Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750282
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750282/1
Beleidsregels Zoektermijn personen jonger dan 27 jaar
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Beleidsregels Zoektermijn personen jonger dan 27 jaarHet college van burgemeester en wethouders van Almere,
Gelet op de artikelen 7, 9, 13, 41 en 43 van de Participatiewet en de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht;
Overwegende dat het wenselijk is om inzichtelijk te maken welke inspanningen van jongeren van 18 tot en met 26 jaar worden verwacht gedurende de zoektermijn en in welke situaties een uitzondering op deze zoektermijn van toepassing is;
Besluit:
vast te stellen de navolgende Beleidsregels Zoektermijn personen jonger dan 27 jaar onder intrekking van de op 3 april 2023 vastgestelde beleidsregel ‘Zoekperiode personen jonger dan 27 jaar’.
Beleidsregels Zoektermijn personen jonger dan 27 jaar
De zoektermijn is bedoeld om jongeren te stimuleren eerst zelfstandig actief op zoek te gaan naar werk of onderwijs dat bekostigd wordt uit de rijkskas, voordat zij een bijstandsuitkering kunnen aanvragen. Deze periode duurt vier weken, waarin de jongere zijn of haar inspanningen aantoonbaar moet maken. Pas na afloop van deze periode kan de aanvraag definitief worden ingediend.
Er zijn situaties waarin de zoektermijn niet van toepassing is. Naast de wettelijke uitzonderingen kan in individuele gevallen worden afgeweken van de zoektermijn, bijvoorbeeld wanneer toepassing ervan niet effectief is. Dit vereist een zorgvuldige, op maat gemaakte beoordeling.
Het uitgangspunt is dat de jongere altijd eerst wordt uitgenodigd voor een gesprek voordat besloten wordt tot een uitzondering, tenzij er gegronde redenen zijn waardoor aanwezigheid niet mogelijk is. Op basis van dit persoonlijk contact wordt beoordeeld welke inspanningen redelijkerwijs van de jongere verwacht mogen worden en of (tijdelijk) kan worden afgezien van het opleggen van de zoektermijn.
Artikel 1. Begripsomschrijving
-
1. Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet en de algemene wet bestuursrecht.
-
2. In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
BBL: Beroepsbegeleidende leerweg;
- b.
College: het college van de gemeente Almere;
- c.
Gerichte sollicitatie: een sollicitatie naar een functie die als passend wordt beoordeeld;
- d.
Inspanningsplan: een document waarin afspraken met een jongere zijn vastgelegd;
- e.
Jongere: persoon (alleenstaanden, alleenstaande ouders en gehuwden die beiden jonger zijn dan 27 jaar) van 18 tot 27 jaar;
- f.
Overbrugging: periode vanaf laatste datum melding tot eerstvolgende mogelijkheid waarop studiefinanciering kan worden ontvangen;
- g.
Schuldregelingstraject: hieronder wordt verstaan het voortraject, het minnelijke traject en het wettelijke traject bij een erkende instantie voor het saneren van schulden;
- h.
Scholingsplicht: de verplichting om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen, te starten vanaf het eerstvolgende instroommoment, wanneer dit de arbeidskansen van de jongere vergroot;
- i.
Startkwalificatie: een diploma op havo-, vwo- of mbo 2 diploma of hoger;
- j.
Vavo: voortgezet algemeen volwassenenonderwijs;
- k.
Voorliggende voorziening: Wsf wordt als een passende en toereikende voorliggende voorziening aangemerkt. Ook het verkrijgen van een DUO lening behoort tot de voorliggende voorzieningen;
- l.
Wet: de Participatiewet;
- m.
Wsnp: Wet schuldsanering natuurlijke personen;
- n.
Wsf: Wet op de studiefinanciering 2000;
- o.
Zoektermijn: periode van vier weken na datum van melding, bedoeld in artikel 44 van de Participatiewet, waarin de jongere nog geen aanvraag voor bijstand mag indienen.
- a.
Artikel 2. Zoektermijn
-
1. De zoektermijn wordt alleen toegepast indien dit naar het oordeel van het college effectief kan bijdragen aan scholing en/of werk.
-
2. Het college kan daarnaast besluiten de zoektermijn niet toe te passen indien sprake is van kwetsbare omstandigheden als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Participatiewet. Deze omstandigheden (niet-limitatief) worden nader toegelicht in de toelichting van dit artikel.
-
3. Naast de doelgroep die op grond van artikel 41 lid 4, van de Participatiewet is uitgezonderd van de zoektermijn, geldt deze uitzondering ook voor jongeren die aan ten minste één van de volgende criteria voldoen:
- a.
Verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in de Wmo 2015;
- b.
Heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in de jeugdwet;
- c.
Heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel ondergaan die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in de jeugdwet;
- d.
Jongeren van wie de bijstand is beëindigd wegens werkhervatting en die binnen zes maanden na uitstroom opnieuw werkloos raken, vallen onder de garantieknop en volgen de verkorte aanvraagprocedure; of
- e.
Niet is ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen en of is ingeschreven zonder woonadres, maar met een briefadres in de basisregistratie personen bij een maatschappelijke organisatie.
- a.
Artikel 3. Samenvallen zoektermijn met eerdere termijn
Er zijn situaties waarin de zoektermijn kan samenvallen met een eerdere periode waarin al naar werk of scholing is gezocht. In dat geval is een nieuwe volledige zoektermijn van vier weken niet nodig. Of dit van toepassing is, wordt per individuele situatie beoordeeld, waarbij gekeken wordt of voldoende inspanningen zijn verricht.
- 1.
Jongeren die verhuizen vanuit een andere gemeente, waar de bijstandsuitkering is beëindigd, en binnen 30 dagen na die beëindiging een aanvraag doen (art. 45 lid 3 Participatiewet).
Artikel 4. Scholingsplicht
-
1. Een jongere die uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs kan volgen en hiermee zijn arbeidskansen kan vergroten, heeft in beginsel een scholingsplicht. Het behalen van een startkwalificatie vergroot de arbeidskansen. Iedere jongere zonder startkwalificatie heeft daarom in beginsel de plicht uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen.
-
2. Het college kan een uitzondering op de scholingsplicht maken wanneer een jongere geobjectiveerd aantoont dat regulier onderwijs niet gevolgd kan worden, of wanneer dit naar redelijke maatstaven (nog) niet van de jongere kan worden verlangd, rekening houdend met diens mogelijkheden en omstandigheden (redelijkheidstoets). Een uitzondering op de scholingsplicht wordt in ieder geval gemaakt als de jongere:
- a.
Een toereikende startkwalificatie heeft, mits de afgeronde opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief biedt;
- b.
Een studieadvies heeft ontvangen waaruit blijkt dat terugkeer naar school niet haalbaar is;
- c.
Te maken heeft met bijzondere omstandigheden die een reële belemmering vormen om terug naar school te gaan;
- d.
Een schuldentraject volgt en geen toestemming krijgt om uit ’s Rijks kas bekostigd onderwijs te volgen;
- e.
(Nog) geen aanspraak kan maken op studiefinanciering, bijvoorbeeld omdat de jongere moet wachten tot het eerstvolgende instroommoment en dit de jongere niet kan worden aangerekend;
- f.
Inburgeraar is en een inburgeringstraject volgt;
- g.
Een door een deskundig vastgesteld cognitief, sociaal, medisch en/of psychisch probleem heeft.
- a.
-
3. Het Vavo dient eveneens te worden aangemerkt als uit 's Rijkskas bekostigd onderwijs. Hiervoor is geen beroep op studiefinanciering mogelijk, maar wel op Wtos.
Artikel 5. BBL-opleiding
Jongeren die vallen onder de Wsnp hebben een sollicitatieplicht vanuit de Wsnp en krijgen in beginsel geen toestemming van de bewindvoerder en de rechter-commissaris om scholing met gebruik van Wsf te volgen. Ook de jongeren die een (minnelijk) schuldregeltraject gericht op een schuldenvrije toekomst bij een gemeentelijke schuldregelaar volgen mogen in beginsel geen studieschuld opbouwen. Aan deze jongeren kan wel de plicht opgelegd worden om een BBL-opleiding te gaan volgen.
Artikel 6. Beoordeling inspanningsverplichting
Indien de klantmanager tijdens het eindgesprek van de zoektermijn de inspanningen van de jongere niet kan beoordelen, wordt de beoordeling verplaatst naar het moment van de aanvraag om bijstand. Dit geldt ook indien er geen afspraken zijn gemaakt vanwege het niet verschijnen bij het intakegesprek.
Artikel 7. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking per 1 januari 2026.
Ondertekening
Aldus vastgesteld,
Almere, 2 december 2025
Burgemeester en wethouders van Almere,
namens hen,De afdelingsmanager Werk en Inkomen
T. Permentier
Bijlage 1. Toelichtingen op de beleidsregels
Artikel 1
Lid2
- c.
Met een gerichte sollicitatie wordt bedoeld: een sollicitatie op algemeen geaccepteerde arbeid, met als doel daadwerkelijk werk te verkrijgen, en niet uitsluitend om te voldoen aan de inspanningsverplichting.
Een sollicitatie wordt niet als realistisch beschouwd wanneer duidelijk is dat de functie buiten de mogelijkheden van de jongere valt. Bijvoorbeeld:
- -
Solliciteren op een functie als chauffeur is niet realistisch wanneer iemand geen rijbewijs heeft.
- -
Een vacature waarvoor een afgeronde hbo-opleiding vereist is, is niet realistisch voor iemand zonder startkwalificatie.
Artikel 2
Lid 1
De activiteiten die hieronder worden beschreven, staan op de website, worden bij de melding schriftelijk bevestigd en staan in de uitnodigingsbrief voor het intakegesprek.
Activiteiten voor opleiding
- 1.
Inschrijfbewijs en startdatum van een passende opleiding(en).
- 2.
Afspraakbevestigingen van gesprekken met:
- •
School;
- •
Het Doorstroompunt; of
- •
Studiehulp en Advies - ROC Flevoland.
- •
- 3.
Bewijs van afwijzing(en) van opleidingen, inclusief vermelding van de reden van afwijzing.
- 4.
Optioneel: Overige documenten die aantonen dat de jongere zich heeft ingespannen om een passende opleiding te vinden.
Activiteiten voor arbeid
- 1.
Een actueel CV.
- 2.
5 passende sollicitaties per week, waarbij:
- •
De sollicitaties realistisch zijn en betrekking hebben op functies die de betrokkene kan uitvoeren, ook indien deze onder het opleidingsniveau liggen.
- •
De sollicitaties worden geregistreerd in het activiteitenoverzicht.
- •
- 3.
Upload van het CV bij 5 vacaturewebsites.
- 4.
Inschrijving bij 3 uitzendbureaus.
Tijdens het gesprek wordt bepaald welke inspanningen redelijkerwijs van de jongere kunnen worden verwacht en in hoeverre, met toepassing van maatwerk, (voor een bepaalde periode) kan worden afgezien van de zoektermijn.
- a.
De gemaakte afspraken worden vastgelegd in een inspanningsplan en de uitvoering hiervan wordt door de jongere bijgehouden in het activiteitenoverzicht.
- b.
Indien de jongere ondanks herhaald verzoek niet deelneemt aan het intakegesprek, hetzij fysiek, hetzij telefonisch, dan gelden alle activiteiten ten aanzien van scholing en arbeid.
- c.
Wanneer de zoektermijn niet van toepassing is, wordt de jongere altijd geïnformeerd. De jongere (en/of gemachtigde) ontvangt per e-mail een brief met daarin een directe link (snellink) om de aanvraag voor algemene bijstand in te dienen. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat de jongere zo snel mogelijk toegang heeft tot de aanvraagprocedure, met inachtneming van de relevante termijnen zoals opgenomen in de Beleidsregels gegevens opvragen en verstrekken Participatiewet, IOAW en IOAZ Gemeente Almere.
Lid 2
Voorbeelden van kwetsbare omstandigheden kunnen zijn:
- •
Problematische schulden. Een schuld is in ieder geval problematisch wanneer er een terugbetalingsverplichting op rust en de termijn daarvan is overschreden.
Jongeren die al deelnemen aan een schuldregelingstraject of ondersteuning krijgen bij het oplossen van schulden, kunnen uitgesloten worden van de zoektermijn. Jongeren die nog geen hulp ontvangen, moeten zich aanmelden bij Verder. Zodra aanmelding aantoonbaar is gedaan, kan worden afgezien van de (resterende) zoektermijn;
- •
Vanwege een behandeltraject bij een erkende zorginstelling of kliniek, dat is gestart of binnenkort start, waardoor deelname aan scholing en/of werk niet haalbaar is;
- •
Het niet beschikken over een startkwalificatie en onderwijs geen reële optie is;
- •
Jongeren die uit detentie komen en bij wie het opleggen van een zoektermijn niet effectief is;
- •
Andere zwaarwegende persoonlijke of gezinsomstandigheden.
Indien er sprake is van een gezamenlijke huishouding, en er voor één jongere geen zoektermijn geldt vanwege kwetsbare omstandigheden, blijft voor de andere jongere wel een zoektermijn gelden. De aanvraag kan wel direct in behandeling worden genomen.
Het besluit om de zoektermijn niet toe te passen wordt door het college gemotiveerd vastgelegd.
Lid 3
d. Zie beleidsregel, Vereenvoudiging aanvraagprocedure gemeente Almere 2026.
Artikel 3
Lid 1
Bij een verhuizing van de jongere naar een andere gemeente wordt formeel het recht op bijstand beëindigd. Indien de aanvraag in de opvolgende gemeente binnen 30 dagen plaatsvindt (artikel 45, lid 3, Participatiewet), wordt het recht op bijstand feitelijk voortgezet en is er sprake van overname door de opvolgende gemeente. In deze situatie is het niet noodzakelijk om de zoektermijn opnieuw op te leggen. De jongere heeft de zoektermijn immers al doorlopen in de oorspronkelijke gemeente voorafgaand aan de aanvraag om bijstand. Het opnieuw laten starten van een zoektermijn zou bovendien leiden tot een ongewenst onderscheid met jongeren die binnen dezelfde gemeente verhuizen.
Artikel 4
Lid 1
De Wsf wordt aangemerkt als een voorliggende voorziening die voor studerende jongeren passend en toereikend is. Hieronder valt tevens de mogelijkheid tot het verkrijgen van een lening. Dit betreft jongeren die aanspraak hebben op, dan wel aanspraak kunnen maken op, de Wsf.
De bepaling in artikel 13 lid 2, onder c van de Participatiewet is dwingend. Voor werk en inkomen bestaat hierin geen beleidsvrijheid. De wetgever heeft echter niet toegelicht wat precies wordt bedoeld met het “kunnen volgen” van door het rijk bekostigd onderwijs. Het begrip “kunnen volgen” kent twee dimensies: een technisch kunnen en een redelijkheidstoets. Enerzijds gaat het om de vraag of een jongere zich daadwerkelijk kan inschrijven en aanspraak kan maken op studiefinanciering. Anderzijds moet worden beoordeeld of het in redelijkheid van de jongere kan worden gevergd om onderwijs te volgen.
Bij die beoordeling kunnen omstandigheden zoals gezinsomstandigheden, fysieke of psychische beperkingen en de capaciteiten van de jongere een rol spelen. Als duidelijk is dat er nog mogelijkheden liggen binnen het reguliere onderwijs die onvoldoende zijn benut, moet werk en inkomen de aanvraag om bijstand weigeren.
Alleen het feit dat iemand bijvoorbeeld zwanger is, vormt op zichzelf geen reden om artikel 13, lid 2, onder c, Participatiewet niet toe te passen.
Wanneer er geen mogelijkheden meer zijn binnen het reguliere onderwijs, moet dit gemotiveerd worden vastgelegd. In dat geval staat bijstandsverlening niet in de weg. Voor deze beoordeling maakt werk en inkomen gebruik van het gemeentelijk beleid en van studiegegevens van de jongere die eventueel bij werk en inkomen bekend zijn en geraadpleegd kunnen worden.
Jongeren hebben een informatieplicht met betrekking tot de vraag in hoeverre het reguliere onderwijs nog mogelijkheden voor hen biedt. Bij de aanvraag voor bijstand dienen zij de documenten te overleggen die werk en inkomen nodig heeft om te beoordelen of het volgen van een door het rijk bekostigde opleiding mogelijk is. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 41, lid 5, van de Participatiewet.
Lid 2
- •
Jongeren zonder startkwalificatie: uitgangspunt is dat zij onderwijs volgen om een startkwalificatie te behalen, tenzij.
- •
Jongeren met een startkwalificatie: scholing wordt alleen ingezet wanneer dit bijdraagt aan betere arbeidsmarktkansen.
- •
Jongeren met mbo-3 of hoger: hoeven niet terug naar school; inzet richt zich op het verkrijgen van werk.
Lid 3
Een jongere die Vavo onderwijs volgt, heeft recht op Wtos en niet op Wsf. De jongere dient daarom te onderzoeken of en per wanneer aanspraak op Wsf kan worden gemaakt, zodat die per het eerstvolgende instroommoment kan overstappen naar een opleiding met aanspraak op Wsf, tenzij persoonlijke of andere relevante omstandigheden dit niet mogelijk maken.
Artikel 5
Als de jongere een BBL-opleiding gaat volgen of volgt, moet er sprake zijn van een arbeidsovereenkomst tussen de (toekomstige) werkgever en de jongere.
- 1.
De jongere die een BBL-opleiding volgt, ontvangt een salaris conform de geldende cao in de betreffende branche of, indien geen cao van toepassing is, ten minste het wettelijk minimumloon.
- 2.
Als er (nog) geen salaris wordt ontvangen in het kader van een BBL-opleiding, dient de jongere bewijsbaar te onderzoeken of een andere werkgever gevonden kan worden of een opleiding waarbij recht bestaat op studiefinanciering.
- 3.
Als het college vaststelt dat de jongere geen andere mogelijkheden heeft, bestaat recht op (aanvullende) bijstand.
Artikel 6
Om de scholingsmogelijkheden van de jongere te beoordelen, is de jongere verplicht om uiterlijk bij het eindgesprek of bij het doen van de aanvraag de documenten te overleggen, zoals vastgelegd in het inspanningsplan. Indien er geen inspanningsplan is opgesteld, zijn de standaard scholingsactiviteiten van toepassing, zoals vermeld in de toelichting bij artikel 2 lid 2 (scholing).
Om de houding en het gedrag van de jongere ten aanzien van arbeidsverplichtingen van artikel 9 Participatiewet te beoordelen, is de jongere verplicht om uiterlijk bij het eindgesprek of bij het doen van de aanvraag de documenten te overleggen, zoals vermeld in de toelichting bij artikel 4, lid 1 (arbeid).
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl