Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748961
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748961/1
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Lopik 2026
Geldend van 01-01-2026 t/m heden
Intitulé
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Lopik 2026De raad van de gemeente Lopik;
gelezen het voorstel van het college van 7 oktober 2025;
gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;
besluit:
de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Lopik 2026’ vast te stellen.
Hoofdstuk 1 Leidende principes en begripsbepalingen
Artikel 1.1 Leidende principes
Bij het toepassen van de regels uit deze Verordening houdt het college rekening met de doelen van de genoemde wetten. Het college zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen.
In de gemeente Lopik zetten we ons in voor een samenleving waarin iedereen naar vermogen kan meedoen en ondersteuning beschikbaar is voor wie die écht nodig heeft. Onze integrale verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp geeft richting aan hoe we dit in de praktijk brengen. We hanteren hierin vier leidende principes die ons helpen om ondersteuning mensgericht, toekomstbestendig en rechtvaardig te organiseren:
Normaliseren
We onderkennen dat het leven uitdagingen kent. Niet elke hobbel vraagt om professionele hulp. We stimuleren het besef dat ongemak, tijdelijk uit balans zijn of opvoedingsvragen bij het gewone leven horen. Door dit te normaliseren voorkomen we afhankelijkheid van zorg en ondersteuning en overvraging van het sociaal domein. In onze ondersteuning richten we ons op veerkracht, eigen regie en samenredzaamheid.
Het ‘goed genoeg’-principe
Perfectie is niet altijd nodig om goed te kunnen functioneren. We kijken naar wat voor de inwoner of het gezin ‘goed genoeg’ is om de dagelijkse realiteit zelfstandig of met lichte ondersteuning aan te kunnen. Dit helpt ons bij het stellen van realistische verwachtingen, zowel voor de inwoner als voor onszelf als gemeente.
Krachtgericht werken & wederkerigheid
We geloven in de eigen kracht van inwoners en hun netwerken. Dit vraagt van professionals een basishouding van vertrouwen, erkenning van talenten en het versterken van vaardigheden. Ondersteuning is in principe tijdelijk en gericht op herstel van zelfstandigheid. We doen een beroep op wederkerigheid: als gemeente zetten wij ons in, maar we verwachten ook actieve inzet van de inwoner zelf en zijn omgeving.
Maatwerk & rechtsgelijkheid
Ondersteuning wordt altijd afgestemd op de persoonlijke situatie. Tegelijk zorgen we ervoor dat deze eerlijk en transparant is, met oog voor rechtsgelijkheid. We maken heldere afwegingen over wat tot de eigen verantwoordelijkheid hoort (eigen kracht, gebruikelijke hulp, hulp uit sociaal netwerk) en waar professionele ondersteuning noodzakelijk is. Termen als ‘gebruikelijke hulp’, ‘algemeen gebruikelijke voorzieningen’ en ‘maatwerk’ zijn duidelijk omschreven, zodat de reikwijdte van ondersteuning afgebakend is.
Door deze principes consequent toe te passen, zorgen we voor een scherpe afbakening van verantwoordelijkheden en versterken we de sociale basis in onze gemeente. We zetten in op een beweging naar voren: preventie, collectieve oplossingen en inzet op het voorliggend veld gaan voor individuele maatwerkvoorzieningen. Zo behouden we ruimte voor maatwerk daar waar het écht nodig is, voor inwoners die geen steun kunnen vinden in hun omgeving, of voor wie de complexiteit van de situatie specialistische hulp vraagt.
Onze integrale aanpak houdt rekening met de volle breedte van het leven: van opvoedvragen bij jeugd tot mobiliteitsondersteuning bij ouderdom. Door de verbinding tussen Wmo en Jeugdwet te versterken, werken we gezinsgericht, domein overstijgend en toekomstbestendig.
Deze verordening is geen eindpunt, maar een kader dat mee beweegt met maatschappelijke ontwikkelingen. We blijven evalueren, leren en samenwerken met inwoners, professionals en partners in de gemeente en de regio om ondersteuning toegankelijk, houdbaar en betaalbaar te houden.
Artikel 1.2 Begripsbepalingen
- a.
Aanvraag: een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.
- b.
Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:
- o
niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking;
- o
daadwerkelijk beschikbaar is;
- o
een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;
- o
financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.
- o
- c.
Algemene voorziening: dienst of product die gericht is op maatschappelijke ondersteuning of hulp vanuit de Jeugdwet. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk zonder voorafgaand onderzoek naar de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de inwoner. In de Wmo verwijst deze term naar algemene voorzieningen zoals in artikel 1.1.1 van de Wmo.
- d.
Andere voorziening: ondersteuning waar op grond van een andere (wettelijke) regeling dan bedoeld in de Wmo of de Jeugdwet aanspraak op kan worden gemaakt.
- e.
Budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt op grond van de Jeugdwet of de Wmo. De jeugdige onder de 18 jaar is budgethouder als hij of zij een pgb ontvangt, ook al beheren de ouders of een ander, één ouder of een familielid, het budget.
- f.
Cliëntondersteuning: gratis en onafhankelijke hulp aan een inwoner in de vorm van informatie, advies en algemene ondersteuning, op alle levensgebieden gedurende het gehele proces van een ondersteuningsvraag. De clientondersteuning Jeugd volgt uit artikel 2.2.4. van de Wmo.
- g.
Eigen bijdrage: een financiële bijdrage die de inwoner verplicht zelf aan een product of dienst vanuit de Wmo bijdraagt.
- h.
Eigen kracht: de eigen mogelijkheid en het probleemoplossend vermogen van de inwoner, jeugdige, ouder(s)/verzorger(s) en diens omgeving om zelf in een oplossing voor zijn ondersteuningsvraag te voorzien.
- i.
Gebruikelijke zorg: zorg die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders en/of huisgenoten.
- j.
Hulpvraag: de behoefte van een inwoner aan maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo en/of de behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet en/of de behoefte aan lichte opvoedondersteuning of kortdurende begeleiding.
- k.
Inwoner: inwoner van de gemeente of zijn of haar wettelijk vertegenwoordiger die ingeschreven staat in de Basisregistratie personen en die zich met een hulpvraag wendt tot het college.
- l.
Maatwerkvoorziening: een niet vrij toegankelijke voorziening als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo en zoals bedoeld in artikel 2.9 van de Jeugdwet.
- m.
Melding: een kennisgeving van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, die vooraf gaat aan een aanvraag.
- n.
Ondersteuningsplan: een weergave van het onderzoek zoals omschreven in artikel 2.3.2 van de Wmo of het ‘gezinsplan’ of een ‘plan van aanpak’ (bij een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering) in het kader van Jeugdwet.
- o.
Onderzoek: analyse van relevante informatie van een inwoner met een hulpvraag op basis waarvan door het college een afweging wordt gemaakt voor datgene wat nodig is.
- p.
Ouder: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.
- q.
Persoonlijk plan: een plan dat door de inwoner zelf tijdens, of vlak na de melding, wordt ingediend, waarin hij beschrijft welke ondersteuning volgens hem het meest passend is (of best passend), waaronder een ‘familiegroepsplan’ als bedoeld in artikel 1.1. van de Jeugdwet of een ‘persoonlijk plan’ als bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid, onderdelen a tot en g van de Wmo.
- r.
Pgb: persoonsgebonden budget zoals bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo of artikel 8.1.1. van de Jeugdwet.
- s.
Pgb-plan: een door het college beschikbaar gesteld format waarin de inwoner beschrijft op welke manier het pgb-budget besteed wordt, welke ondersteuning wordt ingekocht en bij wie.
- t.
Respijtzorg: een maatwerkvoorziening, waarbij (delen van) de mantelzorg tijdelijk wordt overgedragen aan een beroepskracht of vrijwilliger, om er voor te zorgen dat de mantelzorger die taak vol kan houden.
- u.
Veilig Thuis: het regionale advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet;.
- v.
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
- w.
Zorgaanbieder: een natuurlijke persoon of rechtspersoon die namens het college gehouden is een individuele voorziening te leveren.
Alle begrippen die in de verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de Wmo en de Algemene wet bestuursrecht.
Hoofdstuk 2 Toegang en procedure
Artikel 2.1 Toegang
-
1. Het college verzorgt de toegang tot jeugdhulp zoals bedoeld in artikel 2.3 en 2.6 van de Jeugdwet. Dit kan ook via de huisarts, medisch specialist, jeugdarts en een gecertificeerde instelling.
-
2. Het college kan jeugdhulp inzetten die de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt en heeft bepaald bij een strafrechtelijke beslissing.
-
3. Het college verzorgt de toegang tot maatschappelijke ondersteuning zoals bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo.
-
4. De besluitvorming tot maatschappelijke opvang wordt uitgevoerd door de centrumgemeente Utrecht.
-
5. De besluitvorming tot beschermd wonen wordt uitgevoerd door de centrumgemeente Utrecht.
-
6. Het college kan nadere regels vaststellen om de toegang tot ondersteuning verder te duiden.
Artikel 2.2 Melding of aanvraag
-
1. Een melding van een ondersteuningsvraag van een inwoner kan door iedereen bij het college vormvrij worden gedaan. Voor een ondersteuningsvraag van een jeugdige of ouder(s) in het kader van de Jeugdwet ziet het college de melding als een aanvraag.
-
2. Het college bevestigt de ontvangst van een Wmo melding of jeugdhulpaanvraag aan de inwoner.
-
3. Het college wijst de inwoner op:
- a.
de vervolgprocedure, en de rechten en plichten van de inwoner daarin;
- b.
de mogelijkheid om gebruik te maken van de hulp van een onafhankelijke cliëntondersteuner en/of vertrouwenspersoon;
- c.
de mogelijkheid om een persoonlijk plan in te dienen.
- d.
de mogelijkheid dat het college als dat nodig is een jeugdige registreert in de verwijsindex risicojongeren.
- a.
-
4. Als de melding of aanvraag van de inwoner niet onder één van de verplichtingen van de gemeente valt, dan verwijst het college de inwoner naar de juiste instantie.
-
5. In geval van spoed kan het college na een jeugdhulpaanvraag of Wmo melding zo snel mogelijk een tijdelijke voorziening in natura treffen of een machtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet aanvragen.
-
6. Het college kan nadere regels vaststellen om voorwaarden te stellen aan de procedure in geval van spoed.
Artikel 2.3 Onderzoek
-
1. Het college start na de aanvraag Jeugdhulp of Wmo melding, als dat nodig is, het onderzoek. Het college maakt zo snel als mogelijk met de inwoner een afspraak voor een gesprek. Het onderzoek kan bestaan uit meerdere gespreksmomenten.
-
2. De inwoner geeft het college de relevante gegevens, informatie en stukken die het college nodig heeft voor het onderzoek. De inwoner werkt mee aan het onderzoek en indien noodzakelijk werken huisgenoten ook mee aan het onderzoek.
-
3. Het college neemt alle relevante gegevens en informatie van de inwoner die bij het college al bekend zijn in het onderzoek mee. Het college meldt dit aan de inwoner.
-
4. Als het college vindt dat de ondersteuningsvraag van de inwoner voldoende duidelijk is, stemt het college met de inwoner af om geen gesprek te hebben.
-
5. Bij het onderzoek stelt het college de identiteit van de inwoner vast. Dit doet het college door voor jeugdhulp een BSN te vragen en voor Wmo ondersteuning door controle van een identificatie document van de inwoner te vragen, zoals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de Identificatieplicht.
-
6. Het college schenkt in het onderzoek in elk geval aandacht aan de onderwerpen zoals genoemd staan in artikel 2.3 Jeugdwet en artikel 2.3.2, vierde lid van de Wmo en een eventueel persoonlijk plan.
-
7. Als tijdens het onderzoek blijkt dat de inwoner de gewenste ondersteuning bij een andere organisatie kan krijgen, of als het onder een andere wet valt, dan kan het college de inwoner helpen om dit bij deze andere organisatie bespreekbaar te maken. In deze situatie rondt het college de Wmo melding af, als de inwoner hiermee instemt. Als de inwoner in deze situatie instemt met intrekking van de Jeugdhulpaanvraag, neemt het college geen besluit.
-
8. Het college kan nadere regels stellen over het bepaalde in dit artikel.
Artikel 2.4 Ondersteuningsplan
-
1. Als het onderzoek van artikel 2.3 afgerond is, maakt het college een schriftelijk ondersteuningsplan en stuurt dit naar de inwoner of wettelijk vertegenwoordiger van de inwoner.
-
2. In geval van een Jeugdhulpaanvraag probeert het college dit binnen zes weken na de aanvraag te doen.
-
3. In geval van een Wmo melding, doet het college dit binnen zes weken na de melding.
-
4. In het ondersteuningsplan staan tenminste:
- a.
de persoonlijke gegevens van de inwoner;
- b.
een samenvatting van de besproken onderwerpen en de relevante zaken uit het gesprek;
- c.
het college vermeldt de geformuleerde doelen, wat er nodig en mogelijk is als oplossing voor de ondersteuningsvraag.
- a.
-
5. Als uit het onderzoek blijkt dat een Jeugdhulp voorziening nodig is, dan geeft het ondersteuningsplan de noodzakelijke ondersteuning aan.
-
6. Als uit het onderzoek blijkt dat een Wmo voorziening nodig is, dan wordt in het ondersteuningsplan de noodzakelijke ondersteuning aangegeven.
Artikel 2.5 Beschikking
-
1. Een inwoner heeft de mogelijkheid om op- en aanmerkingen te geven op het ondersteuningsplan. Deze betrekt het college bij het besluit.
-
2. Het college legt het ondersteuningsplan in geval van een Jeugdhulpaanvraag ter ondertekening voor aan de inwoner (voor akkoord of voor gezien) en vraagt de inwoner het terug te sturen naar het college. De ondertekening van het ondersteuningsplan ziet het college als schriftelijke bevestiging van de eerder ingediende aanvraag voor een jeugdhulp voorziening als deze eerder ingediende aanvraag niet voldoet aan de voorwaarden die in artikel 4.1 en 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht wordt gesteld aan een aanvraag.
-
3. Een inwoner kan schriftelijk of digitaal een aanvraag voor een Wmo voorziening indienen. Een door de inwoner ondertekend en geretourneerd ondersteuningsplan kan eveneens als aanvraag voor een Wmo voorziening worden aangemerkt.
-
4. Bij digitale indiening van het ondersteuningsplan, is de reactie van de inwoner op het ondersteuningsplan als handtekening voldoende.
-
5. Het college kan, als dat in het belang is van de inwoner, een niet ondertekend ondersteuningsplan beschouwen als aanvraag. Dit wordt dan vermeld en toegelicht in het besluit.
-
6. Een Wmo aanvraag in een andere vorm dan een ondertekend ondersteuningsplan, moet voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in de nadere regels, om als aanvraag door het college in behandeling te kunnen worden genomen.
-
7. Het college neemt een besluit op de aanvraag, door het besluit vast te leggen in een beschikking. Het ondersteuningsplan maakt onderdeel uit van dit besluit of verwijst ernaar.
-
8. Als het college een voorziening toekent, dan beschrijft het college in het besluit in ieder geval:
- a.
welke voorziening wordt toegekend, wat de omvang en het beoogde resultaat is;
- b.
wat de ingangsdatum en de duur van de voorziening is;
- c.
de leveringsvorm: of de voorziening in natura, in de vorm van een pgb of als financiële tegemoetkoming (alleen in kader van Wmo) wordt verstrekt;
- d.
of er sprake is van een te betalen eigen bijdrage in het kader van de Wmo;
- e.
welke gecontracteerde aanbieder de voorziening uitvoert als het om een voorziening in natura gaat;
- f.
onder welke voorwaarden en verplichtingen deze voorziening wordt toegekend.
- a.
-
9. In aanvulling op het voorgaande lid legt het college bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb, ook in het besluit vast:
- a.
welke (kwaliteits-)eisen gelden voor de besteding van het pgb;
- b.
wat de hoogte van het pgb is en hoe deze berekend is;
- c.
of het besluit inhoudelijk overeenkomt met het pgb-plan;
- d.
hoe de besteding van het pgb moet worden verantwoord.
- a.
-
10. Als het college de ondersteuning niet of anders dan gevraagd toekent, dan legt het college in het besluit vast waarom de voorziening niet of op een andere manier wordt verstrekt.
-
11. Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere duiding en uitwerking van de onderwerpen die in het besluit moeten worden beschreven.
Artikel 2.6 Advisering
-
1. Het college zorgt ervoor dat de medewerker die een Jeugdhulpaanvraag of Wmo melding behandelt, de deskundigheid heeft die nodig is om de melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Voor Jeugdhulp en -ondersteuning betreft dit in ieder geval een SKJ-registratie.
-
2. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt het college ervoor dat een externe deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) neemt het college bij de beoordeling van de Jeugdhulpaanvraag of Wmo melding mee.
-
3. Het college kan nadere regels vaststellen ter verdere duiding en verdere uitwerking van dit artikel.
Artikel 2.7 Beslistermijn
-
1. Op een aanvraag om ondersteuning op grond van de Jeugdwet, beslist het college binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.
-
2. Het college beslist binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag Wmo en uiterlijk binnen acht weken nadat de melding Wmo is ontvangen.
-
3. Het college kan de beslistermijn schriftelijk opschorten als de inwoner instemt met opschorting van de termijn.
Artikel 2.8 Verval van recht
Het recht op een voorziening vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit de voorziening heeft ingekocht of de ondersteuning is gestart. Dit geldt niet als het de inwoner niet te verwijten is. Deze voorwaarde neemt het college op in het besluit.
Hoofdstuk 3 Algemene en overige voorzieningen
Artikel 3.1 Toegang tot algemene voorzieningen of overige voorzieningen
-
1. Ingezetenen die een beroep wensen te doen op een algemene voorziening of een overige voorziening, kunnen zich rechtstreeks wenden tot een aanbieder van deze vrij toegankelijke voorziening.
-
2. Algemene voorzieningen in het kader van de Wmo richten zich op de volgende gebieden;
- a.
Wonen in een geschikt huis (Wonen);
- b.
Verplaatsen in en om de woning (verplaatsen);
- c.
Lokaal verplaatsen per vervoermiddel (vervoer);
- d.
Voeren van een huishouden (huishouden);
- e.
Regie en structuur in het dagelijks leven (dagelijkse regie);
- f.
Zingeving, sport en activeren (activeren);
- g.
Beschikken over mantelzorg die het vol kan houden (mantelzorg).
- a.
-
3. Algemene voorzieningen in het kader van de Jeugdwet richten zich op de volgende gebieden;
- a.
Opgroeien in een veilige omgeving (opgroeien in veiligheid);
- b.
Versterken van ontwikkelkansen van jeugdige binnen de eigen mogelijkheden (ontwikkelkansen);
- c.
Versterken van opvoeders in hun rol (opvoedondersteuning).
- a.
-
4. Overige voorzieningen worden onderscheiden in:
- a.
basishulp Sociaal Team:
- •
Spreekuren;
- •
Groepswerk & trainingen;
- •
Ambulante opvoedhulp;
- •
Begeleiding van jeugdigen en volwassenen met een hulpvraag;
- •
Coördinatie van zorg, zowel casusregie als procesregie;
- •
Budget en inkomensondersteuning;
- •
Gezinsondersteuning waaronder gezinscoaching.
- •
Outreachende hulpverlening.
- •
- b.
informatie, trainingen en (opvoed)advies;
- c.
kortdurende generalistische basis-ggz-hulp bij enkelvoudige problematiek;
- d.
jeugdgezondheidszorg.
- a.
Hoofdstuk 4 Maatwerkvoorzieningen
Artikel 4.1 Voorzieningen Jeugdhulp (art. 2.3/2.4 Jw) en Wmo (art. 2.1.2 Wmo)
-
1. Het college treft op basis van de Jeugdwet voorzieningen zodat jeugdigen gezond en veilig kunnen opgroeien, kunnen groeien naar zelfstandigheid en zo veel mogelijk kunnen meedoen in de maatschappij. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar vanuit de Jeugdwet:
- a.
Ambulante begeleiding, waaronder:
- •
Individuele begeleiding
- •
Ambulante jeugd- en opvoedhulp
- •
- b.
Groepsbegeleiding, waaronder:
- •
Dagbehandeling
- •
Extra begeleiding geboden binnen kinderopvang, ook wel BSO+ genoemd;
- •
- c.
Diagnostiek en/of behandeling, ook wel Jeugd-GGZ genoemd;
- d.
Persoonlijke verzorging die géén verband houdt met een behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop;
- e.
Essentiele functie, waaronder jeugdzorgplus;
- f.
Jeugdbescherming en jeugdreclassering;
- g.
Vervoer van en naar de jeugdhulplocatie.
- a.
-
2. Het college treft op basis van de Wmo voorzieningen zodat iedereen zoveel mogelijk zelfstandig kan functioneren en kan meedoen in de maatschappij. De volgende maatwerkvoorzieningen zijn in ieder geval beschikbaar vanuit de Wmo:
- a.
Individuele begeleiding
- b.
Groepsbegeleiding, al dan niet met vervoer;
- c.
Kortdurend verblijf;
- d.
Huishoudelijke ondersteuning;
- e.
Vervoer;
- f.
Woningaanpassingen;
- g.
Hulpmiddelen.
- a.
-
3. Een voorziening als hiervoor bedoeld kan verstrekt worden:
- a.
in natura;
- b.
als pgb;
- c.
in de vorm van een financiële tegemoetkoming als sprake is van een Wmo-voorziening.
- a.
-
4. Het college kan in de nadere regels verduidelijken welke algemene voorzieningen en voorzieningen Jeugdhulp en Wmo beschikbaar zijn en welke aanvullende voorwaarden hieraan worden gesteld.
Artikel 4.2 Algemene weigeringsgronden voorziening
-
1. Het college kent géén voorziening toe als er sprake is van:
- a.
realisering van de voorziening vóór de aanvraag voor Jeugdhulp of de melding Wmo of tijdens het onderzoek als er vooraf geen toestemming is gevraagd;
- b.
een voorziening die niet veilig is of kan zijn voor de inwoner of de omgeving;
- c.
een voorziening die een anti-revaliderend effect zou hebben;
- d.
een eerdere toegekende (algemene) voorziening die een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsvraag;
- e.
een voorziening die algemeen gebruikelijk is of als de kosten ervan te zien zijn als normale maatschappelijke kosten;
- f.
als de inwoner de gevolgen van de beperkingen kan verminderen door het leven anders te organiseren;
- g.
als de inwoner een individuele voorziening wenst en er een collectief voorliggende voorziening aanwezig is;
- h.
als de voorziening primair een therapeutisch doel heeft en/of primair bedoeld is voor behandeling, die vallen onder een andere voorliggende wettelijke regeling, en wordt aangevraagd in het kader van de Wmo;
- i.
als een inwoner de ondersteuningsvraag redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en had kunnen voorkomen;
- j.
als de inwoner, en indien van toepassing een huisgenoot, onvoldoende meewerkt aan het onderzoek dan wel onvoldoende informatie geeft, zodat het college de noodzaak van de voorziening niet kan vaststellen.
- a.
-
2. Het college kan nadere regels stellen over het bepaalde in dit artikel.
Artikel 4.3 Algemene toekenningscriteria voorziening
-
1. Het verslag van het onderzoek wordt als uitgangspunt genomen voor beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.
-
2. Het college kent een maatwerkvoorziening toe als uit het onderzoek blijkt dat een maatwerkvoorziening nodig is, gezien de aard en ernst van de hulpvraag. Het college past hier het afwegingskader toe. De hulpvraag van een inwoner is in die gevallen iet op te lossen of te verminderen door inzet van:
- a.
eigen kracht;
- b.
gebruikelijke hulp;
- c.
mantelzorg;
- d.
andere personen uit het sociale netwerk;
- e.
hulp van vrijwilligers;
- f.
algemeen gebruikelijke voorzieningen;
- g.
algemene voorzieningen in het kader van de Jeugdwet of de Wmo;
- h.
gebruikmaking van andere wettelijke algemene of voorliggende voorzieningen.
- a.
-
3. Het college zorgt ervoor dat de voorziening voldoende inzet en kwaliteit heeft, past bij de inwoner en een passende bijdrage levert bij het:
- •
veilig en gezond opgroeien, en/of
- •
groeien naar zelfstandigheid en/of
- •
zelfredzaam te worden of te zijn en/of
- •
maatschappelijk te participeren.
- •
-
4. Het college verstrekt de goedkoopst passende voorziening.
-
5. Bij het verlenen van een voorziening houdt het college zo goed mogelijk rekening met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de inwoner.
-
6. Bij het inzetten van een maatwerkvoorziening gaat het college uit van gecontracteerde aanbieders.
-
7. Als een gevraagde specifieke individuele voorziening niet bewezen effectief is (evidence based) kan het college besluiten om deze voorziening niet toe te kennen en een bewezen effectieve alternatieve individuele voorziening te verstrekken. Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen indien en als zijnde ‘erkend’ in de (NJI) Databank Effectieve Jeugdinterventies (DEI), de databank van de GGZ (GGZ Standaarden) of de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg).
-
8. Als een maatwerkvoorziening in de vorm van een hulpmiddel noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze alleen verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven, tenzij;
- a.
Die voorziening verloren is gegaan door omstandigheden die niet aan de inwoner zijn toe te rekenen;
- b.
De inwoner het college geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de kosten;
- c.
De eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de hulpvraag.
- a.
-
9. Het college kan nadere regels stellen over de in dit artikel opgenomen algemene toekenningscriteria voor een voorziening.
Artikel 4.4 Aanvullende criteria voorziening: gebruikelijke- en bovengebruikelijke hulp
-
1. Hulp of ondersteuning die in het kader van gebruikelijke hulp in redelijkheid mag worden verwacht van het sociaal netwerk van de inwoner, wordt gezien als eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de inwoner.
-
2. Onder gebruikelijke hulp wordt in ieder geval verstaan:
- a.
Het doen van het huishouden (Wmo);
- b.
Het meegaan naar privé-afspraken met familie en vrienden en het meegaan naar medische afspraken;
- c.
Het geven van aansporing bij het verrichten van algemeen dagelijkse handelingen die de persoon zelfstandig kan uitvoeren. Hieronder wordt niet verstaan het overnemen van deze handelingen;
- d.
Het geven van begeleiding op het terrein van maatschappelijke participatie. Hieronder valt ook het bieden van begeleiding binnen de persoonlijke levenssfeer;
- e.
Het bieden van hulp of het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen;
- f.
Het leren omgaan van derden met de inwoner.
- a.
-
3. Ondersteuning bij gedrag dat past binnen de ontwikkelingsleeftijd van de jeugdige valt altijd onder het begrip gebruikelijke hulp.
-
4. Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouder(s) aan kinderen is tot en met de leeftijd van 17 jaar in principe gebruikelijke hulp.
-
5. Bij de beoordeling of er bij een handeling of toezicht sprake is van gebruikelijke hulp of boven gebruikelijke hulp, wordt in het bijzonder naar de volgende criteria en/of omstandigheden gekeken:
- a.
leeftijd van de jeugdige;
- b.
aard van de zorghandeling;
- c.
frequentie van de uit te voeren zorghandeling en/of deze handeling meegenomen kan worden in het normale patroon van dagelijkse zorg voor de jeugdige;
- d.
benodigde tijd bij uitvoering zorghandeling;
- e.
planbaarheid van zorg;
- f.
of sprake is van een kort- of langdurige hulp- of ondersteuningsbehoefte.
- a.
-
6. De in lid 5 van dit artikel benoemde criteria en/of omstandigheden worden door het college in samenhang beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de inwoner en zijn sociale netwerk.
-
7. Het college kan nadere regels stellen om de begrippen gebruikelijke- en boven gebruikelijke hulp verder te duiden en uit te werken.
Artikel 4.5 Aanvullende criteria voorziening Jeugd: Draagkracht, draaglast en eigen kracht
-
1. Een gezonde draagkracht betekent dat ouders of andere huisgenoten onderling zorg kunnen dragen voor de normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Heeft de inwoner of ouder(s) zelf de mogelijkheid en/of het vermogen (eigen kracht) om de hulp- of ondersteuningsvraag op te lossen, dan kent het college geen voorziening toe.
-
2. Als de noodzakelijke ondersteuning voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die jeugdigen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt het college in zijn onderzoek de balans tussen draagkracht en draaglast mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de benodigde ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van ouders (eigen kracht), samen met de personen die tot hun sociale netwerk behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen.
-
3. Bij de weging of sprake is van draagkracht/eigen kracht bij ouders zijn onder meer de volgende zaken in algemene zin van belang:
- a.
Is de ouder in staat om de noodzakelijke hulp te bieden?
- b.
Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijk hulp te bieden?
- c.
Levert het bieden van de ondersteuning geen overbelasting van de ouder op?
- a.
-
4. De genoemde factoren in lid 3 van dit artikel worden door het college in samenhang beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin.
-
5. Wanneer de beslissing door het gezin is genomen om op eigen kracht hulp of ondersteuning te verlenen waarbij (een van) de ouder(s) minder betaalde arbeid is gaan verrichten en de draaglast van de hulp- of ondersteuningsvraag en de draagkracht van het gezin met elkaar in overeenstemming zijn, kent het college geen voorziening toe.
-
6. Bij de weging van de draagkracht/eigen kracht is in het bijzonder van belang of een ouder door het verlenen van ondersteuning aan de inwoner niet (meer) in staat zou zijn om in het benodigde levensonderhoud van het gezin te voorzien. Bij deze weging zijn de volgende factoren van belang:
- a.
Wat is de grens van de mogelijkheden van ouders?
- b.
Wat is de aard van de benodigde ondersteuning en kunnen ouders deze veilig en doeltreffend leveren?
- c.
Kan de ondersteuning in het belang van de inwoner het beste door de ouder(s) worden geleverd?
- a.
-
7. Als een ouder door het verlenen van ondersteuning aan de inwoner niet in staat is om daarnaast nog in het levensonderhoud van het gezin te voorzien door de ondersteuning die de inwoner nodig heeft, kan het college besluiten om een voorziening in te zetten.
-
8. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van het onderzoek naar de balans tussen draagkracht en draaglast en de uitwerking daarvan.
Artikel 4.6 Aanvullende criteria voorziening Wmo
-
1. Het college kent géén Wmo voorziening toe als:
- a.
de inwoner het feitelijk hoofdverblijf niet in de gemeente heeft;
- b.
de inwoner geen extra kosten hoeft te maken als gevolg van de beperking, omdat de kosten al gemaakt werden voor de ondersteuningsvraag;
- c.
de beperkingen en belemmeringen die de inwoner ervaart in zijn participatie en zelfredzaamheid van tijdelijke aard zijn;
- d.
de melding betrekking heeft op kosten die gemaakt zijn voorafgaand aan de melding van de hulpvraag bij het college;
- e.
de inwoner zelfstandig een voorziening tussen de melding en de beschikking heeft aangeschaft, zonder dat hierover voorafgaand overleg met het college heeft plaatsgevonden en het college hiervoor uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven;
- a.
-
2. Het college kent géén voorziening Wmo ‘Wonen’ toe als:
- a.
de voorziening wordt gevraagd voor verblijf in een hotel, pension, trekkerswoonwagen, (niet adequaat) gehuurde kamer, tweede woning, vakantie- en recreatiewoning, of andere niet voor permanente bewoning bedoelde gebouwen;
- b.
de voorziening wordt aangevraagd voor een gemeenschappelijke ruimte en de gevraagde voorziening het uitrustingsniveau van de sociale woningbouw overstijgt;
- c.
er sprake is van achterstallig onderhoud en/of van een algemeen gebruikelijke renovatie of van een voorziening die zonder veel meerkosten gerealiseerd kan worden;
- d.
de voorziening nodig is vanwege een verhuizing zonder dat hiervoor aanleiding bestaat vanwege de beperkingen en/of belemmeringen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen andere belangrijke reden voor de verhuizing is;
- e.
de inwoner niet is verhuisd naar de voor de beperkingen en/of belemmeringen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;
- f.
de inwoner op een perceel woont waar een beschikbare (pré) mantelzorgwoning is gerealiseerd;
- g.
de voorziening niet grotendeels op de inwoner zelf is gericht.
- a.
-
3. Bij het beoordelen van een aanvraag voor een voorziening Wmo ‘Wonen’ kan het college het primaat van verhuizen toepassen. Dat wil zeggen dat het college stelt dat verhuizen nodig en mogelijk is, in plaats van een voorziening.
-
4. Bij het toekennen van een voorziening Wmo ‘Huishouden’, gebruikt het college het HHM-normenkader als leidraad.
-
5. Bij het toekennen van een voorziening Wmo ‘begeleiding’ hanteert het college het afwegingskader en productmodel individuele begeleiding.
-
6. Een voorziening Wmo ‘Collectief Vervoer’ of een vervoersvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming wordt toegekend voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving van de inwoner tot een maximum van 1.500 kilometer op jaarbasis.
-
7. Het college kan nadere regels stellen over de in dit artikel opgenomen aanvullende criteria voor een voorziening.
Artikel 4.7 Gebruik Wmo voorzieningen in het buitenland
-
1. De inwoner mag een voorziening (tijdelijk) in het buitenland gebruiken als er vooraf toestemming is gevraagd en gegeven door het college. Het college kan toestemming geven met in achtneming van de volgende criteria:
- a.
voor de inzet van een pgb in het buitenland gelden dezelfde eisen als het college stelt voor de inzet van een pgb in Nederland;
- b.
de geïndiceerde ondersteuning is noodzakelijk om tijdens het verblijf in het buitenland te kunnen functioneren;
- c.
een betrokken hulpverlener woont in Nederland of heeft een passende werkvergunning (in verband met betaling door de SVB).
- a.
-
2. Het college vergoedt geen aanvullende kosten voor het gebruik van de voorziening in het buitenland.
-
3. Het college kan nadere regels stellen over het gebruik van Wmo voorzieningen in het buitenland.
Artikel 4.8 Beschermd wonen
-
1. Het college zorgt ervoor dat de inwoner een voorziening kan krijgen in de vorm van beschermd wonen, als de inwoner als een direct gevolg van psychiatrische, psychosociale of meervoudige sociale problematiek een reële noodzaak heeft om in een beschermde woonomgeving te verblijven.
-
2. De inwoner komt niet in aanmerking voor beschermd wonen als:
- a.
de inwoner zelfstandig kan wonen en permanent beschikbare bescherming of begeleiding niet noodzakelijk is;
- b.
de inwoner geen medisch vastgestelde diagnose kan overleggen waaruit de noodzaak tot beschermd wonen blijkt;
- c.
de inwoner wel een medisch vastgestelde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar nog dagelijks onder medische behandeling staat.
- a.
-
3. De inwoner wordt door het college verwezen naar de centrumgemeente Utrecht voor de besluitvorming over beschermd wonen.
-
4. Voor inwoners die een voorziening in de vorm van beschermd wonen nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening en nadere regels over dit onderwerp, die door de gemeente Utrecht als centrumgemeente bekend zijn gemaakt.
Artikel 4.9 Maatschappelijke opvang
-
1. De toegang tot maatschappelijke opvang en besluitvorming hierover is belegd bij centrumgemeente Utrecht. Via maatschappelijke opvang kan de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten, worden opgevangen als deze zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving.
-
2. Er bestaat geen recht op een voorziening voor maatschappelijke opvang als:
- a.
de inwoner ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken;
- b.
de inwoner een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvang niet of onvoldoende toegankelijk is;
- c.
er duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleid kan worden en/of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening;
- d.
de inwoner ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden;
- e.
de inwoner niet instemt met de huisregels en de verblijfsregels van de opvanginstelling;
- f.
de inwoner zich (na toegang tot de voorziening) ernstig misdraagt naar andere inwoners in de opvangvoorziening of naar de medewerkers van de instelling.
- a.
-
3. De inwoner wordt door het college verwezen naar de centrumgemeente Utrecht voor de besluitvorming over plaatsing in een opvangvoorziening in de regio Utrecht. Als dit nog mogelijk is, wordt er door de centrale toegang gezocht naar een alternatieve opvangvoorziening.
-
4. Voor inwoners die een voorziening in de vorm van maatschappelijke opvang nodig hebben, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende verordening en nadere regels over dit onderwerp, die door de gemeente Utrecht als centrumgemeente bekend zijn gemaakt.
Artikel 4.10 Overgang van 18- naar 18+
-
1. Het college kan een Jeugdhulp voorziening verlengen bij het bereiken van de leeftijd van 18 jaar wanneer voldaan wordt aan de voorwaarden voor verlengde Jeugdhulp zoals benoemd staat in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
-
2. Het college kan nadere regels stellen over de verlenging van Jeugdhulp.
Artikel 4.11 Afstemming met andere vormen van ondersteuning
-
1. Het college zorgt ervoor dat de ondersteuning zoveel mogelijk aansluit bij andere vormen van hulp en/of ondersteuning die de inwoner ontvangt. Om dat te bereiken kan het college afspraken maken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over:
- •
procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp en/of ondersteuning;
- •
communicatie met andere organisaties en het college;
- •
afbakening van taken en verantwoordelijkheden;
- •
aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en individuele voorzieningen.
- •
Hoofdstuk 5 Een maatwerkvoorziening in leveringsvorm pgb
Artikel 5.1 Criteria leveringsvorm voorziening als pgb
-
1. Bij het toekennen van een pgb neemt het college artikel 2.3.6 van de Wmo of 8.1.1 van de Jeugdwet in acht.
-
2. Het college kan een pgb toekennen indien:
- a.
de inwoner naar het oordeel van het college op eigen kracht, met hulp uit zijn sociale netwerk of een vertegenwoordiger voldoende in staat is om de taken uit te voeren die horen bij het beheren van een pgb en een professionele afstand heeft tot de pgb hulpverlener;
- b.
het college van oordeel is dat de maatwerkvoorziening in pgb van goede kwaliteit, veilig, doeltreffend en passend bij de hulpvraag is, en
- c.
de inwoner kan motiveren dat hij de maatwerkvoorziening als pgb geleverd wenst te krijgen. Wanneer het om jeugdhulp gaat, moet de inwoner aanvullend motiveren waarom de voorziening in natura niet passend is.
- a.
-
3. Als de inwoner een pgb wenst te ontvangen om hulp van derden te betrekken, dan dient de inwoner een pgb-plan volgens het format van het college aan te leveren. Hierin moet in elk geval zijn opgenomen:
- a.
het gewenste doel en resultaat waarvoor het pgb zal worden gebruikt;
- b.
de motivatie waarom de inwoner de zorg in pgb geleverd wenst te krijgen. Voor jeugdhulp geldt aanvullend: een motivatie waarom de zorg in natura, niet passend is als oplossing voor de hulpvraag. Uit deze motivatie moet in elk geval blijken dat de inwoner wel op de hoogte is van het aanbod dat door het college is ingekocht;
- c.
door wie of welke zorgaanbieder(s) de hulp geboden zal worden;
- d.
indien van toepassing: de duur en omvang van de hulp (in uren, dagdelen of etmalen);
- e.
indien van toepassing: welk tarief per tijdseenheid gehanteerd wordt, en
- f.
indien van toepassing: in het geval van professionele ondersteuning: of deze hulp voldoet aan de gevraagde kwaliteitscriteria.
- a.
-
4. Als het college een pgb toekent, mag dit pgb alleen worden ingezet voor het doel en resultaat zoals beschreven in de beschikking en/of ondersteuningsplan.
-
5. Een pgb mag niet worden ingezet voor het bekostigen van reis-, begeleidings- en administratiekosten in verband met het pgb en voor de bekostiging van tussenpersonen, belangenbehartigers, opleiding en training of kosten voor huisvesting van de hulpverlener.
-
6. Als professionele ondersteuning noodzakelijk is, gezien de aard en ernst van de problematiek, kan deze niet geboden worden door een persoon uit het sociaal netwerk van de inwoner, tenzij de kwaliteit van de ondersteuning voldoende is en er voldoende professionele afstand is.
-
7. Een aanvraag voor een pgb kan geheel of gedeeltelijk geweigerd worden:
- a.
als de aanvraag betrekking heeft op kosten die al zijn gemaakt voorafgaand aan de aanvraag of gedurende het onderzoek en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening passend was;
- b.
als de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- c.
als de inwoner niet voldoet aan de regels van het pgb, zoals beschreven in deze verordening;
- d.
als de inwoner het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het bestemd is;
- e.
als het pgb bedoeld is voor hulp die kan worden aangemerkt als gebruikelijke hulp. Het college legt in nadere beleidsregels vast wat gebruikelijke hulp is;
- f.
als er boven gebruikelijke hulp wordt geboden door iemand uit het sociaal netwerk, wordt bij de afweging om al dan niet een maatwerkvoorziening in te zetten altijd de zelfredzaamheid van het sociaal netwerk onderzocht. Het vragen naar de financiële zelfredzaamheid is onderdeel van het onderzoek;
- g.
als het pgb bedoeld is voor jeugd-GGZ, geboden aan een jeugdige door een ouder of andere persoon uit het sociaal netwerk van deze jeugdige;
- h.
voor het deel dat de kosten van deze maatwerkvoorziening in pgb hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura;
- i.
als degene die het pgb van de inwoner beheert, ook de hulp aan de inwoner biedt, of op een andere manier betrokken is bij de organisatie die de hulp biedt;
- j.
als de inwoner naar het oordeel van het college de aanvraag niet kan motiveren en toelichten;
- k.
als het pgb bedoeld is voor besteding in het buitenland;
- l.
als de hulp of ondersteuning die door één persoon geleverd wordt, meer bedraagt dan 36 uur per week. Bij het vaststellen of deze 36 uur per week overschreden wordt, kunnen alle betaalde werkzaamheden worden meegewogen en ook de hoeveelheid ondersteuning die deze persoon, al dan niet via een pgb, levert aan andere personen of gezinsleden;
- a.
-
8. Wanneer een andere partij dan de gemeente verwijst naar een niet-gecontracteerde jeugdhulpaanbieder, dan moet de inwoner hiervoor eerst een aanvraag indienen bij het college. Het college ziet dit dan als een aanvraag, zoals genoemd in artikel 4 van deze verordening. Wanneer nodig doet het college aanvullend onderzoek naar de hulpvraag.
Artikel 5.2 Pgb en ondersteuning uit het sociaal netwerk
-
1. Een inwoner kan een persoon uit het sociaal netwerk, die geen opleiding heeft gevolgd voor de gevraagde ondersteuning, inzetten op basis van een pgb.
-
2. Van informele hulp is sprake wanneer de hulp wordt verleend door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e, 2e of 3e graad, is altijd sprake van informele hulp. Er wordt onderscheid gemaakt tussen informeel Pgb vanuit de Wmo 2015 en een Pgb vanuit de Jeugdwet:
- a.
Op grond van de Wmo 2015 en de onderhavige verordening is het mogelijk een informeel pgb te besteden aan diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, indien deze hulp gemotiveerd leidt tot een vergelijkbaar of beter resultaat dan de inzet van professionele hulpverlener.
- b.
Een informeel pgb voor jeugdhulp kan alleen betrokken worden bij een persoon die behoort tot het sociale netwerk in het geval door deze persoon handelingen worden overgenomen van een professionele hulpverlener. In overige gevallen wordt geen pgb verstrekt voor het betrekken van jeugdhulp bij een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Daarnaast dient de ondersteuning betrekking te hebben op één of meerdere van onderstaande ondersteuningsbehoefte:
- a.
vooraf niet goed te plannen is;
- b.
op ongebruikelijke tijden nodig is;
- c.
op veel korte momenten per dag nodig is;
- d.
24 uur per dag en op afroep nodig is;
- e.
vanwege de aard van de beperking nodig is van een persoon met wie de inwoner geen hechtings- of contactprobleem heeft;
- f.
de continuïteit van de ondersteuning is gewaarborgd.
- a.
- a.
-
3. Het college kan in nadere regels de kwaliteitseisen die worden gesteld aan informele zorgverleners, verder uitleggen.
Artikel 5.3 Hoogte en tarieven pgb
-
1. De hoogte van een pgb berekent het college op basis van het tarief of prijs van de soortgelijke voorzienig in natura. De hoogte van het pgb is maximaal de kostprijs in natura, mits beschikbaar. Indien niet beschikbaar, wordt de hoogte bepaald aan de hand van tenminste één offerte.
-
2. Als het pgb bedoeld is voor de aanschaf van een product of hulpmiddel, dan berekent het college het pgb op basis van de laagste prijs en het laagste tarief dat hiervoor zou worden gehanteerd door een door het college gecontracteerde aanbieder. Daarnaast kent het college een percentage van het aankoopbedrag toe voor onderhoud en reparatie en indien nodig voor verzekeringskosten.
-
3. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor Jeugdhulp of Wmo voorziening of een dienst, gebruikt het college de volgende berekeningswijze:
- a.
voor gecertificeerde zorgaanbieders: 100% van het natura uurtarief;
- b.
voor zzp'er: 75% van het natura uurtarief.
- a.
-
4. De hoogte van het pgb voor individuele begeleiding worden bepaald aan de hand van de tarieven van zorg in natura en bedraagt minimaal het wettelijk minimumloon tot ten hoogste de kostprijs van de voorziening in natura.
-
5. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor Jeugdhulp of -ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk, hanteert het college het op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) geldende uurtarief voor hulp van niet-professionele zorgverleners;
-
6. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor Wmo ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk hanteert het college:
- a.
voor huishoudelijke ondersteuning: minimaal het uurloon uit de CAO VVT van de specifiek voor deze werkzaamheden gecreëerde salarisschaal en maximaal het informeel uurtarief van de regeling Wet Langdurige Zorg. De actuele bedragen worden opgenomen in het financieel besluit.
- b.
voor individuele begeleiding: minimaal het uurloon uit de CAO VVT van salarisschaal FWG30 en maximaal het informeel uurtarief van de regeling Wet Langdurige Zorg. De actuele bedragen worden opgenomen in het financieel besluit.
- a.
-
7. Bij het bepalen van de hoogte van een pgb voor ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk hanteert het college voor kortdurend verblijf en respijtzorg een op de NIBUD-normen gebaseerd tarief per etmaal. De normen worden opgenomen in het Financieel Besluit.
-
8. De hoogte van een pgb voor vervoer van en naar de dagbesteding, op grond van de Wmo, berekent het college op basis van het in de regio gangbare tarief. Hierbij wordt uitgegaan van de afstand naar de dichtstbijzijnde passende dagbestedingslocatie.
-
9. De hoogte van een pgb voor een noodzakelijke autoaanpassing, woningaanpassing(en) of bezoek baar maken van een woning bedraagt maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie, goedkoopst passende voorziening in natura of een door het college vast te stellen tarief op basis van minimaal één offerte.
-
10. Als een inwoner ondersteuning wil inzetten van een niet-gecontracteerde zorgaanbieder of zzp-er die hogere kosten per eenheid hanteert dan de door het college maximaal vastgestelde pgb tarieven, zoals benoemd in dit artikel, dan verleent het college de voorziening in de vorm van een pgb voor het maximaal vastgestelde pgb tarief. De inwoner moet de extra kosten voor eigen rekening nemen. Dit wordt vastgelegd in het Plan en in het besluit.
-
11. Het college kan in de nadere regels de berekeningswijze van pgb’s verder duiden.
Artikel 5.4 Besteding pgb, niet betrokken kosten
-
1. Als aan een inwoner een voorziening in de vorm van een pgb wordt toegekend, kan de inwoner alleen de ondersteuning uitbetalen, die daadwerkelijk is geleverd.
-
2. De inwoner kan het pgb alleen besteden voor het doel waarvoor de voorziening is toegekend en binnen de daarvoor gestelde termijn zoals genoemd in het besluit.
-
3. Indien van toepassing zijn de volgende kosten inbegrepen in het vastgestelde pgb budget:
- a.
alle bijkomende kosten voor de hulpverleners, zoals de werkgeverslasten voor zorgverleners met een arbeidsovereenkomst en wettelijk toegestane vergoedingen, zoals reiskosten, vervanging tijdens vakantie en verzekeringen.
- b.
vervoerskosten, alleen als er een beschikking is voor Wmo dagbesteding, samen met een indicatie voor vervoer van en naar de plek waar die dagbesteding geboden wordt.
- a.
-
4. Het pgb is bedoeld voor inkoop van een voorziening, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. De inwoner kan het pgb niet besteden aan:
- a.
kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;
- b.
het voeren van een pgb-administratie of ondersteuning ontvangen voor het aanvragen en beheren ervan;
- c.
kosten voor een feestdaguitkering of voor cadeaus aan de hulpverlener(s);
- d.
eten en drinken;
- e.
abonnement- of contributiekosten, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal;
- f.
ondersteuning bij het inkopen van ondersteuning buiten Nederland;
- g.
overheadkosten, reistijd, vervoers- en parkeerkosten van de hulpverlener.
- a.
-
5. Het pgb kent geen vrij besteedbaar bedrag en geen eenmalige uitkering.
-
6. Kosten die de hulpverlener bij een budgethouder in rekening brengt in verband met een opzegtermijn vallen niet onder het pgb. Ook kosten die de hulpverlener bij de inwoner in rekening brengt voor het niet nakomen van een afspraak, vallen niet onder het pgb. Dit geldt ook voor kosten van salarisadministratie, deze mogen niet vanuit het pgb betaald worden.
Artikel 5.5 Besteding en verantwoording pgb
-
1. Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoeken of de met het pgb ingekochte ondersteuning van goede kwaliteit is en of de voorziening rechtmatig en doelmatig wordt uitgevoerd.
-
2. Het college kan de inwoner vragen om de besteding van het pgb te verantwoorden.
-
3. Het college kan nadere regels stellen over de besteding en verantwoording van het pgb.
Artikel 5.6 Kwaliteitseisen formele ondersteuning met pgb Jeugd en Wmo
-
1. De kwaliteit van de met het pgb ingekochte formele ondersteuning voldoet in beginsel aan de eisen die het college stelt aan de gecontracteerde zorgaanbieders die vergelijkbare ondersteuning leveren.
-
2. Pgb-zorgverleners die formele zorg verlenen:
- a.
staan ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en voor Jeugdhulp vermelding van de Algemeen Gegevens Beheer (AGB-code);
- b.
hebben een passende opleiding;
- c.
kunnen een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) overleggen van alle werknemers (en eventueel vrijwilligers);
- d.
zijn verzekerd tegen beroeps- en/of bedrijfsaansprakelijkheid;
- e.
beschikken over de benodigde kwaliteitscertificaten. Voor ondersteuning op grond van de Jeugdwet betreft dit een SKJ- of BIG registratie;
- f.
beschikken over een voor inwoners duidelijk en vindbaar klachtenprotocol.
- a.
-
3. Het college kan in nadere regels de kwaliteitseisen die aan professionele zorgaanbieders worden gesteld, verder duiden.
Artikel 5.7 Kwaliteitseisen informele ondersteuning met pgb Jeugd en Wmo
-
1. Het college stelt de volgende eisen aan een persoon uit het sociaal netwerk die met een pgb wordt ingezet voor ondersteuning: de persoon is meerderjarig en handelingsbekwaam;
- a.
de persoon is voldoende op de hoogte van de verantwoordelijkheden die aan het bieden van de ondersteuning verbonden zijn; ‘
- b.
de persoon levert veilige, doeltreffende, doelmatige en op de inwoner gerichte ondersteuning, afgestemd op de reële behoefte van de inwoner;
- c.
de persoon biedt passende ondersteuning welke wordt geëvalueerd aan de hand van de gestelde doelen in een evaluatieplan;
- d.
de persoon verricht geen handelingen die op grond van de wet alleen uitgevoerd mogen worden door een professional of handelingen die op grond van de verantwoorde werktoedeling aan een geregistreerde professional zijn voorbehouden.
- e.
de persoon is niet overbelast of raakt niet overbelast door het verlenen van de ondersteuning;
- f.
de persoon kan aantonen in staat te zijn de ondersteuning te verlenen;
- g.
de persoon hanteert een tarief dat niet hoger is dan het maximale tarief zoals vastgesteld in deze verordening;
- h.
er is geen sprake (geweest) van het uitoefenen van druk door de persoon die de ondersteuning aan de inwoner gaat bieden of op de persoon die de ondersteuning uitoefent, om te kiezen voor een pgb of om de ondersteuning te geven;
- i.
er zijn geen andere redenen waardoor de persoon uit het sociale netwerk van de inwoner niet in staat is om de gevraagde ondersteuning te bieden;
- j.
de persoon en ondersteuning voldoen in beginsel aan kwaliteitseisen die zijn opgenomen in deze verordening.
- a.
Hoofdstuk 6 Financiële tegemoetkomingen Wmo
Artikel 6.1 Criteria financiële tegemoetkoming als voorziening Wmo
-
1. Wmo voorzieningen die het college als financiële tegemoetkoming kan verstrekken, zijn tegemoetkomingen als bijdrage in de kosten van:
- a.
Verhuizen en inrichten van de woning, als het college het primaat van verhuizen toepast zoals bedoeld in artikel 3.7, derde lid van deze Verordening. Dit geldt ook als een inwoner uit de gemeente Lopik een eerder aangepaste woning verlaat;
- b.
Tijdelijke huisvesting, als de woning van de inwoner ingrijpend moet worden aangepast vanwege een Wmo woonvoorziening. De tegemoetkoming is gebaseerd op maximaal de kale huur per maand van sociale woningbouw.
- c.
Een noodzakelijke voorziening om aangepast te kunnen sporten die bijdraagt aan de maatschappelijke participatie en niet voor recreatief gebruik bedoeld is;
- d.
Individueel vervoer als dit de goedkoopst passende voorziening Wmo ‘Vervoer’ is.
- a.
-
2. Het college kan in het Financieel Besluit een maximumbedrag opnemen voor een financiële tegemoetkoming als bedoeld in dit artikel.
Artikel 6.2 Criteria financiële tegemoetkoming meerkosten
-
1. Het college kan op grond van artikel 2.1.7 van de Wmo op aanvraag aan een inwoner een financiële tegemoetkoming meerkosten toekennen als bijdrage in de kosten van de inwoner voor de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie.
-
2. De financiële tegemoetkoming meerkosten als bedoeld in het eerste lid verstrekt het college alleen:
- a.
als de inwoner aannemelijke extra kosten heeft door een beperking of door chronische psychische of psychosociale problemen;
- b.
er geen aanspraak op vergoeding van de extra kosten bestaat op grond van een andere voorziening.
- a.
-
3. Het college houdt bij de beoordeling van het vorige lid rekening met de hoogte van het inkomen van de inwoner en van een eventuele partner. Ook houdt het college rekening met de meerkosten ten aanzien van het hele kalenderjaar.
-
4. De hoogte van de tegemoetkoming bedraagt een door het college in het Financieel Besluit genoemd bedrag per jaar per gezinslid dat aan de voorwaarden voldoet. Het bedrag wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd op basis van de index van de meicirculaire gemeenten t-1 en wordt vermeld in het Financieel Besluit.
-
5. Het college kan in nadere regels voorwaarden vaststellen over de financiële tegemoetkoming van meerkosten.
Hoofdstuk 7 Kostprijs voorzieningen en eigen bijdrage
Artikel 7.1 Kostprijs voorzieningen
-
1. De kostprijs van een voorziening is gelijk aan de prijs die het college betaalt voor een voorziening in natura bij een gecontracteerde aanbieder. Hier komen waar nodig reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten bij.
-
2. Het college kan nadere regels stellen over het bepalen van de kostprijs.
Artikel 7.2 Bijdrage kosten voorzieningen Wmo art. 2.1.4a/art. 2.1.5 Wmo en Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AmvB)
-
1. Het college kan aan de inwoner een eigen bijdrage opleggen bij de toekenning van een Wmo voorziening.
-
2. De termijn van de eigen bijdrage betreft de termijn waarvoor de voorziening is verleend, de periode dat de voorziening in bruikleen is of de termijn loopt bij een koopvoorziening tot de volledige kostprijs is bereikt.
-
3. De hoogte van de in het eerste lid bedoelde bijdrage is gelijk aan het bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4a van de Wmo 2015 en wordt jaarlijks bepaald. De bijdrage wordt geïnd door het Centraal Administratiekantoor (CAK).
-
4. Met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 (AmvB) vraagt het college geen eigen bijdrage voor een voorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming.
-
5. De inwoner is een ritbijdrage voor de collectieve vervoersvoorziening verschuldigd. De hoogte van deze ritbijdrage wordt vastgelegd in het Financieel Besluit.
-
6. Gaat het om kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan wordt de bijdrage in de kosten opgelegd aan de onderhoudsplichtige ouder(s)/ verzorger(s). Dat geldt ook voor de ouder tegen wie een ouderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft afgewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek). Het geldt ook voor diegene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner (zoals bedoeld in artikel 253t van Boek 1 van het Burgerlijk wetboek).
-
7. Naast de bepalingen in dit artikel kan er bij een inwoner sprake zijn van gebruikelijke kosten voor de inwoner bij het gebruik van een voorziening. Deze vergoedt het college niet.
-
8. Het college kan nadere regels stellen over het vrijstellen van een inwoner van de te betalen bijdrage.
Hoofdstuk 8 Kwaliteit en aanbesteding voorzieningen in natura
Artikel 8.1 Kwaliteit voorzieningen
-
1. Het college zorgt dat zorgaanbieders kwalitatief goede voorzieningen leveren. Ook zorgt het college ervoor dat zorgaanbieders eisen aan beroepskrachten stellen met betrekking tot de deskundigheid. De zorgaanbieder zorgt ervoor dat:
- a.
de voorziening veilig, doeltreffend, doelmatig en inwonergericht wordt afgegeven;
- b.
de voorziening afgestemd is op de persoonlijke situatie van de inwoner en op andere vormen van hulp en/of ondersteuning die de inwoner ontvangt;
- c.
beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden handelen volgens de professionele standaard;
- d.
beroepskrachten beschikken over relevante ervaring en diploma’s;
- e.
de kwaliteit van de voorziening en de deskundigheid van beroepskrachten, voor zover van toepassing, tenminste voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de betreffende sector erkende keurmerken;
- f.
de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling wordt toegepast;
- g.
een regeling is vastgesteld voor de afhandeling van klachten van inwoners over de geboden voorzieningen;
- h.
de voorziening voldoet aan de normen en eisen die door de beroepsgroep of in het vakgebied algemeen zijn aanvaard.
- a.
-
2. Bij inkoop en aanbesteding van voorzieningen eist het college van zorgaanbieders dat zij rekening houden met de in het beleid gestelde kwaliteitseisen.
-
3. Het college controleert het in dit artikel gestelde door periodieke overleggen met zorgaanbieders, of door het uitvoeren van standaard kwaliteitsonderzoek of kwaliteitsonderzoek naar aanleiding van een signaal. Ook kan het college periodiek inwoner-ervaringsonderzoeken uitvoeren en/of als dat nodig is in overleg met een inwoner ter plaatse de (kwaliteit van de) geleverde voorziening in natura controleren.
-
4. Als het college door een medewerker van het Sociaal Team hulp of ondersteuning inzet, dan voldoet de medewerker die deze hulp en/of ondersteuning biedt aan de kwaliteitseisen zoals gesteld in de wet en deze verordening.
-
5. Het college kan nader regels stellen over het bepaalde in dit artikel.
Artikel 8.2 Verhouding prijs-kwaliteit ondersteuning door derden (art. 2.11/2.12 Jw en art. 2.6.4. Wmo)
-
1. Om te zorgen voor een goede prijs-kwaliteitverhouding van een door derde te leveren ondersteuning op het gebied van Jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering of Wmo hanteert het college:
- a.
een vast tarief dat geldt voor inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met een derde; of
- b.
een reëel tarief dat geldt als ondergrens voor:
- •
een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met een derde; en
- •
een vast tarief, bedoeld in onderdeel a.
- •
- a.
-
2. Het college stelt de tarieven als bedoeld in het eerste lid vast:
- a.
volgens de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de dienst of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht;
- b.
rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.
- a.
-
3. Het college baseert het vaste tarief of het reële tarief als bedoeld in het eerste lid in elk geval op de volgende kostprijselementen:
- a.
De kosten van de beroepskracht, waaronder de voor de sector voor de toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;
- b.
redelijke overheadkosten;
- c.
kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, werkoverleg en (bij)scholing;
- d.
de reis- en opleidingskosten;
- e.
indexering van de prijs voor het leveren van een dienst en
- f.
overige kosten als gevolg van door het college gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en/of administratieve verplichtingen.
- a.
-
4. De in het lid 3 genoemde kostprijselementen betreffen in elk geval voor preventie, Jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering:
- a.
kosten van beroepskrachten (cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden);
- b.
cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;
- c.
indexatiekosten.
- a.
-
5. Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van prijzen die het hanteert voor door derden te leveren voorzieningen Wmo niet zijnde diensten, in ieder geval rekening met:
- a.
de kostprijs van de voorziening;
- b.
de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals;
- •
het aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;
- •
instructie over het gebruik van de voorziening;
- •
onderhoud van de voorziening en verzekering.
- •
- a.
Hoofdstuk 9 Klachten en inspraak
Artikel 9.1 Klachten
-
1. Als een inwoner een klacht heeft over een gedraging door het bestuursorgaan als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht wordt deze klacht behandeld volgens de geldende interne klachtprocedure.
-
2. Als een inwoner klachten heeft over jeugdhulp, wijst het college op de mogelijkheden om gebruik te maken van onafhankelijke ondersteuning.
-
3. Als de jeugdige of zijn ouders een klacht willen indienen tegen gedragingen van de gemeente als jeugdhulpaanbieder, dan geldt de klachtenbehandeling op grond van hoofdstuk 4 van de Jeugdwet.
-
4. Als een inwoner klachten heeft over de kwaliteit van de maatwerkvoorzieningen en de bijbehorende dienstverlening van de zorgaanbieder, is de klachtenregeling van deze aanbieder van toepassing.
-
5. Het college ziet erop toe dat aanbieders voldoen aan het naleven van de klachtenregeling. Dit gebeurt door middel van periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 9.2 Betrekken van inwoners bij het beleid
-
1. Het college zorgt ervoor dat vertegenwoordigers van cliëntgroepen vroegtijdig in de gelegenheid zijn om voorstellen voor het beleid jeugd en Wmo te doen en advies te geven bij besluitvorming over regelgeving en beleid betreffende jeugd en Wmo. Het college zorgt voor de ondersteuning die nodig is om hun rol effectief in te kunnen vullen.
-
2. Het college ziet erop toe dat zorgaanbieders een regeling vaststellen voor de medezeggenschap van inwoners over besluiten die de zorgaanbieders willen nemen die van belang zijn voor de inwoner.
Artikel 9.3 Vertrouwenspersoon
-
1. Het college zorgt ervoor dat jeugdigen, ouders en pleegouders kosteloos een beroep kunnen doen op een onafhankelijke vertrouwenspersoon;
-
2. Het college wijst jeugdigen en ouders erop dat zij zich desgewenst kosteloos kunnen laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Hoofdstuk 10 Toezicht en handhaving voorzieningen
Artikel 10.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking, weigering en terugvordering voorziening
-
1. Een inwoner meldt op verzoek of uit zichzelf aan het college alle feiten en omstandigheden, waarvan het duidelijk is of moet zijn dat deze aanleiding kunnen geven tot heroverweging van de toegekende voorziening.
-
2. Het college kan een beslissing over het verstrekken van een voorziening herzien of intrekken, als:
- a.
de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven en als de juiste of volledige informatie door de inwoner was gegeven, dit tot een andere beslissing zou hebben geleid;
- b.
de inwoner niet langer (geheel) op de voorziening is aangewezen;
- c.
de voorziening niet meer toereikend is;
- d.
de inwoner zich niet houdt aan de voorwaarden en/of verplichtingen zoals deze vermeld staan in het besluit over de voorziening;
- e.
de inwoner de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bestemd is;
- f.
het college niet kan vaststellen of een voorziening nog nodig is, omdat de inwoner niet (geheel) meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening;
- g.
de inwoner niet binnen zes maanden na het ontvangen van de toekenningsbeschikking de voorziening heeft ingekocht of de ondersteuning is gestart, tenzij dat de inwoner niet te verwijten is;
- h.
de inwoner langer dan 3 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.
- a.
-
3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens verwijtbaar heeft plaatsgevonden, kan het college van de inwoner geheel of gedeeltelijk de geldwaarde terugvorderen van de ten onrechte genoten voorziening.
-
4. Het college hoeft geen voorziening toe te kennen als de inwoner onvoldoende meewerkt aan de voorwaarden genoemd in deze Verordening.
-
5. Ingeval het recht op een in eigendom of bruikleen verstrekte voorziening in natura is ingetrokken, kan het college deze voorziening of de waarde daarvan terugvorderen.
-
6. Het college kan de voorziening gemotiveerd met terugwerkende kracht beëindigen en intrekken.
-
7. Het college kan nadere regels vaststellen over de in dit artikel genoemde voorwaarden.
Artikel 10.2 Fraude, preventie en controle
-
1. Het college voert een actief fraudepreventiebeleid. Het college informeert de inwoner in begrijpelijke taal over de rechten en plichten die aan de voorziening zijn verbonden. Het college geeft ook aan wat de consequenties van misbruik zijn.
-
2. Om misbruik van de Jeugdwet en de Wmo te voorkomen, onderzoekt het college de doel- en rechtmatigheid van de verstrekte voorziening.
-
3. De inwoner die een Jeugdhulp of Wmo voorziening ontvangt, verstrekt aan het college alle medewerking en informatie die nodig is voor het onderzoek als bedoeld in het vorige lid. Dit geldt ook voor de mensen uit hun (sociale) netwerk, als zij bij de voorziening een rol spelen.
-
4. Het college wijst een of meer toezichthouders aan die de fraudepreventie en controle, zoals in dit artikel beschreven staat, uitvoeren. Deze toezichthouders controleren of de voorwaarden van de voorziening, de voorwaarden van de Jeugdwet, de Wmo en deze Verordening worden nageleefd.
-
5. De toezichthouders kunnen voor het uitoefenen van toezicht gebruik maken van:
- a.
Inzage van dossiers;
- b.
huisbezoeken bij een inwoner en kijken in en om de woning. Het college kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Alleen met toestemming van de inwoner mag een toezichthouder in de woning kijken.
- c.
bestandsvergelijkingen: het college vergelijkt binnen de wettelijke kaders de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals de Belastingdienst, Sociale Verzekeringsbank (SVB), zorgaanbieder, zorgverzekeraar en uitvoerder Wet langdurige zorg (Wlz);
- d.
(anonieme) signalen en tips van organisaties, zorgprofessionals of particulieren;
- e.
andere passende onderzoeksmethoden.
- a.
-
6. Het college kan een materiele controle en fraudeonderzoek doen bij zorgaanbieders die werken onder een contract van de gemeente. Dit geldt ook voor een contract dat een inwoner met een zorgaanbieder heeft gesloten in het kader van een pgb. Bij het onderzoek wordt bekeken of de prestatie is geleverd waarvoor is betaald.
-
7. Het college gebruikt controles ook om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt.
-
8. Ziet de controle van de voorziening op het opsporen van strafbare feiten dan zorgt het college ervoor dat de regels die behoren bij het opsporen van strafbare feiten worden nageleefd.
-
9. Bij beëindiging van de voorziening op verzoek van de inwoner kan het college onderzoek doen naar de beëindiging. Het college kan ook nagaan of de voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
-
10. Het college kan nadere regels stellen over fraudepreventie en controle.
Artikel 10.3 Opschorting pgb
-
1. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) gemotiveerd verzoeken te beslissen tot geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste 3 maanden als het college vermoedt dat:
- a.
de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven en als de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing;
- b.
de inwoner zich niet houdt aan de voorwaarden en/of verplichtingen zoals deze vermeld staan in het besluit over de voorziening;
- c.
de inwoner de voorziening niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor deze bestemd is;
- d.
voor de duur van de opname als de inwoner langer dan 3 maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Zorgverzekeringswet.
- a.
Artikel 10.4 Beleidsplan fraude
-
1. Het college kan een beleidsplan voor de preventie en aanpak van fraude vaststellen. In dat plan legt het college vast hoe het de fraudebestrijding aanpakt en hoe het college zorgt dat inwoners zich zo goed mogelijk aan de regels houden (handhaving).
-
2. In het beleidsplan staat in ieder geval:
- a.
wat de gemeente precies met fraudepreventie bedoelt;
- b.
wanneer en hoe de gemeente inwoners informeert over rechten en plichten;
- c.
welke onderzoeksmethoden wanneer kunnen worden ingezet; en
- d.
hoe de gemeente samenwerkt met andere organisaties om fraude tegen te gaan.
- a.
-
3. Het college kan in het beleidsplan voor de onderzoeksmethoden die vaak worden toegepast protocollen opstellen, zoals een protocol voor de inzet van huisbezoeken. De protocollen waarborgen dat bij het toezicht geen ongeoorloofde inbreuk op het privéleven van inwoners plaatsvindt. Het college maakt de protocollen openbaar bekend.
Artikel 10.5 Toezicht aanbieders
Het college wijst één of meer personen aan die de taak hebben erop toe te zien dat aanbieders de wetten en de bijbehorende regels naleven in het kader van de Wmo en Jeugd en voldoen aan de gestelde eisen.
Artikel 10.6 Melding calamiteiten en geweldsincidenten
-
1. Het college vraagt van zorgaanbieders en gecertificeerde instellingen om iedere calamiteit en ieder geweldsincident bij de verstrekking van een voorziening, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering direct bij de toezichthoudende instantie te melden.
-
2. De toezichthoudende instantie op gebied van kwaliteit als bedoeld in het eerste lid, is:
- a.
voor Jeugdhulp, de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd;
- b.
Voor kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering, de Inspectie Veiligheid en Justitie.
- c.
voor Wmo, de Gemeentelijke Gezondheidsdienst regio Utrecht (GGDrU) met wie het college daarvoor een regeling heeft getroffen;
- a.
-
3. De toezichthoudende instanties zien toe op het onderzoek van de melding door de zorgaanbieder, onderzoeken de melding zo nodig zelf en adviseren het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
Hoofdstuk 11 Overig bepalingen en slotbepalingen
Artikel 11.1 Waardering mantelzorgers
-
1. Het college verstrekt jaarlijks een blijk van waardering voor mantelzorgers van inwoners in de gemeente Lopik.
-
2. Het college kan nadere regels vaststellen over de uitvoering van de mantelzorgwaardering.
Artikel 11.2 Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening, als toepassing van deze verordening naar het oordeel van het college tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Artikel 11.3 Nadere regels en onvoorziene gevallen
-
1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
-
2. Het college kan nadere regels vaststellen over de toegang, de verstrekking, de hoogte, de vorm en de terugvordering van voorzieningen die op grond van deze Verordening zijn verleend. De nadere regels worden begrensd door deze Verordening en de wet.
-
3. Het college stelt een Financieel Besluit Wmo en Jeugdhulp vast. Hierin zijn de voor deze Verordening relevante bedragen en tarieven opgenomen.
Artikel 11.4 Overgangsbepalingen
-
1. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2021 tot het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt wordt ingetrokken.
-
2. Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening Jeugd en maatschappelijke ondersteuning gemeente Lopik 2021. waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
-
3. Van het in lid 2 gestelde kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.
-
4. Op bezwaar- en (hoger) beroepschriften in verband met een besluit, genomen op grond van de één van de onder het eerste lid genoemde ingetrokken verordeningen, is de ingetrokken verordening van toepassing.
-
5. Van het gestelde in lid 4 kan ten gunste van de cliënt worden afgeweken.
Artikel 11.5 Inwerkingtreding en citeertitel
-
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van:
- •
Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Lopik 2021
- •
-
2. Deze verordening wordt aangehaald als:
- •
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Lopik 2026
- •
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Lopik van 25 november 2025
de griffier,
MW. MR. G.M.G. DOLDERS
de voorzitter,
MW. MR. R.G. WESTERLAKEN-LOOS
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl