Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748909
Naar de door u bekeken versie
https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748909/1
Beleidsregel brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Capelle aan den IJssel 2025
Geldend van 09-12-2025 t/m heden
Intitulé
Beleidsregel brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Capelle aan den IJssel 2025Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;
gelet op artikel 2.21 van de Wet hersteloperatie toeslagen en artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat het wenselijk is het beleid betreffende het doel van de brede ondersteuning, zijnde
het bevorderen van een nieuwe start (de basis op orde) in het kader van het herstel na de
toeslagenproblematiek, vast te leggen;
besluit:
vast te stellen de Beleidsregel brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Capelle aan den IJssel 2025
HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1. Definities
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
- a.
aanvrager: de persoon die een beroep doet op brede ondersteuning en onder de personenkring valt van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet.
- b.
bedreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie;
- c.
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;
- d.
CWS: Commissie Werkelijke Schade;
- e.
hulpvraag: formulering van de behoefte aan brede ondersteuning dat passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid, te kunnen bereiken;
- f.
inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente ingeschreven is;
- g.
kindregeling: herstelregeling op grond van afdeling 2.2 van de wet waarmee een tegemoetkoming en brede ondersteuning wordt geboden aan kinderen van gedupeerde ouders;
- h.
leefgebieden: de vijf leefgebieden, genoemd in artikel 2.21, eerste lid, van de wet, zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg;
- i.
reguliere ondersteuning: andere gemeentelijke ondersteuning binnen het sociaal domein dan brede ondersteuning;
- j.
toekennen: verlenen van de aanspraak op een voorziening;
- k.
UHT: Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen;
- l.
verstrekken: feitelijk verschaffen van een toegekende voorziening;
- m.
voorziening: materiële voorziening als bedoeld in artikel 13 of immateriële voorziening als bedoeld in artikel 14;
- n.
wet: Wet hersteloperatie toeslagen.
HOOFDSTUK 2. DOEL, UITZONDERINGEN EN DOELGROEP BREDE ONDERSTEUNING
Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning
-
1. De brede ondersteuning is gericht op:
- a.
het ondersteunen van de aanvrager bij het maken van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en
- b.
het bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid.
- a.
-
2. De doelstellingen van de brede ondersteuning op de leefgebieden die de aanvrager in staat moet stellen een nieuwe start te maken, zijn:
- a.
financiën: in staat zijn om een financieel gezonde huishouding te voeren;
- b.
gezin: samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen;
- c.
werk: minimaal de beschikking hebben over een startkwalificatie, duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces of zinvolle dagbesteding (als dit het hoogst haalbare is);
- d.
wonen: een veilige en betaalbare plek om te wonen; en
- e.
zorg: welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.
- a.
Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning
Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:
- a.
vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;
- b.
ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in artikel 1, onderdeel h;
- c.
vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;
- d.
vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie (bijvoorbeeld het voorkomen van huisuitzettingen of afsluiting van gas/water/licht) en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen door (financiële) hulpverlening te accepteren;
- e.
kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend, tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of
- f.
kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
-
1. Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan inwoners die onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet vallen en die niet eerder met brede ondersteuning een nieuwe start hebben kunnen maken.
-
2. Het college verleent ook brede ondersteuning aan het gezin van de aanvrager die op grond van het eerste lid is toegelaten tot de brede ondersteuning. De samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag is leidend.
-
3. Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.
-
4. Bij toepassing van het derde lid vindt over de verlening van toegang tot brede ondersteuning overleg plaats met de aanvrager en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar deze aanvrager inwoner is.
Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige
Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:
- a.
jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;
- b.
jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is of
- c.
zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.
HOOFDSTUK 3. AANVRAAG, EERSTE GESPREK EN VASTSTELLING HULPVRAAG
Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning
-
1. Een aanvraag voor toegang tot brede ondersteuning aan het college wordt uitsluitend per e-mail of per post ingediend. Het college stelt vast of de aanvrager behoort tot de in artikel 4, eerste lid, genoemde doelgroep en daarmee in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij de gemeente.
-
2. Indien een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van de aanvraag.
Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag
-
1. Nadat een aanvraag bij het college is ingediend, nodigt het college de aanvrager binnen acht weken uit voor een eerste gesprek.
-
2. De aanvrager bespreekt met het college hoe en waar het gesprek plaatsvindt (op locatie in het gemeentehuis, telefonisch, beeldbellen, een openbare plek of bij vervolgafspraken een huisbezoek).
-
3. Tijdens het eerste gesprek wordt samen met de aanvrager, aan de hand van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid, de situatie van de aanvrager op de leefgebieden op het moment van de aanvraag vastgesteld en wordt gezamenlijk bepaald wat diens hulpvraag is.
HOOFDSTUK 4. BESLUIT OP DE AANVRAAG EN PLAN VAN AANPAK
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
-
1. Het college zorgt dat de aanvrager uiterlijk acht weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt. De beschikking bevat:
- a.
een verlening van toegang tot brede ondersteuning met een plan van aanpak dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of
- b.
een gemotiveerde weigering van de toegang tot brede ondersteuning.
- a.
-
2. Indien het plan van aanpak niet binnen de in het eerste lid genoemde termijn kan worden vastgesteld, kan het college deze termijn met maximaal vier weken verlengen. De termijn kan verder worden verlengd indien de aanvrager daarmee instemt of indien voor het vaststellen van het plan nog noodzakelijke informatie van de inwoner wordt verwacht.
Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak
-
1. Het college stelt samen met de aanvrager het plan van aanpak op. Daarbij vormt de situatie van de aanvrager op het moment van de aanvraag en de hulpvraag het startpunt. De op dat moment in het plan van aanpak beschreven hulpvragen vormen de basis voor een nieuwe start.
-
2. In het plan van aanpak wordt vastgelegd:
- a.
hoe stapsgewijs en integraal naar de doelstellingen voor het maken van een nieuwe start door de aanvrager op de leefgebieden wordt toegewerkt; en
- b.
welke voorzieningen worden toegekend om de aanvrager op passende, adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken.
- a.
-
3. De aanvrager dient schriftelijk (per e-mail) akkoord te geven op het plan van aanpak. Hierna wordt de aanvrager schriftelijk geïnformeerd over het besluit via een beschikking. Hiermee staat bezwaar open binnen de gestelde termijn.
Artikel 10. Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren
-
1. Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager:
- a.
achttien jaar of ouder is;
- b.
in aanmerking komt voor de kindregeling;
- c.
naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en
- a.
-
2. diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslag problematiek 2021. Welzijn Capelle begeleidt (in opdracht van het college) de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie.
Artikel 11. Het wijzigen van het plan van aanpak
-
1. Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere noodzakelijke voorzieningen toekennen, waarbij de datum van het wijzigingsverzoek bij de berekening van de termijn leidend is. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.
-
2. Een aanvrager kan per e-mail of per post een verzoek indienen om het plan van aanpak te wijzigen. Artikel 8, eerste lid, is op deze aanvraag van overeenkomstige toepassing.
-
3. Als de aanvrager het college verzoekt een aanvullende voorziening toe te kennen, toetst het college dit verzoek aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14.
-
4. De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen wijzigt het college niet, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die wijziging noodzakelijk maken.
HOOFDSTUK 5. TOEKENNEN EN VERSTREKKEN VAN VOORZIENINGEN
Artikel 12. Voorzieningen
-
1. Het college verstrekt bij besluit aan de aanvrager de immateriële en materiele voorzieningen die in het plan van aanpak zijn opgenomen.
-
2. Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:
- a.
de vaardigheden van de aanvrager;
- b.
de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;
- c.
de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;
- d.
het duurzame karakter van de voorziening; en
- e.
de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.
- a.
Artikel 13. Materiële voorzieningen
-
1. Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken.
-
2. Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.
-
3. Indien aanvrager een claim heeft ingediend bij CWS voor eenzelfde materiële voorziening als aangevraagd in het kader van de brede ondersteuning en de claim door CWS tot uitbetaling is gekomen, wordt daarmee — ter voorkoming van dubbele vergoedingen - rekening gehouden bij de beoordeling van de verzochte materiële voorziening.
-
4. Bij het toekennen van materiële voorzieningen houdt het college waar mogelijk de actuele normbedragen van het Nibud aan. Als de aanvrager kiest voor een duurdere voorziening dan het bedrag dat het college heeft toegekend, dan betaalt de aanvrager het verschil zelf.
-
5. Waar mogelijk betaalt het college op basis van een factuur. Het college maakt zo min mogelijk rechtstreeks over naar de aanvrager.
-
6. Voor betaling vraagt het college waar nodig om een factuur of betaalbewijs. Wanneer de aanvrager de gevraagde gegevens niet aanlevert of niet wil aanleveren, gaat het college niet verder met de aanvraag. De aanvrager wordt tweemaal herinnerd om de gevraagde informatie aan te leveren.
-
7. Het college vergoedt waar mogelijk alleen eenmalige kosten en geen langlopende trajecten, waarbij onder langlopend wordt verstaan: kosten voor een periode langer dan één jaar.
-
8. Het college vergoedt goederen en/of diensten slechts éénmalig voor eenzelfde goed en/of dienst.
-
9. Het college verstrekt geen vergoedingen voor:
- a.
(verkeer)boetes;
- b.
auto- en motorvoertuigen;
- c.
kledingpakketten;
- d.
zwemlessen, sport of hobby's;
- e.
tuin;
- f.
achterstallig onderhoud;
- g.
medische kosten;
- h.
cosmetische ingrepen;
- i.
vakanties en
- j.
luxegoederen.
- a.
-
10. in afwijking van artikel 13 sub 8 kan het college een vergoeding toekennen voor:
- a.
(verkeer)boetes, als er zwaarwegende redenen zijn dat de boete(s) een structurele oplossing in de weg staan;
- b.
auto- of motorvoertuigen, als deze passend en noodzakelijk zijn. Hierbij sluit het college aan bij het bedrag van vrijlating zoals bedoeld in de Participatiewet. Het gaat hierbij om vergoeding tot maximaal € 5.000;
- c.
kledingpakketten, als er sprake is van een medische of schrijnende situatie.
- d.
Zwemlessen of sport indien vergoeding via het Jeugdfonds Sport en Cultuur niet mogelijk is. In dat geval wordt maximaal één jaar vergoed en één sport per aanvrager;
- e.
tuin, als er een acute noodzaak is door aantoonbaar effect op gezondheid of leefbaarheid en onderhoud niet kan wachten op de CWS;
- f.
achterstallig onderhoud, als er een acute noodzaak is door aantoonbaar effect op gezondheid of leefbaarheid en reparatie niet kan wachten op de Commissie Werkelijke Schade;
- g.
medische kosten: als er een acute noodzaak is en de kosten of de eigen bijdrage niet worden vergoed door de ziektekostenverzekering.
- a.
-
11. Het college kan onder meer de volgende materiële voorzieningen vergoeden, mits deze bijdragen aan het behalen van de doelen zoals omschreven in het Plan van Aanpak:
- a.
meubilair en inrichting: uitsluitend voor een noodzakelijke basisinrichting. Luxegoederen vallen niet onder een noodzakelijke basisinrichting;
- b.
verhuiskosten en dubbele huur;
- c.
opleiding: één opleiding per aanvrager voor het behalen van een startkwalificatie of een opleiding die de arbeidsmarktkansen vergroot en direct bijdraagt aan een nieuwe start. Voor jongeren die al op een vervolgopleiding zitten, kan maximaal één jaar school-/collegegeld en boekengeld worden vergoed. DUO/studiefinanciering geldt hierbij als een voorliggende voorziening. Kosten voor hertentamens worden niet vergoed, tenzij er zwaarwegende redenen zijn;
- d.
laptop, fiets of vergelijkbare voorzieningen;
- e.
bril: vergoeding van maximaal €250 voor een standaard bril. Wanneer een standaard bril niet toereikend is door een oogaandoening, een hoge zichtafwijking of een andere bijzondere situatie, dan kunnen de hogere kosten vergoed worden op basis van een offerte en factuur.
- a.
-
12. Voor de voorzieningen genoemd in lid 11, onderdeel a, gelden de volgende maximale bedragen (per 1 juli 2025). Deze zijn afgestemd op actuele Nibud-normen (per 1 juli 2025):
- a.
laminaatvloer: €35-40 per m2 inclusief leggen, ondervloer en plinten;
- b.
trapbekleding: maximaal €750 per trap;
- c.
schilderwerk: uitsluitend de werkelijke materiaalkosten. Arbeidskosten worden alleen vergoed als er zwaarwegende redenen zijn;
- d.
inboedelpakket: binnen het inboedelpakket van het Nibud is een vast bedrag opgenomen voor stofferingskosten. Er is een mogelijkheid tot aanvulling indien dit bedrag aantoonbaar onvoldoende is.
- a.
-
13. Bij de maximale bedragen als vermeld in lid 12 wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de actuele NIBUD normbedragen op het moment van beoordeling van de aanvraag.
Artikel 14. Immateriële voorzieningen
-
1. Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak.
-
2. Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.
Artikel 15. Medewerking aanvrager
-
1. Het college kan, voordat de voorziening wordt opgenomen in het plan van aanpak, de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet.
-
2. Ter voorkoming van dubbele vergoedingen, wordt de aanvrager bij de aanvraag verzocht informatie te geven of er claims zijn ingediend bij CWS en voor welk bedrag dit tot uitbetaling is gekomen.
Artikel 16. Weigeren voorzieningen
-
1. Het college weigert het toekennen van een voorziening als:
- a.
de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er na het indienen van de aanvraag maar vóór het eerste gesprek sprake was van een bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;
- b.
de voorziening niet aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet; of
- c.
de aanvrager niet de medewerking, bedoeld in artikel 15 heeft verleend en het college daardoor niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 voldoet.
- a.
-
2. In geval van gehele of gedeeltelijke weigering wordt de evenredigheid hiervan in het besluit gemotiveerd.
HOOFDSTUK 6. BEËINDIGING BREDE ONDERSTEUNING EN OVERDRACHT
Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning
-
1. In aanvulling op artikel 2.21, lid 4b en lid zes, van de wet eindigt de brede ondersteuning als de aanvrager:
- a.
om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt; of
- b.
niet binnen een redelijke termijn van de brede ondersteuning gebruik heeft gemaakt en niet reageert op een oproep van het college om hier alsnog gebruik van te maken.
- a.
-
2. Het college nodigt de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning, indien gewenst, uit voor een gesprek om de actuele situatie van de aanvrager op de leefgebieden te bespreken.
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening
Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstellingen uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.
Artikel 19. Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien strikte toepassing ervan zou leiden tot een onevenredige benadeling van een aanvrager of tot een uitkomst die kennelijk onredelijk is.
HOOFDSTUK 7. SLOTBEPALINGEN
Artikel. 20. Inwerkingtreding
Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.
Artikel. 21. Citeertitel.
Deze beleidsregels worden aangehaald als Beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Capelle aan den IJssel 2025.
Ondertekening
Capelle aan den IJssel, 18 november 2025
Het college van burgemeester en wethouders voornoemd,
de secretaris,
de burgemeester,
Toelichting op de beleidsregels brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen gemeente Capelle aan den IJssel 2025
Artikelsgewijs
In deze artikelsgewijze toelichting worden enkel die (onderdelen) van bepalingen behandeld die nadere toelichting behoeven.
Artikel 1. Definities
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregels. Daarbij is zoveel mogelijk aangesloten bij de Wht. Bijvoorbeeld als het aankomt op de definitie van aanvrager, kindregeling en leefgebieden.
Bedreigende situatie
Voor de invulling van de definitie van bedreigende situatie is aansluiting gezocht bij artikel 4, tweede lid, van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Dit vanuit het algemene uitgangspunt dat de beleidsregels onderdeel zijn van de ondersteuning in het sociaal domein.
Toekennen en verstrekken
Verder zijn in de begrippen aparte definities opgenomen van toekennen en verstrekken. Dit om een onderscheid te maken tussen het moment waarop wordt vastgesteld dat een bepaalde voorziening nodig is en een voorziening zoals een opleiding of begeleiding wordt toegekend. En het moment waarop van de voorziening gebruik wordt gemaakt en er dus bijvoorbeeld een opleiding start of begeleiding begint. Dat is het moment waarop de voorziening wordt verstrekt. Dit onderscheid is van belang omdat voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek kunnen worden toegekend, maar de verstrekking ook na dat moment nog aan de orde kan zijn. Op deze manier kan de geboden ondersteuning langer doorlopen dan twee jaar.
Artikel 2. Doel van de brede ondersteuning
Brede ondersteuning sluit aan op de rijksbrede doelstellingen die gemeenten ook hanteren vanuit de reguliere dienstverlening binnen het sociaal domein, maar richt zich nadrukkelijk niet op het bieden van een sociaal vangnet. Het gaat om het bieden van toekomstperspectief. Het in staat stellen van de aanvrager om een nieuwe start te maken en het leveren van een bijdrage van het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid. Dat is in het eerste lid expliciet gemaakt.
Dat het uitgangspunt van de brede ondersteuning is dat toekomstperspectief wordt geboden, betekent ook dat brede ondersteuning maatwerk is. Een nieuwe start ziet er voor iedere aanvrager anders uit en ook het startpunt, oftewel de situatie ten tijde van de aanvraag, verschilt per aanvrager. Wel staan bij de brede ondersteuning steeds dezelfde vijf leefgebieden centraal. Deze leefgebieden en daarbij behorende doelstellingen zijn in het tweede lid opgesomd. Het college bespreekt met iedere aanvrager aan de hand van deze doelstellingen op welke van de vijf leefgebieden er behoefte is aan ondersteuning en waar die ondersteuning uit moet bestaan om de resultaten te kunnen behalen.
Artikel 3. Uitzonderingen brede ondersteuning
Dit artikel maakt duidelijk wat van de brede ondersteuning uitgezonderd is. Zo is brede ondersteuning geen sociaal vangnet voor algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning (onderdeel a), vallen behoeften die niet gericht zijn op de vijf leefgebieden of het behalen van de bijbehorende doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, buiten de brede ondersteuning (onderdeel b) en is het geen taak van de gemeenten om financieel herstel te bieden en dus schade vanuit het verleden te vergoeden (onderdeel c). Verder geldt voor sommige vergoedingen en kosten dat deze in beginsel geen onderdeel uitmaken van de brede ondersteuning, maar dat er een uitzondering mogelijk is als er sprake is van een bedreigende situatie (onderdeel d en e). In dat geval staan niet de vergoedingen en kosten zelf, maar het voorkomen van de gevolgen van een acute noodsituatie centraal. Niet het vergoeden van de schuld, maar het beëindigen van de acute noodsituatie en het voorkomen van erger staat in dat geval centraal.
Het college stelt in die gevallen wel de voorwaarde dat er aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van de bedreigende situatie te voorkomen, door (financiële) hulpverlening te accepteren. Verder is de vergoeding van kosten die zijn gemaakt voordat er een aanvraag is ingediend voor brede ondersteuning geen onderdeel van de brede ondersteuning (onderdeel e). Tot slot zijn er over de inzet van advocaten, voor bijstand in het financiële herstelproces, door het Rijk afspraken gemaakt met de Nederlandse Orde van Advocaten (onderdeel f). Er is gratis hulp van een advocaat beschikbaar via herstel.toeslacien.nl. Dit is om die reden ook van de brede ondersteuning uitgezonderd.
Artikel 4. Doelgroep brede ondersteuning
De Wet hersteloperatie toeslagen (verder: Wht) regelt welke inwoners van de gemeente in aanmerking komen voor brede ondersteuning.
In het eerste lid wordt daarnaar verwezen. In de wet wordt de inwoner genoemd die:
- -
een aanvrager van een kinderopvangtoeslag is en een aanvraag heeft ingediend tot toekenning van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 van de Wht;
- -
een kind, een pleegkind of een voormalig pleegkind is dat in aanmerking komt voor een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 2.12 van de Wht;
- -
en ex-partner is die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, van de Wht, en aan wie deze is toegekend;
- -
een partner is die in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9a van de Wht;
- -
een kind is dat in aanmerking komt voor een compensatie of tegemoetkoming, kwijtschelding van bestuursrechtelijke schulden of overneming en betaling van privaatrechtelijke schulden van de gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag als bedoeld in artikel 2.9b van de Wht;
- -
hun gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet en het thuiswonende kind of pleegkind van 18 jaar of ouder van de personen, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de Wht, of van hun partner.
In aanvulling hierop is in de beleidsregels bepaald dat alleen brede ondersteuning wordt geboden aan inwoners die nog niet in staat zijn gesteld om vanuit de brede ondersteuning een nieuwe start te kunnen maken.
Voor aanvragers van kinderopvangtoeslag die zich hebben aangemeld bij UHT kan de brede ondersteuning starten vanaf het moment van aanmelding bij de UHT. Indien uit de integrale beoordeling blijkt dat een aanvrager van de kinderopvangtoeslag die zich bij UHT heeft gemeld niet als gedupeerde ouder wordt erkend, komt deze persoon niet langer in aanmerking voor brede ondersteuning, ook niet als deze persoon hiertegen in bezwaar gaat. Zodra de integrale beoordeling is afgerond, wordt in dat geval de ondersteuning beëindigd.
Op grond van de Wht wordt ook brede ondersteuning geboden aan het gezin van de inwoners die in de wet worden genoemd. Het tweede lid maakt duidelijk dat de samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag daarbij doorslaggevend is. Dit betekent dat ook dit maatwerk is. Het college beoordeelt per aanvrager welke personen tot het gezin kunnen worden gerekend.
In bijzondere omstandigheden kan tot slot brede ondersteuning worden geboden aan aanvragers die geen inwoner zijn. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als een persoon die voorheen inwoner was (al dan niet tijdelijk) is verhuisd naar een andere gemeente, in detentie is geplaatst buiten de gemeente of een vertrouwensband heeft met een medewerker van de gemeente die betrokken is bij de uitvoering van brede ondersteuning (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 101 en 102). Als brede ondersteuning wordt geboden aan een inwoner van een andere gemeente, dan wordt die aanvrager op grond van de beleidsregels gelijkgesteld met degene die wél inwoner is. Verder vindt er over de brede ondersteuning overleg met de andere gemeente plaats. Als een inwoner die brede ondersteuning ontvangt verhuist en de brede ondersteuning wordt overgedragen aan een andere gemeente of juist van een andere gemeente overgenomen, dan draagt het college zorg voor een warme overdracht naar de nieuwe of van de oude woongemeente. De nieuwe woongemeente kan bij de oude woongemeente de gegevens opvragen die zij nodig acht voor (het continueren van) de brede ondersteuning.
Artikel 5. Brede ondersteuning voor een minderjarige
Kinderen van gedupeerde ouders die aanspraak kunnen maken op de kindregeling, kunnen eveneens aanspraak maken op brede ondersteuning. Dit artikel regelt tegen die achtergrond dat minderjarigen vanaf de leeftijd van zestien jaar zelfstandig brede ondersteuning kunnen aanvragen bij het college in de gemeente waar zij inwoner zijn.
Minderjarigen die jonger zijn dan zestien jaar, kunnen hiervoor terecht bij het college in de gemeente waarvan degene die het ouderlijk gezag uitoefent inwoner is. Als beide ouders het gezag uitoefenen, maar geen inwoner van dezelfde gemeente zijn, dan kan de minderjarige brede ondersteuning aanvragen bij het college van de gemeente waar de ouder inwoner is bij wie de minderjarige feitelijk verblijft.
Minderjarige kinderen van gedupeerde ouders hebben recht op een eenmalige nieuwe start. Als een minderjarig kind eerder hulp heeft gekregen via het plan van aanpak van een ouder, wordt de eerder geboden hulp niet opnieuw toegekend.
Artikel 6. Aanvraag brede ondersteuning
Een inwoner kan direct bij het college een aanvraag doen voor brede ondersteuning. De aanvraag wordt uitsluitend per e-mail of per post ingediend. Niet elke inwoner is digitaal vaardig, daarom kan een aanvraag ook per post worden ingediend. Een ouder kan ook via de UHT kenbaar maken dat deze in aanmerking wil komen voor een gemeentelijk hulpaanbod. Het college ontvangt dan de gegevens via het gegevensportaal van de belastingdienst. Het moment van ontvangst van de gegevens via het portaal wordt gelijkgesteld met het indienen van een aanvraag. Indien een inwoner zich direct bij het college meldt, verifieert het college of de inwoner in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij het Serviceteam gemeenten bij de UHT.
Artikel 7. Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag
Het college nodigt de aanvrager op grond van dit artikel binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen, uit voor een eerste gesprek. Tijdens dit eerste gesprek wordt aan de hand van de vijf doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, de situatie van de aanvrager besproken en wordt samen met de aanvrager vastgesteld wat de hulpvraag is. Hierbij wordt op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde de indiening van de aanvraag onderzocht wat er op elk van de vijf leefgebieden voor de aanvrager nodig is om de doelstellingen te kunnen bereiken.
Om ervoor te zorgen dat het juiste maatwerk geleverd wordt én bij te dragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid, is het van belang dat de aanvrager de mogelijkheid heeft om tijdens het eerste gesprek de regie te voeren. Om die reden is in de beleidsregels vastgelegd dat de hulpvraag samen met de aanvrager wordt bepaald. Verder krijgt de aanvrager, wanneer deze wordt uitgenodigd voor het eerste gesprek, ook de mogelijkheid om te bepalen waar of hoe dit gesprek plaatsvindt. Dit kan op locatie in het gemeentehuis, telefonisch, beeldbellen, een openbare plek of bij vervolgafspraken een huisbezoek.
De communicatie tussen het college en de aanvrager vindt bij voorkeur plaats per e-mail, per post of telefonisch. Gebruik van WhatsApp is uitsluitend toegestaan indien de aanvrager hiervoor toestemming heeft gegeven en is geïnformeerd dat WhatsApp-berichten onderdeel uitmaken van het dossier. WhatsApp wordt uitsluitend ingezet voor laagdrempelige communicatie, zoals het bevestigen of herinneren van afspraken, het informeren naar de beschikbaarheid van de aanvrager en het verzenden van eenvoudige herinneringen om documenten mee te nemen. Via WhatsApp worden geen inhoudelijke hulpvragen behandeld en worden geen persoonlijke of gevoelige gegevens uitgewisseld.
Artikel 8. Besluit op de aanvraag
Het college beslist binnen acht weken na het eerste gesprek over de toegang tot de brede ondersteuning. De aanvrager krijgt een toekennings- of een afwijzingsbeschikking.
In de toekenningsbeschikking is een plan van aanpak opgenomen. In dit plan van aanpak is samen met de aanvrager vastgelegd wat de doelstellingen van de brede ondersteuning zijn en, indien passend, welke voorzieningen daarbij worden toegekend. Omdat het lastig kan zijn om binnen een aantal weken volledig zicht te hebben op de doelstellingen en ondersteuningsbehoeften, kan het plan van aanpak ook eerst op hoofdlijnen worden vastgesteld. Deze is dan ook onderdeel van de toekenningsbeschikking en bevat ten minste een vastgestelde hulpvraag. Een plan van aanpak dat op hoofdlijnen is vastgesteld, kan vervolgens samen met de aanvrager worden aangevuld.
In de afwijzingsbeschikking is gemotiveerd aangegeven waarom er geen toegang tot brede ondersteuning is.
Naast de mogelijkheid van een voorlopig plan van aanpak, biedt het tweede lid ook de mogelijkheid de termijn voor het opstellen van het plan van aanpak te verlengen. De aanvrager wordt hiervan op de hoogte gesteld.
Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. De bezwaarclausule wordt schriftelijk kenbaar gemaakt in elke beschikking.
Artikel 9. Het opstellen van het plan van aanpak
In het plan van aanpak staan de hulpvragen van de aanvrager centraal. Vanuit de situatie van de aanvrager op het moment waarop de aanvraag is ingediend, is uitgewerkt hoe stapsgewijs en op een samenhangende manier de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid, van de aanvrager worden bereikt. Verder staat ook in het plan van aanpak welke voorzieningen het college aan de aanvrager toekent om dit op een adequate en duurzame manier te doen. De aanvrager wordt hiermee in staat gesteld om een nieuwe start te kunnen maken. In het plan van aanpak wordt dus ook gemotiveerd op welke wijze de toekenning van de voorziening bijdraagt aan het bereiken van een nieuwe start.
Artikel 10. Aanvullende schuldhulpverleningsaanbod jongeren
Binnen de brede ondersteuning is er bijzondere aandacht voor jongeren met problematische schulden. Doordat het voor deze groep moeilijker is om een nieuwe start te maken, is er een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod mogelijk. Het aanvullend aanbod bestaat uit twee (cumulatieve) onderdelen. Beide onderdelen samen vormen het aanbod: een plan van aanpak en het oplossen van saneerbare schulden.
Het eerste lid maakt dat expliciet en bevat de voorwaarden waarbij het college dit aanbod in elk geval doet. Het college beoordeelt of de schulden als problematisch worden gekwalificeerd. Het gaat dan in ieder geval om een situatie waarin niet binnen 36 maanden alle opeisbare vorderingen zijn af te lossen. Ook andere objectieve criteria, zoals beslag, registratie bij het CAK en de benodigde voorzieningen vanuit de brede ondersteuning worden meegewogen. Als een schuld niet als problematisch gekwalificeerd wordt, wordt de aanvrager op andere wijze geholpen bij het in balans krijgen van inkomsten en uitgaven. Verder is het uitgangspunt dat de aanvrager zich binnen de termijn, zoals genoemd in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, moet melden.
Als in het eerste gesprek blijkt dat er een financiële hulpvraag is, dan wordt de financiële situatie van de aanvrager in kaart gebracht. Op grond van het tweede lid helpt het college de aanvrager daarbij. Om vast te kunnen stellen of een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod nodig is en waaruit dit moet bestaan, wordt de werkwijze uit de reguliere schuldhulpverlening gebruikt. De voorzieningen uit de reguliere schuldhulpverlening worden vervolgens ook ingezet om deze jongeren op maat te helpen.
Artikel 11. Wijzigen plan van aanpak
Het plan van aanpak kan worden gewijzigd als dit nodig is om de doelstellingen uit artikel 2, tweede lid te bereiken. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer er gefaseerd naar een doelstelling wordt toegewerkt binnen één leefgebied of wanneer er omstandigheden zijn waardoor de toegekende ondersteuning niet langer passend is. Hiernaast is het mogelijk dat er situaties zijn waardoor aanvullende ondersteuning op een van de leefgebieden nodig is, bijvoorbeeld wanneer een aanvrager tussentijds diens werk kwijtraakt en op het leefgebied 'werk' geholpen wil worden.
Het college kan in samenspraak met de aanvrager tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak wijzigen en daarbij nieuwe of andere noodzakelijke voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.
Deze termijnen brengen tot uitdrukking dat er in de brede ondersteuning een zekere fasering zit. In de eerste fase wordt bezien wat de aanvrager in de weg staat om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken. Om deze direct weg te kunnen nemen, kunnen er materiële voorzieningen worden toegekend en verstrekt. Vervolgens kan met de inzet van immateriële voorzieningen verder worden toegewerkt naar het bereiken van de doelstellingen.
Het college kan het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager wijzigen, maar de aanvrager kan op grond van het tweede lid ook een aanvraag tot wijziging van het plan van aanpak indienen.
Daarbij gaat het dan met name om het toekennen van nieuwe of andere voorzieningen.
Het college kan een verzoek tot wijziging van een plan van aanpak bij beschikking goedkeuren of weigeren. Het college kan een verzoek ook gedeeltelijk goedkeuren. Bij een goedkeuring of een gedeeltelijke goedkeuring is het gewijzigde plan van aanpak onderdeel van de beschikking. Tegen elke beschikking staat bezwaar en beroep open. De mogelijkheid om bezwaar in te dienen, wordt schriftelijk kenbaar gemaakt in de beschikking.
De in het plan van aanpak opgenomen doelstellingen waarnaar stapsgewijs en integraal wordt toegewerkt, wordt op grond van het vierde lid alleen gewijzigd als nieuwe feiten en omstandigheden dit noodzakelijk maken. Bij een wijziging gaat het dus in beginsel alleen om andere onderdelen uit het plan en dus met name de voorzieningen. Alleen als zich nieuwe feiten en omstandigheden voordoen, wijzigen ook de doelstellingen en de stappen daarnaartoe.
Artikel 12. Voorzieningen
De brede ondersteuning is gericht op het maken van een nieuwe start. De brede ondersteuning moet de aanvrager in staat stellen om in de toekomst zo zelfstandig en zelfredzaam mogelijk op elk van de vijf leefgebieden zijn leven te kunnen leiden. De doelstellingen voor de vijf leefgebieden in het plan van aanpak vormen dus de kern. Om deze doelstellingen te bereiken, worden er aan de aanvrager voorzieningen toegekend en verstrekt. Dit kunnen zowel materiële als immateriële voorzieningen zijn. Een belangrijke voorwaarde is wel dat het gaat om voorzieningen die zijn opgenomen in het plan van aanpak.
In het tweede lid zijn de factoren benoemd die bij het toekennen van die voorzieningen een rol spelen. Dit kan bijvoorbeeld gaan om de financiële draagkracht en armslag van de aanvrager, maar ook het duurzame karakter van de voorziening is van belang. Bij het toekennen van voorzieningen komt aan het college een hoge mate van beoordelings- en beleidsvrijheid toe. Het is aan het college om in overleg met de aanvrager per geval een afweging te maken en die afweging ook te onderbouwen. Bij de onderbouwing moet de geschiktheid (is de voorziening geschikt om de doelstelling te bereiken?), de noodzakelijkheid (is de voorziening noodzakelijk of nodig of kan het ook op een andere manier?) en de evenredigheid (staat de voorziening in verhouding tot het doel?) aan de orde komen.
Het toekennen van een voorziening is maatwerk. Wat er noodzakelijk is, hangt af van situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak. Verder is er ook aandacht voor de achterliggende ondersteuningsbehoefte. Dit betekent dat in veel gevallen de financiële zelfredzaamheid aandacht vraagt. Wat is er nodig om inkomsten en uitgaven in balans te krijgen en te houden en ervoor te zorgen dat een materiële voorziening nu of in de toekomst niet meer nodig is en de aanvrager daar zelf in kan voorzien.
Artikel 13. Materiële voorzieningen
Een materiële voorziening kan worden toegekend als deze direct noodzakelijk is voor het bereiken van een in het plan van aanpak opgenomen doelstelling. Een materiële voorziening is noodzakelijk als het direct een belemmering wegneemt of beperkt, die de aanvrager bij het bereiken van een doelstelling ervaart. Het gaat dan veelal om een voorziening die onmiddellijk noodzakelijk is om de hulpverlening te kunnen starten en de immateriële voorzieningen te kunnen inzetten. Het bieden van perspectief voor de toekomst staat dus ook hier voorop. Luxegoederen worden niet vergoed. Luxegoederen voorzien niet in de basis levensbehoeften.
Materiële voorzieningen zijn zaken als bedoeld in artikel 3:2 van het Burgerlijk Wetboek. Gedacht kan worden aan een wasmachine die noodzakelijk is om een huishouding te voeren binnen een gezin of een laptop die noodzakelijk is voor het volgen van een opleiding. Wat er precies vereist is, is maatwerk. Dit hangt van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak af. De noodzakelijkheid van de materiële voorziening wordt ook onderbouwd in het plan van aanpak. Toegelicht wordt waarom de verstrekking noodzakelijk is voor het wegnemen of beperken van een belemmering en hoe de verstrekking een bijdrage levert aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd.
Benadrukt wordt dat materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Dit vloeit voort uit artikel 2.21, lid 4a, van de Wht. Die periode vormt echter geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan ook na die periode plaatsvinden.
Bij het toekennen van materiële voorzieningen hanteert het college, waar mogelijk, de normbedragen van het Nibud. Deze bedragen zijn door het Nibud generiek vastgesteld op basis van objectieve informatie uit onderzoek naar inkomsten, uitgaven, bestedingspatronen en kosten van levensonderhoud. Deze bedragen worden jaarlijks geactualiseerd, waarbij bij de beoordeling van de redelijkheid van kosten rekening wordt gehouden met de consumentenprijsindex (CPI) van het CBS, die het Nibud doorgaans hanteert bij het vaststellen van zijn normbedragen. Als door aantoonbare medische noodzaak, waaronder tandartskosten, een duurder product nodig is, dan wordt dit op maat toegekend als er een acute noodzaak is en de kosten of de eigen bijdrage niet worden vergoed door de ziektekostenverzekering.
Als het product niet op de Nibudlijst staat, dan levert de aanvrager minimaal twee offertes aan. Het college kan een derde offerte opvragen voor vergelijking. Bij bijvoorbeeld grote bouwtechnische aanpassingen kan het college ook een deskundige inschakelen voor advies.
Artikel 14. Immateriële voorzieningen
Bij het toekennen van een immateriële voorziening is niet de striktere eis van noodzakelijkheid aan de orde die wel voor materiële voorzieningen geldt. Bij de immateriële voorzieningen draait het om de vraag of een voorziening nodig en passend is. Dit betekent dat een voorziening adequaat en duurzaam moet zijn en dus niet alleen voldoende geschikt, maar ook op de langere termijn geschikt moet zijn om een doelstelling uit het plan van aanpak te bereiken.
Verder gaat het bij immateriële voorzieningen om het ontwikkelen van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties door de aanvrager. De persoonlijke ontwikkeling van de aanvrager staat dus centraal. Het gaat om diens zelfstandigheid en zelfredzaamheid. Bij immateriële voorzieningen kan onder andere worden gedacht aan hulpverlening of begeleiding, maar ook aan een opleiding of cursus. Ook voor de immateriële voorzieningen geldt dat de toekenning maatwerk is en dat dit van de situatie van de aanvrager, de doelstellingen en andere voorzieningen in het plan van aanpak afhangt. Verder moet de toekenning van een immateriële voorziening eveneens in het plan van aanpak worden onderbouwd. Waarom is deze voorziening nodig en passend en hoe levert deze een bijdrage aan een of meer van de doelstellingen die in het plan van aanpak zijn vastgelegd?
Benadrukt wordt dat immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek in het plan van aanpak kunnen worden toegekend. Die periode vormt echter ook hier geen belemmering voor het verstrekken van de voorziening. De verstrekking kan langer doorlopen dan twee jaar.
Artikel 15. Medewerking aanvrager
Om te kunnen beoordelen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is en hierover dus een zorgvuldig besluit te nemen, kan het college de aanvrager om medewerking verzoeken. Het gaat dan met name om medewerking om een beeld te krijgen van de situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden. Te denken valt aan een huisbezoek om te beoordelen of, en zo ja welke, materiële voorzieningen nodig zijn om een woning in een veilige staat te brengen of het geven van informatie over vooropleidingen bij immateriële voorzieningen voor een opleiding als de aanvrager niet beschikt over een startkwalificatie. Verder geldt ook hier dat het om informatie over de financiële situatie kan gaan. Met name om bespreekbaar te maken hoe een aanvrager meer zelfstandig en zelfredzaam kan worden en hier op langere termijn zelf in kan voorzien.
In de beleidsregels staat voorop dat het college de aanvrager om medewerking vraagt. Dit veronderstelt dat het college met de aanvrager in gesprek gaat. Waar ziet de medewerking precies op en wat kan de aanvrager daarin bieden? Dit is in lijn met het uitgangspunt dat een aanvrager zelf regie moet kunnen voeren en de brede ondersteuning welwillend is en geen onnodige drempels opwerpt. In het verlengde daarvan is het ook niet de bedoeling in een harde bewijslast te voorzien. Het moet voor het college aannemelijk zijn dat een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Voor het inzicht in de financiële draagkracht hoeft het overleggen van salarisspecificaties of bankafschriften van de afgelopen maanden bijvoorbeeld niet nodig te zijn, gedacht kan ook worden aan een gesprek over de inkomsten en uitgaven.
Als de aanvrager niet op het verzoek van het college ingaat, dan is het aan het college om te beoordelen of dit betekent dat er onvoldoende informatie voorhanden is om te bepalen of een voorziening noodzakelijk of nodig en passend is. Als dat zo is, dan kan het college besluiten een voorziening niet toe te kennen. Zie de weigeringsgronden in artikel 16.
Ter voorkoming van dubbele vergoedingen, wordt de aanvrager bij de aanvraag verzocht informatie te geven of er claims zijn ingediend bij CWS en voor welk bedrag dit tot uitbetaling is gekomen.
Artikel 16. Weigeren voorzieningen
Het college besluit een door de aanvrager gevraagde voorziening te weigeren als er sprake is van de in dit artikel vermelde situaties. Bijvoorbeeld als het om een voorziening met terugwerkende kracht gaat of de voorziening niet aan de vereisten voldoet. Het college onderbouwt de weigering in een beschikking. Tegen die beschikking staat bezwaar en beroep open.
Artikel 17. Beëindiging van de brede ondersteuning
De brede ondersteuning wordt in de eerste plaats op grond van artikel 2.21, lid 4b en lid 6, van de Wht beëindigd als de aanvrager een nieuwe start heeft kunnen maken. Verder eindigt de brede ondersteuning op grond van diezelfde bepaling uiterlijk twee jaar nadat het eerste gesprek is gevoerd. Benadrukt wordt dat dit niet betekent dat de brede ondersteuning automatisch na twee jaar stopt. Binnen de periode van twee jaar wordt wel een volledig plan van aanpak opgesteld en worden alle voorzieningen toegekend, maar toegekende voorzieningen kunnen na deze periode nog wel worden verstrekt en dus ook na de periode van twee jaar doorlopen. Daarnaast eindigt de brede ondersteuning op grond van artikel 2.21, zesde lid, van de Wht als de aanvraag tot toekenning van een herstelmaatregel wordt afgewezen. Dit binnen een termijn van 30 dagen nadat de Dienst Toeslagen het college heeft geïnformeerd dat een afwijzende beschikking is gegeven. Het indienen van bezwaar bij de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) tegen de afwijzende beschikking schort de beëindiging van de brede ondersteuning niet op.
In aanvulling hierop heeft de aanvrager op grond van de beleidsregels de mogelijkheid om de brede ondersteuning zelf te beëindigen. De aanvrager kan het college daarom verzoeken. Tot slot kan de brede ondersteuning in uitzonderlijke gevallen eindigen als de aanvrager daar niet binnen een redelijke termijn gebruik van heeft gemaakt en ook niet heeft gereageerd op een oproep van het college om dit alsnog te doen. Voordat het college een beëindigingsbeschikking stuurt, bespreekt het college, indien gewenst, de actuele situatie van de aanvrager op de vijf leefgebieden om te zien wat de effecten van de brede ondersteuning zijn en of aanvullende reguliere ondersteuning nodig is waar het plan van aanpak niet in voorziet.
Artikel 18. Overdracht van hulpverlening naar regulier
Het is mogelijk dat, ondanks de brede ondersteuning, de persoonlijke doelstellingen uit het plan van aanpak niet zijn bereikt en de aanvrager na beëindiging van de brede ondersteuning binnen de vijf leefgebieden nog steeds problemen ervaart terwijl het plan van aanpak niet in een overgang naar reguliere ondersteuning voorziet. Te denken valt aan ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet of de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. In dat geval is in dit artikel vastgelegd dat het college zorgt voor een warme overdracht naar deze reguliere ondersteuning. Een warme overdracht betekent dat er vanuit de brede ondersteuning direct contact wordt gelegd met de afdeling of organisatie die de benodigde (reguliere) ondersteuning biedt, dat de situatie wordt uitgelegd en dat de hulpvraag wordt toegelicht.
Artikel 19. Hardheidsclausule
Artikel 9.1, tweede lid, onder d, van de Wht bepaalt dat het college, ook wanneer er sprake is van brede ondersteuning, gebruik kan maken van een hardheidsclausule. Dit houdt in dat het college de bevoegdheid heeft om in uitzonderlijke situaties af te wijken van de regels die op grond de Wht gelden. Zo'n afwijking is toegestaan wanneer toepassing van de regels, gelet op de belangen die de regels beogen te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Deze mogelijkheid geldt ook voor de toepassing van de beleidsregels. Het college mag van eigen beleidsregels afwijken als toepassing ervan in een individueel geval door bijzondere omstandigheden onevenredig is in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Dit is geregeld in artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Indien het college gebruik maakt van de hardheidsclausule, motiveert het college de afwijking, zodat inzichtelijk is waarom van het geldende beleid of de beleidsregel is afgeweken.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl