Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR749565
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR749565/1
Algemene subsidieverordening Gemeenschappelijke Regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Algemene subsidieverordening Gemeenschappelijke Regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio 2026Intitulé
Algemene subsidieverordening gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio 2026
Het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio;
- gelet op het voorstel van het dagelijks bestuur van Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio ;
- gelet op artikel 149 Gemeentewet, artikel 30 Wet gemeenschappelijke regelingen, artikel 4:23 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 10 van de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio;
besluit de Algemene subsidieverordening gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio 2026 vast te stellen:
Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen
Artikel 1. Begripsomschrijvingen
In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. aanvrager: een (rechts-)persoon zonder winstoogmerk die op de voorgeschreven wijze een verzoek indient om subsidie te verkrijgen;
b. activiteiten: samenhangende werkzaamheden en handelingen gericht op het belang van de gemeenschappelijke regeling en/of de ingezetenen in de regio van het werkgebied van de gemeenschappelijke regeling en passend binnen de door het algemeen bestuur vastgestelde beleid op een of meer beleidsterreinen;
c. activiteitenplan: omvat een overzicht van activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (en de daarmee nagestreefde resultaten) en vermeldt per activiteit of product de daarvoor benodigde personele en materiële middelen (artikel 4:63 Wet);
d. algemeen bestuur: het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling SWVO;
e. dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van de gemeenschappelijke regeling SWVO;
f. de-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (Publicatieblad EU L 352/1); Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (Publicatieblad EU L 51 I/1); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (Publicatieblad EU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (Publicatieblad EU L 313/2);
g. Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld waaronder de Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (Publicatieblad EU L 156/1); de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (Publicatieblad EU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (Publicatieblad EU L 369/37);
h. GR: de gemeenschappelijke regeling SWVO, welke regeling is getroffen ingaande (01-01-1993);
i. Incidentele subsidie: subsidie voor een kortdurende en/of eenmalige activiteit.
j. onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
k. Structurele subsidie: subsidie die bedoeld is voor een langdurige activiteit met een terugkerend karakter. De structurele subsidie wordt doorgaans verstrekt voor één of meerdere jaren en wordt opgenomen in de begroting van SWVO.
l. subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten (artikel 4:21 wet);
m. (subsidie)jaar: het kalenderjaar;
l. subsidieontvanger: een (rechts)persoon waaraan, al dan niet onder voorwaarden en verplichtingen, een subsidie is verleend;
o. subsidieplafond: het bedrag dat gedurende een tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies voor bepaalde activiteiten (artikel 4:22 Wet);
p. wet: de algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Reikwijdte
1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies die passen binnen de taakvelden van artikel 6 van de GR met uitzondering van subsidies waarvoor een specifieke verordening is vastgesteld en voor subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de wet (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is).
2. Ten aanzien van subsidies als bedoeld in artikel 4:23, derde lid, van de wet (subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is) kan het dagelijks bestuur bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is.
Artikel 3. Nadere regels / bevoegdheden dagelijks bestuur
1. Het dagelijks bestuur kan nadere regels vaststellen waarin subsidiemogelijkheden, te subsidiëren activiteiten, doelgroepen, (eventuele) verdeling van de subsidie, de wijze waarop de subsidie wordt berekend en de wijze waarop de subsidiebedragen worden uitbetaald, worden omschreven.
2. Het dagelijks bestuur beslist op subsidieaanvragen met inachtneming van de in de programmabegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond en - als de begroting nog niet is vastgesteld - onder de voorwaarde dat voldoende gelden beschikbaar worden gesteld.
3. Het dagelijks bestuur legt na vaststelling, de nadere regels ter kennisname voor aan het algemeen bestuur.
Artikel 4. Staatssteunregels
1. Een aanvraag wordt getoetst aan de staatssteunregels (artikel 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europese Steunkader noodzakelijk is, kan het bevoegde bestuursorgaan bij subsidieverlening afwijken van deze verordening en deze aanvullen.
2. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het betreffende steunkader.
Hoofdstuk 2 Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
1. Binnen de door het algemeen bestuur (voor subsidiering) beschikbaar gestelde budgetten, kan het dagelijks bestuur per beleidsterrein of onderdeel daarvan jaarlijks een subsidieplafond vaststellen.
2. Bij de vaststelling van een subsidieplafond wordt aangegeven op welke wijze de beschikbare subsidie wordt verdeeld. De bekendmaking gebeurt vóór het tijdvak waarop zij betrekking heeft.
3. Het dagelijks bestuur kan een subsidieplafond verlagen als:
a. het wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld; en
b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld.
4. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond dat kan worden verlaagd overeenkomstig het vorige lid, wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen.
5. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.
Hoofdstuk 3 Aanvragen subsidie
Artikel 6. Aanvraag
1. Een aanvraag om subsidie wordt schriftelijk, zo mogelijk digitaal, ingediend bij het dagelijks bestuur. Indien hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld moet dat formulier worden gebruikt.
2. Bij een aanvraag voor subsidie overlegt de aanvrager in ieder geval de volgende gegevens:
a. De doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen;.
b. Een beschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (activiteitenplan).
c. Een begrotings- en dekkingsplan van de kosten van de activiteiten. Het dekkingsplan bevat, waar van toepassing, een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan;
d. Indien het bevoegde bestuursorgaan daarom vraagt, een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring);
e. Indien de aanvrager een egalisatiereserve heeft, de stand van zaken van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag;
3. Een rechtspersoon die voor de eerste maal subsidie aanvraagt, voegt een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, een uittreksel uit het handelsregister, het meest recente jaarverslag en de meest recente jaarrekening toe aan de aanvraag.
4. Het dagelijks bestuur kan binnen een door haar nader te bepalen termijn overlegging van andere stukken of anderszins nadere informatie verlangen, indien dit voor de beoordeling van de aanvraag voor subsidie noodzakelijk is.
5. Bij nadere regels kan van de voorgaande leden worden afgeweken.
Artikel 7. Aanvraagtermijn
1. Een aanvraag voor structurele subsidie wordt verstrekt, wordt ingediend uiterlijk 1 april voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft.
2. Andere aanvragen om subsidie worden minimaal 12 weken voordat de aanvrager voornemens is te beginnen met de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd ingediend.
3. Indien een aanvraag te laat is ingediend neemt het dagelijks bestuur deze niet in behandeling. In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur besluiten de aanvraag toch in behandeling te nemen.
Artikel 8. Beslistermijn
1. Het dagelijks bestuur beslist op een aanvraag om een structurele subsidie uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag is ingediend.
2. De onder het eerste lid genoemde termijn kan eenmalig worden verlengd met 12 weken.
3. Het dagelijks bestuur beslist op overige aanvragen binnen 12 weken nadat de volledige aanvraag is ingediend, dan wel als er een uiterste datum van indiening is vastgesteld binnen 12 weken gerekend vanaf deze uiterste datum.
4. Bij subsidieregeling kunnen andere termijnen worden gesteld.
5. Het dagelijks bestuur kan in bepaalde gevallen afwijken van de in het eerste en derde lid genoemde termijnen.
Hoofdstuk 4 Weigering, verplichtingen, wijziging en intrekking van de subsidie
Artikel 9. Weigeringsgronden
1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, van de wet en 4:35 van de wet kan het dagelijks bestuur de subsidie verder in ieder geval weigeren indien er redenen zijn om aan te nemen dat:
a. de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de in de GR SWVO deelnemende gemeenten of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de deelnemende gemeenten of haar ingezetenen;
b. de activiteiten waarvoor subsidie wordt gevraagd niet of onvoldoende passen in het beleid van de GR;
c. niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze is gevraagd;
d. de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen;
e. de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;
f. de aanvrager doelstellingen beoogt of activiteiten zal ontplooien die in strijd zijn met de wet- en regelgeving, het algemeen belang of de openbare orde;
g. de activiteiten uitsluitend of in hoofdzaak als doel hebben het uitdragen van overtuigingen of denkbeelden van religieuze, levensbeschouwelijke of politiek aard;
h. De aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden kan beschikken om de kosten van zijn activiteiten te dekken;
i. door andere overheden toegezegde middelen niet daadwerkelijk ter beschikking worden gesteld;
j. de gelden niet of niet voldoende zullen worden besteed aan het doel waarvoor subsidie beschikbaar wordt gesteld;
k. aan de aanvrager voor dezelfde activiteiten al door een of meer bestuursorganen of anderen voldoende subsidie is verstrekt;
l. de aanvrager niet alle beoogde vergunningen en ontheffingen voor de gesubsidieerde activiteiten heeft gekregen of kan krijgen;
m. de aanvrager met uitvoering van de activiteiten beoogt winst te maken;
Artikel 10. Verplichtingen van de subsidieontvanger
1. De subsidieontvanger verricht de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend.
2. De subsidieontvanger doet onmiddellijk schriftelijk melding aan het dagelijks bestuur zodra aannemelijk is dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, gedeeltelijk of niet zullen worden verricht of dat gedeeltelijk of niet aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden verplichtingen zal worden voldaan.
3. De subsidieontvanger informeert het dagelijks bestuur zo spoedig mogelijk schriftelijk over:
a. besluiten of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend of over ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon;
b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden;
c. ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de beschikking tot subsidieverlening verbonden voorwaarden geheel of gedeeltelijk niet kunnen worden nagekomen;
d. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon en het doel van de rechtspersoon.
4. Bij nadere regels of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet en de leden 1, 2 en 3 van dit artikel worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie.
5. Indien de subsidieontvanger niet voldoet aan de opgelegde verplichtingen kan de subsidie worden gewijzigd, herzien of ingetrokken. Indien de subsidie wordt ingetrokken beslist het dagelijks bestuur over terugvordering van te veel ontvangen subsidie.
Artikel 11. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
1. Bij incidentele subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.
2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Wet worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan.
3. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
Artikel 12. Wijziging, intrekking van de subsidie
1. Het dagelijks bestuur kan met toepassing van artikel 4:46 lid 2, artikel 4:48, artikel 4:49, artikel 4:50 de subsidie verlagen, intrekken of wijzigen.
2. Naast het bepaalde in artikel 4:48 Wet kan het dagelijks bestuur, zolang de subsidie niet is vastgesteld, de subsidieverlening intrekken of wijzigen als:
a. de subsidieontvanger geen gebruik maakt van de subsidie binnen zes maanden na verlening, tenzij in de verleningsbeschikking andere afspraken zijn gemaakt; of
b. de subsidieontvanger daartoe een schriftelijk verzoek indient.
Artikel 13. Wet bibob
Het dagelijks bestuur kan voor subsidies bepalen dat de gevraagde subsidie kan worden geweigerd of de verleende subsidie kan worden ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur.
Hoofdstuk 5 Verlenen van subsidie
Artikel 14. Verlenen van subsidie
1. Subsidies tot en met € 5.000 worden direct vastgesteld via een beschikking tot subsidievaststelling;
2. Subsidies die meer bedragen dan € 5.000 worden verleend via een beschikking tot subsidieverlening;
3. Het dagelijks bestuur is bevoegd om verplichtingen aan deze beschikking te verbinden;
4. In de beschikking tot subsidieverlening wordt naast de verplichtingen zoals in het derde lid opgenomen:
a. het tijdvak waarvoor subsidie wordt verstrekt;
b. de hoogte van de subsidie;
c. de activiteiten waarvoor subsidie wordt verstrekt;
d. de prestatieafspraken ( beoogde resultaten);
e. de financiële bepalingen;
f. de wijze van verantwoorden;
g. de wijze en termijn van het aanvragen van de vaststelling van subsidie.
5. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het dagelijks bestuur in bijzondere gevallen ook voor subsidiebedragen die hoger zijn dan € 5.000 volstaan met een subsidievaststelling.
Artikel 15. Egalisatiereserve en bestemmingsreserve
1. Het dagelijks bestuur kan bij de vaststelling van de subsidie toestemming verlenen aan de subsidieontvanger om het positieve verschil tussen de verleende subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten toe te voegen aan de algemene reserves of bestemmingsreserves. Dit kan slechts wanneer de subsidieontvanger alle activiteiten waarvoor subsidie is verleend heeft verricht en aan alle verplichtingen opgenomen in de beschikking tot subsidieverlening heeft voldaan.
2. De toevoeging aan de reserve zoals in lid 1 beschreven bedraagt jaarlijks niet meer dan 10% van het voor dat boekjaar verstrekte bedrag. Overschrijding van dit percentage kan leiden tot terugvordering van (een gedeelte van) de subsidie.
3. In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur afwijken van de in het tweede lid genoemd percentage. Deze bevoegdheid heeft het dagelijks bestuur slechts indien de subsidieontvanger naar het oordeel van het dagelijks bestuur de noodzaak voor een hogere reservering voldoende heeft aangetoond.
4. De subsidieontvanger neemt de egalisatiereserve op in de begroting en de jaarrekening of financiële verantwoording met daarbij een omschrijving van het doel en onderbouwing van de noodzakelijke hoogte ervan.
5. Indien de subsidieontvanger naast de subsidie van GR SWVO ook nog middelen van derden ontvangt, dient in het financieel verslag duidelijk zichtbaar te worden gemaakt, welk deel van het tekort, c.q. overschot respectievelijk ten laste dan wel ten gunste van de egalisatiereserve is gebracht. Indien dit niet mogelijk is, dan zal het aandeel van GR SWVO in het totale resultaat naar rato van het aandeel in de totale baten worden bepaald.
6. De van de egalisatiereserve genoten rente wordt aan de egalisatiereserve toegevoegd.
7. In het geval er sprake is van een egalisatiereserve, die is gevormd en/of gevoed met gemeentelijke middelen ten behoeve van gesubsidieerde activiteiten, kan het dagelijks bestuur besluiten deze middelen in mindering te brengen op de te verlenen subsidie voor een volgend tijdvak.
8. Indien de subsidieontvanger een vergoeding voor vermogensvorming verschuldigd is als bedoeld in artikel 21 dan is de subsidieontvanger terzake van de egalisatiereserve vergoeding plichtig naar evenredigheid van de mate waarin de subsidie aan de egalisatiereserve heeft bijgedragen.
9. Een aanvrager die subsidie ontvangt en met deze subsidie een bestemmingsreserve (niet zijnde een egalisatiereserve) of een voorziening wil vormen, dient hiervoor schriftelijk toestemming te vragen aan het dagelijks bestuur.
In het verzoek aan het dagelijks bestuur moet de subsidieaanvrager aangeven:
a. het doel;
b. de omvang;
c. het bestedingsplan, en;
d. de duur.
Hoofdstuk 6 Verantwoorden en vaststellen subsidie
Artikel 16. Cumulatie
De in de artikelen 17 t/m 20 genoemde bedragen zien toe op de in totaal aan een aanvrager in een kalenderjaar toegekende subsidiebedragen.
Artikel 17. Wijze van verstrekken en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000
1. Voor subsidies tot en met € 5.000 vindt verantwoording plaats door middel van een melding of de activiteit waarvoor de subsidie bestemd was heeft plaatsgevonden.
2. Deze melding dient uiterlijk 12 weken nadat de activiteit volgens planning heeft plaatsgevonden te worden gedaan dan wel, indien het om een subsidie per kalenderjaar gaat, vóór 1 mei van het volgend jaar.
3. Indien bij de verleningsbeschikking de subsidieontvanger wordt verplicht om op de daarbij aangewezen wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen vindt de vaststelling plaats binnen 12 weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt.
Artikel 18. Wijze van verstrekken en eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000
1. Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 5.000 maar minder dan € 50.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het dagelijks bestuur:
a. bij een per kalenderjaar of voor meerdere kalenderjaren verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar, waarvoor de subsidie is verleend
b. bij overige subsidies, uiterlijk 12 weken na het verricht zijn van de activiteiten, tenzij anders is bepaald in de beschikking tot subsidieverlening.
2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt in hoeverre de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.
3. De bestuursorganen van de GR SWVO kunnen bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd en/of dat andere indieningstermijnen worden gehanteerd.
Artikel 19. Verantwoording subsidies tussen € 50.000 en € 100.000
1. Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan € 50.000 maar minder dan € 100.000, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het dagelijks bestuur:
a. bij een per kalenderjaar of voor meerdere kalenderjaren verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar, waarvoor de subsidie is verleend
b. bij overige subsidies, uiterlijk 12 weken na het verricht zijn van de activiteiten, tenzij anders is bepaald in de beschikking tot subsidieverlening.
2. De aanvraag tot vaststelling bevat:
a. Een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt in hoeverre de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan.
b. Een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening).
3. De bevoegde bestuursorganen van GR SWVO kunnen bepalen dat ook andere, of minder dan de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd en/of dat andere indieningstermijnen worden gehanteerd.
Artikel 20. Verantwoording subsidies van € 100.000 en meer
1. Indien de subsidieverlening van € 100.000 en meer, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het dagelijks bestuur:
a. bij een per kalenderjaar of voor meerdere kalenderjaren verstrekte subsidie, uiterlijk vóór 1 mei in het jaar na afloop van het kalenderjaar , waarvoor de subsidie is verleend
b. bij overige subsidies, uiterlijk 12 weken na het verricht zijn van de activiteiten, tenzij anders is bepaald in de beschikking tot subsidieverlening.
2. De aanvraag tot vaststelling bevat:
a. Een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt in hoeverre de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend zijn verricht, welke resultaten zijn bereikt en op welke wijze de activiteiten hebben bijgedragen aan de realisatie van de vastgestelde doelstellingen.
b. Een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening)
c. Een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant
3. De bestuursorganen van de GR SWVO kunnen bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens en bescheiden die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd en/of dat andere indieningstermijnen worden gehanteerd.
Artikel 21. Vergoeding voor vermogensvorming
1. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41 tweede lid Wet is de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd welke bij afzonderlijke beschikking door het bevoegde bestuursorgaan wordt vastgesteld.
2. De vergoeding bedraagt maximaal het aandeel van SWVO in de vermogensvorming, Het aandeel van SWVO betreft de verhouding tussen de subsidie van SWVO waarmee is bijgedragen aan de vermogensvorming ten opzichte van de andere middelen die daartoe hebben bijgedragen.
3. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de economische waarde van de eigendommen en de andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd wordt met dien verstande dat bij verlies of beschadiging van eigendommen wordt uitgegaan van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidie ontvangen is.
4. Indien het een onroerende zaak betreft, geschiedt de waardebepaling door een door het bevoegde bestuursorgaan in overleg met de subsidieontvanger aan te wijzen onafhankelijke deskundige.
5. Het dagelijks bestuur kan op een daartoe strekkend verzoek besluiten dat geen vergoeding verschuldigd is indien de activiteiten of werkzaamheden van de subsidieontvanger worden overgenomen en voortgezet door een rechtspersoon met een gelijke of nagenoeg gelijke doelstelling en de activa en passiva tegen boekwaarde worden overgenomen.
Artikel 22. Betaling van een voorschot
1. Het dagelijks bestuur kan beslissen tot bevoorschotting van de subsidie. De hoogte en termijnen van de voorschotten worden in de beschikking tot subsidieverlening bepaald.
2. In bijzondere gevallen kan het dagelijks bestuur, vooruitlopend op een beschikking tot subsidieverlening, al tot bevoorschotting overgaan.
Artikel 23. Verrekening
Aan de GR SWVO verschuldigde bedragen verband houdend met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend kunnen worden verrekend met te betalen subsidiebedragen.
Artikel 24. Vaststelling subsidie
1. Het dagelijks bestuur stelt de subsidie vast uiterlijk op 31 december van het jaar waarin de aanvraag tot subsidievaststelling is ontvangen.
2. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet binnen de in artikel 17 t/m 20 genoemde termijnen is ontvangen kan het dagelijks bestuur 6 weken na een eenmalig rappel overgaan tot ambtshalve vaststelling.
3. Vaststelling van een subsidie die voor meerdere jaren is verleend geschiedt jaarlijks tenzij in de subsidiebeschikking anders is bepaald.
Artikel 25. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen
1. Indien bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze.
2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities.
Hoofdstuk 7 Overige bepalingen
Artikel 26. Toezicht
1. Het dagelijks bestuur kan personen aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening of van de verplichtingen in de Wet.
2. De subsidieontvanger is verplicht alle medewerking te verlenen aan de toezichthouder.
3. De subsidieontvanger verleent, op verzoek, aan het dagelijks bestuur of aan door of namens het dagelijks bestuur aangewezen personen, altijd inzage in de administratie, en verstrekt de informatie welke voor de beoordeling van de besteding van het subsidie van belang kunnen zijn.
4. De subsidieontvanger bewaart alle bewijsstukken die van belang zijn voor de subsidieverstrekking tenminste gedurende vijf jaar na de vaststelling van de subsidie en stelt deze op verzoek ter beschikking voor controledoeleinden.
Artikel 27. Hardheidsclausule
1. Het dagelijks bestuur kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van de aanvrager of subsidieontvanger leidt tot onbillijkheid van overwegende aard.
2. In alle gevallen waarin deze verordening en de aan deze verordening verbonden nadere regels niet of niet voldoende voorzien, beslist het dagelijks bestuur.
Artikel 28. Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
1. Deze verordening treedt in werking na bekendmaking op 1 januari 2026 en is voor het eerst van toepassing voor subsidieverlening die betrekking heeft op het kalenderjaar 2027.
2. Bij subsidies die verleend zijn voor inwerkingtreding van deze verordening blijft de Algemene subsidieverordening SWVO 2016 van toepassing totdat de subsidie is vastgesteld.
3. De Algemene subsidieverordening Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio 2016 wordt ingetrokken.
Artikel 29. Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als “Algemene subsidieverordening SWVO 2026”.
Algemene toelichting
Awb
Van belang is erop te wijzen, dat een groot deel van het juridisch kader, dat voor subsidieverlening geldt, al in de landelijke wetgeving is opgenomen, te weten in Titel 4.2. van Hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De Algemene Subsidieverordening vormt een aanvulling op die bepalingen in de subsidieverordening van de GR SWVO. De Awb bevat een aantal zogenaamde facultatieve bepalingen. Als de wens bestaat zo'n bepaling toe te passen dan moet dat in de algemene subsidieverordening gebeuren. Als er een relatie bestaat tussen de bepalingen uit de Algemene Subsidieverordening en de Awb wordt dit vermeld in de navolgende artikelsgewijze toelichting.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1. Definities
In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken.
De-minimissteun
De-minimissteun is steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352/1); Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 51 I/1); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2). Kort gezegd komt het erop neer dat een onderneming in sommige gevallen moet verklaren dat het niet meer (overheids-)steun ontvangt dan de drempel die is opgenomen in de genoemde Europese Verordeningen.
Onderneming
Het betreft een onderneming in de zin van het Europees staatssteunrecht. Dat betekent dat ook een stichting of een vereniging een onderneming kan zijn. Dit moet beoordeeld worden aan de hand van de activiteiten die ze uitvoert.
Artikel 2. Reikwijdte Eerste lid
Met het eerste lid krijgt het DB de bevoegdheid overgedragen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de Algemene subsidieverordening van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarin in een verordening een uitputtende regeling is opgenomen.
In het artikel wordt verwezen naar de taken uit de GR SWVO, artikel 6. Hierin staat:
Artikel 6 – Taken
1. Ter uitvoering van de in artikel 5, onder a genoemde belangen worden de navolgende taken en bevoegdheden overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regeling:
a. beleidsvoorbereiding en beleidsvorming voor de uitvoering van de Wmo met uitzondering van de toekenning van maatwerkvoorzieningen;
b. het organiseren en zorgdragen voor de uitvoering van clientondersteuning en andere algemene voorzieningen waaronder het algemeen maatschappelijk werk, ex. artikelen 2.2.3 en 2.2.4 Wmo;
c. inkoop en aanbesteding van maatwerkvoorzieningen Wmo, ex. artikel 2.6.3 tot en met 2.6.5 Wmo;
d. het organiseren en zorg dragen voor de uitvoering van volwasseneducatie op grond van de artikelen 2.3.3, 2.3.4 en 2.3.6 van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
e. cultuureducatie op grond van de Regeling Cultuureducatie met Kwaliteit Fonds voor Cultuurparticipatie 2021-2024;
f. organiseren en uitvoeren bibliotheekwerk op grond van de Wet stelsels openbare bibliotheekvoorzieningen;
g. beleidsvoorbereiding en beleidsvorming op het gebied van preventief gezondheidsbeleid.
2. Ter uitvoering van de in artikel 5, onder a genoemde belangen worden de navolgende taken in mandaat en bij volmacht overgedragen aan het dagelijks bestuur van de regeling:
a. het toekennen van leerlingenvervoer, op grond van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer ex. Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra;
b. de inkoop en aanbesteding van uitvoerders van leerlingenvervoer, op grond van de Verordening bekostiging leerlingenvervoer ex Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs en Wet op de expertisecentra;
c. het uitvoeren van de toezichthoudende taak met de bevoegdheid van ondermandaat, om toezichthouders aan te wijzen voor toezicht op de naleving van het bepaalde binnen de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en Jeugdwet.
3. Tevens dragen de colleges aan het dagelijks bestuur van de GR de taken en bevoegdheden over ten aanzien van de uitvoering van wet- en regelgeving die in plaats treedt van de hiervoor genoemde wet- en regelgeving, alsmede het ter zake geldende overgangsrecht.
4. Het algemeen bestuur kan besluiten, met inachtneming van het bepaalde in artikel 5, dat voor één of meer gemeenten additionele voorzieningen worden getroffen en additionele activiteiten worden ontplooid. In afwijking van hetgeen bepaald in artikel 11 neemt het algemeen bestuur dit besluit bij eenparigheid van stemmen.
Tweede lid
Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is (zoals bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de ASV GR SWVO eveneens van toepassing.
Artikel 3. Bevoegdheid
Met dit artikel krijgt het DB de bevoegdheid om in nadere regels de te subsidiëren activiteiten te bepalen (‘subsidieregeling'). Ook kan het DB in de subsidieregeling bepalen welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en op welke wijze de subsidie wordt uitbetaald. In andere artikelen van de ASV worden andere bevoegdheden gedelegeerd die betrekking hebben op de inhoud van de subsidieregeling: het afwijken van termijnen, het verbinden van bepaalde verplichtingen aan de subsidie en de wijze van verdelen van het subsidieplafond.
Voor zover het DB geen gebruik maakt van de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen is het slechts in beperkte mate mogelijk om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld. Op grond van artikel 4:23, derde lid, van de Awb bestaan hierop maar vier uitzonderingen:
a. de spoedeisende subsidieverstrekking (tijdelijk, vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift);
b. begrotingssubsidie; de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te vermelden);
c. de incidentele subsidieverstrekking (voor uitzonderlijke gevallen, en als er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend);
d. de Europese subsidies.
Artikel 4. Staatssteunregels
De Algemene wet bestuursrecht bepaalt in artikel 4:35, derde lid, dat subsidie moet worden geweigerd, wanneer dit niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Dat betekent dat er bij een aanvraag voor subsidie altijd een toets dient plaats te vinden aan deze artikelen. Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er in de subsidieregeling afgeweken wordt van de ASV GR RHvB, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het DB daartoe bevoegd. Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader.
Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud Eerste lid
Het bevoegd orgaan stelt de subsidieplafonds vast (eerste lid); bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de door hen bepaalde wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De wijze van verdelen kan ook worden bekendgemaakt door te verwijzen naar de subsidieregeling waarin de wijze van verdeling is vastgelegd. In dat laatste geval zal verwezen moeten worden naar een reeds geldende subsidieregeling. In andere gevallen zal geregeld (moeten) zijn dat óf de subsidieregeling en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden óf dat de subsidieregeling weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. De raad stelt de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het DB de subsidieplafonds kan vaststellen.
Het DB, dat via artikel 2 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (vierde lid).
Tweede en derde lid
De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan:
• 1) aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd.
• 2) verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting, en
• 3) de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond.
Om te waarborgen dat het DB alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt zijn het tweede, derde en vierde lid opgenomen. Het komt erop neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond.
Artikel 6. Aanvraag
In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan; en dat als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG).
Er moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook die afkomstig zijn van de overheid (met staatsmiddelen bekostigd). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs etc. bestaan.
Daarnaast kan het DB vragen om een de-minimisverklaring.
Bij subsidieregeling kan het DB besluiten hiervan af te wijken bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen.
Artikel 7. Aanvraagtermijn
De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar worden verstrekt, en subsidies die voor een andere periode worden aangevraagd.
Uit het vijfde lid van dit artikel volgt dat het DB in een subsidieregeling kan besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die zijn vastgesteld in het eerste en tweede lid.
Artikel 8. Beslistermijn
Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het DB gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Ook hierbij is onderscheid gemaakt tussen subsidies per kalenderjaar, en subsidieaanvragen voor een andere periode. Op basis van artikel 27, algemene hardheidsclausule, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld.
Indien er sprake is van staatssteun moet de beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, worden verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden.
Artikel 9. Weigerings-, wijziging en intrekking van de subsidie
In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, aangevuld met andere gronden waarop het DB de subsidie kan weigeren.
De onder 9 h opgenomen weigeringsgrond benadrukt, dat subsidieverlening veelal pas aan de orde komt als de aanvrager zelf onvoldoende financiële middelen heeft om de activiteiten, die de GR in het algemeen belang acht te bekostigen. Beschikt een organisatie over een substantieel eigen vermogen, te denken is aan een eigen vermogen dat meer dan 40 % bedraagt van het totaal vermogen, dan wordt bekeken of de aanvraag geheel of gedeeltelijk geweigerd moet worden. Dit geldt ook als een organisatie een begroting overlegt die een positief exploitatiesaldo laat zien of ruimte lijkt te bevatten.
Artikel 10. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger
Dit artikel bevat een meldingsplicht en informatieplicht die voor alle subsidieontvangers geldt. Met ‘schriftelijk’ in het tweede en derde lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het DB de digitale weg open heeft gesteld. Voor het derde lid geldt dat de subsidieontvanger toestemming van het DB nodig heeft.
Artikel 11. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het DB om aan de subsidie bepaalde ‘bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) van de Awb. In beginsel dient de ASV hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking.
Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.
Artikel 12 Wijziging en intrekking van de subsidie
In dit artikel is opgenomen dat het DB een subsidie kan verlagen, intrekken of wijzigen. Er wordt verwezen naar de artikelen uit de Awb.
Artikel 13 Wet bibob
De Wet bibob is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument. Als er een ernstig gevaar dreigt dat bijvoorbeeld een vergunning of subsidieverstrekking wordt misbruikt, kan het bevoegde bestuursorgaan de aanvraag weigeren of de afgegeven vergunning/subsidieverlening intrekken. Zo wordt bijvoorbeeld voorkomen dat de overheid criminele activiteiten faciliteert en wordt bovendien de concurrentiepositie van bonafide ondernemers en instellingen beschermd. Om de mate van gevaar te bepalen, kan het bestuursorgaan een advies aanvragen bij het Bureau bibob in Den Haag. De Wet bibob is sinds 2019 ook toepasbaar op subsidies.
Artikel 14. Verlening subsidie
De Awb kent twee manieren om een subsidie te verstrekken. De meest gebruikelijke is om voordat de activiteiten plaats zullen vinden een beschikking tot subsidieverlening te nemen. Als dan de activiteiten (al dan niet) hebben plaatsgevonden, wordt een beschikking tot subsidievaststelling genomen. Pas dan ontstaat er een definitief recht op subsidie. De subsidie wordt in beginsel vastgesteld op de verleende subsidie (artikel 4:46 Awb), tenzij de activiteiten niet of slechts gedeeltelijk zijn uitgevoerd. In dat geval kan de subsidie lager of zelfs op nihil worden vastgesteld. Een andere uitzondering is het geval waarin vooraf, dus bij de subsidieverlening, wordt bepaald dat de vaststelling achteraf op een andere manier zal plaatsvinden, bijvoorbeeld op nacalculatiebasis.
De tweede manier om subsidie te verstrekken, is te volstaan met alleen een beschikking tot subsidievaststelling. In dit artikel is bepaald, dat voor subsidie tot en met € 5.000 wordt volstaan met alleen een beschikking tot subsidievaststelling en dat voor hogere bedragen – uitzonderingen daargelaten – wordt gewerkt met twee beschikkingen, een verlenings- en een vaststellingsbeschikking.
Artikel 15. Egalisatiereserve en bestemmingsreserve
De mogelijke vorming van een egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een subsidieontvanger kan op grond van dit artikel worden aangewezen een egalisatiereserve te vormen.
In dit artikel staan de bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het creëren van een egalisatiereserve. Dit is een buffer waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar. Het kan niet de bedoeling zijn dat deze reserve onnodig groot wordt. Om dit te voorkomen is de behoefte er om per situatie een redelijk percentage te bepalen. Daarom kan in de beschikking worden vastgesteld dat deze reserve een maximaal percentage van de totale exploitatielasten of toegekende subsidie van de aanvrager mag bedragen.
De subsidieontvanger kan verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van het eerste of tweede lid alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt. In de Awb wordt de term egalisatiereserve gehanteerd. Artikel 4:72 Awb Indien dit bij wettelijk voorschrift of bij de subsidieverlening is bepaald, vormt de ontvanger een egalisatiereserve.
Het verschil tussen de vastgestelde subsidie en de werkelijke kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend komt ten gunste onderscheidenlijk ten laste van de egalisatiereserve. De egalisatiereserve wordt zo hoog rentend en zo veilig als redelijkerwijs mogelijk is belegd
Reserves maken deel uit van het eigen vermogen van de instelling. De instelling kan vrij beschikken over de betreffende middelen. Reserves worden gevormd uit exploitatieoverschotten en zijn dus een winstbestemming.
Er bestaat onderscheid tussen algemene reserves en bestemmingsreserves. Algemene reserves zijn reserves met een algemeen karakter en derhalve vrij aanwendbaar. Zij zijn onder andere bedoeld om eventuele bedrijfsrisico’s op te vangen. Bestemmingsreserves zijn specifieke reserves, waaraan vooraf een bestemming is gegeven.
Voorbeelden van bestemmingsreserves zijn:
− Reserve ten behoeve van inventaris (onderhoud en vervanging)
− Reserve ten behoeve van onderhoud eigen gebouwen
− Reserve ten behoeve van bepaalde omschreven, niet reguliere, activiteiten zoals jubilea Reserves moeten worden onderscheiden van voorzieningen.
Voorzieningen behoren tot het vreemd vermogen van de instelling, gevormd met het oog op toekomstige verplichtingen. De hoogte van de voorziening moet corresponderen met de toekomstige verplichting. Voorzieningen zijn gericht op het kunnen voldoen aan vooraf duidelijk kwantificeerbare verplichtingen. Voorzieningen kunnen louter worden aangewend voor het doel waarvoor zij zijn ingesteld. Voorzieningen worden gevormd uit de exploitatie in het jaar waarop de verplichting is ontstaan en dienen tot gelijkmatige verdeling van de lasten over een beperkt aantal jaren. Het vormen van voorzieningen is een normaal aspect van de bedrijfsvoering en dient daarom onderdeel uit te maken van de begroting en rekening van de instelling. Voorbeelden van voorzieningen zijn:
- Personele verplichtingen (ziektevervanging, wachtgeldverplichting, reorganisatiekosten, e.d.)
- Belastingverplichtingen
- Te verwachten schadeclaims van derden
- Groot onderhoud en renovaties
Het opnemen van bepalingen over vermogensvorming heeft een tweeledig doel. Enerzijds is het belangrijk dat instellingen beschikken over voldoende reserves om tegenvallers op te kunnen vangen. Anderzijds is het niet wenselijk dat instellingen overmatig veel reserves opbouwen met subsidiegelden.
Indien een subsidieontvanger behalve een negatief exploitatieresultaat ook andere onttrekkingen aan deze reserve wil doen dan heeft de subsidieontvanger van de GR hiervoor toestemming nodig.
Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 van de Awb alleen van toepassing in het geval van per kalenderjaar verstrekte subsidie. Daarvoor is vereist dat in het verleningsbesluit of Algemene subsidieverordening de verplichting daartoe wordt opgenomen.
Artikel 15 lid 5 regelt de situatie dat de subsidieontvanger ook van andere financiers dan de GR middelen ontvangt en hoe je dan het aandeel GR in het exploitatieresultaat en vervolgens egalisatiereserve bepaalt. Als de subsidieontvanger in de administratie en verantwoording de lasten en baten van de verschillende financiers apart zichtbaar maakt is dit aandeel eenvoudig vast te stellen. Indien een subsidieontvanger dit niet per financier in beeld brengt zal het aandeel van de gemeenschappelijke regeling in het totale resultaat naar rato van het aandeel in de totale baten worden bepaald. Ter illustratie: Als de subsidies van de GR 75% van de omzet vormt dan kan van het gerealiseerde exploitatieresultaat 75% toegevoegd of onttrokken worden aan de egalisatiereserve GR.
Lid 9 biedt de mogelijkheid aan een aanvrager om naast een egalisatiereserve één of meerdere bestemmingsreserves en/of voorzieningen te vormen. Om een goed gebruik van de financiële middelen te waarborgen, dient hiervoor toestemming aan het dagelijks bestuur te worden gevraagd. Het verlenen van toestemming betekent ook dat de instelling verplicht is die reserve en/of voorziening te vullen op de voorgenomen wijze.
Artikel 16. Cumulatie
In de artikelen 17 t/m 20 zijn de verschillende verantwoordingsverplichtingen vastgesteld. Welke verplichting geldt is afhankelijk van de hoogte van het subsidiebedrag. In artikel 16 is bepaald dat deze hoogte moet worden vastgesteld door het – waar van toepassing – optellen van de verschillende subsidiebedragen, die aan een subsidieontvanger in een kalenderjaar worden verleend. Als aan een subsidieontvanger bijvoorbeeld een jaarlijkse subsidie van 100.000 euro is verleend en een eenmalige subsidie van 30.000 euro, geldt voor de verantwoordingsverplichting, dat artikel 20 van toepassing is (subsidie boven de 125.000 euro).
Artikel 17 t/m 20. Eindverantwoording subsidies
In de verantwoordingsplicht wordt een onderscheid gemaakt tussen subsidies tot en met € 5.000 , subsidies tussen € 5.000 en € 50.000, subsidies tussen € 50.000 en € 100.000 en subsidies van € 100.000 en meer. Subsidies tot en met € 5.000 worden op grond van artikel 14 verstrekt middels een eenmalige vaststellingsbeschikking. De verantwoording bestaat slechts uit een melding of de activiteit heeft plaatsgevonden.
Subsidies van € 5.000 en meer worden verstrekt door een beschikking tot subsidieverlening en vervolgens een beschikking tot subsidievaststelling. Deze laatste kan pas gegeven worden nadat verantwoording is afgelegd.
Tot € 50.000 moet er een inhoudelijk verslag worden geleverd, tot € 100.000 een inhoudelijk verslag en een jaarrekening, en indien aan een subsidieontvanger € 100.000 of meer subsidie is verleend moet daar een controleverklaring van de accountant bijgevoegd worden.
Onder een jaarrekening dient in dit verband verstaan te worden een balans, exploitatierekening en toelichting. Voor de jaarrekening of een financieel verslag zijn er de volgende richtlijnen:
– Exploitatiecijfers worden vergeleken met de begrotingscijfers en de realisatiecijfers van het voorgaande jaar.
– een specificatie van de in de exploitatie verantwoorde subsidies van SWVO
– De besteding van de subsidies van SWVO worden per subsidie voldoende gespecificeerd.
Accountantscontrole
– In het geval de subsidieontvanger in het verslagjaar in totaal meer dan € 100.000 aan subsidies van GR SWVO ontvangt dan dient de jaarrekening of een financieel verslag een controleverklaring te bevatten. De accountant dient in zijn controle na te gaan:
o of de regels m.b.t. de jaarrekening of financieel verslag zijn gevolgd
o of de gerapporteerde prestaties juist zijn voor zover deze hiervoor in de subsidievoorwaarden zijn aangewezen.
o of de jaarrekening of een financieel verslag met het inhoudelijk verslag verenigbaar is.
o of de verantwoording in overeenstemming is met de subsidievoorwaarden van GR SWVO
Controleverklaring
– De subsidieontvanger is verplicht een controleopdracht te verstrekken aan een accountant als bedoeld in artikel 2:393, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, resulterend in een controleverklaring. De controle richt zich op de getrouwheid en rechtmatigheid van de verantwoordingsinformatie
– In het geval de controleverklaring niet goedkeurend is dan volgt met de subsidieontvanger een gesprek om de oorzaken te bespreken en te bezien of en zo ja met welke proportionele maatregelen het in de toekomst wel mogelijk is tot een goedkeurende controleverklaring te komen.
– Review: GR SWVO heeft de bevoegdheid tot review op de verrichte werkzaamheden van controlerend accountant van de subsidieontvanger. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat zijn accountant hiermee instemt.
Artikel 21 Vergoeding voor vermogensvorming
In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:
• als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt;
• als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen;
• als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd;
• als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of
• de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden.
Deze vergoedingsplicht geldt echter alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen).
Artikelen 22 tot en met 26 behoeven geen toelichting.
Artikel 27 Hardheidsclausule
Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan hetgeen in de ASV SWVO is opgenomen kan leiden tot een onredelijke situatie.
Artikel 28 Inwerkingtreding en overgangsbepalingen
De ASV treedt in werking na bekendmaking op 1 januari 2026. Op subsidies die zijn aangevraagd c.q. verstrekt onder het regime van de oude, in te trekken, ASV blijft de oude verordening van toepassing. Dat biedt zekerheid aan subsidieontvangers van eerdere beschikkingen.
Artikel 29 behoeft geen toelichting.
Ondertekening
Ondertekening
Aldus besloten te Goes in de openbare vergadering van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Samenwerkingsverband Welzijnszorg Oosterschelderegio op 2 oktober 2025.
Namens het bestuur SWVO
C.W.G.J. van Leeuwen
Voorzitter
P.C. Verburg
Directeur-secretaris
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl