Permanente link
Naar de actuele versie van de regeling
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR747931
Naar de door u bekeken versie
http://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR747931/1
Nadere regel subsidie sociale basis gemeente Utrecht
Geldend van 27-11-2025 t/m heden
Intitulé
Nadere regel subsidie sociale basis gemeente UtrechtBurgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht;
- gelet op artikel 156 Gemeentewet en artikel 3 lid 2 van de Algemene Subsidieverordening gemeente Utrecht;
Overwegende:
- De hervormingen binnen het sociaal domein vragen om een aanpassing van de subsidieregelingen binnen de sociale basis, waaraan met deze nadere regel een bijdrage wordt geleverd;
Besluiten de volgende nadere regel vast te stellen:
Artikel 1 Definities
Deze nadere regel verstaat onder:
- •
Asv : de Algemene subsidieverordening Utrecht;
- •
Basisvaardigheden: lezen, schrijven, rekenen, digitale vaardigheden;
- •
Basiszorg: Hulp en ondersteuning dichtbij huis, waarbij inwoners en hun omgeving vrijwillig hulp krijgen om veerkrachtiger te worden en hun eigen netwerk in te zetten. Dit gebeurt als aanvulling op wat al in de sociale basis beschikbaar is. De basiszorg gebruikt 13 leefgebieden om de hulpvraag van inwoners in kaart te brengen: werk, zingeving, meedoen & activiteiten, sociale contacten, verslaving, persoonlijke verzorging, wonen, geld, huishouden, gezin & opvoeden, taal & leren, geestelijke gezondheid en politie & justitie;
- •
Blended care: de combinatie van persoonlijke gesprekken en digitale hulpverlening eventueel in combinatie met e-health, zoals apps die helpen om met problemen om te gaan;
- •
Buurt en wijk: aanduiding voor een geografisch afgebakende woonomgeving. Een wijk bestaat uit verschillende buurten. In de gemeente Utrecht zijn er 10 wijken en 111 buurten;
- •
Buurtbemiddeling: een vrijwillige, laagdrempelige manier om conflicten tussen buren op te lossen. Getrainde vrijwilligers, die worden ondersteund door beroepskrachten, helpen bewoners om deze conflicten op te lossen;
- •
Buurtnetwerk: een buurtnetwerk bestaat uit buurtbewoners die zich betrokken voelen bij hun omgeving en die zich vrijwillig inzetten voor activiteiten. Voor elkaar, de buurt of de wijk;
- •
CCV: het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid (CCV) helpt professionals bij gemeenten, corporaties en buurtbemiddelingsorganisaties om buurtbemiddeling op te zetten en uit te voeren;
- •
Dagactiviteit: een algemeen toegankelijke groepsgerichte activiteit voor mensen in een kwetsbare situatie. De activiteit helpt om structuur in de dag te krijgen, vaardigheden te behouden of versterken van vaardigheden en helpt bij herstel, zelfredzaamheid en meedoen in de samenleving;
- •
DigiTaalhuis: een aantal bibliotheekvestigingen organiseert laagdrempelige activiteiten om taal- en digitale vaardigheden te verbeteren. Er is ook een spreekuur waar mensen terecht kunnen voor advies en informatie, zodat hun hulpvraag en het aanbod op elkaar worden afgestemd;
- •
Ervaringsdeskundige: een beroepskracht met een mbo- of hbo-opleiding (bijvoorbeeld in de ggz, armoede- of jeugdzorg) die de eigen en gedeelde ervaringskennis inzet als specialisme. Deze beroepskracht werkt binnen een organisatie die werkt vanuit ervaringsdeskundigheid of binnen een algemene hulp/zorginstantie;
- •
Gemeenschappelijke sociale basis: een van de 3 sferen van de sociale basis uit het model van Verwey-Jonker. In de gemeenschappelijke sociale basis komt het initiatief uit de stad zelf. Het gaat om kleinschalige bewonersinitiatieven en buurtorganisaties en grote vrijwilligersorganisaties die in de stad actief zijn op verschillende thema’s. Honderden vrijwilligers zijn hierbij betrokken;
- •
Gemeenschapskracht: de mate van verbondenheid, onderlinge betrokkenheid en het vertrouwen tussen bewoners binnen een buurt of gemeenschap;
- •
Gezonde leefgewoonten: een verzameling gewoonten die bijdragen aan een gezonde leefstijl. Bijvoorbeeld niet roken, voldoende bewegen, gezond eten en drinken, weinig tot geen alcohol drinken en verstandig omgaan met hitte en zon;
- •
Ggz: geestelijke gezondheidszorg: zorg voor mensen met psychische problemen. Deze zorg richt zich op het voorkomen, behandelen en genezen van psychische aandoeningen. Ook helpt ggz mensen met een psychische aandoening om mee te doen in de samenleving. Daarnaast biedt ggz hulp aan mensen die ernstig verward/verslaafd zijn en die uit zichzelf geen hulp zoeken;
- •
Groepsgericht: tegelijkertijd twee of meer mensen ondersteunen, bijvoorbeeld door cliënten/inwoners met vergelijkbare vragen of situaties in een groep te plaatsen, in plaats van of aanvullend op een individueel traject;
- •
Grondoorzaken: problemen ontstaan vaak door omstandigheden, zoals leefomstandigheden en de manier waarop de samenleving is ingericht. Deze achterliggende omstandigheden worden grondoorzaken genoemd;
- •
Kwetsbare situatie: een tijdelijke of blijvende situatie waarin iemand door sociale, financiële, psychische of lichamelijke omstandigheden minder goed in staat is om voor zichzelf te zorgen of mee te doen in de samenleving;
- •
Leefsituatie: een leefsituatie is het geheel van omstandigheden waaronder iemand leeft. Bijvoorbeeld wonen, werken en de algemene levensomstandigheden;
- •
LVB: licht verstandelijke beperking. Mensen met een LVB hebben een IQ tussen de 50 en 70. Ook mensen met een IQ tussen de 70 en 85 met bijkomende problematiek hebben een LVB. Mensen met een LVB hebben verminderde vaardigheden om goed mee te kunnen doen in het dagelijks leven;
- •
Mentale gezondheid: het Trimbos-Instituut definieert mentale gezondheid als de manier waarop je je verhoudt tot jezelf en tot anderen en hoe je omgaat met de uitdagingen in het dagelijks leven. Tegelijkertijd gaat het ook over hoe jij en anderen in de samenleving dit ervaren;
- •
NAH: niet-aangeboren hersenletsel: schade aan de hersenen die in de loop van het leven is ontstaan;
- •
Ongelijk investeren voor gelijke kansen: het uitgangspunt dat middelen vooral worden ingezet voor mensen en buurten die deze het meest nodig hebben, in plaats van alles gelijk te verdelen. Dit staat omschreven in het Uitvoeringsprogramma Ongelijk investeren voor gelijke kansen (november 2023);
- •
Peer to peer: een vorm van ondersteuning waarin Utrechters, vaak met dezelfde soort vraagstukken, elkaar ondersteunen en helpen;
- •
Persoonlijke sociale basis: een van de 3 sferen van de sociale basis uit het model van Verwey-Jonker. Het informele sociale netwerk van een persoon dat ondersteuning biedt wanneer iemand het zelfstandig niet meer kan of op eigen kracht mee wil doen in de maatschappij;
- •
Prestatiedruk: een subjectieve ervaring waarbij iemand het gevoel heeft aan bepaalde verwachtingen of standaarden te moeten voldoen. Deze verwachtingen kunnen gaan over verschillende delen van het leven en kunnen komen uit iemand zelf, de sociale omgeving en/of de maatschappij;
- •
Samenredzaamheid: het vermogen om met behulp van het eigen sociale netwerk, zoals familie, vrienden, buren en vrijwilligers mee te doen in de samenleving en problemen en tegenslagen te op te lossen;
- •
Samenwerkingsverband: een samenwerkingsverband zonder rechtspersoonlijkheid dat bestaat uit ten minste 2 deelnemers en is opgericht om activiteiten uit te voeren. Een penvoerder is een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die namens het samenwerkingsverband optreedt en daarvoor gemachtigd is;
- •
Sociaal veilige leefomgeving: een woongebied waar bewoners zich beschermd voelen tegen overlast, conflicten en criminaliteit, en waar wederzijds respect, vertrouwen en onderlinge betrokkenheid aanwezig zijn;
- •
Sociale basis: de sociale basis bestaat uit inwoners, hun directe omgeving en algemene voorzieningen die goed toegankelijk en bereikbaar zijn voor iedereen. Het gaat om onderwijs, sport, welzijn, cultuur, openbare gezondheidszorg, jeugdgezondheidszorg en meer. Bewoners die zich vrijwillig inzetten voor elkaar en voor de buurt en veel organisaties en maatschappelijke initiatieven zijn onderdeel van deze sociale basis;
- •
Tertiaire preventie: tertiaire preventie gaat over situaties waar er al problemen bij inwoners zijn. Het doel is om herhaling, terugval of erger te voorkomen. De activiteiten richten zich op het tegengaan van negatieve gevolgen en voorkomen dat problemen erger worden;
- •
Wijk(en): (een van) de 10 wijken waar de gemeente Utrecht uit bestaat: West, Noordwest, Overvecht, Noordoost, Oost, Binnenstad, Zuid, Zuidwest, Leidsche Rijn, Vleuten-De Meern;
- •
Wijkinformatiepunt: activiteiten waarbij informatie wordt gegeven aan inwoners over zorg en welzijn in de buurt en de wijk. Als het nodig is, kan iemand worden doorverwezen naar de juiste organisaties voor verdere hulp;
- •
Zelfredzaamheid: in staat zijn om algemene dagelijkse taken uit te voeren, te zorgen voor het huishouden, mee te doen in de samenleving en om te gaan met problemen en/of tegenslagen;
- •
Zorgexpertise: het niveau van kennis en vaardigheden dat nodig is om mensen met chronische psychische of psychosociale problemen te ondersteunen bij hun zelfredzaamheid en deelname aan de samenleving. Deze ondersteuning gaat verder dan wat redelijkerwijs verwacht kan worden van informele zorg of welzijnswerk.
Artikel 2 Doel
Het doel is om een sterke gemeenschappelijke sociale basis in de Utrechtse wijken en buurten te creëren, zodat alle inwoners die in een kwetsbare situatie zitten, ongeacht leeftijd, mee kunnen blijven doen in de samenleving.
Dit wordt bereikt door:
-
1. Zelfredzaamheid te versterken: het versterken van basisvaardigheden, zodat iedereen kan meedoen in de samenleving;
-
2. Samenredzaamheid te stimuleren: samen met vrijwilligers, buren, vrienden en anderen in iemands omgeving lukt het om mee te doen in de samenleving en om te gaan met tegenslagen;
-
3. Grondoorzaken aan te pakken: waaronder zingeving, verbondenheid, bestaanszekerheid en het welzijn van ouders;
-
4. Preventief te werken: voorkomen van problemen of voorkomen dat problemen erger worden;
-
5. Ongelijk te investeren voor gelijke kansen: activiteiten richten op inwoners in een kwetsbare situatie en zorgen dat die aansluiten op hun behoeften.
-
Het streven is een stevig netwerk van initiatieven te ondersteunen die samen verantwoordelijkheid nemen om het doel te bereiken.
-
Binnen deze nadere regel worden 3 categorieën van activiteiten onderscheiden, elk met een eigen doel:
- a.
Aanvragen tot en met € 35.000 per jaar
Stimuleren dat Utrechters omzien naar elkaar, elkaar helpen en versterken van gemeenschapskracht;
- b.
Aanvragen boven € 35.000 per jaar waarbij vrijwilligers de kern van de uitvoering vormen
Ondersteunen van Utrechters in een kwetsbare situatie, zodat zij beter mee kunnen doen en/of hun leefsituatie verbetert;
- c.
Aanvragen boven € 35.000 met inzet van zowel beroepskrachten als vrijwilligers
Ondersteunen van Utrechters met een specifieke kwetsbaarheid en/of een complexe ondersteuningsbehoefte die verder gaat dan wat er van een vrijwilliger verwacht mag worden.
- a.
Artikel 3 Eisen aan de subsidieaanvrager
-
1. De subsidie kan worden aangevraagd door:
- a.
een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid;
- b.
een rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid;
- c.
een natuurlijke persoon;
- d.
een natuurlijke persoon met een onderneming die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven;
- e.
een samenwerkingsverband.
- a.
-
2. De subsidie kan niet worden aangevraagd door:
- a.
Partijen die een overeenkomst hebben met de gemeente Utrecht in het kader van de aanbesteding ’Wmo Ondersteuning in de wijk‘.
- a.
Artikel 4 Vaststellen subsidieplafond
-
1. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks het subsidieplafond vast met de subsidiestaat. Deze nadere regel heeft de volgende subsidieplafonds:
- a.
Categorie A: Aanvragen tot en met € 35.000 per jaar (artikel 5, lid A);
- b.
Categorie B: Zorgen voor elkaar (artikel 5, lid B, sub 1);
- c.
Categorie B: Buurtbemiddeling (artikel 5, lid B, sub 2);
- d.
Categorie B: Taal & digivaardigheid (artikel 5, lid B, sub 3);
- e.
Categorie B: Praktische ondersteuning (artikel 5, lid B, sub 4);
- f.
Categorie C: Dagactiviteiten (artikel 5, lid C, sub 1);
- g.
Categorie C: Ondersteuningstrajecten voor jeugdigen en ouders (artikel 5, lid C, sub 2);
- h.
Categorie C: Laagdrempelige Onafhankelijke Cliëntondersteuning (artikel 5, lid C, sub 3);
- i.
Categorie C: Formele Onafhankelijke Cliëntondersteuning (artikel 5, lid C, sub 4).
- a.
-
2. Als het subsidieplafond voor een bepaalde subsidiabele activiteit niet wordt bereikt, worden de resterende middelen als volgt herverdeeld:
- a.
Resterend budget van het subsidieplafond van categorie A wordt niet herverdeeld via deze subsidieregeling;
- b.
Resterend budget voor subsidiabele activiteiten binnen Categorie B wordt verleend aan de hoogst scorende aanvra(a)g(en) van de andere subsidiabele activiteiten binnen Categorie B die geen subsidie heeft/hebben ontvangen. Eventueel overig resterend budget wordt verleend aan de hoogst scorende aanvra(a)gen van de subsidiabele activiteiten binnen Categorie C;
- c.
Resterend budget van het subsidieplafond van categorie C: Dagactiviteiten wordt niet herverdeeld via deze subsidieregeling;
- d.
Resterend budget voor subsidiabele activiteiten binnen Categorie C (met uitzondering van het subsidieplafond Dagactiviteiten) wordt verleend aan de hoogst scorende aanvra(a)gen van de andere subsidiabele activiteiten binnen Categorie C die geen subsidie heeft/hebben ontvangen. Eventueel overig resterend budget wordt verleend aan de hoogst scorende aanvra(a)gen van de subsidiabele activiteiten binnen Categorie B.
- a.
Artikel 5 Subsidiabele activiteiten
-
1. Binnen de drie categorieën komen de volgende activiteiten voor subsidie in aanmerking:
- A.
Categorie A: Aanvragen tot en met € 35.000 per jaar
- A.
-
Activiteiten die stimuleren dat Utrechters omzien naar elkaar, elkaar helpen en die de samenhang in de buurt versterken. Kenmerken van deze categorie zijn: hoofdzakelijk gericht op wijk- en/of buurtactiviteiten, activiteiten met een structureel karakter. Wijkinformatiepunten vallen onder deze categorie.
- B.
Categorie B: Aanvragen boven € 35.000 per jaar waarbij vrijwilligers de kern van de uitvoering vormen
- B.
-
In deze categorie gaat het om activiteiten die Utrechters in een kwetsbare situatie ondersteunen zodat zij beter mee kunnen doen in de samenleving en/of hun leefsituatie verbetert. Deze categorie bestaat uit de volgende subsidiabele activiteiten:
- 1.
Zorgen voor elkaar
- 1.
-
Groepsactiviteiten en individueel aanbod zoals maatjesprojecten;
- 2.
Buurtbemiddeling (maximaal 1 aanvrager ontvangt subsidie);
- 3.
Taal & digivaardigheid;
- 4.
Praktische ondersteuning
- 2.
-
Activiteiten die kortdurende of eenmalige ondersteuning bieden bij taken op het gebied van financiën, klusjes in en om het huis, maaltijden, vervoer en/of burenhulp/buurtnetwerken.
- C.
Categorie C: Aanvragen boven € 35.000 per jaar met inzet van zowel beroepskrachten als vrijwilligers, gericht op inwoners met meer complexe ondersteuningsvragen.
- C.
-
In deze categorie gaat het om steun voor Utrechters met een specifieke kwetsbaarheid en/of een ondersteuningsbehoefte die verder gaat dan wat er van een vrijwilliger verwacht mag worden. Deze categorie bestaat uit de volgende subsidiabele activiteiten:
- 1.
Dagactiviteiten;
- 2.
Ondersteuningstrajecten voor jeugdigen en ouders;
- 3.
Laagdrempelige Onafhankelijke Cliëntondersteuning (maximaal 6 aanvragers ontvangen subsidie);
- 4.
Formele Onafhankelijke Cliëntondersteuning (maximaal 1 aanvrager ontvangt subsidie).
- 1.
-
Meer informatie over de subsidiabele activiteiten per (sub) categorie staat in de toelichting.
-
2. Burgemeester en wethouders verlenen geen subsidie voor de volgende activiteiten:
- a.
Het geven van bijles voor een bepaald schoolvak of een bepaalde toets of het geven van examentraining;
- b.
Activiteiten die vooral gericht zijn op het opvangen van kinderen;
- c.
Activiteiten van verenigingen die vooral gericht zijn op de eigen leden.
- a.
Artikel 6 Eisen aan de aanvraag
-
1. De aanvraag van de subsidie wordt ingediend met DigID en/of e-Herkenning via www.utrecht.nl/subsidiesocialebasis.
-
2. Een rechtspersoon of een natuurlijke persoon met een onderneming die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven dient de aanvraag in met e-Herkenning. Een natuurlijke persoon dient de aanvraag in met DigID.
-
3. De aanvraag voor een subsidiabele activiteit in categorie A (artikel 5) is voor de duur van één of maximaal twee jaar.
-
4. De aanvraag voor een subsidiabele activiteit in categorie B of C (artikel 5) is voor de duur van vier jaar;
-
5. De aanvraag bestaat uit de volgende documenten:
- a.
Een volledig ingevuld en kloppend aanvraagformulier
- b.
Een sluitende begroting met een financiële onderbouwing die aansluit op het activiteitenoverzicht. In deze onderbouwing staat per jaar en per activiteit aangegeven welke middelen nodig zijn voor de activiteiten. Het gevraagde subsidiebedrag moet duidelijk worden onderbouwd in de begroting. In de begroting moeten ook alle (overige) inkomsten staan.
- a.
-
6. Als een rechtspersoon of een natuurlijke persoon met een onderneming die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven in de voorgaande 3 jaar geen subsidie heeft ontvangen of als onderstaande gegevens zijn gewijzigd, moet de aanvrager bij de aanvraag ook de volgende gegevens aanleveren:
- a.
Kopie bankafschrift waarop in elk geval het rekeningnummer en de naam van de aanvrager duidelijk te zien zijn;
- b.
Een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel;
- c.
De statuten of oprichtingsakte, als de aanvrager een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid is.
- a.
-
7. Een aanvrager kan voor Laagdrempelige onafhankelijke cliëntondersteuning of Formele onafhankelijke cliëntondersteuning subsidie aanvragen, niet voor beide. Een aanvrager die beslist over de formele toewijzing naar een maatwerkvoorziening kan geen aanvraag indienen voor onafhankelijke clientondersteuning.
Artikel 7 Indieningstermijn aanvraag
-
1. Subsidieaanvragen in de subsidiabele categorie A (artikel 5) kunnen jaarlijks worden ingediend, vóór 1 juli (uiterlijk 30 juni 23.59 uur) van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de activiteiten starten.
-
2. Subsidieaanvragen in de subsidiabele categorieën B en C (artikel 5) kunnen eens in de 4 jaar worden ingediend, vóór 1 april (uiterlijk 31 maart 23.59 uur) van het jaar voorgaand aan het jaar waarin de activiteiten starten. De eerstvolgende aanvraagmomenten zijn: 1 april 2026, 1 april 2030, 1 april 2034, etc.
-
3. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een extra indieningsmoment open te stellen als er subsidie beschikbaar is. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden:
- a.
Een extra indieningsmoment wordt minstens 1 maand voor de deadline bekend gemaakt via Subsidiehulp | gemeente Utrecht inclusief voor welke subsidiabele activiteiten (artikel 5) dit geldt;
- b.
De deadline voor het indienen van nieuwe aanvragen is de eerste dag van elk kwartaal (1 jan, 1 apr, 1 jul en 1 okt);
- c.
Aanvragen moeten voldoen aan de eisen zoals gesteld in deze nadere regel plus eventuele aanvullende eisen die gelden vanuit de financieringsbron (zoals Rijksgelden uitgekeerd in een SPUK);
- d.
In de aanvraag moet duidelijk staan voor welke periode de subsidie aangevraagd wordt. Voor de rest van het lopende kalenderjaar, tot het einde van de meerjarige verleningsperiode, of een tijdsblok daar tussenin.
- a.
Artikel 8 Maximale subsidie
- 1.
Met uitzondering van lid a en b geldt er geen maximum aan de subsidie.
- a.
In categorie A (artikel 5) wordt maximaal € 35.000 per jaar verleend. Aanvragen boven de € 35.000 per jaar worden geweigerd;
- b.
Alleen aan een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid zoals genoemd onder artikel 3, lid 1, sub a of een samenwerkingsverband zoals genoemd onder artikel 3, lid 1, sub e kan meer dan € 20.000 per jaar worden verleend.
- c.
Aanvragen ingediend door een natuurlijke persoon, een natuurlijke persoon met een onderneming die in het handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven of een rechtspersoon met beperkte rechtsbevoegdheid boven de € 20.000 per jaar worden geweigerd.
- a.
- 2.
Een natuurlijk persoon zoals genoemd onder artikel 3, lid 1, sub b kan geen loonkosten aanvragen;
- 3.
De maximale vergoedingen voor vrijwilligers zoals bepaald door de Belastingdienst zijn subsidiabel;
- 4.
Voor werving en training van vrijwilligers is per aanvrager beperkt budget beschikbaar, omdat het de bedoeling is dat organisaties hierin samen optrekken en gebruik maken van bestaande campagnes en scholingsmogelijkheden. Als in de begroting toch kosten voor werving of training worden opgenomen, moet worden onderbouwd waarom dit niet via gezamenlijk aanbod kan worden uitgevoerd;
Artikel 9 Verdeling subsidie
-
1. In afwijking van artikel 4, eerste lid, tweede volzin, van de Asv verdelen burgemeester en wethouders het budget over de aanvragen die volledig en tijdig zijn ontvangen op basis van 2 beoordelingsronden.
-
2. Alle aanvragen die volledig en op tijd zijn ingediend, worden in de 1e beoordelingsronde gescoord op grond van beoordelingscriteria. In deze ronde zijn maximaal 10 punten te behalen. Per criterium kan een aanvraag de score onvoldoende, voldoende of goed krijgen. In de tabel hieronder staan de criteria en het aantal punten dat bij elke score hoort. Deze tabel is juridisch bindend. De criteria zijn gerangschikt van meest naar minst zwaarwegend. De punten van alle criteria worden bij elkaar opgeteld. Zo ontstaat een score tussen 0 en 10. Een nadere beschrijving op de criteria en een rekenvoorbeeld zijn opgenomen in de bijlage bij artikel 9. Een voorbeeldberekening van een totaalscore is opgenomen in de toelichting van de nadere regel.
|
Criteria |
Onvoldoende |
Voldoende |
Goed |
|
1. De mate waarin aanvrager aantoont dat de aanvraag bijdraagt aan 1 of meer subsidiedoelen. |
0 |
0.8 |
1.6 |
|
2. De mate waarin aanvrager aantoont hoe de aanvraag bijdraagt aan de subsidiabele activiteiten. |
0 |
0.75 |
1.5 |
|
3. De mate waarin aanvrager aantoont dat er behoefte aan/noodzaak voor de activiteiten bestaat. |
0 |
0.7 |
1.4 |
|
4. De mate waarin de aanvrager laat zien wat de verhouding is tussen de hoogte van de aangevraagde subsidie en het beschreven resultaat. |
0 |
0.65 |
1.3 |
|
5. De mate waarin aanvrager betrokken is bij en samenwerkt met relevante initiatieven en organisaties. |
0 |
0.4 |
0.8 |
|
6. De mate waarin de activiteiten bijdragen aan duurzame verbetering van de situatie van deelnemers. |
0 |
0.4 |
0.8 |
|
7. De aanvrager geeft aan in welke zij zich inzet om inclusief te zijn. |
0 |
0.35 |
0.7 |
|
8. De mate waarin aanvrager tijdens de looptijd van de subsidie blijft doorleren. |
0 |
0.25 |
0.5 |
|
9. De mate waarin aanvrager aantoonbare ervaring heeft met de uitvoering van de activiteiten. |
0 |
0.25 |
0.5 |
|
10. De mate waarin aanvrager de mogelijkheden benut voor het verwerven van extra inkomsten. |
0 |
0.25 |
0.5 |
|
11. De aanvrager laat zien in welke mate de kosten noodzakelijk zijn. |
0 |
0.2 |
0.4 |
-
Tabel 1. Beoordelingscriteria eerste beoordelingsronde inclusief weging.
-
3. Op basis van deze totaalscores wordt binnen iedere subsidiabele activiteit (artikel 5) een rangorde opgesteld. Aanvragen met een totaalscore lager dan 5 worden geweigerd;
-
4. Als het subsidieplafond binnen een subsidiabele activiteit (artikel 5) bereikt wordt, vindt binnen deze categorie een 2e beoordelingsronde plaats. In deze ronde wordt gekeken naar de verspreiding over de stad. In geval van Categorie B 1 – Zorgen Voor Elkaar wordt per thema gekeken naar de verspreiding over de stad. Zie de bijlage van artikel 5 voor de thema’s. Als binnen dezelfde wijk (bij wijkgericht aanbod), binnen dezelfde buurt (bij buurtgericht aanbod) of op stedelijk niveau (bij stedelijk aanbod) al vergelijkbare activiteiten worden georganiseerd, wordt de aanvraag met de hoogste score gehonoreerd. Lager scorende aanvragen worden (geheel of gedeeltelijk) geweigerd. Zo ontstaat een rangorde die bijdraagt aan een goede spreiding van activiteiten over de stad. De hoogst gerangschikte aanvraag komt het eerst in aanmerking voor subsidie, gevolgd door de overige aanvragen in aflopende volgorde, totdat het subsidieplafond binnen de betreffende subsidiabele activiteit is bereikt.
Artikel 10 Beslistermijn
Burgemeester en wethouders beslissen binnen 13 weken na de deadlinedatum over de aanvraag.
Artikel 11 Verplichtingen
-
1. In aanvulling op de verplichtingen uit hoofdstuk 4 van de Asv gelden de volgende verplichtingen:
- a.
Aan te sluiten bij minimaal één netwerk (NIZU, Dwarsverband, Utrecht Omarmt, Taal- en Digitaalnetwerk, Stadsnetwerk Gelijke Kansen, Aanpak Woonproblematiek Utrecht Stad, Thuis in je wijk etc.) . De subsidieontvanger neemt zelf of via vertegenwoordiging deel aan wijk- en opgavegericht werken;
- b.
Samen te werken met de Vrijwilligerscentrale Utrecht (VCU) bij het werven, behouden en trainen van vrijwilligers;
- c.
Bij de uitvoering van activiteiten gezondheid te beschermen en gezonde leefgewoonten te bevorderen, in het bijzonder voor jeugd, ouderen en/of kwetsbare inwoners, zodat dit helpt om gezondheidsverschillen kleiner te maken;
- d.
Continu te werken aan het afbouwen van inzet van betaalde beroepskrachten doordat vrijwilligers en/of deelnemers meer eigenaarschap ervaren en taken overnemen;
- e.
Bij te dragen aan monitoring en evaluatie door informatie aan te leveren en deel te nemen aan duidingsbijeenkomsten;
- f.
De (sociale) veiligheid voor deelnemers, vrijwilligers en beroepskrachten te waarborgen. Hiervoor heeft de subsidieontvanger een plan. Een VOG is verplicht bij werken met een minderjarige doelgroep;
- g.
Bij te dragen aan slim ruimtegebruik via gecombineerd gebruik van ruimtes;
- h.
Subsidieontvangers van subsidiabele activiteit ‘Laagdrempelige Onafhankelijke Clientondersteuning’ en ‘Formele Onafhankelijke Clientondersteuning vormen een samenwerkingsverband en sluiten een convenant af.
- a.
-
2. In aanvulling op de verplichtingen uit hoofdstuk 4 van de Asv kunnen burgemeester en wethouders verplichtingen in de verleningsbeschikking opnemen op basis van de omschrijving van de subsidiabele activiteiten zoals beschreven in artikel 5 en de bijlage.
Artikel 12 Evaluatie
-
1. Het beleid waarvoor de subsidie (omschrijving) wordt ingezet, wordt voorafgaand aan elke nieuwe periode van 4 jaar geëvalueerd.
-
2. De evaluatie kan leiden tot aanpassing van deze nadere regel.
-
3. De evaluatie bestaat uit:
-
a. Een analyse van de rapportages van de subsidieontvangers;
-
b. Gesprekken met subsidieontvangers, samenwerkingspartners, vrijwilligers, mantelzorgers en deelnemers;
-
c. Een analyse van vraag en aanbod per wijk, waaronder vanuit de basiszorg de behoeften per leefgebied per wijk.
Artikel 13 Intrekking
De volgende nadere regels worden ingetrokken:
-
1. Nadere regel subsidie vrijwillige inzet voor elkaar, zoals vastgesteld op 16 juni 2020;
-
2. Nadere regel Sociale Prestatie en Dagondersteuning, zoals vastgesteld op 16 juni 2020.
Artikel 14 Overgangsbepalingen
De Nadere regel subsidie vrijwillige inzet voor elkaar, zoals vastgesteld op 16 juni 2020 en de Nadere regel Sociale Prestatie en Dagondersteuning, zoals vastgesteld op 30 juni 2020 blijven van toepassing op aanvragen die onder de werking van die nadere regels zijn ingediend en op subsidiebesluiten die onder de werking van die nadere regels zijn genomen.
Artikel 15 Inwerkingtreding
Deze nadere regel treedt in werking de dag na bekendmaking in het gemeenteblad.
Artikel 16 Citeertitel
Deze nadere regel wordt aangehaald als: Nadere regel subsidie sociale basis.
Ondertekening
Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, in de vergadering van 18 november 2025.
De burgemeester,
Sharon A.M. Dijksma
De secretaris,
Michiel J. Ruis
Bijlage bij artikel 5 – Subsidiabele activiteiten
Categorie A
Alle subsidieaanvragen tot een maximum van € 35.000 per jaar vallen in categorie A.
Categorie A is een categorie voor activiteiten die stimuleren dat mensen omzien naar elkaar, elkaar helpen en die de gemeenschapskracht versterken. Het gaat om activiteiten met een structureel karakter en er is aandacht voor het versterken van de persoonlijke sociale basis van Utrechters voor wie meedoen niet vanzelfsprekend is.
Activiteiten in categorie A zijn in principe buurt- en/of wijkgericht. Het zijn activiteiten van buurt-/wijkbewoners voor buurt-/wijkbewoners. Uitzonderingen hierop zijn mogelijk, op voorwaarde dat goed onderbouwd wordt waarom de activiteit niet buurt- en/of wijkgericht kan. De activiteiten worden in principe uitgevoerd op vrijwillige basis, met waar nodig beperkte ondersteuning van een (ervaringsdeskundige) betaalde kracht, bijvoorbeeld voor het coördineren en begeleiden van vrijwilligers).
Voorbeelden van activiteiten zijn samen eten, kleinschalige buurtnetwerken, samen sporten, samen bewegen, oudergroepen en culturele activiteiten. Deze activiteiten worden ingezet om de maatschappelijke doelen uit artikel 2 te behalen.
Wijkinformatiepunten vallen onder categorie A. Dit zijn activiteiten van inwoners voor buurt- en wijkgerichte informatievoorziening op het brede terrein van zorg en welzijn, met name gericht op Utrechters die met moeite zelfstandig de benodigde informatie kunnen vinden en/of begrijpen.
Categorie B
Activiteiten in categorie B zijn gericht op het ondersteunen van Utrechters in een kwetsbare situatie (die geen of beperkt toegang hebben tot alternatief aanbod), waardoor zij beter mee kunnen doen en/of hun leefsituatie verbetert. Dat kan groepsgericht en waar nodig of passend individueel.
(Ervaringsdeskundige) vrijwilligers voeren de activiteiten uit met ondersteuning van (ervaringsdeskundige) betaalde beroepskrachten. De betaalde beroepskrachten matchen, ondersteunen, begeleiden en coördineren vrijwilligers. Inzet van betaalde beroepskracht bij de uitvoering van groepsactiviteiten kan gesubsidieerd worden als goed onderbouwd wordt waarom een betaalde beroepskracht in de uitvoering noodzakelijk is.
Binnen deze categorie is geen ruimte voor financiering van zorgexpertise in de uitvoering. Er worden 4 subsidiabele activiteiten onderscheiden met elk specifieke (aanvullende) verplichtingen.
1. Zorgen voor elkaar
Activiteiten binnen deze subcategorie zijn niet eenmalig, maar hebben een meer structureel karakter.
Activiteiten dragen bij aan het vergroten en versterken van het ondersteunend netwerk van de deelnemers op een manier die past bij het type activiteit. Dit kan bijvoorbeeld door het organiseren van peer to peer support, met groepsgericht werken, of in het geval van individuele ondersteuning door samen met de deelnemer te kijken naar waar deze aansluiting kan vinden in de buurt of wijk. Aanvrager zet in op betrokkenheid en verbondenheid door deelnemers te stimuleren om naar vermogen bij te dragen aan de activiteiten.
Aanvragen sluiten aan op 1 of meer van de thema’s en activiteiten hieronder:
Kansrijk opgroeien, opvoeden en ouderschap
- a.
Activiteiten zijn gericht op jeugdigen tot de leeftijd van 18 jaar, hun ouders en aanstaande ouders;
- i.
Activiteiten gericht op 1 of meer van onderstaande punten:
- ii.
kinderen en jongeren stimuleren om zich breed te ontwikkelen, zodat hun kansen gelijker worden;
- iii.
kinderen en jongeren stimuleren positief met elkaar om te gaan en verantwoordelijkheid te nemen voor onze samenleving, zodat burgerschap wordt versterkt;
- iv.
ondersteunen bij opvoed- en opgroeivragen. Bijvoorbeeld door in te zetten op opvoedvaardigheden, het positief functioneren van het gezin, of steun tussen ouders onderling.
- i.
- b.
Financiën, rondkomen en armoede
- i.
Activiteiten die gericht zijn op het voorkomen en/of beperken van schulden en/of de negatieve gevolgen van schulden, waaronder hulp bij financiën en administratie;
- ii.
Bij het uitvoeren van deze activiteiten zorgen aanbieders voor een goede samenwerking met de stedelijke formele schuldhulpverlening en maken aanbieders gebruik van het stedelijk aanbod van scholing voor financieel vrijwilligers.
- i.
- c.
Meedoen en sociale contacten
- i.
Activiteiten die gericht zijn op mensen die een drempel ervaren om mee te doen;
- ii.
Activiteiten die gericht zijn op gemeenschapsvorming en verbondenheid, als er sprake is van (een risico op) eenzaamheid en/of uitsluiting;
- iii.
Activiteiten die gericht zijn op de begeleiding van bijzondere vrijwilligers. Deelnemers worden ondersteund bij het doen van regulier vrijwilligerswerk op een externe locatie, zodat zij niet voortijdig uitvallen en zij met het vrijwilligerswerk een zinvolle invulling aan de dag geven. Ze worden uitgebreider ingewerkt en hebben regelmatig contact met een beroepskracht op de achtergrond, eventueel telefonisch. Een deel van de deelnemers zal na enige tijd het vrijwilligerswerk volledig zelfstandig kunnen uitvoeren en uitstromen. De organisatie die deze activiteit aanbiedt houdt regelmatig contact met de deelnemer om de voortgang en behoeften in de gaten te houden, in gemiddeld 60 minuten per week.
- i.
- d.
(Mentale) gezondheid
- a.
Activiteiten die gericht zijn op het voorkomen van mentale klachten of die eraan bijdragen dat mentale klachten niet erger worden. Denk bijvoorbeeld aan prestatiedruk, somberheid en stress;
- b.
Activiteiten die gericht zijn op het versterken van sociaal-emotionele vaardigheden;
- c.
Peer to peer support; activiteiten die ondersteuning bieden door en voor gelijkgestemden: mensen elkaar helpen op basis van gedeelde ervaringen, uitdagingen of doelen.
- a.
- e.
Mantelzorg
- a.
Activiteiten die de zorg tijdelijk overnemen van (jonge) mantelzorgers die zwaar belast of overbelast zijn (respijtzorg);
- b.
Activiteiten die gericht op het ondersteunen van (jonge) mantelzorgers.
- a.
2. Buurtbemiddeling
Buurtconflicten voorkomen, beheersbaar maken en/of oplossen volgens het model van het CCV;
- a.
De uitvoering van deze activiteit wordt verleend aan 1 aanbieder;
- b.
De activiteiten zijn gericht op inwoners die overlast ervaren of betrokken zijn bij burenconflicten. De activiteiten zijn daarnaast gericht op professionals die signaleren of doorverwijzen;
- c.
Hoewel vrijwillige inzet het uitgangspunt is, worden vanwege de complexiteit van sommige situaties ook getrainde beroepskrachten ingezet;
- d.
De aanvrager verzorgt voorlichting over het aanbod van buurtbemiddeling in de stad om de bekendheid te vergroten, het vroegtijdige signalering te bevorderen en escalatie naar een zwaardere aanpak te voorkomen;
- e.
Voor de subsidiabele activiteit buurtbemiddeling geldt dat de aanvrager actief is binnen het samenwerkingsverband van de aanpak woonproblematiek en het landelijk CCV-netwerk, en contacten onderhoudt met relevante ketenpartners in het zorg- en veiligheidsdomein.
3. Taal & digivaardigheid
Inwoners ondersteunen om hun basisvaardigheden te verbeteren. Deze activiteiten zijn uitsluitend gericht op volwassenen (18+).
- a.
Aanvragers voldoen aan het kwaliteitskader dat door het ministerie van OCW is vastgesteld voor het non-formeel aanbod, waaronder de certificering van Taalhuizen. Landelijk wordt de termijn Taalhuizen gebruikt. In Utrecht gaat het hierbij om het DigiTaalhuis;
- b.
Aanvragers hebben aantoonbare ervaring met en kennis van methodieken, materialen, ondersteuning van vrijwilligers in activiteiten gericht op het bijbrengen van taal-, reken- en/of digitale vaardigheden. Vrijwillige inzet is het uitgangspunt, maar vanwege de didactische component wordt ook professionele capaciteit ingezet;
- c.
Aanvragers hebben aantoonbare inzet in relevante samenwerkingsverbanden en zijn gericht op samenwerking in het Utrechtse Taal- en Digitaalnetwerk, zowel stedelijk als in de wijken;
- d.
Aanvragers leveren de benodigde data aan voor (1) de stedelijke monitor en (2) deelnemerservaringstool en nemen actief deel aan de jaarlijkse duidingssessies van de verzamelde data.
4. Praktische ondersteuning waaronder grotere buurtnetwerken
Het gaat om praktische ondersteuning door vrijwilligers voor mensen die bepaalde taken niet of onvoldoende zelf kunnen uitvoeren, ook niet met behulp van hun eigen netwerk. Praktische ondersteuning is meestal kort of eenmalig.
Subsidie kan worden aangevraagd voor activiteiten die gericht zijn op één of meer van de volgende onderdelen:
Vervoer;
Financiën (denk aan groepsgerichte of inloopactiviteiten voor hulp bij financiën en administratie);
Klusjes in en om het huis;
Maaltijden;
Het versterken van het buurtnetwerk, bijvoorbeeld door activiteiten die buurtbewoners met elkaar verbinden en gemeenschapsvorming stimuleren.
Categorie C
Deze categorie is voor subsidieaanvragen van minimaal € 35.000 per jaar.
De activiteiten in categorie C zijn gericht op het ondersteunen van Utrechters met een ondersteuningsbehoefte en een specifieke kwetsbaarheid die verder gaat dan wat er van een vrijwilliger verwacht kan worden. De activiteiten worden uitgevoerd door minimaal 1 gekwalificeerde beroepskracht, waar mogelijk ondersteund door vrijwilligers/ervaringsdeskundigen.
Binnen deze categorie zijn er 4 subsidiabele activiteiten (1 t/m 4) met elk specifieke (aanvullende) eisen.
1. Dagactiviteiten
Het gaat om dagactiviteiten voor Utrechters met een ondersteuningsbehoefte en een specifieke kwetsbaarheid (zoals ggz, NAH, LVB, dementie, (ex)dakloosheid, langdurige armoede of combinaties hiervan). Binnen de uitvoering van de dagactiviteiten worden, waar mogelijk en gewenst, verschillende instrumenten ingezet. Denk aan digitale instrumenten, andere passende groepsactiviteiten, scholingsaanbod, blended werken.
De activiteiten richten zich op:
Het vergroten van de zelfstandigheid in het deelnemen aan activiteiten in de buurt/wijk/stad.
Het vergroten van de zelfredzaamheid in het gebruik van sociale (emotionele) vaardigheden.
Perspectief creëren op (vrijwilligers)werk, individueel of in een groep.
- a.
Voorkomen van zwaardere zorginzet, door het stimuleren van de eigen regie op eigen zorgvragen.
Voor ouderen die niet zelfstandig naar reguliere activiteiten kunnen of willen gaan, zijn de effecten van de activiteit gericht op het behoud van vitaliteit, zelfredzaamheid en zelfregie en ontlasting van mantelzorgers.
Bij de activiteit horen ook kennismakingsgesprekken, contact opnemen als iemand niet komt opdagen en meedenken over vervoer als dat nodig is. Bij (signalen van) een toenemende zorgvraag wordt tijdig en warm doorverwezen naar het buurtteam of een zorgorganisatie.
Van deelnemers wordt verwacht dat zij minstens 2x keer per week minstens 2 uur per keer meedoen met de groepsactiviteit. Het gaat om activiteiten met groepen van minstens 6 en maximaal 15 mensen per dagdeel, begeleid door 1 beroepskracht, tenzij onderbouwd wordt waarom een afwijkende groepsnorm passend is.
Bij de groepsactiviteit is altijd een beroepskracht aanwezig die op de zorgvraag gekwalificeerd is. Deze inzet is subsidiabel voor de duur van de activiteiten.
De deelnemers moeten worden gestimuleerd om naar vermogen actief bij te dragen aan de activiteit, de locatie en/of de groep. Iedere deelnemer heeft een rol, hoe groot of klein ook. Deelnemers helpen elkaar. Deelnemers versterken hun gevoel van regie op het leven, er wordt gewerkt aan empowerment (meedoen).
2. Ondersteuningstrajecten voor jeugdigen en ouders
Deze ondersteuning bestaat uit groepsgericht aanbod voor kinderen en jongeren tot 18 jaar en ouders met minderjarige kinderen die specifieke vragen hebben over opvoeden of opgroeien. De ondersteuning kan onder andere gericht zijn op:
mentale gezondheid;
sociaal-emotionele vaardigheden;
prestatiedruk;
angsten;
gendervraagstukken;
omgaan met opstandig gedrag;
omgaan met (levend) verlies;
Druk/externaliserend gedrag.
De activiteiten zijn gericht op het oplossen van de hulpvraag en voorkomen dat de deelnemers onnodig de stap maken naar de basis- of aanvullende jeugdhulp voor (een deel van) hun hulpvraag. Het gaat daarmee om tertiaire preventie. Binnen de groep werken de deelnemers aan hun persoonlijke leer- en ontwikkelvragen, met ondersteuning en begeleiding van de subsidieaanvrager. De deelnemers hebben zelf een belangrijke rol in het aanbod. Dit kan bijvoorbeeld door samen de invulling en/of organisatie van de bijeenkomsten te bepalen, door (oud-)deelnemers een rol te geven vanuit hun ervaring in het programma, en/of door deelnemers elkaar als peers verder te helpen. De inhoud van de activiteiten wordt ook afgestemd op de vraag en behoefte van de groep.
De aanvrager zorgt voor een sociaal veilige omgeving, let op de groepsdynamiek en stimuleert onderlinge sociale contacten tussen de deelnemers.
De trajecten kunnen een vaste looptijd hebben met een vaste groep, of doorlopend zijn waarbij deelnemers instromen en weer uitstromen wanneer de leerdoelen zijn behaald. De aanvrager werkt continu aan de effectiviteit van de trajecten op basis van de uitkomsten en ervaringen van de deelnemers.
Aanvrager toont aan hoe de activiteiten zijn afgestemd met de coördinator van het groepsaanbod in de sociale basis (onderdeel van de Welzijnsopdracht) en eventueel 1 of meer van de volgende partijen: Jeugdgezondheidszorg (JGZ), Jongerenwerk Utrecht, SportUtrecht, buurtteam en aanvullende jeugdhulppartijen.
3. Laagdrempelige onafhankelijke cliëntondersteuning
De uitvoering van deze subsidiabele activiteit wordt aan maximaal 6 aanvragers verleend.
Deze ondersteuning gaat over het bieden van informatie, advies en ondersteuning aan inwoners op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Daarnaast gaat deze ondersteuning over het helpen van deze inwoners om passende zorg of ondersteuning te vinden. Deze vorm van ondersteuning is laagdrempelig en richt zich op inwoners die slecht in beeld zijn bij reguliere zorg en ondersteuning, bijvoorbeeld door taal, cultuur of wantrouwen richting formele instanties. De ondersteuning vervult hiermee een brugfunctie. Voor deze activiteit geldt:
De activiteit wordt uitgevoerd door ondersteuners met actuele basiskennis van wet- en regelgeving op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. De ondersteuners hebben daarnaast kennis van de gemeentelijke toegangssystematiek tot de basiszorg en aanvullende zorg;
Een aanvrager die beslist over de formele toewijzing naar een maatwerkvoorziening kan geen aanvraag indienen voor laagdrempelige onafhankelijke clientondersteuning;
Wanneer wordt gesignaleerd dat er in de stad specifieke ondersteuning ontbreekt, wordt dit gemeld bij de formele onafhankelijke cliëntondersteuning en/of bij de gemeente;
Inwoners worden begeleid bij klachten en/of bezwaar of worden hiervoor doorverwezen naar de formele OCO (onafhankelijke cliëntondersteuning). Hierbij wordt herkend wanneer een vraag juridisch of qua kennis beter door de formele cliëntondersteuning kan worden behandeld. Er vindt dan een warme overdracht plaats.
Partijen die subsidie ontvangen (een aanvrager kan slechts voor 1 vorm van OCO subsidie aanvragen) vormen een samenwerkingsverband. Zij sluiten een convenant met afspraken over onder andere coördinatie, monitoring, rapportage, consultatie, kennisdeling en samenwerking met partners. De inhoudelijke verantwoording wordt gezamenlijk opgesteld.
4. Formele onafhankelijke cliëntondersteuning
De uitvoering van deze subsidiabele activiteit wordt aan 1 aanvrager gegund.
Ook deze ondersteuning gaat over het bieden van informatie, advies en ondersteuning aan inwoners op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. De ondersteuning helpt inwoners om passende zorg of ondersteuning te vinden. Deze vorm van ondersteuning richt zich op inwoners die aanvullende/specialistische kennis en hulp nodig hebben om hun te weg vinden binnen het zorg- en welzijnssysteem.
De formele onafhankelijke cliëntondersteuning:
Wordt uitgevoerd door beroepskrachten met aantoonbare kennis van formele, juridische en procedurele taken, in elk geval bij maatwerkwerkvoorzieningen vanuit de Wmo. Ook hebben de beroepskrachten aantoonbare specialistische kennis van wet- en regelgeving op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen en kennis van de gemeentelijke toegangssystematiek tot de aanvullende zorg;
- a.
Beslist niet over de formele toewijzing naar een aanvullende maatwerkvoorziening;
Werkt samen met de onafhankelijke cliëntondersteuning vanuit de Wlz, als de inwoner een Wlz-indicatie heeft gekregen, zodat de overgang van Wmo naar Wlz soepel verloopt;
Signaleert actief knelpunten en onrechtvaardigheden in (de uitvoering van) landelijke en lokale wet- en regelgeving en meldt deze bij de desbetreffende (overheids)instanties, beleidsmakers en partijen om bij te dragen aan verbeteringen in beleid, regelgeving en uitvoering;
Coördineert de laagdrempelige en formele onafhankelijke cliëntondersteuning in zijn geheel en ontwikkelt, beheert en verspreidt relevante informatie over de OCO.
Partijen die subsidie ontvangen (een aanvrager kan slechts voor 1 vorm van OCO subsidie aanvragen) voor laagdrempelige of formele OCO vormen een samenwerkingsverband. Zij sluiten een convenant met afspraken over onder andere coördinatie, monitoring, rapportage, consultatie, kennisdeling en samenwerking met partners. De inhoudelijke verantwoording wordt gezamenlijk opgesteld.
Bijlage bij artikel 9 – Verdeling subsidie
|
Beoordelingscriterium |
Toelichting op beoordeling |
|
1. Bijdrage aan 1 of meer subsidiedoelen (artikel 2) |
In welke mate:
|
|
2. Bijdrage aan activiteiten en doelen binnen het subsidieplafond (artikel 5) |
Er zijn drie categorieën die verdeeld zijn in negen subsidiabele activiteiten. Deze worden genoemd in artikel 5 en beschreven in de bijlage. In welke mate:
|
|
3. Behoefte/noodzaak van activiteiten |
In welke mate:
|
|
4. Verhouding tussen de hoogte van de aangevraagde subsidie en het beschreven resultaat. |
In welke mate:
|
|
5. Betrokkenheid en samenwerking met initiatieven en organisaties |
Het gaat hier om samenwerking met andere organisaties, ondernemers en initiatieven in buurt, wijk en/of stad . In welke mate:
|
|
6. Bijdrage aan duurzame verbetering van de situatie van deelnemers |
In welke mate:
|
|
7. Mate van inclusiviteit |
Dit gaat over fysieke en sociale inclusie. In welke mate:
|
|
8. Blijven doorleren tijdens de looptijd van de subsidie |
In welke mate:
|
|
9. Aantoonbare ervaring van aanvrager |
In welke mate heeft de aanvrager aantoonbare kennis en ervaring en laat zien wat de ervaringen waren van de activiteiten in de afgelopen 2 jaar. Bij nieuwe aanvragen: in welke mate toont de aanvrager aan dat deze voldoende kennis en relevante ervaring heeft? |
|
10. Benutten mogelijkheden tot verwerven van extra inkomsten |
In welke mate:
|
|
11. Noodzakelijkheid van kosten |
In welke mate:
|
Tabel 2. Toelichting op de beoordeling van de beoordelingscriteria. Deze tabel is juridisch bindend.
Informatieve toelichting bij Nadere regel subsidie sociale basis
Algemeen
Burgemeester en wethouders hebben deze nadere regel vastgesteld om de sociale basis in Utrechtse wijken en buurten te versterken voor alle inwoners, ook de mensen die tijdelijk in een kwetsbare situatie zitten, ongeacht leeftijd. Het doel is dat inwoners prettig en gezond kunnen (samen)leven, zelfredzaam zijn en actief mee kunnen doen in de maatschappij. Ondersteuning wordt daarom zo dicht mogelijk bij het normale leven georganiseerd en er wordt gestimuleerd dat mensen naar elkaar omzien. Als onderdeel van de hervormingen in het sociaal domein is het nodig de groeiende vraag naar aanvullende (jeugd)zorg en maatschappelijke ondersteuning te verminderen. Want deze groei is op lange termijn niet houdbaar vanwege het verwachte tekort aan geld, personeel en ruimte. Het versterken van de sociale basis is hierbij essentieel. Deze Nadere regel draagt hieraan bij.
Het eigenaarschap en initiatief voor het organiseren van activiteiten in de gemeenschappelijke sociale basis ligt bij de partijen in de stad. De gemeente ondersteunt dit zo goed mogelijk. Subsidie is daar het meest passende instrument voor.
Artikelsgewijs
Artikel 9 Verdeling subsidie
Voorbeeldberekening totaalscore.
Stel dat een aanvraag als volgt wordt beoordeeld:
|
Criteria |
Beoordeling |
Punten behaald |
|
Bijdrage aan subsidiedoelen |
Goed |
1.6 |
|
Bijdrage aan activiteiten binnen het subsidieplafond |
Voldoende |
0.75 |
|
Behoefte/noodzaak van activiteiten |
Goed |
1.4 |
|
Efficiënte inzet middelen ten opzichte van resultaat |
Onvoldoende |
0 |
|
Betrokkenheid en samenwerking met bewoners en partners |
Goed |
0.8 |
|
Bijdrage aan duurzame verbetering van de situatie van deelnemers |
Voldoende |
0.4 |
|
Mate van inclusiviteit |
Voldoende |
0.35 |
|
Lerende en flexibele organisatie |
Goed |
0.5 |
|
Aantoonbare ervaring |
Onvoldoende |
0 |
|
Benutten mogelijkheden tot extra inkomsten |
Voldoende |
0.25 |
|
Noodzakelijkheid kosten |
Voldoende |
0.2 |
|
Totaal |
6.25 |
|
De totaalscore voor deze aanvraag is 6.25
Staatssteuntoets
Na het doorlopen van een tenderprocedure is bekend wie de subsidieontvanger(s) word(t)(en) en hoeveel subsidie zij ontvang(t)(en). Op dat moment kan beoordeeld worden of de subsidieverlening staatssteun oplevert en zo ja, of deze steun rechtmatig verstrekt kan worden.
Wanneer de subsidieontvanger een natuurlijke persoon is die geen economische activiteiten verricht, is de subsidie geen staatssteun.
Wanneer de subsidieontvanger een natuurlijke persoon of rechtspersoon is die wel economische activiteiten verricht is de verwachting dat de subsidie (hierna: de steun) staatssteun betreft die rechtmatig verleend kan worden. Afhankelijk van de subsidieaanvraag kan de steun rechtmatig zijn op grond van de regelgeving voor Diensten van Algemeen Economisch Belang en/of de reguliere De-minimisverordening.
Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB)
De activiteiten waarvoor steun wordt verstrekt kunnen als Diensten van Algemeen Economisch Belang (DAEB) worden aangewezen. Daarvoor is onder andere vereist dat enigszins sprake is van marktfalen. Omdat de gemeente hierbij een ruime beoordelingsmarge heeft, is de verwachting dat dit toereikend gemotiveerd kan worden. Het aanwijzen van DAEB is een collegebesluit. Burgemeester en wethouders dienen de subsidieaanvrager(s) in de subsidiebeschikking te belasten met het uitvoeren van die DAEB en daarvoor compensatie in de vorm van subsidie te verstrekken. De compensatie (de steun) mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van de diensten (de activiteiten waarvoor subsidie is aangevraagd) geheel of gedeeltelijk te dekken. Daarbij mag wel rekening worden gehouden met de opbrengsten en een redelijk winst.
Reguliere De-minimisverordening
Voor kleinere bedragen kan de reguliere De-minimisverordening mogelijkheden bieden. Die verordening biedt de mogelijkheid om maximaal € 300.000 subsidie te verstrekken wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan.
Melding bij Europese Commissie of Afwijzen subsidieaanvraag
Als blijkt dat de steun (de subsidie) op grond van het bovenstaande niet rechtmatig verstrekt kan worden kan de voorgenomen subsidieverstrekking alsnog rechtmatig verstrekt worden wanneer de Europese Commissie (EC) deze goedkeurt. Daarvoor dienen burgemeester en wethouders de voorgenomen subsidieverstrekking bij de EC voor goedkeuring aan te melden.
Wanneer het burgemeester en wethouders dat niet wenst te doen, zullen zij de subsidieaanvraag moeten afwijzen omdat het in strijd is met het staatssteunrecht.
Ziet u een fout in deze regeling?
Bent u van mening dat de inhoud niet juist is? Neem dan contact op met de organisatie die de regelgeving heeft gepubliceerd. Deze organisatie is namelijk zelf verantwoordelijk voor de inhoud van de regelgeving. De naam van de organisatie ziet u bovenaan de regelgeving. De contactgegevens van de organisatie kunt u hier opzoeken: organisaties.overheid.nl.
Werkt de website of een link niet goed? Stuur dan een e-mail naar regelgeving@overheid.nl