Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748393
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR748393/1
Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2026
Geldend van 03-12-2025 t/m heden
Intitulé
Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2026De raad van de gemeente Staphorst;
gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 7 oktober 2025;
gelet op artikel 226 van de Gemeentewet;
B E S L U I T:
vast te stellen de:
Verordening op de heffing en invordering van hondenbelasting 2026
Artikel 1 Voorwerp der belasting
Onder de naam “hondenbelasting” wordt een directe belasting geheven op honden die binnen de gemeente worden gehouden.
Artikel 2 Belastingplicht
-
1. Belastingplichtig is de houder van één of meer honden.
-
2. Als houder wordt aangemerkt degene die onder welke titel dan ook een hond onder zich heeft, tenzij blijkt dat een ander de houder is.
-
3. Het houden van een hond door een lid van het huishouden wordt aangemerkt als het houden van een hond door een door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aan te wijzen lid van dat huishouden.
-
4. Voor honden, die verblijven in een inrichting waarvan het bedrijfsdoel is om dieren tegen vergoeding te verzorgen, wordt de belasting geheven van hem, voor wiens rekening de hond wordt verzorgd.
Artikel 3 Vrijstellingen
-
1. In dit artikel wordt verstaan onder een hondenasiel: aan één locatie gebonden ruimte of ruimten bestemd of gebruikt voor het in bewaring houden van honden die zwervend zijn aangetroffen, dan wel waarvan door de eigenaar permanent afstand is gedaan, welke locatie als inrichting is aangemeld overeenkomstig artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren.
-
2. De belasting wordt niet geheven voor honden:
- a.
die zijn opgeleid tot en dienen als blindengeleidehond en in hoofdzaak als zodanig door een blind persoon worden gehouden;
- b.
die zijn opgeleid tot en dienen als assistentiehond en in hoofdzaak als zodanig door een gehandicapt persoon worden gehouden;
- c.
die verblijven in een hondenasiel;
- d.
die uitsluitend ten verkoop of aflevering in voorraad worden gehouden in een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren;
- e.
die jonger zijn dan drie maanden, voor zover zij tezamen met de moederhond worden gehouden.
- f.
waarvan de eigenaar geen ingezetene is van de gemeente en de hond niet langer dan 60 dagen in het belastingjaar bij de houder in de gemeente verblijft.
- a.
Artikel 4 Maatstaf van heffing
De belasting wordt geheven naar het aantal honden dat wordt gehouden.
Artikel 5 Belastingtarief
-
1. De belasting bedraagt per belastingjaar:
- a.
voor een eerste hond € 50,85;
- b.
voor iedere hond boven het aantal van één € 101,25.
- a.
-
2. In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor honden, gehouden in een kennel, per belastingjaar, per kennel € 320,50 per belastingjaar. Voor de toepassing van de vorige volzin wordt onder een kennel verstaan een inrichting als bedoeld in artikel 3.7, eerste lid, van het Besluit houders van dieren, bestemd en gebruikt voor het fokken van honden voor de verkoop of aflevering van nakomelingen.
-
3. Het tweede lid blijft buiten toepassing indien de belastingplichtige schriftelijk verzoekt de verschuldigde belasting vast te stellen naar het werkelijke aantal honden, als blijkt dat dit bedrag lager is dan het op voet van het tweede lid bepaalde bedrag.
Artikel 6 Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7 Wijze van heffing
De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.
Artikel 8 Ontstaan van de belastingschuld en bepalingen omtrent aanvang en einde van de belastingplicht in de loop van het belastingjaar
-
1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, als dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.
-
2. Als de belastingplicht in de loop van het jaar aanvangt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar toeneemt, is de belasting, respectievelijk de hogere belasting voor het toegenomen aantal honden, verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, respectievelijk de toename van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
-
3. Als de belastingplicht in de loop van het belastingjaar eindigt, dan wel het aantal honden in de loop van het belastingjaar vermindert, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van de voor dat jaar verschuldigde belasting als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht respectievelijk de vermindering van het aantal honden, nog volle kalendermaanden overblijven.
-
4. De belasting genoemd in artikel 5, eerste lid, onderdeel a., wordt niet geheven, als het totale belastingbedrag van de aanslag, dan wel van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, minder dan € 5,00 bedraagt.
Artikel 9 Termijnen van betaling
-
1. Een aanslag moet worden betaald in maximaal twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en de tweede twee maanden later.
-
2. In afwijking van het eerste lid geldt dat,
- a.
als een machtiging tot automatische incasso is afgegeven, en het belastingbedrag is € 20,00 of hoger, de belasting als bedoeld in artikel 5, eerste lid, die bij wege van aanslag geheven, moet worden betaald in zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen ten minste drie bedraagt. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand die volgt op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later;
- b.
als de belastingplicht bedoeld in artikel 5, tweede lid, in de loop van het belastingjaar eindigt, moeten de aanslag(en) worden betaald in drie termijnen. De eerste termijn vervalt dan op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.
- c.
als het belastingbedrag lager is dan € 20,00, dan gelden de in het eerste lid genoemde termijnen.
- a.
-
3. Als de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, tweemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd vervalt de machtiging tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen genoemd in het eerste lid.
-
4. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.
-
5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.
Artikel 10 Overgangsrecht
De “Verordening hondenbelasting 2025” van 12 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 11, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.
Artikel 11 Inwerkingtreding
-
1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.
-
2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.
Artikel 12 Citeertitel
Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening hondenbelasting 2026”.
Ondertekening
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Staphorst 11 november 2025.
Voorzitter,
Griffier,
TOELICHTING BIJ DE “VERORDENING HONDENBELASTING 2026”
1 Algemeen
1.1. Vindplaatsen wet- en regelgeving
De hondenbelasting is gebaseerd op artikel 226 van de Gemeentewet.
1.2. Doel van de hondenbelasting
De hondenbelasting is een algemeen dekkingsmiddel. Het doel van de hondenbelasting is het genereren van inkomsten voor de gemeente, zodat daarmee de instandhouding van algemene voorzieningen kan worden betaald.
1.3. Karakter van de hondenbelasting
De hondenbelasting is een echte belasting. Tegenover deze belasting staat geen individueel aanwijsbare tegenprestatie. Hoewel er door de gemeente wel kosten worden gemaakt die verband houden met het hondenbezit van haar inwoners, is deze belasting in de gemeente Staphorst geen bestemmingsheffing. De opbrengst van de hondenbelasting houdt daardoor geen verband met de kosten die door de gemeente worden gemaakt.
1.4. De inrichting van de heffing
De hondenbelasting wordt geheven van de houder van één of meer honden. De houder kan de eigenaar van de hond zijn, maar dit kan ook iemand anders zijn die één of meer honden “onder zich heeft”. Het houden van een hond moet daarbij wel een enigszins duurzaam karakter hebben. Anders is het opleggen van een aanslag niet mogelijk. Van duurzaamheid is geen sprake als iemand tijdelijk voor de hond van een ander zorgt, bijvoorbeeld omdat de houder ziek of op vakantie is. In dergelijke situaties blijft de eindverantwoordelijkheid voor de hond bij de oorspronkelijke houder liggen. Wordt de hond voor wie wordt gezorgd bijvoorbeeld tijdens zo’n periode ziek, dan zal de tijdelijke verzorger met de eigenaar overleggen hoe in een dergelijke situatie gehandeld moet worden.
De heffing geschiedt naar het aantal honden dat in een huishouden wordt gehouden. In de gemeente Staphorst is de tariefstelling van de hondenbelasting progressief ingericht. Het tariefbedrag voor een tweede (en elke volgende) hond is bijna tweemaal zo hoog als het tarief voor de eerste hond.
2 Wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening
2.1. Vastgestelde tariefswijzigingen
De tarieven van de hondenbelasting zijn ten opzichte van het vorige jaar met 2,74% verhoogd.
2.2. Andere wijzigingen
In de vastgestelde verordening zijn – ten opzichte van de verordening van het vorig jaar - geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Wel zijn, waar dat mogelijk was, teksten van artikelen beter leesbaar gemaakt. Hierbij is gebruikgemaakt van de nieuwste beschikbare versie van de modelverordening hondenbelasting van de VNG.
3 Artikelsgewijze toelichting
Artikel 1Voorwerp van de belasting
Het voorwerp van de hondenbelasting is het binnen de gemeente houden van honden.
Artikel 2Belastingplicht
Eerste en tweede lid
In het eerste lid wordt geregeld wie als houder van een hond wordt aangemerkt en wie belastingplichtig is.
Derde lid
Het komt voor dat er meerdere leden in een huishouden zijn die ieder voor zich één of meer honden houden. Omdat het dan niet de bedoeling is dat voor ieder houder in een huishouden een aparte aanslag wordt opgelegd, wordt er per huishouden één aanslag opgelegd voor alle honden die in dat huishouden worden gehouden. De aanslag wordt dan opgelegd aan een aan te wijzen lid van dat huishouden. In de beleidsregels die handelen over het aanwijzen van een belastingplichtige in een keuzesituatie is vastgelegd hoe die keuze gemaakt wordt.
Vierde lid
Het vierde lid voorziet in een regeling in het geval dat er tijdelijk honden worden gehouden in een hondenpensioen of ander dierenverblijf vanwege vakantie, ziekte, en dergelijke. Om te voorkomen dat de belastingplicht in dat geval overgaat op de exploitant van het hondenpensioen, of degene die tijdelijk voor een hond van een ander zorgt, blijft de oorspronkelijke houder van de hond voor deze hond belastingplichtig. De belastingplicht verandert in die gevallen niet. Dit geeft het voordeel dat de belastingplicht bij de oorspronkelijke houder (bijna altijd de eigenaar van de hond) blijft doorlopen, zodat er voor tijdelijke periodes geen correcties in de aanslagoplegging hoeven te worden doorgevoerd.
Artikel 3Vrijstellingen
In de verordening zijn een aantal vrijstellingen opgenomen. Er zijn situaties waarin de heffing van de hondenbelasting niet gewenst wordt gevonden. Dit is het geval bij blindengeleidenhonden en gehandicaptenhonden of bij pasgeboren puppy’s die in eerste maanden na de geboorte nog bij de moederhond moeten blijven.
Enkele andere vrijstellingen zijn in de verordening opgenomen omdat aan het opleggen van een aanslag te veel praktische bezwaren kleven. Dit doet zich voor als het aantal honden snel wisselt, bijvoorbeeld bij honden die in een dierenasiel verblijven of honden die voor de verkoop worden aangehouden in een winkel. Hierdoor wordt het aantal momenten waarop aangifteplicht ontstaat beperkt.
Ten slotte is er een vrijstelling opgenomen voor houders van honden die niet in de gemeente Staphorst wonen, maar hier wel regelmatig (met hun hond) verblijven. Deze vrijstelling ziet met name op mensen die in de gemeente Staphorst een tweede woning of vakantiewoning aanhouden. Gelet op het duurzaamheidsvereiste geldt hierbij wel als voorwaarde dat voor het verkrijgen van de vrijstelling het verblijf in de gemeente in een jaar niet meer dan zestig dagen mag zijn.
Artikel 4Maatstaf van heffing
In dit artikel wordt geregeld dat de hondenbelasting wordt geheven naar het aantal honden dat in een huishouden wordt gehouden.
Artikel 5Belastingtarief
In het eerste en tweede lid worden tarieven weergegeven. Omdat de hondenbelasting een progressief karakter heeft, is het tarief voor een tweede of volgende hond hoger dan dat voor de eerste hond.
Het zogenoemde “kenneltarief” is een vast bedrag wat zich niet richt naar het aantal honden dat in die kennel wordt gehouden. Bij het opleggen van de aanslag hoeft hierdoor geen rekening te worden gehouden met het aantal honden dat regelmatig in aantal wisselt. Het derde lid kent een aanvullende regeling voor kennelhouders als zij maar een beperkt aantal honden in hun kennel hebben. Het is in dat geval mogelijk de aanslag naar het werkelijke aantal honden op te leggen.
Artikel 6Belastingjaar
Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.
Artikel 7Wijze van heffing
In dit artikel regelt de wijze van heffing. De hondenbelasting wordt door middel van een aanslagbiljet geheven.
Artikel 8Ontstaan van de belastingschuld en de heffing naar tijdsgelang
Eerste lid
In dit artikellid is geregeld dat de belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar. Dit maakt het mogelijk om deze aanslag voor dit tarief al direct na het begin van het belastingjaar voor het hele jaar op te leggen.
Tweede lid
Het tweede lid regelt de belastingplicht van de hondenbelasting als het aantal honden in een huishouden in de loop van het jaar toeneemt. Als voor het lopende jaar al een aanslag is opgelegd, kan een aanvullende aanslag worden opgelegd voor de periode in het jaar dat het hogere aantal honden in het huishouden is gehouden. De periode wordt dan berekend naar het aantal volle maanden dat de meerdere honden in het jaar werden gehouden.
Derde lid
Dit artikellid regelt de belastingplicht als de belastingplicht in de loop van het jaar eindigt of als het aantal honden in de loop van het jaar vermindert. Omdat in de meeste gevallen al in het begin van het belastingjaar een aanslag is opgelegd, wordt die eerder opgelegde aanslag gecorrigeerd door een ontheffingsbesluit. De ontheffing wordt dan verleend voor zoveel twaalfde gedeelten van het aanslagbedrag, als er nog volle kalendermaanden in een kalenderjaar overblijven.
Vierde lid
Volgens dit artikellid blijft een aanslag achterwege als het bedrag van die aanslag minder bedraagt dan € 5,-. In de praktijk zal dit alleen het geval zijn als een aanslag wordt opgelegd voor het tarief van de eerste hond voor de periode van één maand.
Artikel 9Termijnen van betaling
Eerste en tweede lid
In de meeste gevallen zijn er voor een belastingplichtige meerdere heffingen van toepassing. Getracht worden de WOZ-beschikking en de aanslagen afvalstoffenheffing, onroerendezaakbelastingen, rioolheffing en hondenbelasting zoveel mogelijk gezamenlijk op één aanslagbiljet op te leggen. Hierdoor heeft de belastingplichtige al aan het begin van het belastingjaar een overzicht van de omvang van zijn belastingverplichtingen van dat jaar aan de gemeente Staphorst.
Door de combinatie van meerdere belastingsoorten kan het totaalbedrag van het aanslagbiljet wel oplopen. De belastingplichtige die een aanslag opgelegd krijgt kan voor de betaling van het aanslagbiljet kiezen voor:
- a.
het afgeven van een machtiging voor automatische incasso. Het totaalbedrag van het aanslagbiljet wordt verdeeld over zoveel termijnen als er nog volle maanden in een jaar resteren. Hierbij geldt als uitgangspunt dat het volledige totaalbedrag aan het einde van het jaar is voldaan. In de meeste gevallen wordt het aanslagbiljet in januari verzonden, waardoor het totaalbedrag in elf termijnen kan worden afgeschreven. Wordt een aanslagbiljet pas in het laatste kwartaal van het jaar opgelegd, dan gelden er drie termijnen;
- b.
het niet afgeven van een machtiging. Het totaalbedrag is dan verschuldigd in twee termijnen. De eerste termijn vervalt dan na één maand, de tweede termijn twee maanden later. Degene aan wie het aanslagbiljet wordt toegezonden, zorgt in dat geval zelf voor de betaling.
Derde lid
Als een machtiging voor automatische incasso is afgegeven komt het voor dat een termijnbedrag niet kan worden afgeschreven. In de meeste gevallen is het beschikbare saldo van de bankrekening niet voldoende om te kunnen afschrijven. De belastingschuldige wordt hierover per brief geïnformeerd. Het bedrag van de niet-geïncasseerde termijn wordt dan bij de eerstvolgende termijn meegenomen, waardoor dan gelijktijdig twee maandelijkse termijnen worden afgeschreven. Mocht de automatische incasso nogmaals mislukken, dan wordt de automatische incasso voor dat jaar beëindigd. Dit is om te voorkomen dat aan het einde van het jaar nog een groot restbedrag openstaat.
Het stoppen van de automatische incasso betekent dat het aantal betalingstermijnen wordt teruggebracht. Wordt de automatische incasso gestopt, dan geldt hetzelfde aantal termijnen als voor aanslagen waarvoor geen machtiging was afgegeven. Omdat voor deze aanslagen maar twee termijnen gelden, is op het moment van beëindigen van de automatische incasso het aanslagbiljet meestal al helemaal vervallen. Dit betekent dat het volledige openstaande bedrag ineens verschuldigd is geworden. In die gevallen wordt een betalingsherinnering toegezonden. Blijft betaling opnieuw uit, dan worden als dit nodig is de gebruikelijke wettelijke middelen (aanmaning, dwangbevel en zo nodig beslaglegging) ingezet.
Vierde lid
In de belastingheffing hebben we soms te maken met zogenaamde “bestuurlijke boetes”. Dit betreft bijvoorbeeld een verhoging bij een navorderingsaanslag, omdat de belastingplichtige niet heeft voldaan aan bepaalde wettelijke verplichtingen. In de belastingpraktijk van de gemeente Staphorst komt eigenlijk bijna nooit voor. Voor de situaties waarin dit wel nodig is, is dit artikellid hier opgenomen.
Vijfde lid
De Algemene Termijnenwet is ook van toepassing op gemeentelijke belastingen. Deze wet regelt onder andere hoe bij beslis- of betalingstermijnen omgegaan moet worden met feestdagen en dergelijke. Gemeenten zijn niet verplicht om deze wet te volgen. Om deze reden is de werking van deze wet hier niet overgenomen.
Artikel 12Overgangsrecht
Dit artikel regelt de intrekking van de oude verordening als er een nieuwe verordening wordt vastgesteld. Hierbij is eveneens overgangsrecht geregeld. Het is mogelijk dat een nieuwe verordening nog niet in werking is getreden, omdat deze nog niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In dat geval blijft de oude verordening nog gelden, zodat heffing in dat geval wel mogelijk blijft.
Artikel 13Inwerkingtreding
In het eerste lid wordt het moment van de inwerkingtreding van de nieuwe, opvolgende belastingverordening geregeld. In de gemeente Staphorst worden belastingverordeningen steeds al vóór het begin van het volgende belastingjaar vastgesteld en ook officieel bekendgemaakt. Gelet op het eerste lid zou de nieuwe verordening dan gelijk in werking treden. Volgens het tweede lid is daarom een datum van ingang van de heffing van toepassing. De verordening treedt daarom pas in werking op 1 januari 2026.
Artikel 14Citeertitel
Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening. Meestal is een citeertitel korter dan de volledige naam van een verordening. In de citeertitel wordt veelal het jaar genoemd waarvoor de verordening van toepassing is, of – als deze voor meerdere jaren geldt - het jaar waarin deze geldig is geworden.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl