor jeugd en gezin?

De gemeente biedt hulp aan kinderen, jongeren en ouders om problemen te voorkomen. Deze hulp is vrij toegankelijk. Je hebt dus geen besluit van de gemeente nodig om er gebruik van te maken.

Op de website Beschikbaarheidswijzer kun je per gemeente zien welke hulp er is.

Voorbeelden van deze hulp zijn:

  • Ervaringsdeskundigen: mensen die zelf ervaring hebben met problemen en anderen helpen.

  • Jongerenwerk: activiteiten en begeleiding voor jongeren.

  • Schoolmaatschappelijk werk: hulp op school bij opvoeding en problemen thuis.

  • Opvoedcursussen: zoals Positief Opvoeden, omgaan met pubers, of hulp bij scheiding.

  • Hulp bij leeftijdsproblemen: zoals slaapproblemen, onzekerheid of boosheid.

  • Steunouders en Buurtgezinnen: mensen uit de buurt die helpen bij de opvoeding.

  • Trainingen voor kinderen: bijvoorbeeld Rots en Water of Piep zei de muis.

  • Hulp voor jonge mantelzorgers: jongeren die zorgen voor een familielid.

  • Begeleiding door jeugdartsen of jeugdverpleegkundigen.

  • Hulp bij scheiding: bijvoorbeeld door opvoedcoaches.

  • Aanpak van ziekteverzuim op school.

Artikel 2.2 Ondersteuning bij het maken van een familiegroepsplan

De wet biedt jeugdigen en/of ouder de mogelijkheid om zelf een plan, het familiegroepsplan te maken en in te dienen bij het Lokaal team. Daarbij kunnen ze ondersteuning krijgen bij door de gemeente gecontracteerde aanbieders.

In het familiegroepsplan staat welke problemen de jeugdige of het gezin heeft, welke hulp nodig is, en wie die hulp geeft. Ouders, familieleden of andere direct betrokkenen kunnen een familiegroepsplan maken. Op deze manier kunnen zij meedenken en helpen aan een oplossing en wordt dus geput uit de eigen kracht.

Wat staat er in artikel 2.2 over de hulp die geboden kan worden bij het maken van een familiegroepsplan?

Soms willen ouders of jongeren zelf een plan maken om hun problemen aan te pakken. Dat heet een familiegroepsplan.

In dit plan staat:

  • Wat het probleem is.

  • Welke hulp nodig is.

  • Wie uit de familie of het netwerk kan helpen.

De gemeente vindt het belangrijk dat gezinnen zelf meedenken over oplossingen. Daarom mogen ouders, familieleden of andere betrokkenen samen een plan maken.

De gemeente kan hierbij hulp geven. Er zijn organisaties die door de gemeente zijn ingehuurd om gezinnen te ondersteunen bij het maken van zo’n plan.

Het doel is dat gezinnen zoveel mogelijk hun eigen kracht gebruiken om problemen op te lossen.

Artikel 2.3 Jeugdgezondheidszorg en Centrum voor Jeugd en Gezin

Het Centrum Jeugd en Gezin is de plek waar ouders/verzorgers, kinderen, jongeren tot 23 jaar en professionals terecht kunnen met al hun vragen over opvoeden en opgroeien. Het Centrum Jeugd en Gezin is vrij toegankelijk. De meest bekende diensten zijn het consultatiebureau en de onderzoeken in de schoolleeftijd. Voor meer informatie over wat het Centrum Jeugd en Gezin doet kunt u terecht op de website van Centrum Jeugd en Gezin en op de Beschikbaarheidswijzer (zie link bij toelichting artikel 2.1).

Wat staat er in artikel 2.3 over Jeugdgezondheidszorg en het Centrum voor Jeugd en Gezin

Het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is een plek waar ouders, kinderen, jongeren (tot 23 jaar) en professionals terecht kunnen met vragen over opvoeden en opgroeien.

Deze hulp is vrij toegankelijk. Je hebt geen besluit van de gemeente nodig om er gebruik van te maken.

Wat doet het CJG?

  • Het CJG geeft advies en ondersteuning bij opvoedvragen.

  • Bekende onderdelen zijn het consultatiebureau en de gezondheidsonderzoeken op school.

  • Je kunt er ook terecht voor een gesprek met een pedagogisch medewerker.

Artikel 2.4 Sociaal (wijk) team

Het Sociaal (wijk) team is er voor alle inwoners van 0-100 jaar. Hier kunnen inwoners terecht met vragen over bijvoorbeeld mantelzorg, hulp bij financiën, ouderenhulp, gezin en relatie. Het Sociaal (wijk) team kijkt samen met het Centrum voor jeugd en gezin en het Lokaal (Jeugd)Team naar de vragen en problemen. Zo wordt met een integrale blik gekeken en beoordeeld op welke manier de jeugdige en/of ouders het beste ondersteund kunnen worden.

Wat staat er in artikel 2.4 over het Sociaal (wijk) team

Het Sociaal (wijk) team is er voor alle inwoners, van jong tot oud (0 tot 100 jaar). Je kunt hier terecht met allerlei vragen, bijvoorbeeld over:

  • Mantelzorg (zorg voor een familielid of bekende),

  • Geldzaken,

  • Hulp voor ouderen,

  • Problemen in het gezin of in een relatie.

Het Sociaal (wijk) team werkt samen met andere teams, zoals:

  • Het Centrum voor Jeugd en Gezin,

  • Het Lokaal (Jeugd)Team.

Samen kijken ze wat er aan de hand is en welke hulp het beste past bij de situatie van het kind of het gezin. Ze proberen altijd een totaalbeeld te krijgen, zodat de hulp goed op elkaar is afgestemd

Artikel 2.5 Advies- en meldpunt Huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis)

Er is het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis Zaansteek-Waterland. Zij geven advies en zo nodig passende hulp(verlening) bij huiselijk geweld en kindermishandeling aan inwoners en professionals. Wat doet Veilig Thuis?

  • Adviseert over wat u kunt doen als er (misschien) sprake is van relatiegeweld, kindermishandeling, ouderenmishandeling of verwaarlozing.

  • Doorbreekt onveilige situaties en zet mensen in beweging.

  • Neemt een melding aan over geweld in huiselijke kring of een vermoeden daarvan.

  • Onderzoekt, indien nodig, wat er aan de hand is.

  • Werkt samen met lokale teams en organisaties voor zorg- en dienstverlening.

Veilig Thuis Zaanstreek-Waterland is 24 uur per dag bereikbaar via telefoonnummer 0800-2000 en via de website www.veiligthuiszw.nl kan op werkdagen tussen 9.00 en 17.00 uur gechat worden met medewerkers.

Wat staat er in artikel 2.5 over het Advies- en meldpunt Huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis)

Als er zorgen zijn over huiselijk geweld of kindermishandeling, kunnen inwoners en professionals terecht bij Veilig Thuis Zaanstreek-Waterland.

Wat doet Veilig Thuis?

  • Geeft advies over wat je kunt doen als je denkt dat er geweld of mishandeling is.

  • Neemt meldingen aan van (vermoedens van) huiselijk geweld of kindermishandeling.

  • Onderzoekt wat er aan de hand is.

  • Werkt samen met lokale teams en hulporganisaties.

  • Helpt om onveilige situaties te stoppen en mensen in beweging te brengen.

Veilig Thuis is 24 uur per dag bereikbaar via telefoonnummer 0800-2000.

Je kunt ook chatten via www.veiligthuiszw.nl op werkdagen tussen 9.00 en 17.00 uur.

Artikel 2.6 Lokaal (Jeugd)Team

Het Lokaal (Jeugd)Team vormt de spil in de lokale jeugdhulp. Ze zijn vrij toegankelijk en bestaan uit specialisten op verschillende gebieden. Zij beschikken over expertise op het gebied van onder meer: maatschappelijke dienstverlening, (jeugd)gezondheidszorg, jeugdhulp, (jeugd)GGZ en jeugd met een verstandelijke beperking. De experts in de Lokaal (Jeugd)Team hebben een integrale kijk op mogelijke ondersteuning/hulpvragen buiten hun eigen expertisegebied. Tijdens het gesprek met een medewerker van het team is aandacht voor de diverse omstandigheden waar een jeugdige en daarmee het gezin zich in bevindt. De ondersteuning van het team kan bestaan uit het verhelderen van de hulpvraag op alle leefgebieden, advisering over de beschikbare vormen van jeugdhulp en deze inzetten, hulp op andere leefgebieden inzetten en het zelf bieden van jeugdhulp.

Het Lokaal (Jeugd)Team biedt advies en ondersteuning dichtbij huis en werkt nauw samen met relevante partners binnen de gemeente (huisartsen, Centrum voor jeugd en gezin, Sociaal (wijk)team, scholen) en in de regio (politie, VO scholen). Het team wijst altijd op de mogelijkheid om een onafhankelijke cliëntondersteuner in te schakelen.

Opstellen perspectiefplan

Het Lokaal (Jeugd)Team ondersteunt bij of maakt een perspectiefplan waarin doelen worden geformuleerd en waarin wordt afgestemd wie wat wanneer doet en levert. De vraag van het gezin staat centraal: wat is er nodig om weer (zo) zelfstandig (mogelijk) verder te kunnen? Het gezin krijgt altijd de mogelijkheid om hiervoor een onafhankelijk voorzitter in te schakelen (bijvoorbeeld via de onafhankelijke clientondersteuning ). Daarbij wordt tevens de vraag gesteld of het eigen netwerk, de buurt, een ervaringsdeskundige jongere, ouders, mantelzorgers, onafhankelijke cliëntondersteuners kunnen bijdragen in de ondersteuning. In het perspectiefplan worden de resultaten omschreven die het gezin wil bereiken.

Verwijzen naar specialistische jeugdhulp

Het Lokaal (Jeugd)Team heeft de taak om, indien nodig, specialistische jeugdhulp te betrekken bij het gezin. Als er ondersteuning nodig is, waar het team zelf niet in kan voorzien, stelt de medewerker van het team samen met het gezin een gezins- of ondersteuningsplan op (het perspectiefplan). Als er hoogspecialistische jeugdhulp of een verblijfsvoorziening nodig is, dan is dit altijd het perspectiefplan.

Op basis van de doelen in dit plan kan passende specialistische jeugdhulp, van één van de gecontracteerde organisaties voor specialistische jeugdhulpverlening, worden gezocht en ingezet. Ondertussen kan de lokaal (jeugd)teammedewerker zelf ondersteuning (blijven) bieden, zodat vertrouwen ontstaat. Het Lokaal (Jeugd)Team zet alleen jeugdhulp in die inhoudelijk én financieel effectief wordt geacht (rendement). Het team evalueert tijdig voor het aflopen van de indicatie de ingezette ondersteuning en geeft een herindicatie af indien nodig. Waar afschalen mogelijk is, pakt het Lokaal (Jeugd)Team deze rol op.

Monitoren hoe ingezette specialistische hulp bijdraagt aan het beoogde resultaat

De Lokaal (Jeugd)Team-medewerker neemt hierin het initiatief om samen met jeugdige en/of gezin en de aanbieder te bespreken of de inzet adequaat, proportioneel en gericht is op het leren omgaan met de problematiek. Het gaat hier onder meer om het ontwikkelperspectief van de jeugdige. Het kan zijn dat de vooruitgang van de jeugdige niet meer in verhouding staat tot de specialistische zorg. Samen met ouders en/of jeugdige wordt dan gekeken naar andere, mogelijk lichtere vormen van ondersteuning.

Wat staat er in artikel 2.6 over het Lokaal (Jeugd)Team

Het Lokaal (Jeugd)Team is een belangrijk onderdeel van de jeugdhulp in de gemeente. Het team is vrij toegankelijk. Dat betekent dat je er zonder verwijzing of besluit van de gemeente naartoe kunt.

Wat doet het Lokaal(Jeugd)Team?

  • Het team bestaat uit deskundigen op verschillende gebieden, zoals:

    • o

      jeugdhulp,

    • o

      jeugd-ggz,

    • o

      opvoeding,

    • o

      verstandelijke beperkingen,

    • o

      gezondheidszorg.

  • Ze kijken samen met het gezin naar de situatie en de hulpvraag.

  • Ze geven advies over welke hulp mogelijk is.

  • Ze kunnen zelf hulp bieden of andere hulp inschakelen.

Hoe werkt het?

  • Het gezin en het Lokaal (Jeugd)Team maken samen een perspectiefplan. Daarin staat:

    • o

      Wat het gezin wil bereiken.

    • o

      Wie wat doet.

    • o

      Welke hulp nodig is.

  • Het gezin mag altijd iemand uit het netwerk of een onafhankelijke ondersteuner vragen om mee te denken.

Als er meer hulp nodig is:

  • Het Lokaal (Jeugd)Team kan doorverwijzen naar specialistische jeugdhulp.

  • Ze blijven betrokken zolang dat nodig is.

  • Ze kijken regelmatig of de hulp nog past of aangepast moet worden.

Doel: Het Lokaal (Jeugd)Team helpt gezinnen om weer zo zelfstandig mogelijk verder te kunnen.

Artikel 2.7 Intensief vrijwillige hulp

Intensieve vrijwillige hulp wordt vanuit een gespecialiseerd team binnen het Loket Jeugd, Preventieve Jeugdbescherming, aan gezinnen uit Purmerend en Beemster geboden. Deze hulpverlening is vrijwillig maar niet vrijblijvend en wordt specifiek ingezet bij mulitproblem gezinnen, waarbij sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, onveiligheid en ambivalentie. Gezinnen kunnen aangemeld worden via ketenpartners als bijvoorbeeld Veilig Thuis en de Raad voor de Kinderbescherming. De intensieve hulp is vanuit het Loket Jeugd als wel de Gecertificeerde instellingen (vanuit de regio) altijd vrijwillig en beiden zijn gemandateerd om besluiten te nemen over de inzet van (hoog) specialistische jeugdhulp.

Wat staat er in artikel 2.7 over Intensieve vrijwillige hulp?

Soms zijn er zorgen over de veiligheid van kinderen in een gezin. Bijvoorbeeld als er sprake is van:

  • huiselijk geweld,

  • kindermishandeling,

  • onveiligheid,

  • of meerdere problemen tegelijk.

In zulke situaties kan het Loket Jeugd de intensieve vrijwillige hulp inzetten.

Wat is intensieve vrijwillige hulp?

  • Het is hulp die vrijwillig is, maar niet vrijblijvend. Ouders moeten meewerken.

  • Het doel is om de situatie in het gezin veiliger te maken en problemen te verminderen.

  • Vaak is er nog geen hulpvraag van het gezin, maar zijn er wel zorgen.

  • Het Lokaal team zoekt dan actief contact met het gezin en probeert een vertrouwensband op te bouwen.

Wie helpt mee?

  • Het Loket Jeugd werkt samen met:

    • o

      Jeugdbescherming (Gecertificeerde Instelling),

    • o

      Veilig Thuis,

    • o

      De Raad voor de Kinderbescherming.

Samen kijken zij wie het beste de hulp kan geven: het Loket Jeugd (Preventieve jeugdbescherming) of de jeugdbescherming.

Doel: De situatie in het gezin verbeteren, zodat kinderen veilig kunnen opgroeien en zwaardere maatregelen (zoals een ondertoezichtstelling) niet nodig zijn.

Paragraaf 2 Individuele voorzieningen

Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (in samenhang met de wetgeving) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In deze paragraaf wordt daarom bij bepaalde individuele voorzieningen op collectief niveau op deze elementen gestuurd. Het college moet op basis van artikel 2.17 deze elementen overnemen in de afspraken die zij maakt met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie. Het feit dat deze omvang in beginsel wordt aangehouden, maakt dat in zeer bijzondere individuele situaties van de in de verordening bepaalde omvang kan worden afgeweken.

Artikel 2.9 Specialistische jeugdhulp (Segment B)

Specialistische jeugdhulp wordt gezien als aanvullend op de overige voorzieningen, zoals beschreven in paragraaf 1 van hoofdstuk 2. De hulpverlener vanuit het Lokaal (Jeugd)Team kan betrokken blijven bij de ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders.

Specialistische jeugdhulp wordt voor het grootste gedeelte ambulant gegeven. De aard van de zorg kan heel divers zijn, van een gedragstherapeutische behandeling tot persoonlijke verzorging. Ook adviezen richting het sociale netwerk van de jeugdige kunnen behoren tot de specialistische jeugdhulp.

Specialistische Jeugdhulp wordt in de regel dichtbij geboden, in de directe leefomgeving van de jeugdige en zijn ouders: in de thuissituatie, op het kinderdagverblijf, de school, de locatie van de jeugdhulpaanbieder of op enige andere locatie. Bij dit laatste valt bijvoorbeeld te denken aan een sportveld mocht dit nodig zijn. De opsomming qua locatie is overigens niet limitatief. Zie ook de toelichting bij de begripsbepaling.

Wat staat er in artikel 2.9 over Specialistische jeugdhulp (Segment B)?

Soms is er meer hulp nodig dan wat het Lokaal (Jeugd)Team zelf kan bieden. Dan komt specialistische jeugdhulp in beeld. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. Je hebt een besluit van de gemeente nodig om deze hulp te krijgen.

Wat is specialistische jeugdhulp?

  • Het is extra hulp voor kinderen en jongeren met complexe problemen.

  • De hulp kan bestaan uit:

    • o

      Behandeling (bijvoorbeeld gedragstherapie),

    • o

      Persoonlijke verzorging,

    • o

      Advies aan het netwerk van het kind (ouders, school, etc.).

Waar wordt de hulp gegeven?

  • Meestal ambulant, dus in de buurt van het kind:

    • o

      Thuis,

    • o

      Op school,

    • o

      Op de locatie van de hulpverlener,

    • o

      Of op een andere passende plek (bijvoorbeeld een sportveld).

Wie blijft betrokken?

  • Het Lokaal (Jeugd)Team blijft vaak betrokken, ook als er specialistische hulp wordt ingezet. Zo blijft de hulp goed afgestemd op het gezin.

Artikel 2.10 Hoog-specialistische jeugdhulp (Segment C)

Ook hoog-specialistische jeugdhulp wordt gezien als aanvullend op de overige voorzieningen zoals omschreven in paragraaf 1 van hoofdstuk 2. Omdat het aanbod van hoog-specialistische jeugdhulp in de regel een stuk intensiever en veelomvattender is, zal de inzet van overige voorzieningen in de regel (in verhouding) beperkter zijn. De aard van de hoog-specialistische jeugdhulp betekent ook dat deze soms niet in de directe woonomgeving van de jeugdige geboden kan worden, hoewel dit wel het streven is. In sommige gevallen zal de jeugdige voor een (dag)behandeling moeten reizen of zelf korter of langer elders dan in het ouderlijk huis zijn. Ook in die gevallen is het streven om het Lokaal (Jeugd)Team en de professionals vanuit overige voorzieningen betrokken te houden, zodat een terugkeer naar de normale opvoedsituatie bevorderd wordt. Zie ook de toelichting bij artikel 1.1 de begripsbepaling.

Wat staat er in artikel 2.10 over Hoog-specialistische jeugdhulp (Segment C)?

Soms is er zeer intensieve hulp nodig voor een kind of jongere. Dat noemen we hoog-specialistische jeugdhulp. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. Je hebt een besluit van de gemeente nodig.

Wat is hoog-specialistische jeugdhulp?

  • Het gaat om hulp die zwaarder en uitgebreider is dan gewone jeugdhulp.

  • Bijvoorbeeld:

    • o

      intensieve dagbehandeling,

    • o

      hulp bij ernstige psychische problemen,

    • o

      hulp die niet in de directe woonomgeving kan worden gegeven.

Waar wordt de hulp gegeven?

  • Soms moet een kind reizen voor de behandeling.

  • Soms verblijft het kind tijdelijk buiten het ouderlijk huis.

  • De gemeente probeert de hulp zo dicht mogelijk bij huis te organiseren.

Wie blijft betrokken?

  • Ook bij deze hulp blijft het Lokaal (Jeugd)Team betrokken.

  • Zo wordt gewerkt aan een terugkeer naar huis of een normale opvoedsituatie.

Voorbeeld:

Een jongere krijgt hulp van een jongerenwerker van de gemeente. Als hij tijdelijk een intensieve dagbehandeling volgt vanwege slaapproblemen, wordt de begeleiding door de jongerenwerker aangepast. Na de behandeling wordt de hulp van de jongerenwerker weer afgestemd op wat nodig is.

Artikel 2.11 Jeugdhulp met verblijf (Segment V)

Verblijfsvoorzieningen waar de jeugdige in een instelling of gezinshuis verblijft, vallen altijd onder Jeugdhulp met verblijf. In lid 2 worden de vormen van verblijf opgesomd.

Lid 3:

Met ‘zo thuis mogelijk opgroeien’ is het uitgangspunt dat het verblijf de gezinssituatie zoveel mogelijk benadert. Ieder kind heeft een stabiele omgeving nodig. Dit betekent, dat het kind zo min mogelijk heen en weer wordt geplaatst, als het niet (meer) thuis kan wonen. En het liefst zo dichtbij mogelijk. Hiervoor is nodig dat de jeugdhulp zich naar het kind beweegt in plaats van andersom.

Lokaal wordt ingezet op het voorkomen van zwaardere hulp dan pleegzorg en residentiële zorg door de inzet van Buurtgezinnen. Hiermee wordt een schakel toegevoegd aan de keten van jeugdhulpverlening. Er is een aanpak in ontwikkeling gericht op het bieden van perspectief aan kinderen die verblijven in een gezinshuis of in een andere vorm van verblijf waarbij toegewerkt wordt naar een snellere en veilige terugkeer naar huis, naar het wonen bij een pleeggezin of naar (begeleid) zelfstandig wonen. Hiervoor wordt, in een vroeg stadium van de plaatsing van het kind, in bijvoorbeeld een gezinshuis een vangnet voor het kind gecreëerd, door relevante partners (zoals de school en de woningcorporatie) intensief te betrekken bij het verblijf.

Wat staat er in artikel 2.11 over Jeugdhulp met verblijf (Segment V)?

Soms is het nodig dat een kind of jongere tijdelijk ergens anders woont dan thuis. Bijvoorbeeld in een:

  • Instelling,

  • Gezinshuis,

  • Pleeggezin.

Dit noemen we jeugdhulp met verblijf. Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De gemeente moet hiervoor een besluit nemen.

Wat is het doel?

Het kind moet zo thuis mogelijk kunnen opgroeien. Dat betekent:

  • Een stabiele plek, met zo min mogelijk verhuizingen.

  • Liefst in de buurt van het eigen gezin.

  • De hulp past zich aan aan het kind, niet andersom.

Samenwerking

De gemeente werkt samen met organisaties zoals:

  • Buurtgezinnen (voor lichte ondersteuning),

  • Gezinshuizen of instellingen (voor zwaardere hulp),

  • Scholen en woningcorporaties (voor een goed vangnet).

Het doel is altijd om te kijken of het kind weer veilig thuis kan wonen, of zelfstandig verder kan.

Voorbeeld

Emma (14 jaar) woont tijdelijk in een gezinshuis omdat het thuis niet veilig is. De gemeente zorgt ervoor dat:

  • Emma op dezelfde school kan blijven.

  • Haar ouders betrokken blijven bij de hulp.

  • Er wordt gewerkt aan een veilige terugkeer naar huis of een andere stabiele woonplek.

Artikel 2.12 Vervoersvoorziening

In beginsel zijn ouders verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind naar de locatie waar de jeugdhulp wordt gegeven. Een vervoersvoorziening kan bij uitzondering worden toegekend als sprake is van een medische noodzaak tot vervoer, of op grond van beperkingen in zelfredzaamheid van de jeugdige, gezin en/of opvoeder en/of het (sociale) netwerk. De voorwaarden voor vervoer staan in artikel 4.7. Het college neemt deze voorwaarden mee bij de beoordeling van de aanvraag.

Wat staat er in artikel 2.12 over hulp van de gemeente bij vervoer naar jeugdhulp?

Soms is het voor een kind of jongere lastig om zelf naar de plek te gaan waar hij of zij jeugdhulp krijgt. Bijvoorbeeld naar een therapie of dagbehandeling. In dat geval kan de gemeente helpen met vervoer.

Wie is verantwoordelijk?

  • In principe zijn ouders zelf verantwoordelijk voor het vervoer van hun kind.

  • Alleen als dat echt niet lukt, kan de gemeente een vervoersvoorziening regelen.

Wanneer kan vervoer worden toegekend?

De gemeente kijkt of:

  • Er een medische reden is waarom het kind niet zelf kan reizen.

  • Het kind of het gezin niet zelfredzaam genoeg is om het vervoer te regelen.

  • Het sociale netwerk (bijvoorbeeld familie of buren) ook geen oplossing kan bieden.

De gemeente beoordeelt dit op basis van de regels in artikel 4.7 van de verordening.

Artikel 2.13 Ernstige Dyslexiezorg (segment D)

Sinds september 2021 is er een nieuwe Brede Vakinhoudelijke Richtlijn Dyslexie (BVRD)1 en met ingang van 1 januari 2022 is het nieuwe landelijke Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling (PDDB 3.0) van kracht. In de regio Waterland is dit landelijke protocol vertaald in een regionaal protocol: “De Routekaart dyslexie”. Zie de informatie op de website van het Samenwerkingsverband Primair Onderwijs Waterland (SWV) https://www.swvwaterland.nl/scholen/ernstige-dyslexie/

Scholen zorgen voor goed leesonderwijs. Zij kunnen ook specifieke lees- en spellingondersteuning door de school of het samenwerkingsverband in zetten. Als dit niet voldoende is, kan de school verwijzen naar de trajectbegeleider dyslexie van het SWV. Samen met de trajectbegeleider dyslexie wordt de aanvraag een vervolg gegeven.

De trajectbegeleider dyslexie geeft een bindend advies aan de gemeente. Hij hanteert daarbij de criteria genoemd in artikel 4.8 van de verordening. De gemeente neemt het advies mee in de besluitvorming.

Wat staat er in artikel 2.13 over hulp bij Ernstige dyslexiezorg (Segment D)?

Kinderen met ernstige dyslexie kunnen hulp krijgen via de gemeente. Deze hulp valt onder de Jeugdwet en is bedoeld voor kinderen die veel moeite hebben met lezen en/of spellen, ondanks extra hulp op school.

Wat is ernstige dyslexie?

  • Het kind heeft een grote en blijvende achterstand in lezen en/of spelling.

  • De school heeft al extra hulp gegeven, maar dat was niet genoeg.

  • Er is een onderzoek nodig om vast te stellen of het echt om ernstige dyslexie gaat.

Hoe werkt het?

  • De school schakelt een trajectbegeleider dyslexie in (bijvoorbeeld via het samenwerkingsverband).

  • Deze begeleider controleert of het leerlingdossier compleet is.

  • Als alles klopt, geeft hij een bindend advies aan de gemeente.

  • De gemeente neemt dit advies over en geeft toestemming voor onderzoek en behandeling.

  • Er is een speciale routekaart voor dyslexie waarmee wordt gewerkt.

Voorbeeld

Noah (8 jaar) leest veel langzamer dan zijn klasgenoten. De school heeft hem extra leesbegeleiding gegeven, maar het helpt niet genoeg. De trajectbegeleider bekijkt zijn dossier en geeft toestemming voor een dyslexieonderzoek. De gemeente volgt dit advies en Noah kan starten met behandeling bij een erkende aanbieder.

Artikel 2.14. Ondersteuningsprofielen (hoog)specialistische jeugdhulp

Artikel 2.14 eerste lid

Het college heeft de specialistische, hoogspecialistische jeugdhulp en jeugdhulp met verblijf ingekocht. Specialistische en hoogspecialistische jeugdhulp is onderverdeeld in elf ondersteuningsprofielen. Een ondersteuningsprofiel is een cluster van hulpvragen waarmee de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige en zijn ouders wordt gecategoriseerd.

Artikel 2.14 tweede lid, derde lid en vierde lid

Het ondersteuningsprofiel is een integraal pakket, wat betekent dat de betrokken jeugdhulpaanbieders geacht worden alle benodigde jeugdhulp binnen dit ondersteuningsprofiel te kunnen bieden. Een jeugdige kan meerdere hulpverleners hebben (bijvoorbeeld een jeugdhulpaanbieder en een hulpverlener uit het Lokale team. Of meerdere jeugdhulpaanbieders die samenwerken).

Artikel 2.14 vijfde lid

Het ondersteuningsprofiel is een integraal pakket, op het niveau van de jeugdige en niet op gezinsniveau. Hiervoor is gekozen omdat kinderen binnen één gezin soms zeer diverse ondersteuningsbehoeften kunnen hebben. Het is niet realistisch om te verwachten dat alle ondersteuning aan verschillende kinderen binnen één gezin binnen één ondersteuningsprofiel past. Dit betekent niet dat de jeugdhulp binnen een ondersteuningsprofiel alleen op het kind gericht is. De bijbehorende ondersteuning richting de ouder hoort er ook altijd bij. Wanneer binnen een gezin verschillende kinderen jeugdhulp vanuit verschillende ondersteuningsprofielen ontvangen – en mogelijk daardoor ook door verschillende jeugdhulpaanbieders dan dienen zij onderling de hulp af te stemmen, al dan niet met ondersteuning van het Lokaal (Jeugd)Team.

Artikel 2.14 zesde lid

In de verordening is opgenomen dat een individuele jeugdhulpvoorziening in crisissituaties kan starten zonder dat een perspectiefplan is opgesteld. In artikel 3.2, laatste lid is bepaald dat met crisishulp begonnen kan worden zonder voorafgaand besluit van het college. Deze crisishulp valt dan onder ondersteuningsprofiel 11.

Wat staat er in artikel 2.14 over de ondersteuningsprofielen bij specialistische jeugdhulp?

De gemeente heeft verschillende soorten specialistische jeugdhulp ingekocht. Deze hulp is verdeeld in 11 ondersteuningsprofielen. Elk profiel past bij een bepaalde soort hulpvraag.

Wat is een ondersteuningsprofiel?

  • Een profiel is een pakket van hulp dat past bij de situatie van het kind en het gezin.

  • Het bevat alle soorten hulp die nodig zijn, zoals begeleiding, behandeling of verblijf.

Wat als er meerdere kinderen in een gezin hulp nodig hebben?

  • Elk kind krijgt een eigen profiel, omdat hun hulpvragen kunnen verschillen.

  • De hulpverleners moeten goed samenwerken, eventueel met hulp van het Lokaal (Jeugd)Team.

Bij crisissituaties

  • Als er spoedhulp nodig is, mag de hulp direct starten, ook zonder een volledig plan.

  • Deze hulp valt dan onder profiel 11: crisis.

Voorbeeld

Liam (13 jaar) heeft gedragsproblemen en moeite op school. Hij krijgt hulp via profiel 3, waarin begeleiding en behandeling zijn opgenomen. Zijn zus Eva (10 jaar) heeft vooral last van angst en krijgt hulp via profiel 5. De hulpverleners stemmen hun aanpak af, zodat het gezin goed wordt ondersteund.

Artikel 2.15. Intensiteiten specialistische individuele voorzieningen

Artikel 2.15 eerste en tweede lid

Jeugdhulp binnen een ondersteuningsprofiel kan geboden worden met een bepaalde omvang.

De omvang van de jeugdhulp wordt uitgedrukt in intensiteiten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen jeugdhulp gericht op Herstel en jeugdhulp met een Duurzaam karakter. Bij Herstel gaat het om hulpverleningstrajecten met een duidelijk resultaat dat binnen een korte (perspectief) of langere (intensief) periode behaald kan worden.

Bij de intensiteiten ‘Duurzaam’ is de verwachting dat stabilisatie het hoogst haalbare resultaat is. Ondersteuning is dan altijd voor lange tijd (soms zelfs altijd) nodig. Afhankelijk van de zwaarte van de problematiek wordt dan gekozen voor de intensiteit.

Voor de Specialistische jeugdhulp worden vier intensiteiten onderscheiden:

Perspectief: korte duur, lage Intensiteit (resultaat = beter worden/ herstel/ ontwikkelen)

Intensief: lange duur, hoge Intensiteit (resultaat = beter worden/ herstel/ ontwikkelen)

Duurzaam – licht: lage Intensiteit (resultaat = stabiliseren)

Duurzaam – zwaar: hoge Intensiteit (resultaat = stabiliseren)

Artikel 2.15 derde lid

Bij specialistische jeugdhulp (segment B en lage intensiteiten van segment C [perspectiefplan vrij]) bepaalt de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige en/of diens ouders de benodigde intensiteit van de hulp. Het Lokaal (Jeugd)Team kan hiervoor een zwaarwegend advies meegeven.

Bij hoogspecialistische jeugdhulp (segmenten C en V) geldt een Perspectiefplanverplichting. Dit betekent dat voor de toewijzing van een SPIC of Product en voorafgaand aan de aanvang van de specialistische jeugdhulp, een door het Lokaal Team (of GI) geaccordeerd Perspectiefplan aanwezig moet zijn. Indien de Gecertificeerde Instelling verwijst, wordt het Gezinsplan aangemerkt als Perspectiefplan. Het Perspectiefplan vraagt om afstemming tussen Lokaal Team (of GI), jeugdhulpaanbieder en de Jeugdige / het Gezin. De toe te wijzen SPIC is gebaseerd op de in het Perspectiefplan geformuleerde resultaten, en komt tot stand in samenspraak tussen Lokaal Team en de jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpaanbieder geeft hierin advies en het Lokale Team bepaalt uiteindelijk de SPIC. Het starten van specialistische jeugdhulp zonder toewijzing is niet toegestaan, tenzij sprake is van crisis.

Wat staat er in artikel 2.15 over hoeveel hulp er nodig is? (Intensiteiten)

Als een kind of jongere specialistische jeugdhulp krijgt, kijkt de gemeente ook naar hoeveel hulp nodig is. Dat noemen we de intensiteit van de hulp.

Er zijn twee soorten doelen:

  • 1.

    Herstel – de hulp is tijdelijk en gericht op beter worden.

  • 2.

    Duurzaam – de hulp is langdurig en bedoeld om de situatie stabiel te houden.

Er zijn vier soorten intensiteit:

Naam

Duur

Hoeveelheid hulp

Doel

Perspectief

Kort

Weinig

Herstel / ontwikkeling

Intensief

Lang

Veel

Herstel / ontwikkeling

Duurzaam – licht

Lang

Weinig

Stabiliseren

Duurzaam – zwaar

Lang

Veel

Stabiliseren

Wie bepaalt de intensiteit?

  • Bij lichtere hulp (bijvoorbeeld Segment B): de jeugdhulpaanbieder bepaalt dit samen met het gezin.

  • Bij zwaardere hulp (Segment C of V): er moet eerst een perspectiefplan zijn, goedgekeurd door het Lokaal Team of een Gecertificeerde Instelling.

Zonder dit plan mag de hulp niet starten, behalve in een crisissituatie.

Artikel 2.16. Herbeoordeling

Artikel 2.16 eerste lid

Er kan, als dat nodig blijkt, van een lichtere naar een zwaardere intensiteit opgeschaald worden (of omgekeerd: afgeschaald).

Artikel 2.16 tweede lid

In dit lid is geregeld dat het college (de facto het Lokaal team) de noodzaak van de voortzetting van specialistische en hoog-specialistische jeugdhulp periodiek kan her beoordelen. Als bij de herbeoordeling blijkt dat hulp nog steeds nodig is, hoeft geen nieuw besluit genomen te worden. Wanneer er geen of andere zorg nodig is, wordt dit natuurlijk wel in een nieuw besluit vastgelegd.

Wat staat er in artikel 2.16 over hoeveel hulp er nodig is en hoe lang? (Herbeoordeling van intensiteit)

Als een kind of jongere specialistische jeugdhulp krijgt, wordt er gekeken naar:

  • 1.

    Hoeveel hulp nodig is (de intensiteit),

  • 2.

    Hoe lang die hulp nodig is.

Opschalen ofafschalen

  • Als de situatie verergert, kan de hulp zwaarder worden (opschalen).

  • Als het beter gaat, kan de hulp lichter worden (afschalen).

Herbeoordeling

  • De gemeente (meestal het Lokaal team) kijkt regelmatig of de hulp nog nodig is.

  • Als dat zo is, hoeft er geen nieuw besluit te komen.

  • Als de hulp niet meer nodig is of moet veranderen, dan komt er wel een nieuw besluit.

Artikel 2.17 Stapelen en samenloop van Jeugdhulp

Artikel 2.17 eerste lid

Stapelen van SPIC’s (Specialistische Producten in de Contractering)

Niet toegestaan:

  • Meerdere SPIC’s voor één jeugdige bij één jeugdhulpaanbieder, binnen hetzelfde segment en dezelfde periode.

  • Twee crisis-SPIC’s tegelijkertijd.

Wel toegestaan (uitzonderingen):

  • Crisis-SPIC naast reguliere SPIC.

  • Pleegzorg regulier gecombineerd met logeren.

  • Pleegzorg regulier gecombineerd met pleegzorg deeltijd.

  • Zak- en kleedgeld mag naast verblijf-SPIC’s lopen, volgens de voorwaarden in de factsheet.

  • Crisis buiten kantooruren mag naast een andere crisis-SPIC:

    • iHub via CH112

    • Levvel via CH113

Artikel 2.17 tweede lid

Samenloop van jeugdhulp is toegestaan in de volgende situaties:

  • 1.

    Meerdere SPIC’s bij verschillende aanbieders binnen hetzelfde segment en periode, mits er een perspectiefplan is.

  • 2.

    Combinatie van SPIC uit segment B of C met segment V bij dezelfde aanbieder.

  • 3.

    Combinatie van SPIC uit segment B, C of V met een crisis-SPIC bij dezelfde aanbieder.

Toelichting stapelen SPIC’s

Bij specialistische jeugdhulp in Zaanstreek-Waterland mag één aanbiederniet meerdere SPIC’s inzetten voor dezelfde jeugdige, binnen hetzelfde segment en dezelfde periode. Dit heet stapelen en is niet toegestaan, behalve in een paar specifieke gevallen.

Uitzonderingen op het verbod

  • Crisis-SPIC naast reguliere SPIC.

  • Pleegzorg regulier met logeren of deeltijd.

  • Zak- en kleedgeld naast verblijf-SPIC.

  • Crisis buiten kantooruren (CH112 of CH113) naast andere crisis-SPIC.

Praktijkvoorbeeld stapelen

Casus: Een jeugdige zit in een pleeggezin via aanbieder X. De aanbieder wil daarnaast ook logeeropvang inzetten in weekenden.

Toegestaan? Ja, combinatie pleegzorg regulier met logeren is een uitzondering op het stapelverbod.

Niet toegestaan zou zijn: Als aanbieder X voor dezelfde jeugdige in dezelfde periode twee reguliere SPIC’s binnen segment B aanvraagt, bijvoorbeeld voor individuele begeleiding én groepsbegeleiding. Dat is stapelen en dus niet toegestaan.

Praktijkvoorbeeld samenloop

Casus: Een jeugdige van 15 jaar heeft te maken met ernstige gedragsproblemen en een vermoeden van een licht verstandelijke beperking (LVB). Hij woont thuis, maar de thuissituatie is instabiel. Er is sprake van schooluitval en risico op uithuisplaatsing.

Samenloop van SPIC’s:

  • 1.

    SPIC uit segment C: Ambulante behandeling LVB.

  • 2.

    SPIC uit segment V: Begeleiding in een kleinschalige woonvorm (tijdelijk verblijf) bij dezelfde aanbieder.

  • 3.

    Crisis-SPIC: Kortdurende crisisinterventie in de thuissituatie na een agressie escalatie thuis, bij een andere aanbieder.

Waarom toegestaan?

  • De SPIC’s vallen onder de toegestane combinaties: segment C + V bij dezelfde aanbieder en een crisis-SPIC bij een andere aanbieder.

  • Er is een perspectiefplan opgesteld waarin duidelijk staat hoe de verschillende vormen van hulp elkaar aanvullen en wat het einddoel is (terugkeer naar huis, schoolherstel, stabilisatie).

  • Het lokaal team, zorgaanbieders en ouders werken samen aan het verbeteren van de situatie voor de jeugdige.

Resultaat: Door deze samenloop kon de jeugdige in een veilige omgeving verblijven, werken aan zijn gedragsregulatie en tegelijkertijd ambulante behandeling in de thuissituatie krijgen. De crisisinterventie was kortdurend en gericht op het voorkomen van langdurige uithuisplaatsing.

Artikel 2.18 Afspraken met aanbieders

Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In dit artikel is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket.

De kwaliteitseisen waar jeugdhulpaanbieders aan moeten voldoen, die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractuele afspraken worden opgenomen.

Wat staat er in artikel 2.18 over de afspraken die de gemeente moet maken met jeugdhulpaanbieders?

De gemeente koopt jeugdhulp in bij organisaties die deze hulp geven. Met deze organisaties maakt de gemeente duidelijke afspraken over:

  • Welke hulp ze moeten bieden,

  • Hoe vaak en hoe lang de hulp duurt,

  • Wat de kwaliteit van de hulp moet zijn.

Waarom zijn deze afspraken belangrijk?

  • Ze zorgen ervoor dat kinderen en jongeren goede hulp krijgen.

  • Ze maken duidelijk wat er beschikbaar is aan hulp.

  • Ze helpen de gemeente om de hulp goed te regelen en te controleren.

Kwaliteitseisen

De wet stelt eisen aan de kwaliteit van jeugdhulp. Bijvoorbeeld:

  • De hulp moet veilig, effectief en passend zijn.

  • De hulpverleners moeten deskundig zijn.

Deze eisen staan niet in de verordening zelf, maar worden opgenomen in de contracten tussen de gemeente en de hulpverleners.

Hoofdstuk 3Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen

Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Eerste lid

Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder.

Tweede tot en met vierde lid

De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149).

De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5).

Het staat medisch verwijzers vrij om naar jeugdhulp te verwijzen. De medisch verwijzer legt contact met een jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdhulpaanbieder verwacht dat er sprake is van:

  • hoog-specialistische jeugdhulp,

  • specialistische jeugdhulp voor multi probleemgezinnen,

  • verblijf,

  • meer dan één voorziening tegelijk,

dient de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige/het gezin contact zoeken met het Lokaal Team om een toewijzing te krijgen.

In deze gevallen dient het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.1. te worden uitgevoerd en dit onderzoek moet vastgelegd worden in een perspectiefplan of een verslag zoals bedoeld in 4.4. Met deze werkwijze beoogt de gemeente dat de brede gezinssituatie een plek krijgt in het perspectiefplan, wat van belang is bij jeugdigen met een complexe ondersteuningsnoodzaak.

Derde lid

Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders zwaarwegende bezwaren hebben tegen de betrokkenheid van het Lokale team, kunnen zij, indien er sprake is van een artsverwijzing, gebruik maken van een opt-out-regeling. Ook in die gevallen dient een perspectiefplan te worden opgesteld voordat de hoog-specialistische jeugdhulp kan starten, maar deze zal dan tot stand komen zonder betrokkenheid (accordering) van het Lokaal (Jeugd) Team. Het college besluit dan tot de inzet van hoog-specialistische jeugdhulp op basis van de melding van de jeugdhulpaanbieder dat een arts verwezen heeft en een perspectiefplan aanwezig is, maar de jeugdige en/of zijn ouders van de opt-out-regeling wensen gebruik te maken.

Wat staat er in artikel 3.1 over de toegang naar jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts?

Soms heeft een kind of jongere hulp nodig bij opgroeien of psychische problemen. Die hulp heet jeugdhulp. Je kunt jeugdhulp op twee manieren krijgen:

  • 1.

    Via de gemeente (bijvoorbeeld via het Lokale team).

  • 2.

    Via een verwijzing van een arts (zoals de huisarts, jeugdarts of medisch specialist)

Bij een verwijzing van een arts/specialist stuurt hij/zij je door naar een jeugdhulpaanbieder. Je hoeft dan niet eerst naar het Lokale team van de gemeente. De gemeente betaalt de hulp alleen als de aanbieder een contract heeft met de gemeente. Kies je een aanbieder zonder contract? Dan moet je, als de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan geven door een aanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, de hulp zelf betalen of een persoonsgebonden budget (pgb) aanvragen.

Soms is er meer ingewikkelde hulp nodig, zoals:

  • Verblijf (bijvoorbeeld in een instelling),

  • Hulp voor gezinnen met meerdere problemen,

  • Meerdere soorten hulp tegelijk.

Dan moet de jeugdhulpaanbieder samen met het gezin contact opnemen met het Lokale team. Er wordt dan een breed plan gemaakt (perspectiefplan) waarin staat welke hulp nodig is op de verschillende leefgebieden.

Wil je geen contact met het Lokale team, maar heb je wel een verwijzing van een arts? Dan mag je dat aangeven. Er moet dan nog steeds een perspectiefplan komen, maar zonder hulp van het Lokale team.

Voorbeeld uit de praktijk

Situatie: Een 13-jarige jongen heeft last van paniekaanvallen. Zijn moeder gaat met hem naar de huisarts. De huisarts verwijst hem naar een jeugdhulpaanbieder die gespecialiseerd is in angstklachten.

Wat gebeurt er dan?

De aanbieder doet een intake en stelt vast dat er hulp nodig is. Omdat het om gewone jeugdhulp gaat, hoeft het gezin niet eerst naar het Lokale team. De gemeente betaalt de hulp, omdat de aanbieder een contract heeft met de gemeente. Als later blijkt dat de jongen ook verblijf of intensieve hulp nodig heeft, dan schakelt de aanbieder alsnog het Lokale team van de gemeente in om samen een perspectiefplan te maken.

Artikel 3.2. Toegang jeugdhulp via de gemeente

Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 4.1 verwerkt en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen. Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen.

Eerste tot en met vierde lid

Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen, betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 4.1). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).

Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een pgb-plan in moeten dienen.

Vijfde lid

In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college dan nog twee weken om de beschikking af te geven. Zodoende wordt een totale doorlooptijd van tien weken redelijk geacht.

Zesde lid

Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb.

Zevende lid

Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.

Wat staat er in artikel 3.2 over de toegang naar jeugdhulp via de Gemeente?

Soms hebben jeugdigen hulp nodig bij opgroeien of psychische problemen. Ouders of jeugdigen kunnen dan zelf contact opnemen met de gemeente voor jeugdhulp. Dit werkt op de volgende manier:

  • 1.

    Melden van de hulpvraag Ouders of jeugdigen vertellen hun verhaal aan de gemeente. De gemeente helpt om duidelijk te maken wat precies het probleem is.

  • 2.

    Gesprek en onderzoek Er volgt een of meer gesprekken met een medewerker van de gemeente (bijvoorbeeld van het Lokale team). Samen kijken ze welke hulp nodig is. Soms wordt ook een familiegroepsplan gemaakt: een plan dat ouders en familie zelf opstellen.

  • 3.

    Besluit van de gemeente De gemeente beslist of jeugdhulp nodig is. Als dat zo is, dan komt er een beschikking: een officieel besluit waarin staat welke hulp wordt gegeven.

  • 4.

    Termijn De gemeente moet binnen 10 weken een besluit nemen. Soms kan het sneller, bijvoorbeeld bij spoed.

  • 5.

    Spoedhulp Als er direct hulp nodig is (bijvoorbeeld bij een crisissituatie), mag de hulp al starten vóór het besluit. De gemeente moet dan binnen vier weken alsnog een officieel besluit nemen.

Voorbeeld uit de praktijk

Situatie 1: Reguliere hulpvraag - Een moeder maakt zich zorgen over haar 10-jarige dochter. Ze is vaak boos, slaapt slecht en heeft moeite op school. De moeder belt het Lokale team van de gemeente.

Wat gebeurt er dan?

  • Een medewerker van het Lokale team plant een gesprek met de moeder en dochter.

  • Samen bespreken ze wat er aan de hand is en welke hulp nodig is.

  • De moeder maakt samen met haar familie een familiegroepsplan.

  • De gemeente bekijkt het plan en besluit dat er hulp komt van een jeugdhulpaanbieder.

  • Binnen 10 weken ontvangt de moeder een beschikking waarin staat welke hulp wordt ingezet.

Situatie 2: Crisissituatie - Een vader belt in paniek het Lokale team: zijn 15-jarige zoon is agressief, dreigt met zelfbeschadiging en is weggelopen van huis. De situatie is onveilig.

Wat gebeurt er dan?

  • Het Lokaal (Jeugd)Team schakelt direct een crisisdienst in.

  • De zoon wordt nog dezelfde dag opgevangen bij een crisisopvanglocatie.

  • De hulp start meteen, zonder dat er al een officieel besluit (beschikking) is.

  • Binnen vier weken na de start van de hulp moet de gemeente alsnog een beschikking afgeven waarin staat welke hulp is ingezet en waarom.

Hoofdstuk 4Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente

Artikel 4.1. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Eerste lid

Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn.

Tweede lid

Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen. Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op:

  • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon;

  • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon;

  • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning;

  • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en

  • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon.

Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de Jeugdwet. Dit betekent dat zowel de jeugdige als zijn ouders afzonderlijk (of samen) gebruik kunnen maken van cliëntondersteuning. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen.

Derde lid

Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college. Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen.

Vierde lid

Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college.

Vijfde lid

De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen:

Stap 1 - inventariseer de vraag.

Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente.

Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast.

Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.

Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast.

De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.

Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is.

Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.

Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.

Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust.

Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.).

Zesde lid

Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.

Wat staat er in artikel 4.1 over het onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren?

Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen bij de gemeente, moet de gemeente eerst goed onderzoeken wat er precies nodig is. Dit gebeurt in gesprekken met de jeugdige en zijn ouders. Het doel is om een duidelijk beeld te krijgen van de situatie thuis en van de problemen.

Wat gebeurt er tijdens het onderzoek?

  • 1.

    Gesprekken voeren Er worden één of meer gesprekken gevoerd met de jeugdige en zijn ouders. Samen bekijken ze wat er speelt en wat nodig is.

  • 2.

    Aanvraag eventueel aanpassen Als tijdens het gesprek blijkt dat een andere hulp beter past, kan de aanvraag worden aangepast tijdens het onderzoek.

  • 3.

    Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning De gemeente geeft uitleg over de mogelijkheid om hulp te krijgen van een vertrouwenspersoon of cliëntondersteuner. Deze mensen helpen gratis en zijn onafhankelijk.

  • 4.

    Familiegroepsplan Ouders mogen een eigen plan maken met familie of bekenden. Dit heet een familiegroepsplan. Ze hebben twee weken de tijd om dit in te dienen.

  • 5.

    Zelf oplossen? Als de jeugdige of ouders zelf een oplossing vinden, mogen ze de aanvraag stoppen. De gemeente bevestigt dit schriftelijk.

  • 6.

    Stappen in het onderzoek Het onderzoek bestaat uit vijf stappen:

    • Wat is de hulpvraag?

    • Wat zijn de problemen?

    • Hoeveel hulp is nodig?

    • Wat kunnen de ouders en het netwerk zelf doen?

    • Welke hulp is dan nog nodig?

  • 7.

    Afstemming met andere wetten Soms krijgt een jeugdige ook hulp via andere wetten, zoals de Wmo, Wlz of Zvw. De gemeente moet dit goed op elkaar afstemmen.

  • 8.

    Rechten van de jeugdige De jeugdige wordt zoveel mogelijk betrokken bij het onderzoek. Vanaf 16 jaar mag hij zelf beslissen over zijn behandeling.

Artikel 4.2. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 4.1, lid 5 van deze verordening geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.

In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:

  • opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

  • opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd;

  • taal- en leerproblemen;

  • somatische aandoeningen;

  • lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en

  • kindermishandeling en huiselijk geweld.

Tweede lid

Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 4.2, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.

Derde lid

Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies inzicht geeft op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.

Wat staat er in artikel 4.2 over het deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming?

Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen, moet de gemeente goed onderzoeken welke hulp nodig is. Daarvoor is deskundigheid nodig. Dit betekent:

  • 1.

    De juiste kennis bij elke stap Bij elke stap van het onderzoek (zoals beschreven in artikel 4.1) moet iemand met de juiste kennis meedenken. Soms is dat een arts of psycholoog, soms een andere specialist.

  • 2.

    Medisch advies Als er medische informatie nodig is, kan de gemeente vragen om een medisch advies. De jeugdige of ouders moeten hieraan meewerken, anders kan de gemeente niet goed bepalen welke hulp nodig is.

  • 3.

    Welke deskundigen? De deskundigen moeten geregistreerd zijn, bijvoorbeeld:

    • In het Kwaliteitsregister Jeugd;

    • In het register Kinder- en Jeugdpsycholoog;

    • Of in het BIG-register (voor medische beroepen).

  • Zo weet je zeker dat het om mensen gaat met de juiste opleiding en ervaring.

  • 4.

    Onafhankelijk advies De persoon die de hulp uitvoert, mag niet zelf beslissen of die hulp nodig is. Dat voorkomt belangenverstrengeling. De gemeente moet ook controleren of het advies goed is onderbouwd en actueel is.

Praktijkvoorbeeld

Een jeugdige van 12 heeft moeite met leren en is vaak boos op school. Zijn vader meldt zich bij het Lokale team. Tijdens het onderzoek blijkt dat er mogelijk sprake is van ADHD of een leerstoornis.

Wat gebeurt er dan?

  • De medewerker van het Lokale team vraagt een psychologisch onderzoek aan.

  • Een geregistreerde kinderpsycholoog onderzoekt de jeugdige en schrijft een advies.

  • De gemeente controleert of het advies duidelijk is en of het goed is onderbouwd.

  • Op basis van dit advies beslist de gemeente welke hulp wordt ingezet.

Artikel 4.3. Identificatie

Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin.

Wat staat er in artikel 4.3 over identificatie?

De gemeente moet zeker weten wie je bent als je jeugdhulp aanvraagt. Daarom moet de jeugdige en zijn ouders zich identificeren (bijvoorbeeld met een ID-kaart of paspoort). Zo weet de gemeente dat de hulp bij de juiste persoon terechtkomt. Dit is belangrijk om misbruik te voorkomen en om te zorgen dat de hulp rechtmatig wordt ingezet.

Praktijkvoorbeeld

Een moeder meldt haar 15-jarige zoon aan bij het Lokale team voor jeugdhulp. Tijdens het eerste gesprek vraagt de medewerker om een legitimatiebewijs van de jeugdige en van de moeder.

Waarom?

  • Om te controleren of de aanvraag klopt.

  • Om zeker te weten dat de hulp aan de juiste jeugdige wordt gegeven.

Zonder identificatie kan de gemeente geen beschikking afgeven voor jeugdhulp.

Artikel 4.4 Verslag

Eerste en tweede lid

In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De inhoud van het perspectiefplan (of het verslag) is in de verordening niet in detail beschreven, behalve dat in het perspectiefplan de in artikel 4.1 genoemde onderwerpen aan de orde komen.

De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen.

Het perspectiefplan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen zoals vastgelegd in het perspectiefplan. De relevante informatie uit het perspectiefplan kan door de jeugdige en/of zijn ouders zelf of door het Loket Jeugd aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouders/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor.

Als het gaat om hoog-specialistische jeugdhulp heeft de gemeente ook in haar contracten met de jeugdhulpaanbieders bepaald, dat zij niet mogen starten met de hulpverlening voordat een perspectiefplan opgesteld is. Voor deze complexe en in de regel meervoudige jeugdhulp is het brede perspectief van het grootste belang om effectieve jeugdhulp te kunnen verlenen.

Natuurlijk gelden bij het delen van het perspectiefplan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in hoofdstuk 7.3 van de wet. Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen die niet van belang is voor de hulp aan een jeugdige. Het is aan de ouders om in samenspraak met het Lokaal (Jeugd)Team (of arts) te bepalen welke informatie in het perspectiefplan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/of zijn ouders aan de ene kant en het Lokaal (Jeugd)Team (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van de jeugdige tegen elkaar afgewogen te worden. De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy-protocollen van de uitvoerders zal hieraan aandacht besteed worden.

Derde lid

De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.

Vierde lid

Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen.

Wat staat er in artikel 4.4 over het verslag?

Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen bij de gemeente, wordt er een onderzoek gedaan. De uitkomsten van dit onderzoek worden opgeschreven in een verslag of perspectiefplan.

Wat staat er in het verslag?

  • Wat er besproken is in de gesprekken;

  • Wat de hulpvraag is;

  • Wat de gemeente adviseert;

  • Welke hulp eventueel nodig is.

Wat gebeurt er met het verslag?

  • De jeugdige en zijn ouders mogen het verslag lezen en aanvullen.

  • De jeugdige en zijn ouders moeten het verslag ondertekenen. Dat is nodig om de aanvraag compleet te maken.

  • Als de jeugdige en/of zijn ouders het niet eens zijn met het advies in het verslag, mogen ze een eigen aanvraag doen.

  • Als blijkt dat er geen hulp nodig is of als blijkt dat de hulpvraag kan worden opgelost met het eigen netwerk, een andere of overige voorziening, dan geldt het ondertekende verslag als intrekking van de aanvraag.

Delen van het verslag

  • Bij hoog-specialistische hulp mag de hulp pas starten als er een perspectiefplan is.

  • De jeugdige en/of ouders mogen zelf kiezen, in overleg met het Lokale team, welke informatie in het perspectiefplan komt en gedeeld wordt met de jeugdhulpaanbieder.

  • De gemeente moet rekening houden met de privacy van de jeugdige en zijn ouders.

Praktijkvoorbeeld

Een jeugdige meldt zich met zijn vader bij het Lokale team. Hij heeft last van angstklachten en slaapproblemen. Er volgen gesprekken met een medewerker van het Lokale team.

Wat gebeurt er dan?

  • De medewerker schrijft een verslag van het onderzoek.

  • De jeugdige en zijn vader lezen het verslag en voegen een opmerking toe.

  • De jeugdige en zijn vader ondertekenen het verslag.

  • De gemeente gebruikt het verslag om te beslissen welke hulp wordt ingezet.

  • Omdat het om hoog-specialistische hulp gaat, wordt het perspectiefplan gedeeld met de hulpaanbieder, maar alleen met de informatie die de jeugdige en zijn vader willen delen.

Artikel 4.5. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt.

Eerste lid

Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt.

Tweede lid

Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen. Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt.

Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de geldende Beleidsregels indicatiestelling Wlz.

Derde en vierde lid

Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.

Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Dit betekent ook dat als de voorziening in de vorm van pgb verstrekt wordt, het pgb-bedrag gebaseerd wordt op de goedkoopst passende voorziening.

Vijfde en zesde lid

Het vijfde en zesde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is. Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (Databank erkende interventies gehandicaptenzorg).

Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd.

Zevende en achtste lid

Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet.

In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.

Wat staat er in artikel 4.5 over de criteria voor toekenning van een individuele voorziening?

Een individuele voorziening is een vorm van jeugdhulp die speciaal wordt afgestemd op wat een jeugdige nodig heeft. De gemeente kijkt goed of deze hulp echt nodig is. Dat heet maatwerk.

Wat zijn de voorwaarden?

  • 1.

    Er moet een echte hulpvraag zijn De hulp moet nodig zijn door psychische, sociale of gedragsproblemen, of een beperking. Normale dingen die bij opgroeien horen, vallen niet onder jeugdhulp.

  • 2.

    Eerst kijken naar andere oplossingen De gemeente kijkt eerst of de hulpvraag opgelost kan worden met andere voorzieningen, zoals algemene hulp of hulp via school. Als die hulp niet genoeg is of te lang duurt voordat de hulp kan starten, dan kan een individuele voorziening worden ingezet.

  • 3.

    Goedkoopste passende hulp Als er meerdere passende oplossingen zijn, kiest de gemeente de goedkoopste die goed genoeg is. Dit geldt ook als ouders een persoonsgebonden budget (pgb) aanvragen.

  • 4.

    Effectieve hulp De gemeente mag hulp weigeren als die niet bewezen effectief is. Ze gebruiken daarvoor betrouwbare bronnen zoals het Nederlands Jeugdinstituut of GGZ-standaarden.

  • 5.

    Niet elke hulpvraag is jeugdhulp Problemen die vooral bij ouders liggen (zoals een vechtscheiding of geldproblemen) vallen niet altijd onder jeugdhulp. Dan kan andere hulp beter zijn, zoals schuldhulpverlening of lotgenotencontact.

  • 6.

    Uitzondering bij complexe situaties Als er meerdere problemen zijn in het gezin én er is een hulpvraag voor de jeugdige, dan moet de gemeente wel jeugdhulp bieden.

Praktijkvoorbeeld 1

Een jeugdige van 13 heeft moeite met plannen en huiswerk maken. Zijn moeder meldt zich bij het Lokale team omdat ze denkt dat hij ADHD heeft en jeugdhulp nodig heeft.

Wat gebeurt er?

  • Tijdens het onderzoek blijkt dat de jeugdige geen psychische stoornis heeft, maar vooral moeite heeft met structuur en motivatie.

  • De school biedt aan om extra begeleiding te geven via een interne coach.

  • De gemeente beoordeelt dat deze onderwijsvoorziening voldoende is en dat er geen individuele jeugdhulp nodig is.

  • De hulpvraag wordt opgelost via school, en er komt geen beschikking voor jeugdhulp.

Praktijkvoorbeeld 2

Een vader meldt zich bij het Lokale team. Hij zit in een vechtscheiding met zijn ex-partner. De communicatie is slecht en dit zorgt voor spanningen bij hun 10-jarige dochter. Hij vraagt jeugdhulp aan.

Wat gebeurt er?

  • Tijdens het onderzoek blijkt dat de problemen vooral liggen bij de ouders en hun conflict.

  • Er is geen directe hulpvraag vanuit de jeugdige zelf, en de jeugdige functioneert verder goed op school en thuis.

  • De gemeente stelt voor om gebruik te maken van lotgenotencontact voor gescheiden ouders en eventueel mediation.

  • Er wordt geen jeugdhulp ingezet, omdat de situatie beter past bij andere vormen van ondersteuning.

Praktijkvoorbeeld 3

Een jeugdige van 11 heeft moeite met sociale contacten en is vaak verdrietig. Zijn moeder vraagt jeugdhulp aan via het Lokale team.

Wat gebeurt er dan?

  • De gemeente onderzoekt of er echt sprake is van een hulpvraag door psychische of sociale problemen.

  • Ze kijken eerst of de jeugdige geholpen kan worden via school of een algemene voorziening.

  • Omdat de problemen complex zijn en de schoolhulp niet voldoende is, wordt een individuele voorziening ingezet: begeleiding door een jeugdpsycholoog.

  • De gemeente kiest een passende en betaalbare aanbieder.

  • De hulp is opgenomen in een beschikking en start binnen enkele weken.

Artikel 4.6. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Algemeen

Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. Dit uitgangspunt wordt in artikel 10 geconcretiseerd.

De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).

De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken.

Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.

Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt:

“(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk. Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).

Eerste lid

Het eerste lid van dit artikel geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis.

Tweede lid

Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek.

Derde lid

Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen.

Vierde lid

De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet. De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid.

Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak.

Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 4.1, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden. Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van:

  • a.

    geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden;

  • b.

    een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

  • c.

    overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen.

Vijfde lid

Op de in artikel 4.1, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen.

Wat staat er in artikel 4.6 over de beoordeling van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen?

De gemeente kijkt eerst of een jeugdige en zijn ouders zelf of met hulp van anderen hun problemen kunnen oplossen. Pas als dat niet lukt, kan de gemeente jeugdhulp geven.

Wat betekent dat?

  • Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kind.

  • De gemeente kijkt of ouders en het netwerk (zoals familie of vrienden) zelf hulp kunnen bieden.

  • Ook wordt gekeken of ouders hulp (kunnen) krijgen via bijvoorbeeld een zorgverzekering of school.

  • Als ouders het echt niet zelf kunnen, dan kan de gemeente jeugdhulp inzetten.

De gemeente kijkt bijvoorbeeld naar:

  • Of ouders overbelast zijn;

  • Of ze genoeg kennis of vaardigheden hebben;

  • Of er beperkingen zijn om de noodzakelijke hulp te bieden.

Praktijkvoorbeeld 1

Situatie: Een moeder vraagt jeugdhulp aan voor haar 8-jarige zoon, die moeite heeft met slapen, is snel boos en heeft last van onzekerheid. De moeder werkt parttime, heeft een druk gezin en heeft een klein sociaal netwerk.

Wat gebeurt er?

  • Het Lokale team voert gesprekken met de moeder en haar zoon.

  • Er blijk sprake van lichte opvoedproblemen, maar geen psychische stoornis.

  • De gemeente beoordeelt dat de moeder voldoende probleemoplossend vermogen heeft om haar zoon te ondersteunen.

  • De moeder krijgt tips van het Centrum voor Jeugd en Gezin en volgt een opvoedcursus.

  • De hulpvraag wordt hiermee opgelost zonder inzet van een individuele voorziening.

Praktijkvoorbeeld 2

Situatie: Een vader zorgt alleen voor zijn 14-jarige dochter met autisme. Hij werkt fulltime en heeft geen familie in de buurt. Hij raakt overbelast.

Wat gebeurt er?

  • De gemeente onderzoekt of hij het zelf kan oplossen.

  • Er is sprake van overbelasting en weinig steun uit het netwerk.

  • De gemeente besluit dat er jeugdhulp nodig is, bijvoorbeeld begeleiding aan huis.

  • De vader krijgt ook hulp om zijn werkuren aan te passen.

=

Artikel 4.7. Criteria voor de beoordeling aanvraag Jeugdwetvervoer

In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld.

Eerste tot en met derde lid

Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3).

Vierde lid

Een vervoersvoorziening wordt niet verstrekt als aparte voorziening, als er bij de indicatie individuele voorziening een SPIC wordt afgegeven waar de vervoersvoorziening als onderdeel is opgenomen in de individuele voorziening.

Zesde lid

Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655).

Tiende lid

Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het tiende lid.

Wat staat er in artikel 4.7 over de criteria voor de beoordeling van een aanvraag Jeugdwetvervoer?

Soms moet een jeugdige reizen naar een plek waar hij of zij jeugdhulp krijgt. In sommige gevallen kan de gemeente helpen met vervoer. Maar:

Wat zijn de regels?

  • 1.

    Ouders zijn in principe zelf verantwoordelijk Ouders moeten hun kind meestal zelf brengen en halen.

  • 2.

    Alleen bij noodzaak De gemeente helpt alleen met vervoer als:

    • Er een medische reden is,

    • Of als de jeugdige niet zelfstandig kan reizen.

  • 3.

    De gemeente beslist

    De gemeente bekijkt per situatie of vervoer echt nodig is.

  • 4.

    Soms zit vervoer al in de hulp

    Als vervoer al onderdeel is van de toegekende hulp (bijvoorbeeld bij een verblijf), dan wordt het niet apart geregeld.

  • 5.

    Goedkoopste passende oplossing

    Als vervoer nodig is, kiest de gemeente de goedkoopste manier die goed genoeg is.

Praktijkvoorbeeld 1

Situatie: Een jeugdige van 15 uit Edam moet twee keer per week naar een behandelgroep in Zaandam. Hij heeft een angststoornis en durft niet met het openbaar vervoer. Zijn moeder werkt overdag en kan hem niet altijd brengen.

Wat gebeurt er?

  • De moeder vraagt vervoer aan bij het Lokale team.

  • De gemeente onderzoekt of de jeugdige echt niet zelfstandig kan reizen.

  • Er wordt vastgesteld dat er sprake is van een beperking in zelfredzaamheid.

  • De gemeente besluit dat vervoer nodig is en regelt een taxi via een gecontracteerde vervoerder.

  • Omdat dit de goedkoopste passende oplossing is, wordt deze toegekend.

Praktijkvoorbeeld 2

Situatie: Een moeder uit Wormer vraagt vervoer aan voor haar 14-jarige dochter, die wekelijks naar een therapiegroep in Zaandam moet. De dochter heeft lichte sociale angstklachten, maar is lichamelijk gezond en kan zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. De moeder heeft een auto en flexibele werktijden.

Wat gebeurt er?

  • De gemeente onderzoekt of vervoer echt noodzakelijk is.

  • Er is geen medische noodzaak en de jeugdige is zelfredzaam genoeg om met de bus te reizen.

  • De moeder heeft bovendien de mogelijkheid om haar dochter te brengen als dat nodig is.

  • De gemeente beoordeelt dat er sprake is van voldoende eigen kracht.

  • De aanvraag voor vervoer wordt afgewezen.

Artikel 4.8 Criteria voor de beoordeling aanvraag Dyslexiezorg

Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430).

Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via het Samenwerkingsverband voor de zorg op school is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie

Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling | Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie 

Zie ook de toelichting bij artikel 2.13 van deze verordening

Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende dyslexiebehandelaar. Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig.

Bij ernstige dyslexiezorg gaat het om ernstige hardnekkige achterstand op het gebeid van lezen en/ of spelling die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kan worden.

Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders.

Tweede lid. Een door het college aangewezen poortwachter of een trajectbegeleider dyslexie werkzaam binnen het samenwerkingsverband of schoolbestuur, is verantwoordelijk voor de controle van het leerlingdossier. Indien dit niet volledig is, koppelt de trajectbegeleider dyslexie dit terug naar de verwijzende school, zodat zij alsnog passende extra begeleiding kunnen inzetten. Indien het leerlingdossier op orde is, geeft de trajectbegeleider dyslexie goedkeuring aan de doorverwijzing en kunnen ouders en school contact leggen met een gecontracteerde dyslexieaanbieder naar keuze. Daarnaast spreekt de trajectbegeleider dyslexie scholen aan op het moment dat zij signaleren dat er veel onvolledige dossiers worden aangeleverd. De trajectbegeleider dyslexie meldt de goedkeuring bij de gemeente. De gemeente neemt dit bindende advies op in de beschikking

Wat staat er in artikel 4.8 over de criteria voor de beoordeling van een aanvraag dyslexiezorg?

Sommige jeugdigen hebben ernstige dyslexie. Dat betekent dat ze grote moeite hebben met lezen en/of spellen, ook al hebben ze al extra hulp gekregen op school. In sommige gevallen kan de gemeente dan hulp bieden.

Wat zijn de regels?

  • 1.

    Alleen bij ernstige dyslexie (ED)

    De gemeente geeft alleen hulp als er echt sprake is van ernstige dyslexie. Dat moet blijken uit een officieel onderzoek.

  • 2.

    School moet eerst helpen

    De school moet eerst zelf extra hulp geven. Pas als dat niet genoeg helpt, kan er een aanvraag gedaan worden voor dyslexiezorg.

  • 3.

    Toegang via school en trajectbegeleider

    Een speciale begeleider (de trajectbegeleider dyslexie) controleert of het leerlingdossier compleet is. Alleen dan mag de school doorverwijzen naar een erkende behandelaar.

  • 4.

    Onderzoek en behandeling in één

    Als de jeugdige wordt doorgestuurd, mag de behandelaar eerst een onderzoek doen. Als daaruit blijkt dat het om ernstige dyslexie gaat, mag de behandeling direct starten. Er is dan geen tweede aanvraag nodig.

  • 5.

    Behandeling volgens landelijke richtlijnen

    De behandeling moet voldoen aan de landelijke regels voor goede dyslexiezorg.

Praktijkvoorbeeld

Situatie: Een leerkracht van groep 6 merkt dat een leerling, Sam (9 jaar), grote moeite heeft met lezen en spellen. Ondanks extra hulp op school blijft Sam achter.

Wat gebeurt er dan?

  • De school schakelt de trajectbegeleider dyslexie in.

  • Die controleert of het leerlingdossier compleet is en of er genoeg extra hulp is geboden.

  • Het dossier is op orde. De trajectbegeleider geeft toestemming voor een onderzoek.

  • Sam wordt onderzocht door een erkende behandelaar.

  • Uit het onderzoek blijkt dat Sam ernstige dyslexie heeft.

  • De behandeling start direct, zonder dat er een nieuwe aanvraag nodig is.

  • De gemeente neemt het advies van de trajectbegeleider over en geeft een beschikking af.

Artikel 4.9 Kinderopvang en buitenschoolse opvang

In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is.

Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.

Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.

Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of Buitenschoolse Opvang Plus (BSO+).

Wat staat er in artikel 4.9 over de kinderopvang en buitenschoolse opvang?

De gemeente is niet verantwoordelijk voor gewone kinderopvang of buitenschoolse opvang (BSO). Dat is de taak van:

  • Ouders;

  • Werkgevers;

  • En de overheid via de Wet op de kinderopvang.

Wanneer wél jeugdhulp?

Alleen als een jeugdige extra begeleiding nodig heeft die:

  • Niet door de leidsters van de opvang kan worden gegeven;

  • En niet van de ouders verwacht kan worden

…dan kan de gemeente jeugdhulp inzetten. Maar alleen als het gaat om ontwikkelingsdoelen, zoals hulp bij (ernstige) gedragsproblemen.

De gemeente kan ook andere vormen van dagbesteding aanbieden, zoals:

  • Een medisch dagverblijf;

  • Een kinderdagcentrum;

  • Een zorgboerderij;

  • Of een Buitenschoolse Opvang Plus (BSO+).

Praktijkvoorbeeld

Situatie: Een 5-jarige jeugdige uit gaat naar de BSO. Hij heeft autisme en vertoont soms agressief gedrag. De leidsters weten niet goed hoe ze hiermee om moeten gaan. De ouders vragen hulp aan bij het Lokale team.

Wat gebeurt er dan?

  • De gemeente onderzoekt of de BSO de juiste plek is.

  • Er blijkt dat de begeleiding die nodig is te specialistisch is voor de BSO.

  • De gemeente besluit om jeugdhulp in te zetten via een BSO+, waar speciaal opgeleid personeel aanwezig is.

  • De jeugdige krijgt daar begeleiding gericht op zijn ontwikkeling.

Artikel 4.10 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Nu het verslag van het onderzoek een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit vormt, wordt dit verslag of het perspectiefplan ook toegestuurd, bij voorkeur tegelijk met de beschikking.

In het eerste lid is uitgelegd dat het besluit tot toekenning vastgelegd wordt in een beschikking. Een beschikking is een schriftelijk besluit dat op een concreet geval/een individuele persoon is gericht. De inhoud van de beschikking is beperkt. Alleen de keuze specialistische hulp of hoog specialistische hulp, het ondersteuningsprofiel en bij hoog-specialistische jeugdhulp ook de intensiteit, liggen in het besluit vast. Andere zaken – zoals omschrijving hulpvraag en het resultaat – worden vastgelegd in het perspectiefplan. Hiermee wordt ook voorkomen dat te veel privacygevoelige gegevens in de gemeentelijke beschikkingenadministratie vast komen te liggen. De jeugdige of diens ouders kunnen met het besluit zelf voor één van de door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders kiezen. Het Lokaal (Jeugd)Team kan hierbij adviseren. De keuze voor een bepaalde aanbieder ligt niet vast in het besluit.

Als de jeugdhulpaanbieder en het college (de gemandateerde professional) het niet eens zijn over de intensiteit (of het ondersteuningsprofiel), is contractueel vastgelegd dat de jeugdhulpaanbieder, het Lokaal (Jeugd)Team en het gezin er éérst in gezamenlijk overleg uit moeten komen.

In het tweede lid van dit artikel zijn de onderdelen opgenomen die minimaal in een beschikking behoren te staan. Uit de beschikking moet voor de aanvrager immers duidelijk zijn waar zij recht op hebben en hoe tot dat besluit is gekomen. Ook als de individuele voorziening wordt afgewezen, moet de motivering van de afwijzing duidelijk toegelicht worden in de beschikking.

Wat betreft de duur/looptijd van een beschikking geldt in beginsel voor zowel zorg in natura (ZIN) als bij een persoonsgebonden budget een maximale geldigheidsduur tot de jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt. In beginsel omdat dit anders kan zijn als sprake is van verlengde jeugdzorg.

Wanneer er sprake is van pleegzorg, loopt de beschikking wettelijk gezien door tot de jeugdige de leeftijd van 21 jaar bereikt. Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen voor het 21e levensjaar wanneer pleegkinderen dit zelf willen.

Wat staat er in artikel 4.10 over de inhoud van een beschikking individuele jeugdhulpvoorziening?

Als een jeugdige of zijn ouders jeugdhulp krijgen, dan legt de gemeente dit vast in een beschikking. Dat is een officieel besluit waarin staat welke hulp wordt toegekend.

Wat staat er in de beschikking?

  • De beschikking is gebaseerd op het onderzoek en de aanvraag.

  • Er staat in:

    • Of het gaat om specialistische of hoog-specialistische hulp;

    • Welk ondersteuningsprofiel van toepassing is;

    • En bij hoog-specialistische hulp: de intensiteit van de hulp.

  • Andere informatie, zoals de hulpvraag en doelen, staan in het perspectiefplan (niet in de beschikking zelf, om privacy te beschermen).

  • De jeugdige of ouders mogen zelf kiezen uit de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders.

  • Als er geen hulp wordt toegekend, moet de gemeente dit goed uitleggen in de beschikking.

Hoe lang geldt een beschikking?

  • In principe tot de jeugdige 18 jaar is.

  • Bij pleegzorg kan dit doorgaan tot 21 jaar, tenzij de jeugdige eerder wil stoppen.

Praktijkvoorbeeld

Situatie: Een jeugdige van 16 heeft last van depressieve klachten. Na onderzoek door het Lokale team wordt besloten dat hij specialistische hulp nodig heeft.

Wat gebeurt er dan?

  • De gemeente stelt een beschikking op.

  • In de beschikking staat:

    • Dat het gaat om specialistische jeugdhulp,

    • Het gekozen ondersteuningsprofiel,

    • De duur van de hulp (tot zijn 18e verjaardag).

  • Het perspectiefplan met doelen en afspraken wordt meegestuurd.

  • De jeugdige en zijn ouders kiezen zelf een passende hulpaanbieder uit de lijst van gecontracteerde organisaties.

Hoofdstuk 5Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb

In de wet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt.

Artikel 5.1 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

Eerste lid

Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden.

Zo stelt het college een format vast voor een pgb-plan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen.

Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 5.2 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.

Het pgb-plan vormt een aanvulling op het perspectiefplan, maar vervangt deze niet. De hulpvraag en te bereiken resultaten liggen vast in het perspectiefplan. De details met betrekking tot onder andere de motivatie voor de aanvraag van een pgb, uitvoerder van de pgb-zorg en de kosten liggen vast in het pgb-plan.

Tweede lid

De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd:

  • a.

    de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

  • b.

    de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en

  • c.

    de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit.

Derde lid

In het derde lid wordt geregeld wanneer geen pgb wordt verstrekt, omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. De opsomming is niet limitatief. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden,dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet.

Vierde lid

Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is dwingend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’.

Wat staat er in artikel 5.1 over het pgb?

Als een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft, kan dat via zorg van de gemeente (zorg in natura) of via een pgb. Een pgb is een geldbedrag waarmee je zelf zorg kunt inkopen.

1. Wat moet je doen als je een pgb wilt?

  • Je moet een pgb-plan invullen. De gemeente heeft hiervoor een vast formulier.

  • In dat plan leg je uit:

    • Waarom je zelf zorg wilt regelen.

    • Hoe je dat gaat doen.

    • Dat de zorg die je kiest goed genoeg is.

    • Wat de zorg kost.

    • Dat je weet wat er bij een pgb komt kijken (zoals administratie en afspraken maken).

2. Wanneer krijg je een pgb?

Je krijgt een pgb als:

  • Je goed kunt inschatten wat je nodig hebt en wat je rechten en plichten zijn.

  • Je uitlegt waarom je de zorg van de gemeente niet passend vindt.

  • De zorg die je zelf kiest van goede kwaliteit is.

3. Wanneer krijg je géén pgb?

  • Als er twijfels zijn over de zorgverlener die je kiest (bijvoorbeeld als die niet betrouwbaar is).

  • Als je niet voldoet aan de regels uit de wet (bijvoorbeeld als de zorg niet veilig of goed genoeg is).

Voorbeeld van goedgekeurde pgb-aanvraag

Situatie: Liam is 14 jaar en heeft autisme. Zijn ouders merken dat hij het best geholpen is door een vaste begeleider die hem goed kent. De gemeente biedt zorg aan via een grote organisatie, maar daar wisselen de begeleiders vaak.

Wat doen de ouders? Ze vragen een pgb aan. In het pgb-plan schrijven ze:

  • Waarom ze zelf zorg willen regelen (Liam heeft baat bij vaste gezichten).

  • Wie de zorg gaat geven (een ervaren begeleider die Liam al kent).

  • Wat de zorg kost.

  • Dat ze weten hoe ze het pgb moeten beheren.

Wat zegt de gemeente?

De gemeente ziet dat de ouders goed hebben nagedacht, dat de zorgverlener betrouwbaar is en dat de zorg past bij Liam.

Voorbeeld van afgewezen pgb-aanvraag

Situatie:

Sara is 16 jaar en heeft hulp nodig bij haar angstklachten. Haar oom biedt aan om haar te begeleiden. Haar ouders vragen een pgb aan om hem te betalen.

Wat schrijft de gemeente?

De gemeente wijst het pgb af, omdat:

  • De ouders geen goed plan hebben ingeleverd.

  • De oom geen ervaring of opleiding heeft in jeugdhulp.

  • Er twijfels zijn of de zorg van goede kwaliteit is.

Uitkomst:

De gemeente vindt dat de zorg via een professionele aanbieder beter past. Sara krijgt daarom hulp via zorg in natura.

Artikel 5.2 Pgb-vaardigheid

Eerste lid

Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet).

Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.

Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg-833053.pdf

  • 1.

    Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag);

  • 2.

    Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt);

  • 3.

    Goed werkgeverschap;

  • 4.

    Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg;

  • 5.

    Voeren van een administratie;

  • 6.

    Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en

  • 7.

    In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig.

Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’

10 punten pgb-vaardigheid. In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd.

Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder). Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten.

Tweede lid

In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.

1. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert.

Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’.

Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.

2. Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.

3. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.

4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.

5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.

6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.

7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.

8. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder.

Wat staat er in artikel 5.2 over pgb-vaardigheid?

Als iemand een persoonsgebonden budget (pgb) wil, moet diegene (of een vertegenwoordiger) goed kunnen omgaan met de taken die daarbij horen. De gemeente kijkt of iemand dat kan. Als dat niet zo is, kan de gemeente de aanvraag afwijzen.

Wat moet iemand kunnen?

De persoon of vertegenwoordiger moet:

  • 1.

    Weten welke hulp nodig is en die hulp kunnen aanvragen.

  • 2.

    Zelf zorg kunnen regelen en aanpassen als dat nodig is.

  • 3.

    Goed kunnen omgaan met zorgverleners (als werkgever).

  • 4.

    Zorg kunnen afstemmen met anderen, zoals familie.

  • 5.

    Een goede administratie bijhouden.

  • 6.

    Verantwoording afleggen aan de gemeente.

  • 7.

    De Nederlandse taal goed begrijpen en met een computer kunnen werken.

Wanneer kan iemand géén pgb krijgen?

De gemeente kan een pgb weigeren als iemand:

  • Grote geldproblemen heeft (bijvoorbeeld schulden of onder bewind staat).

  • Ernstige verslavingsproblemen heeft.

  • In de afgelopen 3 jaar fraude heeft gepleegd.

  • Een verstandelijke beperking heeft waardoor zelfstandig regelen niet lukt.

  • Ernstige psychische problemen heeft.

  • Een blijvende stoornis in het denken heeft.

  • De Nederlandse taal niet goed genoeg beheerst.

  • Geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) krijgt.

Voorbeeld van een ouder die geen pgb kan krijgen

Mevrouw De Vries is moeder van een zoon van 10 jaar met een verstandelijke beperking. Ze wil graag een persoonsgebonden budget (pgb) om zelf hulp voor haar zoon te regelen. Maar de gemeente vindt dat zij niet pgb-vaardig is. Waarom niet?

  • Mevrouw De Vries heeft grote schulden en staat onder bewind. Ze mag zelf geen geld beheren.

  • Ze heeft moeite met het begrijpen van brieven van de gemeente en kan niet goed met een computer werken.

  • Ze weet niet goed welke hulp haar zoon nodig heeft en vindt het lastig om dit uit te leggen.

  • Ze heeft eerder hulp gehad, maar de administratie niet goed bijgehouden. Daardoor kon ze geen verantwoording afleggen.

De gemeente besluit daarom dat mevrouw De Vries geen pgb kan krijgen. Ze krijgt wel hulp in natura: de gemeente regelt de zorg voor haar zoon.

Artikel 5.3 Onderscheid formele en informele hulp

Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt een lagere tarief. Zie artikel 5.5, eerste lid van deze verordening.

Eerste en tweede lid

Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ-registratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief.

Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb.

Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg).

In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet). Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd.

Derde en vierde lid

Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk.

Bloedverwanten

Bloedverwantschap ontstaat door:

  • geboorte;

  • afstamming van dezelfde voorvader;

  • erkenning;

  • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap;

  • adoptie.

Bloedverwanten zijn in de:

Eerste graad:

  • (adoptie)ouders;

  • (adoptie)kinderen.

Tweede graad:

  • Grootouders;

  • Kleinkinderen;

  • Broers en zussen.

Wat staat er in artikel 5.3 over het verschil tussen formele en informele hulp bij het persoonsgebonden budget (pgb)?

Formele en informele hulp

Bij het aanvragen van een pgb wordt gekeken wie de hulp geeft. Dat bepaalt hoeveel geld je krijgt.

Formele hulp

  • Wordt gegeven door professionele hulpverleners.

  • Deze mensen doen dit werk als beroep of bedrijf.

  • Ze zijn vaak geregistreerd in het BIG-register of bij het SKJ.

  • Ze werken volgens regels en kwaliteitseisen.

  • Voor formele hulp krijg je een hoger pgb-tarief.

Informele hulp

  • Wordt gegeven door familie of mensen uit je eigen netwerk.

  • Bijvoorbeeld: je ouders, kinderen, broers, zussen, grootouders.

  • Ook als zij professioneel zijn, telt het als informele hulp als ze familie zijn.

  • Voor informele hulp krijg je een lager pgb-tarief.

Waarom dit verschil?

  • Familie heeft vaak een emotionele band met degene die hulp krijgt.

  • Daarom wordt hun hulp anders beoordeeld dan hulp van een onafhankelijke professional.

Voorbeeld van formele en informele hulp

Situatie 1 – Formele hulp

Lisa heeft jeugdhulp nodig vanwege psychische problemen. Haar ouders kiezen ervoor om hulp in te kopen via een pgb. Ze schakelen een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP’er) in die:

  • een SKJ-registratie heeft,

  • werkt als professional,

  • en niet familie is van Lisa.

Dit is formele hulp.

Lisa krijgt het hogere pgb-tarief.

Situatie 2 – Informele hulp

Lisa heeft dezelfde hulp nodig. Haar tante, die toevallig ook BIG-geregistreerd psychiatrisch verpleegkundige is, biedt aan om te helpen. Ondanks haar opleiding en registratie is zij:

  • familie in de tweede graad,

  • en heeft een persoonlijke band met Lisa.

Dit is informele hulp.

Lisa krijgt het lagere pgb-tarief, omdat de hulp komt van een familielid.

Artikel 5.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder (zie ook bij artikel 5.1).

Eerste lid, a.

In dit lid is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokale team. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden.

Eerste lid, m.

Deze bepaling is opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen.

Derde lid.

In dit lid is opgenomen dat als uit de toepassing van het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling blijkt dat hulp geboden moet worden door een geregistreerde professional, dit de inzet van iemand uit het sociaal netwerk uitsluit.

Wat staat er in artikel 5.4 over de kwaliteitseisen die de gemeente moet stellen voor jeugdhulp via een pgb?

Als een jongere of ouder jeugdhulp krijgt via een persoonsgebonden budget (pgb), moet die hulp veilig, goed en passend zijn. Daarom zijn er regels opgesteld.

1. Verklaring omtrent gedrag (VOG)

Een informele hulpverlener (bijvoorbeeld een familielid of bekende) moet een geldige VOG hebben.Uitzondering: als de hulpverlener de ouder is van het kind. De VOG mag niet ouder zijn dan 3 maanden en moet getoond worden als het lokale team daarom vraagt.

2. Voorkomen van overbelasting

Een informele hulpverlener mag niet te veel uren werken. Als iemand naast de hulp ook ander werk doet, mag hij of zij gemiddeld niet meer dan 48 uur per week werken. Als dat wel zo is, kan het pgb (deels) worden geweigerd.

3. Inzet van professionals

Soms is het nodig dat de hulp wordt gegeven door een professionele hulpverlener. Als dat zo is, mag iemand uit het sociale netwerk (zoals familie of vrienden) deze hulp niet geven.

Artikel 5.5 Hoogte van het pgb

Eerste en tweede lid

In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk.

De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de wet (zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092).

Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief.

De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.

In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp is hoger dan het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is dit tarief passend geacht.

Eerste lid, onder d

In dit lid is vastgelegd op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld door categorieën jeugdhulp te benoemen die kunnen worden ingezet bij een pgb. Aan de verschillende categorieën is een maximumtarief verbonden. Het tarief dat aan de categorie is gekoppeld, maakt de inzet van kwalitatief toereikende zorg mogelijk

  • Categorie ambulante jeugdzorg:

    Onder formele hulp als het gaat om ambulante jeugdzorg door inzet van specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag met een systemische aanpak.

  • Categorie dagbehandeling jeugdzorg:

    Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of –begeleiding in groepsverband door inzet van specialistische behandeling in groepsverband wordt verstaan: specialistische begeleiding in groepsverband gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag en/of waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

  • Categorie verblijf jeugdzorg:

    Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische begeleiding wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag, in groepsverband aangevuld met individuele begeleiding. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

  • Categorie generalistische basis ggz:

    Onder formele hulp als het gaat om generalistische ggz door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Bij vermoeden van een DSM-IV benoemde stoornis met lichte/matige/ernstige/ chronische symptomen. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

  • Categorie specialistische ggz:

    Onder formele hulp als het gaat om specialistische ggz door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Het betreft altijd een multidisciplinaire behandeling in een gespecialiseerde setting Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

  • Categorie begeleiding individueel/groep:

    Onder formele hulp als het gaat om begeleiding in groepsverband en/of individueel door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning wordt in het algemeen verstaan: het in groepsverband (langdurig) en/of individueel aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Één-op-één begeleiding aan het kind (geen gezinsondersteuning) betreft het bieden van activiteiten gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid. Groepsbegeleiding wordt ook wel dagbesteding of dagactiviteiten genoemd om vaardigheden te onderhouden, zoveel mogelijk zelfstandigheid te bewaren, om te het leren omgaan met gedragsproblemen.

  • Categorie persoonlijke verzorging:

    Onder formele hulp als het gaat om persoonlijke verzorging door inzet van praktische ondersteuning en overname van verzorgingstaken wordt verstaan: het verzorgen, aansturen en/of stimuleren van verzorgende taken.

  • Categorie kortdurend verblijf:

    Onder formele hulp als het gaat om kortdurend verblijf wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op ontlasting van het gezin en op aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Inclusief begeleiding en/of persoonlijke verzorging.

  • Categorie behandeling (licht)verstandelijke beperking:

    Onder formele hulp als het gaat om behandeling (licht)verstandelijke beperking door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

  • Categorie verblijf (licht)verstandelijke beperking:

    Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische behandeling wordt verstaan: 24-uurs verblijf voor jeugdigen met (ernstige) (lichamelijke) beperkingen waarbij specialistische kennis nodig is en/of medische handelingen uitgevoerd moeten worden waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.

Eerste lid onder e

De pgb-tarieven, met uitzondering van de categorie overig die verwijst naar informele hulp, worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura.

Vierde lid

Het tarief voor informele of niet professionele ondersteuning wordt niet meer jaarlijks geïndexeerd. Het tarief is maximaal € 27,56 per uur. Dit tarief ligt ruim hoger dan het minimumloon dat op peildatum 1 juli 2025 € 14,40 per uur bedraagt.

Vijfde lid

Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief dient de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/haar rekening te nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet).

Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag het college bij de toekenning uitgaan van dit lagere tarief.

Zevende lid

Het college publiceert minimaal jaarlijks de tarieven.

Wat staat er in artikel 5.5 over hoe de gemeente bepaalt hoeveel geld iemand krijgt via een

Persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp? 

Belangrijke punten:

  • Toereikend bedrag: Het pgb moet genoeg zijn om goede hulp te kunnen inkopen, ook als iemand hulp krijgt van familie of vrienden.

  • Twee soorten hulp:

    • Formele hulp: Van een professionele zorgverlener. Hiervoor gelden hogere tarieven.

    • Informele hulp: Van iemand uit het sociale netwerk (bijvoorbeeld een familielid). Hiervoor geldt een lager tarief.

  • Verschillende categorieën hulp: Er zijn aparte tarieven voor verschillende soorten hulp, zoals:

    • Ambulante jeugdzorg (begeleiding thuis)

    • Dagbehandeling (in een groep)

    • Verblijf (24-uurs zorg)

    • GGZ (geestelijke gezondheidszorg)

    • Begeleiding individueel of in een groep

    • Persoonlijke verzorging

    • Kortdurend verblijf

    • Hulp bij verstandelijke beperking

  • Indexatie: De meeste tarieven worden elk jaar aangepast aan de kostenstijging. Het tarief voor informele hulp wordt niet meer jaarlijks verhoogd.

  • Maximale vergoeding voor informele hulp: € 27,56 per uur (ruim boven het minimumloon van € 14,40 per uur in juli 2025).

  • Vrijheid in keuze: De budgethouder mag zelf kiezen wie hij inhuurt. Als de zorgverlener duurder is dan het pgb-tarief, moet de budgethouder het verschil zelf betalen.

  • Publicatie: De gemeente maakt de tarieven minstens één keer per jaar bekend.

Artikel 5.6. Uitgesloten van pgb

Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 5.6 opgesomd.

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.

De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven.

Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de wet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 4.1 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.

Wat staat er in artikel 5.6 over wat er niet vergoed mag worden uit het persoonsgebonden budget (pgb)?

Wat wordt niet vergoed vanuit een pgb?

  • 1.

    Hulp bij het beheren van het pgb

    Je mag geen geld uit het pgb gebruiken om iemand te betalen die je helpt met het regelen van het pgb.

  • 2.

    Extra kosten

    Kosten zoals administratie, intake of bemiddeling worden niet vergoed. Als je deze kosten maakt, moet je die zelf betalen.

  • 3.

    Jeugdhulp in het buitenland

    Wil je het pgb gebruiken in het buitenland? Dan moet je van tevoren toestemming vragen aan de gemeente.

  • 4.

    Spoedeisende hulp

    In een noodsituatie kun je nog geen pgb gebruiken. Pas als er een onderzoek is gedaan en je recht hebt op hulp, kun je een pgb aanvragen.

Voorbeeld: Toelichting voor ouders over wat niet mag met een pgb

Meneer de Kroon heeft een pgb gekregen om jeugdhulp voor zijn kind in te kopen. Hij wil iemand betalen die hem helpt met het regelen van het pgb, zoals het invullen van formulieren of het maken van afspraken. Deze persoon mag meneer de Kroon niet betalen met geld uit het pgb. Dit moet meneer zelf betalen.

Hoofdstuk 6Herziening, intrekking, terugvordering en opschorten

Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het intrekken of herzien van een besluit kan ook het resultaat zijn van een gewijzigde (inschatting van de) situatie.

Artikel 6.1. Inlichtingen

Eerste lid

Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen.

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening. In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Tweede lid

Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.

Wat staat er in artikel 6.1 over het geven en krijgen van informatie

De gemeente moet ouders en jeugdigen goed uitleggen wat hun rechten en plichten zijn als ze jeugdhulp krijgen. Ook moet duidelijk zijn wat er gebeurt als iemand misbruik maakt van de hulp of het geld (pgb). Zo kunnen problemen worden voorkomen. Ouders en jeugdigen moeten de gemeente alle belangrijke informatie geven die nodig is om te bepalen of ze recht hebben op hulp. Dit geldt voor hulp in natura én voor een pgb. Ook een wettelijk vertegenwoordiger moet deze informatie geven als dat nodig is.

Voorbeeld uit de praktijk: Hulp voor Peter (11 jaar)

Situatie:

Peter is 11 jaar en heeft hulp nodig bij het omgaan met agressie. Moeder vraagt jeugdhulp aan bij de gemeente. Ze twijfelt tussen hulp via een zorgaanbieder (natura) of een persoonsgebonden budget (pgb), waarmee ze zelf hulp kunnen inkopen.

Wat doet de gemeente?

De gemeente legt duidelijk uit:

  • wat het verschil is tussen natura en pgb;

  • wat de verantwoordelijkheden zijn bij een pgb (zoals administratie en verantwoording);

  • wat er gebeurt als het geld verkeerd wordt gebruikt.

Wat doet de moeder van Peter? Zij geeft alle informatie die belangrijk is, zoals:

  • eerdere hulp die Peter heeft gehad;

  • hoe ze het pgb wil gebruiken;

  • wie de hulp gaat geven.

Resultaat:

De gemeente en moeder bespreken dat er hulp nodig is van een formele zorgverlener uit het pgb omdat moeder hulp nodig heeft in de avonden en weekenden omdat het dan vaak moeilijk is.

Artikel 6.2. Niet meewerken ouder(s)

Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp.

Artikel 6.2 gaat erover dat als ouders niet willen meewerken aan een onderzoek naar jeugdhulp, de gemeente (het college) mag besluiten om:

  • geen hulp te geven, of

  • de hulp die al gegeven wordt te stoppen of aan te passen.

Artikel 6.3. Intrekking of herziening

Eerste lid:

Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen.

Tweede lid:

Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum.

De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura.

Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel. Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726).

Derde en vierde lid:

Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen drie maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.

Wat staat er in artikel 6.3 gaat over de regels bij het stopzetten of aanpassen van jeugdhulp?

De gemeente controleert soms of hulp nog nodig is. De gemeente kijkt af en toe of de hulp die is gegeven nog past bij de situatie van de jongere. De gemeente mag hulp stoppen of veranderen Dat mag bijvoorbeeld als:

  • De situatie is veranderd.

  • De hulp niet goed is gebruikt.

  • Er verkeerde informatie is gegeven.

De gemeente moet altijd goed nadenken of dit eerlijk is.

De hulp moet op tijd beginnen:

  • Begin je niet binnen 3 maanden met hulp van een aanbieder?

  • Of gebruik je een pgb niet binnen 6 maanden?

Dan mag de gemeente de hulp stopzetten.

Artikel 6.4 Opschorting en terugvordering

Eerste en tweede lid

In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college.

Zesde lid

In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.

Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet. Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat:

  • 1)

    de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a);

  • 2)

    de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of

  • 3)

    de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e).

Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.

Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz.

Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onder g. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.

Wat staat er in artikel 6.4 over de opschorting en terugvordering van het pgb

  • 1.

    Terugvorderen van pgb

    Als iemand verkeerde of onvolledige informatie geeft bij het aanvragen van een pgb, kan de gemeente het pgb terugvragen. Dit heet terugvordering. De gemeente moet dit eerst doen voordat ze het geld echt kan invorderen (terughalen via bijvoorbeeld een deurwaarder). Dit geldt ook als iemand een voorziening in natura (zoals hulp of hulpmiddelen) onterecht heeft gekregen.

  • 2.

    Opschorten van betalingen

    Soms is het beter om tijdelijk te stoppen met het uitbetalen van het pgb dan om het helemaal te stoppen. Dit heet opschorting. Dit kan bijvoorbeeld als:

    • Er twijfel is over de juistheid van de informatie.

    • De pgb-houder zich niet aan de regels houdt.

    • Het pgb niet goed of voor iets anders wordt gebruikt.

    • Ook als iemand tijdelijk is opgenomen in een instelling en geen gebruik kan maken van het pgb, kan de gemeente de betaling tijdelijk stopzetten.

  • 3.

    Hoe lang mag opschorting duren?

    De gemeente mag de betaling maximaal 13 weken opschorten. In die tijd kan onderzocht worden wat er aan de hand is.

  • 4.

    Wat moet de gemeente doen?

    De gemeente moet goed uitleggen waarom ze de betaling wil stoppen en dit melden aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB), die de betaling uitvoert. Ook moet de pgb-houder hierover schriftelijk worden geïnformeerd.

Voorbeeld: Tijdelijke stop van pgb-betaling

Situatie: Sophie is moeder van een zoon van 10 jaar met het syndroom van down. Ze heeft een pgb gekregen om zelf hulp in te kopen. Ze heeft een contract gesloten met een begeleider.

Wat gebeurt er?

De gemeente krijgt een melding dat de begeleider al een paar maanden geen hulp meer geeft, maar dat er wel pgb-geld wordt gedeclareerd. De gemeente denkt dat er misschien iets niet klopt.

Wat doet de gemeente?

De gemeente vraagt aan de SVB om de betaling van het pgb tijdelijk te stoppen. Dit heet opschorting. Zo kan de gemeente eerst goed onderzoeken wat er aan de hand is.

Waarom is dit handig?

  • De gemeente hoeft het pgb niet meteen helemaal te stoppen.

  • Sophie krijgt de kans om uitleg te geven of dingen te herstellen.

  • Als blijkt dat alles toch klopt, kan de betaling weer doorgaan.

Hoe lang duurt dit? De betaling mag maximaal 13 weken worden gestopt. Daarna moet er een besluit komen.

Hoofdstuk 7Controle en toezicht

Artikel 7.1. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Eerste lid

In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de wet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd.

Tweede en derde lid:

Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 7.1, tweede en derde lid toegevoegd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb.

Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.

Wat staat er in artikel 7.1 over de controle van de gemeente op de juiste en goede inzet van jeugdhulp

De gemeente wil zeker weten dat jeugdhulp:

  • op de juiste manier wordt ingezet (rechtmatigheid),

  • goed werkt en nuttig is (doelmatigheid),

  • en dat er geen misbruik van wordt gemaakt.

Daarom controleert de gemeente regelmatig hoe de hulp wordt gebruikt.

Wie controleert?

De gemeente wijst speciale toezichthouders aan. Zij controleren of:

  • de hulp echt nodig is,

  • het geld goed wordt besteed,

  • de hulp van goede kwaliteit is.

Wat wordt onderzocht?

  • Of het persoonsgebonden budget (pgb) goed wordt gebruikt.

  • Of de hulp die is afgesproken ook echt wordt gegeven.

  • Of de hulp past bij wat het kind of gezin nodig heeft.

Dit kan via:

  • Gesprekken met ouders of jongeren,

  • Bezoek aan huis of aan de zorglocatie,

  • Inzien van dossiers of administratie.

Artikel 7.2 Toezichthouders

Lid 1 en 2

De gemeente kan iemand aanwijzen die controleert of de regels van de wet goed worden gevolgd. Deze persoon noemen we een toezichthouder. De toezichthouder mag:

  • Vragen stellen en informatie opvragen.

  • Administratie bekijken van zorgverleners en mensen met een persoonsgebonden budget (pgb).

  • Identiteit controleren van mensen.

  • Documenten en gegevens inzien.

  • Gebouwen betreden, behalve woningen.

  • Controleren of zorgverleners zich aan de afspraken houden.

  • Nakijken of de pgb-overeenkomsten kloppen met wat is aangevraagd.

Lid 3

Iedereen moet meewerken als de toezichthouder iets vraagt of controleert. Als iemand dat niet doet, kan de gemeente een boete opleggen.

Lid 4

De gemeente mag zelf nog extra regels maken over wat de toezichthouder precies mag doen.

Wat staat er in artikel 7.2 over wat een toezichthouder mag doen?

De gemeente kan een toezichthouder aanstellen. Deze persoon controleert of de regels van de Jeugdwet goed worden gevolgd.

Wat mag een toezichthouder?

  • Vragen stellen en informatie opvragen.

  • Administratie bekijken van zorgverleners en mensen met een persoonsgebonden budget (pgb).

  • Identiteit controleren van mensen.

  • Documenten en gegevens inzien.

  • Gebouwen betreden (behalve woningen).

  • Controleren of zorgverleners zich aan de afspraken houden.

  • Nakijken of de pgb-overeenkomsten kloppen met wat is aangevraagd.

Meewerken is verplicht

Iedereen moet meewerken als de toezichthouder iets vraagt of controleert. Doet iemand dat niet, dan kan de gemeente een boete opleggen.

Extra regels

De gemeente mag zelf nog extra regels maken over wat de toezichthouder precies mag doen.

Voorbeelden

1. Controle op administratie van zorgaanbieders

Een toezichthouder vraagt bij een zorgaanbieder de cliëntadministratie op. Bijvoorbeeld om te controleren of de zorg die is gedeclareerd ook echt is geleverd. Als blijkt dat er uren zijn gedeclareerd terwijl de jeugdige lange tijd afwezig was, kan dit leiden tot een waarschuwing of terugvordering.

2. Onderzoek bij vermoeden van misbruik pgb

Een toezichthouder onderzoekt een situatie waarin een ouder een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt, maar er signalen zijn dat de zorg niet wordt geleverd. De toezichthouder vraagt de zorgovereenkomsten op, controleert of de zorgverlener daadwerkelijk werkt, en spreekt eventueel met de jeugdige of het netwerk.

3. Onaangekondigd bezoek aan zorglocatie

Bij een aanbieder van dagbesteding komt de toezichthouder onaangekondigd langs. Ze bekijkt of de jeugdige aanwezig is, of de begeleiding voldoet aan de afspraken in de beschikking, en of de locatie veilig en passend is.

4. Inzage in documenten bij signalen van fraude

Bij een vermoeden van fraude vraagt de toezichthouder documenten op zoals facturen, zorgplannen en communicatie tussen ouder en aanbieder. Zo wordt gecontroleerd of de geleverde zorg overeenkomt met wat is afgesproken.

5. Gesprek met cliënt of ouder

De toezichthouder kan ook in gesprek gaan met een jongere of ouder om te controleren of zij weten welke zorg ze horen te krijgen, of ze tevreden zijn, en of er signalen zijn van misbruik of onduidelijkheid.

Artikel 7.3. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura [en in vorm van pgb’s] te waarborgen en fraude te voorkomen.

In dit artikel is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp. Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen.

Wat staat er in artikel 7.3 over de maatregelen die de gemeente neemt tegen misbruik of verkeerd gebruik van jeugdhulp

De gemeente wil voorkomen dat jeugdhulp verkeerd wordt gebruikt of dat mensen misbruik maken van de regels. Daarom neemt de gemeente extra maatregelen.

Wat doet de gemeente?

  • Controleert of de declaraties (rekeningen) van zorgaanbieders kloppen.

  • Kijkt of de hulp die is afgesproken ook echt wordt gegeven.

  • Controleert of de doelen van de hulp worden behaald.

  • Voert regelmatig heronderzoeken uit.

Artikel 7.4 Fraudepreventie

De gemeente wil voorkomen dat mensen misbruik maken van hulp of ondersteuning die zij krijgen. Daarom doet de gemeente aan fraudepreventie. Dat betekent: zorgen dat er geen fraude gebeurt.

De gemeente doet dit op drie manieren:

  • 1.

    Uitleg geven aan inwoners

    De gemeente geeft informatie aan inwoners. Vooral aan mensen die hulp of ondersteuning krijgen. Zo weten zij wat ze kunnen verwachten.

  • 2.

    Rechten en plichten uitleggen

    Inwoners krijgen uitleg over wat hun rechten zijn (wat ze mogen) en wat hun plichten zijn (wat ze moeten doen). Ook vertelt de gemeente wat er gebeurt als iemand misbruik maakt van de hulp. Bijvoorbeeld: als iemand verkeerde informatie geeft of hulp gebruikt waarvoor het niet bedoeld is.

  • 3.

    Vroeg signaleren van problemen

    De gemeente probeert op tijd te zien of er iets niet klopt. Bijvoorbeeld als iemand hulp krijgt die hij of zij eigenlijk niet nodig heeft. Zo kan de gemeente snel ingrijpen.

Wat staat er in artikel 7.4 over hoe de gemeente fraude met jeugdhulp wil voorkomen

De gemeente wil voorkomen dat mensen misbruik maken van jeugdhulp of een persoonsgebonden budget (pgb). Daarom werkt de gemeente aan fraudepreventie. Dat betekent: zorgen dat er geen fraude gebeurt.

Hoe doet de gemeente dat?

  • 1.

    Goede uitleg geven 

    • a.

      Inwoners krijgen duidelijke informatie over wat ze mogen en moeten doen.

    • b.

      Bijvoorbeeld: wat mag je met een pgb betalen en wat niet?

  • 2.

    Vroeg signaleren van problemen 

    • a.

      De gemeente let goed op signalen dat er iets niet klopt.

    • b.

      Bijvoorbeeld: als iemand hulp krijgt die eigenlijk niet nodig is.

  • 3.

    Controle en samenwerking 

    • a.

      De gemeente controleert regelmatig of de hulp nog nodig is.

    • b.

      Ze werkt samen met andere instanties, zoals de Belastingdienst.

    • c.

      Nieuwe zorgaanbieders worden vooraf gecontroleerd.

Voorbeelden van fraudepreventie

  • 1.

    Duidelijke uitleg geven

    • De gemeente stuurt brieven in eenvoudige taal.

    • Inwoners krijgen uitleg over wat ze wel en niet mogen doen met hun hulp of PGB (persoonsgebonden budget).

  • 2.

    Gesprekken aan de keukentafel

    • Bij het aanvragen van hulp komt een medewerker thuis langs.

    • Zo kan de gemeente beter inschatten wat iemand echt nodig heeft.

  • 3.

    Heronderzoeken

    • De gemeente controleert regelmatig of iemand nog steeds recht heeft op hulp.

    • Bijvoorbeeld: is de situatie veranderd? Is er nog steeds hulp nodig?

  • 4.

    Controle op zorgaanbieders

    • De gemeente kijkt of zorgaanbieders goede en eerlijke zorg leveren.

    • Nieuwe aanbieders worden vooraf gescreend (bijvoorbeeld via een waarschuwingsregister).

  • 5.

    Samenwerken met andere instanties

    • Gemeenten werken samen met bijvoorbeeld de Belastingdienst of zorgkantoren.

    • Zo kunnen ze sneller zien of er iets niet klopt.

  • 6.

    Huisbezoeken bij twijfel

    • Als er een vermoeden is van misbruik, kan de gemeente onverwacht langskomen.

    • Bijvoorbeeld als ouders zeggen veel tijd kwijt te zijn aan de verzorging en begeleiding van hun kind, maar vaak niet thuis zijn.

  • 7.

    Gebruik van signalen

    • Medewerkers letten op opvallende dingen, zoals veel declaraties of tegenstrijdige verhalen.

Hoofdstuk 8Afstemming met andere voorzieningen

In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld.

Artikel 8.1. Voorliggende voorzieningen

Eerste en tweede lid

Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet.

Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing.

Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet. Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127).

Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt.

Derde en vierde lid

Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen. Bij een verwijzing naar zorg op grond van de Wlz wordt tevens cliëntondersteuning ingeschakeld om de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger te ondersteunen bij het aanvraagproces.

Wat staat er in artikel 8.1 over andere wetten die soms voorgaan op jeugdhulp?

Soms heeft een kind of jongere recht op hulp via andere wetten dan de Jeugdwet. In dat geval hoeft de gemeente geen jeugdhulp te geven via de Jeugdwet.

Voorbeelden van andere wetten:

  • Wlz (Wet langdurige zorg): voor mensen met een zware beperking.

  • Zorgverzekeringswet: bijvoorbeeld voor psychische hulp via de huisarts.

  • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo): voor volwassenen.

  • Onderwijswetgeving: zoals Passend Onderwijs.

Als een kind hulp kan krijgen via één van deze wetten, dan is die hulp voorliggend. Dat betekent: die hulp gaat vóór jeugdhulp via de gemeente.

Wat als meerdere wetten tegelijk gelden?

Als een kind hulp nodig heeft die onder meerdere wetten valt (bijvoorbeeld Wlz én Jeugdwet), dan moet de gemeente toch jeugdhulp geven. Zo voorkomt de gemeente dat het kind nergens terecht kan.

Verwijzen naar de juiste plek

Als blijkt dat een andere instantie verantwoordelijk is voor de hulp, dan verwijst de gemeente het gezin daar naartoe. Bij ingewikkelde situaties helpt de gemeente ook met cliëntondersteuning.

Voorbeeld: Wlz voorliggend bij een jeugdige met een verstandelijke beperking

Casus: Een meisje van 12 jaar heeft een ernstige verstandelijke beperking, gecombineerd met autisme en epilepsie. Zij heeft 24/7 toezicht nodig omdat hij niet adequaat kan alarmeren bij gevaar. Zij begrijpt situaties niet goed, kan zichzelf niet verzorgen en vertoont regelmatig risicovol gedrag zoals weglopen en zichzelf verwonden. Haar ouders kunnen deze intensieve zorg niet zelfstandig bieden.

Beoordeling:

  • De zorgvraag is levenslang en levensbreed.

  • Er is sprake van een blijvende behoefte aan permanent toezicht.

  • Het meisje kan niet zelfstandig hulp inroepen.

  • De beperking is primair verstandelijk, met bijkomende problematiek.

Uitkomst: Het CIZ beoordeelt dat de zorgvraag voldoet aan de criteria voor de Wlz. De Wlz wordt toegekend en is daarmee voorliggend op de Jeugdwet. De gemeente is niet langer verantwoordelijk voor de zorg; deze wordt overgenomen door het zorgkantoor via de Wlz.

Artikel 8.2. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Afstemming met andere voorzieningen is belangrijk in het kader van het perspectiefplan. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 8.2 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.

Eerste lid

Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief.

Eerste lid onder h

Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet.

De wet Passend onderwijs legt een zorgplicht bij scholen. Dat betekent dat scholen ervoor verantwoordelijk zijn om alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een goede onderwijsplek te bieden. Hiervoor werken reguliere en speciale scholen in het primair en voortgezet onderwijs samen in samenwerkingsverbanden. Het onderwijs besluit niet over de inzet van specialistische jeugdhulp, dit is voorbehouden aan de lokale toegang of derde verwijzer. Betrokkenheid van Leerplicht is dan voorliggend. Alle verrichtingen die behoren bij Passend onderwijs zijn niet declarabel vanuit de contracten met specialistische jeugdhulpaanbieders, bijvoorbeeld (niet limitatief):

  • o

    Meting cognitief niveau;

  • o

    Klasse observaties;

  • o

    Interventies ten behoeve van klassenmanagement (zoals Taakspel en Beter bij de Les);

  • o

    Schrijfoefeningen;

  • o

    Ondersteuning bij ernstige lees-, spellings- en/of rekenproblemen;

  • o

    Ondersteuning vanwege hoogbegaafdheid in de onderwijssetting;

  • o

    Logopedisch onderzoek;

  • o

    Diagnostiek en behandeling met betrekking tot dyslexie (niet zijnde ernstige dyslexie) en dyscalculie;

  • o

    Begeleiding van leerkrachten;

  • o

    Stagebegeleiding;

  • o

    Hulp bij plannen van schoolwerk

  • o

    Intelligentietesten die worden afgenomen voor onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie, behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen niet onder jeugdhulp.

Tweede en derde lid

Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming.

Vierde lid

Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen.

Vijfde en zevende lid

Het vijfde en zevende lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten. Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen.

Zesde lid, a. De aanbieder heeft de verplichting om samen met cliënten die in zorg zijn vanaf het 16e jaar een toekomstplan naar volwassenheid op te stellen met een duidelijk omschreven en haalbare tijdslijn naar volwassenheid, waarin ze meer verantwoordelijkheden krijgen en zich voorbereiden op zelfstandig leven, wonen, werk/school, inkomen en welzijn, ook wel de "Big 5" genoemd. Ook wordt hierin aangegeven of en zo ja welke hulp en/of ondersteuning nog nodig is en hoe deze vanuit de Wmo 2015, Wlz, Zorgverzekeringswet wordt ingezet vanaf de 18e verjaardag. De aanbieder betrekt minimaal een half jaar voordat een jongere de leeftijd van 18 jaar (voor pleegzorg en gezinshuis 21 jaar) bereikt, de verwijzer bij (het opstellen van) het toekomstplan.

Belangrijke uitgangspunten voor de overgang naar volwassenheid zijn:

  • -

    Toekomstgericht werken. De big 5 als basis. Op tijd en voldoende aandacht besteden aan de overgang voor jongeren.

  • -

    Werk integraal. Zorgen dat jongeren een stabiele en passende oplossing krijgen.

  • -

    Jongeren helpen bij wettelijke veranderingen. Werk relationeel samen.

  • -

    Help de overgang voor jongeren verkleinen. Zet de juiste mensen op de juiste plek.

Wat staat er in artikel 8.2 over de samenwerking met andere hulp en voorzieningen

Kinderen en jongeren krijgen soms hulp uit meerdere wetten tegelijk. Bijvoorbeeld jeugdhulp én hulp via school of de Wmo. Het is dan belangrijk dat deze hulp goed op elkaar wordt afgestemd.

Wat regelt dit artikel?

  • De gemeente moet zorgen dat jeugdhulp aansluit op andere hulp, zoals:

    • o

      zorg,

    • o

      onderwijs,

    • o

      maatschappelijke ondersteuning,

    • o

      werk en inkomen.

  • Dit gebeurt via het perspectiefplan, waarin alle hulp en doelen samenkomen.

Wat als een jongere bijna 18 wordt?

  • Vanaf 16 jaar moet er al worden nagedacht over de toekomst.

  • Er wordt dan een toekomstplan gemaakt, waarin staat:

    • o

      waar de jongere wil wonen,

    • o

      hoe hij of zij inkomen krijgt,

    • o

      welke hulp nog nodig is na het 18e jaar.

  • De gemeente zorgt dat de overgang naar volwassen hulp goed verloopt, zodat niemand zonder hulp komt te zitten.

Voorbeeld: Toekomstplan voor Sam (17 jaar)

Sam is 17 jaar en woont in een gezinshuis. Hij krijgt hulp van een jeugdzorgorganisatie. Over een jaar wordt hij 18. Samen met zijn begeleider maakt hij een toekomstplan.

Wat staat er in het plan?

  • Wonen: Sam wil graag op zichzelf wonen. De begeleider helpt hem zoeken naar een kamer en vraagt samen met Sam een woning aan.

  • School/werk: Sam zit op het mbo. Hij wil zijn opleiding afmaken en daarna werken in de techniek. De begeleider helpt hem bij het zoeken van een stage.

  • Inkomen: Sam krijgt nu zakgeld en kleedgeld. In het plan staat dat hij leert omgaan met geld. Ze oefenen met een budget en kijken of hij recht heeft op studiefinanciering.

  • Welzijn: Sam voelt zich soms alleen. In het plan staat dat hij hulp krijgt van een coach via de Wmo, ook na zijn 18e.

  • Verantwoordelijkheid: Sam leert zelf afspraken maken met instanties, zoals de gemeente of de zorgverzekeraar.

Wie helpt Sam?

  • Zijn begeleider uit het gezinshuis.

  • Een Wmo-consulent/Sociaal wijkteam van de gemeente.

  • Zijn verwijzer (bijvoorbeeld het lokaal team of de jeugdbeschermer), die al een half jaar voor zijn 18e meedenkt.

Hoofdstuk 9Waarborging prijs-kwaliteit

Artikel 9.1. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden.

Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 9.1 voorziet hierin. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.

Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt.

Wat staat er in artikel 9.1 over de balans die er moet zijn tussen prijs en kwaliteit van jeugdhulp?

De gemeente koopt jeugdhulp in bij organisaties. Daarbij is het belangrijk dat er een goede balans is tussen de prijs en de kwaliteit van de hulp.

Wat betekent dit?

  • De gemeente betaalt een eerlijke prijs voor de hulp die wordt geleverd.

  • Die prijs moet genoeg zijn om:

    • o

      goede hulp te kunnen bieden,

    • o

      deskundige medewerkers te betalen,

    • o

      en te zorgen voor continuïteit (de hulp moet kunnen doorgaan).

Wat staat er in de afspraken?

  • De gemeente maakt duidelijke afspraken met aanbieders over:

    • o

      wat de hulp precies inhoudt,

    • o

      welke kwaliteit wordt verwacht,

    • o

      en hoeveel dat mag kosten.

  • Als een aanbieder een deel van de hulp uitbesteedt aan een andere organisatie, moet ook die organisatie een eerlijke prijs krijgen.

Voorbeeld

De gemeente sluit een contract met een organisatie die specialistische jeugdhulp biedt. In het contract staat:

  • Dat de hulp wordt gegeven door medewerkers met een SKJ-registratie (kwaliteitseis),

  • Dat de hulp beschikbaar moet blijven, ook als er veel vraag is,

  • En dat de prijs die de gemeente betaalt genoeg is om deze kwaliteit te kunnen leveren.

Zo zorgt de gemeente ervoor dat kinderen en jongeren goede en betrouwbare hulp krijgen, zonder dat de kosten onnodig hoog zijn.

Hoofdstuk 10Klachten en medezeggenschap

Artikel 10.1. Klachtenregeling

Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan.

In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v., van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet logisch is, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, of wanneer de aanbieder niet adequaat op de klacht reageert of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen aanbieder en klager, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

Wat staat er in artikel 10.1 over de mogelijkheid om een klacht in te dienen?

Als je niet tevreden bent over hoe je bent geholpen door de gemeente of een medewerker, dan kun je een klacht indienen.

Waar kun je een klacht over indienen?

  • Over het gedrag van een medewerker van de gemeente.

  • Als je vindt dat je niet goed bent behandeld.

  • Als je geen goede reactie krijgt van een zorgaanbieder.

De gemeente moet jouw klacht serieus behandelen. Dit is geregeld in de wet (de Algemene wet bestuursrecht).

Meestal dien je een klacht eerst in bij de zorgaanbieder. Alleen als dat niet kan of niet helpt, kun je bij de gemeente terecht.

Artikel 10.2. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de wet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.

Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Wat staat er in artikel 10.2 over hoe inwoners kunnen meedenken over het beleid?

De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners kunnen meedenken over het jeugdhulpbeleid.

Wat kun je doen?

  • Voorstellen doen voor beter beleid.

  • Advies geven over plannen van de gemeente.

  • Meepraten in overleggen over jeugdhulp.

  • Ondersteuning krijgen om je mening goed te kunnen geven.

  • Informatie ontvangen die je nodig hebt om mee te doen.

De gemeente bepaalt zelf hoe deze medezeggenschap precies wordt georganiseerd.

Hoofdstuk 11Slotbepalingen

Artikel 11.1. Hardheidsclausule

Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders.

Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 van de wet het college reeds maatwerk te verrichten. In uitzonderingsgevallen zou het bijvoorbeeld kunnen spelen bij de regels rondom het verstrekken van een pgb.

Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.

Wat staat er in artikel 11.1 over wanneer de gemeente mag afwijken van de regels (Hardheidsclausule)?

Soms past een situatie niet goed binnen de regels van de verordening. In zulke bijzondere gevallen mag de gemeente afwijken van de regels, maar alleen ten gunste van het kind of de ouders.

De gemeente mag dus niet strengere regels toepassen dan in de verordening staat.

Voorbeeld:

Een gezin heeft dringend hulp nodig, maar voldoet nét niet aan alle voorwaarden. De gemeente kan dan toch hulp geven als dat beter is voor het kind.

Artikel 11.2. Evaluatie

In artikel 11.2 wordt de evaluatie van het beleid op grond van deze verordening nader geconcretiseerd.

Wat staat er in artikel 11.2 over de evaluatie van het beleid van de gemeente?

De gemeente moet regelmatig evalueren of het beleid goed werkt. Dat betekent:

  • Kijken of de regels goed worden toegepast.

  • Onderzoeken of de hulp echt helpt.

  • Zo nodig het beleid aanpassen of verbeteren.

Artikel 11.3. Overgangsrecht, intrekking oude verordening

Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van:

  • Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is;

  • Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift;

  • Terugvordering.

Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening.

Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.

Wat staat er in artikel 11.3 over de overgangsregels bij een nieuwe verordening?

Als er een nieuwe verordening komt, gelden er overgangsregels. Dat betekent:

  • Hulp die al is toegekend, blijft geldig tot het besluit afloopt of wordt aangepast.

  • Bezwaarprocedures worden behandeld volgens de regels die golden op het moment van het besluit.

  • Als nieuwe regels gunstiger zijn voor het gezin, mogen die worden toegepast.

Artikel 11.4. Inwerkingtreding, citeertitel en overgangsbepalingen.

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening jeugdhulp gemeente Purmerend 2022.

Wat staat er in artikel 11.4 over de inwerkingtreding van de verordening?

In dit artikel staat wanneer de nieuwe verordening ingaat en welke oude regels vervallen.


Noot
1

De Brede Vakinhoudelijke Richtlijn Dyslexie (BVRD bevat aanbevelingen voor het handelen van professionals in onderwijs en zorg die betrokken zijn bij jeugdigen met lees-/spellingproblemen en dyslexie in de leeftijd van 6 tot 23 jaar.