Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2026

Geldend van 03-12-2025 t/m heden

Intitulé

Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2026

De raad van de gemeente Staphorst;

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 7 oktober 2025;

gelet op artikel 223 van de Gemeentewet;

B E S L U I T:

vast te stellen de:

Verordening op de heffing en invordering van forensenbelasting 2026

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder een woning: een gemeubileerde woning als bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet.

Artikel 2 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1. Onder de naam “forensenbelasting” wordt een directe belasting geheven van de natuurlijke personen, die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, er op meer dan 90 dagen van het belastingjaar voor zich of hun gezin een gemeubileerde woning beschikbaar houden.

  • 2. Of iemand in de gemeente hoofdverblijf heeft, wordt naar de omstandigheden beoordeeld.

Artikel 3 Vrijstellingen

Niet belastingplichtig is degene die ter tijdelijke waarneming van een openbare betrekking of ter bijwoning van de vergaderingen van een algemeen vertegenwoordigend openbaar lichaam, waarvan hij het lidmaatschap bekleedt, dan wel ingevolge last of bevel van de overheid, buiten de gemeente van zijn hoofdverblijf vertoeft.

Artikel 4 Maatstaf van heffing

  • 1. De belasting wordt geheven naar de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen zoals die voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het tijdvak waarbinnen het belastingjaar valt, is vastgesteld.

  • 2. In afwijking van het eerste lid wordt de belasting geheven naar de waarde, als de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen voor het belastingobject waarvan de woning deel uitmaakt, voor het belastingjaar is vastgesteld met toepassing van artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 3. Als geen heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen is vastgesteld, wordt de belasting geheven naar de waarde.

  • 4. De vaststelling van de waarde bedoeld in het tweede en derde lid geschiedt overeenkomstig de artikelen 220 tot en met 220d van de Gemeentewet, met dien verstande dat daarbij artikel 16, onderdeel e, van de Wet waardering onroerende zaken niet wordt toegepast.

Artikel 5 Belastingtarief

De belasting bedraagt bij een waarde, als bedoeld in het vorige artikel, van:

  • 1.

    minder dan € 55.000,-- € 148,-

  • 2.

    € 55.000,-- of meer, doch minder dan € 70.000,-- € 453,-

  • 3.

    € 70.000,-- of meer, doch minder dan € 80.000,-- € 523,-

  • 4.

    € 80.000,-- of meer, doch minder dan € 90.000,-- € 585,-

  • 5.

    € 90.000,-- of meer, doch minder dan € 100.000,-- € 654,-

  • 6.

    € 100.000,-- of meer, doch minder dan € 110.000,-- € 721,-

  • 7.

    € 110.000,-- of meer, doch minder dan € 120.000,-- € 768,-

  • 8.

    € 120.000,-- of meer, doch minder dan € 130.000,-- € 825,-

  • 9.

    € 130.000,-- of meer, doch minder dan € 140.000,-- € 884,-

  • 10.

    € 140.000,-- of meer, doch minder dan € 150.000,-- € 939,-

  • 11.

    € 150.000,-- of meer € 982,-

Artikel 6 Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7 Wijze van heffing

De belasting wordt geheven bij wege van aanslag.

Artikel 8 Aangifte

  • 1. De belastingplichtige aan wie binnen twee maanden na afloop van het belastingjaar geen aanslag over dat belastingjaar is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van de bedoelde termijn een schriftelijk verzoek bij de heffingsambtenaar in te dienen om uitreiking van een aangiftebiljet.

  • 2. De (vermoedelijk) belastingplichtige, aan wie een aangiftebiljet is uitgereikt, is gehouden binnen vier weken na dagtekening dit aangiftebiljet ingevuld en ondertekend te retourneren.

  • 3. Als twee weken na dagtekening van een herinnering om aangifte te doen door de (vermoedelijk) belastingplichtige nog geen aangifte is gedaan, kan de heffingsambtenaar ambtshalve een aanslag opleggen.

  • 4. Het eerste lid is niet van toepassing, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen, dat over het belastingjaar geen belasting verschuldigd is of geen aanslag zal worden opgelegd.

Artikel 9 Voorlopige aanslag

Na de aanvang van het belastingjaar kan aan de belastingplichtige een voorlopige aanslag worden opgelegd tot ten hoogste het bedrag waarop de aanslag over dat jaar vermoedelijk zal worden vastgesteld.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand die volgt op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

  • 2. In afwijking van het eerste lid geldt dat als er een machtiging tot automatische incasso is afgegeven, de aanslagen moeten worden betaald in drie termijnen. De eerste termijn vervalt één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3. Als de verschuldigde bedragen genoemd in het tweede lid, tweemaal niet kunnen worden geïncasseerd, vervalt de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de termijnen zoals genoemd in het eerste lid.

  • 4. Met betrekking tot een ingevolge artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Invorderingswet 1990 met een belastingaanslag gelijkgestelde beschikking inzake een bestuurlijke boete is het eerste lid van overeenkomstige toepassing, voor zover deze gelijktijdig wordt opgelegd met de vaststelling van de aanslag.

  • 5. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in het eerste lid gestelde termijn.

Artikel 11 Overgangsrecht

De “Verordening forensenbelasting 2025” van 12 november 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 12, tweede lid, genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 12 Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2026.

Artikel 13 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening forensenbelasting 2026”.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Staphorst van 11 november 2025.

Voorzitter,

Griffier,

TOELICHTING BIJ DE “VERORDENING FORENSENBELASTING 2026”

1 Algemeen

1.1. Vindplaatsen wet- en regelgeving

De forensenbelasting is gebaseerd op artikel 223 van de Gemeentewet.

1.2. Doel van de forensenbelasting

De forensenbelasting is een algemeen dekkingsmiddel. Het doel van de forensenbelasting is het genereren van inkomsten voor de gemeente, zodat daarmee de instandhouding van algemene voorzieningen kan worden betaald.

De rechtsgrond van de forensenbelasting bestaat er voornamelijk uit dat de gemeente geen uitkering van het Rijk ontvangt voor woningen die wel worden gebruikt, maar waar geen personen op het adres staan ingeschreven. Personen die een woning als tweede woning of vakantiewoning in gebruik hebben maken tijdens hun verblijf echter wel gebruik van de algemene voorzieningen die door de gemeente in stand worden gehouden.

Het gemis aan inkomsten uit de algemene uitkering van het Gemeentefonds voor recreatiewoningen veroorzaakt dat alleen de eigen inwoners bijdragen aan de kosten van de instandhouding van de algemene voorzieningen. Heeft in een gemeente het aantal tweede woningen een zekere omvang bereikt, dan kan het gewenst zijn om personen die een tweede woning in de gemeente in gebruik hebben daaraan te laten bijdragen. Immers, zij maken evenzeer gebruik van de algemene voorzieningen die door de gemeente in stand worden gehouden.

Gemeenten hebben de mogelijkheid om forensenbelasting te heffen, waardoor met de opbrengst van deze belasting de gemiste inkomsten kunnen worden gecompenseerd. In de meeste gemeenten waar de verblijfsrecreatie een zekere omvang heeft, wordt daarom forensenbelasting geheven. Dit is ook in de gemeente Staphorst het geval. Door deze heffing komen de lasten van de instandhouding van de algemene voorzieningen niet alleen ten laste van de lokale bevolking, maar wordt hieraan eveneens door de gebruikers van tweede woningen bijgedragen.

1.3. Karakter van de forensenbelasting

De forensenbelasting is een echte belasting. Tegenover deze belasting staat geen individueel aanwijsbare tegenprestatie. Hoewel de gemeente wel kosten maakt die verband houden met het houden van vakantie of recreatieverblijf door niet-inwoners van de gemeente, is deze belasting in de gemeente Staphorst geen bestemmingsheffing. Er bestaat daarom geen relatie tussen de opbrengst van de forensenbelasting en de kosten die door de gemeente worden gemaakt.

1.4. De inrichting van de heffing

De forensenbelasting wordt geheven van personen die in een kalenderjaar meer dan negentig dagen een gemeubileerde woning voor zich tot hun beschikking hebben, zonder dat zij (of leden van hun gezin) hoofdverblijf hebben in de gemeente Staphorst. Of men hoofdverblijf in de gemeente houdt of elders, wordt naar de omstandigheden beoordeeld. Hierbij is de plaats van inschrijving in de Basisregistratie Personen belangrijk.

Het is bij de forensenbelasting niet mogelijk om de aanslag al in het begin van het jaar op te leggen. Eerst moet immers vaststaan dat iemand gedurende een periode van ten minste negentig dagen een woning tot zijn beschikking heeft gehad. Een aanslag forensenbelasting kan dus pas op z’n vroegst in de maand april van het jaar worden opgelegd. De forensenbelasting maakt daarom geen deel uit van het jaarlijkse aanslagbiljet waarmee andere gemeentelijke belastingen worden geheven.

De maatstaf van de heffing is de waarde die voor de onroerendezaakbelastingen voor de woning is vastgesteld. Betreft de woning een roerende zaak, dan wordt de waarde voor de forensenbelasting vastgesteld op een wijze die met die van de Wet WOZ vergelijkbaar is.

2 Wijzigingen ten opzichte van de vorige verordening

2.1. Vastgestelde tariefswijzigingen

De tarieven van de forensenbelasting zijn ten opzichte van het vorige jaar met 2,74% verhoogd.

2.2. Andere wijzigingen

In de vastgestelde verordening zijn – ten opzichte van de verordening van het vorig jaar - geen inhoudelijke wijzigingen aangebracht. Wel zijn, waar dat mogelijk was, teksten van artikelen beter leesbaar gemaakt en overbodige artikelen geschrapt. Hierbij is gebruikgemaakt van de nieuwste beschikbare versie van de modelverordening forensenbelasting van de VNG. Eveneens is deze toelichting aan de belastingverordening toegevoegd.

3 Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1Begripsomschrijvingen

In dit artikel is aangegeven wat voor de forensenbelasting onder het begrip “gemeubileerde woning” wordt verstaan.

Artikel 2Belastbaar feit

Volgens het eerste artikellid wordt de forensenbelasting geheven van natuurlijke personen die, zonder in de gemeente hoofdverblijf te hebben, in een jaar meer dan negentig dagen een gemeubileerde woning voor zichzelf of hun gezin beschikbaar houden. Het is niet noodzakelijk dat deze genoemde negentig dagen in één aaneengesloten periode in een jaar liggen, maar mogen verspreid over het jaar liggen.

Artikel 3Vrijstellingen

In de verordening is een vrijstelling opgenomen. Het opleggen van een aanslag forensenbelasting blijft hierdoor achterwege als iemand:

  • a.

    een openbare betrekking tijdelijk waarneemt;

  • b.

    een vergadering van een algemeen vertegenwoordigend lichaam bijwoont waarvan hij of zij het lidmaatschap heeft;

  • c.

    door last of bevel van de overheid verplicht buiten de gemeente van inwoning vertoeft.

Artikel 4Maatstaf van heffing

In dit artikel wordt geregeld dat de forensenbelasting wordt geheven naar de waarde zoals die voor de onroerendezaakbelasting is vastgesteld. In de praktijk is dit de waarde die volgens de Wet WOZ wordt vastgesteld. Het komt regelmatig voor dat een woning geen onroerende maar een roerende zaak betreft. Hierop zien het tweede en derde lid, omdat van deze objecten geen WOZ-waarde wordt bepaald of onroerendezaakbelastingen wordt geheven. Het vierde lid regelt dan dat de waarde dan wordt bepaald op een manier die vergelijkbaar is met de vaststelling van een WOZ-waarde.

Artikel 5Belastingtarief

Dit artikel regelt de hoogte van het tarief. In de verordening is een schijventarief opgenomen. De eerste schijf betreft de woningen die een waarde hebben van minder dan € 55.000,-. Het tarief is hier lager dan van de tarieven in de volgende schijven. Het gaat hier doorgaans om heel eenvoudige woningen die maar weinig luxe en afwerking kennen. In een aantal gevallen zijn deze woningen in de wintermaanden naar de huidige maatstaven ook niet “bewoonbaar”. Het profijt van deze categorie woningen is daardoor anders dan van de woningen die over een hogere waarde kennen.

Artikel 6Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 7Wijze van heffing

In dit artikel is de wijze van heffing geregeld. De forensenbelasting wordt door middel van een aanslagbiljet geheven.

Artikel 8Aangifte

Doordat de belastingplichtigen van de forensenbelasting niet zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente, is het bij een wisseling niet altijd direct duidelijk wie gebruikmaakt van vakantiewoning of een tweede woning. Een aanslag kan hierdoor ten onrechte achterwege blijven. Daarom is in het eerste lid een aangifteplicht opgenomen voor hen die (vermoedelijk) belastingplichtig zijn en die in het voorbije jaar nog geen aanslag forensenbelasting hebben gehad. In dat geval moet iemand vóór 31 maart van het eerstvolgende jaar om een aangiftebiljet verzoeken. Met de gegevens van het teruggezonden ingevulde aangiftebiljet wordt dan bepaald of iemand voor de forensenbelasting belastingplichtig is.

De verplichting om aangifte te doen geldt niet als vooraf al redelijkerwijs kan worden aangenomen dat iemand over een belastingjaar geen belasting verschuldigd zal zijn. Er hoeft dan niet om de uitreiking van een aangiftebiljet te worden verzocht. Dit is geregeld in het vierde lid.

Artikel 9Voorlopige aanslag

Het kan zinvol zijn om alvast een voorlopige aanslag op te leggen als nog niet helemaal duidelijk is of een aanslag kan worden opgelegd of hoe hoog die aanslag zal moeten zijn. Dit artikel regelt de bevoegdheid tot het opleggen van een voorlopige aanslag. Wordt een voorlopige aanslag opgelegd, dan volgt er later altijd een definitieve aanslag. Dit is ook het geval als het bedrag van de definitieve aanslag gelijk is aan het bedrag dat al eerder met de voorlopige aanslag was geheven.

Artikel 10Termijnen van betaling

Eerste en tweede lid

De belastingplichtige aan wie een aanslag wordt opgelegd, kan voor de betaling van dat aanslagbiljet kiezen voor:

  • a.

    het afgeven van een machtiging voor automatische incasso. Het totaalbedrag van het aanslagbiljet wordt dan over drie termijnen verdeeld. De eerste termijn vervalt na één maand, en elke volgende termijn steeds een maand later;

  • b.

    het niet afgeven van een machtiging. In die gevallen is het totaalbedrag verschuldigd in twee termijnen. De eerste termijn vervalt dan één maand na de dagtekening van het aanslagbiljet, de tweede termijn vervalt na drie maanden. Degene aan wie het aanslagbiljet wordt toegezonden, zorgt dan zelf voor de betaling van het aanslagbiljet.

Derde lid

Als een machtiging voor automatische incasso is afgegeven komt het voor dat een termijnbedrag niet kan worden afgeschreven. In de meeste gevallen is het beschikbare saldo van de bankrekening niet voldoende om te kunnen afschrijven. De belastingschuldige wordt hierover per brief geïnformeerd. Het bedrag van de niet-geïncasseerde termijn wordt dan bij de eerstvolgende termijn meegenomen, waardoor dan gelijktijdig twee maandelijkse termijnen worden afgeschreven. Mocht de automatische incasso nogmaals mislukken, dan wordt de automatische incasso voor dat jaar beëindigd. Dit is om te voorkomen dat aan het einde van het jaar nog een groot restbedrag openstaat.

Het stoppen van de automatische incasso betekent dat het aantal betalingstermijnen wordt teruggebracht. Wordt de automatische incasso gestopt, dan geldt hetzelfde aantal termijnen als voor aanslagen waarvoor geen machtiging was afgegeven. Omdat voor deze aanslagen maar twee termijnen gelden, is op het moment van beëindigen van de automatische incasso het aanslagbiljet meestal al helemaal vervallen. Dit betekent dat het volledige openstaande bedrag ineens verschuldigd is geworden. In die gevallen wordt een betalingsherinnering toegezonden. Blijft betaling opnieuw uit, dan worden als dit nodig is de gebruikelijke wettelijke middelen (aanmaning, dwangbevel en zo nodig beslaglegging) ingezet.

Vierde lid

In de belastingheffing hebben we soms te maken met zogenaamde “bestuurlijke boetes”. Dit betreft bijvoorbeeld een verhoging bij een navorderingsaanslag, omdat de belastingplichtige niet heeft voldaan aan bepaalde wettelijke verplichtingen. In de belastingpraktijk van de gemeente Staphorst komt dit eigenlijk nooit voor. Voor de situaties waarin dit wel nodig kan zijn is dit artikellid hier opgenomen.

Vijfde lid

De Algemene Termijnenwet is ook van toepassing op gemeentelijke belastingen. Deze wet regelt onder andere hoe met beslis-, betalings- of andere termijnen moet worden omgegaan, bijvoorbeeld als de laatste dag van een termijn op een feestdag valt. Gemeenten zijn niet verplicht om deze wet te volgen. Met dit artikellid is de werking van deze wet hier niet opgenomen.

Artikel 11Overgangsrecht

Dit artikel regelt de intrekking van de oude verordening als er een nieuwe verordening wordt vastgesteld. Hierbij is eveneens overgangsrecht geregeld. Het is mogelijk dat een nieuwe verordening nog niet in werking is getreden, bijvoorbeeld omdat deze nog niet op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. In dat geval blijft de oude verordening nog gelden, zodat heffing in dat geval wel mogelijk blijft.

Artikel 12Inwerkingtreding

In het eerste lid wordt het moment van inwerkingtreding van de nieuwe, opvolgende belastingverordening geregeld. In de gemeente Staphorst worden belastingverordeningen steeds al vóór het begin van het volgende belastingjaar vastgesteld en ook officieel bekendgemaakt. Gelet op de tekst in het eerste lid zou de nieuwe verordening dan gelijk in werking treden. Volgens het tweede lid is daarom een datum van ingang van de heffing van toepassing. De verordening treedt daarom pas in werking op 1 januari 2026.

Artikel 13Citeertitel

Een citeertitel vereenvoudigt de verwijzing naar een bepaalde verordening. Meestal is een citeertitel korter dan de volledige naam van een verordening. In de citeertitel wordt veelal het jaar genoemd waarvoor de verordening van toepassing is, of – als deze voor meerdere jaren geldt - het jaar waarin deze geldig is geworden.