Beleidsregels voor het verbranden van afvalstoffen gemeente Lelystad 2025

Geldend van 18-12-2025 t/m heden

Intitulé

Beleidsregels voor het verbranden van afvalstoffen gemeente Lelystad 2025

Het college van de gemeente Lelystad,

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

overwegende dat:

  • -

    het verbranden van afvalstoffen in de open lucht risico’s oplevert voor de lucht-, water- en bodemkwaliteit en hinder kan veroorzaken door rook, roet en geur;

  • -

    het verbranden van afvalstoffen daarom alleen is toegestaan binnen de kaders van de geldende wet- en regelgeving;

  • -

    het college het wenselijk acht duidelijkheid te verschaffen over de gevallen en omstandigheden waarin een vergunning of ontheffing kan worden verleend.

B E S L U I T:

vast te stellen de ‘Beleidsregels voor het verbranden van afvalstoffen gemeente Lelystad 2025’.

§ 1 Begripsbepalingen

Artikel 1.1 Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    afvalstoffen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad.

Artikel 1.2 Reikwijdte en beoordelingskader

  • 1. Deze beleidsregels hebben betrekking op door het college te nemen besluiten:

    • a.

      op aanvragen om een vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving voor het verbranden van (kleine) bedrijfsmatige afvalstoffen;

    • b.

      op aanvragen om een ontheffing op grond van artikel 10.63 Wet milieubeheer voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen;

    • c.

      op aanvragen om een ontheffing op grond van artikel 6.4 van de Verordening fysieke leefomgeving Lelystad 2021 voor verbrandingsactiviteiten in verband met veiligheid, gezondheid en natuur.

  • 2. Bij het beoordelen van een aanvraag hanteert het college de volgende uitgangspunten:

    • a.

      het verbranden van afvalstoffen in de open lucht is in beginsel ongewenst vanwege risico’s voor milieu, veiligheid en natuur;

    • b.

      een vergunning of ontheffing wordt uitsluitend verleend indien dit noodzakelijk is voor de bestrijding van plantenziekten of ter uitvoering van een specifieke wettelijke verplichting, dan wel indien zwaarwegende omstandigheden dit rechtvaardigen;

    • c.

      aanvragen worden getoetst aan het geldende wettelijke kader, de zorgplicht uit de Wet milieubeheer en de zorgplicht natuurbescherming;

    • d.

      het college beoordeelt aanvragen met inachtneming van de in § 2 opgenomen beleidsregels.

§ 2 Beleidsregels

Artikel 2.1. Verbranden afvalstoffen binnen de bebouwde kom

Het college verleent geen ontheffing voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen binnen de bebouwde kom.

Artikel 2.2. Paasvuren en kerstboomverbranding

Het college verleent geen vergunning en/of ontheffing voor het branden van een paasvuur of voor het verbranden van kerstbomen.

Artikel 2.3. Loof, stro en strostoppels

Het college verleent geen vergunning en/of ontheffing voor het verbranden van stro, strostoppels, oogstresten, bermmaaisel of slootmaaisel.

Artikel 2.4. Snoei- en sprokkelhout

Het college verleent een vergunning voor het verbranden van snoei- of sprokkelhout indien een daartoe bevoegde autoriteit, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, een schriftelijke aanzegging heeft gedaan op grond van de Plantgezondheidswet of daarop gebaseerde regelgeving.

Artikel 2.5. Vergunning fruitteeltboomkwekerijen

  • 1. Het college verleent op schriftelijk verzoek een vergunning voor het verbranden van snoei- en sprokkelhout afkomstig van fruitteeltbedrijven en boomkwekerijen, uitsluitend ter voorkoming van de verspreiding van plantenziekten.

  • 2. De vergunning geldt voor de periode van 15 oktober tot en met 1 maart.

  • 3. De vergunning kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.

Artikel 2.6. Onderhoud erfbeplanting buitengebied

  • 1. Het college verleent op schriftelijk verzoek een vergunning voor het verbranden van snoei- en sprokkelhout afkomstig van onderhoud aan erfbeplanting bij agrarische bedrijven en woonerven in het buitengebied.

  • 2. De vergunning geldt voor de periode van 15 oktober tot en met 1 maart.

  • 3. De vergunning kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.

Artikel 2.7. Genetisch gemodificeerd plantmateriaal

Het college verleent op een schriftelijk verzoek een vergunning en/of ontheffing voor het verbranden van genetisch gemodificeerd plantmateriaal, indien dit op basis van een wettelijke regeling dan wel een verleende vergunning is vereist.

Artikel 2.8. Zorgplicht Natuurbescherming

  • 1. Het college verleent geen ontheffing voor het verbranden van snoeihout of rietsluik in de periode van 1 maart tot en met 15 oktober in verband met broed- en leefgebieden van wilde dieren.

  • 2. Ongeacht de tijd van het jaar verleent het college geen ontheffing in perioden van (zeer) grote droogte zoals aangewezen door de veiligheidsregio of brandweer.

§ 3 Voorschriften en beperkingen

Artikel 3.1 Voorschriften

Het college verbindt aan een vergunning of ontheffing in ieder geval de volgende voorschriften:

  • 1.

    Voordat tot verbranding wordt overgegaan moet dit 24 uur telefonisch of per e-mail worden gemeld aan de OFGV: telefoonnummer: 088 633 3000 of info@ofgv.nl en de meldkamer Midden Nederland (o.a. Veiligheidsregio Flevoland) 0880612435.

  • 2.

    Het ontbranden van het vuur dient plaats te vinden bij daglicht.

  • 3.

    Het ontbranden of hebben van het vuur dient plaats te vinden op ten minste 25 meter afstand van bebouwing, vee, opslag van brandbare goederen of een voor ontbranding gevoelig stuk natuur.

  • 4.

    Het ontbranden dient op een natuurlijke manier te gebeuren (geen andere brandstoffen dan aanmaakhout of stro).

  • 5.

    Bij een windkracht groter dan 5 bft. mag er geen afval worden verbrand.

  • 6.

    Tijdens het ontbranden dient er een meerderjarig persoon aanwezig te zijn.

  • 7.

    Het vuur mag niet onbeheerd worden achtergelaten.

  • 8.

    Tijdens het ontbranden dient een poederblusser (minimaal 6 kg) aanwezig te zijn.

  • 9.

    Tijdens het ontbranden van het vuur dienen een emmer water en een doordrenkte doek of dweil aanwezig te zijn t.b.v. het koelen van eventuele brandwonden en het blussen van een klein brandje.

  • 10.

    Onder de stookplaats dient een laag zand van ca 10 centimeter te zijn aangebracht. Dit vergemakkelijkt het opruimen en zorgt ervoor dat de bodem beter wordt beschermd.

  • 11.

    De stookplaats is rondom 0,5 meter groter dan het afval dat verbrandt wordt.

  • 12.

    De hoeveelheid (groen) afval wat gelijktijdig verbrand mag worden is niet groter dan 10 x 10 meter en 5 meter hoog.

  • 13.

    Indien het vuur niet meer te beheersen is dient alarmnummer 112 te worden gebeld.

  • 14.

    De vuurresten dienen dusdanig te zijn afgedekt met zand of geblust te zijn met water dat her ontbranding niet mogelijk is voordat het toezicht door de particulier wordt beëindigd.

  • 15.

    Als het vuur gedoofd is dienen de asresten binnen 48 uur opgeruimd te worden.

  • 16.

    Takkenhopen en andere structuren van groenafval kunnen worden gebruikt door dieren als marters, egels en amfibieën om te verblijven. Ten aanzien van de algemene- en de specifieke zorgplicht is de ontheffinghouder ervoor verantwoordelijk dat geen dieren in de te verbranden takkenhopen en andere groenstructuren verblijven voordat deze worden aangestoken.

  • 17.

    De gemeente Lelystad is niet aansprakelijk voor schade en/of ongevallen die door of vanwege het gebruik van deze ontheffing worden veroorzaakt.

§ 4 Slotbepalingen

Artikel 4.1 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2. Met de inwerkingtreding van deze beleidsregels worden de op 6 december 2007 in werking getreden ‘Beleidsregels voor het verlenen van ontheffingen voor het verbranden van afvalstoffen, zoals bedoeld in artikel 10.63 Wet milieubeheer’, ingetrokken.

  • 3. Deze beleidsregels worden aangehaald als: ‘Beleidsregels voor het verbranden van afvalstoffen gemeente Lelystad 2025’.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad van 2 december 2025.

Het college van de gemeente Lelystad,

de secretaris,

de burgemeester

Toelichting beleidsregels voor het verbranden van afvalstoffen gemeente Lelystad 2025

SAMENVATTING

Tot 1 januari 2024 was het op grond van de wet milieubeheer verboden om afvalstoffen buiten inrichtingen te verbranden. Dit verbod gold zowel voor particulieren als voor bedrijven.

Voor het verbranden van kleinschalig agrarisch afval door bijvoorbeeld tuinders en natuurorganisatie waren twee ontheffingen nodig. Dit betrof zowel een ontheffing op grond van de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL) (in verband met veiligheid, gezondheid en natuur) als een ontheffing op basis van de Wet milieubeheer (voor milieutechnische aspecten). Beide werden in één besluit verleend.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is de regelgeving gewijzigd. De ontheffing voor klein agrarisch afval op basis van de Wet milieubeheer is vervangen door een vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De activiteit waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd, is "verbranden van afvalstoffen anders dan in een IPPC-installatie". Dit komt doordat kleinschalig agrarisch afval volgens de landelijke regelgeving als bedrijfsafval wordt beschouwd. Het verbod op basis van de Wet Milieubeheer geldt nog wel voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen.

Vanwege de gewijzigde regelgeving is er daarom nu sprake van de volgende vergunningen /ontheffingen.

  • 1.

    Een vergunning op grond van het Bal voor het verbranden van (klein) bedrijfsmatige afvalstoffen.

  • 2.

    Een ontheffing op grond van de Wet milieubeheer voor het verbranden huishoudelijke afvalstoffen.

  • 3.

    Een ontheffing op grond van de VFL vanwege de aspecten veiligheid, gezondheid en natuur.

Het verbranden van afvalstoffen is vanuit milieu hygiënisch oogpunt in meerdere opzichten ongewenst. Verbranden in de open lucht van afval kan leiden tot lucht-, water- en bodemverontreiniging en geeft overlast door rook, roet en stank.

Op de ladder van Lansink, waarin de voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalstoffen is beschreven, staat het verbranden van afvalstoffen op de één na onderste sport. Andere alternatieven, zoals hergebruik en verbranden met energie terugwinning, krijgen vanuit de milieuregelgeving de voorkeur. Organisch afval kan worden gecomposteerd en rest- of snoeihout kan door het te versnipperen worden hergebruikt als strooisel. Ook gaan verbrandingen in de open lucht ten koste van de beleidsdoelstelling om het verbranden van biomassa ten behoeve van de elektriciteitsopwekking te stimuleren.

Hoewel het verbranden van afvalstoffen in druist tegen de milieudoelstellingen veronderstelt dit beleid niet dat alle verbrandingen worden verboden. Daarvoor is de problematiek te divers. Er is daarom gekozen om het verbranden van afvalstoffen te reguleren door beleidskeuzes te maken wanneer toestemming kan worden verleend voor het verbranden van afvalstoffen. Deze beleidsregels geven duidelijkheid over de keuzes die de gemeente heeft gemaakt en de afwegingen die daaraan ten grondslag liggen.

1.INLEIDING

Tot 1 januari 2024 was het op grond van de Wet milieubeheer verboden om afvalstoffen buiten inrichtingen te verbanden. Dit verbod gold zowel voor particulieren als voor bedrijven.

Sinds 1 januari 2024 is de regelgeving gewijzigd door de inwerkingtreding van de Omgevingswet. De ontheffing voor klein agrarisch afval en tuinafval op basis van de Wet milieubeheer is vervangen door een vergunning op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De activiteit waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd, is "verbranden van afvalstoffen anders dan in een IPPC-installatie". Dit komt doordat kleinschalig agrarisch afval volgens de landelijke regelgeving als bedrijfsafval wordt beschouwd. Het verbod op basis van de Wet Milieubeheer geldt nog wel voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen.

Vanwege de gewijzigde regelgeving is er daarom nu sprake van de volgende vergunningen /ontheffingen.

  • 1.

    Een vergunning op grond van het Bal voor het verbranden van (klein) bedrijfsmatige afvalstoffen

  • 2.

    Een ontheffing op grond van de Wet Milieubeheer voor het verbranden huishoudelijke afvalstoffen

  • 3.

    Een ontheffing op grond van de VFL vanwege de aspecten veiligheid, gezondheid en natuur

Het verbranden van afvalstoffen is vanuit milieu hygiënisch oogpunt in meerdere opzichten ongewenst. Verbranden in de open lucht van afval kan leiden tot lucht-, water- en bodemverontreiniging en geeft overlast door rook, roet en stank.

Eén van de cruciale problemen van het verbranden van afval is dat de verbranding vaak ongecontroleerd plaatsvindt. Er worden dan geen of slechts minimale milieuvoorzieningen getroffen. Ook is de temperatuur van de verbranding vaak te laag, waardoor de verbranding onvolledig is door zuurstoftekort en er veel schadelijke stoffen vrijkomen. Een bijkomend probleem is dat er bij verbrandingen in de openlucht vaak andere verontreinigende stoffen op het vuur terechtkomen. Vaak worden brandstoffen gebruikt om onvoldoende droog (snoei-) hout te verbranden, zoals (afgewerkte) olie, dieselolie, benzine en andere vluchtige stoffen.

Het verbranden van afvalstoffen druist daarnaast in tegen andere milieudoelstellingen. Op de ladder van Lansink, waarin de voorkeursvolgorde voor de omgang met afvalstoffen is beschreven, staat het verbranden van afvalstoffen op de één na onderste sport. Andere alternatieven, zoals hergebruik en verbranden met energie terugwinning, krijgen vanuit het milieubeleid en de Wet milieubeheer de voorkeur. Organisch afval kan worden gecomposteerd en rest- of snoeihout kan door het te versnipperen worden hergebruikt als strooisel. Ook gaan verbrandingen in de open lucht ten koste van de beleidsdoelstelling om het verbranden van biomassa ten behoeve van de elektriciteitsopwekking te stimuleren.

Na de verbranding resteren de asresten. Deze moeten worden verwijderd en worden afgevoerd, zodat de bodem niet met de daarin aanwezige stoffen kan worden verontreinigd. In het verleden werd daarop niet gecontroleerd en bleven asresten langere tijd liggen en konden deze verwaaien over dan wel uitspoelen naar de bodem. Deze asresten bevatten diverse schadelijke stoffen, zelfs wanneer alleen onbehandeld hout is verbrand. Het gaat dan om PAK (Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen) en zware metalen.

Dit beleid veronderstelt niet dat het milieu het meest is gediend wanneer alle verbrandingen van afvalstoffen worden verboden. Daarvoor is de problematiek te divers. Het verbranden van afvalstoffen gebeurt namelijk zowel door bedrijven als door particulieren.

Er is daarom voor gekozen om niet alle verbrandingen van afvalstoffen te verbieden. Deze nota geeft duidelijkheid over de keuzes die de gemeente heeft gemaakt en de afwegingen die daaraan ten grondslag liggen.

2. WETTELIJK KADER

Allereerst is het nodig om de juiste juridische context te kennen. Deze is te vinden in de Wet milieubeheer, het Bal en de VFL Lelystad 2021 en in de loop van 2026 in het Omgevingsplan gemeente Lelystad.

2.1 Wet milieubeheer

Relevant is artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. Dit artikel luidt als volgt:

  • 1.

    Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.

Ontheffingsmogelijkheid

In artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. Dit artikel luidt als volgt:

Artikel 10.63 lid 1 wet Milieubeheer

  • 1.

    Burgemeester en wethouders kunnen, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, ontheffing verlenen van het in artikel 10.2, eerste lid , gestelde verbod om huishoudelijke afvalstoffen te verbranden, voor zover het geen gevaarlijke afvalstoffen betreft. Op de ontheffing, bedoeld in de vorige volzin, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.

Door te spreken van een ontheffing wordt aangegeven dat alleen in uitzonderlijke gevallen een uitzondering op het algemene verbod kan worden gemaakt. Een ontheffing is alleen mogelijk wanneer het belang van de bescherming van het milieu zich niet tegen ontheffing verzet. In het kader van dit criterium mogen alle milieubelangen, naast een doelmatig beheer van afvalstoffen, dus ook bijvoorbeeld de effecten op lucht, water en bodem, in beschouwing worden genomen en mogen ter voorkoming of ter beperking van deze effecten voorschriften aan de ontheffing verbonden worden.

In de toelichting op artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt ervan uitgegaan dat gemeenten terughoudend zullen zijn bij het verlenen van een ontheffing van het verbrandingsverbod. Uitgangspunt moet zijn dat eerst wordt onderzocht of er hoogwaardigere verwerkingsmethoden, zoals het versnipperen of composteren mogelijk zijn. De ontheffing is volgens de toelichting bij artikel 10.63, eerste lid, onder meer bedoeld voor het verbranden van afval dat vrijkomt bij het onderhoud van cultuurlandschappen.

2.2 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Sinds 1 januari 2024 is de regelgeving gewijzigd met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Voor het verbranden van kleinschalig agrarisch afval of snoeiafval is een vergunning nodig op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). De activiteit waarvoor een vergunning moet worden aangevraagd, is "verbranden van afvalstoffen anders dan in een IPPC-installatie". Dit komt doordat kleinschalig agrarisch afval volgens de landelijke regelgeving als bedrijfsafval wordt beschouwd.

Artikel 3.40d (aanwijzing milieubelastende activiteiten)

  • 1.

    Als milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 2.1 wordt aangewezen het verbranden van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen:

    • a.

      in een andere milieubelastende installatie; of

    • b.

      buiten een installatie.

  • 2.

    Onder de aanwijzing vallen niet:

    • a.

      het verbranden van afvalstoffen in een ippc-installatie, bedoeld inparagraaf 3.3.13;

    • b.

      het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen die nog niet zijn ingezameld of afgegeven; en

    • c.

      het verbranden van dierlijke meststoffen.

Artikel 3.40e Bal (aanwijzing vergunningplichtige gevallen)

Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een milieubelastende activiteit te verrichten, geldt voor de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.40d.

2.3 Verordening fysieke leefomgeving Lelystad 2021 en Omgevingsplan gemeente Lelystad

In artikel 6:4 van de Verordening Fysieke Leefomgeving Lelystad 2021 (hierna VFL) is het volgende opgenomen:

  • 1.

    Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2.

    Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op :

    • a.

      Verlichting door kaarsen, fakkels en dergelijke

    • b.

      Sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geenafvalstoffen worden verbrand

    • c.

      Vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3.

    Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen

  • 4.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 1.7 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna.

  • 5.

    Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Flevoland of nadien gewijzigd.

Te beschermen belangen

Met het verbranden van afvalstoffen zijn naast milieutechnische aspecten vaak ook andere aspecten van belang zoals gezondheid, overlast, veiligheid of het beschermen van flora en fauna. Artikel 10.63., eerste lid, van de Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid om de vergunning te weigeren, indien deze overige belangen in het geding zijn. Bovendien kunnen de voorschriften verbonden aan een ontheffing op grond van de Wet Milieubeheer ook alleen dienen ter bescherming van het belang van de bescherming van het milieu.

Artikel 6:4 VFL van de gemeente Lelystad vult daarom voor wat betreft deze overige aspecten de Wet milieubeheer aan. Artikel 6:4 VFL heeft betrekking op het voorkomen van overlast door geur en het beschermen van flora en fauna. Dit houdt verband met het maatschappelijke doel van de Omgevingswet dat ziet op het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur.

Omgevingsplan gemeente Lelystad

Momenteel wordt in het kader van de technische transitie van het Omgevingsplan gemeente Lelystad gewerkt aan het omzetten van de VFL bepalingen naar het Omgevingsplan gemeente Lelystad. Artikel 6:4 zal worden meegenomen in de 2e fase van de omzetting van de VFL bepalingen, welke naar verwachting in 2026 in werking zal treden. De ontheffing op grond van de VFL zal worden vervangen door een vergunning voor een omgevingsplan-activiteit (OPA).

Voorschriften

Aan een ontheffing op grond van artikel 6:4 van de VFL of een vergunning op grond van het omgevingsplan kunnen voorschriften worden verbonden die het belang van de veiligheid, de flora en fauna en de gezondheid beogen te beschermen. Indien het college deze aspecten wil reguleren is naast het verlenen van een ontheffing op grond van de Wet milieubeheer het verlenen van een (tweede) ontheffing op grond van de VFL of een vergunning op grond van het Omgevingsplan gemeente Lelystad noodzakelijk.

Samenloop vergunning en ontheffing

Voor het verbranden van afval zijn dus verschillende vergunningen/ontheffingen van toepassing. Welke moeten worden aangevraagd is afhankelijk van de van toepassing zijnde situatie. In het algemeen kan worden gesteld dat er vaak sprake zal zijn van 2 vergunningen

Eén op basis van de VFL en één op basis van of de Wet milieubeheer of het Bal.

3. BELEID

Beleidsregel 1 : Verbranden afvalstoffen binnen de bebouwde kom

Het college verleent geen ontheffing voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen binnen de bebouwde kom.

Toelichting

Onder de Omgevingswet is het verbranden van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen in de open lucht aangewezen als een vergunningplichtige milieubelastende activiteit. Voor het verbranden van huishoudelijke afvalstoffen is het verbod van artikel 10.2 Wet milieubeheer en de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing daarvan op grond van artikel 10.63, eerste lid, blijven bestaan.

Verbranding van afvalstoffen in de open lucht is in principe ongewenst. Afvalstoffen kunnen hoogwaardiger worden verwerkt, in ieder geval door middel van verbranding met energie terugwinning. Uit het oogpunt van bescherming van de luchtkwaliteit is verbranding van afvalstoffen in de open lucht eveneens niet gewenst. Bekend is immers dat grootschalige verbranding in de open lucht leidt tot forse emissies van onder meer fijnstof.

De minister vindt het vanuit bovengenoemd uitgangspunt gewenst dat gemeenten in hun omgevingsplannen beleid vaststellen over het verbranden van afvalstoffen in de open lucht en hierbij uitgaan van het uitgangspunt dat dit vanuit doelmatig beheer van afvalstoffen en vanwege bescherming van de luchtkwaliteit in beginsel ongewenst is en alleen bij uitzondering kan worden toegestaan.

Verbranden Afvalstoffen

Particulieren wonen in de meeste gevallen in kernen. Om overlast te voorkomen is het voor hen verboden om afvalstoffen te verbranden. Er zijn voor de huishoudens voldoende mogelijkheden om hun afvalstoffen aan de daarvoor aangewezen inzamelaars aan te bieden. Daarvoor biedt de gemeente zowel haal- als brengmogelijkheden. Aan particulieren gevestigd op een adres binnen de bebouwde kom wordt dan ook geen ontheffing om afvalstoffen te verbranden verleend

Koken op vuren

Ook vuren voor koken, bakken en braden vallen niet onder het regiem van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer. In het geval van het stoken van hout in vuurkorven en terrashaarden is het verbod van artikel 10.2 van de Wet milieubeheer niet van toepassing, omdat er vanuit wordt gegaan dat in het geval van vuurkorven en terrashaarden hoofdzakelijk gebruik wordt gemaakt van houtblokken en briketten, die kant en klaar kunnen worden gekocht. Deze worden dan niet gezien als afvalstoffen, zoals bedoeld in het verbod in artikel 10.2 van de Wet milieubeheer.

Beleidsregel 2 paasvuren/kerstboomverbranding

Het college verleent geen vergunning en/of ontheffing voor het branden van een paasvuur of voor het verbranden van kerstbomen.

Toelichting

Voor afgegeven of ingezameld snoeiafval voor bijvoorbeeld een vreugdevuur of een paasvuur zijn de regels veranderd. Sinds 2024 geldt voor het houden van een vreugdevuur of een paasvuur met afgegeven of ingezamelde afvalstoffen (snoeiafval, pallets, kerstbomen, etc.) namelijk een vergunningplicht in plaats van een ontheffing.

Voor zo'n vreugdevuur of paasvuur geven particulieren hun kerstboom of snoeiafval af aan de organisatoren. Dan is artikel 10.2 Wm niet meer van toepassing. Voor het verbranden daarvan geldt nu artikel 3.40e van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), en daarom is een omgevingsvergunning nodig.

Voor de vergunning gelden de beoordelingscriteria van artikel 8.9 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hieronder valt ook een 'doelmatig beheer' van afvalstoffen, waarvoor het Landelijk afvalbeheerplan 3 het beleidskader vormt. Het verbranden van afval in de open lucht is geen doelmatige verwerking en zorgt voor een slechtere luchtkwaliteit.

Daarnaast is het branden van een paasvuur in de gemeente Lelystad geen traditie. Het betreft het branden van restanten groenafval en snoeihout met Pasen. Het branden dient geen specifiek doel en heeft slechts een symbolische betekenis.

Hetzelfde geldt voor het verbranden van kerstbomen zoals dat elders in Nederland wordt gedaan. In de gemeente Lelystad worden de kerstbomen al sinds jaar en dag door de jeugd verzameld en tegen een vooraf afgesproken vergoeding aan de gemeente aangeboden waarna deze worden versnipperd.

Het past dan ook niet om voor het branden van paasvuren en het verbranden van kerstbomen door middel van een vergunning of ontheffing toestemming te geven en een uitzondering te maken op het verbod om afvalstoffen te verbranden.

Beleidsregel 3 Loof, stro en strostoppels

Het college verleent geen vergunning en/of ontheffing voor het verbranden van stro, strostoppels, oogstresten, bermmaaisel of slootmaaisel.

Toelichting

De ervaring heeft geleerd dat het loof, de restanten stro en de strostoppels worden ondergeploegd of ondergewerkt bij het zaai- of winterklaar maken van het land. Het stro zelf is nog van waarde en wordt daarom in de vorm van stropakken van de landerijen afgevoerd. Er zijn dus zelden of nooit meldingen gedaan voor het verbranden van loof, stro en strostoppels. Het verbranden ervan is dus geen noodzaak en er bestaan goede alternatieven voor het verbranden van loof, stro en strostoppels. Daarvoor wordt daarom geen ontheffing verleend.

Het branden ter bestrijding van onkruid en het branden van aardappelloof met de bedoeling om de plant te laten afsterven, zoals dat in de biologische landbouw wordt toegepast, wordt niet gezien als het verbranden van afvalstoffen als bedoeld in artikel 3.40 d van het Bal . Een vergunning van het college is daarvoor niet vereist.

Beleidsregel 4 Snoei- en sprokkelhout

Het college verleent een vergunning voor het verbranden van snoei- en sprokkelhout, indien een daartoe aangewezen autoriteit, zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit een schriftelijke aanzegging heeft gedaan op grond van de Plantengezondheidswet of daarop gebaseerde regelgeving wetgeving.

Toelichting

Het snoei- en sprokkelhout afkomstig van het dunnen en vellen van bomen en het rooien van struiken bij agrariërs in het buitengebied valt onder het verbod 3.40 d van het Bal.

Een vergunning wordt verleend voor het verbranden van houtafval afkomstig van een houtsingel of boomgaard, indien door de betreffende agrariër/fruitteler/boomkweker kan worden aangetoond dat, vanwege de daarin aanwezige ziekteverschijnselen en het gevaar van verspreiding ervan, het vernietigen van het aangetaste hout dan wel de aangetaste planten noodzakelijk is. Een schriftelijke aanzegging van een daartoe bevoegde instantie is als bewijs daarvoor nodig.

Op 1 maart 2021 is de nieuwe Plantgezondheidswet in werking getreden. De Plantgezondheidswet beschrijft de regels om planten en gewassen te beschermen tegen schade en ziekten die organismen als insecten, schimmels, virussen en bacteriën kunnen veroorzaken.

In Nederland zijn de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en de plantaardige keuringsdiensten Nederlandse Algemene Keuringsdienst (NAK), Naktuinbouw, Bloembollenkeuringsdienst (BKD) en Kwaliteits Controle Bureau (KCB) als bevoegde autoriteiten verantwoordelijk voor de uitvoering van de nieuwe regelgeving. Zij zijn daarbij bevoegd om maatregelen aan te zeggen die een gebruiksgerechtigde van een terrein moet opvolgen. Deze maatregelen kunnen onder meer bestaan uit het geheel of gedeeltelijk verwijderen en vernietigen van de aangewezen planten.

Ter beperking van de risico's is besloten dat op basis van een schriftelijke aanzegging van een daartoe bevoegde autoriteit, waarin sprake is van het geheel of gedeeltelijk verwijderen en vernietigen van de aangewezen planten, een vergunning om afval te mogen verbranden, kan worden verkregen. De schriftelijke aanzegging dient bij de aanvraag van de vergunning te worden aangeboden.

In het geval van een schriftelijke aanzegging zoals hier wordt bedoeld is haast geboden om verdere besmetting tegen te gaan en wordt de gevraagde vergunning per omgaande afgegeven.

Beleidsregel 5 Vergunning fruitteeltboomkwekerijen

  • 1.

    Het college verleent op schriftelijk verzoek een vergunning voor het verbranden van snoei- en sprokkelhout afkomstig van fruitteeltbedrijven en boomkwekerijen, uitsluitend ter voorkoming van de verspreiding van plantenziekten.

  • 2.

    De vergunning geldt voor de periode van 15 oktober tot en met 1 maart.

  • 3.

    De vergunning kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.

Toelichting

Voor fruittelers en boomkwekers geldt niet alleen het gestelde onder beleidsregel 4. Met name appelbomen en onderstammen van appelbomen kunnen aangetast zijn met zogeheten kankersporen. Deze sporen verspreiden zich gemakkelijk en kunnen zich zelfs via versnipperd besmet hout over de boomgaard verspreiden.

In deze situaties wordt geen aanzegging afgegeven, zodat het gestelde onder beleidsregel 4 niet van toepassing is. De kankersporen kunnen alleen uit de bomen worden weggesneden en weg gefreesd. Het risico van de verspreiding van deze sporen wordt echter in het geval van het versnipperen van aangetast appelhout zodanig groot geacht dat ook in deze situatie een vergunning wordt afgegeven.

In het meest ernstige geval zal het rooien van een (deel van de) appelboomgaard moeten volgen. Ook in het geval van het rooien van besmette bomen, waarop al dan niet een herbeplanting volgt, wordt een vergunning voor het verbranden van afvalstoffen afgegeven. Rekening houdend met het snoeiseizoen wordt een vergunning verleend voor de periode van 15 oktober tot 1 maart.

Beleidsregel 6 Onderhoud erfbeplanting buitengebied

  • 1.

    Het college verleent op schriftelijk verzoek een vergunning voor het verbranden van snoei- en sprokkelhout afkomstig van onderhoud aan erfbeplanting bij agrarische bedrijven en woonerven in het buitengebied.

  • 2.

    De vergunning geldt voor de periode van 15 oktober tot en met 1 maart.

  • 3.

    De vergunning kan worden verleend voor een periode van maximaal vijf jaar.

Toelichting

Landschapsbeheer Flevoland adviseert agrariërs en particulieren in verband met het onderhoud van de in het buitengebied aanwezige erfbeplantingen. Deze organisatie die niet zelf landerijen e.d. in eigendom heeft, maar slechts adviseert, geeft de voorkeur aan het verbranden van het vrijkomende snoeihout boven andere verwerkingsmethoden. Daarvoor worden de volgende argumenten aangevoerd.

  • Een deel van het vrijkomende snoeihout kan in een takkenril in of bij de singel worden ondergebracht. Deze takkenril mag echter niet te hoog of te dicht worden, zodanig dat daardoor de natuurlijke verjonging van de houtsingel wordt tegengegaan. Gezien de omvang van de erfbeplanting komt nogal wat snoeihout vrij. Deze hoeveelheid zal zeker in de loop van de jaren te veel zijn om in een takkenril onder te kunnen brengen.

  • Het versnipperen van het snoeihout en het terugbrengen van de snippers in de singel als bodembedekker heeft zeker de eerste twee jaar tot gevolg dat het onkruid wordt geweerd. Daarna is het onkruid echter niet meer tegen te houden en schiet het de bodem uit, omdat de bodem erdoor wordt verrijkt.

  • In het geval van het versnipperen en het afvoeren van het versnipperde materiaal spelen de transportkosten en de afvoerkosten een rol in de afwegingen. De milieubelasting daarvan is niet gelijk te stellen aan de milieubelasting als gevolg van het verbranden van het afvalhout, omdat daarbij sprake is van verschillende grootheden. Dat aan de afvoer en de eventuele nabewerking ook nadelige gevolgen voor het milieu zijn verbonden is echter onmiskenbaar.

  • Het is niet aan te geven op welk moment de voordelen van het verwerken van het snoeihout in een installatie voor het verbranden van biomassa met elektriciteitsopwekking en de bijbehorende milieubelasting als gevolg van het versnipperen, transporteren en bewerken opwegen tegen de nadelige gevolgen van het verbranden van het snoeihout. Omdat hoeveelheid en transportafstand in deze situaties een doorslaggevende rol vervullen is besloten om in het gehele buitengebied één lijn aan te houden. Waarbij het verbranden van snoeihout onder het stellen van voorschriften tot de mogelijkheden behoort. Besloten is dat op aanvraag een vergunning wordt afgegeven voor het verbranden van snoeihout dat vrijkomt als gevolg van het onderhoud aan de erfbeplanting.

Het onderhoud aan de windsingels waaruit de erfbeplanting bestaat zal vooral plaatsvinden in de winterperiode. Het blad is dan van de bomen en wanneer het omliggende land voldoende bevroren is, kan het onderhoud deels vanaf de landerijen worden uitgevoerd. Aan de bewoners van het buitengebied, zijnde het gebied buiten de bebouwde kom, wordt daarom een vergunning en/of ontheffing voor het verbranden van snoeihout verleend in verband met het onderhoud van de erfbeplanting. Rekening houdend met het snoeiseizoen wordt een vergunning en/of ontheffing verleend voor de periode van 15 oktober tot 1 maart.

Beleidsregel 7 Genetisch gemodificeerd plantmateriaal

Het college verleent op een schriftelijk verzoek een vergunning en/of ontheffing voor het verbranden van genetisch gemodificeerd plantmateriaal, indien dit op basis van een wettelijke regeling dan wel een verleende vergunning is vereist .

Toelichting

Een uitzondering op het verbod om afvalstoffen te verbranden kan van toepassing zijn op proefboerderijen. Deze zijn ter voorkoming van de verspreiding van genetisch gemodificeerd plantmateriaal, wettelijk dan wel op basis van de aan hen verleende vergunningen, verplicht om genetisch gemodificeerd plantmateriaal in het afvalstadium op het terrein van de proefboerderij te vernietigen. In deze specifieke situatie is het voorstel om de specifieke wettelijke regeling dan wel de inhoud van de op basis van die regeling verleende vergunning bepalend te laten zijn. In deze situaties wordt een vergunning en/of ontheffing voor het verbranden van afvalstoffen verleend. De aanvraag voor een vergunning en/of ontheffing moet worden onderbouwd met een afschrift van de wettelijke regeling of de vergunning.

Beleidsregel 8. Zorgplicht Natuurbescherming

  • 1.

    Het college verleent geen ontheffing voor het verbranden van snoeihout of rietsluik in de periode van 1 maart tot en met 15 oktober in verband met broed- en leefgebieden van wilde dieren.

  • 2.

    Ongeacht de tijd van het jaar verleent het college geen ontheffing in perioden van (zeer) grote droogte zoals aangewezen door de veiligheidsregio of brandweer.

Toelichting

Dit is opgenomen om wilde dieren en planten te beschermen en te voldoen aan de zorgplicht In deze periode kunnen vogels bijvoorbeeld broeden in takkenbulten of kunnen egels zich daar verschuilen. Bovendien is dit vaak een droge periode, waarin brand zich sneller kan verspreiden en schadelijke gevolgen heeft voor planten en dieren in de omgeving. Ook in (zeer) droge periodes, ongeacht de tijd van het jaar, worden geen ontheffingen verleend (fase 2). Voor actuele informatie hierover kunt u terecht op natuurbrandrisico.nl.

4. OVERIGE BEPALINGEN

4.1 Voorschriften

Aan een vergunning/ontheffing worden in ieder geval de voorschriften verbonden zoals genoemd in artikel 3.1 van de beleidsregels. De vergunning/ontheffing geldt van 15 oktober tot 1 maart. Wordt de ontheffing zodanig laat aangevraagd dat niet voor de gehele periode de vergunning/ontheffing kan worden afgegeven dan geldt deze voor het resterende deel van de aaneengesloten periode. Aan de OFGV dient 24 uur van te voren telefonisch of per mail melding te worden gedaan dat daadwerkelijk een ontbranding gaat plaatsvinden.

4.2 Leges

Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om ontheffing op grond van artikel 10.63, eerste lid, van de Wet milieubeheer worden geen leges geheven. Dit is overeenkomstig artikel 15.34a van de Wet milieubeheer. Voor een vergunning op grond van artikel 6:4 van de VFL kunnen wel leges worden geheven. Voor een vergunning voor een milieubelastende activiteit kunnen eveneens leges worden geheven

4.3 Registratie en handhaving

De OFGV behandelt namens de gemeente alle verzoeken omtrent ontheffing/vergunning.

De aanvraag om een ontheffing bevat tenminste de volgende gegevens:

  • Naam aanvrager;

  • Locatie waar het afvalstoffen worden verbrand (tekening en/of omschrijving);

  • Periode van de activiteit;

  • Beschrijving van het te verbranden materiaal.

Op het moment dat daadwerkelijk verbrand gaat worden wordt daarvan telefonisch of per e-mail melding gedaan bij de OFGV. De brandweer wordt geïnformeerd om te voorkomen dat onterechte meldingen van brand leiden tot het uitrukken van het brandweerpersoneel.

Bij het overtreden van de voorschriften kan een proces-verbaal worden opgemaakt, waarna het strafrechtelijke handhavingstraject wordt ingezet. Bestuursrechtelijke handhaving is echter ook mogelijk.