Regeling vervallen per 17-12-2025

Openstellingsbesluit GLB Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling provincie Gelderland 2025

Geldend van 28-11-2025 t/m 16-12-2025

Intitulé

Openstellingsbesluit GLB Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling provincie Gelderland 2025

Gedeputeerde Staten van Gelderland

Besluiten:

  • I.

    Vast te stellen het Openstellingsbesluit GLB Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling provincie Gelderland 2025 als bedoeld in paragraaf 6 van hoofdstuk 2 van de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 Provincie Gelderland, verder te noemen de Verordening;

  • II.

    Het subsidieplafond voor de openstellingsperiode vast te stellen op € 6.000.000. Dit bedrag bestaat voor 43% uit middelen vanuit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (ELFPO) en voor 57% uit provinciale middelen;

  • III.

    Dat aanvragen kunnen worden ingediend van 1 december 2025 09:00 uur tot en met 2 maart 2026 17.00 uur;

  • IV.

    De volgende nadere regels vast te stellen:

Artikel 1 Subsidiabele activiteit

  • 1. Subsidie kan worden verstrekt voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, van de Verordening.

  • 2. Subsidie wordt uitsluitend verstrekt als de aanvraag betrekking heeft op ten minste één van de doelen als bedoeld in artikel 2.6.1, tweede lid, van de Verordening.

Artikel 2 Integraal gebiedsplan

Een integraal gebiedsplan als bedoeld in artikel 2.6.1 van de Verordening bestaat uit minimaal één van de maatregelen, genoemd in artikel 2.6.2 van de Verordening.

Artikel 3 Aanvrager

Subsidie als bedoeld in artikel 1 wordt verstrekt aan de deelnemers van een samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 2.6.3, tweede lid, van de Verordening.

Artikel 4 Samenwerkingsverband

  • 1. In aanvulling op artikel 2.6.4 van de Verordening bestaat een samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 2.6.3, tweede lid, van de Verordening tenminste uit vier landbouwers.

  • 2. Indien bijeenkomsten voor kennisoverdracht onderdeel uitmaken van het gebiedsplan, bestaat het samenwerkingsverband in aanvulling op het eerste lid ook uit tenminste één kennisaanbieder als bedoeld in artikel 2.10.2 van de Verordening.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

  • 1. Een aanvraag om subsidie voldoet aan de aanvraagvereisten, bedoeld in de artikelen 1.6 en 2.6.5, tweede lid, onder b, van de Verordening.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid bestaat een aanvraag uit een uitwerking van hoe de activiteiten aansluiten bij het provinciaal beleid zoals opgenomen in de Kadernota Agrifood ‘Toekomst voor de Gelderse Boer’ van de provincie Gelderland en bij beleid van gemeenten of waterschappen.

  • 3. In aanvulling op het eerste lid bevat de aanvraag documenten waaruit blijkt voor welke investeringen of activiteiten uit het gebiedsplan:

    • a.

      een recent afgegeven natuurvergunning reeds in bezit is;

    • b.

      een natuurvergunning nodig is, maar nog niet in bezit is, waarbij wordt aangegeven of een aanvraag voor een vergunning al is ingediend of nog moet worden ingediend; of

    • c.

      een natuurvergunning niet nodig is blijkend uit een onderbouwing op basis van een AERIUS 0,0-berekening of een ecologische voortoets.

Artikel 6 Weigeringsgronden

Artikel 2.6.6, tweede en derde lid, van de Verordening is van toepassing.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

  • 1. Kosten zoals bedoeld in artikel 1.8 van de Verordening komen voor subsidie in aanmerking.

  • 2. De subsidiabele kosten worden berekend overeenkomstig artikel 2.6.7 van de Verordening, waarbij de tarieven, bedoeld in artikel 1.9a, eerste lid, onder b, van Verordening niet van toepassing zijn.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten

In aanvulling op artikel 1.10 van de Verordening is artikel 2.6.8 van de Verordening van toepassing.

Artikel 9 Hoogte subsidie

Artikel 10 Selectiecriteria

  • 1. Aanvragen die voor subsidie als bedoeld in artikel 2.6.1, eerste lid, onder b, van de Verordening, in aanmerking komen, worden door een onafhankelijke adviescommissie als bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening geselecteerd en gerangschikt op basis van de volgende selectiecriteria

     

    Selectiecriterium

    Wegings-factor

    Te behalen punten

    Maximum per criterium

    a

    Ambitie van het plan ten aanzien van de te realiseren gebiedsdoelen

    2

    0-5

    10

    b

    Diversiteit van de partijen en aantal samenwerkende partijen

    1

    0-5

    5

    c

    Draagvlak voor het gebiedsplan

    1

    0-5

    5

    d

    Effectiviteit van de activiteit

    2

    0-5

    10

    e

    Efficiëntie van uitvoering van de activiteit

    1

    0-5

    5

    f

    Haalbaarheid van de activiteit

    1

    0-5

    5

    g

    Mate van urgentie van de activiteit

    1

    0-5

    5

    Maximumaantal te behalen punten

    45

  • 2. Een aanvraag om subsidie wordt beoordeeld op basis van de in bijlage 1 bij dit openstellingsbesluit opgenomen beoordelingsaspecten per selectiecriterium dat is opgenomen in het eerste lid.

  • 3. Overeenkomstig artikel 1.12, vierde lid, van de Verordening wordt een aanvraag geweigerd indien de aanvraag minder dan 27 punten (60% van het maximumaantal te behalen punten) heeft behaald.

Artikel 11 Verplichtingen

Artikel 12 Voortgangsverslag, deelbetaling en inhoudelijk verslag

  • 1. De subsidieontvanger is verplicht minimaal een keer per uitvoeringsjaar van het gebiedsplan te rapporteren over de voortgang waarin in ieder geval de tot dan toe bereikte resultaten worden vermeld.

  • 2. Een voortgangsverslag of deelbetalingsverzoek bevat, in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 1.16 en 1.18 van de Verordening een opgave van de gerealiseerde resultaten van het gebiedsplan.

  • 3. Een inhoudelijk verslag bij vaststelling van de subsidie bevat, in aanvulling op het bepaalde in artikel 1.21 van de Verordening een opgave van de gerealiseerde resultaten van het gebiedsplan.

Artikel 13 Subsidie-arrangement

Arrangement 3 als bedoeld in artikel 1.7, eerste lid onder c, artikel 1.18, derde lid, en artikel 1.21 van de Verordening is van toepassing.

Artikel 14 Voorschot

Ambtshalve wordt een voorschot van 50% van de verleende subsidie verstrekt als bedoeld in artikel 1.17 van de Verordening.

Artikel 15 Publicatie en inwerkingtreding

Dit besluit wordt geplaatst in het Provinciaal Blad en treedt in werking met ingang van de eerste dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst.

Artikel 16 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als: Openstellingsbesluit GLB Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling provincie Gelderland 2025.

Ondertekening

Namens Gedeputeerde Staten van Gelderland,

Marjoos van den Berg

Teammanager Agrifood

Bijlage 1 – Beoordelingsaspecten per selectiecriterium

Een onafhankelijke adviescommissie zal de aanvragen voor subsidie voor de uitvoering van gebiedsplannen toetsen aan de hand van de volgende beoordelingsaspecten bij de in dit openstellingsbesluit opgenomen selectiecriteria.

Ambitieniveau

De ambitie wordt bepaald door in samenhang te kijken naar de volgende aspecten:

  • 1.

    Blijkt uit de ambitie van het gebiedsplan een gebiedsgerichte, integrale aanpak? Hoe is de gebiedsopgave beschreven: in hoeverre zijn gezamenlijk gevoelde problemen en uitdagingen in een afgebakend gebied omschreven waarbij de ambitie is geformuleerd om gezamenlijk tot oplossingen te komen voor deze uitdagingen? In hoeverre spelen landbouwers en de landbouw hierin een rol?

  • 2.

    Is het gebiedsplan passend binnen de doelen van provinciale, waterschaps- en gemeentelijke omgevingsvisies, -plannen en (beleids)programma’s; wat is de ambitie van het gebiedsplan om aan deze doelen bij te dragen? Denk aan de doelen voor klimaat, milieu en biodiversiteit en bredere doelen als gezondheid, dierenwelzijn, sociaaleconomische versterking en het versterken van de landbouwstructuur.

  • 3.

    Wat zijn de ambities van de betrokken landbouwers? Het gebiedsplan moet in elk geval de continuïteit en duurzaamheid van de landbouw borgen.

Diversiteit van het samenwerkingsverband

De diversiteit van het samenwerkingsverband: welke partijen investeren samen in oplossingen voor de gebiedsopgave die is opgenomen in het gebiedsplan? Dit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:

  • 1.

    Nemen, naast landbouwers, voor de beschreven gebiedsopgave relevante gebiedspartijen deel zoals overheden, collega-ondernemers, terrein beherende organisaties, natuur- en landschapsorganisaties, kennispartijen, grondeigenaren? Of anderzijds betrokken partijen, zoals boerenorganisaties, landgoedeigenaren, ketenpartners, adviseurs of burgers?

  • 2.

    Hoe divers is de samenstelling van de samenwerking? Wat is de toegevoegde waarde van iedere afzonderlijke partner en hoe vullen zij elkaar aan in de samenwerking? Waarom zijn dit de juiste partners voor de gezamenlijke uitvoering van het gebiedsplan?

  • 3.

    In hoeverre dragen alle partners de kosten en investeringen voor het plan, welke financiële bijdragen leveren alle partners zelf?

Draagvlak voor het gebiedsplan

Het draagvlak voor de uitvoering van het gebiedsplan wordt beoordeeld door te kijken naar of de uitvoering van het gebiedsplan obstakelvrij is. In samenhang met de volgende aspecten wordt het draagvlak voor het gebiedsplan als volgt beoordeeld:

  • 1.

    Op welke steun, bijvoorbeeld van lokale overheden of lokale gevestigde andere ondernemers en partijen, kan de uitvoering van het gebiedsplan van de partners in het samenwerkingsverband rekenen en hoe is dit onderbouwd? Hoe divers is de opsomming van betrokken belanghebbende gebiedspartijen die draagvlak hebben getoond voor de uitvoering van het gebiedsplan?

  • 2.

    Hoe heeft afstemming plaats gevonden met deze in het gebied aanwezige andere belanghebbende partijen die niet mee participeren in de uitvoering van het gebiedsplan, maar wel een belang hebben bij de uitvoering van het gebiedsplan?

Effectiviteit

De mate van effectiviteit wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:

  • 1.

    In hoeverre draagt het gebiedsplan bij aan de doelen van de openstelling: klimaat, milieu (bodem, water en lucht) en biodiversiteit met daarnaast doelen vanuit provinciaal beleid of beleid van gemeenten of waterschappen. Een gebiedsplan dat bijdraagt aan zowel klimaat, milieu als biodiversiteit, zal hoger scoren dan een gebiedsplan dat enkel bijdraagt aan één van deze doelen. Is ook een nulmeting over deze doelen opgenomen om te kunnen sturen op streefbeelden en beoogde resultaten?

  • 2.

    Zijn de doelen van het gebiedsplan op een logische wijze uitgewerkt naar activiteiten zoals investeringen, kennisoverdracht en bewustwording en samenwerking voor innovatie?

  • 3.

    In hoeverre worden nieuwe kennis, concepten en innovaties in het project meegenomen om een grotere effectiviteit te realiseren in bijvoorbeeld de landbouw?

Efficiëntie

Bij efficiëntie wordt gekeken naar de hoogte van de kosten die gemaakt moeten worden om de beoogde doelen en resultaten die opgenomen zijn in het gebiedsplan te bereiken. De mate van efficiëntie wordt beoordeeld aan de hand van de volgende aspecten:

  • 1.

    Welke input, bijvoorbeeld geld, kennis en kunde, wordt ingezet en benut om de beoogde resultaten te kunnen realiseren?

  • 2.

    Hoe efficiënt is de samenwerking georganiseerd, in hoeverre wordt de uitvoering van het gebiedsplan bijvoorbeeld projectmatig aangepakt? Zijn duidelijke werkafspraken tussen de partners in het samenwerkingsverband vastgelegd en is sprake van kennisdeling om van elkaar te leren?

Haalbaarheid

Bij haalbaarheid wordt gelet op de kans van slagen van de uitvoering van het gebiedsplan, gedurende de uitvoering maar ook in de tijd na ‘oplevering’ van het gebiedsplan. Belangrijk element hierin is in hoeverre de toekomst van de landbouw geborgd is. De mate van haalbaarheid wordt beoordeeld door in samenhang te kijken naar:

  • 1.

    Staan de voorgenomen investeringen in verhouding tot de toekomst voor de voortzetting van de bedrijven? Zijn de investeringen logisch haalbare gekozen investeringen? In hoeverre zullen de investeringen leiden tot het genereren van een bestendig inkomen voor de boerenbedrijven? Bevat het gebiedsplan een beschrijving van de structurele inbedding van de resultaten na afloop (waaronder beheer- en exploitatiekosten)?

  • 2.

    Is voorzien in de nodige flexibiliteit voor aanpassingen in de plannen, wat, waar, wie, hoeveel, wanneer? In hoeverre zijn mogelijke risico’s geïdentificeerd en hoe is risicomanagement beschreven in het gebiedsplan?

  • 3.

    In hoeverre zijn vergunningen voor de voorgenomen activiteiten en investeringen in het gebiedsplan reeds in bezit? Past het gebiedsplan binnen de vigerende richtlijnen voor ruimtelijke ordening van het gebied?

Urgentie

Bij urgentie is het van belang om te zien in hoeverre de voorgenomen investeringen en maatregelen urgent zijn voor de beschreven gebiedsopgave in het gebiedsplan. Is in de regio, het gebied, sprake van een urgente opgave voor de doelen klimaat, milieu en biodiversiteit?

Toekenning van punten

Het toekennen van punten vindt per selectiecriterium op basis van de daarbij genoemde beoordelingsaspecten als volgt plaats:

  • -

    0 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer gering is;

  • -

    1 punt wordt toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, gering is;

  • -

    2 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, matig is;

  • -

    3 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, voldoende is;

  • -

    4 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, goed is;

  • -

    5 punten worden toegekend indien de score op de bij het selectiecriterium genoemde aspecten in samenhang bezien, zeer goed is.

Rangschikking van aanvragen

Er is sprake van een tender binnen deze openstelling. Voor de selectie van de gebiedsplannen die voor subsidie in aanmerking komen, is een onafhankelijke adviescommissie samengesteld. Aanvragen worden gescoord aan de hand van selectiecriteria en daarbij behorende wegingsfactoren en vervolgens gerangschikt. Alleen de aanvragen met de minimumscore of hoger komen voor subsidie in aanmerking, voor zover het binnen het opengestelde plafond past.

Voor de rangschikking van alle aanvragen geldt dat een individuele aanvraag minimaal 60% van de maximaal te behalen score moet halen wat maakt dat de drempelscore om in aanmerking voor subsidie te komen, 27 punten is. De plaats in de rangorde wordt bepaald door het aantal punten dat de onafhankelijke adviescommissie aan de aanvraag toekent. Voor elke aanvraag geldt dat een minimumaantal punten dient te worden behaald om voor subsidie in aanmerking te kunnen komen. Indien een aanvraag minder dan 27 punten behaalt, wordt de aanvraag niet gehonoreerd. Het doel van deze systematiek is om alle aanvragen onderling te vergelijken en de beste aanvragen uit het totaalaanbod te kunnen selecteren.

Aanvragen worden op volgorde van de rangschikking gehonoreerd. Als twee of meer aanvragen een gelijk aantal punten hebben gekregen en de som van de aangevraagde bedragen dusdanig is dat het subsidieplafond wordt overschreden, dan vindt tussen hen een prioritering plaats op de afzonderlijke scores in de volgorde: Ambitie, Effectiviteit en Urgentie. Als van de twee gelijk scorende aanvragen aanvraag 1 bijvoorbeeld 4 punten op ambitie heeft gescoord en aanvraag 2 3 punten, dan wordt de aanvraag 1 hoger gerankt dan aanvraag 2, ondanks de overall gelijke score van aanvraag 1 en 2. Aanvraag 1 komt dan eerst in aanmerking voor subsidie, daarna aanvraag 2.

Indien de aanvragen in het geheel een gelijk aantal punten hebben behaald, dus ook op de afzonderlijke selectiecriteria, dan wordt de rangschikking van de aanvragen bepaald door loting. Het toekennen van de scores en de rangschikking vindt plaats door een onafhankelijke adviescommissie zoals bedoeld in artikel 1.13 van de Verordening.

Toelichting bij Openstellingsbesluit GLB Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling

LEESWIJZER

Voorliggend openstellingsbesluit moet in samenhang gelezen worden met de Verordening Europese landbouwsubsidies 2023-2027 van de provincie Gelderland (de Verordening).

Met dit openstellingsbesluit wordt paragraaf 6 uit hoofdstuk 2 van de Verordening – de maatregel Samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling – opengesteld. De artikelen 2.6.1 tot en met 2.6.12 van de Verordening moeten tezamen gelezen worden met de artikelen in dit openstellingsbesluit. Daarnaast zijn de algemene en slotbepalingen uit de Verordening ook van toepassing op een aanvraag.

  • I.

    ALGEMEEN

Samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling

De bedoeling is dat agrariërs en andere gebiedspartners middels deze maatregel voor integrale gebiedsontwikkeling worden uitgenodigd en gefaciliteerd om met elkaar een integraal gebiedsplan uit te voeren, ter versterking van de doelen op het gebied van klimaat, milieu (bodem, water en lucht) en biodiversiteit. De verwachting is dat door de partners in het gebied zelf aan het roer te zetten in de versterking van hun gebied op de doelen klimaat, milieu en biodiversiteit, sneller verbetering in het gebied wordt gerealiseerd dan wanneer individuele gebiedspartners afzonderlijk subsidie voor acties aanvragen en uitvoeren, of wanneer van bovenaf door overheden regels worden opgelegd. Door deze aanpak worden agrarische ondernemers en andere gebiedspartijen uitgedaagd om de kansen in hun gebied echt in kaart te brengen en vervolgens gezamenlijk acties te bedenken en uit te voeren om het te versterken.

Een samenwerkingsverband in een afgebakend gebied kan van deze provinciale GLB-maatregel gebruik maken. Met als partijen in elk geval vier landbouwers, maar voor de hand liggen bijvoorbeeld ook overheden als gemeente en waterschap, en natuur- en landschapsorganisaties.

Inleiding op gebiedsgericht samenwerken in provincie Gelderland

Het beleid voor de land- en tuinbouw in de provincie Gelderland is vastgelegd in de Kadernota Agrifood ‘Toekomst voor de Gelderse Boer’. Dit beleid is er op gericht boeren en tuinders te helpen hun bedrijf toekomstbestendig te maken. De steun richt zich vooral op kennisdeling, innovaties, investeringen en het bijdragen aan maatschappelijke doelen. Wat dat laatste betreft is de beleidsuitdaging, dat boeren en tuinders kunnen verdienen aan hun bijdrage aan maatschappelijke doelen.

Voorliggende subsidieregeling is bij uitstek een voorbeeld om gebiedsinitiatieven, die bijdragen aan die doelen, mogelijk te maken. De provincie wil hiermee agrariërs stimuleren samen aan de slag te gaan, om bij te dragen aan het toekomstbestendig maken van hun bedrijfsvoering én (daarmee) bij te dragen aan de klimaatdoelen, de omgevingskwaliteit (water/bodem/lucht) en de biodiversiteit. De regeling voorziet daarbij in mogelijkheden om ook de landbouwstructuur op het eigen bedrijf te verbeteren, zodat het mes aan meerdere kanten snijdt. Zo kan gebiedsgericht gewerkt worden aan een duurzame landbouw in een vitaal platteland van de provincie Gelderland.

Wanneer u overweegt om met partners in een gebied aan de slag te gaan met de uitvoering van een gebiedsplan en daarvoor subsidie aan te vragen in het kader van dit openstellingsbesluit, kunt u in contact komen met een van de accountmanagers landbouw van de provincie Gelderland. De accountmanagers landbouw zijn de aanspreekpunten voor de land- en tuinbouw in de provincie. Per regio in de provincie is een accountmanager landbouw actief. De accountmanagers zijn bereikbaar via accountmanagerlandbouw@gelderland.nl. Voor uw initiatief kunnen zij met hun netwerk bijvoorbeeld behulpzaam zijn om verbindingen te leggen.

Staatssteun

Gezien de aard van de maatregelen waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, zal voor de projecten onder deze openstelling op grond van artikel 42 van de VWEU sprake zijn van rechtmatige staatssteun. Mocht sprake zijn van een activiteit die niet onder deze vrijstellingsgrondslag voor steunverstrekking past, dan zal provincie Gelderland bepalen op grond van welke andere steunbepalingen ten aanzien van geldende staatssteunregels de aangevraagde steun alsnog geoorloofd verstrekt kan worden.

  • II.

    ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1 Subsidiabele activiteit

Subsidie is beschikbaar voor de uitvoering van het gebiedsplan. Een gebiedsplan is primair gericht op de volgende drie Europese doelen:

Doel

Beschrijving

SO4

Bijdragen aan de beperking van en aanpassing aan de klimaatverandering, onder meer door de uitstoot van broeikasgassen te verminderen, de koolstofvastlegging te verbeteren of duurzame energie te bevorderen;

SO5

Bevorderen van de duurzame ontwikkeling of het efficiënte beheer van natuurlijke hulpbronnen zoals water, bodem en lucht, onder meer door de afhankelijkheid van chemische middelen te verkleinen;)

SO6

Bijdragen aan het tot staan brengen en ombuigen van biodiversiteitsverlies, tot versterking van ecosysteemdiensten en de instandhouding van habitats en landschappen.

Een gebiedsplan kan vrij worden ingevuld binnen de kaders van dit openstellingsbesluit. Elk gebied kan een eigen plan op maat maken. Deze regeling Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling biedt gebieden de mogelijkheid van een budget waar allerlei verschillende activiteiten uit betaald kunnen worden. Het subsidieaandeel voor het proces (management voor de uitvoering van het gebiedsplan) mag niet meer zijn dan 25% van de totaal verstrekte subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan. De Europese Commissie stelt dat tenminste 75% van de subsidie naar investeringen moet gaan.

Voorop staat dat in gebiedsplannen de gebiedskoers zich integraal richt op de Europese doelen voor klimaat, milieu en biodiversiteit en verduurzaming van de landbouw én aansluit bij het beleid van provincie, waterschap en gemeenten, zoals het Beleidskader land- en tuinbouw Gelderland 2025 van de provincie Gelderland. Daarom zullen desbetreffende overheden direct betrokken zijn bij de gebiedskoers, de doelen van het gebiedsplan en mogelijk zelf partner zijn in het samenwerkingsverband in het specifieke gebied.

Dit GLB-openstellingsbesluit Uitvoering van samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling is een breed samenbindend instrument met subsidie voor investeringen en open van opzet. Een gebiedsplan kan een aantal aspecten bevatten die onderdeel zijn van een (breder) gebiedsproces, idealiter worden alle uitdagingen in het gebiedsproces opgelost. Tegelijk gaat het om focus en wat realistisch haalbaar is met het oog op de beschikbare subsidiabele investeringsmogelijkheden bij uitvoering van het gebiedsplan.

Artikel 2 Integraal gebiedsplan

De uitvoering van het gebiedsplan kan bestaan uit de volgende subsidiabele activiteiten:

Investeringen voor de uitvoering van het gebiedsplan waaronder:

Management voor de uitvoering van het gebiedsplan, waaronder:

  • a.

    productieve investeringen groen- blauw of dierenwelzijn met 40% steunpercentage zoals bedoeld in artikel 2.2.2 van de Verordening.

  • b.

    niet-productieve investeringen op landbouwbedrijven met 100% steunpercentage, t.b.v. het watersysteem geldt 70% steunpercentage zoals bedoeld in artikel 2.3.1 van de Verordening.

  • c.

    niet-productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven met 100% steunpercentage, t.b.v. waterkwantiteit geldt 70% steunpercentage zoals bedoeld in artikel 2.4.1 van de Verordening.

  • d.

    bijeenkomsten voor kennisoverdracht met 80% steunpercentage zoals bedoeld in artikel 2.10.1, eerste lid onder a van de Verordening.

  • e.

    voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling met 100% steunpercentage.

  • f.

    ontwikkelen of beproeven van innovaties met 100% steunpercentage zoals bedoeld in artikel 2.5.2 van de Verordening.

  • g.

    draagvlakontwikkeling of samenwerkingsactiviteiten met 100% steunpercentage.

Voorbeelden van subsidiabele activiteiten per onderdeel zoals hierboven genoemd:

  • a.

    Productieve investeringen groen- blauw en dierenwelzijn

Investeringen in bedrijfsmiddelen met een effect op de economische bedrijfsvoering en gericht op de doelen water, biodiversiteit en biologische bestrijding, energie en klimaat, veehouderij en precisielandbouw. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regelbare drainage, agroforestry, elektrische machines of werktuigen, vergistingsinstallaties en mestverwerkingssystemen, emissiearme vloeren of precisiebemesting.

  • b.

    Niet productieve investeringen op landbouwbedrijven

Investeringen op landbouwgrond die geen invloed hebben op de economische bedrijfsvoering, bijvoorbeeld op het gebied van watergebruik/beheer, investeringen voor het aanleggen van een bloemrijke akkerrand, de aanleg van voorzieningen (o.a. plas-dras) voor weidevogelbeheer, de aanleg van landschapselementen, de aanleg van kruidenrijk grasland, de aanleg van greppels ten behoeve van waterkwaliteit of natuurvriendelijke oevers en plasdras sloten. Meer concreet kan hierbij gedacht worden aan herstel en aanleg singels, houtwallen, heggen, hagen, bosjes, solitaire bomen, pingo’s, dobben en drenkpoelen, herstel en aanleg van akkerranden, struweelranden, vogelakkers, natuurvriendelijke oevers en herstel beplanting agrarische erven. Hierbij moet worden opgemerkt dat niet-productieve investeringen landbouw niet per definitie onder het ANLb gaan vallen. Daarnaast kunnen de investeringen leiden tot een verandering op percelen. Deze veranderingen dienen in het perceelsregister verwerkt te worden, vanwege mogelijke gevolgen voor de steun die op grond van de Uitvoeringsregeling GLB 2023 ontvangen wordt.

  • c.

    Niet productieve investeringen op niet-landbouwbedrijven

Investeringen buiten landbouwgrond die geen invloed hebben op de economische bedrijfsvoering en gericht zijn op het uitvoeren van herstelmaatregelen en (grootschalige) inrichting van gebieden die bijdragen aan verbetering van de waterhuishouding, natuur, klimaatmitigatie en -adaptatie en biodiversiteit, investeringen in waterlopen, (op)vaarten en cultuurlandschappelijk slotenpatroon, herstel en aanleg natuurvriendelijke oevers.

  • d.

    Kennisoverdracht

Activiteiten voor het delen van kennis en ervaring met groepen landbouwers, dit kunnen trainingen, workshops, coachingsactiviteiten, voorlichtingsacties of demonstraties zijn. Hierbij kan verder gedacht worden aan bewustwording en educatie over kringlooplandbouw en toekomstig boeren. Bijeenkomsten om te leren samenwerken met alle partijen in het gebied vanuit de gedachten doelsturing en gezamenlijk eigenaarschap, wat zijn de doelen en opgaven in het eigen gebied en hoe kan draagvlak vergroot worden? Leren wat datagedreven werken is en participatieve monitoring met bijvoorbeeld citizen science sensoring.

  • e.

    Voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling

Voor kavelruil/ruilverkaveling geldt dat kosten voor de voorbereiding (analyse) en kosten voor de uitvoering (transactie, bijvoorbeeld notariskosten) voor subsidie in aanmerking komen. Onder ruilverkaveling wordt ook kavelruil verstaan. Het betreft hier vrijwillige kavelruil.

  • f.

    Ontwikkelen en beproeven van innovaties

Activiteiten voor het ontwikkelen, doorontwikkelen, beproeven of praktijkrijp maken van nieuwe concepten, producten of diensten dienend aan de doelen van het gebiedsplan. Hierbij kan gedacht worden aan het sluiten van kringlopen met een groep van landbouwbedrijven, ketenbenadering waaronder korte ketens, de omslag naar produceren voor biobased bouwen en promoten van de boer-burger dialoog.

  • g.

    Draagvlakontwikkeling en samenwerkingsactiviteiten

Activiteiten voor het vinden van partners en gezamenlijk opzetten en voeren van het gebiedsproces waarbij overleg en afstemming onderdeel kan zijn; proces- en projectmanagement.

De onderdelen a t/m d en f bedragen minimaal 75% van de totale subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan.

Onderdelen e en g bedragen maximaal 25% van de totale subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan. Tezamen vormen deze onderdelen het management voor de uitvoering van het gebiedsplan. Daarbij kan meer algemeen gedacht worden aan kosten voor de penvoerder, inzet van personeel, om de samenwerking en administratie te organiseren. De penvoerder zou een gemeente kunnen zijn maar ook een waterschap, een krachtig agrarisch collectief of een grote natuur of landschapsorganisatie. Of elke andere organisatie of entiteit.

Artikel 3 Aanvrager

De subsidie voor het in samenwerking uitvoeren van een integraal gebiedsplan wordt aangevraagd door een samenwerkingsverband. De penvoerder van het samenwerkingsverband dient de aanvraag in namens het samenwerkingsverband dat het gebiedsplan gaat uitvoeren. De penvoerder moet door alle deelnemers aangewezen zijn om voor de uitvoering van het gebiedsplan de projectleiding op zich te nemen. Alle partners in het samenwerkingsverband maken op basis van hun eigen deelbegroting in het gebiedsplan kosten en zijn daarmee medebegunstigden van de subsidie die ze voor deze kosten aanvragen.

Artikel 4 Samenwerkingsverband

Een samenwerkingsverband moet bestaan uit minimaal vier landbouwbedrijven. Daarbij geldt dat ook eventueel een of meerdere van de volgende partijen betrokken kunnen zijn in het samenwerkingsverband:

  • grondeigenaren;

  • grondgebruikers,;

  • landbouworganisaties;

  • natuur- en landschapsorganisaties;

  • provincies;

  • waterschappen;

  • gemeenten; of

  • overige natuurlijke- of rechtspersonen.

Als sprake is van een kennisoverdracht als onderdeel van de activiteiten in het gebiedsplan, dient in het samenwerkingsverband ook een kennisaanbieder als projectpartner vertegenwoordigd te zijn.

In gebieden kunnen processen lopen die niet altijd het kenmerk van gezamenlijk eigenaarschap dragen. Soms zijn niet alle overheden aan boord, soms ontbreekt het aan een groep boeren die zich betrokken voelt. Plannen van natuur- en landschapsorganisaties en burgerinitiatieven zijn af en toe in uitvoering zonder betrokkenheid van boeren of overheid.

Overheidspartijen kunnen deelnemer zijn van het samenwerkingsverband. Het is goed voorstelbaar dat een gemeente of waterschap de penvoerdersrol neemt. Het staat een gebied vrij om voor een andere penvoerder te kiezen.

Na investeringen beheer ervan inrichten vanaf 2028

Voor boeren is het toekomstperspectief dat na het doen van niet productieve investeringen voor herstel- en inrichtingsmaatregelen ten behoeve van de doelen klimaat, milieu en biodiversiteit in het kader van een gebiedsplan, het beheer van deze investeringen (agrarisch natuurbeheer) uiteindelijk terecht kan komen in nieuwe ANLb-contracten in de volgende GLB-programmaperiode. Juist omdat de uitvoering van het gebiedsplan langjarig kan lopen. In de uitvoering van een gebiedsplan kan een boer zich richten op verbreding van doelen, verzwaring van bepaald beheer en meer areaal.

Governance van het samenwerkingsverband

Wat in de praktijk goed blijkt te werken is een projectorganisatie met bijvoorbeeld een stuurgroep en uitvoeringsteam waarbij de penvoerder faciliteert en regisseert. In stappen kan gewerkt worden van een intentieverklaring, naar een samenwerkingsovereenkomst, uitvoeringsorganisatie en programmabegroting. Elke stap heeft een eigen doorlooptijd nodig. Voor de aanvraag is het overleggen van de samenwerkingsovereenkomst voor de uitvoering van het gebiedsplan verplicht.

Deze regeling gaat uit van een penvoerder die juridisch de eindverantwoordelijkheid kan dragen voor het samenwerkingsverband met de verschillende partijen. Omdat de penvoerder zorgdraagt voor uitvoering van de afspraken die de stuurgroep van het samenwerkingsverband maakt, welke doelen, welke middelen, wie krijgt wat, ontzorgt de penvoerder het gehele gezelschap waarvan de partners anders ieder voor zich een aanvraag doen, niet weten of ze succes hebben en zelf de projectadministratie moeten doen.

Artikel 5 Aanvraagvereisten

Een aanvraag voor subsidie voor de uitvoering van een gebiedsplan bevat, zoals opgenomen in artikel 2.6.5 van de Verordening, als bijlage een integraal gebiedsplan met daarin in ieder geval de verplichte onderdelen opgenomen zoals genoemd in artikel 2.6.5 van de Verordening.

De aanvraag bevat als bijlage tevens een samenwerkingsovereenkomst waarin:

  • de rolverdeling en juridische verantwoordelijkheden tussen de gebiedspartners is vastgelegd.

  • beschreven is welke gebiedspartner namens alle partijen zal optreden als aanvrager (penvoerder). De penvoerder treedt op als contactorganisatie richting de subsidieverstrekker en de bevoegde controleautoriteiten. De penvoerder is tevens verantwoordelijk voor de inrichting van de projectadministratie en het rapporteren over de voortgang van het project conform de voorwaarden zoals gesteld door de subsidieverstrekker. Controle van deze projectadministratie zal worden uitgevoerd door de bevoegde controleautoriteiten.

De aanvraag bevat een begroting op basis van een ingevuld rekenformulier in Excel (zie format op de website van Stimulus: stimulus.nl/glb-23-27/documenten):

  • De begroting en financiering van de activiteiten, waaronder de kosten die verband houden met investeringen en alle aspecten van de samenwerking.

Verder bevat de aanvraag een uitwerking van hoe de activiteiten aansluiten bij het provinciaal beleid zoals opgenomen in de Kadernota Agrifood ‘Toekomst voor de Gelderse Boer’ van de provincie Gelderland en bij beleid van gemeenten of waterschappen.

Natuurvergunningen

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 18 december 2024 is intern salderen in veel gevallen niet meer mogelijk. Dit betekent dat voor sommige subsidiabele activiteiten geldt dat een natuurvergunning moet worden verkregen voor activiteiten die voorheen zonder vergunning op basis van intern salderen uitgevoerd konden worden.

Niet in alle gevallen is een natuurvergunning nodig: als bijvoorbeeld gebruik gemaakt kan worden van emissieloze apparatuur, zodat er geen of minder stikstof wordt uitgestoten, kan met een AERIUS-berekening worden berekend of de beoogde situatie een depositietoename tot gevolg heeft. Als blijkt uit de AERIUS-berekening (waarin dus geen referentiesituatie betrokken mag worden in de voortoets) dat de depositietoename op 0,00 mol/ha/jaar wordt berekend, kan de subsidiabele activiteit worden uitgevoerd. Bij tijdelijke en (zeer) beperkte deposities kan een ecologisch deskundig bureau bij wijze van ecologische voortoets mogelijk al vaststellen dat er geen significante effecten optreden. Ook dan kan de subsidiabele activiteit worden uitgevoerd. Zie ook voor meer informatie: www.gelderland.nl/vergunningen/natuur.

Voor de subsidieaanvraag is het van belang dat, wanneer sprake is van een of meer activiteiten waarbij mogelijk stikstof vrijkomt, uit een toelichting blijkt of voor deze activiteiten een geldige en recente natuurvergunning is verkregen of dat bewezen of aannemelijk is dat geen sprake is van stikstofuitstoot bij de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en dus ook geen natuurvergunning noodzakelijk is. Als een noodzakelijke natuurvergunning nog moet worden aangevraagd, moet deze binnen 18 maanden na subsidieverlening zijn afgegeven. Zie daarover verder de toelichting bij artikel 11.

Artikel 6 Weigeringsgronden

Een aanvraag om subsidie kan alleen worden ingediend door een nieuw samenwerkingsverband. Reeds bestaande samenwerkingsverbanden kunnen ook een aanvraag indienen, mits de activiteiten waarvoor dan subsidie wordt aangevraagd, nieuw zijn voor dit bestaande samenwerkingsverband.

Artikel 7 Subsidiabele kosten

Op grond van artikel 1.8 van de Verordening zijn de volgende kosten subsidiabel:

  • Loonkosten

  • Kosten eigen arbeid

  • Bijdragen in natura

  • Afschrijvingskosten

  • Overige kosten (kosten derden)

Kosten die voor subsidie in aanmerking komen, worden berekend volgens de methode voor werkelijke kosten, zie hiervoor artikel 1.9a van de Verordening. De tarieven zoals genoemd in artikel 1.9a, eerste lid onder b kunnen niet worden toegepast omdat hier nog een formeel controleonderzoek voor de Europese Commissie voor moet worden toegepast.

Artikel 8 Niet subsidiabele kosten

Kosten van investeringen van € 2.000.000 of meer voor grootschalige ingrepen in de infrastructuur komen niet voor subsidie in aanmerking tenzij deze kosten betrekking hebben op investeringen in het watersysteem met als doel de waterkwaliteit te verbeteren.

Artikel 9 Hoogte subsidie

Voor de uitvoering van gebiedsplannen kan per opgenomen activiteit een ander subsidiepercentage van toepassing zijn. De subsidie voor de uitvoering van het gebiedsplan kan bestaan uit:

  • -

    productieve investeringen waarvoor 40% subsidie geldt, en

  • -

    niet productieve investeringen waarvoor 100% subsidie geldt. Als niet productieve investeringen betrekking hebben op het watersysteem en gedaan worden door landbouwers geldt 70% subsidie. Wanneer deze investeringen alleen betrekking hebben op waterkwantiteit en gedaan worden door niet landbouwbedrijven, geldt ook 70% subsidie;

  • -

    kennisoverdrachtactiviteiten waarvoor 80% subsidie geldt en

  • -

    100% subsidie voor het uitwerken en testen van innovatieve concepten.

Bovenvermelde onderdelen maken tezamen minimaal 75% van de subsidie uit.

Verder kan een gebiedsplan bestaan uit:

  • -

    100% subsidie voor voorbereiding en uitvoering van ruilverkaveling en

  • -

    100% subsidie voor draagvlakontwikkeling en het proces van samenwerking.

Bovenvermelde onderdelen maken tezamen maximaal 25% van de subsidie uit.

Artikel 10 Selectiecriteria

Een gebiedsplan komt tot stand door integraal te werken, dat is de kerngedachte van de maatregel Samenwerking voor integrale gebiedsontwikkeling. Hiermee wordt bedoeld dat de aanpak integraal moet zijn waarbij de mate van integraliteit bijvoorbeeld toe kan nemen wanneer de diversiteit aan doelen waar het gebiedsplan over gaat hoger is, wanneer de diversiteit aan gebiedspartners betrokken bij het gebiedsplan hoger is en wanneer de diversiteit aan voorgenomen en begrote maatregelen en activiteiten in het gebiedsplan hoger is. In bijlage 1 bij dit openstellingsbesluit zijn de beoordelingsaspecten opgenomen behorend bij de selectiecriteria op basis waarvan gebiedsplannen worden beoordeeld. Op deze manier kan per criterium bezien worden hoeveel punten een gebiedsplan kan scoren.

Artikel 11 Verplichtingen

De uitvoering van het gebiedsplan moet uiterlijk 31 december 2028 afgerond zijn. Dat betekent dat alle activiteiten uitgevoerd moeten zijn en dat de kosten ervan gemaakt zijn op deze datum. Met deze einddatum wordt binnen de huidige GLB-periode maximaal ruimte gegeven voor de uitvoering van gebiedsplannen.

Aansluiting op het Nationale (Netwerk platteland) en Europese EIP netwerk draagt ertoe bij dat samenwerkingsverbanden gedurende het gehele project gebruik kunnen maken van beschikbare kennis en ervaring voor een hogere effectiviteit. Het doel hiervan is dat het delen van de kennis die opgedaan wordt tijdens de projecten, door anderen gebruikt kan worden en daardoor bijdraagt effectievere en innovatieve gebiedsplannen in Nederland en in Europa. Daarnaast kunnen via de netwerken ook interacties ontstaan tussen de verschillende samenwerkingsverbanden zodat deze elkaar kunnen versterken door een community te vormen.

De subsidieontvanger is verplicht om de resultaten van het project te delen via de hiertoe geëigende netwerken. Onder geëigende netwerken wordt in ieder geval begrepen:

  • -

    Groen Kennisnet*

  • -

    EIP-netwerk** als bedoeld in artikel 127 VO (EU) nr 2021/2115.

*Met Groen Kennisnet, het kennisplatform van de groene sector in Nederland, is een speciale samenwerking aangegaan. Groen Kennisnet maakt voor elk Nederlands project een pagina aan om de plannen en eindresultaten te delen. Ook tijdens uw project kunt u resultaten delen via Groen Kennisnet. Groen Kennisnet neemt hierover contact met u op.

** Het Europees Innovatienetwerk voor de Landbouw (EIP-AGRI) werkt aan de bevordering van concurrerende en duurzame land- en bosbouw in Europa. Het EIP-AGRI-netwerk is onderdeel van het CAP Network van de EU. Elk project wordt gemeld aan dit Europese EIP netwerk.

Wanneer sprake is van een activiteit waarbij een noodzakelijke natuurvergunning nog niet is afgegeven, is aanvrager verplicht uiterlijk 18 maanden na subsidieverlening aan te tonen dat de vergunning is afgegeven. Indien dit niet binnen deze termijn wordt aangetoond, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de subsidieverlening in te trekken. Deze termijn is een weerspiegeling van een afweging tussen enerzijds een inschatting van de termijn waarop een dergelijke vergunningaanvraag redelijkerwijs kan worden beoordeeld en, anderzijds, een zo kort mogelijke termijn zodat in geval van terugvordering er nog voldoende tijd resteert om de vrijgevallen middelen opnieuw in te zetten binnen de programmaperiode.

Artikel 12 Voortgangsverslag, deelbetaling en inhoudelijk verslag

Bij voorgangsverslagen, verzoeken tot deelbetaling en vaststelling gelden rapportageverplichtingen. Deze verplichtingen worden opgelegd omdat de lidstaten verplicht zijn dergelijke gegevens aan te leveren bij de Europese Commissie. In eerste instantie dient men te rapporteren over het aantal personen dat baat gehad heeft bij het gebiedsplan en wordt als volgt in beeld gebracht: het gerealiseerde aantal personen dat van advies, opleiding, kennisuitwisseling of deelname aan het samenwerkingsverband heeft geprofiteerd om betere duurzame economische, sociale, milieu- en klimaatprestaties en prestaties op het gebied van hulpbronnenefficiëntie te leveren.

Tijdens de voortgang van de uitvoering van het gebiedsplan blijft de provincie Gelderland graag een maal per jaar dat de uitvoering van het gebiedsplan loopt, op de hoogte van de tot dan toe bereikte resultaten.

Artikel 13 Subsidie-arrangement

Voor de verantwoording van de subsidie voor de uitvoering van een gebiedsplan geldt dat alle kosten waarvoor subsidie is verleend verantwoord moeten worden aan de hand van een inhoudelijk en financieel verslag conform arrangement 3 uit de Verordening. In feite vindt de verantwoording van de subsidie plaats op basis van daadwerkelijk gerealiseerde kosten en (deel)prestaties.

Artikel 14 Voorschot

Bij subsidieverlening wordt een voorschot van 50% van de verleende subsidie direct uitbetaald.