Verordening fysieke leefomgeving gemeente Heeze-Leende 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening fysieke leefomgeving gemeente Heeze-Leende 2026

De raad van de gemeente Heeze-Leende,

gelezen het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 16 september 2025,

gelet op de Omgevingswet en aanverwante besluiten en de Wegenverkeerswet 1994,

besluit vast te stellen de volgende Verordening fysieke leefomgeving gemeente Heeze-Leende 2026:

Hoofdstuk 1 Begrippen

Artikel 1 Definities

Voor de toepassing van deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:

  • -

    beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet.

  • -

    Bevoegd gezag:

    • -

      het bevoegd gezag op grond van de Omgevingswet, indien het een omgevingsvergunning betreft;

    • -

      het college in overige gevallen.

  • -

    Bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet.

  • -

    Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

  • -

    Bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument of object, overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door het college te stellen eisen.

  • -

    Bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e van de Wegenverkeerswet 1994.

  • -

    Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal milieubelastende activiteiten is verbonden.

  • -

    College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze-Leende.

  • -

    Cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiele en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan tussen mens en omgeving, die mensen voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; het omvat o.a. alle historische waarden, zoals aardkunde, archeologie, landschap, stedenbouw, bouwkunst en verhalende aspecten. De aanwezige en het te verwachten culturele erfgoed is vastgelegd in een gemeentelijke ruimtelijke presentatie (erfgoedkaart).

  • -

    Cultuurhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de cultuurhistorische waarden van een monument, een complex van monumenten, een gebied of een object, overeenkomstig de geldende richtlijnen zoals gesteld door de RCE en eventueel door het college te stellen eisen.

  • -

    Cultuurhistorische waarde: aan een zelfstandige zaak toegekende waarde of waarde die in samenhang met de omgeving door de uiterlijke verschijningsvorm wezenlijk is voor de herkenbaarheid en de belevingswaarde van de historisch stedenbouwkundige of landschappelijke structuur, waarvan zij deel uitmaakt of op zichzelf representatief is voor, of verwijst naar een belangrijk aspect in de (cultuur)historische ontwikkeling van Heeze-Leende.

  • -

    Cultuurhistorische waardenkaart: de waardenkaart historisch cultuurlandschap en de waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed, waarop objecten, structuren en gebieden zijn weergegeven die belangrijk zijn voor de (herkenbaarheid van de) historische ontwikkeling van Heeze-Leende.

  • -

    Cultuurhistorisch waardevol object: onroerende zaak die in samenhang met de omgeving door de uiterlijke verschijningsvorm wezenlijk is voor de herkenbaarheid en de belevingswaarde van de historisch stedenbouwkundige of landschappelijke structuur waarvan zij deel uitmaakt of op zichzelf representatief is voor of verwijst naar een belangrijk aspect in de historische ontwikkeling van het grondgebied Heeze-Leende.

  • -

    Dunning: velling ter bevordering van de ontwikkeling van de verblijvende houtopstand, uitgevoerd conform bosbouwkundige inzichten.

  • -

    Gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

  • -

    Gemeentelijke adviescommissie: adviescommissie zoals bedoeld in de ‘Verordening A2-adviescommissie omgevingskwaliteit gemeente Heeze-Leende 2023’.

  • -

    Gemeentelijke archeologisch monument: een overeenkomstig de Verordening fysieke leefomgeving als beschermd gemeentelijk archeologisch monument aangewezen terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

  • -

    Gemeentelijk dorpsgezicht: groep van onroerende zaken die van algemeen belang zijn door hun schoonheid, hun onderlinge ruimtelijke of structurele samenhang dan wel hun wetenschappelijke of cultuurhistorische waarde en in welke groep zich één of meer monumenten bevinden; deze stads- en dorpsgezichten zijn gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en worden als ‘gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht’ aangemerkt wanneer ze op basis van artikel 18 zijn aangewezen en opgenomen in het gemeentelijke erfgoedregister.

  • -

    Gemeentelijk erfgoedregister: register als bedoeld in artikel 3.16 van de Erfgoedwet, bestaande uit een gemeentelijke monumentenlijst en een lijst van gemeentelijke dorpsgezichten.

  • -

    Gemeentelijk groenmonument: overeenkomstig deze ‘Verordening fysieke leefomgeving” als gemeentelijk groenmonument aangewezen landschappelijke elementen en structuren, die deel uitmaken van cultureel erfgoed en die in het verleden door mensen zijn aangelegd en waaraan het historisch gebruik van een locatie kan worden afgelezen, als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

  • -

    Gemeentelijk monument: een al dan niet gebouwde zaak; waaronder een gemeentelijk gebouwd monument, gemeentelijk groenmonument of gemeentelijk archeologisch monument, dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister;

  • -

    Gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

  • -

    Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

  • -

    Hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen.

  • -

    Houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen.

  • -

    Incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

  • -

    Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal milieubelastende activiteiten.

  • -

    Kampeermiddel: een niet grondgebonden onderkomen of voertuig, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

  • -

    Kerkelijk monument: monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat tevens uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst.

  • -

    Markt: de door het college ingestelde warenmarkt die wekelijks wordt gehouden op het gemeentehuisplein aan de Jan Deckersstraat te Heeze.

  • -

    Monument: een al dan niet gebouwde zaak als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

  • -

    Onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

  • -

    Openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

  • -

    Parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990).

  • -

    Richtlijnen voor bouw-, cultuur- en tuinhistorisch onderzoek: richtlijnen opgesteld i.o.v. de RCE voor bouwhistorisch, cultuurhistorisch en tuinhistorisch onderzoek respectievelijk genaamd: Richtlijnen Bouwhistorisch Onderzoek; Lezen en analyseren van cultuurhistorisch erfgoed; Cultuurhistorisch Onderzoek in de vormgeving van de Ruimtelijke Ordening; Aanwijzingen en aanbevelingen; Richtlijnen Tuinhistorisch Onderzoek. Voorwaardestellingen van groen erfgoed.

  • -

    Standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • -

    Standwerker: een persoon die publiek om zich heen verzamelt en dat publiek door een aansprekende uiteenzetting probeert over te halen tot de aankoop van een artikel.

  • -

    Vellen:

    • -

      rooien;

    • -

      kappen;

    • -

      verplanten;

    • -

      knotten;

    • -

      kandelaberen;

    • -

      kandelaren;

    • -

      buitensporig opkronen

  • -

    Voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen.

  • -

    Weg: weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid , onder b van de Wegenverkeerswet 1994.

Hoofdstuk 2 Proces

Afdeling 2.1 Aanvraag

Artikel 2.1.1 Indienen aanvraag

  • 1. Indien krachtens artikel 4:4 van de Algemene wet bestuursrecht of bij of krachtens enige wettelijke bepaling een formulier is vastgesteld voor het doen van een aanvraag of melding of voor het indienen van enig document of het doen van enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening, is het gebruik van dat formulier verplicht.

  • 2. Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan in enkelvoud worden ingediend, tenzij bij of krachtens enige wettelijke bepaling anders is bepaald.

  • 3. Een aanvraag, melding of enig document of enige kennisgeving als bedoeld in deze verordening kan langs elektronische weg worden ingediend, indien de elektronische weg daarvoor is opengesteld.

Afdeling 2.2 Besluit

Artikel 2.2.1 Beslistermijn

  • 1. Tenzij in deze verordening anders is bepaald, beslist het bevoegde bestuursorgaan op een aanvraag voor een vergunning, ontheffing, instemmingsbesluit of andere toestemming binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bevoegde bestuursorgaan kan de termijn met ten hoogste zes weken verlengen.

  • 3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op een vergunning of ontheffing die ingevolge artikel 2.2, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als een omgevingsvergunning wordt aangemerkt.

Artikel 2.2.2 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 2.2.3 Weigeringsgronden

  • 1. De vergunning of ontheffing kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de volksgezondheid;

    • b.

      de bescherming van het milieu;

    • c.

      het woon- en leefklimaat;

    • d.

      het uiterlijk aanzien van de gemeente;

    • e.

      het doelmatig beheer, gebruik of onderhoud van openbare plaatsen;

  • 2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan drie weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 2.2.4 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

  • 1. De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald of de aard van de vergunning zich daartegen verzet.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op vergunningen of ontheffingen waar artikel 2.25, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht op van toepassing is.

Artikel 2.2.5 Geldingsduur

  • 1. De vergunning of ontheffing wordt verleend voor onbepaalde tijd.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan of moet de vergunning voor bepaalde tijd worden verleend, als de aard van de vergunning of ontheffing zich tegen verlening voor onbepaalde tijd verzet.

  • 3. Het tweede lid is in ieder geval van toepassing op de vergunning of ontheffing, als de Dienstenwet daarop van toepassing is.

Afdeling 2.3 Intrekking of wijziging

Artikel 2.3.1 Intrekken of wijzigen

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt indien;

  • b.

    op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn;

  • e.

    de houder dit verzoekt.

Hoofdstuk 3 Ambulante handel

Afdeling 3.1 Algemene bepalingen over standplaatsen

Artikel 3.1.1 Verbodsbepaling

Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen.

Artikel 3.1.2 Soorten vergunningen

De vergunning wordt verleend:

  • a.

    als vaste standplaatsvergunning, voor het innemen van een vaste standplaats op de markt;

  • b.

    als dagplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt gedurende één dag;

  • c.

    als standwerkvergunning, voor het innemen van een standplaats op een markt voor het optreden als standwerker;

  • d.

    als individuele standplaatsvergunning, voor het innemen van een standplaats op andere plaatsen dan op een markt.

Artikel 3.1.3 Algemene toetsingscriteria

  • 1. Een vergunning voor een standplaats op een markt, als bedoeld in artikel 3.1.2, aanhef en onder a tot en met d, kan worden verleend aan:

    • a.

      een handelingsbekwame natuurlijk persoon die voortdurend ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en die ook gerechtigd is in Nederland arbeid te verrichten;

    • b.

      een rechtspersoon die voortdurend ingeschreven staat in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. De natuurlijke persoon die, al dan niet door middel van andere rechtspersonen, de rechtspersoon bestuurt, en de natuurlijke persoon die een rechtspersoon op de markt vertegenwoordigt moeten gerechtigd te zijn in Nederland arbeid te verrichten.

  • 2. Een vergunning voor een standplaats op een markt, als bedoeld in artikel 3.1.2, aanhef en onder a tot en met d, kan worden geweigerd:

    • a.

      indien de aanvrager als vergunninghouder, of degene die hem als vergunninghouder heeft vervangen, vertegenwoordigd of bijgestaan, zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepaling heeft overtreden;

    • b.

      indien de aanvrager als vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 228 van de Gemeentewet;

  • 3. Onverminderd het bepaalde in Afdeling 3.3 en Afdeling 3.4 neemt het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten omtrent het verlenen van standplaatsvergunningen voor een markt het geldende inrichtingsplan in acht.

Artikel 3.1.4 Bijstand

Een vergunninghouder kan zich laten bijstaan door een of meer andere personen.

Artikel 3.1.5 Legitimatieplicht

Degene die een standplaats inneemt is op eerste verzoek van de toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is.

Artikel 3.1.6 Markttijden

  • 1. Het is een vergunninghouder verboden meer dan 2 uur voor aanvang en meer dan 1 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren.

  • 2. Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt, tenzij anders bepaald in overleg met de marktmeester.

Artikel 3.1.7 Markt schoonhouden

  • 1. Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrijkomt zodanig te bewaren dat het marktterrein daar­door niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af of laat het afvoeren.

  • 2. Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten.

Artikel 3.1.8 Onmiddellijke verwijdering

Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden.

Artikel 3.1.9 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens dit hoofdstuk bepaalde zijn belast de door het college aangewezen marktmeester en de overige door hen aangewezen toezichthouders.

Afdeling 3.2 Inrichtingsplan markt

Artikel 3.2.1 Inrichtingsplan

  • 1. Het college stelt voor de markt een inrichtingsplan vast.

  • 2. Het inrichtingsplan bevat in elk geval:

    • a.

      een aanduiding van de dag en de uren waarop de markt wordt gehouden (markttijd);

    • b.

      een kaart van de markt.

Artikel 3.2.2 Mandaatverboden

  • 1. De bevoegdheid tot het vaststellen van het inrichtingsplan kan niet worden gemandateerd.

  • 2. De bevoegdheid tot het wijzigen van inrichtingsplannen kan niet aan de marktmeester of een andere toezichthouder worden gemandateerd.

Afdeling 3.3 Vaste standplaatsvergunningen

Artikel 3.3.1 Wachtlijststelsel

  • 1. Als op grond van het inrichtingsplan voor een markt het wachtlijststelsel wordt gehanteerd voor de toekenning van een vaste stand­plaats­vergunning, geldt het volgende.

  • 2. Het college houdt een lijst bij van de kandidaten voor een vaste stand­plaats­vergunning die daarvoor een aanvraag hebben ingediend en die een handelingsbekwame natuurlijke persoon zijn (wachtlijst).

  • 3. Op de wachtlijst worden bij iedere kandidaat vermeld:

    • a.

      diens naam en voornamen, geboortedatum en -plaats, adres en woonplaats;

    • b.

      de datum van de aanvraag;

    • c.

      de branche waartoe de kandidaat behoort of de soort artikelen die hij wenst te verhandelen;

    • d.

      informatie over de uitstalling die de kandidaat wenst te gebruiken.

  • 4. De kandidaat ontvangt een schriftelijk bewijs van inschrijving op de wachtlijst.

  • 5. De inschrijving wordt doorgehaald als aan de kandidaat een vaste standplaatsvergunning is toegekend, op zijn schriftelijke aanvraag, na zijn overlijden of als hij onder curatele is gesteld.

  • 6. Als er ruimte is om een nieuwe vaste standplaatsvergunning toe te kennen, komt daarvoor als eerste in aanmerking de hoogstgeplaatste kandidaat die op de wachtlijst staat en die voldoet aan de vereisten voor toekenning. Daarna komen andere aanvragers in aanmerking, in volgorde van indiening van hun aanvraag tot plaatsing op de wachtlijst. De kandidaat die in aanmerking komt voor de vergunning dient binnen 2 weken mondeling dan wel schriftelijk aan te geven akkoord te gaan.

Artikel 3.3.2 Geldingsduur vaste standplaatsvergunning

Een vergunning geldt voor onbepaalde tijd en voor de op de vergunning vermelde vaste standplaats, tenzij de vergunning anders bepaalt. Het college kan in bijzondere gevallen een andere standplaats aanwijzen.

Artikel 3.3.3 Persoonlijk innemen standplaats; vervanging

  • 1. De houder van een vaste standplaatsvergunning neemt de hem toegewezen standplaats persoonlijk in.

  • 2. De houder van een vaste standplaatsvergunning kan de hem toegewezen standplaats laten innemen door een vervanger. Daarvan doet hij tevoren mededeling aan de marktmeester.

  • 3. De vervanger treedt op namens de vergunninghouder. De rechten – behalve die tot vervanging ingevolge het vorige lid – en verplichtingen die bij of krachtens dit hoofdstuk gelden voor de vergunninghouder, zijn van overeenkomstige toepassing op de vervanger.

Artikel 3.3.4 Overschrijven vaste standplaatsvergunning

  • 1. Wanneer de vergunninghouder niet langer zelf van de vergunning gebruikt wenst te maken is het wachtlijststelsel van artikel 3.3.1 van toepassing.

  • 2. Is de houder van een vaste standplaatsvergunning overleden of onder curatele gesteld, dan kan het college op aanvraag van zijn erven of zijn curator de vergunning overschrijven op naam van zijn echtgenoot, geregistreerde partner of zijn kind, of op een persoon die aantoonbaar twee jaar of langer de houder heeft bijgestaan. De aanvraag tot overschrijving wordt binnen twee maanden na het overlijden of de onder curatelestelling ingediend.

  • 3. Het college kan van het vorenstaande afwijken voor zover de toepassing daarvan voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de bepalingen te dienen doelen.

  • 4. De aanvraag tot overschrijving wordt geweigerd als niet wordt voldaan aan de uit dit artikel voortvloeiende eisen of aan de eisen waaraan een houder van een vaste standplaatsvergunning volgens Hoofdstuk 3 moet voldoen.

  • 5. Als de nieuwe vergunninghouder reeds over een vaste standplaatsvergunning voor de betrokken markt beschikt, wordt deze ingetrokken.

Artikel 3.3.5 Intrekken en vervallen vaste standplaatsvergunning

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.1 trekt het college een vaste standplaatsvergunning in:

    • a.

      twee maanden na diens overlijden of ondercuratelestelling, tenzij een aanvraag tot overschrijving overeenkomstig artikel 3.3.4 is ingediend en nog niet onherroepelijk is afgewezen;

    • b.

      bij een uitgesproken faillissement van de vergunninghouder.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.1 kan het college een vaste standplaatsvergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd intrekken:

    • a.

      als de vergunninghouder, degene die hem vervangt of een persoon die hem bijstaat zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of bedrog of een bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepaling heeft overtreden;

    • b.

      als van de vergunning gedurende ten minste twee maanden geen gebruik is gemaakt; of

    • c.

      als de vergunninghouder niet of niet tijdig het verschuldigde marktgeld voldoet dat wordt geheven op grond van artikel 229 van de Gemeentewet.

  • 3. In geval van intrekking voor bepaalde tijd kan worden bepaald dat de toegewezen standplaats vervalt.

Afdeling 3.4 Dagplaatsvergunningen en standwerkvergunningen

Artikel 3.4.1 Dagplaatsvergunning

  • 1. Een dagplaatsvergunning kan worden verleend voor het innemen van een standplaats voor het uitoefenen van markthandel op de markt op plaatsen die niet zullen worden ingenomen door de houder van een vaste standplaatsvergunning omdat voor de plaats geen vergunning geldt, de vergunning is vervallen of omdat de vergunninghouder niet in staat is de plaats in te nemen en niet is voorzien in vervanging overeenkomstig artikel 3.3.3.

  • 2. Voor een dagplaatsvergunning komen in aanmerking degenen die daarvoor die dag vóór aanvang van de markttijd bij de marktmeester een aanvraag hebben ingediend, voldoen aan een eventueel van toepassing zijnde branche- of artikelgroepvereiste en die niet zijn uitgesloten omdat zij gedurende een of meer van de voorafgaande vier marktdagen:

    • a.

      zich op de markt schuldig hebben gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling hebben overtreden, of

    • b.

      niet tijdig het verschuldigde marktgeld hebben voldaan dat wordt geheven op de grondslag van artikel 229 van de Gemeentewet.

  • 3. Het college kan ten aanzien van een gegadigde bepalen dat een uitsluitingsgrond niet geldt of dat voor de toepassing van het vorige lid een langere termijn in aanmerking wordt genomen.

  • 4. De dagplaatsvergunningen worden verstrekt aan de in aanmerking komende gegadigden op volgorde van ontvangst van de aanvragen.

  • 5. Een dagplaatsvergunning kan niet worden overgedragen. De vergunninghouder kan zich niet laten vervangen.

Artikel 3.4.2 Standwerkvergunning

  • 1. Een standwerkvergunning kan worden verleend met overeenkomstige toepassing van artikel 3.4.1, tweede tot en met vijfde lid.

  • 2. Een standwerkvergunning geldt voor de in de vergunning vermelde dag en plaats en voor de in de vergunning omschreven artikelen.

Afdeling 3.5 Individuele standplaatsvergunning

Artikel 3.5.1 Weigeringsgronden individuele standplaatsvergunning

  • 1. Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.3 kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

Artikel 3.5.2 Afbakeningbepalingen

  • 1. Het verbod van artikel 3.1.2, onder d, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

  • 2. De weigeringsgrond van artikel 3.5.1, tweede lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken.

Afdeling 3.6 Algemene bepalingen ten aanzien van standplaatsen

Artikel 3.6.1 Bijstand

De houder van een vaste standplaatsvergunning of van een dagplaatsvergunning of standwerkvergunning kan zich doen bijstaan door een of meer andere personen.

Artikel 3.6.2 Markttijden

  • 1. Het is een vergunninghouder verboden meer dan 2 uur voor aanvang en meer dan 1 uur na afloop van de markt ruimte in te nemen of te doen innemen op het marktterrein met een voertuig, met goederen of anderszins, of goederen aan- of af te voeren of te laten aan- of afvoeren.

  • 2. Een vergunninghouder neemt zijn standplaats in tot de sluitingstijd van de markt, tenzij anders bepaald in overleg met de marktmeester.

Artikel 3.6.3 Markt schoonhouden

  • 1. Een vergunninghouder is verplicht afval, waaronder verpakkingsmateriaal, dat tijdens de door hem uitgeoefende verkoop op zijn standplaats vrijkomt zodanig te bewaren dat het marktterrein daardoor niet wordt verontreinigd en het afval niet door onbevoegden kan worden verwijderd. Hij voert het afval onmiddellijk na afloop van de markt af of laat het afvoeren.

  • 2. Een vergunninghouder is verplicht de door hem ingenomen standplaats en de naaste omgeving daarvan na afloop van de markt veegschoon achter te laten.

Artikel 3.6.4 Informatieplicht

Degene die een vaste standplaats, dagplaats of een standwerkplaats wenst in te nemen of inneemt op de markt, is op eerste verzoek van een toezichthouder verplicht aan te tonen dat hij daartoe gerechtigd is.

Artikel 3.6.5 Onmiddellijke verwijdering

Het college kan een vergunninghouder of iemand die hem bijstaat of vervangt gelasten zich onmiddellijk van de markt te verwijderen als deze zich op de markt schuldig heeft gemaakt aan wangedrag of aan bedrog of een bij of krachtens deze verordening gestelde bepaling heeft overtreden.

Hoofdstuk 4 Bodem

(vervallen)

Artikel 4.1.1

(vervallen)

Artikel 4.1.2

(vervallen)

Artikel 4.1.3

(vervallen)

Hoofdstuk 5 Erfgoed

Afdeling 5.1 Bevoegdheden

Artikel 5.1.1 Aanwijzing gemeentelijk monument of gemeentelijk groenmonument of gemeentelijk archeologisch monument

  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument, gemeentelijk groenmonument of als gemeentelijk archeologisch monument, vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

  • 2. De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3.1 van de van de Erfgoedwet of op grond van een provinciale verordening.

  • 3. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid wijzigen.

  • 4. Het college kan de aanwijzing bedoeld in het eerste lid intrekken.

Artikel 5.1.2 Aanwijzing gemeentelijk dorpsgezicht

  • 1. Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een dorpsgezicht aanwijzen als beschermd gemeentelijk dorpsgezicht.

  • 2. De aanwijzing kan geen dorpsgezicht betreffen dat is aangewezen op grond van een provinciale verordening.

Afdeling 5.2 Procedures

Artikel 5.2.1 Advies

Voordat het college een besluit neemt, vraagt het college advies aan de gemeentelijke adviescommissie.

Artikel 5.2.2 Voorbescherming

Wanneer het college voornemens is een aanwijzing te doen als bedoeld in artikel 5.1.1, eerste lid, is afdeling 5.3 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment waarop het college op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een belanghebbende in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, tot het moment waarop hetzij het besluit tot aanwijzing in werking is getreden, hetzij het voornemen is ingetrokken.

Artikel 5.2.3 Beslistermijn en inhoud besluit

  • 1. Op de voorbereiding van het besluit als bedoeld in artikel 5.1.1 is afdeling 3.4 Awb van toepassing.

  • 2. Op een aanvraag om aanwijzing dient te worden besloten binnen 12 weken na ontvangst van het advies van de gemeentelijke adviescommissie, maar in ieder geval binnen een jaar na ontvangst van de aanvraag.

  • 3. De aanwijzing tot gemeentelijk monument bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de kadastrale aanduiding en een beschrijving van het monument.

  • 4. Als alleen een deel van het gemeentelijk monument beschermingswaardig is, beperkt de bescherming van afdeling 5.3 zich tot dat specifieke deel. In de beschrijving van het monument moet dit tot uitdrukking komen.

  • 5. De aanwijzing tot gemeentelijk dorpsgezicht bevat in ieder geval de plaatselijke aanduiding, de datum van aanwijzing, de gebiedsaanduiding en een beschrijving van de daarin vervatte cultuurhistorische waarden.

Artikel 5.2.4 Kennisgeving zakelijk gerechtigden

Besluiten bedoeld in artikel 5.1.1 worden bekend gemaakt aan degenen die een zakelijk recht hebben op het monument.

Artikel 5.2.5 Gemeentelijk erfgoedregister

Besluiten als bedoeld in artikel 5.1.1 worden opgenomen in het gemeentelijk erfgoedregister inclusief de locaties waaraan krachtens artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet in het omgevingsplan de functie erfgoed is toebedeeld.

Het college kan wijzigingen aanbrengen in het gemeentelijk erfgoedregister. Indien de wijziging ziet op het schrappen uit het gemeentelijk erfgoedregister zijn de artikelen van overeenkomstige toepassing, tenzij dat de onroerende of roerende zaak is tenietgegaan.

Afdeling 5.3 Bescherming gemeentelijk monument en gemeentelijk dorpsgezicht

Artikel 5.3.1 Verboden en vergunningplicht gemeentelijk monument en gemeentelijk beschermd dorpsgezicht

  • 1. Het is verboden een gemeentelijk monument of beschermd dorpsgezicht te beschadigen of te vernielen of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

  • 2. Het is verboden zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet, een gemeentelijk monument, of een bouwwerk en/of groenopstand in een gemeentelijk beschermd dorpsgezicht:

    • a.

      te slopen, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen, of

    • b.

      te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      de uitvoering van normaal onderhoud, als bedoeld in artikel 2.27, van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover detaillering, profilering, vormgeving, materiaalsoort en kleur van het monument niet wijzigen, én voor zover de aanleg van een tuin, park of andere aanleg bij het monument niet wijzigt, of;

    • b.

      inpandige veranderingen van het monument voor zover op voorhand middels een bouwhistorisch onderzoek is aangetoond en het door de adviescommissie goedgekeurde schriftelijke rapportage, het een onderdeel betreft dat vanuit het oogpunt van monumentenzorg een indifferente of storende waarde heeft;

    • c.

      voor het beschermde dorpsgezicht op het slopen dat noodzakelijk is ter uitvoering van een maatwerkvoorschrift als bedoeld in artikel 3.7 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, of uit een herstelsanctie als bedoeld in hoofdstuk 18 van de Omgevingswet.

  • 4. De aanvraag om omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid gaat vergezeld van de gegevens en aanvraagvereisten als bedoeld in hoofdstuk 5 van de Regeling omgevingsrecht. De aanvraagvereisten van de artikelen 7.2 en 7.3 van hoofdstuk 7.2.1 van de Omgevingsregeling en artikelen 7.198 tot en met 7.205 van hoofdstuk 7.2.9 van de Omgevingsregeling zijn overeenkomstig van toepassing voorzover een aanvraag omgevingsvergunning betrekking heeft op monumenten of gebouwen (artikel 5.3.1 lid 1 en 2) in een beschermd dorpsgezicht, waarbij dan dus voor ‘rijksmonument’ moet worden gelezen ‘gemeentelijk monument’ en ‘zaak van cultuurhistorische waarde’.

  • 5. het college kan van de aanvrager nadere gegevens verlangen, waaronder de resultaten van een bouwhistorisch, cultuurhistorisch, archeologisch en/of tuinhistorisch onderzoek, voor zover die ter beoordeling van de aanvraag nodig zijn.

  • 6. Het college kan in het belang van de monumentenzorg nadere regels stellen met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden aan een monument. Deze regels kunnen mede inhouden een vrijstelling van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

  • 7. De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet of door het college worden ingetrokken: als de verlening berust op onjuiste of onvolledige gegevens en de juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid; voor zover veranderde omstandigheden of feiten met betrekking tot de activiteit waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, zich in overwegende mate tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van die activiteit verzetten. De omgevingsvergunning in een gemeentelijk dorpsgezicht kan in ieder geval worden geweigerd, als naar het oordeel van het college het niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk, een ander bouwwerk op een redelijke termijn kan of zal worden gebouwd.

  • 8. Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor advies aan de gemeentelijke adviescommissie.

Artikel 5.3.3 Beschermend omgevingsplan

De gemeenteraad stelt, ter bescherming van een gemeentelijk dorpsgezicht, een omgevingsplan vast als bedoeld in artikel 2.34, lid 4, van de Omgevingswet (artikel 4.35, lid 1, Invoeringswet Omgevingswet).

Artikel 5.3.4 Vangnet archeologie

  • Het is verboden de bodem te verstoren in een archeologisch monument of een gebied waar archeologische vondsten worden verwacht als in het daar vigerende Omgevingsplan niet is voldaan aan artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, tenzij:

    • a.

      voor de activiteit een omgevingsvergunning is verleend;

    • b.

      het de verstoring betreft van een archeologisch monument of verwachtingsgebied dat is aangegeven op de gemeentelijke archeologische beleidskaart en het verrichten van de activiteiten geen strijd oplevert met door het college vastgestelde regels over de toegestane mate van verstoring;

    • c.

      de activiteit plaatsvindt op basis van een deugdelijke beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening wordt gehouden en onevenredige schade voor archeologische waarden wordt voorkomen, of

    • d.

      met een vooronderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

  • 1. Het college kan op grond van artikel 5.2 van het Besluit Omgevingsrecht in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden, waaronder een verplichting:

    • a.

      tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden,

    • b.

      tot het verrichten van een opgraving als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet, of

    • c.

      de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties.

  • 2. Indien archeologisch (voor)onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet, vindt dit onderzoek plaats conform de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. In aanvulling hierop voldoet het onderzoek aan de gemeentelijke richtlijnen voor archeologisch onderzoek.

  • 3. Het college kan in nadere regels bepalingen opnemen met betrekking tot het toezicht op de feitelijke uitvoering van het archeologisch onderzoek. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen.

Afdeling 5.4 Cultuurhistorische waardevolle objecten

Artikel 5.4.1 Aanwijzing als, instandhouding van en omgevingsvergunning cultuurhistorisch waardevol object

  • 1. Het college kan besluiten een onroerende zaak of terrein aan te wijzen als cultuurhistorisch waardevol object.

  • 2. Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      Rijksmonumenten;

    • b.

      monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van deze Verordening;

    • c.

      monumenten en archeologische monumenten die zijn aangewezen op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 3.17, eerste lid van de Erfgoedwet;

  • 3. De afdelingen 5.1 en 5.2 zijn van overeenkomstige toepassing op het aanwijzingsbesluit.

  • 4. De bescherming van afdeling 5.3 is van overeenkomstige toepassing op het cultuurhistorisch waardevol object ten aanzien waarvan een voornemen als bedoeld in artikel 5.2.2 is bekendgemaakt.

  • 5. De voorbescherming, bedoeld in het vierde lid, vervalt op het moment van inschrijving van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister.

  • 6. Het is verboden een cultuurhistorisch waardevol object te beschadigen of te vernielen, of daaraan onderhoud dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is te onthouden.

  • 7. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een cultuurhistorisch waardevol object geheel of gedeeltelijk te slopen.

  • 8. Op de omgevingsvergunning, bedoeld in het eerste lid, is artikel 5.3.1 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.4.2 Cultuurhistorische waardenkaart

  • 1. De raad stelt integraal een cultuurhistorische waardenkaart vast.

  • 2. Het college is bevoegd tussentijdse wijzigingen op de cultuurhistorische waardenkaart door te voeren.

  • 3. Voor vaststelling of wijziging van de cultuurhistorische waardenkaart wordt de A2-adviescommissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd.

  • 4. Bij complexe omgevingsvergunningaanvragen, waarbij tenminste 3 zaken zijn betrokken die op de cultuurhistorische waardenkaart staan aangegeven, wordt de A2-adviescommissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd.

  • 5. Bij iedere procedure tot wijziging van het omgevingsplan of voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit waarbij zaken zijn betrokken die op de waardenkaart historisch landschap en de waardenkaart historische stedenbouw en gebouwd erfgoed zijn aangegeven, wordt de A2-adviescommissie Omgevingskwaliteit om advies gevraagd.

  • 6. Aan ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is en die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten dan wel zaken, die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, verlenen de raad of het college slechts medewerking indien de initiatiefnemer aantoont dat de voorgenomen ontwikkeling met het belang van het gemeentelijk monument dan wel met de waarden die op de cultuurhistorische waardenkaart zijn aangegeven, in overeenstemming is.

  • 7. Het college kan ten behoeve van de beoordeling van aanvraag of procedure als bedoeld in het vierde, vijfde en zesde lid, dan wel in het kader van een vooroverleg ter voorbereiding daartoe, bepalen dat een bouwhistorisch, cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt verricht.

  • 8. Het onderzoek als bedoeld in het zevende lid wordt opgesteld conform de richtlijnen voor bouw-, cultuur- en tuinhistorisch onderzoek van de RCE.

  • 9. Het college vraagt voor de beoordeling van het onderzoek als bedoeld in het zevende lid advies aan de A2-adviescommissie Omgevingskwaliteit.

Artikel 5.4.3 Bouwregels en omgevingsvergunning (cultuur)historisch landschap:

  • 1. Voor het bouwen van bouwwerken in gebieden en elementen met waarderingscategorie zeer hoog die op de waardenkaart als zeer hoog waardevol historisch landschap zijn aangegeven gelden de volgende regels:

    het bouwen van bouwwerken is mogelijk krachtens de onderliggende andere bestemming(en), met dien verstande dat:

    • a.

      advies is ingewonnen bij de gemeentelijk cultuurhistorisch adviseur en/of A2-commissie Omgevingskwaliteit waaruit blijkt dat met werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden geen onevenredige verstoring plaatsvindt van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen;

    • b.

      als blijkt dat het bouwen van het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerken, aan de omgevingsvergunning de verplichting kan worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor cultuurhistorische waardevolle en kenmerkende elementen kunnen worden behouden. Het college kan met het oog op het belang van het behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede aan de situering ervan.

  • 2. Het college kan met het oog op het belang van behoud van de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, nadere eisen stellen aan het materiaalgebruik voor bouwwerken, alsmede de situering ervan.

  • 3. Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden op of in de gronden met waarderingscategorie “zeer hoog” die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven de volgende werken of werkzaamheden uit te voeren:

    • a.

      Het aanbrengen van (half)verhardingen, het verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;

    • b.

      het wijzigen van de perceelindeling zoals die door sloten, greppels, reliëfverschillen en beplantingselementen is aangegeven;

    • c.

      het diepwoelen of diepploegen;

    • d.

      het aanleggen, verharden of opheffen van wegen of paden;

    • e.

      het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterlopen zoals rivieren, beken, stromen, kanalen, grachten, sloten en greppels;

    • f.

      het verwijderen van houtgewas, perceelrandbegroeiing of opgaande beplanting;

    • g.

      het aanbrengen van beplanting anders dan het herplanten van gerooide/gevelde houtopstanden.

  • 4. Het verbod als bedoeld in het derde lid is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale beheer en onderhoud betreffen:

    • a.

      die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening en niet strijdig waren met het ter plaatse vigerende omgevingsplan;

    • b.

      waarvoor ten tijde van inwerkingtreding van deze verordening een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden is verleend;

    • c.

      indien de werkzaamheden plaatsvinden ingevolge een aanschrijving van het college;

    • d.

      indien op grond van een door de A2-adviescommissie Omgevingskwaliteit goedgekeurd cultuurhistorisch of tuinhistorisch onderzoek wordt aangetoond dat er geen cultuurhistorische waarden verloren gaan.

  • 5. De in het derde lid genoemde werken en werkzaamheden mogen geen onevenredige aantasting van de gebieden en elementen met waarderingscategorie “zeer hoog” die op de waardenkaart historisch landschap zijn aangegeven tot gevolg hebben. Ter beoordeling of daarvan sprake is wordt:

    • a.

      advies ingewonnen bij de gemeentelijke cultuurhistorisch adviseur en/of;

    • b.

      getoetst of op grond van een cultuurhistorisch onderzoek is vastgesteld dat het werk, geen bouwwerk zijnde, of de werkzaamheden de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen niet onevenredige verstoren.

  • 6. Als blijkt dat het werk, geen bouwwerk zijnde of de werkzaamheden leiden tot onevenredige verstoring van die cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen, kan aan de omgevingsvergunning de verplichting worden verbonden tot het treffen van maatregelen waardoor de cultuurhistorische waarden en kenmerkende elementen van het gebied kunnen worden behouden.

Artikel 5.4.4 Strijdigheid met het omgevingsplan

Als het omgevingsplan regels bevat ten aanzien van cultuurhistorische waardevolle objecten en/of het historische landschap die in strijd zijn met deze verordening, gaan de regels uit afdeling 5.4 voor, tenzij de regels in het omgevingsplan na inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld.

Hoofdstuk 6 Houtopstanden

Afdeling 6.1 Vellen van houtopstanden

Artikel 6.1.1 Bomenlijst, verbod en omgevingsvergunning

  • 1. Het college stelt een Bomenlijst vast waarop monumentale en andere beschermingswaardige bomen worden vermeld en wijzen gebieden aan die in hun geheel beschermingswaardig zijn.

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

    • a.

      een houtopstand te vellen die vermeld staat op de in het eerste lid genoemde bomenlijst;

    • b.

      een houtopstand te vellen buiten de bebouwde kom met een stamomtrek van 94 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld;

    • c.

      een houtopstand te vellen binnen de bebouwde kom, in door burgemeester en wethouders aangewezen gebieden, met een stamomtrek van 94 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld.

    • d.

      een houtopstand te vellen binnen de bebouwde kom met een stamomtrek van 130 cm of meer, gemeten op 130 cm boven het maaiveld.

  • 3. Onder vellen als bedoeld in het tweede lid wordt ook verstaan het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand tot gevolg kan hebben.

  • 4. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      een houtopstand die moet worden geveld op grond van de Plantgezondheidswet of op grond van een aanschrijving van het college;

    • b.

      een houtopstand die op bevel van de burgemeester wordt geveld in verband met een spoedeisend belang voor de openbare orde of veiligheid;

    • c.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van regulier onderhoud;

    • d.

      houtopstanden waarop de Afdeling 11.3. van het besluit activiteiten leefomgeving van toepassing is;

    • e.

      dunning in een aaneengesloten houtopstand met een oppervlakte van ten minste 100 m², tenzij deze in een door het college aangewezen gebied staat.

    • f.

      het knotten, kandelaberen, kandelaren of buitensporig opkronen van houtopstanden die traditioneel op deze wijze behandeld moeten worden

Artikel 6.1.2 Criteria

Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.3, wordt de vergunning voor het vellen van een houtopstand als bedoeld in artikel 6.1.1, tweede lid, geweigerd indien de belangen van verlening niet opwegen tegen de belangen van behoud van de houtopstand op basis van één of meer van de volgende waarden:

  • a.

    natuur-, milieu- en ecologische waarden;

  • b.

    landschappelijke waarden;

  • c.

    beeldbepalende waarden;

  • d.

    cultuurhistorische waarden;

  • e.

    stads- en dorpsschoon;

  • f.

    levensvatbaarheid van de houtopstand.

Artikel 6.1.3 Herplantplicht

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2 kan bij de vergunning als bedoeld in artikel 6.1.1, tweede lid, worden voorgeschreven dat binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn en overeenkomstig door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant.

  • 2. In het voorschrift wordt in ieder geval bepaald:

    • a.

      hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant;

    • b.

      de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden;

    • c.

      de locatie waarop moet worden herplant;

    • d.

      binnen welke termijn moet worden herplant;

  • 3. Als een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, of op een andere wijze teniet is gedaan, kan het bevoegd gezag de volgende maatregelen treffen:

    • a.

      Het bevoegd gezag legt aan de rechthebbende de verplichting op om binnen een door hen gestelde termijn, en overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen, tot herplant over te gaan.

    • b.

      Het bevoegd gezag legt aan de rechthebbende een beschikking op met daarin een bestuurlijke boete ter hoogte van de door een deskundige (ETT-er) vastgestelde boomwaarde.

  • 4. In de beschikking als bedoeld in het derde lid wordt in ieder geval bepaald:

    • a.

      hoeveel houtopstanden er moeten worden herplant;

    • b.

      de soort en afmeting van de te herplanten houtopstanden;

    • c.

      de locatie(s) waarop moet worden herplant;

    • d.

      binnen welke termijn moet worden herplant;

  • 5. Degene aan wie een beschikking als bedoeld in het derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Afdeling 6.2 Rookverbod

Artikel 6.2.1 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  • 1. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:

    • a.

      Te roken gedurende een door het college aangewezen periode;

    • b.

      Voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 2. De verboden in het eerste lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. De verboden zijn voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Hoofdstuk 7 Omgevingshinder

Afdeling 7.1 Geluidhinder

Artikel 7.1.1 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1. Als festiviteiten als bedoeld in artikel 22.73 van het Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende waarvoor de geluidswaarden bedoeld in de artikelen 22.45, 22.63 en 22.67 van het Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende niet van toepassing zijn wijst het college collectieve festiviteiten aan.

  • 2. De voorwaarden voor de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 22.239 van het Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid, kan he college, bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een bepaald deel van de gemeente.

  • 4. Burgemeester en wethouders maken de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Als een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, kan het college een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6. Het A-, en C-gewogen equivalente geluidsniveau LA/C,eq,T veroorzaakt door de activiteit, bedraagt tijdens collectieve festiviteiten niet meer dan 75 dB(A) en 89 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige objecten op twee derde van de hoogte van de bouwlaag en 2 meter voor de gevel van het geluidgevoelige object gemiddeld over minimaal 3 minuten.

  • 7. De geluidswaarde als bedoeld in het zesde lid is bepaald volgens de methoden die zijn omschreven in Bijlage IVh. meet- en rekenmethode geluid industrie in de Omgevingsregeling. De geluidswaarde heeft betrekking op invallend geluid en is inclusief onversterkte muziek. Indien op een referentiepunt gemeten wordt waarbij geen gevelreflectie aanwezig is, wordt de gevelcorrectieterm (Cg) niet toegepast. Op de gemeten geluidniveaus wordt geen correctie voor muziekgeluid (K3), de zogenaamde “muziektoeslag”, bedrijfsduur- (Cb) of meteocorrectie (Cm) toegepast.

  • 8. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 22.45, 22.63 en 22.67 van het Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende uiterlijk op maandag tot en met vrijdag om 23.30 uur en op zaterdag en zondag om 00.30 uur (van de daarop volgende dag) te worden beëindigd.

  • 9. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 7.1.2 Kennisgeving incidentele festiviteiten

  • 1. De geluidswaarden bedoeld in de artikelen 22.45, 22.63 en 22.67 van het Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende zijn niet van toepassing tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar per individuele locatie, mits ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis is gesteld.

  • 2. Het is toegestaan om tijdens maximaal 12 incidentele festiviteiten per kalenderjaar per individuele locatie de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij de voorwaarden voor de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht, als bedoeld in artikel 22.239 van het Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende niet van toepassing is, mits ten minste tien werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis is gesteld.

  • 3. De kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt geacht te zijn gedaan wanneer het daarvoor het door het college vastgestelde formulier volledig en naar waarheid is ingevuld en tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.

  • 4. De kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, onmiddellijk toestaat.

  • 5. Het A-, en C-gewogen equivalente geluidsniveau LA/C,eq,T veroorzaakt door de activiteit, bedraagt tijdens incidentele festiviteiten niet meer dan 75 dB(A) en 89 dB(C), gemeten op de gevel van geluidgevoelige objecten op twee derde van de hoogte van de bouwlaag en 2 meter voor de gevel van het geluidgevoelige object gemiddeld over minimaal 3 minuten.

  • 6. De geluidswaarde als bedoeld in het vijfde lid is bepaald volgens de methoden die zijn omschreven in Bijlage IVh. meet- en rekenmethode geluid industrie in de Omgevingsregeling. De geluidswaarde heeft betrekking op invallend geluid en is inclusief onversterkte muziek. Indien op een referentiepunt gemeten wordt waarbij geen gevelreflectie aanwezig is, wordt de gevelcorrectieterm (Cg) niet toegepast. Op de gemeten geluidniveaus wordt geen correctie voor muziekgeluid (K3), de zogenaamde “muziektoeslag”, bedrijfsduur- (Cb) of meteocorrectie (Cm) toegepast.

  • 7. Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 22.45, 22.63 en 22.67 van het Omgevingsplan gemeente Heeze-Leende - uiterlijk op maandag tot en met vrijdag om 23.30 uur en op zaterdag en zondag om 00.30 uur (van de daarop volgende dag) te worden beëindigd.

  • 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behalve voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

Artikel 7.1.3 Gehoorschadepreventie

  • 1. Het langtijdgemiddelde geluidniveau (LAeq,3m) op 10 meter voor het midden van het podium, op 2 meter hoogte, gemiddeld over 3 minuten, mag niet hoger zijn dan 100 dB(A). Het geluidsniveau bij festiviteiten gericht op kinderen mag nergens hoger zijn dan 85 dB(A) (LAeq, zoals hierboven beschreven), gedurende 3 minuten.

  • 2. Bij evenementen waarbij mechanische versterkte muziek ten gehore wordt gebracht met een niveau vanaf 92 dB(A) (LAeq, zoals hierboven beschreven), neemt het risico op gehoorschade snel toe en moet de organisatie tenminste de volgende maatregelen nemen:

    • a.

      bezoekers moeten worden geïnformeerd over (preventie van) gehoorschade; bezoekers moeten worden geïnformeerd over actuele geluidsniveaus door decibeldisplays of geluidsplattegrond;

    • b.

      geluidsboxen moeten tenminste 2 meter rondom/aan voorkant afgeschermd worden voor publiek;

    • c.

      de organisatie dient gehoorbescherming met muziekfilter (>SNR 17) beschikbaar te stellen.

    • d.

      Er dienen geluidsluwe ruimtes of zones te worden ingericht of er dienen “oorpauzes”, <80 dB(A) van minimaal 15 minuten per 2 uur te worden ingelast.

Artikel 7.1.4 Overige geluidhinder

  • 1. Het is verboden buiten een op zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod ontheffing.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de provinciale omgevingsverordening.

Afdeling 7.2 Geurhinder

Artikel 7.2.1

(vervallen)

Artikel 7.2.2

(vervallen)

Afdeling 7.3 Maatregelen tegen ter ontsiering en stankoverlast

Artikel 7.3.1 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onderdeel z, en een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onderdeel i van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt dat onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Omgevingswet, afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidsproductie sportmotoren.

Artikel 7.3.2 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame

  • 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.

Artikel 7.3.3 Overlast van fiets of bromfiets

Het is verboden fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimte of plaatsen te laten staan als dit schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente, als hierdoor overlast wordt veroorzaakt, of als hierdoor schade aan de openbare gezondheid ontstaat of kan ontstaan.

Artikel 7.3.4 Verstrooiing van as

  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 2. Het college kan voor een bepaalde tijd verbieden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 4. Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Artikel 7.3.5 Aantasting groenvoorziening door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing:

    • a.

      op de weg;

    • b.

      op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; en

    • c.

      op voertuigen waarmee een standplaats word of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

Artikel 7.3.6 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan gemeente Heeze-Leende is bestemd of mede bestemd.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.3 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bescherming van natuur en landschap; of

    • b.

      de bescherming van een stadsgezicht.

  • 5. Op de ontheffing in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 7.3.7 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1. Het verbod van artikel 7.3.6, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 2. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 7.3.6, vierde lid.

Artikel 7.3.8 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, , in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 1.21 of onderdelen daarvan, voor zover het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of de provinciale omgevingsverordening.

Hoofdstuk 8 Wegen, parkeren en water

Afdeling 8.1 Wegen

Artikel 8.1.1 Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg

  • 2. Het verbod is niet van toepassing voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak.

  • 3. Het verbod is reeds niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 8.1.2 Maken of veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg:

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 van de Algemene Plaatselijke Verordening kan de vergunning worden geweigerd of onder voorschriften worden verleend:

    • a.

      in het belang van de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      indien de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

    • c.

      ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      ter bescherming van de groenvoorzieningen in de gemeente;

    • e.

      ter bescherming van de waterhuishouding;

    • f.

      indien er al sprake is van een andere uitweg van het betreffend perceel.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of waterschapsverordening.

Artikel 8.1.3 Voorwerpen op of aan een openbare plaats

  • 1. Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het bevoegde bestuursorgaan de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.3 kan een vergunning worden geweigerd:

    • a.

      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  • 3. het verbod in het eerste lid van het vorige artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24 van de Algemene Plaatselijke Verordening;

    • b.

      terrassen als bedoeld in artikel 2:27, tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening;

    • c.

      standplaatsen als bedoeld in artikel 3.1.1 van de Verordening fysieke leefomgeving;

    • d.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard;

    • e.

      door het college aan te wijzen categorieën van voorwerpen;

    • f.

      beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening.

  • 4. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder a, is niet van toepassing als in het daarin gestelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 5. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder b, is niet van toepassing op bouwwerken.

  • 6. De weigeringsgrond, bedoeld in het tweede lid, onder c, is niet van toepassing als in de voorkoming van overlast wordt voorzien door de Omgevingswet.

  • 7. Op de aanvraag om een vergunning, niet zijnde een omgevingsvergunning, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijd beslissen) van toepassing

Artikel 8.1.4 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 8.1.5 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Afdeling 8.2 Parkeren

Artikel 8.2.1 Te koop aanbieden voertuigen

Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

Artikel 8.2.2 Voertuigwrakken

  • 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en ook in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet of het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 8.2.3 Kampeermiddelen en andere voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan drie achtereenvolgende dagen te plaatsen of te hebben op of langs de weg;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.

  • 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 8.2.4 Reclamevoertuigen

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel 8.2.5 Parkeren van grote voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter binnen de bebouwde kom te parkeren.

  • 2. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod als bedoeld in het eerste lid niet geldt.

  • 3. Het verbod als bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met zaterdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur als het gebeurt voor laden en lossen.

  • 4. Het college kan van de in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen of plaatsen aanwijzen waar het verbod niet geldt.

Artikel 8.2.6 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 8.2.7 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; of

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot voertuigen als bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid bedoelde persoon.

  • 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 5. Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 8.2.8 Aantasting groenvoorziening door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      de weg;

    • b.

      voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    • c.

      voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Afdeling 8.3 Water

Artikel 8.3.1 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Hoofdstuk 9 Straf-, overgangs- en slotregels

Afdeling 9.1 Strafregels, toezicht en handhaving

Artikel 9.1.1 Instandhoudingsplicht

Het is verboden een gemeentelijk monument, houtopstanden en/of een aangewezen dorpsgezicht te ontsieren, te beschadigen, te vernielen, of daaraan onderhoud te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is.

Artikel 9.1.2 Strafregels

  • 1. Overtreding van het bepaalde bij of krachtens deze verordening, met uitzondering van hoofdstuk 4, en de daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor zover de Wet op de economische delicten voorziet in strafbaarstelling.

Artikel 9.1.3 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

    • a.

      de in artikel 141, onder b van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren;

    • b.

      de in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering genoemde buitengewoon opsporingsambtenaar;

    • c.

      ambtenaren van de gemeentelijke afdeling Veiligheid, vergunningen en handhaving, Ruimte, de Omgevingsdienst Zuidoost-Brabant en de afdeling Preventie van de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost, voor zover het taakvelden betreft die aan hen zijn toevertrouwd;

    • d.

      de door het college aangewezen personen.

  • 2. Onverminderd het eerste lid is de marktmeester van de gemeente Heeze-Leende eveneens belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk 3.

Artikel 9.1.4 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften of voor de instandhouding (hoofdstuk 5 en art. 9.1.1), zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Afdeling 9.2 Overgangs- en slotregels

Artikel 9.2.1 Inwerkingtreding nieuwe en oude verordeningen en regels

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2. Op de dag bedoeld in het eerste lid wordt de Verordening fysieke leefomgeving Heeze-Leende 2024 ingetrokken.

Artikel 9.2.2 Overgangsrecht

  • 1. Besluiten, genomen krachtens de verordeningen als bedoeld in artikel 9.2.1, tweede lid die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

  • 2. Het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening blijft van toepassing op:

    • a.

      de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, of een aanvraag om een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, indien voor dat tijdstip een aanvraag is ingediend,

    • b.

      de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot wijziging of intrekking van een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd, of

    • c.

      een vergunning of ontheffing waarvoor deze verordening overeenkomstige bevoegdheden kent of een beschikking tot wijziging of intrekking daarvan, die nog niet onherroepelijk is.

  • 3. In gevallen als bedoeld in het tweede lid wordt:

    • a.

      een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening;

    • b.

      een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing gelijkgesteld met een beschikking tot wijziging van een vergunning of ontheffing op grond van deze verordening, op het tijdstip waarop de betrokken beschikking onherroepelijk is geworden.

  • 4. Beperkingen waaronder een beschikking als bedoeld in het eerste of derde lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan voorschriften als bedoeld in artikel 2.2.2.

Artikel 9.2.4 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening fysieke leefomgeving Heeze-Leende 2026.

Ondertekening

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 20 oktober 2025

De griffier,

De voorzitter,