Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748394
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748394/1
Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2026
Geldend van 03-12-2025 t/m heden
Intitulé
Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2026De raad van de gemeente Staphorst;
Gezien het voorstel van het college van 7 oktober 2025;
Gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;
B E S L U I T:
vast te stellen de
Verordening op de heffing en invordering van riool- en waterzorgheffing 2026
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
- a.
water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater en/of oppervlaktewater;
- b.
gemeentelijke voorziening: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor de inzameling, verwerking, zuivering en/of het transport van water, in eigendom, beheer of in onderhoud bij de gemeente, alsmede het voor de openbare dienst bestemde gemeentewater;
- c.
verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft.
Artikel 2 Aard van de belasting
Onder de naam “rioolheffing” wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:
- a.
de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en
- b.
de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.
Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht
-
1. De belasting wordt geheven van de persoon die, naar de omstandigheden beoordeeld, een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.
-
2. Voor de belasting wordt:
- a.
gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;
- b.
gebruik door een persoon aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;
- c.
het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik aangemerkt als gebruik door de persoon die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.
- a.
Artikel 4 Voorwerp van de belasting
-
1. Voorwerp van de belasting is een perceel.
-
2. Als perceel wordt aangemerkt:
- a.
de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken;
- b.
de roerende zaak, die duurzaam aan een plaats is gebonden;
- c.
een gedeelte van een in onderdeel b bedoelde roerende zaak dat blijkens zijn indeling is bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt;
- d.
een samenstel van twee of meer van de in onderdeel b bedoelde roerende zaken of in onderdeel c bedoelde gedeelten die bij dezelfde persoon in gebruik zijn en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar behoren;
- e.
het binnen de gemeente gelegen gedeelte van de in onderdeel b bedoelde roerende zaak, van een in onderdeel c bedoelde gedeelte daarvan of van een in onderdeel d bedoeld samenstel.
- a.
Artikel 5 Vrijstellingen
De belasting wordt niet geheven van een perceel dat uitsluitend bestaat uit:
- a.
openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;
- b.
waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
- c.
werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen;
- d.
ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, voor zover die niet de ondergrond vormt van gebouwde eigendommen.
Artikel 6 Maatstaf van heffing
-
1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, wordt geheven naar:
- a.
een vast bedrag, voor percelen die uitsluitend tot woning dienen;
- b.
het aantal kubieke meters leiding- en grondwater dat naar het perceel wordt toegevoerd of opgepompt, voor percelen die niet of niet uitsluitend tot woning dienen;
- c.
een percentage van de WOZ-waarde, voor percelen die enkel hemel- of grondwater afvoeren.
- a.
-
2. Het aantal kubieke meters leiding- en grondwater dat wordt afgevoerd wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of is opgepompt. Als de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.
-
3. Als gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:
- a.
watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of
- b.
bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.
De eerste volzin is niet van toepassing indien de vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.
- a.
-
4. Als de belastingplichtige aantoont dat meer dan 20% van de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water niet is afgevoerd, wordt de niet afgevoerde hoeveelheid op de berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water in mindering gebracht. De te verminderen hoeveelheid moet aantoonbaar zijn door middel van rapportages van de in het derde lid afgelezen standen.
-
5. Als de gegevens bedoeld in het derde lid voor een perceel niet bekend zijn, wordt het aantal kubieke meters water voor dat perceel door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar vastgesteld op basis van het watergebruik van vergelijkbare percelen.
-
6. Voor een perceel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, is de waarde in het economische verkeer de volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde, zoals deze voor het in artikel 8 bedoelde kalenderjaar geldt.
-
7. Als voor het perceel als bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, geen waarde volgens hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld, wordt de heffingsmaatstaf van dat perceel bepaald volgens het bepaalde in de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken.
Artikel 7 Tarieven
-
1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, bedraagt per jaar, voor een perceel dat:
- a.
uitsluitend tot woning dient € 208,-
- b.
niet uitsluitend tot woning dient, voor de hoeveelheid toegevoerde of opgepompte kubieke meters leiding- of grondwater van:
- 1.
≤ 500 m³ € 208,-
- 2.
501 – 750 m³ € 265,-
- 3.
750 – 1000 m³ € 330,-
- 4.
1000 m³ of meer € 330,-
te vermeerderen met € 17,- voor elke 100 m³, of een gedeelte daarvan, boven het aantal van 1000 m³.
- 1.
- c.
voor een perceel dat enkel hemel- of grondwater afvoert:
0,142% van de WOZ-waarde, dan wel van de waarde volgens artikel 6, zevend lid, tot een maximum van € 208,-.
- a.
-
2. Voor percelen waarin een veehouderij wordt gehouden wordt de belasting volgens het eerste lid berekend voor ten hoogste 750 kubieke meters toegevoerd of opgepompt leiding- of grondwater.
-
3. Voor percelen dienende als garagebox wordt de belasting berekend volgens het in het eerste lid, onderdeel c., bedoelde tarief.
-
4. Voor de berekening van de belasting geldt een gedeelte van een kubieke meter voor een volle kubieke meter.
Artikel 8 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 9 Wijze van heffing
-
1. De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.
-
2. De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, bedoelde gemeenteambtenaar kan een voorlopige aanslag opleggen als door het ontbreken van gegevens nog geen definitieve aanslag kan worden opgelegd.
Artikel 10 Aangifte
-
1. Aan de gebruiker van een perceel, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, waarin water is opgepompt of waarin een watermeter en/of een bedrijfsurenteller is geplaatst waarvan de hoeveelheid geloosd afvalwater kan worden afgelezen, wordt jaarlijks een aangiftebiljet ter invulling toegezonden.
-
2. Aan de gebruiker van een perceel, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel b, waarin een watermeter ontbreekt en het aantal kubieke meters naar dat perceel toegevoerd leiding- en grondwater niet volgens artikel 6, vijfde lid, kan worden vastgesteld, wordt een aangiftebiljet ter invulling toegezonden.
-
3. De belastingplichtige aan wie niet binnen zes maanden na afloop van het belastingjaar het in het vorige lid bedoelde aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van de genoemde termijn bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar schriftelijk om uitreiking van een aangiftebiljet te verzoeken.
Artikel 11 Ontstaan van de belastingschuld en bepalingen omtrent aanvang en einde van de belastingplicht in de loop van het tijdvak
-
1. De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar, of als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
-
2. Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.
-
3. Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, wordt ontheffing verleend over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het tijdstip van de beëindiging van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven. De ontheffing wordt niet eerder verleend dan nadat de belastingplicht is beëindigd.
-
4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.
Artikel 12 Termijnen van betaling
-
1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990, moeten de aanslagen worden betaald in maximaal twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede twee maanden later.
-
2. In afwijking van het eerste lid geldt dat,
- a.
als een machtiging tot automatische incasso is afgegeven, en het belastingbedrag is € 20,00 of hoger, de belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, die bij wege van aanslag geheven, moet worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die volgt op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;
- b.
als het belastingbedrag lager is dan € 20,00, dan gelden de in het eerste lid genoemde termijnen.
- a.
-
3. Als de verschuldigde bedragen genoemd in het tweede lid, tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd vervalt de machtiging tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid.
-
4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 13 Overgangsrecht
De “Verordening riool- en waterzorgheffing 2025” van 12 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 14, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 14 Inwerkingtreding
-
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
-
2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 15 Citeertitel
Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening riool- en waterzorgheffing 2026”.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Staphorst van 11 november 2025,
Voorzitter,
Griffier,
TOELICHTING BIJ DE “VERORDENING RIOOL- EN WATERZORGHEFFING 2026”
1 Algemeen
1.1. Vindplaatsen wet- en regelgeving
De rioolheffing is gebaseerd op artikel 228a van de Gemeentewet.
1.2. Doel van de rioolheffing
Het doel van de rioolheffing is het genereren van inkomsten, zodat hiermee de kosten worden verhaald die samenhangen met de drie zorgplichten die de gemeente Staphorst volgens de Wet verbreding watertaken heeft.
1.3. Karakter van de rioolheffing
Het aantal gemeentelijke watertaken was voorheen maar beperkt en betrof voornamelijk de zorg voor de riolering, die daarbij vooral het belang van de volksgezondheid diende. De vroegere rioolrechten als middel van kostenverhaal had hierdoor alleen betrekking op de kosten die gemeente voor haar eigen rioleringsstelsel maakte.
In de tweede helft van de 20e eeuw zien we steeds vaker langdurige droge periodes waarin korte periodes met intensieve neerslag voorkomen. Hierdoor ontstond het idee dat we anders moeten omgaan met de overlast die dit veroorzaakt in de publieke ruimte en de schade die aan particuliere eigendommen ontstaat.
Door de komst van de Wet verbreding watertaken in 2008 werd het aantal gemeentelijke watertaken uitgebreid. Gemeenten kregen door deze nieuwe wet te maken met drie zorgplichten:
- 1.
hemelwaterzorgplicht (gemeente zamelt hemelwater in van percelen die dat zelf niet kunnen vasthouden);
- 2.
grondwaterzorgplicht (gemeente beheert mede het grondwaterpeil; de gemeente maakt hiervoor afspraken met het waterschap);
- 3.
de zorgplicht voor afvalwater betreft vooral de inzameling en het transport van afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rioleringszorg). Het zuiveren van afvalwater en het weer ter beschikking stellen van schoon water aan de waterleidingbedrijven is een taak van de waterschappen gebleven, gemeenten zorgen ervoor dat het afvalwater ter beschikking komt van de rioolwaterzuiveringsinstallaties die door de waterschappen worden beheerd.
De uitbreiding van de gemeentelijke taken had eveneens gevolgen voor de financiering van deze taken. Gemeenten mogen nu op een andere manier hun kosten verhalen. De vroegere rioolrechten werden vervangen door de rioolheffing. Hierdoor werd het mogelijk om de kosten die de gemeente maakt in verband met de twee eerste zorgplichten, die nieuw werden voor gemeenten, te gaan verhalen en mee te nemen in de rioolheffing.
Weliswaar staat tegenover deze nieuwe heffing geen individueel aanwijsbare tegenprestatie meer, maar de rioolheffing heeft wel het karakter van een bestemmingsheffing. De gemeente mag via de rioolheffing alleen de kosten verhalen die met de drie genoemde zorgplichten samenhangen. De totale opbrengst van de rioolheffing mag niet hoger zijn dan 100% van de totale kosten die door de gemeente voor deze zorgplichten in een begrotingsjaar worden geraamd.
1.4. De inrichting van de heffing
De rioolheffing kent in de gemeente Staphorst meerdere tariefsoorten. Welke tariefsoort van toepassing is, wordt bepaald door het type perceel. In de gemeente Staphorst kennen we bij de rioolheffing de volgende tariefsoorten:
- a.
voor percelen die geheel als woning in gebruik zijn: jaarlijks wordt een vast bedrag per perceel geheven, ongeacht de hoeveelheid water die vanuit dat perceel op de riolering wordt geloosd;
- b.
voor percelen die niet of maar gedeeltelijk als woning worden gebruikt: de hoogte van de rioolheffing wordt elk jaar bepaald naar de hoeveelheid leiding- en grondwater dat vanuit het perceel op de gemeentelijke riolering wordt geloosd;
- c.
voor percelen die uitsluitend hemel- en/of grondwater afvoeren: de hoogte van de rioolheffing wordt bepaald door middel van een percentage van de WOZ-waarde van het perceel.
De onder c. genoemde percelen zijn weliswaar niet aangesloten op de gemeentelijke riolering maar hebben daarvan wel profijt van de aanwezigheid van dat stelsel. Vanuit deze percelen wordt immers hemel- en grondwater afgevoerd dat via een indirecte weg uiteindelijk de gemeentelijke riolering bereikt. Het is hierdoor van belang ook deze percelen in de heffing van de rioolheffing te betrekken.
Bij percelen die alleen hemel- en/of grondwater afvoeren ontbreekt behalve de rioolaansluiting, eveneens de wateraansluiting. Het is dan niet mogelijk om met behulp van de gegevens van het waterbedrijf een hoeveelheid afvalwater te bepalen die als grondslag voor de rioolheffing kan worden gebruikt. Hoewel het aantal percelen dat alleen hemel- en/of grondwater afvoert relatief beperkt is, kennen zij wel een grote verscheidenheid. Dit maakt de keuze van een goed toepasbare grondslag niet eenvoudig, omdat voor deze percelen de toepassing van een vast bedrag niet redelijk is te noemen. Zo’n tarief hoeft zich immers niet te richten naar de dienst of de prestatie die door de gemeente wordt geleverd.
In de gemeente Staphorst is daarom de keuze gemaakt om voor percelen die alleen hemel- en/of grondwater afvoeren, de rioolheffing naar de hoogte van de WOZ-waarde van het perceel te heffen. Een dergelijke waarde geeft voor de eigenaar of de gebruiker van een perceel immers de mate van (financiële) belang weer dat die eigenaar heeft bij een behoorlijke door de gemeente uitgevoerde rioleringszorg. Ontstaat aan een perceel financiële- of vermogensschade doordat de gemeente haar zorgplichten niet of niet behoorlijk heeft uitgevoerd, dan is de schade bij een perceel waarvan de WOZ-waarde hoger doorgaans groter dan van een perceel dat een lagere WOZ-waarde kent.
1.5. Samenhang met het Gemeentelijk Rioleringsplan
Bij de rioolheffing bestaat een belangrijke samenhang met het Gemeentelijk Rioleringsplan en het hiervan afgeleide Kostendekkingsplan Riolering dat voor de periode 2023 – 2026 door de gemeenteraad is vastgesteld. In dit plan zijn de kosten voor een periode van vier jaar in beeld gebracht. Dit is vervolgens vertaald naar het tarief dat in deze jaren aan rioolheffing in de gemeente Staphorst wordt geheven. Het tarief blijft in de genoemde periode in beginsel ongewijzigd. Een deel van de te maken kosten worden uit het saldo van de voorziening gedekt.
2 Wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening
2.1. Vastgestelde tariefswijzigingen
De tarieven van de rioolheffing zijn ten opzichte van het vorige jaar ongewijzigd gebleven.
2.2. Andere wijzigingen
In de vastgestelde verordening zijn – ten opzichte van de verordening van het vorig jaar - geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Wel zijn, waar dat mogelijk was, teksten van artikelen beter leesbaar gemaakt. Hierbij is gebruikgemaakt van de nieuwste versie van de modelverordening riool- en waterzorgheffing van de VNG.
3 Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1Begripsomschrijvingen
In dit artikel wordt een omschrijving gegeven van een aantal begrippen die voor de heffing van de rioolheffing relevant zijn.
Artikel 2Aard van de belasting
In dit artikel wordt een beschrijving gegeven van de gemeentelijke watertaken en de zorgplichten die hiermee samenhangen.
Artikel 3Belastbaar feit en belastingplicht
Eerste lid
Dit artikellid regelt de omschrijving van het belastbare feit.
Tweede lid
Het tweede lid regelt de aanwijzing van de belastingplichtige in een aantal bijzondere situaties. Dit artikellid wijst de belastingplichtige aan als het gaat om:
- a.
wie van de leden van een particulier huishouden als de gebruiker van het perceel wordt aangemerkt. Bij maken van de keuze wordt gebruikgemaakt van de “Beleidsregel aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie”, waarin het maken van die keuze verder is uitgewerkt;
- b.
wanneer een gedeelte van het perceel bij een andere persoon in gebruik is;
- c.
wanneer een perceel achtereenvolgens aan verschillende personen in gebruik wordt gegeven (het zogenoemde “volgtijdig gebruik”).
Artikel 4Voorwerp van de belasting
Eerste lid
Het voorwerp van de belasting is een perceel.
Tweede lid
In het tweede lid wordt geregeld wat onder het begrip perceel moet worden verstaan. Hierbij wordt eveneens stilgestaan bij het onderscheid tussen percelen die een onroerende zaak zijn en percelen die als roerende zaak worden aangemerkt.
Betreft het perceel een roerende zaak, dan wordt aansluiting gezocht bij de jurisprudentie die zich rondom de roerendezaakbelastingen in den lande heeft gevormd. In het tweede lid is ook een regeling gegeven hoe moet worden omgegaan als een perceel uit meerdere zelfstandig te gebruiken gedeelten bestaat, of wanneer meerdere van die gedeelten bij één en dezelfde gebruiker in gebruik zijn (samenstelbepaling).
Artikel 5Vrijstellingen
In dit artikel zijn enkele vrijstellingen opgenomen die bij de heffing van de rioolheffing worden toegepast.
Artikel 6Maatstaf van heffing
Eerste lid
Het eerste lid regelt de drie heffingsmaatstaven die bij de heffing van de rioolheffing worden toegepast. Hiervoor is in deze toelichting al op deze heffingsmaatstaven ingegaan. Daarom blijft hier een verdere toelichting achterwege.
Tweede lid
Het tweede lid geeft aan hoe de hoeveelheid leiding-, grond- of oppervlaktewater moet worden bepaald dat in een kalenderjaar naar de riolering wordt toegevoerd. Dit is van belang voor de percelen die als niet als woning in gebruik zijn. Om de hoeveelheid te bepalen wordt gebruikgemaakt van de verbruiksgegevens die jaarlijks door Vitens worden aangeleverd. Als bij een perceel een verbruiksperiode geen periode van twaalf maanden is, dan wordt de hoeveelheid door herleiding naar tijdsgelang bepaald, zodat bij de heffing van de rioolheffing steeds wordt uitgegaan van een periode van twaalf maanden.
Derde en vijfde lid
Bij een aantal percelen wordt gebruikgemaakt van een pompinstallatie, waarbij de hoeveelheid benodigde water uit de grond wordt opgepompt. Het gaat doorgaans om bedrijven die grote hoeveelheden water nodig hebben, die vanuit hun eigen grond leverbaar is. Voor het mogen oppompen van water is een vergunning nodig van de Provincie Overijssel. Eén van de vereisten waarmee vergunninghouders worden geconfronteerd is dat hoeveelheden opgepompt water door de vergunninghouder goed geregistreerd moeten worden. De provincie wil immers op deze manier de gevolgen van het onttrekken van water voor de natuur en de leefomgeving in de gaten houden.
De hoeveelheid opgepompt water wordt meestal berekend aan de hand van een watermeter. Ook wordt wel gebruikgemaakt van een zogenoemde bedrijfsurenteller. In het laatste geval gaat het om een pompinstallatie die steeds met een vaste capaciteit hoeveelheid op te pompen water in werking is. De bedrijfsurenteller geeft dan het aantal uren aan dat de pompinstallatie in gebruik is geweest. De hoeveelheid opgepompt water wordt dan bepaald door het aantal uren dat de installatie in werking geweest te vermenigvuldigen met de hoeveelheid water die per uur door de betreffende installatie kan worden opgepompt.
Kan de hoeveelheid water die is opgepompt niet aan de hand van een watermeter of een bedrijfsurenteller worden vastgesteld, dan regelt het vijfde lid dat die hoeveelheid water wordt bepaald op basis van het watergebruik dat bij vergelijkbare percelen heeft plaatsgehad.
Vierde lid
In het merendeel van de gevallen wordt alle water die wordt toegevoerd naar een perceel, ook weer via de gemeentelijke riolering afgevoerd. Bij de bepaling van de heffingsmaatstaf geldt deze vanzelfsprekend ook als uitgangspunt. In een beperkt aantal gevallen wordt toegevoerd water in een productieproces gebruikt, waardoor een deel van die toegevoerde hoeveelheid niet meer via de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. Hierbij valt te denken aan onder andere aan een broodfabriek, waar het grootste deel van het water uiteindelijk in het eindproduct van de fabriek terechtkomt. Het is in dergelijke gevallen niet redelijk om de heffingsmaatstaf vast te stellen op de hoeveelheid water die naar het perceel is toegevoerd. Het tarief zou zich dan niet meer richten naar het gebruik dat van de gemeentelijke riolering wordt gemaakt.
In deze gevallen kan de gebruik een verzoek indienen als meer dan 20% van de hoeveelheid toegevoerd water niet via de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd. In dat geval wordt die hoeveelheid bepaald op de werkelijke hoeveelheid afgevoerd water. Het vierde lid gaat in hoe dit moet gebeuren.
Zesde en zevende lid
Percelen die alleen hemel- of grondwater afvoeren, kennen volgens het zesde lid de WOZ-waarde als heffingsmaatstaf. Als in een belastingjaar geen WOZ-waarde kan worden bepaald, dan wordt voor de rioolheffing van dat jaar de waarde bepaald op dezelfde manier bepaald zoals een WOZ-waarde volgens de Wet WOZ wordt bepaald.
Artikel 7Tarieven
Eerste en derde lid
De tarieven van de rioolheffing worden onderscheiden in drie groepen percelen, te weten woningen, niet-woningen en percelen die niet zijn aangesloten op de riolering en die alleen hemel- en grondwater afvoeren. Hiervoor is in de paragrafen 1.4 en 2.1 al uitgebreid ingegaan op dit onderscheid. Daarom blijft nu een toelichting over de inhoud van het eerste en derde lid op deze plaats achterwege.
Tweede lid
Bij de berekening van de rioolheffing geldt voor veehouderijen een uitzondering. Bij deze bedrijven wordt de hoeveelheid water op maximaal 750 m3 gesteld. De achterliggende gedachte hierbij is, dat bedrijfsafvalwater niet op de gemeentelijke riolering mag worden geloosd. Door de mate van vervuiling van dit afvalwater vergt het zuiveren daarvan een te grote inspanning, zodat dit door het waterschap niet wordt toegestaan. Wel mag het afvalwater worden geloosd dat vanuit de tot het perceel behorende woning. In de praktijk heeft de woning geen afzonderlijke watermeter. Om die reden wordt de aanslag voor een veehouderij gerekend tot maximaal 750 m3.
Vierde lid
Dit betreft een afrondingsregel.
Artikel 8Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 9Wijze van heffing
In dit artikel is de wijze van heffing geregeld, waarbij de rioolheffing door middel van een aanslagbiljet geheven.
Artikel 10Aangifte
Eerste lid
Het eerste lid regelt de aangifteplicht voor gebruikers van percelen waarbij water uit de grond wordt opgepompt.
Tweede lid
Voor percelen waarin een watermeter ontbreekt en de hoeveelheid afvalwater evenmin kan worden bepaald als bedoeld in artikel 6, vijfde lid, van de verordening, bestaat er een aangifteplicht. Hierdoor wordt de gebruiker van een perceel in de gelegenheid gesteld om de hoeveelheid afgevoerd afvalwater aan te geven.
Derde lid
In sommige situaties is niet mogelijk om in het kalenderjaar al een hoeveelheid afvalwater te bepalen. In dergelijke gevallen kan de aanslag rioolheffing voor dat jaar nog niet in het jaar worden opgelegd. De inhoud van het derde lid regelt dat de gebruiker van zo’n perceel dan verplicht is om na afloop van het kalenderjaar om uitreiking van een aangiftebiljet te verzoeken. Met de gegevens die met het ingevulde aangiftebiljet worden aangeleverd, kan de hoogte van de aanslag van het vorige belastingjaar alsnog worden bepaald en alsnog worden opgelegd.
Artikel 11Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang
Eerste lid
In dit artikellid is geregeld dat de rioolheffing is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar. Dit maakt het mogelijk om deze aanslag voor dit tarief al direct na het begin van het belastingjaar al voor het hele jaar op te leggen.
Tweede lid
Niet in alle gevallen is een gebruiker al direct vanaf het begin van het kalenderjaar in een woning aanwezig. Als een nieuwe bewoner zich pas in de loop van het jaar in een woning vestigt, en dan pas de gebruiker wordt, dan begint de belastingplicht pas vanaf dat moment in het kalenderjaar. De belastingplicht begint dan pas op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de nieuwe belastingplichtige in de woning trekt. De aanslag wordt dan niet voor heel jaar opgelegd maar voor een deel daarvan. Dat deel van het jaar bestaat dan uit het aantal volle maanden dat er nog in een jaar resteert.
Derde lid
Als de gebruiker in de loop van dat jaar uit een perceel vertrekt, dan eindigt de belastingplicht al in de loop van het kalenderjaar. De belasting wordt dan geheven naar het aantal maanden dat iemand het perceel in gebruik heeft gehad. In de meeste gevallen is al in het begin van het belastingjaar een aanslag opgelegd. Die eerder opgelegde aanslag wordt dan gecorrigeerd door een ontheffingsbesluit. De ontheffing wordt dan verleend voor zoveel twaalfde gedeelten van het aanslagbedrag, als er na het vertrek uit het perceel nog volle kalendermaanden in een kalenderjaar overblijven.
Vierde lid
Het tweede en derde vindt geen toepassing, als een belastingplichtige in de loop van het jaar verhuist en binnen de gemeente Staphorst weer een ander perceel in gebruik neemt. Dit is een efficiencymaatregel waardoor de aanslag die in het begin van het belastingjaar was opgelegd, ook voor het nieuw betrokken perceel blijft gelden. In dergelijke gevallen is het bedrag van een te verlenen ontheffing is immers even hoog als het bedrag van de aanslag die voor een nieuw betrokken perceel wordt opgelegd. In dergelijke gevallen blijft daarom het verlenen van de ontheffing en het weer opleggen van een aanslag achterwege.
Artikel 12Termijnen van betaling
Eerste en tweede lid
In de meeste gevallen zijn er voor een belastingplichtige meerdere heffingen van toepassing. Getracht worden de WOZ-beschikking en de aanslagen rioolheffing, onroerendezaakbelastingen, rioolheffing en hondenbelasting zoveel mogelijk gezamenlijk op één aanslagbiljet op te leggen. Hierdoor heeft de belastingplichtige al aan het begin van het belastingjaar een overzicht van de omvang van zijn belastingverplichtingen van dat jaar aan de gemeente Staphorst.
Door de combinatie van meerdere belastingsoorten kan het totaalbedrag van het aanslagbiljet wel oplopen. De belastingplichtige die een aanslag opgelegd krijgt kan voor de betaling van het aanslagbiljet kiezen voor:
- a.
het afgeven van een machtiging voor automatische incasso. Het totaalbedrag van het aanslagbiljet wordt verdeeld over zoveel termijnen als er nog volle maanden in een jaar resteren. Hierbij geldt als uitgangspunt dat het volledige totaalbedrag aan het einde van het jaar is voldaan. In de meeste gevallen wordt het aanslagbiljet in januari verzonden, waardoor het totaalbedrag in elf termijnen kan worden afgeschreven. Wordt een aanslagbiljet pas in het laatste kwartaal van het jaar opgelegd, dan gelden er drie termijnen;
- b.
het niet afgeven van een machtiging. Het totaalbedrag is dan verschuldigd in twee termijnen. De eerste termijn vervalt dan na één maand, de tweede termijn twee maanden later. Degene aan wie het aanslagbiljet wordt toegezonden, zorgt in dat geval zelf voor de betaling.
Derde lid
Als een machtiging voor automatische incasso is afgegeven komt het voor dat een termijnbedrag niet kan worden afgeschreven. In de meeste gevallen is het beschikbare saldo van de bankrekening niet voldoende om een termijnbedrag af te schrijven. De belastingschuldige wordt hierover per brief geïnformeerd. Het bedrag van de niet-geïncasseerde termijn wordt dan bij de eerstvolgende termijn meegenomen. Mocht dit nogmaals gebeuren, dan wordt de automatische incasso voor het lopende jaar beëindigd. Door de automatische incasso tussentijds te beëindigen wordt voorkomen dat aan het einde van het jaar nog een groot restbedrag openstaat.
In deze situaties wordt het aantal betalingstermijnen teruggebracht tot hetzelfde aantal termijnen die gelden voor belastingschuldigen die geen machtiging hebben afgegeven. Op het moment van beëindigen van de automatische incasso is het totaalbedrag dan meestal wel geheel vervallen. Het openstaande bedrag is daarmee ineens geheel verschuldigd geworden. In die gevallen wordt een betalingsherinnering toegezonden. Blijft betaling wederom uit, dan worden indien nodig de gebruikelijke invorderingsmiddelen (aanmaning, dwangbevel en zo nodig beslaglegging) ingezet.
Vierde lid
In de belastingheffing hebben we soms te maken met zogenaamde “bestuurlijke boetes”. Dit betreft bijvoorbeeld een verhoging bij een navorderingsaanslag, omdat de belastingplichtige niet heeft voldaan aan bepaalde wettelijke verplichtingen. In de belastingpraktijk van de gemeente Staphorst komt eigenlijk bijna nooit voor. Voor de situaties waarin dit wel nodig is, is dit artikellid hier opgenomen.
Vijfde lid
De Algemene Termijnenwet is ook van toepassing op gemeentelijke belastingen. Deze wet regelt onder andere hoe bij beslis- of betalingstermijnen omgegaan moet worden met feestdagen en dergelijke. Gemeenten zijn niet verplicht om deze wet te volgen. Om deze reden is de werking van deze wet hier niet overgenomen.
Artikel 12Overgangsrecht
Dit artikel regelt de intrekking van de oude verordening als er weer een nieuwe verordening wordt vastgesteld. Hierbij is eveneens overgangsrecht geregeld. Het is mogelijk dat een nieuwe verordening nog niet in werking is getreden, bijvoorbeeld omdat deze nieuwe verordening nog niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In dat geval blijft de oude verordening gewoon gelden, zodat heffing in dat geval wel mogelijk blijft.
Artikel 13Inwerkingtreding
In het eerste lid wordt het moment van inwerkingtreding van de nieuwe, opvolgende belastingverordening geregeld. Eigenlijk worden belastingverordeningen steeds al vóór het begin van het volgende belastingjaar vastgesteld en ook officieel bekendgemaakt. Gelet op het eerste lid zou de nieuwe verordening dan gelijk in werking treden. Volgens het tweede lid is daarom een datum van ingang van de heffing van toepassing. De verordening treedt daarom pas in werking op 1 januari 2026.
Artikel 14Citeertitel
Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening. Meestal is een citeertitel korter dan de volledige naam van een verordening. In de citeertitel wordt veelal het jaartal genoemd waarvoor de verordening van toepassing is of – als deze meerdere jaren geldt - het jaar waarin deze geldig is geworden.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl