Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting

Het college van burgemeester en wethouders van Almere

Gelet op artikel 18 en 20 van de Participatiewet per 1 januari 2026;

Gelet op de inwerkingtreding van de Participatiewet in Balans;

BESLUIT:

  • 1.

    Vast te stellen beleidsregel: Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting;

  • 2.

    In te trekken de beleidsregel: Beleidsregel Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting van 13 september 2022.

De Beleidsregel Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting wordt als volgt ingevuld:

Indien een persoon van 18, 19 of 20 jaar die niet in een inrichting verblijft hogere bestaanskosten heeft dan de bijstandsnorm als bedoeld in artikel 20 lid 1 t/m 3 van de Participatiewet, wordt aan deze persoon op grond van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet aanvullende algemene bijstand verleend indien redelijkerwijs geen beroep kan worden gedaan op de onderhoudsplichtige (ouders).

De hoogte van de jongerennorm + de verhoging + de aanvullende algemene bijstand is in totaal gelijk aan de norm zoals bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet in een vergelijkbare situatie.

Deze beleidsregel treedt in werking per 1 januari 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld,

Almere, 2 december 2025

Burgemeester en wethouders van Almere,

namens hen,

De afdelingsmanager Werk en Inkomen

T. Permentier

Bijlage 1. Toelichting op de Beleidsregel

Jongeren die in aanmerking komen voor een verhoging van de jongerennorm, krijgen op grond van het nieuwe derde lid bij artikel 20 een vast bedrag. De gemeente houdt ruimte om van dit bedrag af te wijken als dat nodig is.

Het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling mag op grond van het vierde lid van artikel 20 niet hoger zijn dan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder in een vergelijkbare situatie (artikel 21 Participatiewet). Dat betekent dat er een begrenzing is op de hoogte van de aanvulling en er situaties kunnen zijn waarin de aanvulling moet worden verlaagd. Denk aan samenwoning met een partner van 21 jaar of ouder of een situatie waarbij sprake is van kostendelers. Het toepassen van het standaardbedrag zou in die gevallen betekenen dat de (gezamenlijke) norm plus ophoging boven de bijstandsnorm van artikel 21 uitkomt, en dat is niet de bedoeling (art 20 lid 4 Participatiewet).