Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750298
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750298/1
Verordening individuele inkomenstoeslag Gouda 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening individuele inkomenstoeslag Gouda 2026De raad van de gemeente Gouda;
Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 23 september 2025 nummer 1542026;
Gezien het advies van de Goudse Adviesraad Sociaal Domein van 31 juli 2025;
Gelet op artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel b, en tweede lid, van de Participatiewet;
Overwegende dat het de ambitie is dat alle inwoners in Gouda in staat zijn om mee te doen;
Overwegende dat inwoners die langdurig een laag inkomen hebben en geen zicht op verbetering van die inkomenspositie steun kunnen gebruiken om mee te blijven doen;
Overwegende dat het de ambitie is om kwetsbare inwoners goed te ondersteunen, het bereik van voorzieningen te vergroten en het niet-gebruik tegen te gaan;
Besluit:
- 1.
De Verordening individuele inkomenstoeslag Gouda 2026 vast te stellen.
Artikel 1. Begrippen
-
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
Inkomen: het totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;
- b.
Peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;
- c.
Referteperiode: periode van 3 jaar voorafgaand aan de peildatum;
- d.
Kind: een persoon jonger dan 18 jaar die ingeschreven staat in de gemeente Gouda in de Basisregistratie Personen en voor wie aan de alleenstaande ouder, gehuwd ouder of verzorger kinderbijslag wordt betaald of zal worden betaald vanaf het eerstvolgende kwartaal, of het pleegkind jonger dan 18 jaar waarvoor een pleegvergoeding wordt ontvangen op grond van artikel 5.3, lid 1, van de Jeugdwet;
- e.
Uitzicht op inkomensverbetering: als uitgangspunt, maar niet uitsluitend, personen die een mbo-, hbo- of wo-opleiding of een particuliere beroepsopleiding volgen, alsmede personen die een dergelijke studie in de referte periode hebben gevolgd. In geval van een uitkering op grond van de Participatiewet van 36 maanden of langer wordt verondersteld geen sprake te zijn van uitzicht op inkomensverbetering.
- a.
-
2. Alle begrippen uit deze verordening die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als die in de Participatiewet en de Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Indienen verzoek en ambtshalve toekenning
Een verzoek van een persoon als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels en door het college vastgesteld formulier. Personen die een uitkering op grond van de Participatiewet ontvangen, en voldoen aan het gestelde in artikel 3 van deze verordening, hoeven geen verzoek in te dienen. Zij krijgen de individuele inkomenstoeslag eenmaal per 12 maanden ambtshalve uitgekeerd. Als na 1 januari 2025 geen individuele inkomenstoeslag is verstrekt, is de eerste peildatum 1 januari 2026.
Artikel 3. Langdurig laag inkomen
Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als de gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 101% van de toepasselijke bijstandsnorm, zonder toepassing van de kostendelersnorm zoals bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet.
Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag
-
1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar voor personen van 21 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd:
- a.
Voor gehuwden € 841,-
- b.
Voor een alleenstaande ouder € 661,-
- c.
Voor een alleenstaande € 561,-
- a.
-
2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.
-
3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.
-
4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
Artikel 5. Geen recht op individuele inkomenstoeslag
Er bestaat geen recht op een individuele inkomenstoeslag als er een concreet uitzicht is op inkomensverbetering.
Artikel 6. Overgangsrecht
Personen aan wie in 2025 in aanvulling op de individuele inkomenstoeslag een toeslag voor hun ten laste komende kind(eren) is toegekend, ontvangen ook in het jaar 2026 en 2027 een aanvullende toeslag van € 50,- per ten laste komend kind. Deze aanvulling wordt toegekend als aan de voorwaarden van deze verordening wordt voldaan en persoon niet volledig is gecompenseerd door het verhogen van het bedrag genoemd in artikel 4 lid 1 b.
Artikel 7. Intrekken oude verordening
De Verordening individuele inkomenstoeslag Gouda 2018 wordt ingetrokken.
Artikel 8. Inwerkingtreding
De verordening treedt in werking op 1 januari 2026.
Artikel 9. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Gouda 2026.
Ondertekening
Aldus besloten in de openbare vergadering van 10 december 2025.
De raad van de gemeente voornoemd,
Griffier
mr. drs. E.J. Karman-Moerman
voorzitter
mr. drs. P. Verhoeve
Toelichting
Algemeen
Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand. Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Sindsdien is het verlenen van de toeslag geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het college een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor.
Vast te leggen regels in verordening
De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 101% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast wordt bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het college rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend: de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.
Ingangsdatum
De individuele inkomenstoeslag wordt toegekend vanaf de peildatum. Dat is de datum waarop wordt aangevraagd en waarop aan de voorwaarden wordt voldaan. Als op de datum van aanvraag aan de voorwaarden is voldaan, is dit de peildatum voor de belanghebbende.
Voor personen die 36 maanden of langer een bijstandsuitkering ontvangen, geldt dat zij geen aanvraag hoeven in te dienen. Zij worden voorondersteld aan de voorwaarden te voldoen en krijgen de toeslag ambtshalve toegekend. Als iemand de toeslag nog niet eerder heeft gehad, of in ieder geval niet na 1 januari 2025 wordt deze voor het eerst ambtshalve toegekend per 1 januari 2026. Als er eerder wel een toeslag is verstrekt, krijgt men de toeslag 12 maanden na de laatste toekenning verstrekt.
Wijziging leefvorm
De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.
Heeft een persoon individuele inkomenstoeslag naar een bepaalde leefvorm ontvangen, dan kan deze ook als de leefvorm wijzigt, pas na 12 maanden opnieuw voor een individuele inkomenstoeslag in aanmerking komen.
Artikelsgewijze toelichting
Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.
Artikel 1. Begrippen
Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.
Peildatum
De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt of waartegen de individuele inkomenstoeslag ambtshalve wordt verstrekt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Dit volgt uit artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet en de jurisprudentie rondom artikel 44 van de Participatiewet.
Referteperiode
Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’.
Uitzicht op inkomensverbetering
Concreet uitzicht op inkomensverbetering is in deze verordening gedefinieerd als in ieder geval personen die een mbo-, hbo- of wo-opleiding of een particuliere beroepsopleiding volgen alsmede personen die een dergelijke studie in de referteperiode hebben gevolgd. Het is denkbaar dat ook buiten deze definitie personen concreet zicht op inkomensverbetering hebben, maar dat is in een definitie niet te voorzien en te omschrijven. Een ander voorbeeld is de belanghebbende die weliswaar in een schuldregeling zit, maar die na afloop van de regeling weer gaat beschikken over een inkomen dat boven de 101% ligt.
Artikel 2. Indienen verzoek en ambtshalve toekenning
Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld (e)formulier. Een verzoek wordt dan gezien als een aanvraag zoals bedoeld in afdeling 4.1.1 van de Awb. Het gaat dan om een schriftelijke aanvraag (artikel 4:1 van de Awb) die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen (artikel 4:2, tweede lid, van de Awb). Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.
Personen die 36 maanden of langer een bijstandsuitkering ontvangen hoeven geen aanvraag te doen. Zij krijgen de toeslag ambtshalve toegekend tegen de voor hen van toepassing zijnde peildatum.
Artikel 3. Langdurig laag inkomen
Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.
Langdurig
De door de gemeenteraad vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening.
Uitgangspunt is dat de periode van 36 maanden onafgebroken moet zijn. Wel betreft de 101% grens een gemiddelde over de referteperiode. Wisselende inkomsten boven en onder de norm leiden daarmee niet meteen tot uitsluiting.
Laag inkomen
Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 101% van de toepasselijke bijstandsnormen. De kostendelersnorm, waardoor deze bijstandsnormen verlaagd zouden kunnen worden, wordt niet toegepast.
Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag
Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, een alleenstaande ouder en gehuwden.
Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide partners voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag. Is één van de partners uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het derde lid.
De peildatum, dat is de datum waarop de doelgroep langdurig een laag inkomen heeft, is bepalend voor de leefvorm en voor de hoogte van de toeslag.
In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen. De in het eerste lid genoemde bedragen zullen voor het eerst worden geïndexeerd per 1 januari 2027.
Artikel 5. Geen recht op individuele inkomenstoeslag
In de verordening is geregeld welke categorie in ieder geval wordt uitgesloten van het recht op een individuele inkomenstoeslag vanwege “uitzicht op inkomensverbetering”, één van de wettelijke criteria. In artikel 36 lid 1 Participatiewet zijn als voorwaarden nog opgenomen dat ten tijde van de referteperiode het vermogen niet de grens van het vrij te laten bescheiden vermogen te boven mag gaan en dat er geen uitzicht mag zijn op inkomensverbetering. Voorts gelden uiteraard de uitsluitingsgronden genoemd in artikel 13 Participatiewet en kan tekortschietend besef van verantwoordelijkheid aanleiding vormen om het recht te weigeren.
Artikel 6. Overgangsrecht
De aanvullende toeslag van € 50,- per ten laste komend kind is in deze verordening komen te vervallen. Veel personen worden gecompenseerd of gaan er op vooruit door het bedrag voor alleenstaande ouders te verhogen met € 100,-. Wanneer personen hierdoor niet of niet volledig worden gecompenseerd ontvangen zij alsnog een aanvullende kindtoeslag. Deze toeslag wordt ambtshalve of op aanvraag verstrekt aan personen die in 2025 een toeslag per ten laste komend ontvingen en nog steeds aan de voorwaarden van de individuele inkomenstoeslag voldoen. Het overgangsrecht geldt in de jaren 2026 en 2027.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl