Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR749614
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR749614/1
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Culemborg 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Culemborg 2026De raad van de gemeente Culemborg;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste tot en met vierde lid en zesde lid, 2.1.4a, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 2.1.4b, tweede lid, [2.1.5, eerste lid,] 2.1.6, [2.1.7,2.3.6, vierde lid,] en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo);
overwegende dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven; dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen; dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;
besluit: vast te stellen de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Culemborg 2026’
1 HOOFDSTUK 1 BEGRIPPEN EN VORMEN VAN ONDERSTEUNING
1.1. Artikel 1. Begripsbepalingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- •
Aanbieder: de rechtspersoon die bedrijfsmatig ondersteuning Wmo doet verlenen onder de verantwoordelijkheid van het college;
- •
Bijdrage: bijdrage als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de Wmo 2015.
- •
Centrumgemeente: de gemeente Nijmegen die voor de gemeente Culemborg beschermd wonen en maatschappelijke opvang financiert en uitvoert;
- •
Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een hulpvraag is gedaan. In deze verordening kan dat zijn een persoon vallend onder de Wmo.
- •
College: college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Culemborg;
- •
Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders/verzorgers, inwonende kinderen of andere huisgenoten;
- •
Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015
- •
Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2 , eerste lid, van de Wmo
- •
Melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015.
- •
Onafhankelijke cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.
- •
Ondersteuningsplan of ‘Plan’: schriftelijke weergave van het onderzoek en de afspraken tussen cliënt en gemeente en bevat de uitkomsten van het gesprek (behoeften, mogelijkheden eigen kracht, inzet netwerk, algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen).
- •
Pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, zijnde een door het college verstrekt budget aan de cliënt, dat hem in staat stelt de hulp die tot de individuele voorziening behoort van derden te betrekken;
- •
Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;
- •
Sociaal team Culemborg: door het college aangewezen organisatie die namens de gemeente taken uitvoert in het kader van de Wmo, zoals het voeren van gesprekken, onderzoeken en het coördineren van ondersteuning.
- •
Sociale basis: de sociale basis is het geheel van informele sociale verbanden (buurten, groepen, verenigingen, netwerken, gezinnen), aangevuld en ondersteund vanuit lokale overheden, organisaties en voorzieningen.
- •
Tarief of kostprijs: het bedrag dat de gemeente aan een aanbieder moet betalen voor de verstrekking van een voorziening in natura;
- •
Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo);
- •
Zzp’er: een ondernemer die geen personeel in dienst heeft;
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt onder voorzieningen verstaan:
- •
Algemene voorziening, ook wel overige voorzieningen genoemd: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat gericht is op maatschappelijke ondersteuning;
- •
Algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet veel duurder is dan vergelijkbare producten, diensten, activiteiten of andere maatregelen;
- •
Maatwerkvoorziening: zoals opgenomen in de Wmo 2015 een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:
- 1.
ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,
- 2.
ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,
- 3.
ten behoeve van beschermd wonen en opvang;
- 1.
- •
Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee een vergelijkbaar adequaat resultaat wordt bereikt als met een voorziening op grond van de wet;
- •
Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
1.2. Artikel 2. Doelgroep van de verordening
-
1. Deze verordening richt zich op personen
- a.
die hun woonplaats hebben in de gemeente Culemborg hebben en
- b.
die hun zelfredzaamheid en/of maatschappelijke participatie willen behouden of verbeteren en
- c.
daar ondersteuning bij nodig hebben, of
- d.
die, al dan niet woonachtig in gemeente Culemborg, als mantelzorger ondersteuning aan een inwoner van de gemeente Culemborg bieden.
- a.
-
2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid richt de verordening zich wat betreft de maatwerkvoorzieningen opvang en beschermd wonen op ingezetenen van Nederland die in de gemeente Culemborg ondersteuning zoeken.
-
3. Wanneer de doelgroep te maken heeft met meervoudige domein overstijgende problematiek op het terrein van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet draagt het college zorg voor een goede afstemming van de ondersteuning.
2 HOOFDSTUK 2 TOEGANG
2.1. Artikel 3. Toegang maatschappelijke ondersteuning (melding)
-
1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college ingediend worden. Dit kan schriftelijk, mondeling of telefonisch gemeld worden.
-
2. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.
-
3. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger vóór het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.
-
4. De medewerker die de melding ontvangt, registreert en bevestigt de ontvangst van de melding en informeert de cliënt over de gang van zaken na de melding, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure. Het college wijst de melder erop dat hij een persoonlijk plan kan inbrengen in het onderzoek.
-
5. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo, treft het college een passende tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.
2.2. Artikel 4. Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan
-
1. Het college, of andere aangewezen organisatie, verzamelt alle voor het onderzoek van de gemelde hulpvraag, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
-
2. Voor of tijdens het gesprek verschaft de cliënt aan het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college hiervoor nodig zijn en waarover de cliënt op dat moment redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.
-
3. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wmo op te stellen en stelt hem gedurende zeven werkdagen na melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
2.3. Artikel 5. Het gesprek
-
1. Het college, of andere aangewezen organisatie, onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen, zijnde professionals welke zijn aangewezen door het college, en de cliënt of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of andere leden uit het persoonlijk netwerk, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig;
- a.
De behoeften, persoonskenmerken voorkeuren en veiligheid van de cliënt en het probleem of de hulpvraag;
- b.
De mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen, gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;
- c.
De mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening,
- d.
De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
- e.
De mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep moet doen op een maatwerkvoorziening,
- f.
De mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;
- g.
De mogelijkheden om een individuele maatwerkvoorziening te verstrekken,
- h.
Welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de Wmo verschuldigd zal zijn, en
- i.
De mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.
- a.
-
2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 4, derde lid, aan het college of andere organisatie heeft overhandigd, betrekt het college dit plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
-
3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.
2.4. Artikel 6. Verslag/ ‘Plan’
-
1. Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Het college geeft de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag, tenzij het verslag gelet op de aard van de te leveren ondersteuning en in afstemming met de cliënt niet noodzakelijk is.
-
2. Binnen tien werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.
-
3. De cliënt tekent het verslag voor gezien of akkoord en zorgt ervoor dat een getekend exemplaar binnen vijf werkdagen wordt geretourneerd aan de contactpersoon waarmee hij het gesprek heeft gevoerd.
-
4. Als de cliënt tekent voor gezien, kan hij daarbij tevens aangeven wat de reden is waarom hij niet akkoord is.
-
5. Als de cliënt van mening is dat hij in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag.
-
6. Indien de hulpvraag na het gesprek, zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, niet meer aanwezig is, kan worden afgezien van het opstellen van een verslag.
3 HOOFDSTUK 3 MAATWERK
3.1. Artikel 7. Aanvraag
-
1. Een door de cliënt, vertegenwoordiger of gemachtigde ondertekend gespreksverslag kan als aanvraag gelden.
-
2. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding, het college hiervoor geen gegronde reden heeft en de cliënt niet op de hoogte is gesteld van de termijn waarmee het onderzoek wordt verlengd.
-
3. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviseur om advies vragen gedurende de behandeling van de aanvraag.
-
4. De beschikking wordt afgegeven binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag. In voorkomende gevallen kan het college deze termijn eenmalig verlengen. De inwoner wordt hierover schriftelijk geïnformeerd.
3.2. Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening
-
1. Het college neemt het verslag van het gesprek als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.
-
2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:
- a.
ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven:
en/of
- b.
ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.
De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zo zich snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Voor de beoordeling of al dan niet aanspraak bestaat op een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen en opvang, gelden de criteria zoals opgenomen in de verordening en beleidsregels Maatschappelijke ondersteuning van de centrumgemeente Nijmegen en de hierop gebaseerde nadere regels en/of beleidsregels van de gemeente Nijmegen.
- a.
-
3. Ten aanzien van een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie geldt dat een cliënt alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt als:
- a.
De noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs niet vermijdbaar was, en
- b.
De voorziening voorzienbaar was, maar van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de hulpvraag overbodig had gemaakt.
- a.
-
4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,
- a.
Tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
- b.
Tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten, of
- c.
Als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
- a.
-
5. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.
-
6. Indien de cliënt een maatwerkvoorziening middels een pgb wil betrekken, overlegt hij een plan als bedoeld in artikel 11 lid 3.
-
7. Het college kan een door hem aangewezen adviesinstantie om advies (medisch of ergonomisch) vragen als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening, In dat geval kan de termijn waarbinnen het onderzoek moet plaatsvinden overschreden worden met maximaal zes weken.
-
8. Indien bij een grote woningaanpassing de cliënt verhuist of overlijdt, dan moet de huurwoning beschikbaar worden gesteld aan inwoner(s) met beperkingen.
3.3. Artikel 9. Afwijzingscriteria voor een maatwerkvoorziening
3.3.1 Voorwaarden en weigeringsgronden
-
1. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate voorziening.
-
2. Het college verstrekt de maatwerkvoorziening slechts indien deze gezien de beperkingen van de cliënt, veilig voor hemzelf en zijn omgeving is, geen gezondheidsrisico’s met zich meebrengt en niet anti-revaliderend werkt.
-
3. Het college verstrekt geen maatwerkvoorziening:
- a.
als voor de problematiek die aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
- b.
als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen;
- c.
als de cliënt de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan beoordelen;
- d.
als de gevraagde voorziening al eerder aan de cliënt is verstrekt op grond van enige wettelijke bepaling en de normale afschrijvingstermijn van die voorziening nog niet verstreken is. Tenzij de voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt;
- e.
als deze niet hoofdzakelijk op het individu is gericht;
- f.
als de voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met bestaande en bekende beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan;
- a.
-
4. Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt als:
- a.
deze niet langdurig noodzakelijk is, tenzij het gaat om hulp bij het huishouden of begeleiding;
- b.
de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Culemborg
- a.
-
5. Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt alleen rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een maximum van 2200 kilometer op jaarbasis.
-
6. Geen woonvoorziening wordt verstrekt:
- a.
als de beperkingen voortkomen uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, de slechte staat van het onderhoud of de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen;
- b.
als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waarin de voorziening wordt getroffen;
- c.
ten behoeve van woonruimten die niet geschikt zijn voor permanente bewoning. Er kan dan wel een voorziening voor verhuizing en inrichting worden verstrekt;
- d.
als het om voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten gaat, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte. Een woonvoorziening voor de aanpassing van een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex hoeft niet te worden verstrekt als het wooncomplex specifiek is bestemd voor de huisvesting van ouderen of personen met een beperking;
- e.
als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;
- f.
als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen meest geschikte beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is gegeven door het college;
- g.
als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;
- a.
-
7. Persoonsgebonden budget wordt niet verstrekt:
- a.
Indien de cliënt binnen de gestelde 10 werkdagen geen of geen volledig plan heeft overlegd zoals bedoeld in artikel 11 lid 3;
- b.
Indien niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in artikel 11;
- a.
3.4. Artikel 10. Inhoud beschikking
-
1. Het college legt het besluit om wel of geen maatwerkvoorziening te verstrekken vast in een beschikking. In de beschikking tot verstrekking van een individuele maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
-
2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;
- b.
wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;
- c.
hoe de voorziening wordt verstrekt;
- d.
welke andere voorzieningen relevant (kunnen) zijn.
- a.
-
3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
- a.
voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend;
- b.
welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;
- c.
wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;
- d.
wat de ingangsdatum en de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en
- e.
de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.
- f.
hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt
- a.
-
4. Als sprake is van een te betalen bijdrage wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
3.5. Artikel 11. Regels voor een persoonsgebonden budget (pgb)
-
1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de Wmo
-
2. Onverminderd de artikelen genoemd in het eerste lid verstrekt het college geen pgb voor zover de aanvraag betrekking heeft op de kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk was.
-
3. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in een plan, zoals bedoeld in het vierde lid onder a, de wettelijke voorwaarden:
- a.
Waarom cliënt op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen ter zake dan wel met hulp uit sociale netwerk dan wel met curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
- b.
Waarom cliënt de maatwerkvoorziening als een pgb wenst geleverd te krijgen;
- c.
Hoe naar de mening van cliënt gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat wanneer degene waarvan de cliënt diensten betrekt, waarbij deze in contact kan komen met kinderen die jonger zijn dan achttien jaar, voor aanvang van de hulpverlening over de actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;
- d.
Hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;
- e.
Op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn/haar participatie en zelfredzaamheid;
- f.
Hoe het aantoonbaar tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan het gecontracteerde aanbod;
- g.
Welke voorziening de cliënt met het pgb wil inkopen en bij welke uitvoerder; op welke wijze de inzet van de voorziening wordt gecontroleerd; de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.
- a.
-
4. De hoogte van een pgb:
- a.
wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden;
- b.
wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het pgb toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en;
- c.
bedraagt niet meer dan de kostprijs van in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura;
- d.
voor formele hulp is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van het pgb plan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.
- e.
voor informele hulp is gelijk aan het wettelijk minimumloon vermeerderd met de vakantiebijslag en tegenwaarde van de verlofuren. Indien de budgethouder werkgeverslasten moet afdragen, wordt het budget met die lasten verhoogd.
- a.
3.6. Artikel 12. Onderscheid formele en informele hulp
-
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb, wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp.
-
2. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van personen uit het sociaal netwerk van de cliënt:
- a.
Personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;
- b.
Personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
- a.
-
3. Informele hulp is:
- a.
Hulp die geboden wordt door personen die niet voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid;
- b.
Hulp die wordt geboden door personen die voldoen aan de criteria als genoemd in het tweede lid, maar tot het sociaal netwerk van cliënt horen.
- a.
-
4. De hoogte van een pgb wordt bepaald op basis van de dienstverlening die anders als zorg in natura zou zijn geleverd. Hierin wordt het volgende onderscheid gemaakt:
- a.
als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een professionele aanbieder, betreft het tarief per uur of per resultaat naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, maximaal 100% van het laagste tarief per uur of resultaat van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt;
- b.
als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een zzp’ er, betreft het tarief per uur of per resultaat, naar gelang de zwaarte van de beperkingen en mate van begeleidingsbehoefte, maximaal 100% van het laagste tarief per uur of per resultaat van een door de gemeente gecontracteerde instelling die een vergelijkbare vorm van dienstverlening biedt;
- c.
als de dienstverlening wordt uitgevoerd door een niet gekwalificeerd persoon uit het sociaal netwerk, dan geldt het tarief sociaal netwerk.
- a.
-
5. De tarieven van dienstverlening worden jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de contractueel overeengekomen index voor de betreffende maatwerkvoorziening in natura;
-
6. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb kan alleen diensten betrekken van een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk indien dat aantoonbaar tot betere en efficiënte ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is.
-
7. Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.
-
8. Het pgb is niet bedoeld voor de betaling van: administratiekosten, reiskosten, bemiddelingskosten (van tussenpersonen of belangenbehartigers), eenmalige uitkering of feestdagenuitkering en vakantie.
-
9. De hoogte van de geldelijke verstrekking voor een voorziening wordt vastgesteld op ten hoogste de kostprijs van de voorziening die de cliënt op dat moment zou hebben ontvangen, indien de voorziening in natura zou zijn verstrekt.
- a.
Indien de verstrekking in natura een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, met een looptijd die gelijk is aan de (resterende) technische afschrijvingstermijn van de voorziening, waarbij rekening wordt gehouden met onderhoud en verzekering.
- b.
Indien de verstrekking in natura een nieuwe voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, waarbij rekening wordt gehouden met een door de gemeente te verkrijgen inkoop- of volumekorting, en de kosten van onderhoud en verzekering.
- a.
-
10. de kostprijs van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald:
- a.
door een aanbesteding, of
- b.
na consultatie in de markt, of
- c.
in overleg met de aanbieder.
- a.
3.7. Artikel 13. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s
-
1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
-
2. Voor de bijdrage in de kosten geldt de wettelijke verplichting dat het Centraal Administratie Kantoor (CAK) de hoogte van de bijdrage berekent en het bedrag int. Daarnaast gelden de landelijk in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vastgestelde kaders waarbinnen de gemeenteraad de nadere invulling aan de te heffen bijdragen kan geven. De eigen bijdrage wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.
-
3. In afwijking van het eerste lid is geen bijdrage verschuldigd voor:
- a.
een eenpersoonshuishouden die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt en die een bijdrage plichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm;
- b.
een eenpersoonshuishouden die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een bijdrage plichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm;
- c.
een meerpersoonshuishouden die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt en die een gezamenlijk bijdrage plichtig inkomen heeft van minder dan 120% van de landelijk geldende bijstandsnorm.
- d.
Inwoners met een Wmo indicatie die gebruik maken van een scootmobielpool en/of rolstoel
- e.
De cliënt is het opstaptarief en het gecontracteerde Wmo-tarief verschuldigd tot een reisafstand van 25 kilometer tenzij er sprake is van een puntbestemming waarvoor altijd het gecontracteerde Wmo-tarief geldt. Jaarlijks stelt het college de tarieven van het aanvullend vervoer voor cliënten met een Wmo-pas vast. Het gaat om de hoogte van het gereduceerde tarief, het opstaptarief en de eenmalige paskosten. Het openbaar vervoer (OV) tarief wordt gevolgd.
- a.
-
4. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4, zevende lid, van de Wmo (opvang a.g.v. huiselijk geweld) worden de bijdragen voor een maatwerkvoorziening in natura of pgb door de opvangorganisatie (zie artikel 8 lid 2 sub b) vastgesteld en geïnd.
-
5. De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of pgb ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.
3.8. Artikel 14. Jaarlijkse waardering mantelzorgers
-
1. Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college (ondergebracht bij Steunpunt mantelzorg) voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.
-
2. De raad stelt een maximumwaarde vast en laat het verder aan het college om, eventueel na overleg met aangewezen partijen, te bepalen waaruit de jaarlijkse blijk van waardering bestaat.
-
3. Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.
3.9. Artikel 15. Tegemoetkoming meerkosten voor bepaalde voorzieningen voor personen met een beperking of chronische problemen
Het college kan in overeenstemming met het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de Wmo, op aanvraag aan personen met een beperking of chronisch psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. De tegemoetkoming voor vervoerskosten, verhuiskosten, een sportrolstoel, woonwagen, tijdelijke woonvoorziening, tijdelijk betrekken van woonruimte en het bezoekbaar maken van een woning kunnen ieder opvolgend kalenderjaar door het college worden gewijzigd aan de hand van de ontwikkeling van de consumentenprijsindex.
4 HOOFDSTUK 4 KWALITEIT
4.1. Artikel 16. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning
-
1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:
- a.
het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;
- b.
het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;
- c.
erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
- d.
voor zover van toepassingen erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.
- a.
-
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliënt ervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.
-
3. Het college neemt in de contracten en afspraken met aanbieders op aan welke kwaliteitseisen de maatschappelijke ondersteuning moet voldoen. Hierbij sluit het college zoveel als mogelijk aan bij artikel 3.1 van de wet en de kwaliteits- en deskundigheidseisen die in de desbetreffende branche gelden.
4.2. Artikel 17. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden (Code verantwoordelijk Marktgedrag)
-
1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor door derden te leveren diensten, zoals maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.6.4 van de Wmo en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
- a.
een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met derde; of
- b.
een reële prijs die geldt als ondergrens voor:
- 1°.
een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en
- 2°.
de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.
- 1°.
- a.
-
2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:
- a.
overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c van de Wmo, en
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5 , tweede lid van de Wmo, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
- a.
-
3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:
- a.
kosten van de beroepskracht;
- b.
redelijke overheadkosten;
- c.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
- d.
reis en opleidingskosten;
- e.
indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;
- f.
overige kosten als gevolg van de door de gemeente Culemborg gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.
- a.
-
4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen is gesteld in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
-
5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
4.3. Artikel 18. Meldingsregeling calamiteiten en geweld
-
1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.
-
2. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onmiddellijk aan de toezichthoudend ambtenaar.
-
3. De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1, van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
5 HOOFDSTUK 5 HERZIENING, WIJZIGING EN TERUGVORDERING MAATSCHAPPELIJKE ONDERSTEUNING
5.1. Artikel 19. Voorkoming en bestrijding ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen en pgb’s en misbruik of oneigenlijk gebruik van de Wmo
-
1. Het college informeert cliënten of hun vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.
-
2. Onverminderd artikel 2.3.8 van de Wmo, doet een cliënt op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening.
-
3. Onverminderd artikel 2.3.10 van de Wmo kan het college een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
- a.
De cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
De cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;
- c.
De maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;
- d.
De cliënt langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Zorgverzekeringswet of op vakantie is;
- e.
De cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden of
- f.
De cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
- a.
-
4. Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen zes maanden na toekenning niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.
-
5. Als het college een beslissing op grond van het derde lid, onder a, heeft herzien of ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens heeft verschaft, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten individuele maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.
-
6. Als het recht op een eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
-
7. Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- doelmatigheid daarvan. Bij vermoeden van onrechtmatig gebruik van het pgb kan het college een fraudeonderzoek starten.
-
8. Voor het toezicht op rechtmatigheid van de uitvoering Wmo heeft het college de sociale recherche Regio Rivierenland aangewezen.
5.2. Artikel 20. Opschorting betaling uit persoonsgebonden budget
-
1. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d, of e van de Wmo 2015
-
2. Het college kan de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, derde lid, onder d.
-
3. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.
6 HOOFDSTUK 6 KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK
6.1. Artikel 21. Klachtregeling
-
1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.
-
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
6.2. Artikel 22. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
-
1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de volgende voorzieningen:
- •
Hulp hij het huishouden
- •
Begeleiding
- •
Kortdurend verblijf
- •
-
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
6.3. Artikel 23. Betrekken van ingezetenen bij het beleid
-
1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
-
2. Het college stelt ingezetenen bijtijds in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
-
3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
7 HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN
7.1. Artikel 24. Nadere regels, communicatie en hardheidsclausule
-
1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
-
2. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening
-
3. Het college stuurt de nadere regels over de uitvoering van deze verordening ter informatie aan de Raad.
-
4. Het college draagt zorg voor een tijdige en heldere communicatie over deze regels richting inwoners.
-
5. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
7.2. Artikel 25. Evaluatie
Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Het college zendt hiertoe telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.
7.3. Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht
-
1. De ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp 2020’ wordt ingetrokken.
-
2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.
-
3. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
-
4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020 wordt beslist met inachtneming van die verordening.
-
5. Van het in lid 3 en 4 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.
7.4. Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op 01-01-2026
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Culemborg 2026.
Ondertekening
Aldus besloten in de vergadering van de Raad,
Gehouden op 27 november 2025
De griffier
D. van der Harst
De voorzitter
G.D. Renkema
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl