Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 30 september 2025, nr. 2379736/2379747, tot vaststelling van het Natuurbeheerplan 2026

Geldend van 02-12-2025 t/m heden

Intitulé

Besluit van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland van 30 september 2025, nr. 2379736/2379747, tot vaststelling van het Natuurbeheerplan 2026

[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: Natuurbeheerplannen.]

Besluiten:

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland hebben in overeenstemming met artikel 1.3 van de Uitvoeringsregeling Natuur- en Landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 op 30 september 2025 de definitieve versie van het Natuurbeheerplan 2026 en Nota van Beantwoording vastgesteld.

Natuurbeheerplan 2026

Het Natuurbeheerplan bevat de kaders en de doelen voor natuur en (agrarisch) natuurbeheer door de provincie. De provincie stelt op grond van het Natuurbeheerplan jaarlijks subsidie beschikbaar voor realisatie en beheer van natuur en voor (agrarisch) natuur- en landschapsbeheer. Deze subsidies zijn bedoeld voor particulieren, terreinbeheerders en agrarische collectieven.

Beroep aantekenen

Het Natuurbeheerplan 2026 is tot stand gekomen met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Belanghebbenden kunnen binnen zes weken na bekendmaking schriftelijk beroep instellen tegen het Natuurbeheerplan 2026. Het beroepschrift kunt u sturen aan de Rechtbank Noord-Holland, Sector Bestuursrecht, Postbus 1621, 2003 BR Haarlem. U kunt ook digitaal beroep instellen bij de genoemde rechtbank via Digitale Diensten van de Rechtspraak. Kijk op de genoemde site voor de precieze voorwaarden.

Meer informatie over de beroepsprocedure vindt u hier: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/bezwaar-en-beroep/vraag-en-antwoord/in-hoger-beroep-tegen-beslissing-overheid

Het Natuurbeheerplan 2026 treedt in werking, ook al wordt een beroepschrift ingediend.

Gelijktijdig met het indienen van een beroepschrift kunt u - bij spoedeisend belang - een voorlopige voorziening vragen bij de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland.

NATUURBEHEERPLAN 2026

Provincie Noord-Holland

In ontwerp vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 25 maart 2025

Terinzagelegging Ontwerp Natuurbeheerplan 3 april tot en met 14 mei 2025

Definitief vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 30 september 2025

Zaak/documentnummer: 2379736/2379747

1. Wat is het Natuurbeheerplan?

1.1 Inleiding

Het Natuurbeheerplan beschrijft de beleidsdoelen en subsidiemogelijkheden voor de ontwikkeling van natuur en beheer van (agrarische) natuur en landschapselementen. De provincie financiert een aanzienlijk deel van de kosten voor de ontwikkeling en het beheer van natuur door middel van subsidies. Het Natuurbeheerplan vormt het inhoudelijk toetsingskader voor het beoordelen van subsidieaanvragen. Het Natuurbeheerplan bestaat uit dit document en bijbehorende kaarten die aangeven waar welke beheerdoelen gelden.

Het Natuurbeheerplan is verankerd in het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Het stelsel wordt onderhouden door BIJ12 in opdracht van de provincies en bestaat uit de volgende onderdelen:

  • De subsidie-verordening Natuur- en landschapsbeheer, de subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap en het Openstellingsbesluit (juridische kader);

  • Het Natuurbeheerplan (inhoudelijke kader, natuurdoelen);

  • De Index Natuur en Landschap (gemeenschappelijke ‘natuurtaal’);

  • De Standaardkostprijzen natuur en landschapsbeheer (landelijk gemiddelde netto kosten voor natuur- en landschapsbeheer);

  • Het Programma van Eisen voor Certificering (kwaliteitseisen uitvoering (agrarisch) natuurbeheer);

  • De Werkwijze monitoring beoordeling natuurnetwerk-Natura 2000/PAS (uniforme aanpak voor het monitoren van de natuur en beoordeling van de natuurkwaliteit).

Het voorliggende Natuurbeheerplan is tot stand gekomen in samenwerking met verschillende partijen. Met natuurbeheerders is overlegd over het aanpassen van natuur- en landschapsbeheertypen van natuurterreinen en met agrarische collectieven over de invulling van het agrarisch natuur- en landschapsbeheer. BIJ12 heeft het format aangeleverd voor het Natuurbeheerplan. Ook zijn vanuit de provincie diverse experts betrokken, zoals ecologen, juristen en medewerkers natuur.

Het plan is geen statisch document. De provincie kan de inhoud van de plantekst en de kaarten, indien nodig, jaarlijks aanpassen. Hoewel het Natuurbeheerplan de afgelopen tijd met een jaarlijkse frequentie is aangepast, kan het plan voor meerdere jaren gelden tot Gedeputeerde Staten (GS) weer een nieuw Natuurbeheerplan vaststellen.

1.2 Doel en status Natuurbeheerplan

Het Natuurbeheerplan is een subsidiekader en daarmee een instrument om functieverandering (van landbouw naar natuur), inrichting en beheerdoelen te realiseren die gebaseerd zijn op huidig beleid voor het landelijk gebied op het gebied van water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincie (zie hoofdstuk 2).

In het Natuurbeheerplan zijn de huidige en de gewenste beheerdoelen voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en agrarische gebieden met natuurwaarden opgenomen. In dit plan begrenst en beschrijft de provincie de gebieden waar subsidiëring van beheer en ontwikkeling van natuur, agrarische natuur en landschapselementen plaats kan vinden.

De vaststelling van het NNN in planologisch opzicht is vastgelegd in de Omgevingsverordening1 . Het Natuurbeheerplan volgt dus de begrenzing van het NNN die in de Omgevingsverordening is vastgelegd. Dit betekent ook dat eventuele opmerkingen over de NNN-begrenzing niet via het Natuurbeheerplan kunnen worden meegenomen. Het Natuurbeheerplan heeft geen planologische consequenties en heeft dus geen invloed op eigendomsrechten of bestaande gebruiksmogelijkheden.

Het Natuurbeheerplan bevat geen bindende regels of verplichtingen voor burgers. Ook kunnen er geen rechten aan worden ontleend. Opname van een terrein in het Natuurbeheerplan leidt dus niet vanzelfsprekend tot een positief besluit over subsidiëring van ontwikkeling of beheer van (agrarische) natuur. Het zorgt er alleen voor dat beheerders en (agrarische) collectieven van de gronden die zijn begrensd als natuurgebied, als agrarische natuur of als landschapselement de mogelijkheid krijgen om subsidie aan te vragen voor het beheer van deze gronden.

1.3 Wijzigingen Natuurbeheerplan 2026

Dit Natuurbeheerplan 2026 is op een aantal punten gewijzigd ten opzichte van het Natuurbeheerplan 2025:

  • -

    De tekst van het Natuurbeheerplan is geactualiseerd en aangepast aan recente beleidsontwikkelingen;

  • -

    De beheertypenkaart en de ambitiekaart zijn geactualiseerd.

1.4 Leeswijzer

In het Natuurbeheerplan wordt achtereenvolgens beschreven:

Hoofdstuk 2: Beleidskader

Hoofdstuk 3: Subsidiestelsel Natuur en Landschap

Hoofdstuk 4: Natuur- en landschapsdoelen

Hoofdstuk 5: Subsidiemogelijkheden

2. Beleidskader

Het Natuurbeheerplan is gebaseerd op het vigerend beleid voor het landelijk gebied voor water, milieu en ruimtelijke ordening van de Europese Unie, het Rijk en de provincie. In dit hoofdstuk lichten wij de belangrijkste onderdelen en ontwikkelingen toe.

2.1 Europees kader natuur en landschap

De lidstaten van de EU hebben gezamenlijk specifieke wetten en beleidsdoelen vastgesteld voor het instandhouden van bepaalde planten- en diersoorten en natuurlijke habitats van internationale betekenis via de Vogel- en Habitatrichtlijn (VR/HR) en Natura 2000, voor de instandhouding van gezonde watersystemen (Kaderrichtlijn water) en voor een schoon milieu (Nitraatrichtlijn). De Europese Commissie (EC) ziet er op toe dat de lidstaten deze afspraken nakomen.

Naast de bovenstaande beleidskaders is zowel de Subsidieverordening Natuur- en Landschapsbeheer 2016 (SVNL2016) als de Subsidieregeling Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap 2016 (SKNL2016) getoetst op staatssteun. Op basis van de Richtsnoeren voor de land- en bosbouwsector heeft de EC goedkeuring verleend aan de beide modelverordeningen en hebben de provincies zich daarmee gecommitteerd aan de bijbehorende vereisten.

GLB-NSP 2023-2027

Voor het platteland zijn door de EC beleidsdoelen en regels vastgesteld in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid 2023-2027 (GLB). Het GLB bevat ambities op het gebied van natuur, klimaat en milieu. Dit is samen te vatten in de term ‘toekomstbestendig boeren’, waarbij het belonen van boeren die naast het produceren van voedsel ook zorgen voor natuur, klimaat en milieu een belangrijke rol speelt. Het Rijk heeft het GLB uitgewerkt in een Nationaal Strategisch Plan (NSP), welke op 13 december 2022 is goedgekeurd door de EC.

Met het GLB-NSP zetten rijk, provincies en waterschappen samen de beleidslijnen uit voor beide subsidiefondsen van het GLB, zowel het Plattelandsfonds (pijler 2), als het Garantiefonds (pijler 1). Het Garantiefonds wordt deels ingezet via het instrument ecoregelingen en door budget over te hevelen naar het plattelandsfonds, waardoor meer ruimte ontstaat voor investeringen, innovatie, samenwerken en kennisoverdracht voor toekomstgerichte bedrijven en verbreding en optimalisatie van het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb).

Ecoregelingen en conditionaliteiten uit pijler 1 en het ANLb uit pijler 2 kunnen naast elkaar worden ingezet en elkaar versterken. Ook is het mogelijk om ze beiden in te zetten mits zogenaamde double funding voorkomen wordt (dit betekent dat dezelfde activiteit op hetzelfde perceel slechts uit één regeling betaald kan worden). De ecoregelingen en conditionaliteiten hebben een meer nationaal generieke invulling (met regionale gebiedsgerichte accenten). Het ANLb richt zich op gebiedsgerichte activiteiten die boeren samen ondernemen om doelsoorten en doelen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn en opgave Water en Klimaat te ondersteunen.

Vanuit het NSP wordt ingezet op biodiversiteitsbehoud- en herstel op het landbouwareaal, onder meer met Anlb. De bijdrage die Nederland als lidstaat levert is vastgelegd in het GLB-NSP fiche (art. 65), waarin de ambitie van Nederland is aangeduid. Het agrarisch natuurbeleid, het ecologisch waterbeheer en klimaatdoelen vallen onder het ANLb en worden deels gefinancierd met Europees geld. Dit brengt met zich mee dat de uitvoering van het agrarisch natuurbeheer inclusief natuurgerelateerde water- en klimaatdoelen moet blijven voldoen aan het GLB-NSP fiche.

Natuurherstelverordening

Op 18 augustus 2024 is de Europese natuurherstelverordening in werking getreden. Deze verordening verplicht lidstaten om doeltreffende maatregelen te treffen om de natuur te herstellen, continu te verbeteren en niet te laten verslechteren. Het bevat oplopende kwantitiatieve doelstellingen voor terrestrische, kust- en zoetwaterecosystemen en mariene ecosystemen die nu niet in goede conditie verkeren, voor 2030, 2040 en 2050. Ook zijn er aanvullende doelstellingen, bijvoorbeeld voor landbouwecosystemen. Daarnaast gelden er verplichtingen met betrekking tot het opstellen van een nationaal natuurherstelplan, monitoring en verslaglegging.

Alle artikelen van de verordening zijn direct van toepassing. Op dit moment wordt uitgewerkt welke aanpassingen van het Rijks- en provinciaal beleid noodzakelijk zijn. Dit heeft daarom nog niet tot wijziging van dit natuurbeheerplan geleid.

2.2 Rijksbeleid natuur en landschap

Het Rijk stelt op grond van internationale verplichtingen op hoofdlijnen de doelen voor natuurbeleid vast en geeft de kaders aan waarbinnen die doelen gerealiseerd kunnen worden.

Het Rijksbeleid heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld langs twee lijnen: de eerste lijn betreft het versterken en verbeteren van het bestaande natuurbeleid. Dit richt zich op natuurgebieden en de directe omgeving daarvan. Denk hierbij aan de uitvoering van het Natuurpact (2013) door de provincies. Daarnaast heeft het Rijk verantwoordelijkheid voor het beheren en verbeteren van natuur in de grote wateren, duurzame bescherming van de Noordzee en het verder ontwikkelen van de Nationale Parken. Met het Programma Natuur is in het kader van de stikstofaanpak extra geld beschikbaar gesteld voor natuurherstel en -ontwikkeling met een focus op stikstofgevoelige natuurgebieden. De tweede lijn gaat over het verbreden van het natuurbeleid naar andere sectoren en domeinen. Hierin past de transitie naar een natuurinclusieve samenleving, waaronder de transitie in de landbouw richting kringlooplandbouw. Hierin werkt het Ministerie van LVVN via o.a. de Agenda Natuurinclusief, het Deltaplan Biodiversiteitsherstel en Basiskwaliteit Natuur samen met provincies en maatschappelijke partijen aan de transitie naar een natuurinclusieve samenleving.

De uitvoering van het beleid voor natuur en platteland is met ingang van 2014 gedecentraliseerd naar de provincies en vastgelegd in het Natuurpact. Het Natuurpact is op 18 september 2013 door staatssecretaris Dijksma aangeboden aan de Tweede Kamer. In dit pact zijn de ambities vastgelegd met betrekking tot ontwikkeling en beheer van natuur in Nederland voor de periode tot en met 2027. Het Rijk draagt bij aan de realisatie van deze ambities door – via het Provinciefonds - jaarlijks te investeren in natuur, ten behoeve van zowel NNN-realisatie als (agrarisch) natuur- en soortenbeheer.

Aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur

Het ministerie van LVVN heeft het Nationaal Programma Landelijk Gebied stopgezet en in de kamerbrief van 29 november 2024 aangekondigd deze te vervangen door de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur (RLN). Deze aanpak beoogt een bijdrage te leveren aan het behalen van Europese wettelijke doelstellingen voor natuur-, water en klimaat. Het gaat hierbij om de doelen van de Vogel- en Habitatrichtlijnen (VHR), de Natuurherstelverordening (NHV), de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Europese en nationale klimaatverplichtingen voor de landbouw en landgebruik.

Uitwerking Contourenbrief Agrarisch Natuurbeheer

In de Kamerbrief van 4 juli 2025 geeft het ministerie van LVVN de prioriteiten aan voor de besteding van de extra middelen voor het Agrarisch Natuurbeheer (ANB). Hierbij gaat het niet alleen om het Anlb-beheer, maar ook om inrichting, herwaardering van de grond en ruilverkaveling. Daar waar het huidige Anlb zich richt op het beheer voor (VHR-)soorten die voor hun voortbestaan in Nederland afhankelijk zijn van landbouwgebieden, zal de beoogde uitbreiding ook gericht zijn op andere wettelijke doelen voor natuur, water en klimaat. Ten behoeve van verbetering van de effectiviteit wordt het Anlb-budget gebiedsgericht en geclusterd ingezet voor zwaar beheer. Prioriteit hierbij hebben de leefgebieden voor de grutto en gebieden rond stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Met de provincies is afgesproken dat in 2026 nog wordt gewerkt binnen de huidige kaders, zoals vastgelegd in onder meer het Natuurpact. Vanaf 2027 wordt stapsgewijs gewerkt aan de verdere versterking van het ANB en integratie daarvan in het nieuwe Gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB).

Inbreukprocedure grutto

De Europese Commissie (EC) startte eind juli 2024 een inbreukprocedure tegen Nederland. De Nederlandse regering neemt volgens de EC onvoldoende maatregelen om de grutto te beschermen en voldoet daarom niet aan zijn verplichtingen op grond van de Europese Vogelrichtlijn.

Daarop heeft het ministerie van LVVN verschillende maatregelen gepresenteerd die de daling van de gruttopopulatie tegen moeten gaan. Het gaat hierbij onder meer om het versterken van weidevogelbeheer binnen en buiten het NNN en om faciliterende maatregelen zoals optimaliseren waterbeheer, predatiebeheer en grondbeleid. LVVN benoemt hierbij de zogeheten gruttokerngebieden, waar internationaal belangrijke concentraties grutto's broeden. Van de 16 Nederlandse gruttokerngebieden liggen er 7 geheel of gedeeltelijk in Noord-Holland.

Aan de aanpak RLN, het Agrarisch Natuurbeheer en de maatregelen in het kader van de inbreukprocedure grutto wordt nog verder gewerkt en deze leiden daarom niet tot aanpassingen van dit natuurbeheerplan.

2.3 Provinciaal beleid

De provincies zijn volledig verantwoordelijk voor de uitvoering van het natuurbeleid. In Noord-Holland zetten we onder meer in op het beschermen van natuurgebieden en kwetsbare landschappen. Dit doen we op grond van landelijke en provinciale wet- en regelgeving, zoals de Omgevingsverordening. Daarnaast heeft de provincie een ontwikkelende taak en is daarbij verantwoordelijk voor de aanleg en het herstel van natuurgebieden en het bieden van rust, ruimte en recreatieve mogelijkheden aan bewoners en bezoekers.

Verder is de provincie op grond van de Omgevingswet verantwoordelijk voor de instandhouding en herstel van in het wild levende planten en dieren en hun leefgebieden. Ook het treffen van maatregelen voor Natura 2000-gebieden is een wettelijke verantwoordelijkheid. Door gebieden te beheren, creëren we gunstige condities voor biodiversiteit en natuurbeleving, gaan we de ontwikkeling van ongewenste soorten tegen en voorkomen we schade. De provincie voert de regie en werkt voor de uitvoering samen met (gecertificeerde) beheerders, zoals terreinbeherende organisaties en natuur- en agrarische collectieven.

Het ontwikkelen van natuurgebieden en het beheer van (agrarische) natuur wordt mogelijk gemaakt door het verlenen van subsidie via het SNL. Wij streven daarbij naar een goede natuurkwaliteit (SNL-kwaliteit ‘Hoog’ voor elk natuurbeheertype).

Voor de provincie Noord-Holland gelden de volgende hoofddoelen voor het landelijk gebied:

  • 1.

    Meer biodiversiteit

  • 2.

    Minder stikstofuitstoot

  • 3.

    Een klimaatadaptief en gezond water- en bodemsysteem

  • 4.

    Een beter klimaat en minder bodemdaling

  • 5.

    Een sterke en duurzame agrarische sector

  • 6.

    Een beleefbaar landelijk gebied

  • 7.

    Integraal beleid voor het landelijk gebied

Een nadere uitwerking hiervan is te vinden in de Korte Termijn Agenda Landelijk gebied Noord-Holland 2025-2027: Korte termijnagenda 2025 - 2027 Landelijk gebied.pdf

3. Subsidiestelsel Natuur en Landschap

De provincie verleent subsidies voor de ontwikkeling en het beheer van natuurterreinen, en voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer op basis van subsidieregelingen die vallen onder het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). In het SNL wordt onderscheid gemaakt in subsidie voor functieverandering en inrichting en subsidie voor beheer. Subsidie is alleen mogelijk voor de percelen die op de beheertypenkaart van het Natuurbeheerplan met een beheertype/leefgebied zijn aangegeven en begrensd. In interprovinciaal verband hebben de provincies afgesproken de regelingen zo uniform mogelijk uit te voeren.

Zie verder hoofdstuk 5 voor de verschillende subsidiemogelijkheden.

3.1 De Index Natuur en Landschap

De Index Natuur en Landschap vormt de basis voor het Natuurbeheerplan. Deze Index is een landelijk uniforme en sterk gestandaardiseerde ‘natuurtaal’ waarin de Nederlandse natuur- en landschapselementtypen worden vastgelegd. De Index wordt gebruikt voor de aanduiding van de natuur- en landschapsdoelen en voor de monitoring. Het bevordert een goede afstemming tussen beheerders onderling en tussen beheerders en overheden.

De Index Natuur en Landschap bestaat uit de onderdelen natuur, agrarische natuur en landschapselementen. In de Index worden twee niveaus onderscheiden: de natuurtypen voor de sturing op landelijk niveau en de beheertypen voor de operationele aansturing van het beheer op regionaal en lokaal niveau.

Voor meer informatie over de Index Natuur en Landschap zie https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/

3.2 De kaarten in het Natuurbeheerplan

Het Natuurbeheerplan kent een beheertypenkaart, een ambitiekaart en een bijdragekaart (zie kaartviewer). Zij vormen met de beschrijving van de doelen de kern van het Natuurbeheerplan.

Beheertypenkaart

De beheertypenkaart geeft alle bestaande, beheerwaardige (agrarische) natuur weer volgens de Index Natuur en Landschap. De beheertypenkaart vormt de basis voor het verlenen van beheersubsidies voor (agrarische) natuur. Van beheerders van bestaande natuur – ook als zij geen subsidie ontvangen – wordt verwacht dat zij hun beheer uitvoeren, gericht op de instandhouding van de beheertypen. Een beheerder kan alleen voor financiering van het beheer van het op de beheertypenkaart toegekende beheertype in aanmerking komen.

Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) onderscheiden we de leefgebieden open grasland, open akkerland en dooradering. Dit zijn de drie agrarische natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Daarnaast wordt gewerkt met een categorie water en een categorie klimaat. Alleen binnen de begrenzing van deze leefgebieden/categorieën is Anlb-subsidie mogelijk.

De beheertypenkaart bestaat uit de volgende kaartlagen:

  • -

    Natuurtypen en landschapstypen (deelkaart a)

    • o

      kaart voor de landschapstypen binnen en buiten NNN (L-type)

    • o

      kaart voor de natuurbeheertypen (N-type)

  • -

    Leefgebied open grasland (deelkaart b)

    • o

      Weidevogelgrasland in open landschap

    • o

      Weidevogelland met riet of opgaande begroeiing

  • -

    Leefgebied open akkerland (deelkaart c)

  • -

    Leefgebied dooradering (deelkaart d)

  • -

    Zoekgebied Categorie water (deelkaart e)

  • -

    Zoekgebied Categorie klimaat (deelkaart f)

De doelen en criteria voor de leefgebieden en categorieën zijn nader omschreven in hoofdstuk 4. Deze is gebaseerd op het advies dat is opgesteld door Alterra met beschrijvingen van de agrarische natuurtypen/leefgebieden en de daaronder vallende agrarische beheertypen met kwalitatieve en kwantitatieve criteria. Deze criteria zijn zo verwoord dat ecologische effectiviteit bevorderd wordt. Zie https://www.bij12.nl/wp-content/uploads/2024/02/16926_Alterra_Rapport-2585_Totaal_LR.pdf

Ambitiekaart

Voor alle als NNN begrensde natuurgebieden is een ambitie bepaald. De ambitie bestaat uit een (ambitie)beheertype waar de provincie naar streeft. De ambitiekaart (kaart 2) vormt de basis voor de (subsidiëring van) kwaliteitsverbetering op grond van de SKNL, inclusief omvorming van landbouw naar natuur. Een verschil tussen de beheertypenkaart en de ambitiekaart laat zien waar een verbetering van de natuurkwaliteit mogelijk en wenselijk is.

Bijdragekaart

Vaarland

De provincie Noord-Holland kan subsidie verstrekken voor percelen die op de vaarbijdragekaart staan (kaart 3). De vaarbijdrage betreft een extra vergoeding voor transportkosten in verband met het beheer van natuur- en landschapsbeheertypen op een natuurterrein dat alleen varend kan worden bereikt.

Gescheperde schaapskuddes

De provincie Noord-Holland kan subsidie verstrekken voor het onderhoud van (minstens 10 ha grote) terreinen met een gescheperde schaapskudde. Dit is een rondtrekkende schaapskudde die niet permanent op een plaats graast en die gehoed wordt door een herder met een of meer honden. Hierbij wordt het landelijke onderscheid aangehouden tussen hoog tarief (uitsluitend voor de beheertypen N06.03 (Hoogveen), N09.01 (Schor of kwelder), N11.01 (Droog schraalland) of N12.01 (Bloemdijk)) en laag tarief (uitsluitend voor de beheertypen N06.04 (Vochtige heide), N07.01 (Droge heide), N07.02 (Zandverstuiving), N08.02 (Open duin) of N08.04 (Duinheide)).

Om budgettaire redenen zijn uitsluitend de percelen met bestaande schaapskuddes in de Gooise heidegebieden opgenomen op de bijdragekaart. Voor continuering van de subsidie zal in ieder geval getoetst worden op de aanwezigheid van bovengenoemde beheertypen. Ook verwachten wij een inhoudelijke onderbouwing in een beheerplan dat schapenbegrazing met een gescheperde schaapskudde noodzakelijk is voor het behalen van de instandhoudingsdoelen (van de betreffende beheertypen). Eventuele nieuwe aanvragen voor andere gebieden, welke inhoudelijk zijn onderbouwd in een Natura 2000-beheerplan, worden vóór indiening besproken in het goede gesprek tussen provincie en beheerder.

3.3 Monitoring

Monitoring

Monitoring is een essentieel onderdeel van de beheercyclus. De uitvoering van het natuurbeleid en beheer dient onderzocht te worden om te weten of de afgesproken doelen ook gehaald en zo nodig bijgesteld moeten worden. Behalve informatie over de gerealiseerde hectares en het daarvoor benodigde geld (kwantiteit), is ook informatie nodig over de resultaten in termen van bijv. aantallen dieren en planten (kwaliteit).

Natuurbeheer

Voor de monitoring van het natuurbeheer is een uniforme landelijke systematiek ontworpen. Op de website van BIJ12 zijn de werkwijze en aanvullende informatie over deze monitoring weergegeven (https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/productencatalogus/methodieken/werkwijze-monitoring/). Hierin wordt per beheertype beschreven welke monitoring noodzakelijk is en hoe deze moet worden uitgevoerd.

Gecertificeerde natuurbeheerders hebben het recht om de monitoring zelf uit te (laten) voeren en krijgen daarvoor een monitoringssubsidie gebaseerd op de monitoringstarieven zoals vastgesteld in het openstellingsbesluit. Uit efficiencyoverwegingen hebben wij met Natuurcollectief Noord-Holland en Natuurcollectief Water, Land & Dijken afgesproken dat wij zelf de monitoring voor hun leden uitvoeren. Deze collectieven ontvangen dus geen SNL-monitoringssubsidie.

Agrarisch natuur- en landschapsbeheer

Voor de monitoring van het agrarisch natuurbeheer is in 2016 een systematiek ontwikkeld. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen beheermonitoring (het verzamelen van natuurgegevens die nodig zijn om het beheer (beter) uit te voeren) en beleidsmonitoring (het verzamelen van gegevens om de realisatie van de beleidsdoelen (op provinciaal, landelijk en Europees niveau) te evalueren).

De verantwoordelijkheid voor de beheermonitoring bij het agrarisch natuurbeheer ligt bij de agrarische collectieven, de provincies zijn verantwoordelijk voor de beleidsmonitoring.

Water

Met de categorie Water (blauwe diensten) van het ANLb wordt ingezet op een bijdrage aan de waterkwaliteit van de KRW-watergangen en het verhogen van het waterbergend vermogen. Hiervoor is een bestaand monitoringsprogramma van waterschappen en provincies (kwaliteit en kwantiteit).

Klimaat

Klimaatmaatregelen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan CO2 vastlegging en het reduceren van broeikasgassen. Daarnaast wordt er ingezet op klimaatadaptatie door middel van vernatten, het opvangen van waterpieken en droogte en omgaan met verzilting. Er is voor klimaatmaatregelen (ANLb) (nog) geen specifiek beleidsmonitoringsprogramma ontwikkeld.

Kwaliteitsborging

Voorwaarde voor beheersubsidie is dat de aanvrager (van zowel SVNL- als Anlb-subsidie) is gecertificeerd. De Stichting Certificering verzorgt in opdracht van de provincies de certificering en borgt daarmee dat de beheerders via een continue cyclus de kwaliteit van interne werkprocessen verbeteren. Dit komt het professionele beheer van natuurterreinen en agrarische landschappen ten goede.

Conform de certificeringseisen draagt de beheerder zorg voor een evaluatie van het beheer en maakt daarbij gebruik van resultaten van de monitoring.

Daarnaast vinden er jaarlijks zogeheten Goede Gesprekken plaats tussen de provincie en de beheerder over de kwaliteit van de gebieden en de ecologische effectiviteit van het beheer, op basis van de uitgevoerde monitoring.

De monitoring en evaluatie, de certificering en het Goede Gesprek geven samen invulling aan de gewenste borging van de kwaliteit van het beheer.

4. Natuur- en Landschapsdoelen

In dit hoofdstuk worden de beleidsdoelen en criteria beschreven ten aanzien van onze natuur-, landschaps-, water- en klimaatdoelen. Deze doelen zijn verwerkt in de kaarten. Gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven worden getoetst op de beoordelingscriteria van paragraaf 4.5.

4.1 Beleidsdoelen en criteria natuur- en landschapsbeheer

In de Omgevingsverordening zijn wezenlijke kenmerken en waarden opgenomen van alle begrensde NNN-gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden vormen de basis van de huidige natuurdoelen binnen de provincie Noord-Holland. Deze doelen zijn in het Natuurbeheerplan vertaald naar de index voor de beheertypen. De beheertypen zijn nader omschreven in de Index Natuur en Landschap (Index Natuur en Landschap - BIJ12).

Voor aanpassingen van de beheertypen op de kaarten kijken wij naar de volgende criteria:

  • Natura 2000 doelen (habitattypekaart);

  • Weidevogeldoelstellingen volgens de leefgebiedenkaart voor weidevogels;

  • Beheertypen N05.03 (veenmoeras), N14.02 (moerasbos), N04.01 (zoete plas), N10.02 (vochtig hooiland) of N13.01 (vochtig weidevogelgrasland) kunnen een volgende ontwikkelfase zijn van het beheertype veenmosrietland of moeras. Dit zijn kwetsbare gebieden in de N2000 doelen. Aanvragen voor omzetting naar deze beheertypen beoordelen wij kritisch.

4.2 Beleidsdoelen en criteria agrarisch natuur- en landschapsbeheer

Voor het agrarisch natuur- en landschapsbeheer streeft de provincie naar het behoud van een aantal soorten die van internationaal belang zijn. Deze doelsoorten zijn op de website van BIJ12 per agrarisch beheertype genoemd.

Er wordt naar gestreefd om het agrarisch natuur- en landschapsbeheer in te zetten in de meest kansrijke gebieden voor stabiele populaties. Hierbij is de versterking van en/of verbinding voor het Natuur Netwerk Nederland (NNN) een belangrijk uitgangspunt. Tevens is het gericht op kansrijkheid voor soorten die (deels) afhankelijk zijn van het agrarische cultuurlandschap.

De provincies hebben afgesproken uniforme instapeisen te hanteren voor zowel de aanwezigheid van internationaal belangrijke doelsoorten als voor voldoende omvang. Deze instapeisen zijn de basis voor de begrenzingen van de leefgebiedenkaarten en geven een ondergrens aan van de te realiseren gebiedskwaliteiten. Zie verder 4.3 en 4.4.

4.3 Beschrijvingen agrarische leefgebieden

Open grasland (deelkaart b). Dit leefgebied bevindt zich met name in de veenweidegebieden van Laag-Holland, Amstelland en West-Friesland. Het bestaat uit open landschappen met veel vochtig en kruidenrijk gras en fijnmazige watergangen. Er kan enige opgaande begroeiing aanwezig zijn. Zie A11 Open grasland - BIJ12 voor het (landelijk vastgestelde) overzicht van de doelsoorten van internationaal belang van het leefgebied open grasland.

Doelen voor aanwezigheid van de doelsoorten en omvang van het gebied staan in onderstaand overzicht.

Beheertypen open grasland

Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor)

Omvang gebied

Weidevogelgrasland in open landschap

Minimaal 10 broedparen van grutto per 100 ha óf minimaal 50 broedparen van de soorten grutto, tureluur en slobeend samen per 100 ha.

Minimaal 100 ha samenhangende beheerde oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is.

Weidevogelland met riet en opgaande begroeiing

Minimaal 30 broedparen van de soorten kievit, scholekster en wulp samen per 100 ha óf het gebied is van groot belang voor de noordse woelmuis.

Minimaal 100 ha samenhangende beheerde oppervlakte waarop leefgebied open grasland aanwezig is.

Aanvalsplan Grutto

Via het Aanvalsplan Grutto (AG) zijn in 2023 extra middelen beschikbaar gesteld voor het uitbreiden en verzwaren van het ANLb in de zogenaamde grutto-kansgebieden. Dit betreft zowel natuurgebied (NNN) met een weidevogeldoelstelling (13.01 Vochtig weidevogelgrasland) als landbouwgrond in het leefgebied Open grasland, waar agrarisch natuurbeheer voor is of wordt afgesloten. Onderstaand wordt alleen ingegaan op de mogelijkheden van inzet van ANLb voor de realisatie van het Aanvalsplan Grutto.

Landelijk zijn circa 35 zoekgebieden in beeld voor het Aanvalsplan Grutto. Voor Noord-Holland betreft dit de gebieden West-Friesland, Laag Holland, Amstelland en Spaarnwoude; deze zijn door ons nader begrensd (kaart 3 Aanvalsplan Grutto Gebieden). Met de extra middelen kan hier meer zwaar beheer worden uitgevoerd, waarbij de provincie streeft naar ten minste 25% van de beheerde oppervlakte in AG-gebieden als zwaar beheer2 . Naar verwachting zal dit streefpercentage in de toekomst naar boven worden bijgesteld, zie hiervoor paragraaf 4.5.

Streefdoel Aanvalsplan Grutto

De inrichting en beheer voor het Aanvalsplan Grutto is gebaseerd op vier onderdelen. Ten eerste wordt ingezet op grote open gebieden van voldoende schaal. In de praktijk wordt gestreefd naar gebieden van minimaal 1000 ha, met een kern van circa 200 ha met inrichting en beheer volledig toegespitst op weidevogels. Ten tweede worden deze gebieden gekenmerkt door een relatief hoog waterpeil. Het derde speerpunt richt zich op aangepast agrarisch beheer waardoor er voldoende kwalitatief goed kuikenland aanwezig is. Het vierde punt betreft actief predatorenbeheer.

Op termijn streven we naar gebieden met de volgende kenmerken:

  • Minimaal 1 ha plas dras per 100 ha gedurende het broedseizoen

  • In minimaal 50% beheerd gebied hoog oppervlaktewaterpeil in broedseizoen

  • Streefpeilen: veen 0 -25 cm –mv, klei-op-veen 0 -35 cm –mv, klei 0 -40 cm -mv

  • Op minimaal 50% van de percelen is een rustperiode tijdens het broedseizoen aanwezig (15 maart- 1 juli); eventuele aanpassing periode in overleg met collectief

  • Minimaal 50 % beheerd gebied kruidenrijk grasland; zo nodig in stappen (andere beheerpakketten met rustperiode) naar toewerken met verschralingsbeheer

  • Circa 20% van de percelen worden tijdens het broedseizoen beweid met melkvee en/of jongvee (beheerpakketten extensief weiden; voorbeweiden) in afstemming met het collectief

  • Bemesting vaste mest (max. 5-10 ton/ha) en/of vaste fractie voor percelen met kruidenrijk grasland en uitgesteld maaibeheer. Geen kunstmest voor deze percelen

  • Alleen beheer met een rustperiode is toegestaan

  • Mozaïek van samenhangend beheer; beheerpercelen niet verder dan 300 m uiteen

  • Niet ’s nachts maaien

  • Nauwe samenwerking tussen alle betrokken partijen, collectieven, natuurbeheerders, weidevogelbeschermers, WBE en overheden

Open akkerland (deelkaart c). Dit leefgebied bestaat uit landschappen met overwegend bouwland waarin wordt voldaan aan de eisen die akkervogels stellen. Bouwland bestaat uit akkers met gewassen zoals bijvoorbeeld granen, aardappels of suikerbieten. Het leefgebied open akkerland concentreert zich in de kop van Noord-Holland, Texel en de grote droogmakerijen (Haarlemmermeer, Beemster, Schermer). Het akkerbeheer voor broedende akkervogels is gericht op het creëren van broedgelegenheid en voedselaanbod voor oudervogels en kuikens. Voor overwinterende akkervogels is het akkerbeheer gericht op het creëren van voedselaanbod tijdens de winterperiode. Zie A12 Open akkerland - BIJ12 voor het (landelijk vastgestelde) overzicht van de doelsoorten van internationaal belang van het leefgebied open akkerland.

Doelen voor aanwezigheid van de doelsoorten en omvang van het gebied staan in onderstaand overzicht.

Beheertypen open akkerland

Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor)

Omvang gebied

Open akkerland voor broedende en/of overwinterende akkervogels

minimaal 1-3 broedparen van patrijs, kievit, of scholekster per 100 ha en minimaal 20 broedparen van veldleeuwerik, kneu, of gele kwikstaart per 100 ha komen voor in het gebied.

akkerbouwgebied van tenminste 250 ha.

Dooradering (deelkaart d). Dit leefgebied bestaat uit netwerken van natte en droge landschapselementen. Het zoekgebied beslaat het agrarisch gebied van de hele provincie. Het droge deel van dit leefgebied bestaat uit netwerken van landschapselementen zoals houtwallen, tuinwallen, elzensingels, lanen, hoogstamboomgaarden, bosjes, grienden, knotbomen, solitaire bomen. Ook knip- en scheerheggen, hagen, struweel, perceelsranden, overhoekjes, (kleinschalige) akkers, graslanden, bufferstroken en ruige bermen worden tot de (droge) dooradering gerekend.

Het natte deel van dit leefgebied bestaat uit een netwerk van natte landschapselementen in de vorm van sloten, weteringen en poelen met aangrenzende riet- en oevervegetaties.

Zie A15 Dooradering - BIJ12 voor het (landelijk vastgestelde) overzicht van de doelsoorten van internationaal belang van het leefgebied (natte en droge) dooradering.

Doelen voor aanwezigheid van de doelsoorten dooradering staan in onderstaand overzicht.

Aanwezigheid doelsoorten (komen de relevante soorten voor)

Omvang gebied

Er komt minimaal 1 van de doelsoorten dooradering (A15 Dooradering - BIJ12) voor in het gebied of het gebied ligt binnen het verspreidingsgebied van de betreffende doelsoort(en).

Minimaal 1 van de doelsoorten dooradering is recent (maximaal 2 jaar geleden) vastgesteld in het gebied óf de biotoopomstandigheden zijn optimaal aanwezig voor minimaal één van de doelsoorten én er zijn bronpopulaties van die soort aanwezig op een voor de betreffende soort te overbruggen afstand.

n.v.t.

4.4 Beleidsdoelen en criteria water en klimaat

Met het GLB-NSP is meer geld beschikbaar voor de categorie water en is de categorie klimaat toegevoegd. De nieuwe budgetten worden verdeeld onder de thema’s klimaatmitigatie-, klimaatadapatie- en watermaatregelen.

4.4.1 Beleidsdoelen en criteria water

Categorie water (agrarisch waterbeheer) (deelkaart e). Te subsidiëren agrarisch waterbeheer dient volgens het NSP gericht te zijn op verduurzaming, klimaatadaptatie en biodiversiteit. Hiermee levert het een bijdrage aan de realisering van de waterkwaliteits- en kwantiteitsdoelstellingen van provincie en waterschappen. De positieve effecten van agrarisch waterbeheer reiken verder dan alleen het watersysteem: het heeft ook een positieve invloed op natuurkwaliteit en natuurwaarden, voor de slootkant en op het land. Schone en soortenrijke oppervlaktewateren die deel uitmaken van een samenhangend watersysteem zijn een onmisbare voorwaarde voor een robuuste en klimaatbestendige natuur in het agrarisch gebied.

De doelen in relatie tot agrarisch waterbeheer zijn samen te vatten onder twee noemers:

  • -

    het bewerkstelligen van een goede toestand van al het water conform de Kaderrichtlijn Water (KRW);

  • -

    het realiseren van een robuust, duurzaam en klimaatbestendig watersysteem.

Deze doelen betreffen zowel verbetering van de waterkwaliteit en water gerelateerde biodiversiteit, als op duurzaamheid gerichte verbetering van het waterkwantiteitsbeheer.

Verschillende maatregelen zijn hierbij behulpzaam, zoals het beschikbaar stellen van agrarische gronden voor waterberging bij veel neerslag, het vasthouden van water bij droogte, het verbeteren van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit door groene zuivering (minder belasting met verontreinigende stoffen vanuit de agrarische sector) en duurzaam oever-, sloot- en bodembeheer (minder af- en uitspoeling van nutriënten en bestrijdingsmiddelen).

Zoekgebied, prioritering en maatwerk

Het zoekgebied voor categorie water beslaat de hele provincie. De beperkte financiële middelen maken het nodig om prioriteiten te stellen. Bij die keuze gaat het vooral om een scherp beeld te krijgen waar de beste kansen liggen. Dit gebeurt in overleg tussen provincie, waterschappen en agrarische collectieven. Op deze manier komen we tot maatwerk per gebied. De resultaten van dit overleg worden verwerkt in de gebiedsaanvragen van de agrarische collectieven.

4.4.2 Beleidsdoelen en criteria klimaat

Categorie klimaat (deelkaart f). Sinds 2023 zijn maatregelen ten behoeve van het klimaat onderdeel van het NSP. Binnen het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer zijn er maatregelen mogelijk die bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering (klimaatmitigatie) of het tegengaan van de gevolgen van klimaatverandering (klimaatadaptatie). Voor de categorie Klimaat geldt, evenals voor de categorie water, dat in goed overleg tussen provincie en gebiedscollectief gezocht wordt naar de locaties met het meeste effect.

Maatregelen klimaatmitigatie

Hieronder vallen maatregelen die kunnen bijdragen aan CO2-vastlegging en/of aan vermindering emissies van broeikasgassen. Gedacht kan worden aan de volgende maatregelen:

  • A.

    verhogen gehalte organische stof (ofwel os) in akkerbouwbodems;

  • B.

    aanpassing gewaskeuze en teelttechniek in akkerbouw en weidebouw3 , inclusief onderhoud en beheer van nieuwe boomrijen, nieuwe struweellinten, het toepassen van agroforestry, het toepassen van meer CO2-bindende gewassen en precisie-landbouw;

  • C.

    vermindering oxidatie van veenbodems, onder andere via verhoging grondwaterpeil en/of overstap naar natte teelten/paludicultures.

Maatregelen klimaatadaptatie

Hieronder vallen maatregelen voor het vasthouden van water. Het gaat om adaptatie van laaggelegen akker- en weidegebieden aan de verwachte hogere frequentie van inundaties. Dit houdt in dat agrariërs in delen van hun gronden (tijdelijke) inundatie mogelijk maken of toelaten, zodat inundatie op de meer waardevolle landbouwgronden en in laaggelegen bewoonde gebieden wordt voorkomen of verminderd. Inundaties kunnen tevens bijdragen aan een verhoging van de biodiversiteit omdat er tijdelijke plas-dras-gebieden ontstaan. Daarnaast zorgt het toelaten van inundatie ervoor dat de noodzaak voor andere maatregelen, zoals water wegpompen en dijkverhogingen wordt verminderd.

4.5 Beoordelingscriteria gebiedsaanvragen

Voor het agrarisch natuurbeheer kunnen alleen agrarische collectieven een gebiedsaanvraag indienen.

De gebiedsaanvragen worden getoetst op:

  • De kaarten zoals opgenomen in dit Natuurbeheerplan (bijlage 1b, c, d, e en f)

  • De criteria zoals opgenomen in onderstaande tabel.

In dit verband is tevens van belang dat Wageningen University & Research (WUR) heeft onderzocht wat de ecologische effecten zijn van het ANLb-stelsel (Ecologische evaluatie Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer, maart 2025). Volgens WUR heeft het ANLb sinds de stelselwijziging in 2016 weliswaar gezorgd voor een afremming van de afname van een aantal soorten boerenlandvogels, maar is er desalniettemin er nog steeds sprake van een brede afname. Het ANLb is in principe in staat om de negatieve trends van deze doelsoorten om te buigen, mits er maar voldoende zwaar beheer geclusterd wordt uitgevoerd. De benodigde aandelen zwaar beheer voor stabiele tot positieve trends op gebiedsniveau zijn echter fors en worden nog vrijwel nergens gehaald. Voor de doelsoortgroep open grasland bijvoorbeeld is gemiddeld 41% oppervlakteaandeel zwaar beheer nodig voor stabiele trends. Een toename van de gruttopopulatie vergt zelfs 61% zwaar beheer. Momenteel bestaat echter de meerderheid van de graslandgebieden uit een onvoldoende groot aandeel zwaar beheer.

Voor een effectief ANLb zal er volgens WUR dan ook werk moeten worden gemaakt van robuuste clusters van zwaar beheer en van verhoging van het slootwaterpeil in graslandgebieden. Rijk en provincies werken nog nader uit hoe de ecologische evaluatie in het beleid kan worden verwerkt, bijvoorbeeld voor de toetsing van gebiedsaanvragen.

Leefgebied

Beheerfuncties

Open Grasland

Optimaliseren foerageer-, en broed- en opgroeimogelijkheden

Creëren nat biotoop

Open Akker

Creëren foerageergebied

Optimaliseren voortplantingsmogelijkheden

Dooradering

Optimaliseren foerageer-, broed- en opgroeimogelijkheden

Verschralen

Categorie water (agrarisch waterbeheer)

Waterberging

Verbeteren chemische waterkwaliteit

Verbeteren ecologische waterkwaliteit 

Vernatting

Water vasthouden

Categorie Klimaat

Vastleggen CO2

Reduceren broeikasgassen

Vernatten

Opvangen waterpieken en droogte

Omgaan met verzilting

Tabel bij 4.5 Beoordeling gebiedsaanvragen van agrarische collectieven

4.6 Aanvullende vereisten voor de aanleg van beboste gronden onder de SKNL

Bij de aanleg van nieuw bos binnen het kader van de SKNL gelden de volgende voorschriften, gebaseerd op punt 504 van de Staatssteunrichtsnoeren voor de Land- en Bosbouwsector:

a) Selectie van soorten, arealen en methoden

  • Bij de aanleg van nieuw bos moet worden voorkomen:

    • o

      een niet-passende bebossing van kwetsbare habitats, zoals veengebieden en wetlands;

    • o

      negatieve effecten op gebieden met een hoge ecologische waarde, waaronder landbouwgebieden gericht op hoge natuurwaarden.

  • In Natura 2000-gebieden is bebossing alleen toegestaan indien deze volledig in overeenstemming is met de beheersdoelstellingen van het gebied en hierover overeenstemming is bereikt met de bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van Natura 2000.

  • Bebossing in gebieden met ecologische waarden wordt zorgvuldig afgewogen om negatieve milieueffecten te voorkomen.

b) Weerbaarheid, soortenkeuze en bosbeheer

  • Bij de keuze van boomsoorten, rassen, ecotypen en herkomst wordt rekening gehouden met:

    • o

      De weerbaarheid tegen klimaatverandering en natuurrampen.

    • o

      De bodem- en hydrologische gesteldheid van het betrokken gebied.

    • o

      Het voorkomen van het gebruik van potentieel invasieve soorten.

  • Begunstigden zijn verplicht het nieuw aangelegde bos gedurende de periode waarin premies voor gederfde landbouwinkomsten en onderhoud worden verstrekt, te beschermen en beheren. Deze zorg omvat:

    • o

      Verzorging, uitdunning of beweiding voor de toekomstige ontwikkeling van het bos.

    • o

      Regulering van de concurrentie met kruidachtige vegetatie en het voorkomen van een ophoping van brandgevoelig materiaal.

  • Voor snelgroeiende soorten geldt een minimumperiode van 8 jaar en een maximumperiode van 20 jaar voordat deze soorten mogen worden gekapt.

c) Alternatieven bij moeilijke omstandigheden

  • Wanneer vanwege ongunstige bodem-, klimatologische of milieuomstandigheden (inclusief aantasting van het milieu) geen bosbedekking volgens de nationale wetgeving kan worden gerealiseerd, mag alternatieve houtige vegetatie worden aangeplant, zoals struiken of heesters die geschikt zijn voor de lokale omstandigheden.

  • Deze alternatieve vegetatie wordt beheerd en beschermd op een vergelijkbaar niveau als voor bossen geldt.

5. Subsidiemogelijkheden

Natuurbeheerders - onder wie natuurorganisaties, particuliere natuurbeheerders en agrarische collectieven – werken aan de realisatie van de opgaven uit het Natuurbeheerplan. Voor de kosten die zij daarbij maken kunnen zij subsidie aanvragen bij de provincie. De subsidieaanvraag is gericht op een beheertype. Dat kan zijn een beheertype voor natuur, voor agrarische natuur, voor landschap of voor water. De aanvraag voor een beheersubsidie is mogelijk nadat het Natuurbeheerplan is vastgesteld en een openstellingsbesluit is genomen. Omdat de beheertypen op de beheertypenkaart en de ambitiekaart leidend zijn voor de toekenning van subsidies, wordt aan beheerders gevraagd om te controleren of deze correct zijn opgenomen in het Natuurbeheerplan.

Om in aanmerking te komen voor beheersubsidie dient de beheerder gecertificeerd te zijn. Gecertificeerde beheerders hebben een kwaliteitshandboek waarin zij hun processen die nodig zijn voor een goede organisatie van het beheer. Het kwaliteitshandboek geeft onder andere aan hoe de beheerder omgaat met het bereiken van het beheerdoel, met de monitoring, de evaluaties en controles (interne audit). Het handboek is vormvrij: er zijn dus geen specifieke eisen over hoe het eruit moet zien qua formaat, lay-out en indeling. Wel is er een programma van eisen van de provincies. Dit programma beschrijft welke onderdelen het kwaliteitshandboek minimaal moet bevatten. De kwaliteit van het natuurbeheer wordt gewaarborgd via een periodieke audit. Bij deze audit wordt nagegaan of wat in het kwaliteitshandboek staat ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd. De stichting Certificering SNL geeft namens de provincies de certificaten af en voert audits uit.

5.1 Subsidie Natuur- en landschapsbeheer (SVNL)

Natuurbeheerders (natuurorganisaties, natuurcollectieven, particuliere natuurbeheerders, agrarische collectieven) kunnen via de subsidieregeling voor natuur- en landschapsbeheer, beheersubsidie aanvragen. Alleen voor de op kaart 1 en onderliggende deelkaarten van het Natuurbeheerplan begrensde gebieden is beheersubsidie mogelijk. Bij de subsidie voor natuurbeheer moet de beheerder zijn terrein (kosteloos) openstellen. Hierop zijn enkele uitzonderingen mogelijk, deze staan in de subsidieverordening.

Bijdragen

In aanvulling op de natuurbeheersubsidie zijn bijdragen mogelijk voor:

  • Het onderhoud van basisvoorzieningen voor recreatie (paden, bankjes, bruggen);

  • Het houden van toezicht (voortvloeiend uit de verplichting tot openstelling van een natuurgebied);

  • Het uitvoeren van de natuurmonitoring;

  • Het transport van mensen en materieel voor natuurbeheer via boot naar terreinen die alleen varend bereikt of beheerd kunnen worden;

  • Het beheren van een terrein met een gescheperde schaapskudde.

De bijdrage zijn vaste bedragen en worden alleen toegekend aan die percelen waar ook een beheervergoeding voor het beheertype wordt gegeven.

Uitvoeringsregeling natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016-2021 (SVNL 2016-2021) | Lokale wet- en regelgeving

5.2 Agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb)

Alleen agrarische collectieven kunnen subsidie krijgen voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer. Een agrarisch collectief is een gecertificeerde (coöperatieve) vereniging/samenwerkingsverband in een (zelfgekozen) begrensd gebied dat bestaat uit agrariërs en andere beheerders met gebruiksrecht van landbouwgrond in dat gebied. Het collectief is eindbegunstigde van de subsidie.

Alleen binnen de begrenzing van de leefgebieden is subsidie voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer mogelijk

SVNL-A: Agrarisch natuur- en landschapsbeheer Noord-Holland 2016 - 2021, subsidie - Provincie Noord-Holland

5.3 Subsidies functieverandering

De provincie Noord-Holland heeft twee regelingen om grond geschikt te maken voor de natuurfunctie. Dit is de subsidie Kwaliteitsimpuls Natuur en Landschap (SKNL, onderdeel functieverandering) en de Subsidie Pachtafkoop en aankoop NNN (SPA).

De SKNL functieverandering vergoedt de waardedaling voor het veranderen van landbouwgrond naar natuurgrond.

De SPA is enigszins vergelijkbaar met de SKNL. Het verschil is dat de SPA-subsidie kan worden aangevraagd voor de aankoop van gronden of voor de beëindiging van een pachtovereenkomst of erfpacht op gronden.

SKNL: Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Holland, subsidie - Provincie Noord-Holland

Pachtafkoop en aankoop NNN-terreinen Noord-Holland, subsidie

5.4 Subsidie inrichting

De al eerdergenoemde SKNL bevat ook een subsidiemogelijkheid voor de inrichting van gronden. Dit kan gaan om inrichting op grond die functieverandering (van landbouw naar natuur) heeft ondergaan, dus op basis van de SKNL functieverandering en de SPA. Indien inrichting gewenst is, is het aan te bevelen om bij een subsidie functieverandering (SKNL of SPA) gelijktijdig een SKNL-aanvraag ‘inrichting na functieverandering’ in te dienen, of anders uiterlijk een maand na de verleningsbeschikking subsidie functieverandering (SKNL of SPA)4 . Daarnaast biedt SKNL de mogelijkheid om via inrichting de kwaliteit van reeds bestaande natuur, dus met een beheertype op de beheertypenkaart, te verbeteren ('Kwaliteitsimpuls').

SKNL: Kwaliteitsimpuls natuur en landschap Noord-Holland, subsidie - Provincie Noord-Holland

Ondertekening

Haarlem, 30 september 2025

Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,

A.T.H. van Dijk, voorzitter

M.J.H. van Kuijk, provinciesecretaris

Namens Gedeputeerde Staten van Noord-Holland

M.J.H. van Kuijk, provinciesecretaris


Noot
2

In het agrarisch weidevogelbeheer wordt onderscheid gemaakt tussen zwaar beheer en legselbeheer. Een gebied met optimaal weidevogelbeheer bestaat uit een minimumpercentage (volvelds) zwaar beheer. Voorbeelden van zwaar-beheerpakketten zijn kruidenrijk grasland, plasdras, extensief beweid grasland, ontwikkeling kruidenrijk grasland, botanisch grasland en grasland met rustperiode. Het gebruik van het verzamelbegrip zwaar beheer geeft ruimte aan ondernemers en het agrarisch collectief om in te spelen op de specifieke kwaliteiten van het gebied.

Noot
3

Bij de aanpassing van gewaskeuze kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het telen van alternatieve gewassen in plaats van maïs. Aangepaste teelttechnieken kunnen helpen tegen runoff van overtollig water op het maaiveld. Hierbij kan worden gedacht aan het ‘niet-haaks’ inzaaien t.o.v. waterlopen (bron: Index Natuur en Landschap, BIJ12).

Noot
4

Indien bij de afronding van de subsidie functieverandering (in de vorm van een vaststellingsbeschikking SKNL of SPA) geen aanvraag voor inrichting is ingediend, worden de betreffende gronden voorzien van een beheertype op de beheertypenkaart. Daarmee is het gerealiseerde NNN en kan ook beheersubsidie worden aangevraagd. Inrichtingssubsidie is dan echter alleen nog maar mogelijk via de SKNL kwaliteitsimpuls, waarvoor lagere normvergoedingen gelden.