Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026

Geldend van 01-01-2026 t/m heden

Intitulé

Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026

De raad van de gemeente Culemborg;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 27 november 2025;

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 [en 8.1.1, derde, vierde lid,] van de Jeugdwet; gelet op artikel 156 van de Gemeentewet;

overwegende dat:

  • De Jeugdwet de verantwoordelijkheid voor toegankelijke, tijdige en kwalitatief goede jeugdhulp bij gemeenten belegt;

  • Duurzame oplossingen in de samenleving liggen en jeugdigen en ouders in eerste instantie zelf, met steun van hun netwerk, verantwoordelijk zijn voor het gezond en veilig opgroeien van hun kinderen;

  • De gemeente inzet op het versterken van het gewone leven, door te normaliseren, te werken vanuit het principe “zo licht als kan, zo zwaar als nodig, zo dichtbij mogelijk en zo snel mogelijk passende hulp wanneer nodig”, en daarbij waar mogelijk gebruik te maken van preventieve ondersteuning, informele steunfiguren en een systeemgerichte aanpak;

  • Het noodzakelijk is regels vast te stellen over de toegang tot jeugdhulp, waaronder de voorwaarden voor toekenning, de wijze van beoordeling, en de afwegingsfactoren bij het verlenen van een individuele voorziening;

  • Goede afstemming met andere voorzieningen, zorgvuldigheid bij persoonsgebonden budgetten en het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet essentieel zijn;

  • De gemeente kiest voor een stelsel dat vertrouwen in jeugdigen, ouders en professionals als vertrekpunt neemt, waarin samenwerking, nabijheid, passende hulp en continuïteit van zorg centraal staan, en waarbij één plan rond het gezin leidend is;

  • Met deze koers de gemeente wil bijdragen aan veerkracht, eigen regie en perspectief voor jeugdigen en gezinnen, en de jeugdhulp duurzaam wil organiseren voor de toekomst;

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026.

1 HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1.1 Begripsbepalingen

  • 1. In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      Hulpvraag: de door de jeugdige of diens ouder(s) geuite behoefte aan ondersteuning bij het opgroeien of opvoeden vanwege problemen of beperkingen.

    • b.

      Aanvraag: een verzoek van een jeugdige of diens ouder(s) om een individuele voorziening, ingediend bij het college op de wijze als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht en deze verordening.

    • c.

      Onderzoeksverslag: de schriftelijke weergave van het onderzoek door het college als bedoeld in hoofdstuk 4 van deze verordening, dat kan dienen als aanvraag wanneer de jeugdige of diens ouder(s) dit wensen.

    • d.

      Algemene voorziening: een vrij toegankelijke voorziening die zonder voorafgaand onderzoek of besluit kan worden gebruikt, gericht op lichte, kortdurende of preventieve ondersteuning.

    • e.

      Individuele voorziening: een op de jeugdige of diens ouders toegesneden voorziening, verstrekt bij besluit van het college.

    • f.

      College: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Culemborg.

    • g.

      Jeugdige: de persoon als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.

    • h.

      Ouder: de gezaghebbende ouder of de verzorger die de jeugdige opvoedt en verzorgt.

    • i.

      Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de jeugdige of diens ouder(s) een sociale relatie onderhoudt, die bereid en in staat zijn tot het bieden van ondersteuning.

    • j.

      Gebruikelijke hulp: de hulp die in redelijkheid mag worden verwacht van ouder(s) of huisgenoten, gelet op leeftijd en ontwikkeling van het kind, gezinssamenstelling, draagkracht en aard van de problematiek.

    • k.

      Bovengebruikelijke hulp: hulp die uitgaat boven de gebruikelijke hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid van ouder(s) of huisgenoten mag worden verwacht.

    • l.

      Eigen kracht: de mogelijkheden van de jeugdige en diens ouder(s) om zelf oplossingen te vinden voor de hulpvraag, al dan niet met ondersteuning vanuit het sociaal netwerk of andere voorliggende voorzieningen.

    • m.

      Sociale basis: het geheel van informele sociale verbanden (zoals gezinnen, buurten, verenigingen en netwerken), aangevuld en ondersteund door lokale voorzieningen en organisaties.

    • n.

      Voorliggende voorziening: een voorziening op grond van een andere wet die passend en toereikend is voor de hulpvraag en die voorgaat op een individuele voorziening jeugdhulp.

    • o.

      Goedkoopst adequaat: de voorziening die, gelet op de aard en ernst van de problematiek, toereikend en passend is en tegelijkertijd de minste kosten met zich meebrengt.

    • p.

      Aanbieder: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die jeugdhulp verleent op basis van een overeenkomst of subsidierelatie met de gemeente.

    • q.

      Familiegroepsplan: het plan als bedoeld in artikel 4.1.2 van de Jeugdwet, waarin de jeugdige, diens ouder(s) of personen uit hun sociaal netwerk vastleggen hoe de hulpvraag kan worden aangepakt. In deze verordening kan dit plan ook worden aangeduid als gezinsplan.

    • r.

      Pgb (persoonsgebonden budget): een door het college verstrekt budget waarmee de jeugdige of diens ouder(s) zelf jeugdhulp kunnen inkopen.

    • s.

      Wet: de Jeugdwet.

  • 2. Begrippen die in deze verordening worden gebruikt en niet zijn opgenomen in het eerste lid, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 1.2. Reikwijdte van de verordening

Deze verordening is van toepassing op alle vormen van jeugdhulp die onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Culemborg vallen, met uitzondering van jeugdbescherming en jeugdreclassering.

Artikel 1.3. Doelstellingen verordening

Deze verordening heeft tot doel:

  • 1.

    het versterken van de veerkracht en het zelfoplossend vermogen van jeugdigen, ouders en hun netwerk;

    • a.

      het bieden van passende en toereikende hulp aan jeugdigen en hun ouders, zo dichtbij als mogelijk;

    • b.

      het bevorderen van samenhang en afstemming van jeugdhulp met andere voorzieningen;

    • c.

      het vergroten van de effectiviteit en doelmatigheid van de jeugdhulp;

    • d.

      het waarborgen van een zorgvuldige en toegankelijke procedure voor jeugdhulp.

2 HOOFDSTUK 2 VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 2.1 Algemene voorzieningen

  • 1. Tot de algemene voorzieningen worden onder meer gerekend:

    • -

      Laagdrempelige preventieve opvoedondersteuning;

    • -

      Informatie, advies en ondersteuning en groepsaanbod via het Sociaal Team;

    • -

      Algemeen toegankelijke activiteiten, zoals oudercursussen of groepsactiviteiten voor jeugdigen;

    • -

      Jeugdgezondheidszorg;

    • -

      Schoolmaatschappelijk werk;

    • -

      Jongerenwerk.

  • 2. Het college kan nadere regels vaststellen over welke algemene voorzieningen op basis van het eerste lid beschikbaar zijn.

Artikel 2.2 Individuele voorzieningen jeugdhulp

  • 1. De volgende vormen van individuele voorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar:

    • a.

      ambulante jeugdhulp begeleiding (individueel en in groepsverband);

    • b.

      ambulante jeugdhulp behandeling (individueel en in groepsverband);

    • c.

      ambulante geestelijke gezondheidszorg (GGZ) voor jeugdigen, waaronder behandeling van ernstige enkelvoudige dyslexie (EED) en specialistische GGZ-behandeling door kinderartsen of andere medisch specialisten;

    • d.

      jeugdhulp met verblijf, waaronder logeren, pleegzorg, begeleiding bij zelfstandig wonen, gezinsgerichte vormen, verblijf en begeleiding, verblijf op terrein, en behandeling met verblijf (residentieel);

    • e.

      jeugdhulp Plus (gesloten jeugdhulp);

    • f.

      crisisopvang en ambulante spoedhulp;

    • g.

      begeleiding bij omgang en contact (begeleide omgang);

    • h.

      vervoer van en naar een jeugdhulpaanbieder;

    • i.

      Essentiële functies;

    • j.

      Overige door het college bij nadere regels aangewezen individuele voorzieningen.

  • 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de beschikbaarheid en uitvoering van de in het eerste lid genoemde voorzieningen.

Artikel 2.3 Duur, frequentie en evaluatie

  • 1. Een individuele voorziening wordt in beginsel toegekend voor een bepaalde duur, met een maximum van twaalf maanden.

    • a.

      Indien sprake is van structurele of levenslange problematiek kan een voorziening voor een langere duur worden toegekend, mits dit doelmatig en passend is.

    • b.

      Het college kan in dat geval bepalen dat verlenging zonder nieuwe aanvraag plaatsvindt, tenzij de situatie wezenlijk wijzigt.

  • 2. Evaluatie vindt plaats op vooraf afgesproken momenten, samen met de jeugdige en diens ouder(s), en wordt afgestemd op het gezinsplan of eigen plan.

  • 3. Indien doelen zijn bereikt of de situatie is gewijzigd, wordt de voorziening beëindigd of aangepast.

  • 4. Indien het voor de continuïteit van zorg of de stabiliteit van de jeugdige noodzakelijk is, kan het college gemotiveerd afwijken van de maximale duur van twaalf maanden en de voorziening voor een langere periode toekennen.

3 HOOFDSTUK 3 TOEGANG

Artikel 3.1 Toegang via de gemeente

  • 1. Jeugdigen en hun ouders kunnen een hulpvraag kenbaar maken bij het college, in de regel via het Sociaal Team.

  • 2. Het college handelt deze hulpvraag af overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 4 (onderzoek) en 5 (aanvraag en besluitvorming) van deze verordening.

  • 3. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening of vraagt het college een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp aan als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet.

  • 4. Het college bevordert dat toegang tot jeugdhulp in beginsel via het Sociaal Team verloopt, zodat integraliteit en afstemming met andere voorzieningen optimaal worden geborgd.

  • 5. Een jeugdige of diens ouders moeten zich binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder, dan wel het pgb binnen drie maanden hebben besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit artikel.

Artikel 3.2 Toegang via huisarts, medisch specialist of jeugdarts

  • 1. Een huisarts, medisch specialist of jeugdarts kan jeugdigen rechtstreeks verwijzen naar een algemene voorziening of een individuele voorziening.

  • 2. In de regel verwijst een huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder die door het college is gecontracteerd.

  • 3. Indien verwijzing plaatsvindt naar een niet door het college gecontracteerde aanbieder, is vooraf toestemming van het college vereist. Het college kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden, waaronder eisen ten aanzien van kwaliteit, tarief, doelmatigheid en duur van de inzet. Een weigering van toestemming wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 4. Indien de verwijzing betrekking heeft op een individuele voorziening, verstrekt het college desgevraagd een beschikking.

  • 5. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening.

  • 6. Bij verwijzingen als bedoeld in dit artikel zorgt het college voor afstemming met andere voorzieningen overeenkomstig artikel 3.4 van deze verordening.

  • 7. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit artikel.

Artikel 3.3 Toegang via rechter of gecertificeerde instelling

  • 1. Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die door de rechter, het openbaar ministerie, de gecertificeerde instelling of andere in de Jeugdwet genoemde instanties noodzakelijk wordt geacht bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of strafrechtelijke beslissing.

  • 2. Indien verwijzing plaatsvindt naar een niet door het college gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, is vooraf toestemming van het college vereist. Het college kan aan deze toestemming voorwaarden verbinden, waaronder eisen ten aanzien van kwaliteit, tarief, doelmatigheid en duur van de inzet. Een weigering van toestemming wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Voor de voorzieningen die via een rechter of gecertificeerde instelling zijn toegekend verstrekt het college geen beschikking.

  • 4. Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen en de rechterlijke macht over de vorm en inhoud van besluiten tot inzet van jeugdhulp en de wijze waarop het college hiervan in kennis wordt gesteld.

  • 5. In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende tijdelijke voorziening.

  • 6. Bij verwijzingen als bedoeld in dit artikel zorgt het college voor afstemming met andere voorzieningen overeenkomstig artikel 3.4 van deze verordening.

  • 7. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van dit artikel.

Artikel 3.4 Afstemming met andere voorzieningen

  • 1. Het college stemt de inzet van jeugdhulp af met andere maatschappelijke voorzieningen, waaronder in ieder geval voorzieningen op het gebied van gezondheid en zorg, onderwijs, kinderopvang, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, participatie en schuldhulpverlening.

  • 2. Het college bevordert de samenwerking met onder meer huisartsen, jeugdartsen, medisch specialisten, gecertificeerde instellingen, Veilig Thuis, onderwijsinstellingen, schuldhulpverlening, re-integratiediensten en andere relevante partijen, met het oog op een samenhangende aanpak en het voorkomen van tegenstrijdige of overlappende hulp.

  • 3. Bij de afstemming weegt het college ten minste:

    • a.

      de hulpbehoefte van de jeugdige of ouder;

    • b.

      het eigen probleemoplossend vermogen en het sociaal netwerk;

    • c.

      de effectiviteit en de volgorde van voorzieningen;

    • d.

      de maatschappelijke kosten en baten op korte en lange termijn;

    • e.

      de aard en intensiteit van de benodigde hulp;

    • f.

      de belemmeringen door inkomens- of schuldenproblematiek en de noodzaak tot ondersteuning in werk & inkomen.

  • 4. Het college draagt zorg voor de continuïteit van hulp en ondersteuning, in het bijzonder bij de overgang van jeugdhulp naar voorzieningen voor volwassenen (zoals onder de Zvw, Wlz, Wmo of andere domeinen) wanneer de jeugdige de leeftijd van achttien jaar bereikt.

  • 5. Het college kan ter uitvoering van dit artikel beleidsregels of samenwerkingsafspraken vaststellen, waarin nadere invulling wordt gegeven aan de wijze van afstemming, de rolverdeling, verantwoordelijkheden, afspraken met ketenpartners en procedures voor signalering van werk-/inkomens- en schuldenproblematiek.

4 HOOFDSTUK 4 HULPVRAAG EN ONDERZOEK

Artikel 4.1 Ontvangst van een hulpvraag

  • 1. Een hulpvraag kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden ingediend.

  • 2. Het college bevestigt de ontvangst van de hulpvraag schriftelijk.

  • 3. Bij ontvangst van een hulpvraag wijst het college de jeugdige en diens ouder(s) op de mogelijkheid gebruik te maken van kosteloze cliëntondersteuning en de jeugdhulpvertrouwenspersoon.

  • 4. Indien sprake is van een acute situatie kan het college een tijdelijke voorziening treffen.

Artikel 4.2 Eerste contact en gesprek

  • 1. Het college neemt zo spoedig mogelijk na ontvangst van de hulpvraag contact op met de jeugdige of diens ouder(s), en streeft ernaar binnen twee weken een eerste gesprek te voeren.

  • 2. Het gesprek vindt plaats met de jeugdige en diens ouder(s) en, indien gewenst, met personen uit het sociaal netwerk.

  • 3. Het gesprek richt zich op het in kaart brengen van de hulpvraag, de omstandigheden die daartoe hebben geleid, de veiligheid en ontwikkelbehoefte van de jeugdige, en de mogelijkheden van het gezin en netwerk. Het gesprek wordt gevoerd in begrijpelijke taal, afgestemd op de leeftijd en het bevattingsvermogen van de jeugdige.

  • 4. Het college verifieert, voor zover dit redelijkerwijs noodzakelijk is, de identiteit van de jeugdige of diens ouder(s) aan de hand van een geldig identiteitsdocument of gegevens uit de Basisregistratie Personen (BRP). Het ontbreken van een identiteitsdocument vormt geen grond om de hulpvraag buiten behandeling te laten, tenzij er gerede twijfel bestaat aan de identiteit.

  • 5. Indien dit voor een zorgvuldig gesprek of onderzoek noodzakelijk is, kan het college de jeugdige of diens ouder(s) verzoeken om relevante bewijsstukken te overleggen. Daarbij beperkt het college de bewijslast zoveel mogelijk en handelt het volgens het beginsel van proportionaliteit.

  • 6. Het college kan, uitsluitend met uitdrukkelijke toestemming van de jeugdige of diens ouder(s) en voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de hulpvraag, informatie opvragen bij andere instanties of professionals, zoals de huisarts, en zo nodig met hen in gesprek gaan over de aard van de problemen en de meest aangewezen hulp. Het college legt vast voor welk doel de informatie wordt gevraagd en deelt deze niet verder zonder toestemming.

  • 7. Het college handelt bij het inwinnen en verwerken van informatie conform de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) en beperkt zich tot die gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Jeugdwet.

Artikel 4.3 Onderzoek

  • 1. Naar aanleiding van de hulpvraag voert het college een onderzoek uit overeenkomstig de door de Centrale Raad van Beroep ontwikkelde rechtspraak over zorgvuldige besluitvorming.

  • 2. Het onderzoek wordt in beginsel binnen zes weken na de ontvangst van de hulpvraag afgerond.

  • 3. Het onderzoek omvat in ieder geval:

    • a.

      de aard en ernst van de hulpvraag;

    • b.

      de veiligheid, ontwikkelbehoefte en het perspectief van de jeugdige;

    • c.

      de inzetbaarheid van algemene en overige voorzieningen;

    • d.

      de verwachte effectiviteit en doelmatigheid van de inzet van jeugdhulp;

    • e.

      de voorkeuren van de jeugdige en diens ouder(s).

Artikel 4.4 Beoordeling eigen mogelijkheden en netwerk

  • 1. Bij het onderzoek betrekt het college in ieder geval:

    • a.

      de eigen kracht van de jeugdige en diens ouder(s);

    • b.

      de gebruikelijke hulp die in redelijkheid van ouder(s), verzorger(s) of huisgenoten mag worden verwacht;

    • c.

      de bovengebruikelijke hulp die ouder(s) of het sociaal netwerk kunnen bieden;

    • d.

      het probleemoplossend vermogen van het sociaal netwerk; en

    • e.

      de mogelijkheid om een familiegroepsplan of ander eigen plan op te stellen of te benutten.

  • 2. Het college beoordeelt of de onder het eerste lid genoemde mogelijkheden toereikend zijn voor het beantwoorden van de hulpvraag. Daarbij worden de leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige, de aard en duur van de benodigde hulp, de draagkracht van ouder(s) en de inzetbaarheid van het sociaal netwerk betrokken. Het college betrekt hierbij de resultaten van eventueel eerder ingezet(e) hulp of voorzieningen.

  • 3. Indien uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en diens ouder(s) over toereikende eigen mogelijkheden beschikken, kan worden volstaan met ondersteuning binnen die eigen mogelijkheden. Indien de eigen mogelijkheden ontoereikend blijken, onderzoekt het college of en in welke mate aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is.

  • 4. Bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden houdt het college mede rekening met:

    • a.

      de beschikbaarheid en inzet van voorliggende voorzieningen, waaronder een aanvullende zorgverzekering;

    • b.

      de aanwezigheid van (dreigende) overbelasting bij ouder(s); en

    • c.

      overige omstandigheden die van invloed zijn op de mogelijkheid om hulp te bieden of te ontvangen.

  • 5. Het college legt in het onderzoeksverslag vast in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, bovengebruikelijke hulp en het netwerk toereikend zijn of dat aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is.

  • 6. Het college hanteert bij de toepassing van dit artikel het toetsingskader gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp en beoordeling eigen kracht, zoals opgenomen in de toelichting bij deze verordening, en kan hierover nadere beleidsregels vaststellen.

Artikel 4.5 Verslag en planvorming

  • 1. Het college legt de uitkomsten van het onderzoek vast in een verslag.

  • 2. Het verslag wordt aan de jeugdige en diens ouder(s) verstrekt en door hen ondertekend voor akkoord of met eventuele opmerkingen.

  • 3. De jeugdige en diens ouder(s) worden gewezen op de mogelijkheid om een familiegroepsplan of eigen plan op te stellen.

  • 4. Het verslag kan dienen als basis voor een integraal plan van aanpak waarin ook andere voorzieningen of domeinen worden betrokken.

  • 5. Indien de jeugdige of diens ouder(s) aangeven een aanvraag te willen doen voor een individuele voorziening, kan het verslag worden beschouwd als onderdeel van de beschikking op die aanvraag.

5 HOOFDSTUK 5 AANVRAAG EN BESLUITVORMING

Artikel 5.1 Aanvraag

  • 1. Het ondertekende verslag kan, indien de jeugdige of diens ouder(s) dit wensen, gelden als aanvraag in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. Indien geen gebruik wordt gemaakt van het verslag als aanvraag, kunnen de jeugdige of diens ouder(s) te allen tijde een aanvraag indienen.

  • 3. Indien het onderzoek niet binnen zes weken na ontvangst van de hulpvraag is afgerond, kan de jeugdige of diens ouder(s) alsnog een aanvraag indienen.

Artikel 5.2 Criteria toekenning

  • 1. Het college verstrekt een individuele voorziening jeugdhulp uitsluitend indien uit het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 4 blijkt dat:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouders de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen niet op eigen kracht, al dan niet met ondersteuning vanuit het sociale netwerk, kunnen oplossen;

    • b.

      de hulpvraag niet kan worden beantwoord met gebruikelijke hulp;

    • c.

      een voorliggende of andere voorziening, waaronder voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of het onderwijs, niet passend of toereikend is; en

    • d.

      de voorziening noodzakelijk is, gelet op de aard en ernst van de problematiek, en de goedkoopst adequate oplossing betreft.

  • 2. Het college toetst de uitkomsten van het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 4 aan de in het eerste lid genoemde criteria alvorens een beschikking af te geven. Het college motiveert in de beschikking op welke wijze de in dit artikel genoemde criteria zijn meegewogen.

  • 3. Bij de beoordeling van de goedkoopst adequate voorziening motiveert het college op welke wijze is vastgesteld dat de gekozen voorziening toereikend en passend is voor het bereiken van het beoogde resultaat. Het college toont daarbij aan dat met de goedkopere voorziening in het concrete geval een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt als met andere beschikbare voorzieningen.

  • 4. Het college hanteert bij de toepassing van dit artikel een toetsingskader. Dit toetsingskader wordt uitgewerkt in beleidsregels en bevat nadere bepalingen over de wijze waarop de criteria en de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 5.4 worden toegepast.

Artikel 5.3 Beschikking

  • 1. Het college geeft binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag een beschikking af op grond van de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2. In de beschikking vermeldt het college ten minste:

    • a.

      de voorziening die wordt toegekend of geweigerd;

    • b.

      de duur, frequentie en omvang van de voorziening;

    • c.

      het beoogde resultaat;

    • d.

      de wijze waarop de voorziening wordt verstrekt (zorg in natura of pgb);

    • e.

      de mogelijkheid van bezwaar en beroep.

Artikel 5.4 Weigeringsgronden

  • 1. Het college weigert een individuele voorziening jeugdhulp indien:

    • a.

      de jeugdige en/of zijn ouders de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen op eigen kracht, al dan niet met ondersteuning vanuit het eigen sociale netwerk, kunnen oplossen;

    • b.

      de hulpvraag kan worden beantwoord met gebruikelijke hulp; daaronder wordt mede begrepen bovengebruikelijke hulp in kortdurende situaties, tenzij sprake is van (dreigende) overbelasting van de ouder(s);

    • c.

      een voorliggende of andere voorziening, waaronder in ieder geval voorzieningen op grond van de Zorgverzekeringswet, de Wet langdurige zorg, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 of het onderwijs, passend en toereikend is;

    • d.

      de aangevraagde voorziening niet noodzakelijk is, gelet op de aard en ernst van de problematiek;

    • e.

      de voorziening niet de goedkoopst adequate oplossing betreft; de voorziening niet de goedkoopst adequate oplossing betreft, waarbij het college beoordeelt of de goedkopere voorziening in het concrete geval toereikend en passend is;

    • f.

      de aanvraag betrekking heeft op kosten die zijn gemaakt vóór de hulpvraag of aanvraag, tenzij toepassing wordt gegeven aan de bepaling inzake toekenning met terugwerkende kracht;

    • g.

      de aangevraagde voorziening betrekking heeft op ondersteuning die niet behoort tot het doel van de jeugdhulp, zoals voorzieningen die uitsluitend gericht zijn op gemak, comfort of luxe;

    • h.

      de aangevraagde ondersteuning buiten Nederland zal worden verleend, tenzij het college oordeelt dat dit een bijzondere bijdrage levert aan het beoogde resultaat en voor zover dit niet in strijd is met de Jeugdwet;

    • i.

      de hulp (deels) wordt vergoed vanuit een aanvullende zorgverzekering en het redelijk is dat de jeugdige of ouder deze verzekering aanspreekt;

    • j.

      gekozen wordt voor een niet-gecontracteerde aanbieder zonder voorafgaande toestemming van het college, als bedoeld in hoofdstuk 3;

    • k.

      de voorziening reeds op andere wijze wordt bekostigd, of dubbele financiering zou ontstaan.

  • 2. Het college kan een aanvraag voorts weigeren indien de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende medewerking verlenen aan het onderzoek als bedoeld in hoofdstuk 4, tenzij dit hen redelijkerwijs niet kan worden verweten.

  • 3. Een weigering op grond van dit artikel wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb). Het college weegt in elk individueel geval de omstandigheden van de jeugdige en diens ouder(s) af en motiveert waarom de gekozen afwijzing proportioneel is in verhouding tot het beoogde doel.

  • 4. Het college kan ter uitvoering van dit artikel beleidsregels vaststellen waarin nadere invulling wordt gegeven aan de toepassing van de weigeringsgronden.

Artikel 5.5 Vervoer van en naar jeugdhulp

  • 1. Ouders zijn in beginsel zelf verantwoordelijk voor het vervoer van en naar een jeugdhulpaanbieder. Kortdurend vervoer over een redelijke afstand behoort in principe tot de eigen verantwoordelijkheid van het gezin.

  • 2. Het college kan uitsluitend een vervoersvoorziening toekennen indien:

    • a.

      de jeugdige door een medische noodzaak of beperking niet in staat is zelfstandig te reizen; en

    • b.

      ouders of het sociale netwerk het vervoer redelijkerwijs niet zelf kunnen verzorgen; en

    • c.

      zonder voorziening de noodzakelijke jeugdhulp niet of niet tijdig toegankelijk zou zijn.

  • 3. De voorziening wordt altijd verstrekt in de vorm van de goedkoopst adequate oplossing.

  • 4. Het college kan nadere regels stellen over de voorwaarden waaronder vervoer wordt toegekend, waaronder:

    • a.

      de richtafstand waarbinnen vervoer in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van ouders behoort;

    • b.

      de frequentie en duur van de hulpverlening;

    • c.

      de wijze van bekostiging of vergoeding.

    Daarbij geldt als richtlijn dat vervoer over een afstand tot 10 kilometer enkele reis in beginsel tot de eigen verantwoordelijkheid van ouders behoort.

    Indien de feitelijke afstand, de frequentie van de hulpverlening, de bereikbaarheid of andere omstandigheden dit onredelijk maken, kan het college gemotiveerd afwijken en alsnog een vervoersvoorziening toekennen.

Artikel 5.6 Vaktherapie

  • 1. Vaktherapie wordt uitsluitend toegekend indien:

    • a.

      deze aantoonbaar bijdraagt aan de doelen uit het gezins- of behandelplan;

    • b.

      er geen andere, meer passende of minder zware vorm van jeugdhulp beschikbaar is; en

    • c.

      de inzet is onderbouwd door de regiebehandelaar of het Sociaal Team.

  • 2. Onder vaktherapie worden uitsluitend verstaan de erkende vormen van vaktherapie, waaronder beeldende therapie, muziektherapie, dramatherapie en dans- en bewegingstherapie.

  • 3. Indien een vaktherapie aantoonbaar medisch noodzakelijk is op basis van een onderbouwing door een daartoe bevoegde behandelaar (zoals een arts, psychiater of GZ-psycholoog), kan het college hiervan niet afzien enkel op grond van de aard van de therapievorm. In dat geval beoordeelt het college uitsluitend of de inzet doelmatig, passend en proportioneel is in het licht van de beoogde resultaten.

  • 4. Vaktherapie wordt uitsluitend uitgevoerd door therapeuten die voldoen aan de geldende kwaliteitseisen, waaronder registratie bij het Register Vaktherapie of bij het SKJ.

  • 5. Het college kan nadere regels stellen over de maximale duur, omvang en eventuele combinatie met andere vormen van jeugdhulp.

6 HOOFDSTUK 6 PERSOONSGEBONDEN BUDGET (PGB)

Artikel 6.1 Voorwaarden pgb

  • 1. Indien een jeugdige of ouder in aanmerking komt voor een individuele voorziening en de jeugdhulp zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in volgens een door het college vastgesteld format. In het pgb-plan is in ieder geval opgenomen:

    • a.

      de motivering waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een pgb gewenst is;

    • b.

      hoe de jeugdige of diens ouders de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uitvoeren, of wie hiervoor is gemachtigd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      het gewenste resultaat van de inzet van het pgb;

    • e.

      de wijze waarop de kwaliteit en effectiviteit van de jeugdhulp is gewaarborgd;

    • f.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

  • 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan het pgb verbonden voorwaarden en verplichtingen.

Artikel 6.2 Voorwaarden pgb-beheer

  • 1. Het college accepteert een budgetbeheerder niet indien deze tevens de uitvoerder is van de ondersteuning of een (werk)relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit naar het oordeel van het college passend wordt bevonden.

  • 2. Een budgetbeheerder toont aan dat hij het pgb verantwoord kan beheren door:

    • a.

      zelfstandig een pgb-plan op te stellen;

    • b.

      in gesprek te gaan met het college over dit plan;

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de voorwaarden en verplichtingen voor pgb-beheer.

Artikel 6.3 Uitsluitingen van kosten pgb

  • 1. De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit pgb:

    • a.

      kosten voor bemiddeling;

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb, waaronder de kosten voor een verklaring omtrent het gedrag (VOG);

    • e.

      kosten voor feestdagenuitkering en eenmalige uitkering;

    • f.

      contributie voor lidmaatschappen, cursussen of informatiemateriaal over het pgb;

    • g.

      reiskosten voor de hulpverlener;

    • h.

      onkosten zoals postzegels, cadeautjes en telefoonkosten.

Artikel 6.4 Onderscheid formele en informele hulp

  • 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb maakt het college onderscheid tussen formele en informele hulp.

  • 2. Van formele hulp is sprake indien de hulp wordt verleend door:

    • a.

      een instelling die ingeschreven staat in het Handelsregister en die beschikt over de relevante diploma’s die nodig zijn voor de betreffende taken;

    • b.

      een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) die ingeschreven staat in het Handelsregister en beschikt over de relevante diploma’s;

    • c.

      een persoon die is ingeschreven in het BIG-register of in een register als bedoeld in artikel 5.2.1 Besluit Jeugdwet.

  • 3. Van informele hulp is sprake indien de hulp wordt geboden door personen die niet voldoen aan de criteria van lid 2, of die behoren tot het sociaal netwerk van de jeugdige of diens ouder(s).

Artikel 6.5 Weigeringsgronden pgb

  • 1. Het college weigert een pgb in ieder geval indien:

    • a.

      zorg in natura passend en toereikend is;

    • b.

      de jeugdige of diens ouder(s) niet in staat zijn het pgb verantwoord te beheren, ook niet met ondersteuning;

    • c.

      het pgb-plan ontbreekt of onvoldoende waarborgen bevat;

    • d.

      onvoldoende is gewaarborgd dat de hulp die met het pgb wordt ingekocht voldoet aan de kwaliteitseisen;

    • e.

      de voorziening niet de goedkoopst adequate oplossing betreft;

    • f.

      de hulpverlener niet voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen of er gegronde bezwaren bestaan tegen diens inzet;

    • g.

      het pgb uitsluitend dient als inkomensvoorziening voor de hulpverlener;

    • h.

      het pgb wordt ingezet voor meer dan 40 uur per week aan informele hulp (sociaal netwerk), tenzij het college gemotiveerd een uitzondering maakt;

    • i.

      het pgb wordt ingezet voor besteding in het buitenland, tenzij het college hiervoor vooraf toestemming heeft gegeven;

    • j.

      de aanvrager weigert mee te werken aan het onderzoek of het bespreken van het pgb-plan.

  • 2. Een besluit tot weigering van een persoonsgebonden budget wordt door het college deugdelijk gemotiveerd, met inachtneming van het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 Awb) en het evenredigheidsbeginsel (artikel 3:4 Awb). Daarbij weegt het college de individuele omstandigheden van de jeugdige en diens ouder(s) en motiveert het waarom zorg in natura of een afwijzing van het pgb proportioneel is in verhouding tot het beoogde doel.

Artikel 6.6 Hoogte van het persoonsgebonden budget (pgb)

  • 1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb maakt het college onderscheid tussen formele en informele hulp.

  • 2. Voor formele hulp geldt:

    • a.

      indien de hulp wordt geleverd door een instelling: het tarief per uur, per dagdeel of per resultaat bedraagt maximaal 100% van het laagste adequate tarief van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die vergelijkbare hulp biedt;

    • b.

      indien de hulp wordt geleverd door een zelfstandig ondernemer (zzp’er): het tarief per uur, per dagdeel of per resultaat bedraagt maximaal 90% van het laagste adequate tarief van een door de gemeente gecontracteerde aanbieder die vergelijkbare hulp biedt.

  • 3. Voor informele hulp geldt:

    • a.

      het tarief bedraagt in beginsel 50% van het laagste adequate tarief voor vergelijkbare hulp in natura, met een ondergrens van het wettelijk minimumloon inclusief vakantiebijslag en de tegenwaarde van verlofuren en een bovengrens van €20 per uur;

    • b.

      indien sprake is van een arbeidsovereenkomst en de budgethouder verplicht is werkgeverslasten af te dragen, wordt het persoonsgebonden budget verhoogd met de daadwerkelijk verschuldigde werkgeverslasten;

    • c.

      indien de noodzakelijke hulp bij toepassing van onderdeel a niet kan worden ingekocht, kan het college gemotiveerd een hoger tarief vaststellen dat toereikend is om de noodzakelijke hulp in te kopen;

  • 4. Het pgb wordt nooit hoger vastgesteld dan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura.

  • 5. Indien aantoonbaar blijkt dat de aangewezen hulp niet kan worden ingekocht tegen de in dit artikel genoemde standaardtarieven, kan het college het tarief gemotiveerd aanpassen, zodat de jeugdige de noodzakelijke hulp bij ten minste één aanbieder kan inkopen.

  • 6. Het college kan nadere regels of beleidsregels vaststellen over de berekeningswijze en toepassing van pgb-tarieven.

7 HOOFDSTUK 7 HERZIENING EN HANDHAVING

Artikel 7.1 Rechten, plichten en informatievoorziening

  • 1. Het college informeert de jeugdige of zijn ouder(s), dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger, in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die verbonden zijn aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget, alsmede over de mogelijke gevolgen van misbruik of oneigenlijk gebruik.

  • 2. De jeugdige of zijn ouder(s) doen op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen geven tot heroverweging van een besluit over een voorziening.

Artikel 7.2 Medewerkingsplicht jeugdige en ouder(s)

  • 1. De jeugdige en zijn ouder(s) zijn verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2. Indien de jeugdige of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerken, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief, en kan het college besluiten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende voorziening in te trekken.

Artikel 7.3 Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1. Het college kan een besluit tot toekenning van een individuele voorziening of persoonsgebonden budget herzien of intrekken indien:

    • a.

      de jeugdige of zijn ouder(s) opzettelijk of verwijtbaar onjuist of onvolledig gegevens hebben verstrekt;

    • b.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet langer op de voorziening zijn aangewezen;

    • c.

      de voorziening niet of voor een ander doel wordt gebruikt; of

    • d.

      de jeugdige of zijn ouder(s) niet voldoen aan de aan de voorziening verbonden verplichtingen.

  • 2. Indien een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt herzien of ingetrokken, kan het college het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terugvorderen.

  • 3. Het college kan nadere regels vaststellen over de wijze van herziening, intrekking en terugvordering.

8 HOOFDSTUK 8 WAARBORGEN VERHOUDIG PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen

  • 1. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, rekening met:

    • a.

      De aard en omvang van de te verrichten taken.

    • b.

      De voor de sector toepasselijke CAO-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie.

    • c.

      Een redelijke toeslag voor overheadkosten.

    • d.

      Een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg.

    • e.

      Kosten voor bijscholing van het personeel.

    • f.

      landelijke en regionale afspraken over reële tarieven en prijs-kwaliteitverhouding.

Artikel 8.2 Kwaliteitseisen

  • 1. Jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en derden waar jeugdigen via een pgb individuele voorzieningen betrekken, zorgen voor een goede kwaliteit van de voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van individuele voorzieningen op de persoonlijke situatie van de jeugdige of diens ouders;

    • b.

      het afstemmen van individuele voorzieningen op andere vormen van hulp, zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten ten minste voldoen aan de wettelijke eisen en erkende beroepsregistraties (zoals SKJ, BIG, Register Vaktherapie), of daarmee gelijkgestelde kwaliteitseisen bij informele hulp via een pgb.

  • 2. Het college ziet toe op naleving van deze eisen door onder meer periodiek overleg, cliëntervaringsonderzoek, steekproeven, en zo nodig onderzoek ter plaatse. Het college kan daarnaast andere passende instrumenten voor toezicht en handhaving inzetten.

9 HOOFDSTUK 9 KLACHTEN EN MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 9.1 Klachtregeling

Het college behandelt klachten van jeugdigen en/of hun ouders die betrekking hebben op de uitvoering van deze verordening overeenkomstig de bepalingen van de gemeentelijke verordening klachtbehandeling. Dit laat onverlet dat jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen op grond van de Jeugdwet een eigen klachtenregeling moeten hebben.

Artikel 9.2 Medezeggenschap en participatie

  • 1. Het college stelt jeugdigen, ouders en vertegenwoordigers van cliëntgroepen structureel en vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen te doen voor het beleid betreffende jeugdhulp, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen, en voorziet hen van de ondersteuning die zij nodig hebben om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 2. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen en ouders kunnen deelnemen aan periodiek overleg, dat representatief is ingericht, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aandragen, en dat zij worden voorzien van de informatie die nodig is voor een adequate deelname.

  • 3. Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

10 HOOFDSTUK 10 SLOTBEPALINGEN

Artikel 10.1 Evaluatie

  • 1. Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt ten minste eenmaal per twee jaar geëvalueerd en vervolgens telkens twee jaar daarna.

  • 2. Het college zendt hiertoe twee jaar na de inwerkingtreding van deze verordening en vervolgens telkens twee jaar daarna aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

  • 3. De uitkomsten van de evaluatie worden betrokken bij eventuele wijzigingen van de verordening of de beleidsregels.

Artikel 10.2 Nadere regels, communicatie en hardheidsclausule

  • 1. In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2. Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  • 3. Het college draagt zorg voor tijdige en begrijpelijke communicatie over deze regels richting inwoners en betrokken partijen.

  • 4. Het college kan in bijzondere gevallen in het voordeel van de jeugdige of diens ouder(s) afwijken van de bepalingen van deze verordening, indien toepassing van de bepalingen tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden.

Artikel 10.3 Overgangsrecht

  • 1. Een jeugdige of diens ouder(s) behouden recht op een lopende voorziening die is verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens die verordening.

  • 3. Bezwaarschriften tegen besluiten die zijn genomen vóór de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020. Indien toepassing van deze verordening leidt tot een gunstiger uitkomst, kan het college hiervan gemotiveerd ten gunste van de jeugdige of diens ouder(s) afwijken.

  • 4. Het college kan een besluit dat is genomen op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020 herzien:

    • a.

      op de gronden vermeld in die verordening;

    • b.

      indien uit een heronderzoek blijkt dat toepassing van deze verordening tot een ander besluit zou hebben geleid;

    • c.

      indien de jeugdige of diens ouder(s) wensen te veranderen van aanbieder of van verstrekkingsvorm.

  • 5. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Culemborg 2020 wordt ingetrokken.

Artikel 10.4 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1. Deze verordening treedt in werking op 01-01-2026

  • 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp Culemborg 2026.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van de Raad,

Gehouden op 27 november 2025

Griffier

D. van der Harst

De voorzitter

G.D. Renkema

Toelichting - Toetsingskader gebruikelijke hulp en beoordeling eigen kracht

Inleiding

Dit toetsingskader concretiseert artikel 4.4 van de Verordening jeugdhulp gemeente Culemborg 2026. Het biedt richting bij de beoordeling van wat in redelijkheid van ouders, huisgenoten en het sociaal netwerk mag worden verwacht en hoe gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp worden afgebakend.

Het kader is richtinggevend: in uitzonderlijke situaties kan het college hiervan gemotiveerd afwijken, mits dit zorgvuldig wordt onderbouwd. Daarmee sluit het aan bij landelijke kaders, zoals de VNG-modelverordening en de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep.

De verdere praktische uitwerking – zoals voorbeelden, uitzonderingen en aanvullende criteria – wordt opgenomen in de beleidsregels. Op die manier biedt het kader houvast voor inwoners en professionals, terwijl er ruimte blijft voor maatwerk.

1. Uitgangspunten

  • Ouders zijn primair verantwoordelijk voor de verzorging, opvoeding en begeleiding van hun kinderen.

  • Wat redelijkerwijs van ouders verwacht mag worden, hangt af van de leeftijd, ontwikkeling, draagkracht en gezinssamenstelling.

  • Het college beoordeelt de eigen kracht, gebruikelijke hulp, bovengebruikelijke hulp en het sociaal netwerk in samenhang.

  • De beoordeling is feitelijk en individueel; het kader biedt handvatten maar geen harde normen.

2. Leeftijdsgebonden afbakening van gebruikelijke hulp

De omvang van gebruikelijke hulp hangt nauw samen met de leeftijd en ontwikkelingsfase van de jeugdige.

Leeftijd jeugdige

Wat valt onder gebruikelijke hulp van ouders

0 – 4 jaar

Ouders dragen volledige zorg, toezicht en begeleiding bij alle dagelijkse activiteiten, waaronder verzorging, voeding, kleding, dagstructuur, veiligheid en sociale interactie.

4 – 12 jaar

Ouders bieden dagelijkse verzorging, toezicht en begeleiding bij school, huiswerk, sociale vaardigheden en deelname aan activiteiten.

12 – 18 jaar

Ouders houden toezicht op afstand en bieden begeleiding bij zelfstandigheid, planning, gedrag, sociale relaties, financiën en keuzes.

18 – 23 jaar

In beginsel geen gebruikelijke hulp meer, tenzij sprake is van voortzetting van lopende jeugdhulp of ernstige problematiek.

Deze afbakening is richtinggevend; per individuele situatie kan gemotiveerd worden afgeweken.

3. Bovengebruikelijke hulp

Wanneer de benodigde hulp uitgaat boven wat leeftijdsgenoten normaal nodig hebben, is sprake van bovengebruikelijke hulp.

De Centrale Raad van Beroep maakt onderscheid tussen:

  • Kortdurende bovengebruikelijke hulp:

    hulp die naar verwachting niet langer dan ongeveer drie maanden per kalenderjaar nodig is; in beginsel binnen de ouderlijke verantwoordelijkheid, tenzij (dreigende) overbelasting ontstaat.

  • Langdurende bovengebruikelijke hulp:

    structurele of chronische situaties waarbij de jeugdige langdurig of herhaaldelijk intensieve begeleiding of toezicht nodig heeft.

    In dergelijke situaties beoordeelt het college of het redelijk is dat ouders deze hulp blijven bieden of dat aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is.

4. Overbelasting en draagkracht

Bij de beoordeling of ouders gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp kunnen bieden, weegt het college:

  • de planbaarheid, aard, duur en intensiteit van de benodigde hulp;

  • de fysieke en psychische belastbaarheid van ouders;

  • de gezinssamenstelling, het aantal kinderen en de verdeling van zorgtaken;

  • de mogelijkheden tot herverdeling van taken binnen het gezin of het netwerk;

  • de aanwezigheid van signalen van (dreigende) overbelasting.

Wanneer overbelasting vooral voortkomt uit factoren buiten de zorg voor de jeugdige (bijvoorbeeld werkdruk of andere sociale verplichtingen), onderzoekt het college eerst of aanpassing van die factoren mogelijk is.

5. Afweging sociaal netwerk

Van ouders mag in redelijkheid worden verwacht dat zij verkennen of hun sociaal netwerk lichte of tijdelijke ondersteuning kan bieden.

Het college onderzoekt per situatie in hoeverre dit redelijk en haalbaar is, waarbij de beschikbaarheid, bereidheid en belastbaarheid van het netwerk worden meegewogen.

Wanneer het netwerk aantoonbaar ontoereikend is, kan het college aanvullende jeugdhulp inzetten.

6. Voorliggende voorzieningen

Bij het onderzoek naar eigen mogelijkheden kijkt het college of andere wettelijke kaders of voorzieningen de benodigde hulp (deels) dekken.

Het gaat hierbij om onder meer:

  • de Zorgverzekeringswet (basis- en aanvullende verzekering);

  • de Wet langdurige zorg;

  • de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • voorzieningen vanuit onderwijs (passend onderwijs, leerlingbegeleiding).

Indien een aanvullende verzekering (gedeeltelijke) vergoeding biedt, wordt verwacht dat deze eerst wordt benut.

7. Vastlegging en motivering

De beoordeling van de eigen mogelijkheden, gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp en het netwerk wordt vastgelegd in het onderzoeksverslag.

De motivering bevat in ieder geval:

  • een beschrijving van de bestaande eigen mogelijkheden;

  • de mate waarin gebruikelijke of bovengebruikelijke hulp aanwezig of haalbaar is;

  • eventuele belemmeringen of overbelasting;

  • de conclusie of aanvullende jeugdhulp noodzakelijk is en zo ja, in welke omvang.

Het college hanteert dit toetsingskader als richtinggevend document en kan in beleidsregels nadere invulling geven aan de weging van factoren en de toepassing in specifieke situaties.

8. Afwijking en maatwerk

In uitzonderlijke situaties kan het college gemotiveerd afwijken van dit kader, wanneer dat in het belang is van de jeugdige of het gezin en leidt tot een evenredige en redelijke uitkomst.