Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750030
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR750030/1
Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Ronde Venen;
Gelet op de artikelen 1, 2 en 14 van de Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025;
overwegende dat het noodzakelijk is om nadere regels vast te stellen ter uitvoering van de Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025 met betrekking tot:
- -
de voorwaarden die gelden bij het indienen van een aanvraag voor een algemene en individuele voorziening;
- -
de methodiek en procedure waarmee het gesprek wordt gevoerd en het ondersteuningsplan tot stand komt;
- -
de criteria voor een individuele voorziening en de methodiek waarmee de noodzaak tot het bieden van een individuele voorziening wordt vastgesteld;
- -
de wijze van indienen van een verzoek voor gebruik van het persoonsgebonden budget en het afwegingskader bij een dergelijk verzoek;
besluit vast te stellen de volgende regeling:
Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026
Artikel 1 Algemene bepalingen
1.1 Inleiding
Op grond van de Jeugdwet 2015 heeft de gemeenteraad de Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025 vastgesteld. De Verordening jeugdhulp De Ronde Venen 2025 vormt samen met deze Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026 het kader waaronder de Jeugdwet in De Ronde Venen wordt uitgevoerd.
1.2 Begripsbepalingen
Alle begrippen die in deze nadere regels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven, hebben dezelfde betekenis als in de wet, de Jeugdwet 2015, de Algemene wet bestuursrecht en de Verordening Jeugdhulp de Ronde Venen 2025 (de verordening).
Artikel 2 Procedure
2.1 Hulpvraag
Jeugdige en/of hun ouders kunnen met hun hulpvraag terecht bij de gemeente. In een eerste contact wordt de hulpvraag verder geïnventariseerd. Als hieruit blijkt dat informatie of advies voldoende is voor de jeugdige en/of ouder om het ondervonden probleem op te lossen, is daarmee de hulp- en ondersteuningsvraag beantwoord.
Indien verdere vraagverheldering of verdieping nodig is, volgt een afspraak met de jeugdconsulent van de gemeente. Vooraf krijgen inwoners informatie over:
- 1.
De mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning.
- 2.
De mogelijkheid van het zelf opstellen van een familiegroepsplan.
- 3.
De verificatiecheck (persoonsgegevens, BSN, gezag).
2.2 Het onderzoek
- 1.
Het onderzoek wordt uitgevoerd conform hoofdstuk 3 van de verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van bijlage 1 Samenvattend overzicht van ontwikkelingstaken, opvoedingsopgaven en 'normale' uitdagingen, dat is gepubliceerd door het Nederlands Jeugdinstituut (Nji).
- 2.
Het college behoudt na start van de hulpverlening een regiefunctie. Vanuit deze functie wordt de voortgang van de hulpverlening gemonitord en geëvalueerd of de zorgaanbieder aan de gestelde resultaten werkt. Dit betekent waar nodig ook de intensiteit en duur van het traject monitoren, indien nodig opschalen en waar mogelijk afschalen dan wel afronden.
Artikel 3 Zak- en kleedgeld
-
1. De gemeente kan aan de betrokken jeugdhulpaanbieder, ingeval dat de jeugdige gedurende een maand voltijds verblijft in een accommodatie en diens ouders niet voldoen aan hun onderhoudsplicht, zak- en kleedgeld verstrekken onder de volgende voorwaarden:
- a.
De jeugdige is ouder dan zes jaar en woont in een accommodatie voor jeugdhulp, niet zijnde pleegzorg:
- -
onder een accommodatie voor jeugdhulp wordt verstaan: kleinschalig verblijf, kamertrainingcentra, leef- en behandelgroepen, crisisopvang, Jeugdzorgplus en gezinshuizen.
- -
zakgeld kan verstrekt worden aan een jeugdige die de leeftijd van zes jaar, maar nog niet die van twaalf jaar heeft bereikt.
- -
zak- en kleedgeld kan verstrekt worden aan een jeugdige van twaalf jaar of ouder.
- -
- b.
De onderhoudsplichtige kan niet worden aangesproken op de onderhoudsplicht door de voogd, jeugdbeschermer of jeugdhulpinstelling. Hiervan is sprake in de volgende gevallen:
- -
de ouders van de jeugdige zijn vertrokken onbekend waarheen, of
- -
dat het voor de opvang van en hulpverlening aan de jeugdige van wezenlijk belang is om het contact over de zak- en kleedgeldbijdrage met de ouders te vermijden.
- -
- c.
De onderhoudsplichtige voldoet niet aan de onderhoudsplicht, en:
- -
er is door de voogd, jeugdbeschermer of jeugdhulpinstelling ten minste 1 schriftelijke aanschrijving voor de onderhoudsplicht aan de ouders gedaan, waarop door de ouders gedurende minimaal 3 maanden geen bijdragen zijn voldaan, of
- -
door de voogd, jeugdbeschermer of jeugdhulpinstelling is vastgesteld dat de ouders niet binnen 3 maanden kunnen voldoen aan de onderhoudsplicht en dit blijkt uit verkregen gegevens omtrent hun inkomens en vermogenssituatie.
- -
- a.
-
2. De hoogte van het zak- en kleedgeld is gelijk aan maximaal de geldende wettelijke kinderbijslag volgens de Algemene kinderbijslagwet. De tarieven zijn te raadplegen op de website van de SVB.
-
3. Het zak- en kleedgeld wordt uitbetaald aan de instelling waar de jeugdige verblijft.
Artikel 4 Persoonsgebonden budget (pgb)
Op het moment dat uit onderzoek de noodzaak van jeugdhulp is vastgesteld, is het uitgangspunt dat de jeugdige en zijn ouders zich oriënteren op de mogelijkheden van zorg in natura. Dat wil zeggen dat de jeugdige en/of zijn ouders hulp ontvangen van een jeugdhulpaanbieder die door de gemeente is gecontracteerd. Pas wanneer het contracteerde aanbod onvoldoende passend is, kunnen jeugdige en zijn ouders gebruik maken van een pgb. Aan het toekennen van een pgb zijn wel voorwaarden verbonden.
4.1 Voorwaarden pgb
Het college verstrekt een pgb als na onderzoek blijkt dat er een individuele voorziening jeugdhulp passend is en als aan de volgende voorwaarden is voldaan:
- 1.
De jeugdige of zijn ouders zijn naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen. Of ze zijn met hulp uit hun sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
- 2.
De jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een zorgaanbieder, niet passend achten.
- 3.
Naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige of zijn ouders van het pgb-budget willen betrekken, van goede kwaliteit is.
4.1.1 Bekwaamheid van de aanvrager
Om na te gaan of de aanvrager op verantwoorde wijze om kan gaan met een pgb wordt de bekwaamheid beoordeeld. Is de budgethouder in staat, met hulp uit zijn sociale netwerk, of met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde de eigen situatie en de situatie van de jeugdige te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en aan te sturen. Daarbij zijn de tien punten voor pgb-vaardigheid het uitgangspunt (zie bijlage 2).
Voorbeelden voor een contra-indicatie ten aanzien van de pgb-vaardigheid zijn: problematische schulden, ernstige verslavingsproblematiek, aanmerkelijke verstandelijke beperking, ernstig psychiatrisch ziektebeeld, vastgestelde blijvende cognitieve stoornis, of onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal.
4.1.2 Motivering dat zorg in natura niet passend is
Uit de argumentatie moet blijken dat de jeugdige of zijn ouders zich voldoende hebben georiënteerd op de mogelijkheden voor zorg in natura. De jeugdige of zijn ouders kunnen onderbouwen dat de individuele voorziening, die wordt geleverd door een aanbieder, voor hen niet passend is en beschrijven dit in het budgetplan. Dit kan bijvoorbeeld voorkomen als:
- •
de jeugdhulp niet goed vooraf is in te plannen,
- •
de jeugdhulp op ongebruikelijke tijden of op veel korte momenten per dag geboden moet worden,
- •
jeugdhulp op verschillende locaties moet worden geleverd,
- •
het noodzakelijk is om 24 uur jeugdhulp op afroep te organiseren, of
- •
als de ondersteuning door de aard van de beperking door een vaste hulpverlener moet worden geboden.
4.2 Beheer pgb
De jeugdige wordt vertegenwoordigd in het beheer van het pgb door een ouder/wettelijk vertegenwoordiger, met behulp van iemand vanuit het sociale netwerk dan wel van een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde. In de meest voorkomende situaties wordt het pgb beheerd door de ouder/wettelijk vertegenwoordiger.
Beheer door hulpverlener niet toegestaan
Voorwaarden voor het verstrekken van een pgb is dat de budgethouder voldoende in staat is de eigen situatie en de situatie van de jeugdige te overzien en zelf de benodigde hulp te kiezen, te regelen en aan te sturen. Volgens de wetsgeschiedenis moet bij deze taken gedacht worden aan bijvoorbeeld het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen.
De dubbelrol vertegenwoordiger/hulpverlener (zowel formeel als informeel) is dan ook niet toegestaan, omdat de zorgverlener niet in staat is om met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken uit te voeren.
Hulp vanuit het sociaal netwerk bij het beheer
De jeugdige en/of ouders kunnen bij het beheer ondersteund worden door iemand uit hun sociale netwerk. De verantwoordelijkheid voor het beheer van het pgb blijft bij de wettelijk vertegenwoordiger.
4.3 Uitgangspunten pgb in sociaal netwerk
De ondersteuning van een familielid of van iemand uit het sociaal netwerk valt onder de eigen kracht van het gezin. Het uitgangspunt van het college is dat met een pgb geen mensen uit een sociaal netwerk worden gefinancierd, tenzij alle andere vormen van zorg in natura of pgb, onvoldoende aansluiten bij de ondersteuningsvraag van de jeugdige en/of ouders.
Jeugdigen en ouders die voor een pgb in aanmerking komen kunnen dit inzetten om ondersteuning te betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. De jeugdige en/of zijn ouders aan wie een persoonsgebonden budget wordt toegekend kunnen alleen jeugdhulp betrekken van personen die tot het sociaal netwerk behoren voor begeleiding, persoonlijke verzorging of kortdurend verblijf/logeren.
De hierbij behorende tarieven hebben een max van € 20,- per uur voor begeleiding individueel en persoonlijke verzorging, € 25,- per dagdeel voor begeleiding groep en € 50,- per etmaal voor kortdurend verblijf.
Het pgb is geen inkomensondersteuning, maar wordt ingezet als financiering voor jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner ontoereikend zijn.
Artikel 5 Jeugdhulp na 18e levensjaar
5.1 Verlengde jeugdhulp
De Jeugdwet geeft in artikel 1.1 onder de definitie ‘jeugdige’ aan dat jeugdhulp soms ook mogelijk is tot de leeftijd van 23 jaar (verlengde jeugdhulp). Dit kan voorkomen als:
- •
de jeugdige het ermee eens is;
- •
de hulp niet onder een ander wettelijk kader valt, bijvoorbeeld: Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo);
- •
indien de begeleiding samenvalt met het verblijf vanuit de Jeugdwet binnen een driemilieusvoorziening;
- •
de hulp al voor het 18e levensjaar is begonnen en er een besluit is genomen voor het 18e levensjaar dat voortzetting noodzakelijk is;
- •
na afronding van de jeugdhulp binnen een half jaar blijkt dat opnieuw jeugdhulp nodig is;
- •
wanneer de jeugdhulp wordt geboden in het kader van straffen en maatregelen of van reclasseringstoezicht (jeugdstrafrecht). De kinderrechter kan een machtiging gesloten jeugdhulp verlengen. Dit kan tot maximaal zes maanden na de 18e verjaardag. Het jeugdstafrecht wordt toegepast voor jeugdigen die op het moment van het begaan van het delict jonger zijn dan 23 jaar. Op het moment van berechting of gedurende de tenuitvoerlegging van de straf, kunnen ze echter ouder zijn dan 23 jaar. De jeugdhulp loopt in dat geval dus ook door na het 23e jaar.
In geval van een ondertoezichtstelling is het van groot belang dat de gecertificeerde instelling tijdig het college betrekt die de jongere ook na het 18e jaar kan ondersteunen in de regievoering. De gecertificeerde instelling neemt bij 16-jarige leeftijd contact op met ouders en het college om afspraken te maken over eventueel noodzakelijke vervolghulp.
5.2 Procedure Jeugdhulp na 18e levensjaar
Het college ziet erop toe dat de zorgaanbieder die de ondersteuning voor het 18e jaar levert vroegtijdig (minimaal 24 maanden voor de 18e verjaardag) een (toekomst/perspectief)plan opstelt waarin (indien nodig) de doorloop van ondersteuning na het 18e levensjaar centraal staat. Het opstellen van het (toekomst/perspectief)plan gebeurt samen met de jeugdige en/of ouders en samen met een eventuele aanbieder die na het 18e levensjaar wordt ingezet. Op het moment dat een jeugdige 17 jaar of ouder is, beschrijft de jeugdhulpaanbieder in het plan hoe en wie de volgende zaken heeft geregeld voor de jeugdige als deze de leeftijd van 18 jaar bereikt op het gebied van:
- •
huisvesting;
- •
financiën;
- •
werk/onderwijs/dagbesteding, en indien nodig;
- •
zorg en ondersteuning.
In het plan wordt bekeken of ondersteuning die na het 18e levensjaar eventueel wordt ingezet gefinancierd kan worden uit de Wmo, Zvw of Wlz. Als de zorgbehoefte van een 18-jarige jeugdige niet onder een van deze wetten valt, dan kan de verlengde jeugdhulp worden ingezet rekening houdend met de voorwaarden genoemd in punt 5.1.
5.3 Verlengde pleegzorg
- •
Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen voor het 21e levensjaar wanneer pleegkinderen dit zelf willen.
- •
Pleegzorg als vorm van verlengde jeugdhulp, zoals beschreven in de Jeugdwet, blijft mogelijk vanaf 21 jaar tot 23 jaar. Pleegkinderen kunnen tot een half jaar na hun 21e verjaardag een beroep doen op verlengde jeugdhulp. Voorwaarde is dat de jeugdige al pleegzorg ontvangt en voortzetting noodzakelijk is.
- •
Verlengde jeugdhulp eindigt als er geen hulpvraag meer is, het pleegkind geen hulp meer wil, of het pleegkind 23 jaar is.
5.4 Verblijf in gezinshuis
Het verblijf in een gezinshuis is standaard tot 21 jaar tenzij:
- •
de jeugdige dat zelf niet wil;
- •
en/of de gezinshuisouder(s) niet instemmen;
- •
en/of voor alle partijen (inclusief de jeugdige) duidelijk is dat de jeugdige andere passende hulp nodig heeft en die hulp ook beschikbaar is;
- •
en/of de jeugdige voldoet aan de criteria van de Wlz.
Artikel 6 Vervoer
6.1 Criteria vervoersvoorziening
De criteria voor een vervoersvoorziening staan opgenomen in artikel 5b van de verordening. Uitgangspunt hierbij is dat ouder(s) primair zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt 1 keer (heen en terug) per week zelf brengen en halen (met de auto, fiets of het OV) in ieder geval beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden.
6.2 Passende vervoersvoorziening
Indien vervoer niet is inbegrepen bij de ingekochte zorg die wordt ingezet en als aan de criteria onder 6.1 is voldaan bepaalt het college in overleg met de ouders welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) passend is. De volgende vormen worden onderscheiden op volgorde van afweging:
- 1.
een vergoeding voor openbaar vervoer indien de jeugdige zelfstandig van openbaar vervoer gebruik kan maken;
- 2.
een vergoeding voor openbaar vervoer met begeleiding indien door de ouders wordt aangetoond dat de jeugdige niet in staat is om zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik te maken of indien de jeugdige zelf kan leren te reizen met openbaar vervoer;
- 3.
kilometervergoeding indien de ouders of iemand uit het sociaal netwerk de jeugdige zelf vervoeren of laten vervoeren, op basis van een vastgesteld tarief: € 0,23 per km, alleen van toepassing op het aantal km boven de 6 km enkele reis;
- 4.
aangepast vervoer (taxivervoer) indien voorgaande mogelijkheden niet tot de opties behoren.
- 5.
vervoer dat de zorgaanbieder regelt na overeenstemming met het college;
6.3 Toekenning vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming
- 1.
Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de wijze en het tijdstip van de verstrekking dan wel de uitbetaling van de tegemoetkoming, alsmede de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening dan wel tegemoetkoming.
- 2.
Het college zal altijd bij de afwegingen over de toekenning van een vervoersvraag de mogelijkheden betrekken die er voor een jeugdige zijn om zelfstandig te leren reizen.
6.4 Berekening financiële tegemoetkoming
Een financiële tegemoetkoming is mogelijk voor de vervoerskosten mits voldaan wordt aan de criteria beschreven in artikel 6.1.
De tegemoetkoming van het eigen vervoer, wordt berekend met € 0,23 per km x gereden km – 6 km op basis van een enkele reis.
Artikel 7 Onderwijs en jeugdhulp
7.1 Jeugdhulp op het onderwijs
Bij het bepalen van een passend ondersteuningsaanbod moet worden vastgesteld welk domein, onderwijs of jeugdhulp (en daarmee de gemeente), primair verantwoordelijk is voor het in kaart brengen en financieren van de ondersteuningsbehoefte.
Voor de domeinen ‘onderwijs’ en ‘jeugdhulp’ is duidelijk waar de verantwoordelijkheid ligt. Voor ‘onderwijs in combinatie met jeugdhulp en ‘jeugdhulp in combinatie met onderwijs’ geldt dat er sprake is van een gedeelde verantwoordelijkheid.
Artikel 8 Slotbepaling
-
1. De Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026 treden na publicatie in werking vanaf 1 januari 2026.
-
2. Op het moment van inwerkingtreding van deze “Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026”, worden de Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2025 gelijktijdig ingetrokken.
-
3. Deze nadere regels worden aangehaald als: Nadere regels jeugdhulp De Ronde Venen 2026
Ondertekening
Mijdrecht, 2 december 2025
Burgemeester en wethouders van De Ronde Venen,
de secretaris,
de burgemeester,
Bijlage 1 Samenvattend overzicht van ontwikkelings- taken, opvoedingsopgaven en ‘normale’ uitdagingen
Onderstaand overzicht is niet uitputtend maar geeft voorbeelden van ontwikkelingstaken en opvoedingsopgaven die kenmerkend zijn voor de verschillende leeftijdsgroepen. Vaak begint de ontwikkeling al in een eerdere fase, maar staat het in het schema in de fase waarin dit het meeste speelt.
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
0-2 jaar |
|
|
|
|
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
2-4 jaar |
|
|
|
|
|
4-6 jaar |
|
|
|
|
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
6-12 jaar |
|
|
|
|
|
12-16 jaar |
|
|
|
|
|
Leeftijd |
Belangrijkste milieus |
Ontwikkelingstaken |
Opvoedingsopgaven |
Normale uitdagingen |
|
16-23 jaar |
|
|
|
|
Bijlage 2 Afwegingskader onderwijs-jeugdhulp
Dit afwegingskader beschrijft de verantwoordelijkheden van het onderwijsveld en de gemeente op het gebied van leerlingondersteuning. In de meeste gevallen geldt de verdeling van verantwoordelijkheden tussen gemeente en onderwijs zoals beschreven. Heel soms moet worden afgeweken van deze verdeling, bijvoorbeeld wanneer er meer of juist minder problematiek speelt. In deze specifieke situaties is het belang van het kind leidend bij het verdelen van verantwoordelijkheden tussen gemeente en onderwijs.
Het afwegingskader kent drie onderdelen. Het eerste deel bevat de algemene uitgangspunten voor de samenwerking tussen onderwijs en jeugdhulp. Het tweede deel gaat over jeugdigen die (grotendeels) op school zitten en daarbij extra ondersteuning nodig hebben. Het derde deel gaat over jeugdigen die (grotendeels) geen onderwijs volgen en jeugdhulp ontvangen.
Deel 1: Uitgangspunten voor samenwerking onderwijs en jeugdhulp
Er is sprake van een onderwijs-jeugdhulparrangement (OJA) wanneer de ondersteuning van een leerling verder gaat dan wat de school vanuit de onderwijsondersteuning kan bieden of wanneer er vanuit jeugdhulp onderwijs aan het jeugdhulptraject wordt toegevoegd.
De volgende uitgangspunten zijn van toepassing op de situatie waarin onderwijs en jeugdhulp samenwerken voor de ondersteuning van een leerling of jeugdige. Dit kan zowel op school zijn, waarbij jeugdhulp op school wordt ingezet, als in gevallen waarin een kind niet naar school kan komen en de school onderwijs aanbiedt.
Uitgangspunten
Voor het bepalen van de verantwoordelijkheden zijn de volgende 14 uitgangspunten bepalend:
- 1.
Het belang van het kind/de jongere staat altijd voorop.
- 2.
Ieder kind heeft recht op onderwijs, op welke wijze dan ook. Het doel van samenwerkingstrajecten is om de schoolgang niet te onderbreken en waar nodig de kinderen terug te krijgen naar school
- 3.
Als een leerling niet is ingeschreven op een school, moet er vrijstelling zijn van de leerplicht (op grond van artikel 5 onder a van de Leerplichtwet). Dit geldt niet voor 4-jarige kinderen (de leerplicht begint op de 1e dag van de maand nadat een kind 5 jaar is geworden). Bij vrijstelling is er geen sprake van een onderwijs-jeugdhulptraject en ligt er geen verantwoordelijkheid voor het onderwijs.
- 4.
Er kan alleen sprake zijn van een onderwijs-jeugdhulptraject als een leerling is ingeschreven op een school. Dit geldt ook voor 4-jarigen.
- 5.
School (waar de leerling staat ingeschreven) en de gemeente bespreken en indiceren de benodigde hulp integraal samen met ouders en het kind. Kinderen vanaf 12 jaar praten volwaardig mee en vanaf 16 jaar beslist de jongere zelf.
- 6.
Bij een onderwijs-jeugdhulptraject moet de school een ontwikkelingsperspectief (OPP) hebben opgesteld, waarbij de ouders akkoord zijn met het handelingsdeel van het OPP. Ouders moeten dit OPP in het kader van de medewerkingsplicht overleggen bij de aanvraag voor jeugdhulp of toestemming geven dat de school het OPP overdraagt.
- 7.
De school van inschrijving is het aanspreekpunt voor het onderwijs-jeugdhulptraject. Deze school is, indien nodig, verantwoordelijk voor het betrekken van het samenwerkingsverband.
- 8.
School is niet het aanspreekpunt voor de bekostiging van een zorglocatie, zoals een dagbehandelingslocatie of zorgboerderij. De school is wel verantwoordelijk voor (de bekostiging van) het onderwijs op die zorglocatie. Het onderwijsdeel moet zijn opgenomen in het OPP.
- 9.
De school van aanmelding is verantwoordelijk voor het onderwijs-jeugdhulptraject totdat een andere school de leerling heeft ingeschreven (ongeacht of dat regulier of speciaal onderwijs is).
- 10.
De school is niet verantwoordelijk voor psychische/psychiatrische behandeling van een leerling, bijvoorbeeld bij gedragsstoornissen.
- 11.
Ouders moeten de aanvraag voor jeugdhulp zelf indienen. In het geval van een Jeugdbeschermingsmaatregel is alleen de gezinsvoogd bevoegd om een bepaling af te geven en daarmee de aanvraag voor Jeugdhulp kenbaar te maken.
- 12.
Het besluit over de inzet van jeugdhulp binnen een onderwijs-jeugdhulptraject wordt binnen maximaal acht weken na de aanvraag genomen (dit is de wettelijke termijn uit de Algemene wet bestuursrecht). Schoolvakantieweken tellen hierin mee.
- 13.
Bij een combinatie van onderwijs en een zorglocatie, tijdens schooltijd, moet er op basis van de Variawet instemming zijn van de Inspectie van het Onderwijs om af te kunnen wijken van de onderwijstijd. Met behulp van de Keuzehulp onderwijstijd1 kan de school bepalen of de Variawet kan worden ingezet. Indien uit de keuzehulp blijkt dat de inzet van de Variawet mogelijk is kan worden gehandeld alsof de toestemming al is verkregen.
- 14.
Het ontbreken van financiële middelen bij de gemeente of school is geen reden om een kind een onderwijs-jeugdhulptraject, binnen de wettelijke kaders, te onthouden.
Deel 2: Jeugdige zit (grotendeels) op school en heeft ondersteuning nodig
In dit hoofdstuk gaat het over ondersteuning op school die verder gaat dan de basisondersteuning van de school en die niet direct onderwijs gerelateerd is.
Procedure
Voordat er jeugdhulp op school kan worden ingezet moeten de volgende stappen zijn doorlopen:
- 1.
De school heeft alle relevante ondersteuning ingezet die is opgenomen in het schoolondersteuningsprofiel zoals besproken met ouders.
- 2.
De school heeft een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) met/voor de leerling opgesteld, waarbij het handelingsdeel is goedgekeurd door de ouder(s).
- 3.
De school heeft andere voorliggende handelingen uitgevoerd, zoals het bieden van vrij toegankelijk aanbod aan ondersteuning of extra ondersteuning vanuit het samenwerkingsverband.
- 4.
De school heeft onderzoek en/of observatie laten doen door een externe deskundige met relevante expertise, bijvoorbeeld een orthopedagoog. Er is een verslag van dit onderzoek dat met toestemming van de ouders gedeeld mag worden om de inzet van jeugdhulp te kunnen beoordelen. De school heeft de acties uitgevoerd die de externe deskundige heeft geadviseerd en van de resultaten daarvan een verslag gemaakt.
- 5.
De ouders hebben de jeugdhulp zelf aangevraagd, bij voorkeur in een gesprek met zowel de school als de jeugdhulp.
Kwaliteitseisen bij jeugdhulp op school
Wanneer op school jeugdhulp op basis van de Jeugdwet wordt ingezet, moeten de kwaliteitseisen van de Jeugdwet worden nageleefd. Deze eisen zijn vastgelegd in hoofdstuk 4 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet. Kort gezegd houden deze in dat de jeugdhulpaanbieder werkt met een professional met minimaal een hbo-opleiding op het gebied van jeugdhulp, die is geregistreerd in het Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) of in het BIG-register (Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg). Alleen als een professional heeft aangegeven dat een registratie voor de uit te voeren hulp niet noodzakelijk is mag hiervan worden afgeweken. Daarnaast vereist de Jeugdwet dat de aanpak bij voorkeur bewezen effectief is of wordt gedragen door de beroepsgroep.
Ook jeugdhulp op school moet aan deze eisen voldoen. De jeugdconsulent beoordeelt of aan de kwaliteitseisen is voldaan. Jeugdhulp op school valt daarom onder de regie van de gemeente.
Ondersteuning bij leerproblemen
|
Schema verdeling verantwoordelijkheden |
||||
|
Onderwerp |
Jeugdwet |
Onderwijswetten |
Andere wetten |
|
|
Ondersteuning bij leerproblemen en/of leerstoornissen, zoals:
|
De school is verantwoordelijk voor ondersteuning bij leerproblemen en leerstoornissen |
|||
|
Ondersteuning bij gedragsproblemen in de klas |
De school is verantwoordelijk voor (het zorgen voor) ondersteuning tijdens les op school |
|||
|
Dyscalculie |
De school is verantwoordelijk voor ondersteuning bij dyscalculie |
|||
|
Leesproblemen en/of dyslexie |
De gemeente is verantwoordelijke voor diagnostiek en behandeling bij ernstige dyslexie, mits voldaan is aan het actuele dyslexieprotocol3 |
De school is verantwoordelijk voor ondersteuning bij leesproblemen en dyslexie tot en met ondersteuningsniveau 3 volgens het dyslexieprotocol |
||
|
Dyslexie op het voortgezet onderwijs |
De gemeente is alleen verantwoordelijk voor de behandeling indien het traject op de basisschool is gestart |
De school is verantwoordelijk voor de ondersteuning van de leerling met dyslexie |
||
|
Dyslexie – fysieke hulpmiddelen |
De school is verantwoordelijk voor aangepaste leerboeken etc. |
|||
|
Dyslexie – Daisyspeler en/of dyslexie compenserende software of apps bij uitbehandelde dyslexie |
Zorgverzekeringswet |
|||
|
Huiswerkbegeleiding |
De gemeente is verantwoordelijk voor opvoedondersteuning van ouders, zodat zij hun kind kunnen begeleiden bij het maken van huiswerk |
De school is verantwoordelijk bij:
|
Ouders zijn verantwoordelijk voor reguliere hulp bij huiswerk. Voor extra begeleiding zijn zij verantwoordelijk als er sprake is van een:
|
|
Onderzoeken en behandeling
|
Schema verdeling verantwoordelijkheden |
||||
|
Onderwerp |
Jeugdwet |
Onderwijswetten |
Andere wetten |
|
|
Onderzoek of tijdelijke ondersteuning door een orthopedagoog, psycholoog of specialist in school bij leer- of onderwijsproblemen |
De school is hiervoor verantwoordelijk |
|||
|
Onderzoeken voor IQ-bepaling |
Alleen als onderdeel van een breed diagnostisch proces in het kader van jeugdhulp. Er moet ook problematiek op andere leefgebieden zijn |
Onderzoek gericht op het leerproces |
||
|
Psycho-educatie |
Psycho-educatie als onderdeel van een jeugdhulptraject |
|||
|
Trainingen aan leerlingen gericht op weerbaarheid, afhankelijk van het doel |
De gemeente is verantwoordelijk als het doel persoonlijke ontwikkeling betreft |
Het onderwijs is verantwoordelijk als het de voortgang van het onderwijs betreft |
||
|
Kindcoaching |
Kindcoaching als onderdeel van een jeugdhulptraject |
|||
|
Behandeling psychische problematiek |
De behandeling van psychische problematiek valt onder de Jeugdwet |
|||
|
Speltherapie. Dit geldt ook voor behandeling van trauma en voor kinderen met een licht verstandelijke beperking |
De gemeente is verantwoordelijk als speltherapie onderdeel is van een bredere behandeling |
Het onderwijs is verantwoordelijk als speltherapie gericht is om leerproblemen aan te pakken |
Als de zorgverzekering vergoeding biedt, dan heeft dit voorrang op de Jeugdwet en onderwijs |
|
|
Vaktherapie. Dit betreft beeldende therapie, danstherapie, dramatherapie, muziektherapie en psychomotorische therapie, als ook voor behandeling van een psychische stoornis |
De gemeente is verantwoordelijk als de therapie onderdeel is van een bredere behandeling onder regie van een regiebehandelaar |
Als de zorgverzekering vergoeding biedt, dan heeft dit voorrang op de Jeugdwet en onderwijs |
||
|
Ondersteuning bij sociaal-emotionele ontwikkeling |
Jeugdhulp is hiervoor verantwoordelijk |
Het onderwijs is hiervoor verantwoordelijk wanneer de ondersteuning zit op onderwijstaken, primair gericht op het leerproces |
||
Individuele begeleiding op school
|
Schema verdeling verantwoordelijkheden |
||||
|
Onderwerp |
Jeugdwet |
Onderwijswetten |
Andere wetten |
|
|
Individuele begeleiding bij leerproblemen |
De school is verantwoordelijk voor begeleiding bij leerproblemen |
|||
|
Individuele begeleiding bij gedragsproblemen in de klas |
De school is verantwoordelijk voor het zorgen voor begeleiding tijdens lestijden |
|||
|
Individuele begeleiding in de vrije situaties op school |
In ernstige situaties kan er vanuit jeugdhulp begeleiding worden ingezet voor maximaal 4 uur per week. In het (v)so kan dit, bij zeer ernstige gedragsproblemen, worden uitgebreid naar 7 uur |
Indien er vanuit de Wet langdurige zorg een indicatie is toegekend, dan is dit voorliggend op de Jeugdwet |
||
|
Individuele begeleiding tijdens pauzes |
Het toezicht hierop kan onderdeel zijn van de begeleiding in de vrije situaties |
De school is verantwoordelijk voor toezicht en begeleiding tijdens de kleine pauzes. De ouders zijn verantwoordelijk voor het overblijven tijdens de middagpauze, behalve bij continuroosters |
Indien er vanuit de Wet langdurige zorg een indicatie is toegekend, dan is die voorliggend op de Jeugdwet |
|
|
Een-op-een-begeleiding |
Ter overbrugging als gevolg van wachtlijst jeugdhulp |
Ter overbrugging als gevolg van een wachtlijst op het (v)s(b)o. |
Indien er vanuit de Wet langdurige zorg een indicatie is toegekend, dan is die voorliggend op de Jeugdwet |
|
Persoonlijke verzorging op school
|
Schema verdeling verantwoordelijkheden |
||||
|
Onderwerp |
Jeugdwet |
Onderwijswetten |
Andere wetten |
|
|
Normale dagelijkse zorg bij kleuters |
Normale dagelijkse zorg bij kleuters |
|||
|
Persoonlijke verzorging niet voortkomend uit een medische component |
Boven de voorliggende inzet vanuit het onderwijs |
Tot een beperkt aantal minuten per week (zie tabel) |
||
|
Persoonlijke verzorging voortkomend uit een medische component |
Voor het gedeelte dat niet ten laste komt van de Zvw |
De indicerend jeugdverpleegkundige bepaalt welk deel van de verzorging ten laste komt van de Zvw |
||
|
Persoonlijke verzorging bij leerlingen met een Wlz-indicatie |
Persoonlijke verzorging bij leerlingen met een Wlz-indicatie loopt volledig via het CIZ |
|||
Persoonlijke verzorging in minuten per week
|
AWBZ-grondslag |
Leeftijd schoolgaand kind |
Persoonlijke verzorging in minuten per week |
|
Lichamelijke beperking |
Tot 12 jaar |
241 |
|
Lichamelijke beperking |
Vanaf 12 jaar |
176 |
|
Somatische aandoening of beperking |
Tot 12 jaar |
98 |
|
Somatische aandoening of beperking |
Vanaf 12 jaar |
0 |
|
Verstandelijke beperking |
Tot 12 jaar |
50 |
|
Verstandelijke beperking |
Vanaf 12 jaar |
30 |
|
Verstandelijke en lichamelijke beperking |
Tot 12 jaar |
185 |
|
Verstandelijke en lichamelijke beperking |
Vanaf 12 jaar |
189 |
Als een leerling niet valt onder de bovenstaande AWBZ-grondslagen, dan is de Jeugdwet van toepassing.
Deel 3: De leerling zit (grotendeels) niet meer op school: onderwijs niet op een schoollocatie
|
Schema verdeling verantwoordelijkheden |
||||
|
Onderwerp |
Jeugdwet |
Onderwijswetten |
Andere wetten |
|
|
Leerling met vrijstelling leerplicht op basis van artikel 5a |
Voor het verlenen van de vrijstelling moet de leerplichtambtenaar hebben overlegd met het samenwerkingsverband |
|||
|
Leerling staat nog ingeschreven in het onderwijs, maar kan niet of nauwelijks onderwijs volgen op een school en gaat tijdens schooltijden naar een jeugdhulplocatie |
De gemeente is verantwoordelijk voor de jeugdhulp, behalve als Wlz of Zvw is toegekend |
De school is verantwoordelijk voor het onderwijsaanbod, waar mogelijk met inzet Variawet |
Bij indicatie Zvw of Wlz is deze voorliggend |
|
|
Wennen (‘stage’) als voorbereiding op dagbesteding |
De school is verantwoordelijk voor de begeleiding |
Vaak is hierbij sprake van de Wlz voor de leerling. De Jeugdwet speelt dan geen rol |
||
|
Stage leerling met meer dan gebruikelijke ondersteuningsbehoefte |
In bijzondere gevallen kan extra ondersteuning worden toegekend |
De school is verantwoordelijk voor de stage. In bijzondere gevallen kan extra ondersteuning nodig zijn |
||
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl